Hoofdstuk XXI.

Echtscheiding. Tweede huwelijk.1

Alleen de Cambacérès wist van zijn komst, toen hij den 26en October eensklaps te Fontainebleau verscheen. Met nadruk verlangde hij thans van dezen te vernemen hoe de toestand in Frankrijk was.

Half aarzelend, want “de toon des Keizers was anders dan vóór zijn vertrek, gestrenger en meer uit de hoogte,” voldeed de ander aan dit bevel. Ja, in de publieke opinie was wijziging ontstaan; voor den paus werd gebeden; de geestelijkheid roerde zich druk; zijn daden werden aan een lang niet welwillende critiek onderworpen. Een talrijke groep ontevredenen was begonnen zich om Fouché, Bernadotte en Talleyrand te scharen, en—hoewel men medelijden had met Joséphine, werd door velen reeds openlijk den wensch uitgesproken, dat de Keizer een ander huwelijk mocht sluiten, waardoor de kans ontstond op nakomelingschap.

Hier had Napoleon zijn raadsman juist, waar hij hem hebben wilde. Uit Schönbrunn teruggekeerd, kon hij zeker voldaan zijn over den gelukkigen afloop van dezen veldtocht, die aan Oostenrijk zulke diep vernederende vredesbepalingen had opgelegd, toch was er bij al het geluk, dat de roem kan geven een gedachte in Napoleons hart, die hem met onvoldaanheid vervulde. Hij had geen kinderen, geen zoon, en hij had het kwellende gevoel, dat men reden had zijn oppermacht voor iets tijdelijks aan te zien, voor iets dat met zijn persoon was opgebloeid, maar dan ook met hem weer vergaan zou. Het oogenblik kon onverwachts komen, dat hij er niet meer wezen zou. Dwazen als die dweper te Schönbrunn zouden kunnen slagen in hun opzet om hem te dooden en dan zou hij geen wettigen erfgenaam nalaten voor den keizerstroon! Reeds lang had hem deze gedachte vervuld; in den veldtocht van 1807, toen hij bericht ontving van den dood van Napoleon Charles, door hem tot opvolger bestemd, een sterfgeval dat hem zoo diep trof en toen hij tevens de zekerheid had, dat het kinderloos blijven van zijn echt niet aan hem kon geweten worden, had hij reeds beslist zich van Joséphine te laten scheiden. Thans, meende hij, moest hij aan die plannen uitvoering geven. Nog was het niet te laat. Den 15en Augustus was hij 40 jaar geworden en indien hem in een nieuw huwelijk een zoon werd geschonken, kon deze naar menschelijke berekening nog meerderjarig zijn vóór hij een oude man wezen zou. In korte woorden deelde de Keizer aan de Cambacérès nu zijn plannen mede. Deze ontstelde, hij hield zeer veel van Joséphine; reeds den overgang van het consulaat naar het keizerschap had hij afgekeurd en nu deze stap, die Napoleon nog verder van de republikeinsche beginselen zou wegvoeren! Bedeesd waagde hij een opmerking, maar ze baatte niet. Het besluit was genomen.

Eerst dien middag verscheen Joséphine te Fontainebleau, ontroerd, gegriefd, dat zij niet de eerste was geweest om hem te verwelkomen. Napoleon was vriendelijk tegen haar, doch koel, zij voelde wel, dat hij iets voor haar verborg en werd bedroefd. Tevergeefs trachtte Hortense haar te troosten.

De groote moeilijkheid voor Napoleon was natuurlijk om een geschikte gelegenheid te vinden, teneinde Joséphine deze voor haar zoo pijnlijke beslissing mede te deelen. Reeds eenmaal na zijn terugkeer uit Egypte had Napoleon het plan gehad zich van haar te laten scheiden, maar zooals we zagen, was Joséphine, op voorspraak van haar kinderen, weder in genade aangenomen. Joséphine’s gedrag tegenover haar echtgenoot was sedert dien tijd veel veranderd en verbeterd. Toch was het altijd een groote droefheid voor haar geweest, dat ze Napoleon geen kinderen schonk, iets wat haar gemaal “de ramp des levens” noemde. Naarmate hij zich hooger verhief en ouder werd, liep zij meer gevaar uitgeschakeld te worden. Was het niet in 1804 kort voor de kroning, dat hij in zijn heftigheid haar het gevreesde woord “scheiding” voor de voeten had geworpen? Toen had ze nog macht over hem en de tranen, welke Napoleon bijna altijd vermurwden, hadden toen ook het hunne gedaan. Zou het zoo blijven? Ze vreesde van niet, en was bedacht op voorzorgsmaatregelen. We zagen hoe de slimme vrouw den avond voor de kroning van den paus wist te verkrijgen, dat het huwelijk nog kerkelijk werd gesloten vóór de kroning plaats had en van deze plechtigheid wist ze een door den Keizer geteekende acte in bezit te krijgen. Al deze voorzorgsmaatregelen hadden de geruchten over scheiding echter niet doen verstommen en ook Fouché had in zijn overdreven ijver mededeelingen van dien aard gedaan.

Wat bleef haar over, indien Napoleon het zou willen doorzetten? Art. 277 van den Code civil verbood wel een scheiding, wanneer de vrouw den leeftijd van 45 jaar reeds overschreden had, maar dat zou haar niet helpen. Waarom was ze ook zoo dom geweest op den trouwdag met Napoleon haar leeftijd vier jaar jonger op te geven. De huwelijksacte van 1804, door Fesch geteekend, zou haar eenige hulpmiddel zijn het te voorkomen, maar dat was thans al vijf jaar geleden en in dien tijd was er al zooveel voorgevallen.

Napoleon zwijgt, hij heeft nog niet den moed het haar te zeggen; doch ’t zijn moeilijke dagen voor beiden, want de verhouding is niet zooals die vroeger was. Einde November valt het harde woord.

Napoleons galante houding tegenover een paar hofdames was ten slotte oorzaak, dat Joséphine, die hem hierover in een vlaag van bittere jaloezie verwijten deed, eensklaps hooren moest, wat zij reeds lang in stilte gedacht had. Hij wilde scheiden! Zij werd door een zenuwtoeval getroffen. Geholpen door den heer de Bausset, prefect van ’t paleis, droeg Napoleon haar zelf langs een achtertrap naar haar vertrekken en ontbood Hortense om haar te troosten.

Eugène kwam in ’t begin van December te Parijs op verzoek van Napoleon. Van zijn zuster vernam hij wat was voorgevallen. Een langdurig onderhoud had hij met zijn stiefvader en toen begaf hij zich met dezen en Hortense naar zijn moeder.

“Mama moet van hier weg; wij beiden gaan mede; gezamenlijk zullen wij in de eenzaamheid boete doen voor een snel voorbijgaand tijdperk van grootheid, dat in ons bestaan meer stoornis dan vreugde heeft gebracht,” zei hij beslist doch vol weemoed. Hij was met zooveel illusiën naar Parijs gekomen en nu op eens dit!

Een droevig tooneel volgde op die woorden, want de Keizer wilde noch van Eugène noch van Hortense scheiden. Napoleon smeekt hen niet van hem weg te gaan, maar met hem mee te werken om hun moeder te troosten in het lot, dat haar opgelegd is. Hij blijft van haar houden en zal haar grootste vriendin zijn; hoogere belangen eischen de scheiding, en er zal voor hun moeder gezorgd worden, zoo goed als maar eenigszins kan. Eindelijk kwam er wat meer kalmte in de gemoederen, maar welken diepen indruk dit alles op den grooten man had gemaakt, konden zij getuigen, die hem doodsbleek en diep ontroerd met de sporen van tranen in de oogen het vertrek zagen verlaten, waar het kleine drama was afgespeeld.

