Reeds te Maintz had de Keizer maatregelen getroffen voor de bezetting van den linker Rijnoever; hij had deze rivier hiertoe in drie vakken verdeeld en o.a. het commando over het noordelijke, van Holland tot Coblentz, opgedragen aan Macdonald. Marmont zou het vak Coblentz-Bingen, Victor het vak Bingen-Basel voor zijn rekening nemen.
Opmerkelijk is ’t, dat de Keizer het hoofddoel, de verdediging van zijn hoofdstad, dus achterstelde bij het slechts schijnbare voordeel van het bezetten eener linie, die een massa troepen eischte en dat hem in lijnrechte tegenspraak bracht met zijn vroeger steeds gehuldige theorie, dat, als er gevochten moet worden, men steeds een overmacht van troepen op één punt moet samentrekken. Ook liet hij al de groote vestingen in het noordoosten van Duitschland als Glogau, Dantzig, Maagdenburg, enz, haar bezettingen behouden en beroofde zich dus van een troepenmassa, die hem in Frankrijk zelf uitstekend zou zijn te pas gekomen, enkel en alleen omdat hij, evenals bij Dresden, de gedachte niet kon verdragen een punt los te laten, dat hij eenmaal tot zijn grondgebied gerekend had.—Al die bezettingen, al die oude regimenten, te zamen wel 150.000 soldaten, hebben zich achtereenvolgens moeten overgeven en zijn in krijgsgevangenschap gegaan. Alleen aan Davoust is het gelukt zich te Hamburg te handhaven tot na ’s Keizers val. Het garnizoen van Dresden onder den even kundigen als koppigen St. Cyr en dat van Dantzig onder Rapp werd in strijd met de gesloten verdragen onder allerlei onwaardige voorwendsels ontwapend en gevangen gemaakt.
Nauwelijks te St. Cloud terug, was Napoleon geheel vervuld met de vraag hoe het hem mogelijk zou wezen Frankrijk een nieuw leger te schenken. Het gehalte der uit Duitschland terugkeerende troepen was onrustbarend gedaald, de desertie schrikwekkend toegenomen. Allerlei slechte gewoonten hadden de soldaten zich eigen gemaakt; roof en plundering waren aan de orde van den dag. Daarbij kwam thans de hospitaalkoorts, een afschuwelijke, besmettelijke ziekte, door slecht weder, onvoldoend voedsel, ellendige bivaks en schandelijke uitspattingen ontstaan. Of het mogelijk zou wezen uit zulke verdorven elementen binnen korten tijd nog weder bruikbare soldaten te maken viel niet te zeggen. Ook de bevolking in de Rijnlanden was door de typhus gedecimeerd.
Alleen de kaders, onderofficieren en subalterne officieren, waren uitstekend gebleven. Met deze bestond er dus meer kans een nieuw leger te vormen van jonge lotelingen, zoo van moeders pappot, dan van het treurige overschot der regimenten, die thans uit Duitschland terugkeerden.—Wederom toog de Keizer nu in deze richting aan den arbeid.
Van de lichting 1813 kon hij beschikken over nog 150.000 man; bijna evenveel hoofden waren bijeen te brengen uit die van 1804 tot 1807. Het leger in Italië, kon dan met 40.000 man worden versterkt; een kleiner getal kon aan het leger in de Pyreneën worden toegewezen, en de rest zou dan komen aan de korpsen langs den Rijn. Van de lichting 1815 zouden dan reeds 200.000 hoofden worden aangewezen om bij Turijn, bij Bordeaux, bij Metz en bij Antwerpen daaruit reservelegers samen te stellen.
Bij die grootsche toebereidselen hing echter zoo goed als alles af van de plannen der bondgenooten.—Wat wilden ze?—Bertrand, commandant der achterhoede, had tot bij Frankfort blootgestaan aan een scherpe vervolging; doch ongehinderd had hij den Rijn kunnen oversteken. Deze rivier hadden de bondgenooten, die eveneens zware verliezen hadden geleden en zich moesten reorganiseeren, nog nergens overschreden. Alleen was uit verschillende aanwijzingen af te leiden, dat Blücher, ’s Keizers waardigste tegenstander, voornemens was langs den kortsten weg, dus over Antwerpen en Brussel Frankrijk binnen te rukken. ’s Keizers aandacht was dus hoofdzakelijk op den Beneden-Rijn gevestigd.
Liet men hem nu een maand of vier tijd, tot April b.v. dan zou hij zijn in den volsten zin des woords “jeugdig” leger ingedeeld, gekleed, geoefend, en—wat de hoofdzaak was—gewapend hebben. Op dat oogenblik,—November 1813—bezat hij niet eens 300.000 geweren. Ook aan paardentuigen zadels en dergelijke zaken bestond groot gebrek; de arsenalen waren volkomen ledig.
Alles scheen er op te wijzen, dat de Rijn voorloopig niet zou worden overschreden. De winter naderde snel; in de thans door de bondgenooten bezette streken verminderde de toch reeds schrale voorraad levensmiddelen zienderoog, eindelijk stelde men zich de vraag, wat er moest gebeuren, als de Rijn overschreden, Frankrijk bezet, Parijs gevallen was?—Wat niemand in Duitschland had durven hopen, was geschied; van de Oder tot achter den Rijn was de overweldiger, de gevreesde Fransche kolossus teruggedrongen. Was dit niet voldoende? Moest hij nu tot slot zelfs van een troon gestooten worden, dien hij zelf had gegrondvest; moest zijn dynastie vervallen; moest aan Frankrijk een nieuwe regeeringsvorm, mogelijk zelfs wel weder een Bourbon tot koning gegeven worden?
De Pruisen, door de leiders van den Tugendbund tot woede opgezweept, wilden wel zoo; Frankrijks grenzen behoorden volgens hen teruggebracht tot die van vóór 1790. Keizer Alexander in zijn jeugdigen overmoed vond de gedachte, zijn voormaligen overwinnaar te Parijs te vernederen, mogelijk ook niet onaardig; en zijn tegenwoordige lijftrawant, de Corsicaan graaf Pozzo di Borgo, Napoleons doodvijand, spoorde hem hiertoe telkens aan, ook al liep men gevaar voor een tweede levée en masse zooals in 1792 en tevens voor een worsteling, die al het gebeurde in schrikwekkendheid zou overtreffen.
