In den sneeuwstorm.
Kwartier vóór acht in den morgen vertrokken we over het blauwe ijs; nog geen uur later was er al weer een veld vol spleten te overwinnen; sommige spleten droegen een laag sneeuw; andere hadden iets vaster, maar niet minder gevaarlijke sneeuwbruggen. Onder het gewicht van Marshall gaf een der bruggen mee, en onze vriend verdween; het tuig, waarin hij bleef hangen, redde hem van een val in een meer dan 300 meter diepen afgrond. Enkele oogenblikken later viel Adams, en daarna was het mijn beurt. Verderop werd de toestand nog hachelijker. De sleden gleden over het ijs, maar stieten telkens tegen de scherpe kanten van de randen der spleten; de eene, die al door den val beschadigd was, werd bij een schok van voren vernield. In die omstandigheden werd het onmogelijk de beide sleden tegelijk te trekken, zoodat we ons met ons vieren eerst voor de eene slee moesten spannen, die een paar honderd meter ver trekken, en dan terugkeeren om de tweede te halen. Eerst na elf uur, toen het ijs beter was geworden, konden we beide voertuigen tegelijk voorttrekken.
Om kwartier vóór twaalf rust, om poolshoogte te nemen. Resultaat: 84.2 Z.B. Dat was nog niet ver, en dan te denken, dat wij de beide laatste dagen zonder ophouden omhoog waren gegaan, terwijl ieder van ons 72 kilo had te trekken. We waren ter hoogte van ongeveer 750 meter, naar de ruwe opgaaf van de instrumenten, niet gecorrigeerd ten opzichte van de temperatuur of door vergelijking met de waarnemingen in het winterkwartier. In den namiddag nog een zware stijging: vijf uren achtereen sleepten we de sleden over een zeer ongelijk terrein. We waren dan ook uitgeput en uitgehongerd bij de aankomst in het bivak. Om 6 uur kampeerden we ter hoogte van 900 meter.
Het optrekken van de eerste slede.
Dien avond maakten, gelijk reeds vele dagen, lage cumuluswolken het uitzicht naar het Zuiden onmogelijk. Hoe verlangden we naar den top, de hoogte van het plateau en naar een vlak ijsveld, waarop we zouden kunnen vooruitkomen! Er was dien dag 18.9 kilometer afgelegd.
Onze gesprekken liepen bijna altijd over de keuken en over de gerechten, die we graag zouden willen eten. Bij de maaltijden verdween onze soep met een naar onzen zin veel te groote snelheid. Met ongeduld verlangden we naar Kerstmis; dien dag zouden we, wat er ook mocht gebeuren, de boter eruit braden.
Den 12den December kwamen we maar 4800 meter vooruit! Duidelijker dan eenige beschrijving stelt dat cijfer de bezwaren van den tocht in het licht.
Twintig minuten vóór acht vertrek over het allerslechtste terrein dat men zich kan voorstellen. Een blauwe ijsvlakte, waaruit scherpe punten opsteken tusschen diepe scheuren. Het was als een bergland met heuvels en diepe dalen en kloven, een grond, als poolexpedities zeker weinig hebben aangetroffen.
Steeds moest onze aandacht gespannen blijven, om te voorkomen, dat de sleden braken bij een botsing met de ijspunten of in een spleet verdwenen, of om op te passen, dat we niet zelf een doodelijke buiteling maakten. Toch vielen we telkens weer; en ’s avonds zaten we vol builen en kneuzingen, maar Goddank was er niets ernstigs.
Op zulk een terrein waren al onze vereenigde krachten nog nauwelijks voldoende, om één enkele slede te doen vooruitgaan, en zoo trokken we den heelen dag samen één slede, twee van ons van voren trekkend en twee duwend aan den achterkant. Na zoo 1600 meter te hebben afgelegd, gingen we de tweede slede halen. Bij gevolg moesten wij, om 5000 meter vooruit te komen, 15 kilometer afleggen, en dat op ijs, waar een verkeerd gezette voetstap een doodelijk ongeluk kon veroorzaken. Hoe het zij, we zijn 4800 meter gevorderd naar de pool.
Bijna een week lang ging het zoo voort, en nog altijd hield het vermoeiende trekken aan.
Den 18den December waren we des avonds totaal verstijfd. We hadden een hoogte van 2200 meter bereikt na een van onze moeilijkste etappen, maar die zeer belangrijk was, daar we ten slotte eindelijk op het plateau waren aangekomen!
Om half acht ’s morgens waren we op weg gegaan en legden 10 kilometer af onder het transporteeren der bagage in twee reizen, dus in het geheel 30 kilometer op glad ijs, nu eens de sleden ophijschend en met alle macht ze aan de touwen ophalend, dan weer ze trekkend, als de helling iets minder steil was. Kwartier vóór een hielden we rust voor het tweede ontbijt. Rondom ons waren overal spleten; Adams en ik hadden het ongeluk ook nog te vallen.
Terwijl de soep pruttelde op het vuur, ging ik stukken rots zoeken en vond ze zeer verschillend van de stukken zandsteen van den vorigen dag. In die hoogere streek hadden de bergen een heel ander aanzien dan op de lagere breedte. Links van ons, dus in het Oosten, waren ze merkwaardig geregeld gestreept en rechts, in het westen, bestonden ze uit gesteente, dat door atmosferische invloeden blijkbaar veel had geleden.
De tweede slede wordt voortgesleept nadat de plek waar de eerste was achtergelaten, door een zwarte vlag was gemarkeerd.
Den geheelen namiddag besteedden we aan de beklimming van een lange sneeuwhelling en trokken weer in twee reizen de sleden ertegen op, zoodat we weer door en door vermoeid en uitgehongerd in het bivak aankwamen.
