Hoofdstuk XXII.

De veldtocht tegen Rusland.

Reeds maakten wij melding van een verkoeling, die de laatste jaren tusschen Napoleon en Alexander van Rusland was ontstaan, en van haar oorzaken, die dreigden tot een oorlog te leiden. Dat de eerste het tooneel van de toekomstige worsteling toen reeds zorgvuldig bestudeerde, had zijn brief van 4 Augustus 1810 aan den koning van Saksen genoegzaam aangeduid. Den 10en December was zijn beruchte boodschap aan den Senaat gevolgd, waarbij hij Frankrijks grenzen met één pennestreek tot Lübeck had uitgezet. Een brief van 28 Februari 1811 aan keizer Alexander had bij dezen ten slotte allen twijfel opgeheven betreffende de plannen, die men tegenover hem koesterde.

In verband met deze plannen en met de hem nooit verlatende gedachte Engeland toch eenmaal den nekslag toe te brengen, begon hij in het laatst van September, ondanks het ongunstige jaargetijde, een reis langs de kust van de Noordzee. Hij bezocht Antwerpen en de werken langs de Schelde aldaar, toog naar Vlissingen, nam hier maatregelen om de uit verschillende natiën samengebrachte bemanning der oorlogschepen in bedwang te houden, vaardigde orders uit om de werven over Hamburg voortdurend van timmerhout te voorzien, sloot den uitvoer van graan,—een doodsteek voor den handel doch een buitenkansje voor den landbouw; de prijzen liepen op tot 35 gulden per hectoliter—deed op de scheepstimmerwerven tot Texel toe den arbeid verdubbelen, verschafte hierdoor aan duizenden menschen brood en begaf zich ten slotte met “zijn vrouw,” die de reis over Utrecht had gemaakt, naar Amsterdam.

Dat men in Holland weinig sympathie voor hem gevoelde, is te begrijpen. Wel had hij Amsterdam verheven tot de derde hoofdstad van Frankrijk, maar het leger en de garde waren bij zijn korpsen ingelijfd. De heeren de Celles en de Stassart, zijn prefecten, respectievelijk te Amsterdam en te ’s Hage, hadden een harde hand;—de andere prefectsplaatsen waren bezet door volbloed-Hollanders, die voor deze hooge, goedbezoldigde betrekking zonder eenige moeite te vinden waren geweest;—de jaarlijksche rentelast was gestegen van dertig tot veertig millioen; de nationale schuld was om deze reden getiërceerd, waardoor heel wat renteniertjes tot armoede vervallen en veel liefdadige instellingen in haar inkomsten benadeeld waren. In 1808 en 1809, onder Louis, was het nog erger; op de schuldbrieven werd toen in ’t geheel niets betaald. Thans zouden de schuldeischers van den Staat, waarvan velen die effecten ver beneden pari hadden gekocht, in elk geval eenige rente ontvangen. De Fransche taal moest op alle scholen worden onderwezen; in October 1810 was de zoo gehate conscriptie ingevoerd. De Code Napoleon moest worden gevolgd; de haringvisscherij was met het oog op het smokkelen verboden. Java was verloren gegaan. Op een begrooting van 155 millioen kwamen jaarlijks 45 millioen te kort; eindelijk had Holland zijn zelfstandig bestaan verloren.

Reden tot juichen en feestvieren bestond er voor de menschen dus niet. Toch werd er bij zijn komst te Utrecht en te Amsterdam gejuicht, dat de vensterruiten er van schudden; toch werd daar feest gevierd, toch verdrong de bevolking zich overal om hem te zien, te begroeten en hem zelfs de hand te kussen. Amsterdam sloofde zich letterlijk uit om hem hulde te betuigen en oogstte hierbij zelfs lang niet altoos dank in, want van tijd tot tijd was hij tegenover “die goede, brave” Hollanders, zooals hij ze noemde, ruw en grof genoeg.

Toch waren deze hoera’s, deze spontane uitingen der volksmenigte, te begrijpen, want die kleine, vrij zware man met zijn bleek en strak gelaat in zijn eenvoudige uniform met dien nu eens gestrengen dan weder zachten blik, was Napoleon, de imperator op het toppunt van zijn macht, wiens rijk zich uitstrekte van de Elbe tot aan de Pyreneën; en dergelijke grootsche figuren zullen door alle eeuwen heen uitbarstingen van hulde en vereering op hun weg ontmoeten, omdat de mensch nu eenmaal niet laten kàn zich diep te buigen voor grootheid en faam.

Onmenschkundig, kleinzielig zou het dus wezen de bevolking in Holland van die huldebetuigingen een verwijt te maken of onloochenbare feiten te willen verbloemen, alsof ze een schande waren. Toch is dit ten opzichte van Napoleons bezoek zelfs door schrijvers van naam in Nederland vaak genoeg geschied.

Na Texel en de havenwerken aan den Helder te hebben bezocht, overal bevelen gevende, alles zelf willende zien, door zijn juisten blik en zijn afdoend ingrijpen, waar hij fouten ontdekte als altoos en overal weder een raadsel voor allen, die hem vergezelden, ging hij ook Zaandam en het huisje van Czaar Peter bezichtigen.

“Die man had wel wat beters kunnen doen dan hier zijn handen te komen vuil maken met timmeren,” vond hij. Zaandams zindelijk voorkomen trok hem meer aan dan die bouwvallige keet.—Over Wezel, dat hij tot een tweede Straatsburg wilde maken, en Keulen keerde hij naar Frankrijk terug.

In de gewesten, waar Fransche troepen stonden, doch vooral langs de oevers van de Oostzee tusschen Hamburg en de Weichsel, zoomede te Dantzig, heerschte inmiddels reeds maanden lang een rustelooze bedrijvigheid. Derwaarts togen te voet en per scheepsgelegenheid duizenden jonge mannen van verschillende natiën, die vroeger gedeserteerd of aan de conscriptie ontloopen waren, om onder Davousts gestrenge vuist gekleed, gewapend en gedrild te worden. Derwaarts werden honderdduizenden hectoliters graan, reusachtige voorraden wijn, kleedingstukken, munitie en andere krijgsbehoeften gezonden, voldoende om een macht van circa 500.000 krijgers voor geruimen tijd van al het benoodigde te voorzien. Derwaarts togen langzamerhand gansche korpsen, in onderafdeelingen gesplitst, uit Frankrijk, uit Spanje, uit Italië en Duitschland, met kleine dagmarschen, om eerst langs de Oder en later langs oevers van de Weichsel te worden opgesteld. Duizenden paarden werden aangekocht, honderden lichte voertuigen aangemaakt, pontontreinen samengesteld, in één woord al de voorbereidingsmaatregelen getroffen om een leger, zoo groot als zich nog nooit te voren op één oorlogsterrein had bewogen, zonder te groote vermoeienis en zonder veel opzien te baren, over een breed front, van Warschau tot Koningsbergen, geleidelijk naar Ruslands grenzen te voeren.

Het plan om Rusland te beoorlogen stond reeds lang bij Napoleon vast. In Augustus 1811, op zijn geboortedag, was dit uit een gesprek met den Russischen gezant te Parijs voor een ieder, die hem kende en die bij dat gesprek tegenwoordig was geweest, duidelijk gebleken. Alleen was de tijd voor de uitvoering nog niet gekomen, omdat het jaar 1811 misgewas had gebracht. Deze omstandigheid, de voeding en verpleging van duizenden menschen en paarden op een betrekkelijk kleine ruimte en de hiertoe vereischte maatregelen maakten het dus een gebiedenden eisch, den veldtocht niet te openen vóór den zomer van 1812, dus als het koren op het veld stond en de moerassige terreinen, ten oosten van de Weichsel in Polen en Volhynië opgedroogd en begaanbaar geworden waren. Tot zoolang moest de tegenpartij dus misleid en aan de praat gehouden worden.

Aan ernstige pogingen om den Keizer op zijn voornemen te doen terugkeeren ontbrak het in die dagen volstrekt niet. Zijn halsstarrig vasthouden aan het idee, dat eenmaal Rusland gedwongen het continentaal stelsel krachtig ten uitvoer te leggen, hij hiermede Engeland den doodsteek zou hebben toegebracht en gepaard aan zijn hartstochtelijke begeerte Alexander te doen bukken voor zijn wil was oorzaak, dat al deze pogingen schipbreuk leden.

Doof bleef hij voor de vertoogen van de Cambacérès en voor die van Talleyrand, al was deze geen minister meer, doof voor de woorden van de Caulaincourt, dien hij reeds in Mei 1811 uit Petersburg had teruggeroepen en vervangen door den eerlijken generaal Lauriston. Tevergeefs schreef deze hem, dat keizer Alexander geen oorlog wilde en zich alleen wapende, omdat zijn eigen geweldige krijgstoerustingen in Polen en Pruisen hem hiertoe dwongen. Letterlijk door een boozen geest gedreven, daarbij beheerscht door een soort van grootheidswaanzin, bleef hij onverzettelijk. In 1805 en in 1807 had hij Rusland geslagen doch niet onderworpen; thans zou hij het genade doen vragen.

Van al de ellende en de tranen, die het jaar 1812 brengen zou, droeg het verderfelijke, alle welvaart, allen voorspoed doodende Continentale Stelsel dus ten slotte grootendeels de schuld. Napoleon verkoos dit stelsel te doen zegevieren. Alexander verkoos niet voor hem te bukken. Oorlog moest hiervan het gevolg zijn.

Napoleon had zijn militaire maatregelen voor den veldtocht genomen; om zijn topografisch bureau de gegevens voor een goede kaart van het oorlogsterrein te bezorgen, had hij zelfs de koperen platen weten machtig te worden, waarop die voor de Russische staven waren gegraveerd; wel een bewijs hoe in Rusland ook toen reeds letterlijk alles voor geld te koop was.

Eindelijk had hij zich reeds in het begin van 1812 door een verbond met Oostenrijk en met Pruisen zoo sterk mogelijk gemaakt. Bevreemding mag het wekken, dat hij niet tegelijkertijd een of- en defensief verbond sloot met Turkije. Reeds geruimen tijd was de Groote Heer met Rusland in oorlog en eerst kort te voren had een wapenstilstand aan het bloedvergieten tijdelijk een einde gemaakt; doch mogelijk achtte hij zich reeds sterk genoeg. Een poging door hem nog in Mei gedaan om met de Porte tot een verbond te geraken bleef zonder resultaat.

Voor de groote bezwaren, aan een veldtocht tegen Rusland verbonden, was de Keizer inmiddels volstrekt niet blind; voortdurend trachtte hij zijn kennis betreffende dit land, zijn ligging, hulpbronnen, grondgesteldheid en bewoners te vermeerderen. Vooral hechtte hij groote waarde aan de inlichtingen, hem verstrekt door den luitenant-kolonel de Pouthon, een even bekwaam als bescheiden man, die na den vrede van Tilsit op uitnoodiging van keizer Alexander zelf eenige jaren bij het Russische leger had gediend.

Onomwonden wees deze hoofdofficier hem op de gevaren, welke een leger ginds dreigden door de daar heerschende schaarste aan levensmiddelen en fourage, de onafzienbare, zoo goed als onbewoonde landstreken, die moesten gepasseerd, den staat van doffe onverschilligheid waarin de bevolking van Litthauen onder het juk der Russen was verzonken, het gloeiende fanatisme der Moskovieten zelven en op de volslagen onmogelijkheid om zoodra de winter inviel, met een leger het veld te houden. Zooveel ernstige moeilijkheden, zooveel te overwinnen hinderpalen!—Verscheiden dagen lang bleef de Keizer in gepeins verzonken. Enkelen uit zijn omgeving meenden reeds, dat de Caulincourt het pleit had gewonnen; dat de veldtocht in elk geval zou worden uitgesteld. IJdele hoop!

De vleitaal van mannen als Maret behaalde ten slotte de zege over de stem van het gezonde verstand.

