DUIVEN

Klap-klap-klap
m’n dertien duiven
slaan hun vlerken, de eene op de aâr;
klap-klap-klap,
en henenschuiven
doen ze van mijn dak, mij daar.
Klap-klap-klap
ze spelevaren
rinkelrooiende, altemaal;
klap-klap-klap
van harentaren
ommentom, in éénen haal.
Klap-klap-klap
ze zijn daar weder:
hoort ge vlug hun vlerken slaan?
Klap-klap-klap
ze vallen neder,
beetende op mijn dak voortaan.
Klap-klap-klap
de veêren stuiven,
want hun baaike, groef en fijn,
klap-klap-klap
m’n dertien duiven
boetende in de zonne zijn.

Kortrijk, 10/2 ’98.


MUSSCHEN

De musschen weêral, vrij en vrank,
vergâren, en verzinnen
hoe nog eens, naar den ouden gang,
de lente gaat beginnen.
’t En vriest niet meer, ’t en sneeuwt niet meer,
’t en vliegen meer geen vlagen:
’t wordt dageraad in ’t oosten eer,
en langer zijn de dagen.
De zonne—’n wordt, in ’t zonnelicht,
de weide nog niet wakker,—
goêmorgent, met heur mooi gezicht,
den moedermilden akker.
’t Zit ander verwe in ’t hout, voortaan;
de botgebolde boomen
niet langer meer zoo drooge en staan
te druilen en te droomen.
Daar gaat entwat gebeuren; ’t is
geband en gebaar geworden,
dat Leven en Verrijzenis
zijn ’t graf weêr uitgetorden.
De musschen hebben ’t nieuws ervan
vernomen, en ze vliegen
’t vermonden; geld noch goed en kan
dat musschenvolk bedriegen.
Zoo, weêral zijn ze, vrij en vrank,
de haantjes en de hinnen,
aan ’t rinkevinken, luide en lang:
de lente gaat beginnen!

Kortrijk, 11-12/2 ’98.


DE DAGERAAD[1]

In ’t blauwe van den hemel doekt
een kleene, witte wolke
de zonne mij;
en ’t witte van die wolke en komt
geen vlekkelooze molke,
geen wolle bij;
geen witgewasschen wolle, noch
geen snee die, versch gevallen,
te gronde ligt;
zoo wit is, op de boorden van
die witte wolke, ’t brallen
van ’t zonnelicht.
’k En kan ’t niet meer bezien bijkans,
mijne oogen willen dolen;
’t is vermiljoen,
dat, zwart in mijnen boek gedrukt,
zoo zwart is als de kolen,
en ’t rood is groen.
De Leye, die daar stille licht,
het water in de beken,
is rood voortaan:
terwijl, van top tot tee’n mij als
van ’t morgenrood ontsteken
de boomen staan.
Het schemert hooge en leege nu,
en diepe in ’s hemels gronden,
vandage staat,
beneên dien witten zonnedoek,
in ’s middags hooge stonden,
de dageraad!

Kortrijk, 8-9/3 ’98.


[1] Dit hier is een gedichtje op mijn ondervinden van ’t geen men, geloove ik, Couleurs complémentaires heet; de zwarte letters in mijn brevier waren schoon bloedrood; de roode, helder vert-de-gris; enz. gelijk in ’t gedicht’

Het moet gelezen worden.

lă lá lă lă—lă lá lă lă,
lă lá—lă lá—lă liere
lă lă lă lă.