Nu het eenmaal beslist is, wil Napoleon de familie raadplegen; hij beschouwt dit als een soort toewijding voor Joséphine en tevens om Hortense en Eugène in de achting van de natie te doen stijgen en hun rechten te bevestigen.

Terwijl de verschillende leden van de familie in Parijs komen, volgen voor Joséphine zeer smartelijke dagen, want ter eere van eenige naar Fontainebleau gekomen vorsten van het Rijnverbond hebben er tal van prachtige feesten en jachtpartijen plaats en Joséphine is verplicht daarbij, alsof er niets was voorgevallen, haar rol als gastvrouw te vervullen.

Zoo verschenen einde November en begin December tal van familieleden in Parijs, en den 15en December had de bekende familieraad plaats, waar de scheiding officieel werd uitgesproken. Had indertijd Eugène een fier woord gesproken, edelmoedig was zijn verstooten moeder in de verklaring, die ze thans trachtte af te leggen, doch die de tranen haar beletten te voleindigen: “Aan den toestand mijns harten verandert de ontbinding van het huwelijk niets. De Keizer zal in mij steeds zijn beste vriendin vinden.” ’t Was een flauwe afschaduwing slechts van het ontzaggelijke offer, dat de vrouw aan Frankrijks grootheid en daarmede aan die van haar echtgenoot bracht.

Reeds den volgenden dag verklaarde een Senaatsbesluit het huwelijk van den Keizer en de Keizerin “met wederzijdsch goedvinden” voor ontbonden.

Joséphine behield den titel van Keizerin, ontving een jaarlijksch inkomen van drie millioen francs, een schat van juweelen en kostbaarheden en een kasteel in Navarre. Ook Malmaison, waar zij zich vestigde, werd in vollen eigendom aan haar afgestaan.

Onmiddellijk begonnen de onderhandelingen voor een nieuwe keizerin, voor een prinses, van wie een erfgenaam verwacht kon worden en die het Napoleontische huis tot de gelijke zou maken der voorname Europeesche vorstenfamiliën.

Het eerst richtte de Keizer zijn blikken naar Rusland, want reeds te Erfurt hadden Napoleon en keizer Alexander over nog nadere dan vriendschapsbanden gesproken, al hadden “de vrienden” zich in niets gebonden. Maar nu was de Keizer van Frankrijk weer een vrij man en kon het anders worden.

Reeds was de Fransche gezant Caulincourt te St. Petersburg aangekomen teneinde den Tsaar om de hand zijner jongere zuster te vragen en te verklaren, dat het verschil in godsdienst der bruid voor Napoleon geen bezwaar opleverde. Wel was er haast bij de zaak. “Wij tellen hier de minuten” heet het in de depêche en binnen twee dagen wenschte de Keizer een antwoord. Maar Alexander was in verlegenheid door dien spoed. Zijn moeder Maria Feodorowna, die den Franschen indringer haatte, had dadelijk, toen ze van nieuwe huwelijksplannen hoorde, haar oudste dochter Catharina aan den Hertog van Oldenburg verloofd en wilde ook haar jongere dochter Anna aan geen Bonaparte afstaan. Daarom stelde Alexander zijn antwoord aan Caulincourt telkens uit. Toen het eindelijk den 4en Februari 1810 gegeven werd, luidde het, dat de teere leeftijd van de prinses, een kind van nog maar vijftien jaar, vooralsnog een onoverkomelijk bezwaar opleverde.

Het valt te betwijfelen of dit ontwijkende antwoord Napoleon zoo bijzonder onwelkom was, want nog voor het hem bereikte, had hij reeds door meer dan één tusschenpersoon voeling gezocht met het Oostenrijksche hof om tot een huwelijk met de aartshertogin Maria Louise te geraken.

Reeds in November 1809 is er groote toenadering merkbaar, als de Fransche minister van Buitenlandsche Zaken belangstellend naar Maria Louise’s gezondheid laat vragen. En ter gelegenheid der Nieuwjaarsplichtplegingen kwamen de Beauharnais, moeder en dochter, bij gravin Metternich op bezoek en waren zeer gul in haar mededeelingen. Hortense zei, dat haar broer Eugène zijn stiefvader had aangeraden Maria Louise te huwen en Joséphine voegde erbij, dat Napoleon nog geen keuze had gedaan maar zeker tot het Oostenrijksche hof zou komen, indien hij mocht vertrouwen er welkom te zijn. Gravin Metternich van haar zijde was even toeschietelijk als haar bezoeksters. Zij zal wel geweten hebben, dat de nieuw aangekomen gezant, prins Schwarzenburg, in opdracht had, een huwelijksaanvraag van Napoleon, zoo die mocht gedaan worden, welwillend te ontvangen en een huwelijk met Maria Louise in uitzicht te stellen. Het is n.l. een feit, dat men in Oostenrijk de mogelijke echtverbintenis van de prinses even gaarne zag als in Frankrijk. En wat Napoleon betreft, die had de heele onderhandeling in Rusland in den laatsten tijd alleen maar gebruikt om het Oostenrijksche Hof in spanning te houden. Wie het eerste woord heeft gesproken valt niet met zekerheid te zeggen, maar het stond spoedig vast, dat het huwelijk zou gesloten worden.

Nog diende vast te staan, dat Napoleons huwelijk met Joséphine geen beletsel vormde om den tweeden echt te sluiten. Voor Oostenrijks keizer was naar Roomsche opvatting de ontbinding van een wettig huwelijk onmogelijk en het door den Senaat uitgesproken scheidingsbesluit had voor den Oostenrijkschen keizer geen waarde. Het huwelijk moest onwettig verklaard worden en Napoleons advocaat wist voor de geestelijke diocesane rechtbank te Parijs aannemelijk te maken, dat het huwelijk werkelijk onwettig was, want Napoleon had alleen toegegeven aan den dwang van Joséphine om zijn echt kerkelijk te wijden en ’t was dus niet met zijn vrijen wil geschied. Bovendien waren de getuigen afwezig geweest, waarvoor Napoleon, zooals we zagen, zorgvuldig had gezorgd. De keizer van Oostenrijk was met de uitspraak van de geestelijke rechtbank tevreden en in dat opzicht waren de bezwaren dus overwonnen. Juist in deze dagen, 6 Febr. 1810 kwam ook Caulincourts antwoord uit Rusland in. “Uitstel is afstel,” zei Napoleon toen “en bovendien wil ik in mijn paleis geen vreemden priester tusschen mij en mijn vrouw hebben.”

Dienovereenkomstig ging er een boodschap naar keizer Alexander en alzoo was van een Russisch huwelijk geen sprake meer.

Twee dagen daarna ging Eugène de Beauharnais naar prins Schwarzenberg met de opdracht van Napoleon om dezen het huwelijkscontract tusschen den Keizer en aartshertogin Maria Louise ter dadelijke onderteekening voor te leggen. En nu reisde Berthier als buitengewoon gezant van den Keizer naar Weenen om in alle plechtigheid om de hand van aartshertogin Maria Louise te verzoeken en het huwelijk te bespoedigen.

Hoe de aanstaande bruid over het huwelijk dacht laat zich het best verklaren uit hetgeen zij den 23 Januari 1810 zelf uit Ofen schreef: “Sedert de scheiding van Napoleon van zijn gemalin sla ik de Frankfurter Zeitung altijd op in de gedachte den naam zijner nieuwe echtgenoote te zullen vinden en ik erken, dat de vertraging der zaak mij onrustig maakt.”

“Ik stel mijn lot in handen der Voorzienigheid, want die alleen weet, wat het beste voor ons is. Indien echter het ongeluk ’t zoo zou willen dan ben ik bereid mijn persoonlijk belang aan den Staat ten offer te brengen, overtuigd, dat men ’t ware geluk slechts in de vervulling zijner plichten vindt” en voegt ze er aan toe: “Bid voor mij, dat het niet gebeure.”