Den 9en Mei vertrok de Keizer met zijn gemalin en kwam den 17en te Dresden. Hier had hij al de vorsten van het Rijnverbond en ook den keizer van Oostenrijk, die zijn dochter sinds haar huwelijk niet wedergezien had, tot een bijeenkomst samengeroepen. Zelfs Frederik Wilhelm had voor deze uitnoodiging niet durven bedanken.

Napoleon had daar zijn Salon van Koningen, misschien wel met de geheime gedachte, dat de berichten over zulk een reusachtig bondgenootschap Alexander ten slotte tot nadenken en toegeven zouden stemmen.

Hiervan was echter geen sprake. Alexander was herhaaldelijk diep gegriefd en—Rus van geboorte.

Wanneer wij hierbij voegen, dat de Russische adel toch reeds in hooge mate ontstemd was door zijn vroegere vriendschappelijke houding tegenover Napoleon en door zijn aanvankelijk medegaan met de beginselen van het Continentale stelsel, waardoor hun de gelegenheid werd afgesneden de producten hunner landgoederen af te zetten in den vreemde; wanneer wij tevens in aanmerking nemen, dat hij hierdoor kans liep te eeniger tijd het lot van zijn vader Paul I te deelen, eindelijk, dat de invloed van Engeland zich te St. Petersburg weder deed gelden, dan is zijn houding zeer goed begrijpelijk.

“Den oorlog wensch ik niet; word ik niettemin er toe gedwongen, dan zal ik hem voeren tot het uiterste,” had hij vroeger reeds bij herhaling eerst aan de Caulaincourt, daarop aan Lauriston te verstaan gegeven. Zijn ukase van 15 Januari 1811 betreffende den invoer van Fransche en Duitsche goederen en de toelating van schepen onder Amerikaansche vlag in zijn havens, had reeds bewezen, dat óók hij een wil had.—Tegenover Frankrijks krijgstoerustingen had hij evenmin stilgezeten.

Dat hij het van Napoleon winnen en den Niemen overtrekken zou, voordat de eerste met zijn krijgstoerustingen gereed was, behoefde echter niemand te vreezen. Hoewel enkele personen uit zijn omgeving hem hiertoe trachtten te bewegen, bleef hij onverzettelijk bij zijn eenmaal uitgesproken voornemen om zelf geen enkele vijandelijke daad te plegen maar achter de grensrivier, den Niemen, te blijven en hier af te wachten wat zijn tegenpartij zou doen.

Napoleon en zijn zoon.

Napoleon en zijn zoon.

Omtrent de voornemens van Napoleon maakte Alexander zich, reeds sinds de maand Maart was ingetreden, weinig of geen illusies meer. Toen had deze namelijk den kolonel van Czernicheff, een Russisch edelman, die reeds herhaalde malen met kiesche zendingen tusschen Parijs en St. Petersburg was belast geweest, bij zich zien verschijnen met een brief van Napoleon zelf.

Dit schrijven was vredelievend genoeg gesteld, maar ’t geen de kolonel in Frankrijk zelf en op zijn reis door Duitschland met eigen oogen had gezien, n.l. die reusachtige troepenverplaatsingen naar het oosten, was met den inhoud van den brief in tegenspraak. Bovendien had Czernicheff zich voor grof geld uit de Fransche bureaux van oorlog de sterktestaten der reeds op marsch zijnde troepenafdeelingen weten te verschaffen; deze hieven allen twijfel op.

Nu het niet langer een geheim voor hem was, wat er ten westen van den Niemen broeide, had Alexander in ’t begin van April onderhandelingen met Engeland over een of- en defensief verbond geopend. Met Bernadotte eveneens. Aan Turkije had hij voorstellen gedaan om vrede te sluiten, en den 21en April was hij ten slotte naar zijn leger vertrokken, dat onder Barclay de Tolly om en bij Wilna was samengetrokken, alleen om den wensch van het volk te bevredigen en te voorkomen dat zijn onderbevelhebbers overgingen tot daden, die het uitbreken der vijandelijkheden terstond tengevolge zouden hebben gehad. Nog altoos hoopte hij op een bevredigende oplossing.

Lauriston had hij naar Wilna niet medegenomen, doch hem te St. Petersburg achtergelaten. Aan den heer de Narbonne, die in 1809 gouverneur was geweest van Raab, en die hem in de laatste dagen van April door Napoleon was toegezonden om hem betreffende zijn plannen te polsen, gaf hij in zijn hoofdkwartier te Wilna te verstaan, dat hij vrede wilde, doch dat Napoleon Pruisen dan moest ontruimen en niet langer aandringen op de gestrenge handhaving van het Continentale Stelsel.—In elk geval zouden de vijandelijkheden niet door hem worden begonnen.

Juist om deze laatste verzekering was het Napoleon voornamelijk te doen geweest. Hij had tijd gewonnen, rustig kon hij nu met zijn toebereidselen voortgaan en zijn macht langzaam verder naar den Niemen vooruitschuiven, tot de 22e Juni was bereikt.

Den 29en Mei begaf hij zich eveneens naar zijn leger en nam zijn reis daarbij over Mariënburg, Thorn en Dantzig, niet over Warschau, zooals de Polen hadden gehoopt.

Maria Louise bleef haar vader, die met haar stiefmoeder naar de baden te Töplitz zou gaan, nog eenige dagen gezelschap houden, schonk aan beiden de overtuiging, dat zij zich in haar nieuwen toestand gelukkig gevoelde, dat zij veel van haar man hield en dat deze zeer lief voor haar was, en keerde over Praag terug naar Parijs.

Te Mariënburg vond Napoleon Davoust. Onderweg had hij kunnen zien hoe geducht vooral de Wurtemburgers en de Pruisen in de door hen gepasseerde landstreken hadden huis gehouden en geroofd.—Hij had Davoust in de laatste twee jaar niet ontmoet en had tevreden kunnen zijn over de wijze, waarop deze zijn reusachtige taak had volbracht. De weinig spraakzame, doch eerlijke en zeer gestrenge maarschalk toch had niet alleen zijn eigen legerkorps, het 1e uitmuntend uitgerust;—ieder man droeg b.v. drie paar schoenen en levensmiddelen voor tien dagen bij zich—maar ook de geweldige massa materieel bijeengebracht, noodig voor een leger van 500.000 man, benevens 1800 vuurmonden met hun geheele uitrusting voor twee veldtochten, zes veldbruggentreinen, twee artilleriebelegeringsparken en een groot geniepark. Dan had hij te Dantzig, te Elbing en te Braunsberg kolossale magazijnen doen aanleggen en alle maatregelen getroffen om een deel van den benoodigden voorraad, als meel en buskruit, per scheepsgelegenheid over de Pregel en den Niemen naar Rusland te vervoeren.

Toch was Napoleon niet tevreden; hij was zelfs koel en onvriendelijk. In de breede strook grondgebied van Hamburg tot aan de Weichsel, waarover de maarschalk maanden lang het beheer had gevoerd, had hij diens lof op verschillende plaatsen hooren verkondigen. Daarbij liep het gerucht, dat de Polen bij een mogelijk herstel hunner onafhankelijkheid aan hem hadden gedacht als aan hun aanstaanden koning. Dit hinderde den Keizer en Berthier, jaloersch op de groote krijgskundige bekwaamheden en het organiseerende talent van zijn krijgsmakker, die niet vergeten was, wat er in 1809 bij Regensburg tusschen hen was voorgevallen en welken flater hij toen zelf had gemaakt, wees daarbij op de eigenmachtige manier, waarop Davoust enkele wijzigingen had gebracht in bevelen, die niet strookten met den toestand ter plaatse.

Napoleon was dus ontstemd.—Wat dachten die maarschalken dat ze allemaal koning konden worden? In Portugal had de bevolking aan Soult een kroon willen geven. In Zweden was Bernadotte reeds kroonprins. Deze had het gewaagd hem zijn bemiddeling in de quaeste met Rusland aan te bieden, en hem zelfs bij geheime nota aan Bassano voor te slaan zijn bondgenoot te worden, als hij 20 millioen kronen en Noorwegen kreeg. Noorwegen nog wel, dat toebehoorde aan Denemarken, Frankrijks getrouwsten bondgenoot!

Een eerlijk verdiende tevredenheidsbetuiging ontving Davoust dus niet; maar geen vleier of salonheld, daarbij Napoleons lichtgeraaktheid van oudsher kennende, trok hij zich dit zeer weinig aan. Hij ging op marsch naar Koningsbergen naar zijn korps, het sterkste en stellig het best gedisciplineerde van de geheele armee, circa 73.000 man.

Te Dantzig vond Napoleon zijn zwager Murat, dien hij uit Napels had ontboden om de cavalerie te commandeeren. Murat was boos, omdat hij het lot van Jérome gedeeld en evenals deze bevel ontvangen had niet te Dresden te verschijnen.

In gezelschap van de Caulaincourt, Berthier, Duroc en Rapp bleef de Keizer eenige dagen te Dantzig. Hier moest hij van Rapp onbewimpeld hooren, dat zeer velen den aanstaanden veldtocht in hooge mate afkeurden; doch hij stoorde er zich niet aan en antwoordde, “dat de heeren oud begonnen te worden en dat zij tegenwoordig te veel op hun gemak waren gesteld.” Een dag of wat later verklaarde hij Rusland onder een gezocht voorwendsel van vormen en etiquette den oorlog en stond den 23en Juni met 325.000 soldaten, in 10 korpsen verdeeld, in eerste linie, en 200.000 op afstanden daarachter tusschen Tilsit en Warschau, op den linkeroever van den Niemen. De macht onder zijn bevelen om en bij Kowno bedroeg circa 200.000 man. Zelf verkende hij met generaal Haxo de plaats, die deze laatste voor den bouw van drie bruggen het geschiktste had geoordeeld en liet daarna met dezen arbeid aanvangen.

Dienzelfden avond nog bij heerlijk zomerweder begon o.a. bij Poniémon de overtocht, het korps van Davoust aan het hoofd. Weerstand werd nergens geboden; slechts enkele kozakken werden gezien. Drie dagen vorderde deze rivierovergang. Toen stonden ruim 400.000 krijgers op Russisch grondgebied.

Welke terreinen zouden deze nu hebben te doorschrijden?

De onafzienbare vlakten tusschen de Oost- en de Zwarte Zee worden ten oosten van de Weichsel doorsneden door de Pregel, den Niemen en de Duna of Dwina, die naar het westen, en door den Dniester en den Dnieper, die naar het oosten stroomen. Hoe meer men de bronnen der eerstgenoemde rivieren nadert, hoe schraler en zandiger de bodem wordt. De bewoners zijn er dun gezaaid en arm, wonen in meestal ver uiteengelegen dorpen, zijn ruw en onbeschaafd, en worden door de talrijke daar verblijf houdende joden totaal uitgezogen. Moerassige terreinen en dichte, zware bosschen wisselen elkander af. Men bevindt zich daar in ’t hartje van het oude Polen en van Litthauen. Lange reeksen breede zeer primitieve bruggen voeren door de moerassen en over de rivieren. De wegen zijn gemaakt van fascines en knuppelhout, ruw en ongelijk, hier smal, daar breed, al naar gelang de bodem het toelaat, doch voor groote troepenmassa’s vooral bij slecht weder moeilijk begaanbaar.

Tusschen de bronnen van de Duna en die van den Dnieper, een afstand van circa 20 uur gaans tusschen Witebsk en Smolensk dus, heeft de natuur een toegang, een soort van reusachtig defilé gevormd, dat men de Poort van het Oosten zou kunnen noemen. Daar ligt de grens tusschen Oud-Polen en Rusland. Daar kan het water ook beter afvloeien dan in de meer westelijk gelegen slechts hier en daar flauw glooiende terreinen. De bosschen verdwijnen De reusachtige, droge vlakten van Oud-Rusland met Moskou, de Heilige Stad er middenin, nemen hier een aanvang.