G. G.


NEVELDUISTERNIS

Gegrauwdoekt is de grond
der kimme en allenthenen
vol damp en duisternis;
de boomen, half verdwenen,
half zichtbaar, hebben, daar
ze stille staan en stom,
van wolkenweefsel elk
een grauwen tabbaard om.
’t Hoogmorgent en, zoo ’t schijnt,
’t en wilt geen dag meer dagen:
daar moet iets ongesteld
of los zijn aan den wagen
der zonnehingsten, dat
ze in toom gehouden staan
en, immer nippend, nooit
een schreê vooruit en gaan.
De wereld mist den troost
dier zoete zonnestralen,
die alles leven doen,
daar ooit zij nederdalen;
die ’t schoone schoon doen en
die ’t goede goed doen zijn:
die God verbeelden in
Gods beeld, den zonneschijn.
De wereld mist dat nu:
ze treurt en, langs de lanen,
daar ’t eenmaal blommen droop
en druipen nu maar tranen;
daar ’k eenmaal stemmen hoorde
en vogelzang en ziet
mijne ooge onschoonheid maar
en sprakeloos verdriet.
Dat ’t schaduw nu nog ware
en wolken daar de winden,
zoo in een schapentrop
de honden, weg in vinden,
en bleve een plekske vrij,
dat blauw is, hier of daar!
Och, neen, ’t is nevel, al
omtrent me, en nevel, maar.
O nevelduisternis,
bij nachte zien mijne oogen
de duizend teekens nog,
die ’t ommegaan vertoogen
des sterrenhemels! Gij,
o nevelduisternis,
en toogt mij niets van al
daar hope of troost in is.
’t Is meer als leed genoeg,
en droefheid in mij, zonder
uw droef afwezig zijn,
o ’t weergalooste wonder
van al dat wonder is
in ’s werelds heerlijkheid!
o Zonne, en zij mij nooit
te lange uw licht ontzeid.

Kortrijk, 17/3 ’98.


WINDTOCHT

’t Is helderblauw, vandage,
en warmer als twee dagen
of drie geleên, de tocht
die ’k aseme is voortaan
zoo licht en onbelaân,
dat door mijn longen ik
hem lustig late jagen.
Hij loopt omtrent me heen,
hij speelt me vóór de voeten;
mijn haar omwentelt, en
mijn kaken kust hij koel;
in lijf en leên gevoel
ik weer den jongen dag
den ouden dag verzoeten.
Hoe raast die wilde wind
mijne ooren vol! Ze tuiten,
ze tieren allerhand
geruchten in mij, recht
een stamerend gevecht
van stemmen is ’t, die ’k slaan
en bermen hoore, buiten.
Dan buige ik mij vooruit
en wil de borst hem bieden;
’k ga stevig, stap voor stap,
en ’k leune, lijf sta bij;
wie zalder, ik of gij
nu zege halen, wind,
of ’t zegeveld ontvlieden?
Zoo wierd er vroeger, ’t is
mij eeuwen lang geleden,
door hem die „Israël
nadien voor name droeg,
bij nachte en ’s morgens vroeg,
op een die, na den strijd,
hem zegen gaf, gestreden.
Dan, laat mij zegen ook,
uit uwen mond, verwachten,
o sterke vechter, Wind,
die, loopende achter ’t veld,
mij schier omverrevelt
en worstelt tegen mij,
en wijgt uit al uw krachten.
Ik bidde u, zegent mij:
niet eer en wilde ik wapen
omleege leggen, u
ontwijkende, eer gij doet
ontwaken mij dat bloed,
dat al te langen tijd,
gerust heeft en geslapen.

Kortrijk, 22/3 ’98.


AKSTERNESTEN

Nog ijdel staan de boomen, in
de blauwe lucht, en blaren
en zie ’k ze hebben, meer als of
ze dood en duister waren
voor goed nu. Lang is alles zwart
en zonder zap gebleven,
dat wijleneer zoo groene stond
in ’t zoete zomerleven.
’t Is zwart nu al, tot boven in
de hooge abeelensprangen,
daar zwarte en zware bonken in
van aksternesten hangen.
’t Zijn teekens in de lucht, en wel
bekende hemelbaken,
dat wederom de zonne zit
aan ’t lieve zomermaken.
Toch bladerloos is al ’t geboomte
en, verre heen in ’t westen,
in ’t noorden, ’t zuiden, ’t oosten zie ’k
alom vol aksternesten
de abeelen staan.—Verdappert uw
bezoek en wilt de bronne
des aksterlevens duiken al
in ’t groen, o lieve zonne!