Om het proviand langer te doen strekken, werden de porties verkleind; bij gevolg werden we al hongeriger en elken nacht droomden we van overvloedig voedsel. Dagelijks zuinigden we twee beschuiten per man uit en wat pemmikan en suiker; daarvoor in de plaats aten we de maïs van de paarden, na die in water te hebben geweekt. Op den 18den December hadden we nog voor vijf weken levensmiddelen en we waren nog 544 kilometer van de pool verwijderd. Als we dus het doel wilden bereiken, zouden we ons met hongersnoodporties moeten behelpen. De thermometer wees 17.2 graden vorst en daarbij sneed een ijzige wind ons in het gezicht.
Overal waren spleten en onpeilbare diepten. We hoopten den volgenden dag aan het eind der moeilijke bestijging aan te komen.
En in werkelijkheid bereikten wij de hoogte van het plateau eerst een week later, den 25sten December. Het verdere gedeelte van den gletscher bood nog wel hellingen aan, maar we troffen er niet, als lager, van die verbrokkelde gedeelten, die onzen gang zoozeer hadden vertraagd.
Als volgend uittreksel uit mijn dagboek kies ik dat, wat op Kerstmis betrekking heeft, den dag, waarnaar wij allen zoo hadden verlangd, om eindelijk eens naar onzen zin genoeg te kunnen eten. Het vroor 27,7 graden met jachtsneeuw en ijzig kouden zuidenwind. Den heelen dag besteedden we aan het beklimmen van een zeer steile helling, die hier en daar in spleten was gescheurd.
We waren ter hoogte van 2850 meter en om zes uur in den avond hadden we 85.55 Z.B. bereikt. Versterkt door een stevig ontbijt waren we om zeven uur vertrokken. Al dadelijk hadden we weeke sneeuw waarover de versleten ijzers van de sleden moeilijk voortkwamen, ’s Morgens was het zwaar trekken en om 12 uur hadden we nog slechts 8.2 kilometer afgelegd.
Ter eere van den grooten dag werd onder het tweede ontbijt de vlag, die de Koningin mij heeft geschonken, ontrold en ook de sleden werden bevlagd, en ik photografeerde het tooneel met mijn metgezellen erbij.
Het was zeer koud, 26.8 graden vorst en er woei een doordringende ijskoude wind.
In den namiddag waren het altijd nog sneeuwhellingen. Om 6 uur verscheen er in het Zuidoosten, juist toen we zouden gaan kampeeren, iets als een ander land. Dien avond nam de wind nog in kracht toe. Wij wisten niet, hoe de aanwezigheid van zooveel zachte sneeuw te verklaren met dien aanhoudenden wind. Naar alle waarschijnlijkheid komt ze van het plateau, dat wij nog niet hebben bereikt en waarvan ze is voortgedreven door den hevigen Zuidoostenwind.
Dien avond hadden we een vorstelijk maal. Eerst een ragout van ponyvleesch, pemmikan, beschuit en emergency-oxo; daarna een plum-pudding, besproeid met een klein glaasje brandewijn, een maal, dat Lucullus ons zou hebben benijd, eindelijk cacao, sigaren en een lepel room voor ieder.
Wij hebben overdaad genoten, wat ons in langen tijd niet weer zou gebeuren.
Tot aan de pool en dan naar hetzelfde punt terug, als waar we toen waren, was 917 kilometer en we hadden maar voor een maand proviand. Dus moesten de porties weer worden verminderd. Van den volgenden dag af kregen we maar zes beschuiten per dag, een ’s morgens, drie ’s middags en twee ’s avonds. We zouden daar laten blijven al wat niet volstrekt noodig was. Reeds waren we, wat de kleeding aangaat, tot de uiterste grens genaderd; we hadden niets meer bij ons dan wat we aan hadden. Het was gevaarlijk, een deel van onze uitrusting achter te laten, maar de omstandigheden maakten het noodzakelijk.
Maar daar aan het einde der wereld vlogen dien dag onze gedachten vaak naar het vaderland en naar allen die ons dierbaar waren.
Marshall nam dien avond ook onze temperaturen op en vond ze 1.11 graad beneden het normale. Maar we voelden ons nog flink en krachtig.
Toen op Kerstmis tot een nieuwe vermindering der porties was besloten, hadden we juist een overvloedigen maaltijd achter ons en konden dus de toekomst met een zekere kalmte tegemoet zien; maar den volgenden dag zag alles er anders uit, met tien uur trekkens voor den boeg. Altijd woei het hard, en gedurende onzen geheelen pooltocht blies de wind uit het Zuiden.
Wij werden van dag tot dag zwakker, uitgeput door te weinig eten en het vele inspannende werk. Ook leden we geducht van de koude door de onvoldoendheid van ons voedsel, om de lichaamswarmte op peil te houden.
Den 4den Januari liepen we over een onmetelijk sneeuwveld en nergens was iets anders dan ijs te zien. Wij besloten een dépôt van levensmiddelen op het plateau te laten. Daardoor werd onze last lichter, maar het gevaar bestaat, dat we het dépôt niet terugvinden in de sneeuweentonigheid die ons omringt. Om dat gevaar te verminderen, dat noodlottig zou wezen, bedachten wij, om elke 18 kilometer een der bamboestokken van de in het dépôt achtergelaten tent te planten, met een zwarte vlag op den top; op die manier was onze weg gemerkt.
Onze bagage was nu verminderd tot 39.5 kilo per persoon; maar in onzen verzwakten toestand scheen die last ons zwaarder dan de 87 kilo, die we eenige weken geleden trokken. Onze étappen waren nog van 19 tot 22 kilometer.
Op den 9den Januari was de breedte 88.8; we hadden hevigen sneeuwstorm, en in den nacht wakkerde de storm nog aan. Twee-en-een halven dag had de wind een kracht van 110 tot 130 kilometer in het uur en nu en dan daalde de thermometer tot 39 graden onder nul.