Dat Maria Louise er zoo over dacht is begrijpelijk, wanneer we bedenken, dat zij een kind was uit een Huis, dat in de laatste jaren zoo door Napoleon was vernederd en verslagen, dat Napoleon een Corsicaan, suspect van geboorte en onzeker van adel, toch eigenlijk de vijand van Oostenrijk was. Metternich, die er het eerst met haar over sprak, wees Maria Louise op het belang van een dergelijke verbintenis voor het welzijn van het land van haar Vader en de groote liefde voor dezen was voor de dochter voldoende om het offer te brengen. Hoewel opgevoed in haat tegen Napoleon, dien men in den hofkring te Weenen wel den “antichrist” schold, stemde ze toe in het huwelijk en het beroep van keizer Frans op haar kinderlijke gehoorzaamheid was niet vergeefsch. “Nos princesses sont peu habitueés à choisir leurs epoux d’après les affections du coeur” zei Metternich, en dienovereenkomstig ging het Maria Louise.

Reeds den 8en Maart had de plechtige ontvangst van Berthier ten hove plaats en werd de dag met een schitterend bal gesloten.—“De Aartshertogin,” schreef graaf Laborde, Napoleons vertrouwde, “was dezen avond bekoorlijk. Haar overvloedig mooi blond haar was omhoog gekapt en liet haar hals en haar schouders onbedekt. Haar ongemeene frischheid, haar lach, de uitdrukking van het gelaat, de bijzondere gratie en bescheidenheid in haar optreden, dit alles doet ons vertrouwen, dat ze een der bekoorlijkste dames in den hofkring zijn zal. Behalve, dat ze schoon is, is ze de gezondheid zelve; en ik ben overtuigd, dat haar kinderen het ook zullen zijn.”

Drie dagen later, 11 Maart 1810, te half zes in den middag, geschiedde de plechtige huwelijksvoltrekking in de Augustijner Kerk waarbij niemand minder dan aartshertog Karel zijn geduchten tegenstander als bruidegom vertegenwoordigde. De gansche stad was in feestvreugde; heel Weenen illumineerde.

Nu naderde ook het afscheid voor Maria Louise. Was het voor haar stiefmoeder een moeilijk uur, daar ze zielsveel van haar aangehuwde dochter hield, ook haar vader toonde uit een brief van hem aan Napoleon om dezen geluk te wenschen, zijn ingehouden droefheid.

Dadelijk als ze vertrokken is, reizen de keizer en de keizerin haar na om haar nogmaals te omhelzen. Te St. Pölten heeft de ontmoeting plaats en dan begeleidt keizer Frans haar nog tot Enns om daar voor goed afscheid te nemen. Den 16en Maart is Maria Louise te Braunau. Hier wordt ze met kanonschoten begroet en in het daarvoor bestemde paviljoen heeft de plechtige ontvangst plaats van de jonge Keizerin door den vertegenwoordiger van Frankrijk den Prins van Neuchatel, terwijl Caroline, de vrouw van Murat, de hooge eer te beurt valt, waarvoor ze bijzonder gevoelig is, om Maria Louise vandaar te vergezellen.

Nooit werd een koninklijke echtgenoote zoo met ongeduld verwacht als Maria Louise door Napoleon; zijn verlangen naar de aankomst van haar kon hij ternauwernood bedwingen. Hij had alles gedaan om een goeden indruk op haar te maken; reeds Berthier had een schat van kostbaarheden voor Maria Louise mee naar Weenen genomen; verder had Napoleon zich laten onderrichten omtrent haar liefhebberijen en vernemende, dat ze veel van mooie vogels en honden hield, droeg hij zorg, dat ze die te Parijs zou vinden. Zelfs had hij zich de Weensche dansen laten leeren en aan zijn uiterlijk groote zorg besteed om zijn Maria Louise te behagen. En nu reisde de Keizer, door zwager Murat vergezeld, naar Compiègne; de ontmoeting was tot in kleinigheden geregeld, maar van al het ceremonieel kwam niets, want de ongeduldige man ging onder stortbuien, alleen door Murat vergezeld, haar van Compiègne uit naar Courcelles tegemoet; hier wachtte hij onder een poort de stoet op en toen deze stilhield om van paarden te verwisselen, werd het rijtuig van de keizerin geopend: “L’ empereur” klonk het en Napoleon wipte naar binnen, zeker tot niet geringe verbazing van zijn jonge vrouw. Spotters hebben dit: “la surprise de Courcelles” genoemd.

In Compiègne werd kennis gemaakt met de familie; hier bleef hij drie dagen, stuurde zoodoende een reeks van deftige ontvangsten en begroetingen in de war en den 1en April werd het burgerlijk huwelijk te St. Cloud gesloten; den volgenden dag had in de kapel van het Louvre een kerkelijke plechtigheid plaats, waarbij het ceremonieel volkomen hetzelfde was als dat ter bruiloft van Lodewijk XVI en Marie Antoinette.

Van de twee en dertig gereed gezette zetels voor de kardinalen waren er bij de kerkelijke plechtigheid slechts elf bezet; dit wekte in hooge mate de ontstemming van den Keizer op en toen hij nu ook nog vernam dat ze nog het praatje hadden rondgestrooid, dat zijn tweede huwelijk voor de kerk ongeldig was en dat een kind uit dit huwelijk een bastaard zou wezen, gaf de Keizer den minister van politie last de kardinalen te arresteeren. Tevens werden ze van hun purperen opperkleed beroofd en over de verschillende provinciën verspreid, terwijl op hun inkomen als prelaat en op hun particulier inkomen beslag werd gelegd.


Oom Fesch wilde zich met de zaak bemoeien; hij begon den martelaar te spelen en beweerde, dat hij zulk een tirannie niet zou dulden.

De pogingen tot verzoening met den paus waren mislukt. Pius wilde niet naar Napoleon luisteren en bleef zich te Savona als een gevangene beschouwen, hij was zelfs in zijn boosheid zoo ver gegaan, dat hij geestelijken, zoogenaamd in buitengewone missie, door Frankrijk zond om voor de geloovigen te prediken. Toen nu Napoleon die missies verbood, had ook al Fesch tusschenbeiden willen komen, maar van den Keizer moeten hooren, dat hij in de eerste plaats had te gehoorzamen.

Nu Fesch zich wederom wilde verzetten zou hem dit slecht bekomen.

Kort te voren was hij, hoewel reeds aartsbisschop van Lyon, door den Keizer ook te Parijs met deze functie belast en had daardoor dubbel tractement genoten, in weerwil zijner vroomheid ook voor hem een zaak van niet geringe beteekenis. Hieraan kwam nu eensklaps een einde en toen hij zijn theologische kennis tegenover zijn neef begon uit te kramen, werd deze boos, vroeg of hij die geleerdheid had opgedaan, “terwijl hij nog speculeerde in leveranties van brood voor het leger” en liet hem tenslotte de keus tusschen Parijs en Lyon. Toen “oom” aan Lyon de voorkeur gaf, omdat hij hier ook door den paus was bevestigd, wees “neef” voor den zetel te Parijs den kundigen, dapperen en eerlijken kardinaal Maury aan en deed “oom” zoodoende koken van jaloezie.

De paus erkende Maury echter niet. Zoodoende werd de kloof tusschen den kerkvorst en den imperator steeds grooter. Bij senaatsbesluit voegde deze nu ook de provincie Rome bij zijn rijk en bepaalde, dat deze stad voortaan de tweede van Frankrijk zou wezen; dat zijn troonopvolger—want de illusie gold bij hem toen reeds voor het feit zelf—den titel voeren zou van koning van Rome en ook in den St. Pieter zou worden gezalfd. De paus moest beurtelings ginds verblijven en te Parijs. In Parma, Piacensa en Toscane werden alle geestelijke orden afgeschaft, alle kloosters op enkele na gesloten, en alle geestelijke goederen,—te Rome alleen geschat op een waarde van tweehonderd vijftig millioen;—vervallen verklaard aan den staat. Tevens werd aan generaal Miollis een versterking van circa 10.000 man toegezonden voor ’t geval “de monniken de bevolking te veel mochten ophitsen.”—“En dan gaat u maar te werk als in Spanje,” luidde ’s Keizers bevel.