In de omgeving van keizer Frans van Oostenrijk heerschte deze ultra-krijgszuchtige stemming niet. Wat meer zegt, zelfs in Engeland, waar de even nobele als schrandere en bekwame lord Aberdeen hoofd van het kabinet was geworden, scheen alles meer te wijzen op een streven naar vrede dan op een begeerte naar voortzetten van den oorlog.—Het Continentale Stelsel, zooals het in den laatsten tijd was toegepast, had hier dieper wonden geslagen dan aan de buitenwereld was bekend.—Zelfs achtte Prins Metternich het oogenblik gekomen om Napoleon te polsen omtrent een thans te sluiten vrede.
De heer de St. Aignan, voorheen Fransch gezant aan het hof van Weimar en zwager van de Caulaincourt, een even bezadigd als vaderlandslievend man, nam deze zware taak op zich; toegerust met een nota, die aan kortheid en helderheid niets te wenschen overliet, vertrok hij naar St. Cloud.—Voordat er vrede was, zou Europa vast aaneengesloten blijven. Die vrede zou algemeen wezen en ook gelden voor de zee; zijn grondslag zou zijn het beginsel van onafhankelijkheid voor al de natiën binnen haar natuurlijke of historische grenzen. Frankrijk zou de Alpen en den Rijn behouden, meer niet. Holland zou evenals Italië zijn onafhankelijkheid herkrijgen. Vóór alles echter zou de dynastie der Bourbons in Spanje worden hersteld.—Dit waren de hoofdpunten van de nota. Aan de oprechtheid der bedoelingen, van de bondgenooten twijfelde de gezant geen seconde.
Napoleon wèl.—Den oorlog verlangde hij niet meer. De middelen om dien nog langer te voeren zou hij trouwens weldra hebben gemist. Binnen een paar jaar had hij bijna anderhalf millioen soldaten verbruikt; hier en daar in Frankrijk zag men behalve soldaten nog slechts gebrekkigen, grijsaards en kinderen;—vrede wenschte hij zelf ook, “maar,” zeide hij tegen zijn omgeving “als wij thans naar deze voorwaarden luisteren, zal Europa steeds meer eischen en naarmate het meer met onzen inwendigen toestand bekend wordt, als vredesvoorwaarden de grenzen van vóór 1790 gaan stellen. En deze kan ik niet aanvaarden. Van de Republiek ontving ik haar natuurlijke grenzen. Mogelijk hadden wij ons voorheen wat gematigder kunnen betoonen. Happen we thans te snel toe dan verraadt dit onze zwakheid en verwijderen wij ons nog verder van den vrede. Dus moet er nog eenmaal worden gestreden, gestreden als wanhopigen. Blijven wij daarbij overwinnaar, dan dienen wij ijlings vrede te sluiten, en dan, dàn zal ik tot dezen volijverig mijn medewerking verleenen.”
Velen, die zich om Frankrijks “natuurlijke” grenzen bitter weinig bekommerden en wie het ook onverschillig was of de vredesvoorwaarden aannemelijk waren al dan niet, als Napoleon maar Keizer bleef en zij hun baantje behielden, verklaarden nu, dat die man, l’Homme, zooals zij hem thans betitelden, stapelgek was, dat hij zich zelf in ’t verderf stortte en hen er bij.
In weerwil van de vertoogen zijner omgeving, die allen het woord “vrede” op de lippen hadden; in weerwil van den raad van Macdonald, van Marmont, van Ney en anderen; in weerwil van de Caulaincourts ernstige, fier eerbiedige opmerkingen, en Talleyrands ironische woorden was het antwoord op de bovengenoemde nota dus ontwijkend. Wel was hij te vinden, schreef de Keizer, voor een congres, dat dan te Mannheim zou kunnen bijeenkomen; van de nota zelve roerde hij niet één der hoofdpunten aan.—Aan de publieke opinie te Parijs bracht hij echter een offer. Hij gaf den hertog van Bassano, die, in den laatsten tijd wat wijzer geworden, veel van zijn hooghartigheid had verloren, zijn ontslag en belastte de Caulaincourt weder met de portefeuille van Buitenlandsche Zaken, toen Talleyrand zich om een beuzeling niet hiervoor had laten vinden. Niet geheel ten onrechte gaf Parijs den hertog de schuld, dat er te Praag geen vrede was gesloten; en Talleyrand met zijn sarcasme had het zijne gedaan om deze beschuldiging te versterken.
Niet alleen de zorg voor de samenstelling van een nieuw leger en voor de hiertoe noodige geldmiddelen, nog andere zaken van belang vorderden ’s Keizers volle aandacht. In de eerste plaats de toestand in Spanje.—De slag bij Vittoria (21 Juni) had over het lot van het Fransche leger vrijwel beslist. Behalve 6000 dooden en gekwetsten had Jozef een groot deel zijner artillerie en bijna al zijn bagage in de handen van Wellington moeten laten. Steunende op de vesting Pampeluna en de Pyreneën had hij zich nog wel kunnen staande houden, doch hij had de voorkeur gegeven aan den terugtocht, was de Bidassoa, de grensrivier, overgetrokken en had generaal Foy, commandant der achterhoede, last gegeven de brug aldaar te vernielen.—Napoleon had hem daarop verbannen naar Mortefontaine met verbod te Parijs te verschijnen.
Daarna was maarschalk Suchet gedwongen geworden Valencia op te geven en eveneens terug te gaan.
Terwijl de Keizer dus zelf overwinnaar was in Duitschland, waren zijn onderbevelhebbers teruggedrongen uit Spanje. Zelfs de benoeming van Soult tot luitenant-generaal over al de legers aldaar had geen verbetering in den toestand kunnen brengen. Ook Sint-Sebastiaan was door de Engelschen en Portugeezen ten slotte met storm genomen, uitgeplunderd en uitgemoord. Hoewel Soult Wellington aan den voet der Pyreneën bij herhaling nadeel had toegebracht, had hij toch niet kunnen beletten, dat deze door zijn grootere sterkte telkens meer voorwaarts drong en eindelijk zelfs Saint Jean de Luz op Fransch grondgebied bezette. Den 9en December was een scherp gevecht bij Saint-Pierre de Rube onbeslist gebleven, en Soult had zijn stellingen bij Bayonne weder ingenomen.
Ook Suchet, van ’s Keizers nederlagen in October onderricht, had het raadzaam geacht zijn verbindingslijn met Frankrijk te verkorten en het zuiden van Spanje te verlaten. Hij was teruggegaan op Tarragona, had hier de vestingwerken doen springen en was onder gestadig vechten de Pyreneën genaderd.