Moscroen, 27/4 ’98.


LENTEGROEN

Hoe lief is, op het donkerblauw
der zwangergaande wolken,
die donderpijlen dreigen dra,
het lieve lentegroen,
daar schielijk, uit de zuiderlucht
de middendaagsche dolken
der zonne, ’et lustig meievier
een deuntje op dansen doen.
’t Is groen, dat diepe in ’t blauwe bijt,
zoo hel en zoo doorschijnend,
of eerst het uit den regenboog
geboren ware; en blauw,
dat dieper nog als hemelsch blauw
des avonds is, verdwijnend
in ’t zwangergaande duister van
de wolken, gram en grauw.
De zonne loopt daar smijtende in
heur middendaagsche dolken,
die speiten zoo geweldig op
het lieve lentegroen,
dat ’t pinkelt en dat ’t pierelt op
de blauwheid van de wolken,
die, zwangergaande, dreigen dra
nen donderdeun te doen.

Aan Eug. De Lepeleer,
4/5 ’98.


VOORBIJ

Voorbij is, eer het woord voluit
mijn tonge ontsnapt, het veêrgefluit
des vogels, die is verre en wijd
van hier, bijkans in géénen tijd.
Voorbij, zoo vaart het stoomgetuig
zijn vechtend vier- en vonkgespuig,
de schenen langs, één stonde, en is
verdwenen in de duisternis.
Voorbij zoo loopt een schaduw langs
de stappen meê mijns wandelgangs,
dóór ’t onafmeetbaar veld, dat ik
ontgroenen zie van stik tot stik.
Voorbij, zoo valt een striepken licht,
een valsterre, over ’t aangezicht
des hemels, en ’k en zie daarvan
geen speur, eer zesse ik tellen kan.
Voorbij o God, u uitgespaard,
gaat ’t al voorbij en tendenwaard,
gaat al dat is of was voorbij:
Gij zijt alleene en blijft God, Gij!

Kortrijk—Brugge, 10/5/’98.


WIE IS ALS GOD[1]

Wie is als God!” zoo wierd het woord,
in lang verleden tijden,
omtrent den throon van God, gehoord,
als Michaël ging strijden.
Wie is als God!” Hij won den slag
en satans volk vernederd lag.

Tusschenzang:

De vane omhooge! en immer voort,
die weerbaar is, gestreden!
Wie is als God!” weergalme ’t woord
des zegepraals, nog heden!
De vijand wierd verwonnen, maar
zijn hoogmoed niet gebroken;
met lichaamsrampe en zielgevaar
blijft satan ons bestoken;
doch, stuive en storme ’t nog zoo fel,
Wie is als God!” roep Michaël.

Tusschenzang:

De vane....

De wereld is een worstelperk
vol vijandschap en veeten;
geen winnen, of een wapenwerk
van dapperen mag ’t heeten:
die weerbaar is den vrede haalt,

Tusschenzang:

De vane....
Bewaart ons in den wijg, en doet
ons allen, die u eeren,
tot tenden uit, met kloeken moed
de slagen slaan des Heeren;
bevrijdt ons van der kwaden dood,
o Michaël, Gods engel groot!

Tusschenzang:

De vane....
„Wie is als God!” zij ons geschreeuw,
zoo ’t uwe was, voordezen;
verwinnaar zal de vlaamsche leeuw
door Michaël, nog wezen;
staat, Engel Gods, zoo bidden wij,
ons, lijdend, wijgend, stervend, bij!

Tusschenzang:

De vane....

10/5 ’98.


[1] Mi-cha-el: Quis ut Deus!


OCH WARE IK....