De aanstokers van het vuurtje, dat tusschen den Heiligen Stoel en Fontainebleau zoo geducht begon te branden, met name de koningsgezinden en de ontevredenen, juichten in stilte over de drift, die de Keizer hierbij verried; en de lagere geestelijkheid bleef niet in gebreke zijn aanzien in de publieke opinie te verzwakken.

Mogelijk zag de wereld nog niet in, dat al ’t geen hij tegenover den paus ondernam, alleen diende om zijn gezag als Keizer van het Westen te grondvesten. De paus eenmaal te Parijs bij hem en onder zijn machtigen invloed, de hooge geestelijkheid gevleid en begunstigd en dus op zijn hand, kon het tijdstip der verwezenlijking van dit droombeeld zijns levens, dacht hij, niet meer veraf wezen.


Reeds in de eerste weken van het huwelijk was het Maria Louise duidelijk geworden, dat al de verhalen over “dien afschuwelijken Keizer Napoleon” sterk overdreven waren geweest. Wat was dat een andere man, dan zij zich had voorgesteld; ja het werd zelfs zoo, dat haar vrees voor dien geweldigen “antichrist” in aanbidding verkeerde. Napoleon was vol zorg en attenties voor zijn jonge vrouw en reeds einde Maart kon Metternich schrijven: “De Keizer is onafgebroken met haar bezig en doet alles om de keizerin plezier te doen” en Napoleon verheelde ook voor niemand, dat hij gelukkig met haar was. Wel was de verhouding van de familieleden van den Keizer niet zoo intiem met Maria Louise, maar Napoleon begeerde dat zelf ook niet. Reeds Carolina had door haar eigenaardig optreden geen prettigen indruk op de keizerin gemaakt en toen de Keizer besloot met zijn vrouw een reis te maken door de Noordelijke departementen werd ook niet deze zuster, maar Catharina, de vrouw van Jérome aangewezen om Maria Louise te vergezellen. ’t Was een ware triomftocht en de keizerin voelde zich overal gelukkig, zooals blijkt uit een brief aan haar vader:

“Ik kan u niet genoeg herhalen, hoe gelukkig en tevreden ik ben en altijd zal wezen, als ik maar bij hem ben. Hij is zoo goed en beminnelijk in zijn familie en hij heeft zoo’n edel hart, dat gij hem ook beminnen zult.”

Al kan men moeilijk uit deze brieven een juiste gevolgtrekking maken, waar Maria Louise veel van den buitenkant zag, toch geeft de toon, welke er in doorstraalt duidelijk te kennen, hoe uitstekend de verhouding van keizer en keizerin was en met welk een zorg Napoleon Maria Louise omringde.

Op die reis naar het Noorden, wel wat al te vermoeiend voor Napoleons vrouw, werden achtereenvolgens Saint-Quentin, Kamerijk en Antwerpen bezocht; hier woonde de Keizer het van stapel loopen van een groot fregat bij en gaf hij bevelen voor den aanleg van nieuwe versterkingswerken. Te Breda maakte hij den apostolischen vicaris en de roomsche geestelijken, die, in tegenstelling met de protestantsche predikanten, niet in plechtgewaad doch in gewoon costuum voor hem waren verschenen, hierover in ’t openbaar een geducht standje, en bedreigde die heeren zelfs met verbanning, als zij in die houding van verzet volhardden en zich niet onderwierpen aan de bepalingen van het concordaat.—Zijn daarop gevolgd bezoek aan Zeeland, waar hij Vlissingens vernielde werken ging zien, noopte hem, met het oog op de heerschende koortsen, de militaire bezetting daar aanzienlijk te verminderen en hiervoor alleen veteranen en koloniale troepen, als zooveel ouder en dus minder vatbaar, te bestemmen. Brussel, Ostende, het kamp van Boulogne en Rijssel zagen hem daarna. Den 1en Juni 1810 vond men hem weer te St. Cloud.

Den volgenden dag reeds hield hij ministerraad. ’t Lichtte en bliksemde er weder geducht, want onderweg had hij bij toeval ontdekt, dat Fouché zich in den laatsten tijd door de tusschenkomst van den bankier Ouvrard en van den heer Labouchère te Amsterdam achter zijn rug had beziggehouden met onderhandelingen met Engeland, waaraan ook Louis niet geheel vreemd was gebleven. Uit de papieren van dezen Ouvrard, die door Savary, sinds korten tijd hertog van Rovigo, was gevangen genomen, was de toeleg geheel gebleken.

Op staanden voet ontsloeg hij Fouché en benoemde Savary tot zijn opvolger. Om de straf echter niet te zwaar te maken, bevorderde hij den in ongenade gevallen hertog van Otranto,—want deze verheffing had de oud-republikein zich indertijd toch laten welgevallen—tot gouverneur der Romeinsche staten. Toen hem weldra bleek, dat Fouché nog meer op zijn kerfstok had, ontnam hij hem echter ook deze betrekking.

Uit al deze kuiperijen was ’t Napoleon opnieuw gebleken, dat Engeland niet voor vredesvoorstellen was te vinden, zoolang Spanje niet door hem was ontruimd. Aangezien hij hiertoe echter niet was te bewegen en ook zijn plan om zelf naar Spanje te gaan had opgegeven, bleef er voor hem slechts één middel over om Albion op den langen duur tot toegeven te dwingen n. l. door het verscherpen der blokkade. Dat Engeland hieronder reeds geduchte schade leed, stond vast. De waarde van een pond sterling, anders 25 francs, was reeds gedaald tot 17.

Op zijn laatste reis had hij tevens waargenomen, dat de bepalingen van het Continentale Stelsel op veel plaatsen zeer slapjes werden gehandhaafd. De geheime en openbare depots van koloniale waren langs de kust der Noordzee waren legio. De Amerikanen hadden zelfs een tegenstelsel uitgevonden. Op hun schepen, onder hun vlag, kwamen tegenwoordig voor millioenen guldens Engelsche koopmansgoederen de havens van het vasteland ongemoeid binnen. Hier en daar lieten de Fransche soldaten, met de bewaking dier havens belast, zich zelfs de handen vullen om één oog dicht te knijpen.

Napoleon en Maria Louise, te Compiègne. 1810.

Napoleon en Maria Louise, te Compiègne. 1810.

Het toezicht op de geheele kust diende dus verscherpt. Rapp trok als gouverneur naar Dantzig. De zeeplaatsen tusschen de Oder en de Weichsel werden bewaakt door Davoust en zijn soldaten. Hamburg, Bremen en Emden kregen Fransche bezetting en de geheele streek van Brest tot Vlissingen zag weder tallooze Fransche uniformen; om de kroon op het werk te zetten teekende Napoleon den 9en Juli een besluit, waarbij Louis van den troon vervallen verklaard, Holland bij Frankrijk ingelijfd, en de oud-consul Lebrun als luitenant-generaal met het bestuur aldaar belast werd. Wel had de admiraal Verhuell, gezant te Parijs, zijn best gedaan om dezen slag te voorkomen, doch Napoleon was voor geen redeneeringen vatbaar geweest.