Het begon er ernstig uit te zien, want onze geringe voorraad slonk, zonder dat we vooruit kwamen. Bovendien waren we bevreesd, dat de storm onze bakens op de sneeuw zou doen verdwijnen en de stokken omwerpen, en hoe zouden wij dan het dépôt terugvinden, waarvan ons leven afhing?
Al dien tijd was de temperatuur binnen in de tent haast niet hooger dan er buiten en door het versleten zeildoek drong de sneeuw. Dikwijls had de een of ander bevroren voeten, en om den bloedsomloop te herstellen, hielpen we allen mee aan het wrijven en verzorgen. In die donkere uren werd gebeden, dat de storm toch maar mocht ophouden.
Om één uur in den morgen van den 9den Januari ging de wind liggen. De storm had zijn werk verricht, en wij waren inderdaad uitgeput. Er was nu geen twijfel meer aan, we hadden de uiterste grens van onze kracht bereikt. Om twee uur in den morgen stonden we op, en om vier uur vertrokken we voor een laatste poging op weg naar het Zuiden, slechts meenemend wat eten, de instrumenten en de vlag van de koningin.
Nu eens dravend, dan loopend, volbrachten we dien laatsten tocht. Om 9 uur in den morgen hadden we 88.23 Z.B. bereikt en ontplooiden de Union Jack. Verder te gaan zou gelijk hebben gestaan met ons den weg af te snijden naar het dépôt, dat we dan niet meer zouden hebben kunnen halen.
Daarginds was de pool, 179 kilometer vóór ons; maar het was onmogelijk haar te bereiken.
Over de wijde sneeuwvlakte lieten we onzen Goertz-kijker langs den horizon gaan, maar nergens was land waar te nemen. Naar alle waarschijnlijkheid ligt de aardrijkskundige pool midden op dat reusachtige plateau op een hoogte van 3000 à 3300 meter; zeker het koudste deel der aarde en een der stormachtigste tevens.
Na ons groepje te hebben gephotografeerd, geschaard vóór de vlag van de koningin, die in den kouden poolwind wapperde, namen wij bezit van het plateau in naam van den koning. En onmiddellijk daarna begonnen wij den terugtocht naar het Noorden, naar ons kamp.
De engelsche vlag, op de magnetische Zuidpool geplant door Prof. David, Dr. Mackay en Douglas Mawson.
Luitenant Shackleton heeft in de vorige nommers de geschiedenis verhaald van de organisatie en de uitrusting van zijn expeditie, hoe de winterkwartieren waren gevestigd op den rand van de Groote IJsbarrière, het antarctisch continent, en ten slotte hoe hijzelf met drie gezellen dien wondervollen tocht van 800 mijlen deed in de onbekende gebieden der Zuidpoolstreken, die zijn hoogtepunt bereikte in het planten van de engelsche vlag op een afstand van 97 engelsche mijlen, dat is 179 kilometer, van de Zuidpool. Thans vertelt luitenant Shackleton de geschiedenis van den langen marsch van zijn klein gezelschap naar het Noorden op den terugweg. Ze waren uitgeput door geforceerde marschen en hard werk, en zijn beschrijving van hoe ze zich erdoor sloegen, vormt een waardig besluit voor dit verhaal van heldendaden.
Wij hadden de engelsche vlag geplant op een afstand van 179 kilometer van de Zuidpool en hadden dus ver overschreden het vorige record van den Zuidpoolafstand, dat 667 kilometer verder noordelijk lag.
Nu moesten wij een langen tocht naar het Noorden maken, om onze winterkwartieren te bereiken. Toen we twee-en-een halve maand te voren vertrokken, waren we sterk en krachtig en wel doorvoed en hadden overvloed van levensmiddelen bij ons, althans voor het eerste gedeelte van onzen tocht. Maar toen we op weg gingen, om de reis terug te ondernemen, waren we in een verzwakten toestand en hingen af van enkele weinige dépôts van levensmiddelen, op groote afstanden van elkander gelegen.
Er was intusschen geen tijd tot klagen, want onze redding was van onzen spoed afhankelijk. Na dus ons zuidelijkste punt te hebben bereikt, haastten we ons naar de tent, die door den sneeuwstorm geheel was overdekt, en na een sober ontbijt begonnen we den terugtocht dadelijk ondanks onze vermoeienis en een koud, hongerig gevoel. Om vijf uur in den namiddag kampeerden we, daar de behoefte aan rust zich dringend deed gevoelen.
De blizzard had de vlaggen afgerukt van de stokken, die wij op onze heenreis naar het Zuiden hadden geplant, maar gelukkig waren de sporen van onze sleden nog terug te vinden. De zuidenwind, die heen een zoo lastig beletsel was geweest om vooruit te komen, bleek thans een hulp van beteekenis. Op de slede heschen we bij wijze van zeil het vloerkleed van doek, dat in de tent was uitgespreid geweest, en door den wind voortgestuwd, gleden we snel voort in noordelijke richting. Door deze inrichting gelukte het ons in de eerstvolgende dagen etappen af te leggen van 32 tot 48 kilometer per dag, twintig tot dertig engelsche mijlen.
Nadat we het dépôt hadden teruggevonden, dat we op het groote sneeuwveld hadden aangelegd, zetten we snel onzen tocht voort naar het tweede, boven op den gletscher. We wisten, dat daar slechts voedsel aanwezig was voor vier dagen, en het dan volgende dépôt lag negentig mijlen, 145 kilometer verder!
In verbazende vaart vlogen we over spleten en hooge ijsrichels, een waaghalzerij, die alleen kon worden verontschuldigd door onze buitengewone omstandigheden. Er moest alles gewaagd, om zoo spoedig mogelijk het doel te halen. De hoogere gedeelten van den gletscher boden groote moeilijkheden aan, want de wind en de zon hadden er de sneeuw doen verdwijnen, en overal was er een blauwe, gladde oppervlakte, glibberig als glas! Op de hellingen moesten we de slede als een baal goed laten zakken aan het groote Alpentouw.