Och, ware ik ongevoelig en
mijn herte een steen bedegen,
wanneer de boosheid bijten komt
van die mij toegenegen
en dankbaar wezen moesten! ach!
’t en is geen een verschenen,
of was er een, hij verre weg
van hier is en verdwenen.
’n Ware ik maar gevoelig als
ik tranen zie en lijden,
bereid om al dat doenlijk is
te doen en hen te blijden
die, troostloos zijnde, zeggen: „Helpt:
u wille ik al mijn leven,
bedanken!” Neen: beloven is
een ander ding als geven!
Ach, weze dan mijn herte zoo’t
voor u, moet zijn, o Vader,
die meer mij als ik immer mocht
verdienen, altegader
ontvangen liet; die vroolijk zijn
mij doet, mijn herte pramend;
en al te menig keeren mijne
ondankbaarheid beschamend!

Kortrijk, 25/5 ’98.


GETIJDEN.[1]

VERNA.

Lente zal ’t, eer lang na dezen,
eeuwig, eeuwig lente wezen,
blijve ik, Priester Gods gewijd.
U getrouw, die eeuwig zijt.

AESTIVA.

Maakt alom, te zomertijde,
’t zonneken de menschen blijde,
hoe zal ’t, zonne Gods, mij gaan,
als ik eens vóór u zal staan?

AUTUMNALIS.

Boomen, die geen ooft en schenken
zal ’t gegloei der helle krenken:
God, verleent mij daaglijks, dan
werk en eens den loon ervan!

HIEMALIS.

Koude, sneeuw- en hagelvlagen,
looft den Heer, die, alle dagen,
hoe ’t geweld der winden drijft,
waakt in mij en wakker blijft.

Cinxen, 1898.


[1] Voor ’t Getijdenboek van den priester.


CINXEN

’t Is stille, Cinxendag en, over ’t plekske vloers,
van waar ik henenzie en schouwen kan, daarboven,
de hemelsblauwe lucht, en hoore ik niemendal,
’t en zij, voorbij geschoven,
een langzaam bellen, dat, herhalende, eens en nog
zegt: „komt te kerkewaard, met mij den Heere loven!”
’t Is stille en kerkewaard vervoere ik mijn gedacht,
vervoere ik heel en al mijn innerwaardste wezen,
tot vóór uw voeten, God, die uit het duister graf
zijt heerlijk opgerezen;
die in uw kerke rust en dáár, in ’t hoogste blauw,
terwijl het klokske luidt, mij uwen naam laat lezen.
O groote kerke Gods, o hemelwelven, daar
het minste mensch van al, bij nachten of bij dagen,
U in de sterren kan aanschouwen, groote God,
zoo ver zijne oogen dragen,
en in de blauwe lucht des hemels!.... kerke Gods,
gewijde kerke, wie zal u te schenden wagen?

Kortrijk, 29/5 ’98


DUC NOS QUO TENDIMUS![1]

