Een lid der expeditie op de wandeling met zijn honden.
Op den morgen van den 6den Maart waren we op de hoogte van kaap Adare, en ik hoopte, tusschen de Balleny-eilanden en de kust te kunnen doorvaren, en de kustlijn te volgen van kaap North naar het Westen, om de kust tot Adelieland te verkennen.
Maar eerst had ik nog gehoopt, de geologische verzamelingen aan boord te kunnen nemen, die door onze noorderafdeeling op het eiland Monazite waren neergelegd. Op dat oogenblik blies de wind echter als een storm, en de ijsvelden, die aan de kust zich ophoopten, werden dikker en dikker. Er was geen enkele schuilplaats in de buurt van het eiland; dus zou het zeer moeilijk wezen, aan land te gaan, en het minste oponthoud, zou noodlottige gevolgen kunnen hebben. Al die redenen werkten ertoe mee, mij te doen besluiten, de geologische collectie in den steek te laten en weer noordwaarts te stevenen.
Zoo probeerden we dan den 6den Maart dien doorgang en de verkenning van de kust naar het Westen, ten einde het verband te ontdekken tusschen Victoria- en Adelieland. Het was een moeilijke onderneming. Altijd hadden ten westen van kaap North de vaste ijsmassa’s de schepen tegengehouden, als ze hadden getracht, erlangs te varen. Geen schip was dan ook ooit verder naar het Westen doorgedrongen. De Discovery was door de Balleny-eilanden heen gevaren en was zeilende de plek gepasseerd, waar op de kaarten Wilkesland was geteekend; maar het was een open vraag gebleven, of Wilkesland niet op wat zuidelijker breedte kon liggen.
Langs het pakijs varend, dat in dikte bleef toenemen, hadden we de voldoening, ons scheepje langs die kust te brengen tot een punt, verder westelijk gelegen, dan op eenige vorige expeditie was bereikt. Op den morgen van den 8sten Maart kwamen we in het gezicht van een nieuwe kustlijn, een voorbij kaap North zich uitstrekkend, tot nu toe onbekend land, dat eerst naar het Zuiden en dan naar het Westen liep over een afstand van 45 mijlen.
Wij deden opmetingen en Marston schetste de hoofdlijnen.
Wij waren te ver uit den wal, om foto’s te nemen, die eenigszins van waarde konden wezen, maar de schetsen wezen duidelijk den aard van het land aan. Het was een plateau, en prof. David hield het voor den noordelijken rand van het groote tafelland, dat dit deel van den Antarctis inneemt, het zuidelijke Poolplateau. Wij konden heel goed hooge rotsen onderscheiden en klippen, met eenige baaien ertusschen.
Wij zouden allen graag aan de exploratie zijn gegaan van dit deel der kust, maar daarvan was geen sprake, evenmin als eraan kon worden gedacht, meer naar het Westen te stevenen. Het ijs nam maar voortdurend in dikte toe, en jong ijs werd gevormd tusschen de brokken van het vorige jaar, zoodat er werkelijk gevaar begon te dreigen, dat we zouden invriezen. Dus werd het dringend noodig, dat we ons uit de voeten maakten, om vlug open water te zoeken, want anders zouden we genoodzaakt worden tot een hernieuwde overwintering. Daar het zou zijn geweest op een plaats, waar we geen geologisch werk van beteekenis zouden kunnen doen, maakten we haast, om weg te komen. Wij wendden dus den steven naar het Noorden langs het pakijs, steeds nog weer zooveel mogelijk westelijk houdend naar de Balleny-eilanden.
Pannekoek-ijs op de oppervlakte der zee. Dit is de eerste formatie van het ijs op zee.
Ik had nog hoop, dat het mogelijk zou zijn er voorbij te komen en Wilkesland te vinden. Het was een bijzonder moeilijk werk, en op sommige oogenblikken kon het schip zich haast niet bewegen. Het scheen geheel door het ijs geblokkeerd, en eindelijk tegen middernacht zag ik, dat het noodig was den steven te wenden naar het Noorden. Dat was op den 9den Maart.
Het was intusschen al te laat; het ijs sloot zich, en de Nimrod zat weer vast. De toestand was kritiek; maar na lang scharrelen vonden we toch nog een uitweg, een open kanaaltje, en door dat te volgen kwamen we in den namiddag van den 10den in open water, na een menigte ijsmassa’s te zijn gepasseerd.
Nu waren we dan uit het pakijs vandaan, en onze tribulaties waren ten einde. Na een snellen en voorspoedigen overtocht waren we den 22sten Maart op Nieuw-Zeeland aan de monding van Lord’s rivier op den zuidkant van het Stewart-eiland.