Ook in Italië stonden de zaken slecht. Een Engelsche krijgsmacht was geland in Toscane; en hoewel Eugène, door Napoleon uit Duitschland teruggezonden om zijn leger aldaar te reorganiseeren, eenige uitmuntende divisiegeneraals onder zijn bevelen had, kon hij zich tegen de overmacht der Oostenrijkers niet staande houden; hij was gedwongen geworden terug te gaan tot achter de Etsch.
Tegelijkertijd had Murat, aangegrepen door een dwazen zucht naar zelfstandigheid, Napoleon verzocht Italië tusschen Eugène en hem te verdeelen, had niet geluisterd naar Fouché, die Murat ijlings was toegezonden om hem tot rede te brengen, en zich ten slotte, toen Napoleon hem op zijn dwaze voorstellen niet eens antwoordde, in de armen geworpen van Oostenrijk. Hij pleegde dus verraad tegenover den man, aan wien hij alles had te danken, en werd hierin nog wel door zijn vrouw ondersteund!
Eindelijk had Holland aan de beweging in Duitschland een krachtigen stoot gegeven, toen het zich bij de nadering van Bernadotte’s troepen stoutweg onafhankelijk verklaarde. Molitors soldaten waren daar het land uitgejaagd (15 November).
Ernstige verwikkelingen waren het dus, waarmede Frankrijk in het laatst van 1813 werd bedreigd. De oproeping der nieuwe lichting, de nieuwe belasting, die zou worden ingevoerd om de oorlogskosten te dekken, de verwoestingen, door de typhus aangericht, hadden ten overvloede in ’t land zelf bij velen een schier vijandigen geest tegen den Keizer doen ontstaan. Was hij niet de schuld van alles?—Op verschillende plaatsen werd zijn naam vooral door de vrouwen en de moeders gevloekt en hij zelf met den Antichrist vergeleken. Een poging om tenminste met Spanje tot een vergelijk te komen was mislukt, want het regentschap te Madrid had geweigerd een tractaat te onderteekenen, den 11en December tusschen Napoleon en Ferdinand gesloten, waarbij deze laatste werd erkend als koning van Spanje en van de Indiën, terwijl Napoleon zich verbond zijn troepen uit Spanje terug te nemen.—Voorloopig bleef Ferdinand dus te Valencay.—De bondgenooten achtten dezen stap, die enkele maanden te voren als een maatregel van schrandere staatkunde zou zijn aangemerkt, thans een bewijs van zwakheid.
Toen de Keizer den 19en December de zitting van het Wetgevend Lichaam opende in tegenwoordigheid zijner familie, van de rijksgrooten en van een deputatie van den Senaat, deed hij in zijn rede niet onduidelijk uitkomen in welke benarde omstandigheden Frankrijk zich bevond.
De Senaat begreep, dat de Keizer alleen door een uitgebreid stelsel van verdediging bij machte zou zijn den steeds wassenden vloed van vijanden van Frankrijks grondgebied te keeren en willigde dus in wat hij voorstelde. Het Wetgevend Lichaam niet.—Veertien jaar lang had het zwijgend en onderdanig gebogen voor zijn wil; nu er gevaar dreigde, vond het slechts woorden van afkeuring en blaam en stelde eischen, waaraan in die dagen stellig niet kon worden voldaan. Den vijand schonk het door deze houding een kijkje achter de schermen. Grooter gebrek aan doorzicht en vaderlandsliefde kon het bijna niet toonen.
Was het te verwonderen, dat de Keizer dit staatslichaam, dat zijn plicht onder deze omstandigheden zoo slecht begreep, vóór zijn vertrek naar het leger naar huis zond?
Het kwaad was hiermee echter niet meer goed te maken. Voor allen, die met den vijand heulden, met name de koningsgezinden, was de hem thans geboden weerstand, een steun te meer in hun strijd tegen zijn dynastie. Engeland en Pozzo di Borgo zorgden tevens, dat het te Parijs voorgevallene voor de legers der bondgenooten geen geheim bleef, en dat de schroom om den Franschen reus op zijn eigen grondgebied te gaan bestoken, een schroom, die aanvankelijk niet te miskennen geweest en door Engeland krachtig bestreden was, gaandeweg verdween om plaats te maken voor de onbedwingbare begeerte eerst te Parijs vrede te sluiten en Frankrijk terug te dringen tot binnen zijn grenzen van vóór 1790.
Napoleon te Fontainebleau. 31 Maart 1814.
Terwijl Napoleon dus nog in den waan verkeerde, dat men hem wel vier maanden tijd zou laten om zich voor de verdediging gereed te maken; terwijl hij aan Metternich op diens aandringen deed weten, dat hij niet ongenegen was in te gaan op de voorstellen, hem circa een maand te voren van uit Frankfort gedaan; dat hij de onderhandelingen dus wilde openen op den grondslag van Frankrijks natuurlijke grenzen, stond het plan tot overschrijden van den Rijn bij de bondgenooten reeds vast. Alleen de vraag waar en hoe dit zou geschieden stond nog open. In weerwil van den tegenstand van keizer Alexander, die zich reeds met Bernadotte had verstaan en de oogen dus meer op het noorden had gevestigd, werd het door Engeland krachtig ondersteunde voorstel van Schwartzenberg, den opperbevelhebber, ten slotte aangenomen. Niet op de dubbele rij vestingen, welke van Straatsburg tot Coblentz en van Metz tot Mézières Frankrijks oostelijke grenzen beschermden, zou worden aangerukt; zoodoende zou men, zooals Schwartzenburg het uitdrukte, den stier bij de horens vatten, want aan die zijde vormden tal van rivieren en versterkte plaatsen een geduchte lijn van verdediging. Neen, langs de Jura moest worden gemarcheerd! Daar waren geen vestingen. Daar lag alleen het voorheen onzijdige Zwitserland, dat thans luide riep om verlossing van zijn beschermheer en dat dus geen bezwaar zou maken, als bij Bazel, waar de Rijn nooit dichtvroor, de grens en tevens zijn grondgebied gepasseerd werd.
Volgde men dezen weg, dan zou Italië tegelijkertijd van Frankrijk gescheiden worden, terwijl Eugène verhinderd werd Napoleon te hulp te komen, als deze hem riep, of omgekeerd. Tegelijkertijd zou dan een leger onder Blücher Frankrijk van uit het oosten bedreigen, een derde macht, die van Bernadotte, door België voortrukkende, het land van uit het Noorden aangrijpen.
Den 21en December 1813 werd de brug bij Bazel dus overschreden; in Zwitserland brak een opstand uit tegen Frankrijk; voordat Napoleon van zijn verbazing over dezen onverhoedschen inval was bekomen, stond het hoofdleger der bondgenooten bij Langres in de Côte d’Or en was Blücher voor Nancy. Bijna een millioen strijders, waarvan circa 400.000 in eerste linie, met een talrijke cavalerie wel 60.000 ruiters, hadden Frankrijk besprongen.