Deze vernedering had Louis grootendeels aan zich zelf te wijten. Hij was een creatie van zijn broeder, aan wien hij letterlijk alles had te danken. “Zorg, dat je een vloot en een goed gevulde schatkist krijgt; houd de Engelsche kooplui uit je land en vergeet nooit, dat Frankrijk gaat vóór alles,” waren in korte woorden de voorwaarden geweest, waarop Napoleon hem de regeering had doen aanvaarden. In weerwil van diens herhaalde vertoogen had Louis te Texel echter geen vloot, was zijn schatkist niet gevuld, doch gaf hij aan paleizen en dergelijk fraais schatten uit. Dan voerden zijn onderdanen een brutalen sluikhandel met de Engelschen, en hadden de kooplieden hun pakhuizen tot den nok toe vol zitten met artikelen van Engelschen oorsprong. “La Hollande est entièrement une colonie anglaise et plus ennemie de la France que l’ Angleterre elle même...” had de Keizer hem reeds bij zijn bezoek te Parijs toegevoegd en daarop had hij toen reeds laten volgen: “Je veux manger la Hollande.” Louis stoorde zich echter niet aan den Keizer, dacht niet over Napoleons aanbod vrijwillig te abdiceeren en bij zijn terugkeer uit Parijs bleef hij trouw aan zijn devies: alles voor Holland in plaats van alles voor Frankrijk, zooals Napoleon wilde.

Op zichzelf beschouwd, verdiende deze handelwijze van hem als vorst tegenover zijn onderdanen allen lof; ook had hij zich hiermede onder de kooplui heel wat vrienden gemaakt, maar deze wijze van regeeren strookte nu eenmaal volstrekt niet met de bedoelingen van zijn broeder.

Deze had, rekening houdende met Louis’ somberen, wantrouwenden aard, waardoor hij het leven van Hortense tot een hel maakte, geruimen tijd geduld met hem gehad en hem telkens weer zijn verkeerdheden onder de oogen gebracht. Het had niet gebaat.

Bij de komst van generaal Molitor, die op de gestrenge toepassing van het Continentale Stelsel in Holland met zijn soldaten moest toezien, had Louis tegen de verschijning dier troepen op zijn grondgebied openlijk verzet gepredikt en te Haarlem de poorten doen sluiten. Toen nu de koning zelfs, geheel buiten weten van Napoleon, ten behoeve van zijn zoon afstand had gedaan van den troon, had de Keizer kort en bondig ook aan “die comedie” een einde gemaakt. Toch griefde het Napoleon diep, dat zijn broer op deze wijze zijn koninkrijk verliet en gedurende een veertien dagen den Keizer en zijn verwanten in onrust liet, waarheen hij vertrokken was. Wat een indruk moest dit op de mogendheden maken! In officieele stukken liet de Keizer dan ook voorkomen alsof alles tengevolge van de ziekte van Louis was.

Nog verergerde deze den toestand, toen hij tegen zijn afzetting protesteerde, zijn broer in heftige bewoordingen aanviel en zijn protest aan den keizer van Rusland en dien van Oostenrijk wilde zenden om als rechters uitspraak te doen en zijn broer daardoor dus tot beschuldigde verlaagde.

Onder den naam van graaf van Saint-Leu vertrok hij naar Töplitz in Bohemen. In 1814 heeft zijn handelwijze heel wat egoisten, die Napoleon afvallig werden, tot dekmantel en verontschuldiging gediend.

De Keizer nam de zorg over Hortense en de kinderen ter hand, en stond, wat hij bij ’t bezoek van Louis te Parijs nog geweigerd had, de scheiding tusschen hen beiden toe. Al was Hortense nooit lang bij haar echtgenoot, ze had de laatste maanden in Holland nog ellendige dagen met hem doorgebracht en voor haar zal de scheiding een ware uitkomst zijn geweest.

Juist in de dagen, dat Louis den Keizer in onrust liet over de plaats waar hij heen was gegaan, maakte ook een andere broer aanstalten om te vertrekken. Het was Lucien. Men zou gedacht hebben, dat met het onderhoud te Mantua alle betrekkingen tusschen Napoleon en dezen broer voor goed waren afgebroken, maar de broers en zusters, gesteund door hun moeder, hadden de onderhandelingen voortgezet in de hoop, dat Lucien nog in het systeem zou worden opgenomen. De onderhandelingen vorderden echter langzaam, want Napoleon week niet van zijn eenmaal ingenomen standpunt, dat Lucien van zijn vrouw behoorde te scheiden en de Keizer dan pas de kinderen zou erkennen. Tevergeefs liet Napoleon door Campi, Luciens vertegenwoordiger, er zijn broer op wijzen, dat hij zelf om de politiek een ander huwelijk had gesloten, tevergeefs wees hij op Jérome, voor wiens eerste vrouw toch ook door Napoleon was gezorgd. Dit baatte al evenmin als de pogingen van de moeder om Lucien en vrouw te bewegen voor Napoleons wil te buigen. Maar erger nog geschiedde.

Lucien met familie vertrok uit Italië en vestigde zich in... Engeland. Een broer van den Franschen Keizer, die zijn toevlucht zocht op het grondgebied van zijn grootsten tegenstander! De Engelsche bladen waren natuurlijk vol over de wreedheden van Napoleon tegenover zijn familie, in het bijzonder tegenover Lucien.

Het echec, dat Lucien zijn broer door deze vlucht bezorgde, was terecht onherstelbaar, maar als Napoleon in zijn eerste opwelling besluit bij decreet bekend te maken, dat Lucien geschrapt is van de lijst van senatoren en hij, noch zijn familie ooit weer op Fransch grondgebied mag verschijnen, dan komt de Keizer er al spoedig op terug, dit zoo openlijk te doen. Luciens gedrag ergert hem in hooge mate, maar evenmin kan hij vergeten, wat hij vroeger aan dezen broer te danken heeft gehad!

Terwijl Louis in stilte verdwijnt en Lucien zelfs gastvrijheid in Engeland komt vragen, is Napoleon ook over Murat in die dagen niet te spreken, want het komt hem ter oore, dat hij er zich toe geleend heeft om Lucien het vertrek naar Engeland gemakkelijk te maken. Ook Napels wordt niet geregeerd, zooals Napoleon dat wenscht. Voor alles wil Murat zorgen voor een flink leger om hem, indien het noodig mocht blijken, te steunen. Dat strenge toezicht van den Keizer wil ook zijn zwager niet en de maatregelen, die Napoleon neemt om Engelands handel nog meer te treffen, onderwerpt Murat aan strenge critiek. In Europa werd algemeen gedacht, dat de annexatie van Napels spoedig zou volgen en ook Murat verkeerde in die meening. Toch is Napoleon niet van plan dit te doen, want al kan hij Murat als bestuurder van Napels niet voldoende vertrouwen, hij apprecieert hem te erg als cavalerie-aanvoerder en heeft hem vooral na den dood van Lasalle te hard noodig voor zijn oorlogen. De veldtocht naar Oostenrijk had het nog pas bewezen. Het werd den Keizer maar al te duidelijk, welk een fout hij begaan had toen hij zijn rijk omringd had met landen, waar hij zijn verwanten op den troon had geplaatst, want ook Jérome kostte schatten gelds aan het leger, dat hij noodig had, waardoor de schuld onrustbarend toenam en met Jozef, zullen we zien, ging het in Spanje ook niet goed.

In plaats van steun, verzet; hier openlijk, daar meer in stilte, maar overal een weerstreven van Napoleons plannen en bedoelingen. Het bleek in 1810 reeds duidelijk, dat het familiesysteem had uitgediend; toch zou het nog erger worden; verraad en kwade trouw, nu nog niet zichtbaar bijna, zullen straks openlijk blijken.


Holland was dus ingelijfd en hierdoor zag Engeland nu nog alleen de havens van Portugal voor zich open, want ook Zweden had zich reeds eenige maanden te voren bij het Continentale Stelsel aangesloten en tot belooning Pommeren ontvangen. Mecklenburg had zich reeds vroeger naar ’s Keizers wenschen gevoegd.