Dat hij tusschen de bronnen van de Duna en van den Dnieper door moest had Napoleon terstond ingezien. Van de vier wegen naar het oosten koos hij voor zijn hoofdmacht een der twee middelste n. l. die, welke van Kowno over Wilna naar Witebsk en verder over Wiasma en Borodino naar Moskou leidde. De andere middenweg, die over Grodno, Minsk, Borissow en Smolensk, was veel korter doch liep voor een groot deel vlak langs het reusachtige moeras van Pinsk. Daarbij voerde de eerste recht op het Russische hoofdkwartier, op Wilna aan.

Hij had zijn doel bereikt; hij stond thans aan de westelijke grens van een vlak laag land, dat weinig drinkbaar water bevatte en slechts hier en daar, o.a. ten Westen van Wilna en ten oosten van Smolensk aan de Wob, heuvelachtig was; en Alexander was hem niet vóór geweest.—Behalve het leger, dat bij Kowno was overgegaan met Eugène’s macht bij Rastenburg hierachter, had hij Macdonald met zijn Duitsche en Poolsche regimenten, benevens een Pruisisch hulpkorps onder Yorck bij Tilsit verzameld, gereed om op Riga en Koerland los te gaan. Bij Warschau had zijn broeder Jérome drie korpsen, onder Poniatowski, Reynier, en van Damme, benevens een cavaleriekorps onder zijn commando; nog verder zuidelijk en komende van Lemberg rukte het Oostenrijksche hulpleger van Schwartzenberg, circa 33.000 man sterk, op in de richting van Lublin.

Van de tegenpartij was bekend, dat deze een macht van circa 130.000 man onder Barclay de Tolly, met Wittgenstein als commandant van den rechtervleugel, in een lange lijn in de omstreken van Wilna had bijeengetrokken; dat generaal Bagration met circa 50.000 man zich ten zuiden van Grodno, ongeveer bij Mir, bevond. Dat deze met Barclay’s linkervleugel reeds voeling had gekregen, wist Napoleon echter evenmin, als dat een reserve-leger van 43.000 man onder Tormassof Bagration daar in de laatste dagen had vervangen, en dat deze reeds naar het noordoosten op marsch was om zich met Barclay te vereenigen.—Napoleon zocht dezen nog tusschen Brzesc of Brest Litewsky (ten oosten van Warschau) en Grodno en meende, dat hij naar Wilna wilde rukken om hier bij de hoofdmacht aan te sluiten.

Deze dunne lange linie wilde hij in ’t midden doorbreken. Met Davoust, Oudinot, Ney en de garde, benevens twee cavaleriekorpsen onder Murat als voorhoede, zou hij tegen Wilna oprukken. Eugène mocht met twee korpsen en de cavalerie van Grouchy rechts achterwaarts van hem als tweede linie volgen. Nog meer rechts achterwaarts zou Jérome van Warschau uit op Grodno aanrukken. Zooals de Keizer het uitdrukte, “maakte hij dus een beweging met den linkervleugel voor, terwijl hij zijn rechter voortdurend terughield.”

Rukte Bagration op tegen Warschau, dan moest Jérome daar en achter de Narew blijven staan en de Russen bezighouden, tot Eugène deze in de flank en hij zelf uit Wilna hen in den rug kon grijpen, om hen totaal van den terugtochtsweg af te snijden.

Bagrations leger vernietigen was dus zijn eerste doel.

Een “prachtig plan” is het door deskundigen genoemd. De uitvoering is echter zoo goed als achterwege gebleven. Barclay, veel te zwak om aan die overmacht weerstand te bieden, liet Wilna los en ging zonder vechten terug in de richting van de Duna en van een versterkt kamp aan die rivier bij Drissa.—Bagration ontving order zich ongeveer in diezelfde richting te bewegen.

Na een vierdaagschen marsch werd door de Franschen Wilna bereikt Wat de tegenpartij uitvoerde was hun nog lang niet duidelijk geworden.

Terwijl Oudinot, die reeds van Kowno uit den weg naar het noordoosten, naar Dunaburg was ingeslagen, nu onder kleine gevechten met Wittgenstein verder naar de Duna trachtte door te dringen, ging Davoust van Wilna op marsch in de richting van Smorgoni, en Murat eveneens in de richting van Dunaburg en van Grubokoje om te verkennen.

Nu merkte Davoust, dat de troepen, die men aanvankelijk had aangezien voor afdeelingen van Bagration, slechts linkervleugeltroepen waren van den teruggaanden Barclay.—Stellig rekenende, dat Jérome, die door Napoleon met geforceerde marschen naar Grodno was gezonden, Bagration achterna, aan deze order had voldaan en de Russen dicht op de hielen zat, hield Davoust den 3en Juli dus halt bij Ochmiana ten westen van Smorgoni, om Bagration, als deze naderde, in de linkerflank te vallen. Maar in weerwil van de booze brieven van zijn keizerlijken broeder, had Jérome Bagration niet achterna gezet en was te Grodno gebleven. De Hessen en de troepen van Westfalen, niet gewoon in een schier tropische hitte langs zware, schaduwlooze zandwegen bijna zonder drinken dagen achtereen snel te marcheeren, konden voorloopig niet verder. Jérome’s macht telde reeds eenige duizenden achterblijvers; van de paarden lagen er honderden uitgeput, van dorst gestorven langs den weg.

Wel rukte Davoust, versterkt door een divisie der garde, nu naar Minsk in de hoop Bagration, die blijkbaar zuidwaarts uitweek, nog voor te komen aan den Dnieper; wel ging Jérome na een paar dagen rust weder op marsch, doch reeds was Bagration niet meer te vangen. Den 14en Juli marcheerde deze naar Bobruisk aan de Berezina, in de hoop van hier Smolensk te bereiken en de hoofdmacht aan de Dwina langs dezen omweg te naderen.

Davoust doorzag dit plan geheel en trachtte het door een geforceerden marsch naar Mohilew te doen mislukken. Werkelijk stiet Bagration den 23en hier op hem, doch aangezien Davoust aanvankelijk slechts één divisie ter plaatse had, kon hij den Rus niet beletten na een kort doch scherp gevecht nogmaals uit te wijken naar het oosten, zich aan een vervolging te onttrekken en ten slotte Smolensk toch te bereiken. Jérome had van Napoleon terecht moeten hooren, dat hij door zijn werkloos staan blijven te Grodno den vijand had gered, hij had het legerbevel moeten overdragen aan Davoust, en was hierover zoo ontstemd, dat hij ook zijn eigen commando neerlegde. Napoleon deed hem het leger verlaten en naar Kassel terugkeeren.—Voor Jérome kwam Junot als korpscommandant in de plaats, geen gelukkige ruil.—Aan den ongunstigen loop, dien de zaken bij zijn rechtervleugel hadden genomen, had de Keizer o. i. echter zelf de meeste schuld.—Hij had zijn jongen onervaren broeder op het oorlogsveld doen gaan vóór een beproefden generaal als Davoust, en een dergelijke onhandige zet straft zich bijna altoos zelf. Terwijl hij de zaken bij Jérome zag misloopen, was hij zelf te Wilna gebleven, had den eenen boozen brief na den anderen geschreven, maar had bij Grodno niet zelf de opperste leiding in handen genomen, terwijl zijn tegenwoordigheid in die dagen te Wilna—hij bleef er tot den 16en—niet dringend noodig was.—Thans was het eerste doel van den veldtocht volkomen gemist. Bagration kon zijn troepen over den Dnieper brengen. Tegelijkertijd kwam een nieuw gevaar opzetten n.l. Tormassof met zijn reserveleger. Uit het zuiden rukte hij voorwaarts om den terugtochtsweg van het Fransche leger te bedreigen, zoodat aan Reynier moest worden opgedragen, (11 Juli), met Schwartzenberg tegen dezen nieuwen vijand front te maken.

Reeds in 1812 was Napoleon niet meer de broodmagere generaal Bonaparte van 1796 of de Keizer van 1805, de man, die altoos overal zelf kwam, waar het spande. Hij begon dik en pafferig te worden; daarbij kwamen lichte blaasaandoeningen, die hem hinderden bij ’t rijden; voorts leed ook hij te Wilna geducht van de ontzettende hitte, die menschen en paarden amechtig deed neervallen, en die evenals vroeger in Egypte verscheiden soldaten tot zelfmoord bracht.

Ook was hij te Wilna niet gelukkig in de keuze der personen, die hij hier met het beheer der zaken belast had. Maret, de hertog van Bassano, tevens minister van Buitenlandsche Zaken, voor de civiele zaken bestemd, was een vleier en een hoveling doch geen man van groote bekwaamheid en werkkracht; generaal van Hogendorp, aan wien de leiding der militaire aangelegenheden was opgedragen, miste voldoende talen- en militaire kennis voor zijn zware taak, en—in de hoofdplaats van Litthauen viel reusachtig veel te doen. Magazijnen moesten aangelegd, broodbakkerijen en ovens gebouwd, logies voor de doortrekkende aanvullingstroepen gezocht worden; daar moest in één woord voorzien worden in tal van zaken, noodig voor de aanvulling van het leger en zijn verplegingsmiddelen. Een man als Davoust zou daar op zijn plaats zijn geweest. Een werkkring voor den Keizer, die alleen hoofdzaken regelde, was daar niet.

Dan vond Napoleon weinig steun meer bij den Poolschen adel. Deze had gewild, dat hij bij zijn komst gansch Polenland officieel vrij verklaard en weder tot een koninkrijk verheven had; dan zouden al de provinciën in opstand zijn gekomen, en zou een leger van 300.000 man terstond tot zijn beschikking geweest zijn. Een oorlog met Pruisen en met Oostenrijk, die deelen van Polen in bezit hadden, zou hiervan het gevolg zijn geweest; hij had die driftige heeren dus een ontwijkend antwoord gegeven.

Wel hadden eenige heethoofden nu weten te bewerken, dat er te Warschau een zoogenaamde Nationale Rijksdag bijeenkwam, die het herstel der onafhankelijkheid van het voormalige koninkrijk Polen afkondigde; doch zelfs deze zeer ondoordachte handeling bracht in zijn inzichten geen verandering.

Terstond daarop verminderde de geestdrift voor hem. Onder den adel te Wilna waren nauwelijks twintig jongelieden te vinden om als gardes d’honneur bij hem dienst te doen; aan de Fransche troepen op hun doortocht werden nu vaak zelfs de eenvoudigste levensbehoeften geweigerd.—Niema panie (er is niets) werd zelfs een stopwoord bij de soldaten.

Reeds in de eerste dagen deed Napoleon de ervaring op van ’t geen zijn krijgers op dit oorlogstooneel te wachten stond. In het begin van Juli kon Ney, naar de Duna op marsch, zijn artillerie niet meer vooruitkrijgen; de paarden vielen dood voor de stukken. Men begon ossen voor de caissons te spannen.—Vooral de cavalerie leed ontzettend. Een paar dagen slecht weder, een paar bivaknachten op den doorweekten bodem, gepaard aan slecht drinkwater, onvoldoend en meestal groen voeder zonder haver, deed het verlies aan paarden weldra stijgen tot duizenden stuks. Voegt daarbij, dat Murat zijn cavalerie op onverantwoordelijke wijze misbruikte; dat gansche escadrons vaak een vol etmaal opgezadeld en opgestangd bleven staan; dat de meeste dieren jong waren en reeds geduchte marschen door half Europa achter den rug hadden, dan zal het niemand verbazen, dat het verlies van paarden weldra steeg tot een angstwekkende hoogte, vooral toen de wegen door het gebruik weldra zoo slecht werden, dat zelfs lichte voertuigen met fourage niet meer konden volgen. Bij de troepen onder Jérome, die bij Grodno reeds dagelijks horden kozakken van Platof voor zich hadden en overal afschuwelijke wegen vonden, slonken de bespanningen toen reeds letterlijk zienderoogen weg. En de soldaten zelf?—Vooral bij de Duitsche, de Hollandsche en de Italiaansche regimenten was het aantal achterblijvers en maraudeurs weldra zeer groot. De verzengende hitte, de overgroote vermoeienis, het onvoldoende voedsel en het ellendige drinkwater waren de oorzaak. Alleen bij de Fransche regimenten zag men minder achterblijvers; bij de garde aanvankelijk in ’t geheel niet; maar deze volgde de hoofdwegen; in haar onderhoud werd steeds in de eerste plaats voorzien. Zoodoende hoorde Napoleon weinig of geen klachten.