Wilt ge een hof vol beukenboomen,
zwarte en groene, als daken dicht,
ondoorstroomd, de volle stroomen
vangen zien van ’t zonnelicht;
wilt ge een kermesse aan uwe oogen
geven, ’k ga den weg u toogen.
Wilt ge geurig gers gerieken,
versch gezeisend; dóór de wee’n
op en af de houten rieken,
’t hooi zien dansen, al deureen,
komt en laat, in ’t park getreden,
vóór u gaan, of na, mij heden.
Uit en in de schaduwsluipen,
te over ’t hoofd in ’t donker groen,
wilt ge heen- en wederkruipen,
duikske-weg, u zoeken doen;
wilt ge vrij van zorgen leven,
komt, ik ga de keure u geven.
Wilt ge, tien en twintig malen
daags, het dampend reuzenros
hooren zijnen asem halen,
door end door den iepenbosch,
slaande weg naar vreemde kusten
komt nabij dien berk wat rusten.
Henen is ’t, en weêr een ander
drakendier de bane bijt,
bachten ons: een binnenlander
is het nu, die henenrijdt!...
Horkt hoe weêr de wielen ronken:
’t davert tot in de elzentronken.
Zich! Daar springt een haze! Och arme,
laten moet hij noo’ den schat,
dien hij, diepe in ’t hooi, in ’t warme
woekernest geborgen had:
’t staat hem op den hals en sterven
moet hij of zijn jongskes derven.
Groot van oogen, grauw van velle,
lang van ooren, krom van been,
zitten nu de lieve, snelle
jongskes op mijn hand getween,
weteloos of, weggedreven,
vader nog en moeder leven!
Meermaals hoore ik menschen kouten,
hoe verkeersels, wis en waar,
hoe ze goede en kwa’ kabouten
tegenkwamen, hier of daar:
zijnder geesten hier, die dwalen,
’s nachts, het zijn de nachtegalen.
’t Doet: er komen goede geesten
hier verkeeren, af en aan:
lichaamlooze zielenleesten,
uit het graf heropgestaan,
daar ze, veel of luttel jaren
voortijds, in begraven waren.
Hautscilt en de oude Eeckhoute-abten
komen hier en doen alsof
ze elkeen met elkander klapten,
stemmeloos, in ’t wandelhof,
van ’t oud huiswerk, dat, voorheden,
hier end daar, zij bouwen deden.
’t Is al weg nu, zoo zij zelven
weg zijn: wijde en waterland,
boomen zijn ’t nu, boschgewelven,
gulzig gers en zuiver zand.
Henen zij ze, en andere ontzielden
komen, daar zij dagvaart hielden.
Welby Pugin en, daarnevens,
Jan Bethune, zijn gebroêr,
die, den langen dag huns levens,
trokken een en ’t zelve snoer,
hoore ik nu, al zoetjes spreken,
’t beeld van een gebouw uitsteken.
„Dààr het ziedhuis, dààr het water,
zus en zoo den trap gezet.
’s Zomers, noord de slaapsteê; later,
wordt het koud, alhier het bed.
Tenden zij, om God te loven,
nog een bidsteê bijgeschoven.”
„Michaël zal ’t huis bewaken,
met zijn zweerd. Wie is als God?
hoore ik in de samenspraken
slaan van de edele twee; „en ’t slot
zal Maria, zonder vlekken
maagd, met heuren mantel dekken.”
„Jan-Baptiste moet hier hebben,
nacht en dag; zijne eere, want
zuiver water doet hij ebben,
uit der aarde en over ’t land.
Naast Maria moet, nadezen,
Joseph hier gediend ook wezen.”
„Donatiaan, met zeven lichten,
ringsom, op een wiel gepint,
zal de vijandschap doen zwichten,
van die alles uitverzint,
’s nachts, om in de terruwstruiken
harik en vergif te duiken.”
Weêrom zijn ze weg, verdwenen!
Al met eenen keer, zoo staan
huis en hof mij daar verschenen:
dag is ’t; en de hooiers gaan
overal, bij zware slagen,
’t geurig gers omverrevagen.
Wee is mij! Waar zijn mijn zinnen?
Dorst ik, in zijn eigen huis,
dichten, bij den Bisschop, binnen?
Neen! „Duc nos quò tendimus!
hadde ik liever zeggen moeten,
neêrgeknield, aan ’s Leeraars voeten.

Sint-Michiels, bij Brugge,
29/6/’98.


[1] Aan Z. D. H. Mgr. Dr. G. J. Waffelaert, Bisschop van Brugge.