Van al de staatkundige moeilijkheden, welke het midden van 1810 voor Napoleon opleverde, bespeurde de jeugdige gemalin zoo goed als niets. Het Hof had bij de komst van Maria Louise groote veranderingen ondergaan. De meeste personen uit den tijd der revolutie waren verwijderd en vervangen door vertegenwoordigers van oude adellijke geslachten. Velen uit de vroegere omgeving van Joséphine, die zoo meesterlijk de kunst had verstaan het oude en nieuwe te vereenigen, zag men niet meer. Van eenige vertrouwelijkheid aan het Hof was geen sprake, de strengste etiquette werd in acht genomen en de afstand van de keizerin was grooter dan ooit te voren. Ook op haar reizen had Maria Louise den indruk op de bevolking gemaakt, dat, mocht de Keizer een goede ruil hebben gedaan, de natie erbij had verloren.

Het volk kende haar niet en zag alleen de Oostenrijksche in haar, terwijl de door Napoleon zelf begeerde strengheid in haar omgeving ook niet bevorderlijk was om de nieuwe keizerin populair te doen worden. Ook was de keuze van de hertogin de Montebello, die als dame d’ honneur aan Maria Louise werd toegevoegd, niet bijzonder gelukkig. Behalve dat deze het met niemand aan het Hof kon vinden werd de keizerin op recepties en andere plechtige gelegenheden slecht door haar gediend. Maria Louisa kende de menschen niet, vroeg verkeerd en hoewel de hertogin de Montebello daarvan de schuld droeg, werd het natuurlijk verweten aan de keizerin. Op het punt van weldadigheid had Joséphine zich een eerenaam verworven; Maria Louise daarentegen was volstrekt niet op de hoogte, miste er ook de noodige hulp voor en het volk won ze daardoor volstrekt niet.

De eerste maanden kon Maria Louise genieten van de vele feesten, die te harer eere werden gegeven, eerst door Parijs—een nachtfeest—daarna door de Garde op het Champ de Mars en in de Militaire School.

De ontzettende ramp, van welke het hotel van den Oostenrijkschen gezant, prins von Schwartzenberg, den 1en Juli het tooneel was, kwam echter over haar stemming een donkere schaduw werpen. Bij het nachtfeest, door dezen diplomaat eveneens ter eere van het keizerlijke paar gegeven, geraakte een van de raamgordijnen der balzaal in brand. Met schrikwekkende snelheid verbreidde zich het vuur. Onder de honderden gasten ontstond een paniek. Napoleon redde zelf zijn gemalin, droeg haar naar een rijtuig, bracht haar naar de Tuilerieën en spoedde zich toen terug om bevelen te geven tot redding. Doch reeds was het gansche hotel één vuurzee en telde men de gekwetsten bij tientallen. De echtgenoote van den gezant, die in de meening verkeerde, dat een harer dochters zich nog in gevaar bevond en daarom heldhaftig weder naar binnen snelde, kwam hierbij zelf om het leven.

Velen vonden deze ramp een slecht voorteeken; ze dachten aan een dergelijk ongeval, bij het huwelijk van Lodewijk XVI voorgekomen. Vooral het volk, dat Joséphine, “de goede Keizerin,” nog altoos niet kon vergeten en van den dwang, die de staatkunde somtijds uitoefent, geen begrip had, zeide, dat ook deze Autrichienne voor Frankrijk een ongeluk zou blijken te zijn.


Bijna onafgebroken zoekende naar een middel om Albion eindelijk toch eens afdoende te treffen en het een doodelijke wonde toe te brengen, vaardigde Napoleon in ’t begin van Augustus een decreet uit, dat tevens zijn schatkist vulde. In hoofdzaak behelsde het, dat van nu af koloniale waren door niet-Engelsche schepen konden worden ingevoerd tegen betaling van een recht van 50 %. Door deze maatregel bleven de Engelsche kooplui op al deze artikelen hetzelfde bedrag verliezen, als tot nog toe het geval was geweest, want die 50 % ongeveer hadden ze geregeld moeten betalen aan de smokkelaars. Thans waren de gouden dagen van hen uit, want door dien sluwen zet kwamen die bedragen nu in de Fransche schatkist. Voorts zou een even hoog recht in natura, in wissels of in geld geheven worden van alle reeds in entrepôt of magazijn opgeslagen waren; de waren in natura, ter betaling afgestaan, zouden daarna voor rijksrekening in ’t openbaar worden verkocht. Alle later gevonden en niet door een belasting-quitantie gedekte goederen zouden tevens worden verbeurd verklaard.

Napoleon ging zelfs nog een stap verder; hij deed voor ’t meerendeel door militairen beslag leggen op al de koloniale waren, die gevonden werden binnen vier dagreizen van de Fransche grenzen. “Die suiker en die koffie, enz., waren,” zeide hij, “daar toch bijeengebracht om ze Frankrijk binnen te smokkelen en het land dus te benadeelen; dit eischte straf.”

Wat een verslagen gezichten onder de kooplui, die met de smokkelaars al zoo aardig wisten samen te werken! Maar ook wat een haat en een wraakzucht opgehoopt in de harten der zoo zwaar getroffenen!

Slechts één vorst teekende tegen dit decreet verzet aan, keizer Alexander. “De toestanden in zijn rijk veroorloofden hem niet de bepalingen er van na te leven,” gaf hij koeltjes aan den Franschen gezant te St. Petersburg te verstaan.

Na de samenkomst te Erfurt was de goede verstandhouding tusschen de twee potentaten begonnen te verzwakken. Alexander had in de Donau-vorstendommen weinig succes gehad. Finland, ja, was hem toegevallen, maar voorloopig was dit alles. Nu kwam dit decreet.

Eindelijk vernam hij in ’t laatst van Augustus, dat Karel XIII, de oude koning van Zweden, Bernadotte tot zijn opvolger had bestemd en dat Napoleon met deze keuze had genoegen genomen.—Door Frankrijk gesteund zou Zweden nu wel een aanleiding weten te vinden om Finland te heroveren, meende Alexander.

Natuurlijk zorgde Engeland, dat Alexander in onrust en onzekerheid bleef verkeeren en in de plannen met Bernadotte de hand van Napoleon zag.

Alexanders ontstemming steeg ten top, toen Napoleon, het hertogdom Oldenburg, waar Alexanders zwager regeerde, evenals de tot nog toe vrij gebleven Hanzesteden, zoogenaamd ter wille van het Continentale Stelsel, met één pennestreek met Frankrijk vereenigde.

Doch ook Napoleon had een grief.

Tijdens den laatsten oorlog had het Russische leger in Polen als bondgenoot weinig uitgevoerd en zelfs herhaaldelijk getoond liever gemeene zaak te willen maken met de Oostenrijkers onder aartshertog Ferdinand dan met de gehate Polen onder Poniatowski. Alexanders weigering om aan het decreet van 5 Augustus uitvoering te geven, diende niet om Napoleons stemming te verbeteren.

Aan Bernadotte’s verkiezing tot kroonprins van Zweden was hij geheel vreemd gebleven; alleen aan het toeval en aan zijn tact had de maarschalk deze te danken gehad. Na den slag bij Friedland, te Hamburg belast met het bevel over de troepen aldaar, had hij een aantal gevangen Zweedsche officieren zeer hupsch en voorkomend bejegend, hun geld en kleeding verschaft en ook aan eenige Zweedsche kooplieden gewichtige diensten bewezen. Hierdoor was zijn naam te Stockholm gunstig bekend geworden en in zijn verkiezing hadden de Zweedsche generale staten dus nu een machtigen waarborg gezien tegenover Ruslands plannen.

Bernadotte had den Keizer verlof gevraagd deze keuze te mogen aannemen, en deze had dit verlof niet eens met blijdschap, veeleer met eenigen spijt verleend, omdat hij het karakter van den ander kende en van ouds wist, dat hij in stilte een vijand aan hem had.