De omsingeling van Bagration mislukt, besloot hij Barclay, die den 11en Juli de Duna had bereikt, te lijf te gaan. Terwijl Oudinot en Murat hem in front bezighielden, zou Eugène met zijn korpsen hem uit de richting van Witebsk in de flank grijpen, naar ’t noorden dringen en den weg naar Moskou zoodoende vrijmaken.—Barclay wachtte den stoot niet af. Hij wist, dat Bagration naar Smolensk rukte. In denzelfden nacht, dat de Keizer bij Witebsk zich gereed maakte hem aan te grijpen,—doch dit niet deed, omdat hij nog niet al zijn korpsen bij zich had aangetrokken—verliet hij zijn stellingen en toog over Poritsche naar Smolensk (27 Juli). Zelfs zijn spoor was niet weder te vinden.—“De fortuin is een vrouw; mist ge heden een ontmoeting met haar, morgen is zij verdwenen,” had Napoleon vroeger vaak tegen anderen gezegd. Deze waarheid scheen hij thans vergeten; bij Witebsk had hij de zoo lang en zoo vurig gewenschte kans om eindelijk eens een grooten, beslissenden slag te leveren laten voorbijgaan.—Alleen aan de Duna werd nu gevochten.

Zoo werd Polotzk den 18en Augustus door generaal Saint-Cyr, die Oudinot na zijn verwonding in ’t commando was opgevolgd, glansrijk genomen. De Keizer schonk dezen zeer kundigen doch zonderlingen en onhandelbaren man, die overal een viool met zich medevoerde, hiervoor den maarschalkstaf, doch grooten invloed op den loop van den veldtocht had die overwinning niet.—Ook Wittgenstein trok ten slotte terug, dieper Rusland in.

Te Witebsk gaf de Keizer zijn afgematte troepen een week rust. Reeds was zijn macht in eerste linie geslonken tot 129.000 man, verspreid over een lijn van 27 Duitsche mijlen, n.l. van Polotzk over Witebsk naar Mohilew. Bij de Beieren onder Wrede, ingedeeld bij het korps van Saint-Cyr, begon de geestkracht reeds te verdwijnen. Weldra zag men velen, door heimwee aangegrepen, naar de hospitalen te Polotzk wankelen om daar te vragen naar de sterfkamer. Hier strekten ze zich dan uit op het stroo om niet meer op te staan. Op die wijze smolten gansche bataljons weg, zoodat Wrede verplicht was de vaandels er van in zijn bagagewagen te bergen. Saint-Cyr in kwartier in het Jezuïetenklooster met een overdaad van wijn, bier, olie en meel in de kelders, speelde intusschen viool, duldde geen enkelen gekwetsten of zieken soldaat in het reusachtige gebouw,—hij wilde alleen zijn—deed niets om het moreel zijner mannen op te heffen en was ternauwernood te bewegen een paar flesschen wijn af te staan voor een gekwetsten hoofdofficier. Om zijn soldaten bekreunde hij zich nooit.

In de laatste dagen van Juli stond de hoofdmacht in de lijn Mohilew-Orscha-Witebsk-Polotzk.—Davoust was naar Orscha op marsch, waar Junot reeds was. Tormassof in Volhynië, ten noordoosten van de lijn Brest-Kobryn, werd nog door Schwartzenberg en Reynier in bedwang gehouden; voorloopig kon hij met zijn door Napoleon veel te gering geschatte macht niet noordwaarts dringen. Eenig succes van beteekenis was nog nergens door de Franschen verkregen.

Dat de Keizer een korten tijd zwanger zou hebben gegaan van het plan om in bovengenoemden lijn te blijven staan, hier de winterkwartieren te betrekken en den veldtocht in het volgende jaar voort te zetten, is door enkelen beweerd doch door niets bewezen; ook is het niet aannemelijk, dat de gedachte aan zulk een maatregel, hem meer dan enkele oogenblikken kan hebben beziggehouden. Door zulk een weifelend optreden zou hij aan zijn prestige tegenover Europa een geduchten knauw hebben gegeven.

Inmiddels werd door Schwartzenberg en Reynier in de omstreken van Gorodetschna en Kobrin met Tormassofs troepen herhaaldelijk geschermutseld, zonder dat ook hier een beslissing viel; Macdonald toog naar Dunaburg, dat nu door de Russen werd verlaten, terwijl York Riga berende.

Reeds had de Keizer alle toebereidselen doen maken om den 13en Augustus den marsch naar Smolensk te hervatten—dat Bagration zich hier met Barclay vereenigd had, was hem nu bekend—toen het rapport betreffende een scherp gevecht bij Inkowo, in de omstreken van Poritschje, waarbij Montbruns cavalerie was teruggeworpen, hem het bewijs kwam leveren, dat de tegenpartij tot het offensief was overgegaan.

Wat was het geval?—In de meening, dat het hem weinig moeite kosten zou de oogenschijnlijk dunne lijn van vijanden op een of ander punt te doorbreken, dus een succes te behalen en hierdoor de bevrediging te geven aan de oud-Russische partij, die hem, den buitenlander, zijn aanhoudend retireeren verweet en zijn vervanging reeds luide eischte, had Barclay de Tolly den 7en uit Smolensk een offensieve beweging ingeleid in noordwestelijke richting.

Terstond besloot de Keizer weder tot een van die gedurfde strategische zetten, welke wij bij Ulm, bij Jena, later nog bij Regensburg van hem zagen. Davoust ontving bevel bij Rassasna vier bruggen over den Dnieper te doen slaan; en terwijl Barclay letterlijk een luchtstoot deed en zoo goed als geen vijand tegenover zich vond, trok de Keizer, gedekt door het woud van Bieski met zijn gansche hoofdmacht over den Dnieper, om Barclay’s linkervleugel heen naar Smolensk en stond hier een vol etmaal, voordat de Russische hoofdmacht deze door slechts één divisie van Bagration verdedigde, half in puin liggende plaats, had kunnen bereiken.

Den 17en wordt Smolensk, de Heilige Stad, met haar eeuwenoude, meters dikke muren met alle kracht aangegrepen. Geweldig is de worsteling; de Russen, verreweg de minderheid en eerst later door een deel van Bagrations overige divisiën versterkt, vechten als leeuwen om het behoud hunner stad.—Dat ’s Keizers plan Barclay af te snijden van zijn terugtochtsweg en hem naar het noorden terug te werpen niet is gelukt; dat er om Smolensk bijna vier en twintig uur onafgebroken is gekampt; dat Barclay ten slotte in den nacht ongedeerd in de richting van Moskou is kunnen aftrekken, is alleen het gevolg geweest van de weergalooze taaiheid, waarmede Bagrations soldaten, door rijkelijke uitdeelingen van brandewijn nog meer aangevuurd, de verdediging hebben gevoerd o.a. van een circa zes meter dikken baksteenen muur, met een droge gracht en een bedekten weg er voor, die dwars door voorsteden heen de oude stad omsloot.

Eerst in den nacht van den 18en Augustus verliet de Russische achterhoede haar stellingen, nadat ze de voorsteden in brand gestoken en de eenige brug over den Dnieper vernield had. Ney, die onder gestadig vechten met de wijkende troepen vooruitdrong, vond niets dan een gloeienden puinhoop, benevens zeven duizend licht- en zwaargekwetsten, van welke laatsten honderden in die vuurzee den dood vonden.

Het woedende achterhoedegevecht bij Valoutina, dat op den val van Smolensk volgde en o. a. aan generaal Gudin het leven kostte, bewees opnieuw de verbittering der Russen. Was dit gevecht merkwaardig door de houding van Junot, die met zijn korps werkeloos bleef en, hoewel door Ney gewaarschuwd, geen voet verzette om zijn ernstig bedreigde wapenbroeders te ondersteunen, niet minder was dit door de omstandigheid, dat de noodige verbandmiddelen ontbraken en dat stroo, alsmede papier uit Smolensks archieven hiervoor moesten dienst doen.

Weder was het dus niet gekomen tot een slag, zoo beslissend als b. v. die van Friedland; weder was de vijand teruggegaan, gehavend, ja, doch niet overwonnen; weder had de fortuin zich van de Fransche wapenen afgekeerd. De Keizer was thans letterlijk wel gedwongen nog dieper het land binnen te dringen, naar Moskou, in de hoop hier eindelijk een beslissing te doen vallen.

Zwaar was de weg daarheen, geweldig de hitte, zeer onvoldoende de verpleging in die zoo goed als waterlooze, onafzienbare vlakten. Ontzettend was de ellende, geleden door mensch en dier. Soldaten zag men drinken uit het karspoor, waarin even te voren een paard had “gestald.” En dan de steden, die werden gepasseerd! Dorogobusch, Wiasma, Ghiat, ze waren allen grootendeels door de inwoners verlaten, half verbrand en in puinhoopen verkeerd.

Toch werd de marsch in breed front onafgebroken voortgezet, de vuurmonden en voertuigen in verscheiden gelederen naast elkaar op den breeden, met vier rijen boomen omzoomden weg; daarnaast in de vlakte de infanterie in divisiecolonne, drie gelederen diep, de cavalerie met escadrons in colonne op de vleugels er naast. Om den trein wat minder reusachtig te maken, beval de Keizer alle particuliere rij- en voertuigen te verbranden, maar dit bevel werd òf niet òf slecht opgevolgd.—Onder zulke omstandigheden naderde de dagelijks zwakker wordende hoofdmacht tegen den 5en September het dorp Borodino, aan den grooten weg naar Moskou.

De voorhoede had hier reeds een rij vooruitgeschoven veldwerken in de nabijheid van het dorp Schiwardino moeten nemen. Alles wees er op, dat het eindelijk zou komen tot een grooten slag.

Ongeveer in de lijn dezer werken begon de Fransche hoofdmacht zich in den morgen van den 7en in slagorde te scharen tegenover de dichte drommen des vijands, die achter de Kologha, een zijriviertje van de Moskowa, hadden stelling genomen, blijkbaar met het voornemen die tot het uiterste te verdedigen. Het legercommando was overgegaan in handen van den ouden, half-blinden maar nog altoos sluwen en vaderlandslievenden volbloed Rus Kutusof, ons van Austerlitz reeds bekend. Barclay de Tolly had moeten zwichten voor den drang der natie, die hem zijn aanhoudend retireeren doch vooral zijn loslaten van Smolensk, de Heilige Stad, niet kon vergeven en die hem bovendien zijn afkomst,—hij was een Koerlander—tot een verwijt maakte, zoo luidde het verhaal; en Kutusof had gezworen, dat Napoleon Moskou’s poorten alleen zou naderen over zijn lijk. Hiervoor was hij door Alexander vorstelijk beloond.

Een reeks van open veldwerken, van welke die van Gorki met tal van kanonnen bewapend de geweldigste was, bekroonde de rij heuvels, waarop hij stelling had genomen. Weldra zou blijken, dat hij hier zoo goed als alleen in front kon worden aangegrepen.

Hoofdstuk XXIII.

Bij Borodino. In Moskou.

In weerwil van een zware verkoudheid, welke hem het spreken bijna belette, zat Napoleon nog vóór half drie in den zadel om de vijandelijke stelling te verkennen. Den vorigen dag had hij het portret van zijn zoon ontvangen en dit, om ook zijn soldaten in de vreugde over dit geschenk van zijn vrouw te doen deelen, tegen den buitenwand zijner tent doen ophangen zoodat allen het konden komen bezichtigen. De geestdrift zijner mannen was hierdoor sterk toegenomen, het vooruitzicht eindelijk eens te kunnen afrekenen met dien gehaten, naar wodka riekenden vijand, die ze nog nooit hadden kunnen vastkrijgen en alleen door roof en brandstichting van zijn tegenwoordigheid had doen blijken, deed het overige!