Van dag tot dag werd de weg slechter; de randen der spleten waren soms zoo scherp, dat de onderstellen van de slede erdoor werden beschadigd, en door al het schokken uit haar verband gerukt, liep de slede niet meer recht en had de helft van haar onderkant verloren. Dichtbij den voet van den gletscher werd het anders. Daar lag nog een dikke laag sneeuw, die helaas de spleten onzichtbaar maakte en daardoor gevaar meebracht, terwijl ze natuurlijk ook onzen gang vertraagde. .... Wij moesten het nu doen met vier beschuiten per dag ieder en met twee pannetjes zeer dunne soep. Op 26 Januari om vijf uur in den morgen kregen we een ontbijt van half geweekte maïs, ons laatste vaste voedsel. Den geheelen dag liepen we met moeite over zachte sneeuw en raakten vaak in verborgen spleten. Het kostte ons de grootste moeite, om op te passen, dat de slede niet in een spleet kwam en dat wijzelf geen gevaarlijke buiteling maakten. Van tijd tot tijd hielden we een korte rust, om een kop thee te gebruiken; met zout en peper was dat het eenige, wat we nog van onze voorraden over hadden. We hielden halt om twee uur in den morgen en vertrokken al weer ’s morgens om negen uur, want we wisten, dat het den dood beteekende, als we langer ons ophielden.
We bleven doorgaan tot één uur in den namiddag op den 27sten en kwamen tot op een halve mijl afstands van het dépôt. Twee-en-dertig uren lang hadden wij geworsteld, om vooruit te komen, zoo snel we konden. Eer we het bivak hadden bereikt, was Adams flauw gevallen....
Terwijl ik de tent opsloeg, was Marshall naar het dépôt vooruitgeloopen, om wat ponyvleesch en beschuit te brengen, en toen genoten we het eerste voedsel na 32 uren marscheerens en dat meestal met grooten spoed. Geen vaste stof hadden we tot ons genomen sedert vijf uur den vorigen morgen.
Na dezen maaltijd kregen we een goeden slaap, en den volgenden morgen namen we ons dépôt mee en gingen door de “Poort van het Zuiden”, om vervolgens weer op de Groote Barrière te komen met een gevoel, van eindelijk weer in bekende streken te zijn aangeland. Nu lag dan de bezwaarlijke gletscher achter ons, waarop we sedert meer dan vijftig dagen zooveel van onze krachten hadden gevergd. Het plateau lag achter ons en we waren nu op weg naar voedsel, een schuilplaats en de kameraden.
Pas op de Barrière aangekomen, hadden we een sneeuwstorm te doorstaan. De geringe hoeveelheid van onze voedingsmiddelen verhinderde ons, op verbetering in het weder te wachten; ondanks den storm moesten we voort en, door het kompas geholpen, sloegen we ons door de sneeuwvlagen heen naar het Noorden. We liepen over ijs vol gaten en spleten, zooals we wisten van onze reis naar het Zuiden, maar nu we geen vijf el van ons af konden zien, bleven we door een wonderlijk geluk vrij van eenig ongeval, ofschoon we zeker veel in de sneeuw verborgen spleten passeerden. Zelfs geen sneeuwbrug stortte onder ons in!
Om den terugweg te vinden, hadden we een sneeuwhoogte gemaakt op de plek van ieder kamp in de hoop, dat we op den terugweg erdoor zouden worden geholpen, om in het goede spoor te blijven. Die hoop bleek niet ijdel, want op 31 Januari vonden we den eersten van die sneeuwheuvels. Er was toen weer een nieuwe moeilijkheid bij gekomen. Er moest iets verkeerds geweest zijn in het vleesch, dat uit een der dépôts was genomen, waardoor Wild hevige dysenterie had gekregen, al kon hij nog wel marscheeren ondanks zijn zwakte. Kort daarna kwam mijn beurt, en weldra kregen Adams en Marshall de ziekte ook. Al onze geneesmiddelen waren opgebruikt en er viel niets te doen dan onze porties beschuit te verminderen en op te houden met het eten van vleesch.
De oppervlakte van de sneeuw was gruwelijk week, en ofschoon we tien of elf uur per dag reisden, konden we slechts met de grootste moeite, anderhalve mijl per dag vorderen; 2400 meter in een uur was een maximum. De eerste dagen van Februari vonden ons bezig met die worsteling naar het Noorden, en eindelijk hadden we dan het dépôt bereikt op 82 graden, 45 minuten Zuiderbreedte.
Mijn dagboek zei heel weinig in die dagen. De volgende passages, die ik eraan ontleen, zullen een denkbeeld geven van de omstandigheden, waaronder we voortzwoegden en den ernst van den toestand, waarin wij verkeerden.
We verlieten het dépôt op 3 Februari en namen de slede mee, die er op de heenreis was achtergelaten.
“Vertrokken met de nieuwe slede en 150 engelsche ponden meer gewicht om veertig minuten over acht,” schreef ik. “Gekampeerd om half zes. Niet meer dan vijf mijlen; akelig weeke oppervlakte van de sneeuw. Allen acute dysenterie door het gebruik van vleesch. Vertrouwen, dat de slaap ons herstellen zal; kunnen van avond niet verder gaan, Wild er slecht aan toe, zelf ook zwakker, en de anderen ook aangetast. Slecht licht, weinig voedsel, sneeuw erger dan ooit. Ze ligt een voet diep. Opgestaan om half vijf in den morgen, na om elf uur naar bed te zijn gegaan. Niet meer van avond. Temperatuur vijf boven het vriespunt. Somber”.
De nacht bracht ons niet de gehoopte verkwikking; hij herstelde onze krachten niet, zooals ik had verwacht.