Toch had hij hem, den echtgenoot van Désirée, een millioen francs als reisgeld geschonken, doch hem tevens verzocht nooit te vergeten, dat hij Franschman was en dat hij de kroon van Zweden had te danken aan den roem der Fransche legerkorpsen, die hij had aangevoerd. Bernadotte had dit beloofd.—“Niets zou hij vergeten. Steeds zou hij er trotsch op wezen een zoon van Frankrijk te zijn.”


Hoe langer hoe meer begon bij Napoleon in die dagen het denkbeeld vasten vorm te krijgen, dat de Voorzienigheid hem met een bepaalde roeping hier op aarde had doen verschijnen; dat niets hem meer onmogelijk was en dat hij slechts zijn wil behoefde te kennen te geven om dezen terstond uitgevoerd te zien. Van dien tijd af begon deze gedachte hem in zoo hooge mate te vervullen, dat hij zich bij het ontwerpen van zijn geweldige plannen nog meer dan ooit te voren bepaalde tot het geven van algemeene bevelen, en dat hij de zorg voor de uitvoering en voor de vaak groote kunde en schranderheid eischende détails zoo goed als geheel overliet aan personen, die voor de hun opgedragen taak vaak òf niet òf slechts ten deele geschikt waren. Het gevolg hiervan was, dat het bij veel zaken van ingrijpenden aard thans meermalen bij de uitvaardiging dier bevelen bleef, en er heel wat niet werd uitgevoerd, dat toch uitdrukkelijk door hem was bevolen. Kwam hij dan later tot de ontdekking, dat aan zijn last geen gevolg was gegeven, dan lichtte het wel een korte poos in zijn donkere oogen, en viel er ook wel eens een ernstige vermaning, doch gewoonlijk bleef het tegenwoordig hierbij en liep het voor den schuldige vrij goed af.

Tegelijkertijd maakten enkele personen uit zijn naaste omgeving de opmerking, dat hij nòg ongenaakbaarder, nòg stroever in zijn toon, nòg geslotener in zijn woorden en uitlatingen werd, nòg minder vatbaar voor goeden raad dan voorheen ooit het geval was geweest.

Het is zeker, dat zijn brein in de laatste maanden van 1810 vervuld was van allerlei groote plannen, want sinds de zwangerschap zijner gemalin opende zich voor den man een geheel nieuwe toekomst. Een eigen dynastie stond op het punt van gesticht te worden. Reeds sedert zijn huwelijk was er in de levenswijze van den Keizer groote verandering ontstaan.

Hij leeft geheel voor zijn Maria Louise, ontbijt lang met haar, gaat met zijn vrouw wandelen, leert haar zelfs paardrijden, stoeit en speelt met haar, alsof hij een schooljongen is. Niets is hem te veel, maar sinds hem de heugelijke gebeurtenis bekend is geworden, kan men hem zijn paleis haast niet meer uit krijgen. De havenwerken in Cherbourg moesten ingewijd worden, Cherbourg zal wachten, de Keizerin is zwanger; het is steeds hetzelfde parool. Hij wil niet weg en is nu alleen vervuld van die eene gedachte, die hem meer nog dan vroeger aan zijn echtgenoote bindt. De verhouding tusschen den Keizer en zijn vrouw is zoo, dat Corvisart vond dat hij te veel op haar was gesteld!

Van dien tijd dagteekent ook de reorganisatie van de “Société Maternel,” welke vereeniging zich ten doel stelde steun bij bevallingen te verleenen en zich met de zorg van de kinderen te belasten. Voor de opvoeding van weezen van hen, die in dienst van den staat zijn gestorven, wordt een regeling getroffen, een gesticht voor de “Enfants-Trouvés” komt tot stand en begin November heeft de plechtigheid plaats van de benoeming van een aantal kinderen door Napoleon, waarbij elke moeder vereerd wordt met een medaillon, voorzien van de portretten van Keizer en Keizerin. ’t Zijn alle bewijzen voor de gevoelens van Napoleon, toen hij zelf hoopte een kind te krijgen.

In Maart had de geboorte plaats. Maria Louise, over het geheel gezond en wel, had een moeilijke ure. Napoleon bleef bij haar, zoolang hij het zelf kon uithouden maar dezen keer werden de zenuwen hem de baas en hij moest in een aangrenzend vertrek gaan. Dokter Dubois, de medicus, kwam tot hem om te zeggen, dat er levensgevaar was voor moeder en kind.

“Wat zoudt gij doen, als gij in ons geval waart bij een vrouw uit de burgerklasse?” vroeg Napoleon.

“Dan zou ik van mijne instrumenten gebruik maken,” antwoordde dokter Dubois.

“Welnu,” hernam de Keizer, handel alsof gij in ’t huis geroepen waart van een straatventer van Saint-Denis; draag zorg voor moeder en kind en als gij ze niet beiden redden kunt behoud me dan de moeder.”

Toen hield Napoleon nogmaals zijne Maria Louise bij de hand vast; maar haar lijden werd hem te machtig; hij werd lijkbleek en moest weer weggaan....

Den 20en Maart 1811 des morgens om tien uur telden de Parijzenaars de kanonschoten, want den Keizer was een kind geboren. Twee en twintig schoten, wèl geteld: het was een zoon... “de koning van Rome” was geboren. Napoleon had geschreid van blijdschap; zijne dynastie zou blijvend zijn en de wereld overheerschen.

Maria Louise herstelde spoedig en was wonder gelukkig met haar kind. Napoleon Frans Jozef Karel werd hij gedoopt. “De geboorte van mijn zoon,” schreef ze, “vermeerdert zoo mogelijk nog de gelukzaligheid, waarin ik mij sedert mijne vereeniging met den Keizer verheug. Ik koester den wensch, dat hij eenmaal zijn vader mag gelijken en als deze het geluk worden van allen, die hem omgeven!”

Napoleon ook vergoodde zijn zoon. Iederen ochtend na ’t ontbijt moest de gouvernante, mevrouw de Montesquiou, hem in de kamer des Keizers brengen, en het was een genot hem met den kleine te zien stoeien.

“Ik ben overtuigd,” schreef de keizerin aan haar vader, “dat gij u er zeer in verheugen zult, ooggetuige van ons huiselijk geluk te zijn!”

Bij al de feesten ter eere van de geboorte gegeven, bij de groote bevordering in ’t Legioen van Eer ter gelegenheid van de doopplechtigheid was echter merkbaar, dat er zich zooals Masson zegt, een muur optrok tusschen Napoleon en het volk. Men hield rekening met het hof, met de bourgeoisie in ’t geheel niet en niemand, die niet tot de officieele personen behoorde, was op de feesten vertegenwoordigd. De emigrés vulden het hof en de Keizer was in den waan ze te vereenigen.

“Thans na den doop van het kind acht hij zijn fortuin voltooid. Het is het oogenblik, waarop hij van de toekomst bezit neemt, waarop zijn macht geen hindernis meer kent, waarop ontdaan van eens zoo nauwe familiebanden, die hij op ’t punt staat te breken, hij alleen op zich zelf rekent en ’t continent te klein voor zijn glorie vindt. En ’t is het oogenblik, waarop de ontzaglijke uitbreiding van het Keizerrijk het onbestuurbaar maakt, waar de argwanende alleenheerschappij van Napoleon het initiatief en de goede wil onderdrukt en overal de passieve gehoorzaamheid de eerste en eenige deugd van zijn dienaren veroorzaakt. De zoo uitgebreide krachten zullen zich breken en hem overwinnen ten slotte. De verspreide familie kan geen steun meer zijn. Gedurende tien jaar heeft Napoleon op dit systeem gesteund, een systeem dat hij trots het gecoaliseerd Europa door zijn overwinningen heeft georganiseerd, en waarop hij tot heden zijn vertrouwen heeft gesteld. Op de eenige punten, waar hij het nog laat bestaan moet men desasters verwachten.”