Weinig meer dan het overschot der uit Duitschland teruggekeerde troepen en een aantal jonge conscrits, dus circa 70.000 man, waaronder 12.000 ruiters, kon de Keizer hier tegenover stellen, een macht waarop desertie en typhus bovendien haar sporen hadden achtergelaten. Evenals Macdonald in de Ardennen, spanden Victor en Marmont, door Ney en Mortier ondersteund, in de Vogezen en aan de Saar al hun krachten in om aan den geweldigen stroom van vijanden weerstand te bieden. Als brave soldaten verdedigden zij den vaderlandschen bodem.
De overmacht was echter te groot. Mortier werd teruggeworpen naar de Aube en de Seine, terwijl Marmont, Ney en Victor zich bij Vitry-le-François vereenigden, en Macdonald op Châlons-sur-Marne terugging. Een divisie van Marmont hield de passen door het Argonnerwoud voorloopig nog bezet.
Den 23en Januari, den dag vóór zijn vertrek naar het leger, verzamelde de Keizer de officieren van de nationale garde in de Tuilerieën en verscheen toen met de keizerin en zijn zoontje in hun midden; hij sprak van de gevaren, die het land bedreigden, en vervolgde toen met een stem, die van aandoening trilde: “Ik laat de keizerin en den koning van Rome, mijn vrouw en mijn zoon, in uw midden achter. Wetende, dat zij onder uw hoede veilig zijn, vertrek ik met een gerust hart. In uw handen stel ik het dierbaarste, dat ik na Frankrijk ter wereld bezit.”
Een daverend Vive l’Empereur! Vive le roi de Rome! dat op het plein voor het paleis onder de menigte weerklank vond, was het antwoord op deze toespraak.—Enkele weken later zou de toen gezworen eed door al de aanwezigen volkomen zijn vergeten; dan zou Talleyrand, dien de Keizer voor zijn vertrek weder eens onder spot en schimp had bedolven, hen de Bourbons hebben tegemoet gevoerd.
Dienzelfden nacht nam de Keizer afscheid van zijn in tranen badende vrouw en van zijn klein, blond zoontje, dat hij zoo innig liefhad. Nimmer zou hij die beiden hier op aarde wederzien.—Den 25en bevond hij zich in het hoofdkwartier Châlons-sur-Marne.
Vóór zijn vertrek had hij nòg een stap gedaan, die getuigde van den ernst der tijden en van zijn streven om zoo weinig mogelijk vijanden achter te laten. Half Januari had hij den bisschop van Piacenza naar den paus gezonden met een ontwerp-tractaat, waarbij dezen al zijn staten onvoorwaardelijk werden teruggegeven. De koppige oude man was echter niet tot eenige toenadering te bewegen geweest. Hij verlangde terug naar Rome.—Dat Napoleon hem zijn wereldlijk bezit terugschonk, was niets meer dan een daad van rechtvaardigheid, dit kon niet het onderwerp zijn van een tractaat, had hij den gezant kortaf te verstaan gegeven. Toen had de Keizer bevolen hem terug te voeren naar zijn vroeger verblijf, naar Savona.—De omstandigheden waren oorzaak, dat Pius weldra ook Rome zou wederzien.
Zoo hadden de geweldige gebeurtenissen in Duitschland in elk opzicht een omkeer in ’s Keizers toestand gebracht. Holland was verloren gegaan en teruggegeven aan het huis van Oranje. Westfalen had Jérome weggejaagd. Uit Spanje waren Jozef en de Fransche legers verdreven. In Italië stond Murat op het punt verraad te plegen en met zijn Napolitanen gemeene zaak te maken met Oostenrijk. Eugène voerde krijg tegen zijn eigen schoonvader, den koning van Beieren. Gansch Duitschland stond onder de wapenen. Van Frankrijks veroveringen was niet alleen niets overgebleven, de vijand had zelfs zijn landpalen overschreden en rukte uit het zuiden, oosten en noorden op naar Parijs. Thans gold het de verdediging van het eigen grondgebied. Aan de noodige middelen hiertoe was in de dagen van voorspoed door niemand gedacht; zelfs de geweren ontbraken om de nieuw opgekomen recruten te wapenen. Wat van dit alles het einde zou wezen, was reeds te voorzien.
Thans begint de ongelijke strijd tusschen den geniaalsten veldheer, dien de wereld ooit heeft gekend, aan de spits van een jong, maar trouw en dapper leger en de geweldige krijgerscharen, die Oostenrijk, Duitschland, Rusland en Zweden, gansch Europa dus bijna, als een zondvloed over Frankrijk uitstorten. In niet één zijner vroegere veldtochten heeft Napoleons ongeëvenaard talent als krijgsoverste zoo glansrijk uitgeblonken als in dien korten winterveldtocht van het jaar 1814. Klein is zijn macht. Nauwelijks volwassen, baardelooze knapen, te zwak en te tenger om de vermoeienissen van een oorlog te torsen; knapen, wier knieën knikken onder ’t gewicht van patroontasch en ransel, vormen het hoofddeel er van; maar in hun doodsbleeke, uitgehongerde gezichten staan een paar oogen, die beginnen te fonkelen en te gloeien, als de tamboer den stormmarsch slaat. Ziet ze staan, rustig in ’t gelid als oud gedienden, wanneer de charge op hen afkomt en hen dreigt te verzwelgen. Eerst op den kortsten afstand geven ze vuur en dan snel als het licht in stormcolonne en onder een schallend, boven alles uitklinkend: Vive l’Empereur! voltooien ze met de bajonet, wat het lood heeft begonnen.
Niet verdedigen wil de Keizer zich, aanvallen zal hij, al staat hij tegenover een drie-, vierdubbele overmacht. Den 23en Januari heeft hij dit aan Berthier geschreven; en al verschijnt hij zonder een enkelen soldaat als reserve achter zich te Vitry in den kring zijner maarschalken; al staren deze, nu ze hem alléén zien, hem verbaasd en ontsteld aan, zoo vast rekent hij op zijn genie als veldheer en op de misslagen zijner tegenpartij, dat hij dit plan ook geen seconde loslaat. Stelling nemende bij Vitry in den top van een driehoek, waarvan de Seine en de Marne de opstaande zijden vormen, langs welke Schwartzenberg en Blücher afzonderlijk naar Parijs voortrukken, begint hij dit plan terstond te verwezenlijken.