Den volgenden dag, 4 Februari, schreef ik: “Ik kan niet meer schrijven. Allen lijden we aan acute dysenterie. Vreeselijke dag. Niet mogelijk verder te gaan. Het vooruitzicht is dreigend. Mooi weêr.”
Den volgenden dag slaagden we erin, op weg te gaan; maar in die dagen was ons leven iets als een nachtmerrie, tot werkelijkheid geworden.
Den 7den Februari schreef ik: “Er waait een hevige storm. Volgehouden tot zes uur na den middag. Adams en Marshall weer dysenterie. We zijn uitgeput; onze levensmiddelen zijn zoo goed als op. Allen zeer zwak.”
De storm, die in gewone omstandigheden beschouwd zou zijn geworden als een beletsel om verder te gaan, was in deze periode voor ons een helper, omdat hij ons gauwer deed vorderen naar het Noorden.
“Alle denken en praten is over eten,” schreef ik op den 9den Februari in het dagboek, en het gezegde werd den volgenden dag herhaald. De sneeuwhoopen, die wij hadden opgericht op de heenreis, waren een heele troost, want we troffen ze geregeld en zoo gaven ze ons de zekerheid, dat onze afstandsmeter voor de sleden de afstanden juist aangaf, en dat we inderdaad met betrekkelijke snelheid naar het Noorden vorderden.
We waren nu gekomen tot een half pannetje warme soep en vijf beschuiten per dag en per man.
Op 13 Februari bereikten we het Chineesdépôt, waar we den pony hadden geslacht, die den naam van Chinees droeg, den eerste, die op de heenreis was opgeofferd. Onze heele voorraad was uitgeput. Ik schreef in het dagboek: “Met de lever van onzen Chinaman hadden we een uitgezocht maal. We zochten overal naar resten van vleesch, die mogelijk achtergebleven waren, toen de pony werd geslacht. Ik vond een blok harde, roode sneeuw, niets anders dan het bloed van Chinaman, door de vorst in een hard blok veranderd. Dadelijk groef ik het op en maakte er een bouillon van, die door ons allen lekker werd gevonden. We legden vandaag 19.5 kilometer af met een niet sterken wind.”
Op de plaats van het dépôt laadden we het ponyvleesch op de sleden en de beschuit. Die zullen ons naar het dépôt A. moeten brengen, dat 144 kilometer meer naar het Noorden is gelegen.
Trots kou en honger en zwakte legden wij toch menigen dag meer dan twintig mijlen af. In die periode bestond ons rantsoen uit twee pannetjes thee, een pannetje slappe cacao, drie vierden van een pannetje soep en gekookt vleesch en vier beschuiten. Wij bemerkten, dat het paardevleesch zachter bleef, als we het eenvoudig wat warm maakten, dan wanneer we het kookten, en onze voorraad brandstof was niet groot genoeg, om het te laten stoven.
Het eenige vleesch, dat we stoofden, was een voorraadje, dat we hadden afgeschraapt van de beenderen van den pony Grisi, en die weelde veroorloofden we ons, omdat dit vleesch maanden lang in de zon had gelegen en later schimmelig was geworden.
Wij vorderden intusschen, en den 20sten Februari hadden we het gevoel, ons thuis te naderen.
Den 21sten schreef ik in mijn dagboek: “Wij stonden om twintig minuten vóór vijf op, juist toen het begon te waaien. De thermometer daalde tot ruim 37 graden vorst. Den heelen dag bleef de wind aanhouden, en we konden maar niet warm worden, maar legden twintig mijlen af. In gewone omstandigheden zou men op een poolreis in zulk weêr stil in de tenten blijven; wij echter kunnen in onzen kritieken toestand ons niet ophouden. We moeten vooruit, het koste wat het wil! Vóór ons is de overvloed; achter ons de dood.
Dit is de tijd van het jaar, waarin het meeste slechte weêr te verwachten is. De zon daalt nu verscheiden uren onder den horizon en tegen half tien in den avond is het volkomen duister.
Wij zijn zoo mager geworden, dat onze beenderen ons pijn doen, als we in onze slaapzakken gaan liggen, die ook al het meeste van hun bont hebben verloren. Van avond stoofden we een paar stukken van Grisi’s vleesch, en het gerecht smaakte heerlijk. Goddank, dat wij de Klip naderen.” (Met de “Klip” bedoelt de schrijver den heuvel Minna, een rotspunt aan den rand der Barrière. Vóór zijn vertrek naar het Uiterste Zuiden had de heer Shackleton het bevel achtergelaten, dat er levensmiddelen moesten worden gebracht naar een plek 112 kilometer ten zuiden van de winterkwartieren. Volgens die voorschriften werd er een dépôt gevestigd aan den voet van den heuvel Minna. De afdeeling, die in opdracht had, deze zending te volbrengen, trok daarna verscheiden dagen zuidwaarts in de hoop, Shackleton te ontmoeten of hem en zijn metgezellen te zoeken. Maar de groep van Shackleton was later dan oorspronkelijk was berekend als tijd van terugkomst, en de hulpexpeditie moest teruggaan volgens de bevelen, die de leider der expeditie van te voren had achtergelaten.)
De 22ste Februari was beter, want ik schreef: “Een prachtige dag. Heerlijk weêr, 33 kilometer! Om ons te tracteeren ter eere van dat resultaat, namen we een goeden maaltijd. Omstreeks elf uur in den morgen ontmoetten wij de versche sporen van vier man met honden. Ze trokken recht naar het Zuiden en met flinke snelheid, zoodat het stellig goed weêr moet zijn geweest. De lengte van hun schreden wees uit, dat ze vlug vooruit kwamen. Ook droegen ze geen bontlaarzen, maar skilaarzen, en wij vonden een eindje sigaret! Wij slaan nu ons kamp op boven die schreden en we willen zien, ze te volgen naar de klip, want ze moeten van het dépôt zijn gekomen. Hierdoor hebben we de zekerheid, dat er levensmiddelen zijn gebracht naar de opgegeven plek, zooals ik had voorgeschreven. Ik kan niet uitmaken, wie de vierde man kan zijn geweest, tenzij het Buckley is, die er nu zou kunnen zijn, als het schip is aangekomen.