Het is nu dadelijk niet mogelijk, met juistheid de beteekenis te schatten van het aardrijkskundige en natuurwetenschappelijke werk, door de expeditie verricht. In elken tak van de natuurwetenschap is er gewerkt, en specialiteiten zullen te zijner tijd de bereikte resultaten openbaar maken. Op het oogenblik is de studie van de verzamelingen, die wij hebben meegebracht, nauwelijks begonnen. Ik kan dan ook slechts in hoofdlijnen de meest in het oog loopende uitkomsten aangeven.
In de eerste plaats weten we nu, dat de Groote IJsbarrière begrensd wordt door bergen, die zich in zuidoostelijke richting uitstrekken van 78 graden Z. B. tot minstens 85 graden Z. B. en dat een onmetelijke gletscher naar een hoogvlakte voert van meer dan 3000 meter boven zeepeil, waarop de aardrijkskundige Zuidpool gelegen is.
In de tweede plaats hebben wij verscheiden bergen in het binnenland ontdekt en daar een overvloed van geologische staaltjes ingezameld. Die specimina wijzen uit, dat in de een of andere periode van de geologische geschiedenis onzer planeet een warm klimaat moet hebben geheerscht in deze deelen van de IJszee.
En eindelijk is een kustlijn van 45 mijlen lengte langs de noordzijde van het antarctisch continent door ons geëxploreerd.
De toestand van den vulkaan Erebus is op den top waargenomen, en er zijn op dien berg interessante aardkundige verzamelingen bijeengebracht.
Daar ik niet bevoegd ben, over het geologisch werk te spreken, kan ik enkel verzekeren dat de werkzaamheden, door onze specialisten, geoefende mannen in hun vak, verricht, een helder licht werpen op de veranderingen, die er hebben plaats gehad in dit gedeelte van de aarde, en hun verzamelingen zoowel als hun rapporten zullen in de naaste toekomst onderzocht en nagespeurd worden, opdat men kome tot een oplossing van de problemen, gesteld door de ontdekking van steenkoollagen ver in het binnenland.
Op het gebied der meteorologie zijn er geregelde waarnemingen gedaan omtrent de bewegingen der hoogere lagen van de atmosfeer, die een zoo grooten invloed hebben op het klimaat in de landen der gematigde luchtstreek. Thans moeten de duizenden cijfers, afgelezen van de instrumenten, nog in tabellen worden gebracht en worden vergeleken, zoodat er een reuzenmassa te doen blijft voor de vakmenschen, die er hun besluiten uit zullen moeten trekken.
Buitendien zal de physica haar aandacht wijden aan onze waarnemingen van het Zuiderlicht, ten einde dat tot dusver duistere verschijnsel beter te leeren begrijpen. Zoo zal er nieuw licht opgaan over de Aurora Australis.
Een jong huishouden.
Het bereiken van de Magnetische Pool en de talrijke waarnemingen over het aardmagnetisme zullen van groote waarde blijken te zijn, en zij zullen niet enkel belangstelling ontmoeten bij de mannen der wetenschap, maar tevens zullen ze dienstig kunnen worden gemaakt voor de zeevaart, zoodat ze niet alleen abstracte, maar ook practische waarde hebben. Andere takken van wetenschap, te speciaal en te diepzinnig om hier te worden genoemd, zijn voor zoo ver mogelijk in den kring van onze werkzaamheden getrokken.
Wat de wetenschap der biologie betreft, is de ontdekking van microscopisch leven in de meren, die zich dichtbij onze winterkwartieren bevonden, van het hoogste gewicht. Volgens de ervaringen van onze natuurwetenschappelijke metgezellen kunnen de kleine raderdiertjes leven bij een temperatuur van 73 graden Celsius onder nul en tevens, ongedeerd, de proef doorstaan van te worden blootgesteld aan een temperatuur van 200 graden Fahrenheit.
Misschien zal een vergelijking van de fauna van Nieuw-Zeeland en Australië met die van het antarctisch vasteland uitwijzen, dat er vroeger een verbinding moet hebben bestaan tusschen die landen der aarde.
De collecties van onderzeesche planten en dieren, door de expeditie bijeengebracht, zijn zeer uitgebreid en van groote verscheidenheid. Hoe vreemd het moge schijnen, de onderzeesche fauna in de wateren van de Zuidelijke IJszee is zeer rijk. De wateren van die zee hebben namelijk een merkwaardig constante temperatuur, die weinig uiteenloopt in den winter en den zomer, wat een gunstige omstandigheid is voor het bestaan van dierlijk leven.
Er zijn verzamelingen meegenomen van vellen van zeehonden en pingoeïns. Ook hebben we ons beijverd, om voor de kinematograaf de gedragingen van de merkwaardige vetganzen vast te leggen, en andere episoden uit het antarctische leven.