Eerst slaat hij Blücher terug bij St. Dizier (27 Januari); twee dagen later grijpt hij hem aan bij Brienne, neemt den veldmaarschalk zelf bijna gevangen en slaat dienzelfden avond nog zijn bivak op in ’t zelfde kasteel, waar hij als kind zoo vaak heeft vertoefd. Dat Blücher en Schwartzenberg zich vereenigen, zal hij beletten, zoolang hij kan.
Hij kan dit echter niet. Te Bar sur Aube reiken die twee elkander de hand en rukken dan gezamenlijk op tegen de stelling, die hij bij La Rothière en nog een paar dorpjes ten zuiden van Brienne heeft ingenomen.
Die geweldige strijdmassa, aan infanterie alleen meer dan 80.000 man, op zich ziende afkomen, staat hij een oogenblik in beraad of hij den ongelijken strijd wel zal aannemen; doch weldra is die aarzeling verdwenen, en vechten zijn soldaten als helden tot in den nacht. Dan moet op Troyes worden teruggegaan. Vier en vijftig vuurmonden zijn verloren; het moreel der troepen heeft veel geleden; dat der bondgenooten is gestegen. Ook op Frankrijks grondgebied zelf is de Keizer dus niet onoverwinnelijk gebleken.
Op andere punten was de fortuin zijn adelaars eveneens ongenegen. Soult had de Pyreneën moeten loslaten; Wellington was het land binnengedrongen. De grenzen van België waren door Bernadotte overschreden; Eugène hield zich slechts met moeite staande aan de Etsch en Murat had de partij der bondgenooten gekozen.
Een voorstel, door de Caulaincourts bemiddeling eenige dagen te voren gedaan om te Châtillon sur Seine te onderhandelen over den vrede, leidde door Napoleons eigen schuld tot niets. De bondgenooten verlangden Frankrijk te zien teruggebracht tot binnen de grenzen van vóór de Omwenteling; en hij wilde hiervan niet hooren. De geduchte slagen, die hij de Russen en Pruisen op 10, 11, 12 en 13 Februari achtereenvolgens toebracht bij Champaubert, Montmirail, Château-Thierry en Vauchamps, hoe schitterend ook, konden den algemeenen toestand niet veranderen. Ook het gevecht bij Montereau, waar hij zelf het vuur zijner artillerie leidde, was hiertoe niet bij machte. Een door hem gevraagde wapenstilstand werd geweigerd. Een poging om ten minste Oostenrijk voor zich te winnen was reeds vroeger mislukt; en den 1en Maart sloten de bondgenooten te Chaumont een overeenkomst, behelzende, dat Rusland, Oostenrijk en Pruisen ieder een leger van 150.000 man op de been zouden houden, tot Frankrijk binnen zijn vroegere landpalen was teruggebracht. Van deze overeenkomst was Engeland weder de ziel.
Niet zonder reden waarschuwde de Caulaincourt zijn heer, dat deze door langer talmen met het nemen van een besluit zijn eigen positie en die zijner dynastie in gevaar bracht, daar de vijand blijkbaar slechts een voorwendsel zocht om nog verder te gaan en zich thans tegen hem zelf te keeren.
Den 5en Maart hoort Napoleon van de nieuwe coalitie, die voor zijn dynastie het doodvonnis kan wezen; hij beantwoordt het met een decreet, dat alle Franschen te wapen roept en hun beveelt de stormklok te luiden, zoodra zij het kanon in hun nabijheid hooren, de bruggen af te breken en den vijand in rug en flanken aan te vallen.
Twee dagen later slaat hij Wintzigerode bij Craonne terug; maar in de vermeestering van Laon, de wapenplaats der verbondenen, slaagt hij niet. Tegelijkertijd laat Marmont zich slaan met een verlies van 40 stukken en al zijn bagage. Wel wreekt de Keizer, die op Soissons is teruggegaan, zich hierover door de totale vernietiging der troepenmacht van den generaal St. Priest, die lang in Luxemburg heeft gestaan en daarna Rheims heeft genomen, maar de gevolgen van Marmonts nederlaag zijn te geweldig.
Te Châtillon waren de onderhandelingen intusschen heropend. Van alle zijden genoopt eindelijk een beslissend antwoord te geven, had de Caulaincourt een tegenvoorstel ingediend. Hierin nam de Keizer genoegen met een beperking van zijn gebied tot het vroegere Frankrijk met inbegrip van Savoye, Nizza en het eiland Elba. Eugène zou Italië behouden tot aan de Etsch, terwijl de prinsdommen Lucca en Neuchatel benevens het groothertogdom Berg zouden worden teruggegeven aan hun vroegere vorsten.
Naar dit tegenvoorstel hadden de bondgenooten in ’t geheel geen ooren. Het staatkundige evenwicht in Europa duldde niet, dat Frankrijk zulk een uitgestrekt gebied behield; de ondervinding had hun geleerd, dat de tusschenstaten, waar een lid der familie Bonaparte het bewind voerde, slechts in naam onafhankelijk waren. In het tegenvoorstel zagen zij slechts een middel om de onderhandelingen noodeloos te rekken; zij zouden niet rusten, voordat Frankrijk binnen zijn oude grenzen was teruggebracht, hun voorstellen door de Fransche regeering waren aangenomen.
Thans (17 Maart) rijpte in het brein des Keizers een vermetel plan, dat tegenover een minder talrijken vijand stellig kans van slagen had gehad. Van Rheims naar Arcis sur Aube was dertien uur gaans. Als hij terstond opbrak kon hij den volgenden dag daar zijn en dan, in den nacht van den 19en en den 20en naar Troyes marcheerende, komen te staan in den rug van Schwartzenberg.—“Van deze beweging verwacht ik een enorm succes, want, bevindt zich het vijandelijke hoofdkwartier nog te Troyes, dan zal hierbij groote verwarring ontstaan,” schreef hij aan den minister van Oorlog Clarke, en aan Jozef.
Terwijl Mortier met 10.000 man bij Rheims en Soissons, Marmont met 7000 man bij Berry au Bac staan bleven met den last Parijs te dekken tegen Blücher, ging hij dus zelf, door troepen uit Parijs versterkt, met circa 22.000 man op marsch, ontmoette bij Arcis slechts weinig wederstand, geraakte hierdoor en door onjuiste rapporten in de meening, dat Schwartzenberg met zijn geheele macht voor hem terugweek naar ’t zuidoosten, en besloot nu snel naar de vestingen van Lotharingen te marcheeren, de bezettingen van deze bij zijn macht aan te trekken en, aldus krachtig geworden, weder aanvallend te werk te gaan.