Een salvo uit wel honderd stukken geschut zou het sein wezen tot den aanval. Tegelijkertijd zou Poniatowski tegen den linkervleugel oprukken en een deel van het korps Davoust tegen het centrum.

’t Is bijna zes uur. De dichte, natte nevel, die over het terrein ligt, begint op te trekken. De zon breekt door. Zal ’t die van Austerlitz wezen?

Napoleon gaat zitten op het buitentalud van een der veroverde schansen, eerst om drie uur in den namiddag zal hij die plaats verlaten.

Achter hem, gedekt door een veldwerk en een terreinplooi, staat de garde, zooals altoos op dagen van gevecht, in groot tenue. Die grognards, die reeds grijzende veteranen wachten uren lang, scherp lettende op al ’t geen op de heuvels vóór hen plaats grijpt. Wanneer zal ’t hun beurt worden? Daar dreunt het eerste salvo uit het kanon, doch voor hen geldt dit sein van den aanval nog niet.—Op dezen bloedigen dag zal de garde de beslissing niet brengen. Het commando “Voorwaarts!” zal voor haar niet weerklinken om met een “Vive l’ Empereur” te worden beantwoord. Meer nog dan vroeger zal zij daar, bij Borodino weder den naam verdienen van de “Onsterfelijke,” door de kameraden van de linieregimenten haar wel eens gekscherend gegeven, omdat zij zelden meer in ’t vuur werd gebracht, en de Keizer haar alleen bezigde in uiterste gevallen.—Trillende van krijgsvuur, het gelaat van enkelen door zenuwachtig ongeduld hoogrood gekleurd, moeten die mannen werkeloos toezien, terwijl de divisiën van Davoust en van Ney gindsche schansen vóór hen eerst nemen, dan door een tegenstoot onder gruwelijke verliezen worden teruggeworpen; zij moeten zien, dat ook de krijgers van Eugène tevergeefs stormloopen op het reuzenbolwerk van Gorki, dat geduchte telkens in vuur gehulde centrum des vijands. Een dreunend “Hoera!” ontsnapt aan hun stijf opeengeperste lippen, als Montbruns ruiters eindelijk, in razenden galop gansche afdeelingen infanterie onder den voet rijdende, het ongehoord stoute stuk bedrijven, langs de keel die schans binnenjagen en, eenmaal daar, onder een ontzettend handgemeen de artilleristen op hun eigen stukken beginnen neer te houwen.

Wel sneuvelt hierbij Montbrun zelf; wel slaat een drom van Russische escadrons zijn koene cavalerie onder zware verliezen de schans weder uit, maar de soldaten van Eugène hebben van de hun geschonken kans dapper partij getrokken en de groote schans omsingeld. Om drie uur valt ze in hun handen. Een groot lijkenveld is ze; de dooden en stervenden liggen hier en daar tot een halve manshoogte opgestapeld; daartusschen gewonde paarden, in hun doodstrijd hun eigen meesters de hersenen uit het hoofd slaande.

Op den linkervleugel blijft het pleit lang onbeslist. Toch treedt de garde niet op.—“Waarmede zou ik moeten kampen, als ik morgen werd aangevallen,” moet Napoleon geantwoord hebben op een verzoek, om de beslissing door de garde te doen geven. ’t Is bijna niet te gelooven.

Om vier uur steeg de Keizer te paard, reed naar het terrein, waarop Ney en Murat nog altoos streden, en keerde eerst tegen zeven uur terug.—“Anders dan gewoonlijk, was zijn gelaat hoogrood gekleurd, zijn haar in wanorde, hij zelf blijkbaar vermoeid,” schreef de Bausset, die het portret uit Parijs had overgebracht.

Na drieën waren beide partijen zoo uitgeput, dat het tot groote aanvallen niet meer kwam; de slag verliep in een gruwelijke, doellooze kanonnade, die wel gansche rijen krijgers, op een beperkte ruimte opeengehoopt, met één schot neervelde, en een der oorzaken is geweest van den ondergang der Fransche cavalerie op dien dag,—noodeloos bleef ze, urenlang aan het vijandelijke vuur blootgesteld;—en die eerst met het invallen van het duister een einde nam, doch geen beslissing bracht. Meer dan 28.000 doode en gekwetste Franschen, meer dan 40.000 Russische gevallenen bedekten toen het slagveld.

Evenals bij Smolensk had de Keizer ook hier bijna alleen in front aangevallen. Had hij ginds verzuimd een deel zijner macht den Dnieper te doen doorwaden om Bagration af te snijden van Moskou, hier had hij voor Poniatowski’s omvattende beweging een te zwakke macht gebezigd; een defensieve flank van enkele Russische regimenten had aan deze beweging van den Poolschen prins weldra paal en perk gesteld.

De strijd bleef dus onbeslist. Kutusof bivakkeerde op het slagveld en ging den volgenden morgen, gedekt door een sterke achterhoede, terug op Moshaisk. Murat volgde hem met het overschot der cavalerie.—De Keizer bleef dien dag nog bij Schiwardino.—“Hij scheen doodaf van vermoeienis. Van tijd tot tijd klemde hij de handen krampachtig om de knieën en hoorde ik hem steunend: “Moskou! Moskou!” zeggen, verhaalt zijn kamerdienaar Constant.

Langzaam bleef Kutusof teruggaan, trok den 14en ’s morgens door Moskou en sloeg den weg in naar Kolomna. De hoofdstad zou niet verdedigd, maar den vijand prijsgegeven worden!

Dit besluit had ten gevolge, dat duizenden inwoners haar in allerijl verlieten. In de voorsteden begonnen reeds rookzuilen op te stijgen.

Langzaam volgde Napoleon zijn vijand, gaf Berthier bevel om al de nog ver achterstaande infanterie en cavalerie naar Smolensk te dirigeeren o. a. ook maarschalk Victor, die aanvankelijk te Berlijn was achtergebleven, doch reeds den 4en September den Niemen eveneens gepasseerd was. Te Smolensk zou hij de kern eener legerreserve vormen en zoo naar Moskou rukken.

Inmiddels had Rusland reeds weken te voren met Turkije vrede gesloten; de hierdoor vrij gekomen troepen onder den admiraal Tschitchagow waren in de richting van Brest op marsch; den 20en September stonden hier 64.000 man. Voor het Fransche hoofdleger begon dus ernstig gevaar te dreigen in zijn rug. Of Schwartzenburg en Reynier sterk genoeg zouden zijn hieraan het hoofd te bieden?

In den avond van den 14en September verlieten de laatste Russische afdeelingen Moskou. Om een doelloos gevecht te vermijden was haar commandant met Sebastiani, die de Fransche voorhoede tijdelijk aanvoerde, overeengekomen, dat de ontruiming ongestoord zou plaats hebben en dat de Franschen eerst twee uur hierna van de stad bezit zouden nemen.

Vreugde en zelfvoldoening stonden op Napoleons gelaat te lezen, toen hij, staande op een heuveltop, de reuzenstad aan zijn voeten zag liggen. Terwijl zijn korpscommandanten in de omstreken een kantonnement of bivak betrokken, Poniatowski b.v. ten zuiden, Davoust en Ney ten westen er van,—Junot was te Moshaisk achtergebleven—zocht de garde haar weg naar het Kremlin, het eeuwenoude paleis der Czaren, een vesting op zichzelve; de Keizer koos zijn nachtkwartier in een der uiterste huizen van de voorstad Dorogomilow.

Op verschillende plaatsen in de stad brandde het toen reeds. Den volgenden morgen vroeg reed de Keizer naar het Kremlin. Geen plaatselijke autoriteiten heetten hem welkom of kwamen hem in ootmoedige houding de sleutels der stad aanbieden. De stad scheen uitgestorven; maar het aantal branden door bandieten en dergelijk gespuis aangestoken, nam gestadig toe, en de meerendeels houten huizen schonken het vuur rijkelijk voedsel. De in stilte op verschillende punten, in magazijnen en winkels opgestapelde lichtbrandbare stoffen en vaten met sterken drank deden het vuur weldra een ontzettenden omvang krijgen, zelfs het Kremlin begon gevaar te loopen. Reeds den 16en lag negen tiende der stad in asch. Napoleon was verplicht zijn verblijf te verlaten en buiten de stad op ’t kasteel Petrowski een nieuw onderkomen te zoeken.

Eerst den 18en, toen het vuur grootendeels door gebrek aan voedsel was uitgedoofd, honderden kerels en ontvluchte gevangenen, verdacht van brandstichting, waren opgeknoopt of doodgeschoten en hier en daar vaak nog slechts één enkel gespaard gebleven huis de richting aangaf, waarin eenmaal een lange straat had geloopen, keerde hij naar ’t Kremlin terug.

Dat de brand opzettelijk was aangestoken, leed geen twijfel. Beter dan Kutusof had graaf Rostopchin, Moskou’s gouverneur, zijn eed gehouden. Geen Moskou, een vlammenzee zouden de Franschen vinden, had hij gezworen; zelf had hij een fakkel geworpen in het slaapvertrek van ’t paleis, dat hij met zijn huisgezin jaren lang had bewoond en ontslagen gevangenen had hij tot zijn handlangers gemaakt. Zoover had zijn haat tegen Frankrijk den oud-Russischen edelman vervoerd!—Voor deze gewelddaad heeft de natie zich echter niet dankbaar betoond, integendeel. Door den Keizer verbannen, door zijn landgenooten veracht en verfoeid, is hij jaren later te Parijs in vergetelheid gestorven, nadat hij zijn goed recht tot die daad tevergeefs had trachten te bewijzen.

In en om Moskou begon de Fransche hoofdmacht, die na den slag bij Borodino,—door Napoleon slag aan de Moskowa geheeten—tot 95.000 krijgers in ’t gelid was weggesmolten, thans een weinig op haar verhaal te komen. In bijna alle paleizen en groote huizen, die aan het vuur weerstand hadden geboden, werden vaak zeer kunstig verborgen, voorraden meel, wijn, en specerijen gevonden. Goed beheerd, waren de levensmiddelen zeker meer dan voldoende geweest om zelfs een leger zoo groot als het Fransche voor een half jaar en langer van alles te voorzien;—zoo rekenden Daru, de kwartiermeester-generaal, en Larrey, de chef van den geneeskundigen dienst ten minste. Doch de roekeloosheid, waarmede met alles werd omgesprongen, was oorzaak, dat er voor millioenen waarde verloren ging. Stelselmatig werden de huizen uitgeplunderd; enkele soldaten maakten zelfs gemeene zaak met het gespuis, dat den brand had helpen verspreiden. Gedost in prachtige pelzen zelfs in damesmantels van dons en hermelijn kon men de mannen de eerste dagen langs de straten zien dolen. Een wacht van grenadiers der garde aan ’t Kremlin vond men in ’t bezit van een reusachtige vaas met confituren en van een stapel flesschen wijn. De commandant, een oude snorbaard, stond met een potlepel naast die vaas en noodigde ieder, die zijn post passeerde, uit van zijn confituren te proeven en een flesch te ledigen op het behaalde succes; zelfs officieren werden door de opgewonden, door langdurige ellende half verstompte mannen niet verschoond.

Hoe groot het bedrag is in die dagen aan goud, juweelen en kostbaarheden te Moskou geroofd, is niet te bepalen, maar reusachtig. Toch is geen duizendste deel ervan over de grenzen gekomen; bijna alles is in Rusland gebleven, onder de sneeuw en het ijs der wegen, verzwolgen door de diepe rivieren, die op den terugmarsch moesten worden gepasseerd, geroofd door de kozakken, die op hun ruige paardjes voortdurend als een vlucht hongerige gieren om de troepen zwierven en meedoogenloos iederen soldaat afmaakten, die het waagde zijn troep te verlaten of door uitputting neerviel.