IN ’T RIET

Gedoken half, in ’t riet,
half zichtbaar, in de rieten,
aanschouwt de koeien mij,
die, versch uit hunne slieten
en vaste veters, nu
op vrije voeten gaan
en, gaande, ’s morgens vroeg
hun lange steerten slaan.
Omhooge heffen zij
hun hoofd en doen de stalen
van ’t omgebogen riet
hun tongen nederhalen
te mondewaards; de zwakke,
ontgroende staven riet
men rijzen toppeloos,
en weerom rechte ziet.
Ze stampen dat het kraakt,
en ’t water van beneden
hun voeten, spettert op
en speit hen om de leden;
de koeier djakt zijn djakke
en, djakkend, rechtevoort
hij koeiers overal
hem tegendjakken hoort.
De dazen zijn daar aan
en bij, bij bijzen weven
zij, rings om elke koe,
hun’ zidderende schreven;
ze zuipen zuiver bloed,
bij volle zeupen, uit
de malsche bronnen van
de diepe koeienhuid.
Vaart henen, zonne, weêr
ten avondwaard: de koeien
en kunnen ’t herden noch
gedragen meer; ze loeien
om vrij te zijn van ’t zog,
dat hun den uier spant;
om vrij te zijn van ’t vier
dat hun de balgen brandt.
„Naar huis, allei—alla!”
Zoo luidt het en, geladen
met de ongevalschte gift
huns overvloeds, zoo waden
de koeien uit het riet
en uit den meersch, verbeid,
weêrom te stallewaards
en in de stilligheid.

Zillebeke, 27/9 ’98.


SORBUS AUCUPARIA. L.

Nen zwicht van bloeroo bezekens,
de weêrga van coraal,
zie ’k hooge, op de averesschen staan,
en blinken altemaal;
de najaarszonne vonkelt op
dien ongetelden pereldrop.
De blaren zijn al afgewaaid
en ’t hout is, heel ontkleed,
met honderdduizend beierkens
behangen, wijd en breed.
„En hoe, o lustig lijsterdiet,
en plukt ge mij die perels niet?”
Gij draagt misschien een roer, dat ons
het leven rooven moet;
of peerdshaar hebt gij meêgebracht,
bestemd voor onzen voet?
Verlaat ons, want we leven, wij,
van al dat man of maag is, vrij!”—
„Sa, merel, lijster, kwalster, al
dat averesschenooft
veroorbaart, hier! en dapper u
nen vollen buik geroofd:
geen mensche en ziet u, rep noch zeg
en hoore ik meer, ’t gevaar is weg!”
’t Is menig, menig vogel zat
gaan slapen en voortaan,
de zonne is, in den oosten, en
de dag weer opgestaan:
geene averessche, of, ongeminkt,
hij nog vol bloeroo bezen blinkt.
En avereschhout staat er, met
de macht, dat, ongekrankt,
vol bezen, tusschen ’t ander hout,
en boven ’t ander, hangt;
maar wie die al de perels van
die trotsche toppen tellen kan?
Tot Iper, op de „werken”, staat
dit wonder, ongekend;
en menig weet zooveel daarvan
of waar hij stekeblend:
dat schoone is, en geen bate en bringt,
is goed voor—een die liedtjes zingt.

Zillebeke, 2/10 ’98.


... AAN DEN LINDEBOOM

O! wat schoon, wat bolgekruinden
lindeboom,
van verre ik staan zie, blinkende in den
morgendoom!
Heel is hij gewelkerd al en
duizendvoud
van verwen, langzaam afgesleten
guldengoud.
Dag en schijnt er op nog noensche
zonneglans:
’t is vochtig en de hemelkomme is
duister gansch.
Doch, ik zie mij, zonnewijs in
’t nedergaan,
die najaarsche, ei, die bolgekruinde
linde staan.
Ringsom rijzen hooge en groote,
zwart en zwaar
getakte boomen, naast die lieve
linde daar.
Diepe schaduw schieten ze en een
donker groen
gewelf zij om het wezen van die
linde doen.
Weest gegroet mij, nauwlijks uit den
morgendoom
erkenbaar Lieve-Vrouwken, aan den
lindeboom!

Sente, 29/10 ’98.