Zoo is daarvan al direct Spanje een bewijs.

Napoleon en de Paus.

Napoleon en de Paus.

Vol fanatisme en bloeddorst duurde het verzet tegen zijn legerdrommen daar nog onafgebroken voort. Reeds kort na zijn huwelijk was de generaal Foy hem van het oorlogstooneel zeer onrustbarende mededeelingen komen doen. Onder zijn generaals bestond niet de minste overeenstemming. Ieder voerde in de hem aangewezen provincie den krijg op eigen hand. Aan Jozefs bevelen werd niet gehoorzaamd; de troepen leden gebrek; alles verried, dat ginds een krachtige leiding ontbrak.

Dat zijn plaats was dáár, niet op Saint-Cloud, had hij toen zeer goed begrepen; maar, eerst kort te voren hertrouwd, wilde hij zijn jonge vrouw, die zeer in zijn smaak viel, niet dadelijk weder alleen laten. Ook oefende het weelderige paleisleven met al zijn kleine en groote genietingen van allerlei aard mogelijk toen reeds meer invloed op hem uit dan hij aan zich zelf wilde bekennen. Het een met het ander was oorzaak, dat hij het commando in Spanje niet zelf ging nemen, doch te Parijs bleef en orders begon te geven van uit zijn kabinet.

Men behoeft geen militair te wezen om te begrijpen, dat, waar de lastgever circa 500 uur gaans van het terrein der behandeling is verwijderd, terwijl de wegen in Spanje in die dagen zoo slecht en gevaarlijk waren, als met mogelijkheid was te bedenken, zijn bevelen vaak in ’t geheel niet, in elk geval altoos te laat hun bestemming bereikten om doel te treffen. Van de nederlagen daarginds heeft de Keizer zelf grootendeels de schuld gedragen.

Een der gevaarlijkste factoren in Spanje was de wanverhouding tusschen de generaals en de maarschalken onderling. Massena, in 1810 belast met het bevel over een sterk leger, dat in Portugal tegenover generaal Wellesley, thans hertog van Wellington, en Beresford met de Portugeezen zou optreden, had als voorwaarde gesteld, dat zijn maîtres hem hierbij zou vergezellen.—Napoleon had dit toegestaan. Maar toen de maarschalk, die op zijn ouden dag verstandiger had moeten zijn, nu van Ney, Montbrun en anderen verlangde, dat zij die dame aan tafel geleiden en haar honneurs bewijzen zouden, bedankten die voor dit koopje, en ontstond ook hierdoor een breuk, die op den goeden gang van zaken allerverderfelijkst werkte, en die eindelijk ten gevolge had, dat Ney Massena formeel de gehoorzaamheid weigerde. Wel ontsloeg deze hem uit zijn commando, maar Ney nam dit ontslag niet aan.

Napoleon maakte ten slotte aan deze ellendige verhouding een einde, riep Massena terug en droeg het bevel over de troepen in Portugal op aan den maarschalk Marmont.

Wat koning Jozef betreft, deze was veel te zachtaardig en veel te weinig soldaat voor de functie van luitenant van Napoleon. De maarschalken namen een loopje met hem en beschouwden zijn tegenwoordigheid bij ’t leger als een last.

In zijn optreden geleek hij op zijn broeder Louis. Tegen zijn onderdanen vechten vond hij afschuwelijk. De krijgsgevangenen, die hij maakte, zond hij niet, zooals Napoleon verlangd had, naar Frankrijk op maar gaf hij gelegenheid over te gaan in zijn eigen dienst. Dan stak hij ze van onder tot boven in een nieuwe uniform, voedde ze goed en betaalde ze nog beter, tot de krijgskans keerde, en dit leventje die zoogenaamde Josephinos begon te vervelen. Dan kon men ze bij honderden tegelijk in hun nieuw pak zien drossen naar hun vrienden in ’t gebergte.

Was ’t te verwonderen, dat Jozef door de vijandelijke aanvoerders, zooals Mina, Marquesito en den beruchten Empecinado spottend werd betiteld met den bijnaam van groot-kapitein van kleeding?

Stippen wij nu nog aan, dat Napoleon, die zijn leger van Fransche soldaten in Duitschland niet wilde verzwakken, voortdurend meer Italianen, Saksers, Hessen en Beieren als aanvullingstroepen naar Spanje zond en het militaire gehalte van zijn macht aldaar door dezen maatregel sterk deed dalen; dat de desertie er onrustbarend toenam, eindelijk, dat Wellington onder zijn bevelen een infanterie had, die in ’t schieten haar gelijke niet vond, dan achten wij den toestand ginds hiermede voldoende geschetst. In Spanje bleef ’t gevaar dreigend en Suchets overwinningen waren te plaatselijk om groote gevolgen te hebben.

Een tweede oorzaak van ergernis voor Napoleon was de hardnekkigheid, waarmede de paus zich tegen zijn wenschen bleef verzetten. Zelfs de pogingen van een viertal aartsbisschoppen, die hiervoor opzettelijk een reis deden naar Savona, leden schipbreuk. Oom Fesch had zich aan zijn zijde geschaard.

Om aan dezen toestand een einde te maken, riep Napoleon in den zomer van 1811 te Parijs een Concilie bijeen, waarop ook een groot aantal Italiaansche prelaten verscheen.

Hier werden velen niet ongenegen bevonden de belangen van de wereldsche zaken der Kerk te scheiden van die der geestelijke, maar de paus, al noemde hij zich te Savona een verlaten gevangene, had naar buiten blijkbaar nog invloed genoeg om de weegschaal naar zijn kant te doen overslaan. Ingrijpende besluiten werden dus niet genomen.—Toen Napoleon ten overvloede te weten kwam, dat er door enkele leden van het Concilie in ’t geheim zelfs instructies werden gezonden naar buiten, deed hij een viertal hunner te Vincennes gevangen zetten en sloot hij de zitting nadat hij van iederen prelaat de schriftelijke verklaring had geëischt, dat de voorstellen en wijzigingen, door het Concilie vastgesteld, overeenkomstig de wetten der gallische kerk waren.

Een deputatie van prelaten bracht het eindbesluit van dit Concilie naar Savona, om het Pius ter goedkeuring voor te leggen. Gevleid door dit bewijs, dat hij in zijn waardigheid dus toch werd erkend, bekrachtigde deze het met zijn handteekening. Binnen zes maanden zou hij de door Napoleon benoemde 17 bisschoppen de canonieke wijding dus moeten geven.—De quaestie van het bezit van Rome en van den toekomstigen staat van het pausdom zou, verzekerde men hem, later worden geregeld.

Toen de tijding van deze overwinning Napoleon bereikte, bevond hij zich in Holland. Hij kon tevreden zijn, doch de brève, die de paus bij zijn goedkeuring had gevoegd, een stuk, waarin hij de redenen dezer goedkeuring uiteenzette, beviel hem volstrekt niet. Van de daarin vervatte ultramontaansche begrippen was hij in ’t minst niet gediend, als zijnde die strijdig met de leer van Bossuet. In dat pauselijke voorbehoud zag hij, de roomsche curie kennende, een gevaar. Voordat hij den veldtocht tegen Rusland begon, deed hij Pius dus voor alle voorzichtigheid overbrengen naar Fontainebleau. Hier beter dan te Savona kon Savary op zijn omgeving en zijn daden dan het oog houden. Een coup de main der Engelschen op eerstgenoemde stad of een opstand der Italianen rekende Napoleon volstrekt niet tot de onmogelijkheden.


1 Enkele gedeelten zijn genomen met toestemming van den schrijver, den Heer A. W. Stellwagen, uit de Historische Feuilletons in de N. Rott. Cour.