Aan dien staat van bandeloosheid en tuchteloosheid te Moskou werd echter weldra een einde gemaakt. Orde en discipline keerden terug. Reusachtige voorraden wijn en levensmiddelen van allerlei aard, meel en pekelvleesch werden door de zorg der administratie en de korpscommandanten in ’t Kremlin of in magazijnen bijeengebracht; ook in het onderhoud der troepen werd ruimschoots voorzien. Om Europa den indruk te geven, dat in Rusland alles naar wensch ging, schonk Napoleon aan een te Moskou achtergebleven troep Fransche comedianten zelfs verlof voorstellingen te geven. De troep maakte goede zaken; de comedie werd door de soldaten druk bezocht.

De Keizer zelf kwam er geen enkele maal. In zijn hoofdkwartier, het Kremlin opgesloten, was zijn geest vervuld met andere dingen dan met gedachten aan vermaak of ontspanning. Zelfs bij Eylau en bij Essling had zijn vertrouwen op zijn gelukster hem niet begeven. Thans begon hij in te zien, dat deze veldtocht mogelijk zou eindigen in een ramp.

Reeds wist hij, dat hij de kracht van zijn strategisch kunnen had uitgeput; dat hij evenals in 1797 in de Alpen bij Leoben tegenover aartshertog Karel, en in 1805 vóór Austerlitz een grens had bereikt, die niet kon worden overschreden zonder gevaar voor vernietiging; dat hij niet bij machte was verder in Rusland door te dringen of tegen St. Petersburg op te rukken, omdat zijn leger hiertoe te veel had geleden. Toch ontwierp hij een plan in dien zin, want hij was aanvankelijk nog te koppig om met zijn onderbevelhebbers te beraadslagen, doch het werd door deze kort en bondig afgekeurd.—Vrede sluiten, in elk geval teruggaan naar Smolensk, liefst naar Wilna of Minsk, was in hun oog het eenige middel van behoud, want uit St. Petersburg kwam taal nog teeken, dat wees op eenig streven naar toenadering.

Moskou. 1812.

Moskou. 1812.

Dat de Keizer dus met beide handen een gelegenheid aangreep, om met den Czaar, al was ’t maar zijdelings, in betrekking te komen is verklaarbaar. Generaal Toutelmine, een eerwaardig grijsaard, gouverneur van het onder bescherming der keizerin staande vondelingshuis bood zich hiertoe aan. Verontwaardigd over Rostopchins schanddaad, erkentelijk voor de wijze, waarop men hem en zijn pleegkinderen had bejegend, verzocht hij den Keizer aan zijn beschermvrouw kennis te mogen geven van den toestand, waarin het gesticht verkeerde, en in zijn schrijven te mogen mededeelen hoe innig ook Napoleon die daad verfoeide en hoe gaarne hij een oplossing wenschte voor den tegenwoordigen toestand. Een zekere von Jakowleff, een volbloed-Rus, die den brand van Moskou had bijgewoond en van de ellende, door zijn landgenooten daar geleden, was getuige geweest, belastte zich met een eigenhandig schrijven van Napoleon aan Alexander. Hoffelijk doch hooghartig gesteld, was dit echter weinig geschikt om den diep gekrenkten Czaar, die weder geheel onder den invloed der oud-Russische partij was geraakt, welwillend te stemmen.

Inmiddels verdubbelde Napoleon de zorg voor zijn troepen, en deed ze, zooveel doenlijk in Moskou zelf onder dak brengen. Zelfs over de duizenden rampzaligen, Russen en vreemdelingen, die tijdens den brand in de stad waren gebleven en letterlijk aan alles gebrek leden, ontfermde hij zich en verschafte hun levensmiddelen en een verblijf, tot door Rusland in hun onderhoud zou worden voorzien. Voorts deed hij uit de omstreken tegen contante betaling, zooveel mogelijk slachtvee aanvoeren, en fourage voor de paarden, een hoofdvoorwaarde voor de instandhouding der artillerie en haar bespanningen; nog bezat hij 600 vuurmonden.

Sluw als altoos, wist Kutusof den commandant der voorhoede inmiddels te misleiden, want hij boog af met zijn macht naar ’t zuiden in de richting van Kaluga en het rijke achterland aldaar, had den 18en September Podolsk bereikt; door vrijwilligers en recruten vermeerderde zijn macht dagelijks. (In ’t begin van October had hij weder ruim 110.000 man onder zijn bevelen.)

Lang bleef dit voor Napoleon niet verborgen. Reeds den 26en September stonden Murat en Bessières, bij wie Poniatowski zich had aangesloten, weder tegenover den vijand, om diens bewegingen waar te nemen en den weg van Podolsk naar Moskou te dekken.

Dat een langer verblijf te Moskou onverbiddelijk moest leiden naar den ondergang werd met den dag duidelijker.

Was de daar opgestapelde voorraad verbruikt, dan kon ze niet worden vernieuwd. Over het leger legde zich een sluier van zorg en vrees voor de toekomst. Alexander liet niets van zich hooren; Caulaincourt had kortaf bedankt voor de eer hem persoonlijk te gaan opzoeken. Sinds Tilsit waren de toestanden te veel veranderd; het stond te bezien of de Czaar hem nu nog zoo voorkomend zou ontvangen als voorheen. Ten einde raad en hiermede een geducht offer brengende aan zijn eigenliefde, besloot Napoleon den 4en October Lauriston naar Kutusofs hoofdkwartier te zenden en langs dezen weg toenadering te zoeken, doch Kutusof bevreesd om evenals Barclay de Tolly van verraad te worden beschuldigd,—reeds gingen er stemmen tegen hem op, omdat hij niet aanviel—wilde hem aanvankelijk niet zelf ontvangen doch zond hem zijn adjudant. Hierover gebelgd, keerde Lauriston naar Murats hoofdkwartier terug.

Deze handelwijze van Kutusof deed bij een deel van zijn omgeving echter de vrees ontstaan, dat de kans op vrede hierdoor voor goed was weggenomen. Een ander deel, de oorlogspartij, begreep, dat het in haar belang was de Franschen aan de praat te houden, omdat de toestand van hen hierdoor met elken dag nog ongunstiger werd. Tusschen generaal Bennigsen, een even sluwen als vermetelen Rus en Murat, kwam het nu tot een onderhoud. IJdel en onvoorzichtig als altijd, praatte Murat hierbij zijn neus voorbij en schonk den ander een veel dieperen blik op den feitelijken toestand der Fransche armee dan voor deze gewenscht was. Dit gaf Kutusof aanleiding Lauriston ten slotte toch te ontvangen en te hooren wat hij te zeggen had.

Veel baatte dit niet. Kutusof gaf onomwonden te kennen, dat hij den brand van Moskou uitsluitend toeschreef aan de vaderlandsliefde der Moskovieten, die hun stad liever in vlammen zagen opgaan, dan dat zij ze overgaven aan den vijand. Of er kans op vrede bestond kon hij niet zeggen. Zelfs voor het sluiten van een wapenstilstand miste hij de macht; alleen de Keizer had hierover te beslissen. Hij bood Lauriston dus aan, prins Wolkonski met de voorstellen van Napoleon naar St. Petersburg te zenden en het schermutselen tusschen de voorposten te doen staken, tot er antwoord was gevolgd. Binnen een dag of tien, twaalf kon dit worden te gemoet gezien.—De kozakken zouden in hun bewegingen inmiddels vrij blijven; bij de Franschen konden de fourageeringen worden voortgezet.

Hoewel Napoleon reeds wist, dat de pogingen tot tusschenkomst van generaal Toutelmine en van den heer von Jakowleff zonder resultaat waren gebleven; hoewel hij wist met welk een gillenden wraakkreet het zien van den brand van Moskou door Kutusofs soldaten was beantwoord; hoewel hij zich ook van den stap van Wolkonski bij Alexander weinig succes voorstelde, meende hij dit voorstel niet van de hand te mogen wijzen. Over tien dagen was het eerst half October; volgens de verzekering van verscheiden volkomen betrouwbare personen begon het nooit vóór half of voor einde November te vriezen. Reeds lang vóór dien tijd kon hij dus op Smolensk zijn teruggegaan.

van Kowno naar Moskou.

van Kowno naar Moskou.

Na lang beraad had hij afgezien van een plan om, vereenigd met Victor, die Smolensk had bereikt, en met Saint-Cyr, die nog bij Polotzk aan de Duna stond, over Bjeloi en Welish naar St. Petersburg te rukken en Alexander hier den vrede voor te schrijven. Zelf had hij gevoeld, dat deze vermetele zet niet meer uitvoerbaar was. Zijn leger had te veel geleden.

De macht, waarover hij in ’t begin van October nog kon beschikken, was in hoofdzaak opgesteld in een driehoek met Moskou, Riga en Brest Litewsky als hoekpunten. Van Moskou naar den Niemen bedroeg de afstand 115 mijlen1. In deze ruimte stonden: bij Moskou 95.000, bij Moshaisk 5000, bij Smolensk 37.000, op den linkervleugel in de lijn Dunaburg-Riga 25.000, bij Polotzk 17.000, op den rechtervleugel bij Brest 34.000, te zamen dus 213.000 man.

Met een leger, dat de helft van zijn sterkte en een groot deel van zijn gevechtswaarde had verloren;—Borodino had meer dan vijftig opper- en hoofdofficieren gekost—met een leger, waarin reeds ontmoediging, droefgeestigheid en angst voor de toekomst heerschten, dat bijna geen gelegenheid had gehad door voedsel en rust weder eenigermate op krachten te komen; en, dat om en bij Moskou nog maar vier duizend ruiters in ’t gelid telde, zou, werd er geen vrede gesloten, de terugtocht dus aanvaard moeten worden. Het zou moeten marcheeren langs grootendeels vernielde wegen door een landstreek, die reeds was kaal gegeten, door totaal verwoeste dorpen en met een vijand naast en voor en achter zich, die over een massa lichte cavalerie beschikte, dorstte naar wraak en in het klimaat weldra een bondgenoot zou krijgen, even mededoogenloos als geducht.

Wederom dringt de Keizer ons ontzag af, want ondanks het folterende bewustzijn, dat hij alleen, tegen den raad van alle weldenkenden in, zijn krijgers in dezen toestand heeft gebracht, dat hij alleen van al ’t gebeurde en van al ’t geen er nog volgen kon de oorzaak is, verraadt zijn wasbleek gelaat geen spoor van de aandoeningen, die zijn ziel bestormen. Aan niemand vraagt hij raad; aan niet een zijner getrouwen gunt hij een blik in zijn binnenste; tegenover niet één hunner stort hij zijn gemoed uit of geeft hij lucht aan zijn trotsch hart. Ook thans weder blijft hij in dit opzicht zich zelf.

Maar ook versaagt hij geen seconde. Alsof zijn hoofd en zijn lichaam geen vermoeienis kennen, zet hij zich weder aan den arbeid om alles te regelen en voor te bereiden voor den afmarsch en om den vijand tegelijkertijd te misleiden omtrent zijn voornemens. Den 9en October deelt hij den hertog van Bassano te Wilna de mogelijkheid mede, “dat hij tegen November winterkwartieren betrekt tusschen den Dnieper en de Duna, om zoodoende dichter bij zijn reserves te zijn, het leger rust te gunnen en zich gemakkelijker met andere aangelegenheden te kunnen bezig houden.”—De zaken des rijks handelt hij nog geregeld af. De koeriersdienst tusschen Moskou en Parijs stelt nog dagelijks honderden personen en paarden in ’t werk.

Murat ontving nu order Kutusofs kamp bij Tarutino nauwlettend te bewaken, zijn troepen rust te gunnen en ze zoo goed mogelijk te voeden. Uit de kelders van Moskou werden hiertoe levensmiddelen en wijn afgezonden. De vorming van een korps van 15.000 man te Smolensk werd bevolen hem in zuid-oostelijke richting te gemoet te gaan, als hij den weg naar Kaluga, naar de welvarende, rijke provinciën van ’t zuiden mocht inslaan, en dit zou dus voor zijn rechtervleugel waken. Victor moest zich gereed houden tot uitrukken. Naar Moskou moesten voorts al de van hun korps afgedwaalde soldaten worden opgezonden, die zich te Wilna, Minsk, Witebsk of Smolensk hadden aangemeld. Uit den wapenvoorraad van het Kremlin zouden die dan van geweren worden voorzien en onder beveiliging van detachementen van minstens 1500 goedgewapende infanteristen worden overgebracht. Des nachts moest altoos in een carré worden gebivakkeerd, want Platofs kozakken stroopten reeds tot onder de muren van Smolensk.