Er is nog heel veel te doen in de bevroren wereld, waaruit wij zijn teruggekeerd. Daar, op de met ijs bedekte velden, vindt de exploratie nog werk in overvloed. In onze voetstappen zullen anderen erop uitgaan, om het onbekende te gaan veroveren. Op het oogenblik werkt een fransche expeditie, geleid door Dr. Charcot, in de zuidelijke ijswereld. Mocht ze vruchtbaren arbeid verrichten! Laten de onderzoekers en ontdekkingsreizigers met alle energie, waartoe ze in staat zijn, zich wijden aan de studie der natuur, dan zal iedere poging om haar geheimen te ontsluieren, een nuttige bijdrage, leveren tot de wetenschap en de som van menschelijke kennis vergrooten, en als dat het geval is, zullen de inspanning en de moeite van diegenen, die in deze richting arbeidden, niet nutteloos zijn geweest.
Thans is het boek reeds verschenen, dat uitvoerig van de expeditie vertelt. Het heet “The Heart of the Antarctic. Being the story of the British Antarctic Expedition, 1907 till 1909”. Het verscheen bij Heinemann in Londen in twee deelen van samen 800 bladzijden. In Engelands hoofdstad heeft de Nimrod in de Theems gelegen en er heel wat bekijks gehad. Dat scheepje, dat daar gemeerd lag aan de Temple Pier, had de zeeën getrotseerd in de meest afgelegen en eenzame streken te midden van gevaarlijke ijsmassa’s. Waar nu de flikkerende lichtjes van de rivier boven masten en tuig stonden, waren de lampen des hemels voor hen ontstoken, toen in de onherbergzame zeeën geen ander licht hen wenkte. In plaats van de meeuwen, die in de stad het schip naderen, waren de pingoeïns of vetganzen het gezelschap der bemanning geweest en in plaats van te kijken naar de richting van den londenschen rook, om de windrichting te kennen, hadden de reizigers het oog gericht naar de damppluim, die er hing boven den vulkaan Erebus, den grooten vuurspuwenden berg van het antarctisch vasteland.
Poollandschap.
Die groote tegenstelling tusschen het alledaagsche leven van de menschen die in steden wonen, en de allesomvattende mogelijkheden, die wachten op diegenen, wier moed en ondernemingsgeest hen drijven in de poolwereld, is de groote bekoring van antarctische en arctische exploratie, haar altijddurende aantrekkelijkheid. Die bekoring wordt grooter, als we in aanraking komen met hen, die een rol hebben gespeeld in het poolonderzoek.
Alleen het bericht, dat men zoo dicht tot de Zuidpool was genaderd, deed een schok door de wereld gaan en boeide ieder, die eenige verbeeldingskracht had, maar als men met eigen oogen het scheepje ziet, dat de reis deed, en de stemmen hoort van de pioniers, die worstelden met de moeilijkheden, die hen van de pool scheidden, voelt men nog veel dieper de beteekenis.
Een pingoeïn-familie.
Alle leden der expeditie schijnen te hebben gephotografeerd, en geen reisverhaal werd ooit rijker geïllustreerd dan het boek van Shackleton.
Er is, zooals ook onze lezers zullen hebben bemerkt, geen vertoon van pathos in het verhaal van den Engelschman, maar hoe tragisch is het toch eigenlijk, dat daar op die groote hoogvlakte, waar het wijde sneeuwveld rechtstreeks naar het punt op 90 graden breedte den toegang vrijliet, moest worden teruggekeerd zonder dat het doel werd bereikt, om geen menschenlevens te wagen; want gebrek aan voedsel dreef de expeditie terug naar het Noorden. De stijgende weg op dat hooge plateau was niet te moeilijk; ze hadden hun Kerstmiskamp ter hoogte van 3000 meter gevierd in een koude, die hun lichaamstemperatuur tot twee graden onder het normale deed dalen, en toch moest toen ondanks al die betoonde energie worden teruggekeerd, eer de vlag aan de pool was geplant.
Het is aandoenlijk te lezen over dien laatsten dag, toen ze op 88 graden 23 minuten Z.B. ’s morgens heel in de vroegte, te voet, met de vlag nog verder zuidwaarts drongen, zonder de slede mee te trekken. Een koperen bus hadden ze bij zich met papieren, om te begraven op het verst zuidelijke punt; een camera, een kijker en een kompas. Het had drie dagen hevig gestormd en de oppervlakte van de sneeuw was hard, zoodat ze vlug konden loopen. Op de plaats, die men om negen uur in den morgen van den 9den Januari had bereikt, werd eindelijk de vlag geplant en daar namen ze bezit van het plateau in naam van Z. M. Edward VII. Terwijl de Union Jack vrij uitwapperde in den ijskouden wind, keken ze door de kijkers steeds maar naar het Zuiden, maar konden niets onderscheiden dan de witte, witte sneeuwvlakte.
Het plateau scheen niet te worden afgebroken tot waar de pool moest zijn, en ze kregen de overtuiging, dat langs dezen weg het doel kon worden bereikt.