Shackleton.
De staf van de expeditie en eenige matrozen van de »Nimrod” vóór het vertrek.
Wij passeerden de plek, waar ze op den middag hebben gerust en gegeten, en ik ben zeker, dat het schip is aangekomen, want er lagen daar in het rond blikjes, die andere étiketten droegen, dan die van ons gewoon proviand. We vonden drie kleine stukjes chocolade en een stukje beschuit als belooning voor de moeite, die we hadden gedaan, om te zoeken naar het een of ander, dat de anderen hadden weggeworpen. Er werd geloot om de lekkernijen. Ik had het ongeluk, het stukje beschuit te trekken, en in dat verdriet was ik eenige oogenblikken ten prooi aan een onredelijke boosheid. Daaruit blijkt, hoe primitief wij zijn geworden en hoe de quaestie van een hapje eten ons oordeel benevelt. We zijn bijna aan het eind van onzen voorraad, maar daar we nu vast rekenden op het dépôt van de Klip, namen we een goeden maaltijd. Daarna was er niets meer in voorraad; als wij niet aan het dépôt komen, zijn we verloren.”
Den 23sten kwamen wij aan de Klip en vonden er overvloedig proviand en berichten. Het schip, de Nimrod, dat ons zou komen afhalen, was inderdaad gearriveerd en het was al voor de terugreis in gereedheid gebracht.
Het vleesch van den pony Grisi, dat in deze dagen gegeten was, had bij Wild een hernieuwden aanval van dysenterie ten gevolge. Twee dagen later werd Marshall op zijn beurt ernstig ziek. Nadat hij nog trots zijn pijnen een étappe van vier-en-twintig mijlen met ons aflegde, was hij op 26 Februari te ziek, om in den namiddag verder te gaan, ofschoon hij het nog wilde probeeren. In die omstandigheden nam ik het besluit, hem in het kamp achter te laten onder de hoede van Adams, terwijl ik met Wild een geforceerden marsch van 53 kilometer of 33 mijlen deed naar het schip.
Een gedeelte van de Zuidpoolexpeditie na den terugkeer in de winterkwartieren.
Wild. Shackleton. Dr. Marshall. Adams.
Den 1sten Maart kwamen we aan boord, waar al onze kameraden ons op het allerhartelijkst verwelkomden. Denzelfden dag ging ik er weer op uit met een hulptroepje, om onze zieke te hulp te komen. Wij hadden het geluk Marshall veel beter te vinden, en den 4den Maart waren wij allen aan boord van de Nimrod. Dadelijk daarop zette het schip koers naar Nieuw-Zeeland.
Een concert van de grammaphoon, aangeboden aan de pingoeïns.
(Zoo kort en eenvoudig vertelt de luitenant dit laatste gedeelte van den tocht, maar zoowel de redactie van Pearson’s Magazine, waarin het verhaal van den tocht het eerst is gepubliceerd als de fransche Illustration, die er een vertaling van geeft, voegen hier een opmerking aan het verhaal toe, namelijk dat luitenant Shackleton’s bescheidenheid hem weerhouden heeft, de aandacht te vestigen op misschien het treffendste blijk van zijn eigen dapperheid, uithoudingsvermogen en schitterende eigenschappen als leider, en de redacteur acht het zeker, dat de lezers er belang in zullen stellen, te hooren wat een der leden van zijn troepje te zeggen heeft, die op zijn terugkeer wachtte.
“Hij was lang over zijn tijd,” zegt hij, “en we waren bang, dat hem een ongeluk was overkomen. De Nimrod ging hem zoeken. De kapitein ontdekte twee stippen op de Barrière op een afstand en toen zag hij het licht van de heliograaf. De stippen ontwikkelden zich tot luitenant Shackleton en Wild. Waar waren Marshall en Adams? Er ging een boot heen en de onderzoekers werden aan boord genomen. Hun magere leden en ingevallen gezichten toonden, hoe groote ontberingen ze hadden geleden. En toch, na het eten van een stevig maal van gebakken brood en ham, vertrok luitenant Shackleton, ofschoon hij in vier-en-twintig uur niet had geslapen, onmiddellijk, om de zware 53 mijlen af te leggen en met de hulpexpeditie Marshall te bereiken, die ziek was aan dysenterie door het gebruik van paardevleesch en die onder de hoede van Adams was achtergebleven. Het was nog een tocht van anderhalven dag, eer ze er aankwamen. Toen keerden allen terug naar het schip, uitgeput, maar gelukkig over den goeden afloop van de groote onderneming. Luitenant Shackleton had het sterke stuk bestaan, een reis van 99 mijlen per slede te doen met weinig slaap in drie dagen aan het slot van een tocht van 1700 mijlen.”)
Aan boord kreeg ik niet anders dan goede berichten. Op de Nimrod genoot ik met een gevoel van onbeschrijfelijke vreugde en dankbaarheid van hetgeen de andere leden der expeditie mij hadden te vertellen.
Onder de allergrootste gevaren had het gezelschap, dat uit professor David, Douglas Mawson en Dr. Mackay bestond, de magnetische Zuidpool ontdekt na vele avonturen en was daarna in welstand opgehaald door de Nimrod. Dat was het noordelijke gezelschap. Het westelijke had een nieuwe kust geëxploreerd en was eveneens door het schip opgenomen, terwijl elk lid van het troepje gezond was. De pogingen, die waren gedaan, waren alle goed geslaagd. In alle richtingen was er nuttig werk gedaan, en ons wakker scheepje bracht ons nu terug naar de beschaving en de vrienden zonder het verlies van een enkel man. Wij konden rusten, slapen en eten zonder eenige kwelling des geestes en met een heerlijk gevoel van vrijheid, comfort en veiligheid, dat een goede reactie was op de maanden van zorg en inspanning.