Dan bestemde hij Junot om voor het vervoer der gekwetsten te zorgen; van den trein werden een paar honderd wagens en voertuigen,—te Moskou waren er nog circa 1200—hiertoe tot diens beschikking gesteld. Voor ’t geval hij besluiten mocht hier te overwinteren, want zelfs hierover dacht hij, deed hij ten slotte het Kremlin in staat van verdediging brengen, de wallen met vuurmonden bewapenen, patronen en kardoezen aanmaken, aan ieder korps voor zes maanden vivres in de gedaante van meel, brood, zout en pekelvleesch uitreiken en op uitgebreide schaal tot op grooten afstand van de stad fourageeringen verrichten.—Toch gebeurde het nog vaak genoeg, dat een paard dagen achtereen weinig meer tusschen de kiezen kreeg dan het stroo van het dak eener boerenwoning.

Nog verder ging hij, want, om de boeren met hun groenten en hun vee naar de stad te lokken, trachtte hij de geestelijkheid op zijn hand te krijgen; hij noodigde deze uit de te Moskou gespaard gebleven kerkgebouwen weder in gebruik te nemen en hier zelfs voor keizer Alexander gebeden ten hemel te zenden.

Terwijl hij overdag dus alles deed om voor zijn leger een minder ongunstigen toestand te scheppen en de achtergebleven inwoners der stad te helpen, bezigde hij een deel van den nacht voor de administratieve zaken, doch werd hierbij meermalen gestoord door een fellen lichtgloed en door zware rookwolken, die telkens nog uit de smeulende puinhoopen opstegen en opnieuw schrik en ontsteltenis onder de bevolking teweeg brachten.

In dienzelfden tijd ongeveer wierp hij ook eenige denkbeelden op ’t papier betreffende ’t geen zou moeten geschieden, wanneer er uit St. Petersburg geen voldoend antwoord kwam. Een tocht naar ’t zuiden, in de richting van Kaluga en Tula, dus naar een nog niet door den oorlog geteisterd gewest, lachte hem het meeste toe. De zorg voor levensmiddelen en fourage zou hierdoor heel wat verminderen. Later kon de weg naar Smolensk dan niettemin ingeslagen en de tegenpartij misleid worden.

Nog voordat hij het omtrent dit punt met zich zelf eens was geworden, dwong Kutusof hem reeds tot handelen. Den 18en greep deze Murats linkervleugel onverhoeds met overmacht aan en wierp hem met zwaar verlies in noordelijke richting. Juist was Napoleon bezig inspectie te houden over het korps van Ney, dat hij eveneens naar de stad had doen komen, toen die mare hem bereikte. Terstond nam hij een besluit. Het gansche leger ontving bevel zich den volgenden morgen buiten Moskou aan den weg naar Kaluga te verzamelen.

In den vroegen morgen van den 19en stonden Eugène, Ney, de garde en Davoust tot den afmarsch gereed. Napoleon verliet Moskou; met een divisie der jonge garde bleef Mortier in het Kremlin.

Een allerzonderlingste karavaan van duizenden militaire voertuigen, karretjes, droschkis, kalessen en andere middelen van transport, volgepakt met gestolen of buitgemaakt goed, voor het meerendeel bespannen met kleine Russische paardjes, volgde het leger. Nog grilliger en bonter was de schaar van duizenden menschen, mannen, vrouwen en kinderen, van allerlei landaard en herkomst, die werktuigelijk hadden gehoorzaamd aan den dwang der noodzakelijkheid en eveneens besloten hadden Moskou te verlaten. Duizenden Franschen, ja, zelfs de Duitschers, die zich vóór de komst der troepen daar bevonden, hadden uit vrees voor erger nog, als de Russen terugkeerden, hun boeltje gepakt en togen nu mede met vrouw en kind.

Den 23en bereikte Napoleon het geheel verlaten stadje Borowsk. Vijf en dertig dagen had hij te Moskou doorgebracht. Den 24en geraakte Eugène bij Malo-Jaroslawetz slaags met een deel van Kutusofs armee en behaalde op zijn halfverraste tegenpartij een bloedige overwinning, die Kutusof deed besluiten in de richting van Kaluga te retireeren.

Met welk een vijand hij van nu af rekening zou moeten houden, bleek Napoleon, toen hij, met Caulaincourt, Rapp en Berthier het slagveld wilde gaan bezoeken, en zich eensklaps omsingeld zag door een horde kozakken, die hij in de verte aanvankelijk voor Fransche cavalerie had gehouden; zijn escadron van dienst werd uiteengeslagen en een artilleriepark tijdelijk genomen. Eerst aan Bessières met de garde-grenadiers te paard gelukte het dien onverhoedschen aanval, die den Keizer de vrijheid, ja, zelfs het leven had kunnen kosten, het droombeeld van Platof, af te slaan.—Tegelijkertijd had hij het gevaar kunnen zien van een langen marsch met een leger, dat door zulk een reusachtigen sleep voertuigen en ongewapende vluchtelingen werd gevolgd. Het vraagstuk: Waarheen? Wat nu? kwam weder op het tapijt.

Ditmaal hoorde hij zijn omgeving en enkele korpscommandanten. Na een ganschen dag beraad—den 25en—werd besloten alle verdere plannen tot vervolging des vijands naar het zuiden op te geven. De hoofdmacht zou over Moshaisk en Wiasma naar Smolensk marcheeren.

Heeft het eenparige advies van zijn staf Napoleon tot dit besluit gebracht? Stond dit reeds in beginsel bij hem vast? Wie zal ’t zeggen?—Mogelijk heeft dat advies hem slechts in zijn besluit gesterkt.

In den nacht van 22 en 23 September had ook Mortier het Kremlin verlaten. Zijn pogingen om dit in de lucht te doen vliegen, waren mislukt. Zelfs de grootste vereerders van den Keizer zullen deze op zijn last verrichte daad van geweld nimmer kunnen goedpraten.

Terug! Terug naar Smolensk! was van nu af het wachtwoord.—Het weder werkte aanvankelijk mede; nog was het overdag meestal zonnig en zacht; alleen ’s nachts was het merkbaar, dat het koude jaargetijde naderde. Al ’t geen er over het vroegtijdig invallen van den winter in dat rampjaar als oorzaak van den ondergang van het Groote Leger is geschreven, behoort dan ook thuis op ’t gebied der fantasie. Terwijl het te Moskou vaak reeds sneeuwde tegen het einde van October, bleef het weder nu helder en mooi, en vroor het eerst den 27en October. Den 1en November daalde de thermometer echter tot 3° onder het vriespunt; den 4en viel de eerste sneeuw. Tot dezen datum bleef het weder ook meestal helder en was het niet bijzonder koud.—“Tot den 6en November is het weder uitmuntend geweest,” heeft Napoleon zelf gezegd in zijn beruchte 29e bulletin.

Ook Kutusof was weder op marsch gegaan, doch niet naar Kaluga.

In den loop van den 27en vernam Napoleon van een gevangen genomen Russisch officier, dat zijn tegenstander Smolensk tot doel had; hij besloot dus met de garde spoed te maken en Kutusof ginds vóór te zijn. De gekwetsten uit den slag bij Borodino, die in het uitgestrekte klooster van Kolozkoje onder dak gebracht waren, moesten op voertuigen geladen en medegenomen worden; hij zelf kwam dien avond nog te Gshask. Per rijtuig of te voet maakte hij nu verder den terugtocht mede. Gewapend met een stok, gehuld in een pels, met een bonten muts op het hoofd, stapte hij, zonder een enkele maal om te zien, dagelijks uren lang voort aan het hoofd zijner garde. Te paard kwam hij niet meer. Langs het slagveld van Borodino voerde zijn weg. Een huivering ging allen door de leden.

Te Wiasma (1 November) ontving Napoleon berichten over den stand van zaken op de vleugels zijner armee. Gunstig waren die niet.—Saint-Cyr had Polotzk moeten verlaten, omdat Wittgenstein hem had aangegrepen. Uit Smolensk was Victor hem te hulp gesneld. Schwartzenberg had moeten wijken voor het opdringen van Tschitchagow; deze had Brest thans bezet.

Dewijl Napoleon vond, dat Davoust, die de achterhoede aanvoerde, niet snel genoeg vooruitkwam, te veel schermutselde met de kozakken en hierdoor ook de andere korpsen ophield, werd Ney met dat commando belast; hij zou te Wiasma blijven, tot al de andere korpsen hem waren voorbijgemarcheerd. Met het oog op de herhaalde aanvallen van de kozakkenhorden, die nacht en dag om de troepen zwierven en van elke gelegenheid gebruik maakten om hun slag te slaan, beval Napoleon, dat in gesloten carré’s zou worden gemarcheerd met de bagage in het midden, de troep op zooveel gelederen, als de breedte van den weg toeliet. Een half bataljon vormde de achterflank; gansche bataljons in gesloten gelederen vormden flanken, zoodat er bij ’t halthouden terstond naar alle zijden vuur kon worden gegeven,—want o! die kozakken met hun schor hoera, waren zulke geduchte vijanden, niet tegenover een gesloten troep, voor deze weken ze spoedig genoeg uit, maar voor de alleen of in groepen gaande mannen. Tegenover die bezigden zij de lans; de lijken werden daarna geplunderd.

Met de garde en het korps van Junot, spoedde Napoleon zich op 2 en 3 November voort in de richting van Smolensk en kreeg zoodoende op Kutusof een zoo grooten voorsprong, dat van afgesneden worden van die stad, zelfs geen sprake meer kon wezen. Over de korpsen van Eugène, Ney en Davoust maakte hij zich niet bezorgd; “als die maar doormarcheerden, niet telkens met kozakken vochten, en zoodoende het mooie weder lieten voorbijgaan zou alles wel goed gaan,” zeide hij.

Hoe verkeerd hij den toestand had ingezien en welk een misslag hij had begaan met zijn leger in tweeën te scheiden, bleek weldra bij Wiasma. Terwijl een zwerm kozakken de andere korpsen onverpoosd kwelde en afmatte, viel Kutusofs voorhoede Ney in den namiddag van den 3en hier met zijn cavalerie onverhoeds op ’t lijf, zoodat Eugène en Davoust front moesten maken om hun krijgsmakker te ondersteunen. Generaal Miroladovitch, die Kutusofs voorhoede aanvoerde en uit het zuiden, uit de richting van Jucknow kwam opdagen, deed de lucht daarbij weldra trillen onder het donderen van ruim honderd vuurmonden.

Tot laat in den avond duurde dit hardnekkige gevecht, dat op het verlies van bijna 2000 oude, brave soldaten te staan kwam.—Door het juiste schot der Fransche artillerie waren de verliezen der Russen veel aanzienlijker, maar hun gekwetsten hadden kans op hulp, de Franschen moesten volslagen onverzorgd worden achtergelaten. De ellende begon.

Te Wiasma werd gebivakkeerd, doch te eten was er niets. De uit Moskou medegevoerde voorraad was verteerd; de levensmiddelen, in de stad aanwezig geweest, waren door de garde verslonden. Zelfs vond men geen onderdak, want bij den afmarsch had de garde, niet denkende aan de duizenden achter hen volgende kameraden, de huizen in brand gestoken. In een nabijgelegen bosch sloegen Eugène en Davoust het bivak dus op, deden groote vuren aanleggen en paardenvleesch uitreiken. Hier konden de brave, ijzeren mannen van Davoust voor het eerst in drie etmalen met de voeten naar de verkwikkende warmte van het wachtvuur gekeerd, eenige uren slapen. Vijftien dagen achtereen hadden zij de achterhoede uitgemaakt.