Schwartzenberg liet hem hiertoe echter den tijd niet; toen hij uit Arcis wilde afmarcheeren, greep die hem met overmacht aan (21 Maart), bracht hem zware verliezen toe en dwong hem uit te wijken.
Toch gaf de Keizer zijn voornemen om op Metz of Verdun aan te rukken, en dus in ’s vijands rug te opereeren, niet op. Hij beval Mortier en Marmont zich over Châlons-sur-Marne bij hem aan te sluiten en toog op weg.
Schwartzenberg liet hem begaan, deed hem slechts volgen door een sterke afdeeling cavalerie, vereenigde zich den 23en bij Châlons met Blücher en toog op marsch naar Parijs. Tegelijkertijd bereikte Napoleon St. Dizier.
Twee dagen later was over het lot van Frankrijk beslist. In de stellige verwachting, dat de Keizer, uitwijkende voor Schwartzenberg, zou teruggaan in de richting van Parijs, dus in die van hun stelling, waren Mortier en Marmont hem naar La Fère Champenoise tegemoet gerukt, hier door een overstelpende massa cavalerie aangegrepen en onder zulke zware verliezen terug geslagen, dat er van hun beide korpsen niet veel meer dan een handvol krijgers ± 12.000 man, overbleven. Door een echt noodweer overvallen, hadden deze niet eens van hun vuurwapen gebruik kunnen maken en waren langs omwegen nu in allerijl naar Parijs op marsch.
De weg hierheen stond thans voor de bondgenooten wijd open; de laatste hinderpalen waren gevallen. Napoleon was te ver weg, om hen te kunnen schaden.—In drie colonnes over Meaux en Lagny werd de opmarsch begonnen. Enkele dagen later (29 Maart) vestigden de keizer van Rusland en de koning van Pruisen hun hoofdkwartier te Bondy, bijna onder de muren van de hoofdstad.
Nog versaagde Napoleon niet. Vóór de bondgenooten moest hij Parijs hebben bereikt! Van Troyes naar ginds was vijftig uur gaans. Alle maatregelen trof hij om zijn leger den 2en April daar te hebben verzameld. De infanterie zou als van ouds op karretjes, de artillerie met postpaarden vervoerd worden; in den avond van den 30en Maart bevond hij zelf zonder de garde zich reeds bij Fromenteau, geen vijf uur gaans meer van de hoofdstad. Daar trad de Generaal Belliard op hem toe met de tijding, dat de stad dienzelfden middag had gecapituleerd!
Tot juist begrip van den toestand is het noodig thans een stap terug te doen.
Evenals vóór den veldtocht naar Rusland was Maria Louise bij het vertrek van haar gemaal als regentes te Parijs achtergebleven. Cambacérès zou haar ter zijde staan, eveneens Jozef, die, uit zijn ballingschap op Mortefontaine ontslagen, evenals Jérome verlof had ontvangen zich te Parijs te vestigen met den titel van “koning.” Toen nu den 23en de tijding werd ontvangen, dat de bondgenooten Meaux hadden bezet, had Jozef den Raad van Regentschap op de Tuilerieën ontboden, om te overleggen of de keizerin en haar zoon wel langer te Parijs zouden blijven. Heengaan stond gelijk met aanleiding geven tot een omwenteling, waartoe alle elementen reeds ruimschoots aanwezig waren. Blijven stelde de keizerin bloot aan ’t gevaar te worden gevangen genomen en in handen van de bondgenooten een kostbare gijzelaar te worden.
Nog waren de meeningen verdeeld, toen Jozef den knoop doorhakte door het voorlezen van een brief van den Keizer uit Rheims van den 16en Maart:
“Broeder, overeenkomstig mijn mondelinge bevelen aan u en in den geest van al mijn orders, moogt ge in geen geval toelaten, dat de Keizerin en de Koning van Rome in ’s vijands handen vallen.—Nadert de vijand Parijs met groote overmacht, doe de Regentes, mijn zoon, de grootwaardigheidsbekleeders, de ministers, de hoofden van den Senaat, de voorzitters van den Raad van State en de grootofficieren van de kroon dan vertrekken in de richting van de Loire. Verlaat mijn zoon niet en vergeet niet, dat ik hem liever in de Seine zie dan in de handen van Frankrijks vijanden.”
Dus werd tot vertrek besloten. Den 29en Maart kwamen de reiswagens voor, en ging de regentes, die de laatste dagen heel wat tranen vergoten en zich als een willoos wezen gedragen had, ondanks het schreien van haar zoontje, dat de Tuilerieën volstrekt niet wilde verlaten, met een verlucht hart op weg naar Blois. De meeste leden van den Raad van Regentschap vergezelden haar.—Alleen Talleyrand niet; deze had zich aan de barrière laten terugwijzen, quasi omdat hij geen paspoort bezat. Hij had zijn plannen voor de toekomst reeds gemaakt; voor deze was zijn tegenwoordigheid te Parijs noodzakelijk. De bondgenooten stonden immers voor de poort! De Bourbons en hun aanhang wachtten!—Het oogenblik, waarop hij kon wraaknemen voor al de verdiende en onverdiende beleedigingen, hem jaren achtereen door Napoleon naar het hoofd geslingerd, naderde snel.
Wel trachtte Jozef de Parijsche burgerij nu door een proclamatie op te wekken “tot een kortstondigen maar heftigen weerstand, tot de Keizer zou zijn teruggekeerd,” doch waarmede moest die weerstand geboden? Vierhonderd zware vuurmonden lagen wel met hun munitie in de arsenalen; eenige duizenden geweren waren er ook nog; zelfs eenige duizenden soldaten zouden wel bijeen te brengen zijn geweest;—1200 man van de garde dienden de keizerin tot geleide—doch de tijd ontbrak; niets was er voorbereid en—bij de autoriteiten ontbrak tevens de lust tot feitelijk verzet binnen de muren der stad.