Thans wil ik nog een paar woorden wijden aan de werkzaamheden van de beide genoemde groepen, werkzaamheden, die van groote beteekenis waren.
De groep voor het Noorden, die onder het bevel stond van professor David, had de winterkwartieren den 5den October verlaten. Ik heb slechts weinige van de incidenten kunnen vermelden, die op onze reis naar het Zuiden hebben plaats gehad, en ik kan nu ook maar zeer kort blijven stilstaan in de mij voor dit artikel toegestane ruimte, bij het werk van dit gezelschap, dat zich ten doel stelde, de magnetische Zuidpool te zoeken, en dat die pool bereikte. Ook het troepje, dat een reis westwaarts maakte, kan ik maar vluchtig volgen.
Zij namen bezit van een dépôt, dat vroeger door de auto was gebracht op een westelijk punt en trokken toen langs Victorialand noordwaarts over het ijs. Het eerste eind van 400 kilometer was uiterst moeilijk. De reizigers moesten twee sleden trekken, waarop hun proviand was geladen en hun materialen, te zamen 500 kilo’s wegend. Met hun drieën konden ze de beide zware voertuigen niet tegelijkertijd vooruit krijgen. Daarom spanden ze zich eerst voor de eene slede, en na die dan ongeveer 3600 meter te hebben vooruitgebracht, keerden ze op hun schreden terug, om de tweede slede te halen. Driemaal legden ze zoo hetzelfde traject af. Wel kwamen ze op deze wijze al heel langzaam vooruit, en omdat dus de étappen van elken dag zoo klein waren, moesten professor David en zijn metgezellen hun dagelijksche rantsoenen verkleinen.
Gelukkig, dat zeehonden en pingoeïns hun overvloedig hielpen in de aanvulling van hun eetbaren voorraad. Dat wild werd gebraden op een vuur, dat met zeehondenvet werd onderhouden in een fornuisje, door een der reizigers op vernuftige manier gemaakt van een blikken bus. Onze vrienden schikten zich best met dit menu, dat min of meer olieachtig moet worden genoemd.
Intusschen kwam men dieper in den zomer, en de temperatuur werd hooger. Op het ijs hadden de onderzoekers van de warmte te lijden en moesten vaak hun jassen uittrekken. Ten slotte kwamen ze aan den uitlooper van den Drygalskigletscher, waar ze een dépôt vestigden. Daarna namen ze voorraden mee voor zes weken en begonnen de bestijging van het plateau, waarop de magnetische Zuidpool is gelegen op een afstand van de zee van ongeveer 320 kilometer.
Het was zeer slecht weêr geworden. Ofschoon men zich in den vollen zomer bevond, viel er herhaaldelijk sneeuw en in groote massa’s; bovendien duurde het een volle week, dat de eene storm op den anderen volgde. Als men daarbij bedenkt, dat de ijsmassa, die de hellingen bedekte van het plateau, vol spleten was, dan wordt het begrijpelijk, dat de mannen op hun exploratietocht een oogenblik dachten, dat ze hun onderneming zouden moeten opgeven. Ze waren op een grooten gletscher geraakt; maar toen ze telkens weer vielen, moesten ze wel van dien weg afzien. Enkel een geen oogenblik falende waakzaamheid en het geluk, dat de afdeeling op de heele expeditie niet in den steek liet, redden de leden van een groote ramp. Langs een sneeuwhelling wist David de streken van het gescheurde ijs uit den weg te gaan en bereikte zoo het plateau ten zuiden van den berg Larsen.
Na die inspanning waren allen uitgeput; maar ze bleven gelooven aan het eindelijke succes van hun onderneming. Verder trekkend over het zacht golvende plateau langs den meridiaan van de magnetische pool, bereikte het troepje een hooge sneeuwvlakte, gelegen ter hoogte van 2100 tot 2400 meter. Op dit terrein werd het voortgaan gemakkelijker, en den 16den Januari 1909 op 72 graden, 45 minuten Z. B. en 134 graden W. L. van Greenwich was het doel van dezen zwaren tocht bereikt. Op dat punt plaatsten zeer preciese waarnemingen de magnetische Zuidpool.
Om het behaalde succes te vieren, ontplooide professor David de nationale vlag en in naam des konings nam hij bezit van dit deel van het antarctisch continent.
Dadelijk daarna begon de terugtocht. Er was geen tijd te verliezen. Onvoldoende gevoed, aan zeer hevige koude blootgesteld, voortdurend in de noodzakelijkheid, overmatig zwaren arbeid te verrichten, waren de dappere ontdekkers in hooge mate verzwakt.
Uit het Zuidwesten blies onophoudelijk een ijzige wind en herhaaldelijk woedden hevige sneeuwstormen. Gelukkig was de richting van den wind in de meeste gevallen gunstig, en dank zij het zeil, dat aan de sleden was aangebracht, ging de daling betrekkelijk vlug.
Na een laatsten wanhopigen strijd op een sterk gespleten gletscher kwam het troepje den 3den Februari uitgeput bij het dépôt aan, dat achtergelaten was op den Drygalskigletscher. De nood was toen op het hoogst gestegen voor de drie mannen, die kleine donkere stipjes waren op het groote, witte veld. De levensmiddelen liepen op het eind, en de terugweg naar de winterkwartieren was afgesneden door het smelten van het ijs in den tijd van den tocht naar de magnetische pool.