Niet voor den volgenden dag ontving Napoleon de eerste berichten over dit gevecht bij Wiasma. Toen hij kort daarna Davoust ontmoette, viel hij heftig tegen dezen uit. Zijn korps zou, heette het, in een bandeloozen troep zijn ontaard en zich hebben misdragen.—Hooghartig bitter beantwoordde de prins van Eckmühl die onverdiende beschuldiging. Waar een drietal divisiegeneraals als Gérard, Morand en Compans, hoewel gewond, nog altoos te paard aan de spits hunner bataljons waren te vinden, kòn van bandeloosheid geen sprake zijn, zeide hij. Zich zelf verdedigde hij niet; hiertoe was hij te trotsch.—Uit wrevel en inwendige woede vervreemdde de Keizer hier een zijner beste, kundigste onderbevelhebbers van zich. Aan het laakbare van zijn eigen gedrag als opperbevelhebber scheen hij niet te denken. Met den half versuften Murat en den half verbijsterden Berthier naast zich schreed hij voort. Vaak sprak hij uren achtereen geen woord.

En thans naderde de winter snel! Het begon te sneeuwen; de wegen werden spiegelglad; bij tientallen vielen de paarden der bespanningen, die niet van winterbeslag waren voorzien, bij de minste stijging in den weg. Alleen de garde telde nog eenige escadrons; van de andere cavalerieregimenten gingen de mannen reeds bijna allen te voet. De warmste kleedingstukken waren bij de opening van den veldtocht te Dantzig achtergelaten;—wie had in die snikheete Junidagen aan een winterveldtocht gedacht?—Slechts enkelen hadden uit Moskou een pels of een bonte jas medegenomen. Het voedsel bestond reeds uit weinig meer dan uit een soort van dunne meelpap zonder zout doch met een paar patronen zilt gemaakt, en een lap paardenvleesch, bij het bivakvuur geroosterd. Op den blooten grond zonder tent of afdak werd de nacht meestal doorgebracht.

Was het te verwonderen, dat zich reeds den 5en November bedenkelijke teekenen van ontbinding en oplossing begonnen te vertoonen?—“Alleen de Koninklijke Italiaansche garde,” schrijft de Fézensac in zijn Souvenirs militaires, “marcheerde nog in goede orde; de rest scheen ontmoedigd, door uitputting overmand. Een ontzettende massa van hun korps afgedwaalde, ongewapende menschen, meer dan vier duizend man van alle wapens, bedekten de wegen en waren niet te overreden bijeen te blijven.”

Bij Dorogobusch, drie dagmarschen van Smolensk, was die massa met inbegrip der vluchtelingen en der voerlieden reeds tot bijna 50.000 geklommen. Tien duizend soldaten lagen dood op en naast de wegen. Geen vijftigduizend man waren nog onder de wapenen.

Maar ginds vooruit, in de verte lag Smolensk! Daar waren levensmiddelen, kleederen en woningen! Daar wachtten versterkingen! Daar zouden die vervloekte kozakken de vervolging wel staken!

Nog voordat hij deze stad bereikte, ontving de Keizer onrustbarende berichten uit Parijs en van Victor.

Te Parijs had de voormalige generaal Malet, een vurig republikein en heftig tegenstander van Napoleon, een man, die wegens geesteszwakte reeds jarenlang verblijf hield in een gesticht, een poging gewaagd om de republiek te herstellen. Geholpen door een priester, even fanatiek als hij, was hij op den inval gekomen valsche bescheiden en bevelen samen te stellen en in de stad het bericht te verspreiden, dat Napoleon dood was en dat de Senaat tot het herstel der republiek was besloten. Met die valsche stukken was hij naar een der kazernes gegaan, had met eenige soldaten verschillende zich in hechtenis bevindende officieren, als de generaal Lahorie en den generaal Guidal in vrijheid gesteld en zich uitgevende voor generaal Lamotte, den hertog van Rovigo zelfs doen gevangen nemen. Weldra herkend en ontmaskerd, had hij hier het einde van zijn komplot gezien. Hij zelf en de voornaamste schuldigen waren doodgeschoten; hiermede was een einde gemaakt aan een aanslag op de dynastie, die zoo weinig uitwerking naar buiten had gehad, dat alles reeds was afgeloopen en de dooden reeds waren begraven, toen Parijs meer in bijzonderheden kennis er van kreeg.

“Heeft dan niemand gedacht aan mijn zoon, aan Napoleon II?” riep de Keizer onder het lezen van dit bericht bij herhaling uit.—Neen, niemand! Mogelijk hadden velen te Parijs zelfs dat “Oef!” van verluchting geslaakt, waarmede de tijding van zijn dood volgens zijn eigen zeggen te eeniger tijd zou worden begroet. Met hem stond en viel het gansche Napoleontische wereldrijk; dit was een kolossus met leemen voeten; het miste den hechten grondslag eener oude dynastie. Het vermetele komplot van een half krankzinnigen man was voldoende geweest het te doen wankelen.

Wie weet of de gedachte, dat zijn tegenwoordigheid te Parijs thans noodiger was dan ooit, niet van dezen dag af in zijn brein heeft post gevat? Aan de redding van zijn leger viel niet meer te denken; het was ten doode opgeschreven, zelfs al verliet hij het geen seconde. Dit wist hij. Zijn ganschen toestand wel beschouwd, moest zijn verlaten van dit leger hem voortdurend meer gerechtvaardigd voorkomen.

Ook de tijdingen van Victor waren angstwekkend. Het korps van Saint-Cyr (6e) en dat van Oudinot (2e), beide geen 1800 man meer sterk, waren voor den krachtigen drang van Wittgenstein gezwicht. Dus had Victor, die ze uit Smolensk zou te hulp komen, halt gehouden achter een riviertje, bij Ssjenno, geen zes Duitsche mijlen van ’s Keizers terugtochtsweg, ten zuidwesten van Witebsk. Hier kon hij zich ten minste verdedigen, schreef hij.

Den 7en antwoordde Napoleon:

Z. M. beveelt u den vijand met uw zes vereenigde divisiën onverwijld aan te grijpen, hem over de Duna terug te werpen en Polotzk te heroveren. Deze beweging is van het hoogste belang. Binnen enkele dagen kunnen uw verbindingswegen naar achter door de kozakken worden overstroomd. De Keizer en de armee komen morgen te Smolensk; door een onafgebroken marsch van 120 uur gaans is alles zwaar vermoeid. Treedt weder aanvallend op. Het heil der armee hangt hiervan af; iedere dag vertraging is een ramp. De cavalerie is geheel gedemonteerd; de koude heeft al de paarden gedood. Voorwaarts dus!—Dit beveelt de Keizer; dit beveelt de noodzakelijkheid.

Dezen noodkreet buiten rekening gelaten, verried Napoleon door geen enkel woord wat in zijn ziel omging. Tegen niemand uit zijn omgeving sprak hij uit wat hij voelde. In tijden van voorspoed een prater van belang, tot onvoorzichtig wordens toe, dan aan zijn fantasie den vrijen teugel vierende, sloot hij zich thans geheel op in zich zelf.—“Hij was bleek, doch zijn gelaat was kalm,” schrijft Constant. “Door niets in zijn wezen verried hij hoe zwaar hij inwendig leed.”

Thans beging hij een grooten militairen misslag. Hij maakte Schwartzenberg en den flinken Macdonald, terwijl het hiertoe nog tijd was, niet bekend met den ernst van zijn toestand. Tot een meer geconcentreerd samenwerken met hem kwamen zij dus niet.

De verdere terugtocht naar Smolensk onder de dagelijks sterker wordende winterkoude en het toenemende gebrek aan voedsel, gepaard aan de onafgebroken vervolging der Russen, leidde weldra tot een nòg grooter oplossing. De wegen waren overdekt met soldaten, die hun wapens hadden weggeworpen en alleen of in kleine troepen voortsloften. Elk bivak vorderde een aantal menschen, die door koude en gebrek waren bezweken. Zwijgend togen de anderen die plaatsen voorbij. Ieder paard dat viel, werd terstond aan stukken gesneden. Veel soldaten begonnen teekenen te geven van zinneloosheid.

Te Smolensk reeds was het leger zijn volslagen ondergang nabij. Evenals zijn staf te voet, trok de Keizer den 9en die stad binnen. Eugène, die met zijn korps den grooten weg had verlaten, kwam dienzelfden dag voor de halfbevroren Wop, een rechterzijrivier van den Dnieper, doch slaagde er niet in over dat water een brug te slaan, die bestand was tegen de ijsschotsen; en de kozakken drongen op!—Met het water tot aan de schouders trachtten velen naar de overzijde te waden, doch honderden kwamen hierbij om tusschen het ijs. De vuurmonden en bagagewagens moesten achtergelaten worden, evenals die der marketentsters, die op deze plek al hun zuur verdiende bezittingen in den steek moesten laten en den hemel mochten danken, dat zij ten minste hun kinderen behouden aan de overzijde konden brengen.

De overtocht over de Wop kostte zes duizend man benevens zestig vuurmonden.

Door de zorg van den hertog van Bassano was te Smolensk, te Minsk, te Borrissow aan de Beresina en te Orscha, kortom in de hoofddepotplaatsen des legers, wel een aanzienlijke voorraad levensmiddelen bijeengebracht, doch niet voor langer dan tien dagen en ook niet voor al de duizenden, die het leger van uit Moskou waren gevolgd. Voorts deden de talrijke troepen tot alle wapens behoorende, doch van hun korps afgedwaalde soldaten en de maraudeurs, op de magazijnen die alleen voor de geregelde troepen werden geopend, een aanval, welke niet terstond met kracht werd afgewezen.

Vonden de garde en het korps van Junot dus nog levensmiddelen en kleeding, voor de hen volgende afdeelingen, die de stad tusschen 9 en 15 November naderden, was letterlijk niets meer over, zelfs geen dak, want op last van hooger hand waren de nog staan gebleven huizen in brand gestoken.

Ook de militaire toestand werd voortdurend gevaarlijker, want Kutusof had zijn voorhoede doen afbuigen van den grooten weg en dezen nog alleen doen volgen door ongeregelde cavalerie. Hij zelf marcheerde reeds dagen lang op de linkerflank van Napoleon, circa vier Duitsche mijlen van hem verwijderd, met zijn voorhoede in de tusschenruimte en telkens aangrijpende, wanneer de gelegenheid hiertoe gunstig was. Groot gevaar bestond er dus, dat hij vastberaden optredende, Krasnoi, Orscha of eenig ander gewichtig punt van den terugtochtsweg bereikte vóór de Fransche armee en dat Kutusof deze dan in flank en rug greep.

In weerwil van de vertoogen zijner omgeving en vooral van de aan zijn staf toegevoegde Engelsche attaché’s, ging Kutusof tot zulk een stap echter niet over. Nog altoos was de garde een geduchte, goed gewapende troep, met Napoleon aan haar spits; tot welke vermetele zetten deze in staat was, had hij indertijd bij Austerlitz ondervonden. Hij vreesde den gewonden leeuw nog altijd en achtte het dus raadzamer niet meer menschenlevens op te offeren dan noodig was, en geen grooten slag te wagen, maar het moreel van zijn tegenpartij door onafgebroken alarmeeren te schokken en uit te putten. De sneeuw, de vorst en de honger zouden dan wel het overige doen. Alle teekenen van ontbinding waren reeds aanwezig. Zijn eigen soldaten hadden bovendien reeds veel geleden. Bij hem ook vielen er eveneens duizenden, niet zoozeer van de kozakkenhorden als wel van de geregelde troepen. De zorg van hun onderhoud liet ook vaak alles te wenschen over; en de gevolgen van dat aanhoudend bivakkeeren in de open lucht te midden van sneeuw en ijs waren ook duidelijk zichtbaar. Waarom zou hij dus door een tegenover Napoleon altijd gewaagden zet voor één gewelddaad aan alles een einde trachten te maken?


1 Een Duitsche mijl heeft een lengte van bijna 7407.5 meter of bijna 7.5 kilometer, dus circa 863 kilometer.