Om de toegangen tot Parijs te verdedigen waren dus alleen beschikbaar de zeer gedunde korpsen van Mortier en Marmont, eenige detachementen cavalerie, een bataljon sappeurs en 3 à 4000 soldaten, herstellende zieken en gekwetsten, benevens eenige honderden nationale gardes en de leerlingen der polytechnische school. Toch is er met deze geringe, bijeengeraapte macht in den morgen van den 30en Maart van de voorstad La Villette tot Charenton, onder Marmonts bevelen met wanhopige hardnekkigheid tegen Schwartzenberg gestreden.—Toen ontvingen Marmont en Mortier van Jozef, die met Jérome op hetzelfde uur de stad den rug toekeerde en naar Blois vertrok, een briefje, waarin hun verlof werd gegeven met den prins van Schwartzenberg en met den keizer van Rusland in onderhandeling te treden, als de overmacht hun te groot mocht worden.1
Als ridderlijke, trouwe soldaten weigerden de maarschalken echter nu reeds van die machtiging gebruik te maken. Tot in den namiddag zetten zij het ongelijke gevecht hardnekkig voort. Ten slotte waren al de hoogten aan de oost- en de noordoostzijde van de stad met vuurmonden bekroond, was de brug bij Charenton in handen der Russen, en stond Blücher op de hellingen van den Montmartre. Toen besloot Marmont van zijn machtiging gebruik te maken en om verder noodeloos bloedvergieten te voorkomen een wapenstilstand te verzoeken.—Deze werd toegestaan, doch slechts voor vier uur.
In zijn hôtel teruggekeerd, vond de maarschalk daar een groot aantal bankiers, notabelen en grondbezitters, die verlangden naar een capitulatie; zij hadden genoeg van den strijd en waren beducht voor hun eigendommen.
Werd de stad met storm genomen, dan waren de ellende en de rampspoed niet meer te overzien.
Een korte poos aarzelde Marmont, vooral toen generaal Dejean binnentrad met de mededeeling, dat Napoleons leger in aantocht was, een zeer optimistische, onware voorstelling van den toestand. Dat leger was nog zeer ver weg.—Ten slotte gaf hij toe, er werd tot een verdrag besloten (30 Maart).
“Goed nieuws, lieve vriendin! Maarschalk Marmont heeft daareven met zijn korps gecapituleerd. Dit is het gevolg van onze proclamaties en brieven. Hij wil niet langer vóór Bonaparte tegen het vaderland dienen,” schreef Talleyrand dienzelfde avond nog aan zijn nicht de hertogin van Koerland. Hoe prins von Metternich dacht over dezen sluwen staatsman en voormaligen bisschop van Autun, zijn vriend en medeplichtige, vinden wij in zijn Gedenkschriften: “Hij was een buitengewoon schrander man. Van zoo nabij heb ik hem gekend, dat ik hem grondig heb kunnen bestudeeren. Vernietigen meer nog dan behouden lag in zijn karakter. Als priester werd hij door zijn temperament medegesleurd op anti-godsdienstige wegen. Zelf van adellijke geboorte, pleitte hij niettemin voor de vervallenverklaring van den adelstand; onder het republikeinsche stelsel spande hij samen tegen de Republiek; onder het Keizerrijk conspireerde hij tegen den Keizer; eindelijk onder de Bourbons arbeidde hij aan de omverwerping van de wettige dynastie.”
Bijna zoolang keizer Alexander te Parijs is gebleven, was Talleyrand zijn gastheer. Schier onbegrijpelijk is ’t, dat Napoleon dezen man, dien hij toch zoo door en door kende, zooveel jaren in zijn naaste omgeving heeft geduld. Van af den vrede van Tilsit had hij voortdurend tegen hem samengespannen. Toen Champigny bij den vrede van Weenen (1809) van Oostenrijk vijf en tachtig millioen francs schadevergoeding van Oostenrijk had weten te verkrijgen, terwijl er door Napoleon slechts op vijf en zeventig was gerekend, vond deze dit een prachtig resultaat. “Was Talleyrand in uw plaats geweest, dan had hij mij die 75 millioen gegeven en de rest in zijn zak gestoken,” zei hij. Bij verschillende gelegenheden had hij Talleyrand uit zijn schulden geholpen, maar hem ook grenzenloos beleedigd; toch bedroog en verried hij Napoleon en toch bleef de Keizer hem handhaven. Dergelijke raadselachtige staaltjes van zwakheid om geen scherper woord te bezigen, zijn in het leven van dezen overigens zoo wilskrachtigen man geen zeldzaamheid. Stellig zijn ze in elk geval een bewijs, dat hij voor zijn dienaren niet zulk een gevoelloozen, harteloozen meester was als men vaak heeft beweerd.
Terwijl Marmont dus capituleerde, waren graaf Dalberg, de senator Jaucourt en de drie geestelijken de Pradt, Louis en de Montesquiou bij Talleyrand om te overleggen over den vorm van een nieuw bewind. Volgens deze in Frankrijk welbekende staatslieden was Napoleon een verloren man; zij besloten de Bourbons terug te roepen.
Voorafgegaan door een twintigtal ruiters, die met witte zakdoeken wuifden, een witte cocarde droegen en luidkeels: “Leve de Bourbons!” riepen, een kreet, die aanvankelijk slechts verbazing wekte,—de Bourbons waren reeds zooveel jaren geleden verdwenen—en die in de voorsteden met een daverend Vive l’ Empereur! werd beantwoord, trokken de bondgenooten met keizer Alexander aan de spits Parijs binnen.—Zeker uit kieschheid tegenover zijn dochter was keizer Frans nog te Dijon gebleven.—Terwijl nu op aandrang van enkele heethoofden het standbeeld van Napoleon op de place Vendôme door den vervaardiger, den heer Launay, van zijn voetstuk werd genomen, kwamen in ’t hôtel van Talleyrand eenige voorname Fransche en buitenlandsche personen, waaronder de koning van Pruisen en Schwartzenberg bijeen, om onder de leiding van keizer Alexander te beraadslagen.
Vrede sluiten met Napoleon en een regentschap instellen over diens zoon waren twee punten, die Talleyrand terstond wist op zijde te schuiven, “als zijnde in strijd met de duidelijk uitgesproken wenschen der natie.” Voor het herstel der Bourbons (de restauratie) ijverde hij sterk. Wanneer een beroep op den Senaat (zijn willoos werktuig) werd gedaan, zou de omwenteling, die voor de deur stond, al den schijn hebben van wettigheid, betoogde hij.—Dat de Bourbons niet op den ouden voet weder met het gezag bekleed zouden worden, dat zij zijn voorwaarden zouden moeten aannemen, stond bij hem reeds vast.
Eenmaal tot de restauratie besloten, vaardigde keizer Alexander een proclamatie uit, waarin hij verklaarde, “dat de bondgenooten niet meer met Napoleon Bonaparte of met een van diens familieleden wilden onderhandelen, dat zij den oorspronkelijken vorm van Frankrijk eerbiedigden, en den Senaat uitnoodigen zouden een voorloopig bewind samen te stellen. Dit zou dan in de behoeften van het beheer voorzien en een grondwet voorbereiden naar keuze der natie. Deze zouden zij dan waarborgen.”