De bevrijding van dit gezelschap uit hun netelige positie door de Nimrod is een illustratie van het geluk, dat de expeditie trouw bleef. Mijn kameraden hebben in de gevaarlijke omstandigheden den meest bewonderenswaardigen moed getoond. Voordat ze zich waagden op de gletschers van het binnenland, wisten ze, dat ze bij hun terugkomst op open water zouden stuiten en dat hun heil uitsluitend was gelegen in de komst van het schip. Volgens mijn instructies moest, als den 1sten Februari David niet op het station was aangekomen, de Nimrod er op uitgaan, om hem te zoeken. Dat deel der kust, dat onderzocht moest worden, was zeer uitgestrekt. Daarom mocht men met eenige zorg zijn vervuld over het succes van het onderzoek.
Maar zoodra men bij het dépôt was aangekomen, slaagde de afdeeling erin, zeehonden en pingoeïns te vangen en weldra kon het gezelschap zijn honger stillen met flinke stukken versch vleesch en spek. Terwijl men in de tent een sappig en smakelijk maal genoot, werden plotseling twee schoten vernomen. Met een sprong waren de onderzoekers overeind, gingen naar buiten en wat zagen ze? De Nimrod, die hun kamp had opgemerkt en nu naderbij kwam. In zijn uitbundige vroolijkheid viel Mawson in een spleet, die oversneeuwd was, maar werd spoedig gered met de hulp der ontscheepte matrozen van het schip, die onzen vriend optrokken uit zijn gevaarlijke positie. Een goed uur later was de Nimrod op weg naar het station bij kaap Royds.
Den vorigen dag was de Nimrod het dépôt voorbijgevaren, zonder iets te bespeuren. Thans keerde het schip terug, om het anker uit te werpen dicht bij het winterkwartier, toen de scherpe oogen van de mannen, die de wacht hadden, het kleine kamp ontdekten. De redding van David en de zijnen in die bezwaarlijke omstandigheden mag wel aan hun goed gesternte worden toegeschreven.
Deze expeditie naar de magnetische Zuidpool heeft uit het oogpunt der wetenschap zeer belangrijke resultaten gehad, maar daarop kan ik hier niet ingaan.
Het gezelschap, dat naar het Westen onderzoekingen deed, bestond uit Armytage, Priestley en Brocklehurst. Ze had de opdracht, geologische onderzoekingen te doen in het bergland, dat zich ten westen van het station uitstrekte. De gedane waarnemingen en de oogst aan geologisch materiaal, die werd meegebracht, zijn eveneens hoogst interessant.
Op dezen verkenningstocht had er een dramatisch incident plaats. In den nacht van den 22sten Januari raakte de ijsschol, waarop de drie mannen kampeerden, los van de kust. Den volgenden morgen bij het ontwaken waren onze vrienden ten hoogste verbaasd en verschrikt, toen ze zich in volle zee zagen. Den geheelen dag dwaalden ze op hun ijsveld rond door de baai, omringd door haaien, die met gulzige blikken over den rand van het ijs keken naar het afgedreven en hulpelooze troepje. De toestand scheen hopeloos; maar gelukkig kwam er dien avond een verandering in de richting van den stroom, zoodat ze naar het Zuiden dreven, en omstreeks middernacht raakte een hoek van hun ijsschol het landijs voor eenige minuten aan. Met een sprong brachten ze zich toen in veiligheid, konden nog hun uitrusting meenemen, en bijna dadelijk daarna dreef hun ijsmassa weer naar het Noorden, naar de open zee! Den volgenden dag zagen ze het schip op een afstand van ongeveer elf mijlen, terwijl het heliografische seinen afzond.
De afdeeling, die levensmiddelen was gaan brengen naar de klip bij den berg Minna ten behoeve van ons troepje bij de terugkomst uit het Zuiden, ontsnapte ook aan een wissen dood op haar terugweg naar de winterkwartieren. Den 18den Februari had ze een streek te passeeren, die vol spleten was, en ze hielden een richting, die loodrecht op die gevaarlijke plekken stond. Het ging naar kaap Crozier en ze draafden over een harde oppervlakte. Plotseling werd een voet van Joyce gevat door een opening, maar hij kon zich nog snel loswerken en zijn weg vervolgen. Het ongeval leek niet erg, en er werd niet om stilgehouden, want Joyce viel niet. Maar in het volgende oogenblik, toen de slede over een hoogen sastrugi ging, sloeg ze achterover onderste boven en met een donderend geweld stortte de sneeuwbrug, die een breede spleet had verborgen, in.
Marston, die vóór de slede liep, kwam er nog net over, en een hond, die naast hem liep, viel erin, maar kon aan het tuig nog worden opgetrokken. Het gezelschap stond toen aan den rand van een gapende kloof, waarin gemakkelijk de slede met de mannen en de honden hadden kunnen worden verzwolgen. Aan den overkant van de instorting zagen ze nog duidelijk de sporen van de slede en hun eigen voetstappen, plotseling ophoudend, waar de brug was ingestort. Dat ze ontkomen waren aan het doodsgevaar, leek hun een wonder, en nadat ze een photografie hadden genomen, trokken ze verder met veel grooter voorzichtigheid.
Er zijn in allerlei opzichten door de inspanning der expeditieleden belangrijke resultaten verkregen, zonder dat wij eenig verlies hadden te betreuren. Thans brengt ons stevig scheepje ons naar de beschaving terug. Onze arbeid is ten einde. Na zooveel maanden van vermoeienis en ontberingen, kunnen we rust nemen, slapen en eten naar hartelust in een gevoel van voldane behagelijkheid.
De Nimrod sloeg den weg naar het Noorden in met volle zeilen en met de grootste snelheid, waartoe haar machine in staat was. Er woei een zeer hevige koude wind, wat een geluk moest heeten, want het ijs, dat begonnen was, zich aan de oppervlakte te vormen, werd snel al dikker en dikker, terwijl groote brokken drijfijs voor ons uit dreven, zoodat het veel waard was, vlug vooruit te komen.