Den 1en April benoemde de Senaat, door Talleyrand in zijn hoedanigheid van vice-grootkeurvorst bijeengeroepen, dus een voorloopig bewind van vijf leden: Talleyrand, graaf de Jaucourt, den staatsraad hertog van Dalberg, den abbé de Montesquiou en den generaal de Beurnonville. De Parijsche gemeenteraad teekende een verklaring ten gunste der onvoorwaardelijke terugroeping van de Bourbons. Het Wetgevend Lichaam, uit zijn asch verrezen, nam het voorstel van den Senaat zonder discussie aan.
De keizer van Rusland en de koning van Pruisen ontvingen van een en ander kennis, en den 3en April nam het Voorloopige Bewind het besluit over van den Senaat, waarbij Napoleon werd vervallen verklaard van den troon, het recht van erfelijkheid in zijn familie afgeschaft, de Fransche natie en het leger ontslagen werden van den eed van trouw, aan hem gezworen. Den volgenden dag ontsloeg een nieuw besluit al de nog niet onder de wapenen geroepen of niet ingedeelde conscrits en de bataljons der nieuwe levée en masse.
Wat een vreugde heerschte er in ’t kamp der koningsgezinden! Hadden zij hun zin gekregen, dan waren de Bourbons nu terstond teruggeroepen. De heer de Vitrolles, een volbloed royalist, was zelfs reeds op weg naar den graaf van Artois, die zich wijselijk te Nancy nog had schuil gehouden, met verzoek als ’s konings plaatsvervanger terstond naar Parijs te komen. Talleyrand, als altijd kalm en ironisch, en graaf Dalberg, een volbloed liberaal, gaven den ijver dier heeren echter een koud bad door de verklaring, dat alvorens er van een herstel der Bourbons sprake kon zijn eerst een grondwet moest worden samengesteld.
Thans keeren wij naar den Keizer terug.
Laat in den avond van den 30en Maart heeft hij bij Fromenteau generaal Belliard dus ontmoet met de tijding, dat Parijs zich heeft overgegeven, en dat Marmont en Mortier reeds naar Fontainebleau op weg zijn om hier te worden onder dak gebracht. Hij overstelpt hem met een stortvloed van snel op elkander volgende vragen naar zijn vrouw, zijn zoon, zijn broer Jozef, naar Clarke en de troepen en begint dan snel voort te stappen. Hij wil volstrekt naar Parijs.
Nadat de Caulaincourt, Berthier en Belliard hem van dit voornemen hebben teruggebracht, gaat hij met het hoofd in de handen op een mijlpaal naast den weg zitten. Hij is doodaf. Het laatste etmaal is hij bijna niet uit den zadel geweest. Als hij opstaat, is zijn gelaat bleek doch kalm. Onwrikbare wilskracht gloeit in zijn oog. Hij geeft de Caulaincourt order naar Parijs te gaan, keizer Alexander op te zoeken en paal en perk te stellen aan de intriges, welke daar tegen hem worden gesmeed. Berthier moet de armee en de afdeelingen van Marmont en Mortier opstellen aan het riviertje de Essonne; dan rijdt hij met Berthier door naar Fontainebleau.
Voornemens al het mogelijke te doen om tot vrede te komen, vertrok de Caulaincourt naar Parijs en werd door keizer Alexander ontvangen met een veelzeggend: “’t Is wel erg laat.” Ook sprak hij met Schwartzenberg en enkele Fransche diplomaten en ontving ten slotte den raad Napoleon te bewegen tot abdiceeren. “Dan kon er later een besluit genomen worden betreffende een regentschap.”
Vol walging van al de aanzienlijke personages die, voor een deel door den Keizer tot grootheid en aanzien gekomen, thans niet eens hun stem verhieven om voor hem te pleiten, keerde hij in den nacht van den 2en April naar Fontainebleau terug, deed verslag van zijn zending, doch kon Napoleon geen beslissend antwoord ontlokken. Deze had reeds in stilte het geduchte plan gevormd, zoodra hij zijn beschikbare troepen bijeen had, naar Parijs te rukken en daar de wapenen te doen beslissen. Den 4en konden Macdonald, Oudinot en Gerard met hun korpsen hem hebben gevonden; dan zou zijn leger circa 70.000 man sterk zijn; na één dag rust kon hij op marsch gaan.
Den 4en hield hij een revue over de garde, die in haar geheel stelling had genomen achter de troepen aan de Essonne, en sprak de officieren en onderofficieren daarna toe: “Soldaten, de vijand is ons drie marschdagen vóór geweest, hij is meester van Parijs. Daar moet hij vandaan gejaagd. Onwaardige Franschen, émigrés, die wij voorheen de zwakheid hebben gehad genade te schenken, hebben met hem gemeene zaak gemaakt en de witte cocarde op den hoed gestoken. Die lafaards zal het loon voor dezen nieuwen aanslag niet ontgaan. Laten wij zweren te overwinnen of te sterven en den hoon te wreken, het vaderland en onze wapenen aangedaan.”
“Dit zweren wij!” was het antwoord, vol geestdrift en hartstocht gegeven. Toen werd voor hem gedefileerd.
Nauwelijks was hij de trap van ’t paleis weder op of de maarschalken staken de hoofden bij elkander. Wat hij voornemens was te doen was gekkenwerk! Het moest hem worden belet.—De maarschalken werden door hun generaals en hoofdofficieren letterlijk voortgedrongen naar de deur van zijn kabinet, om hem de gehoorzaamheid op te zeggen. Zoover was het verzet zelfs reeds gevorderd, dat hier en daar een dreigend woord viel aan zijn adres, indien hij wagen dorst de maarschalken te doen arresteeren.
In ’t bijzijn o.a. van Berthier, Maret en de Caulaincourt stapte Napoleon driftig en luid sprekende, in zijn kabinet op en neer, toen Lefebvre, Oudinot en Ney zwijgend binnentraden. Op hun gelaat stond te lezen wat er in hun gemoed omging. Wederom ontvouwde hij hun zijn plannen; hij sprak van één laatste krachtsinspanning, die hun dan rust zou schenken na vijf en twintig jaar arbeid. Zijn woorden troffen echter geen doel.
“Wilt ge dan dienen onder de Bourbons?” Een levendig protest was het antwoord. “Gaarne onder den Koning van Rome,” riep Ney. Juist betoogde Napoleon, dat de keizerin zich als regentes geen uur zou kunnen staande houden, en dat de Bourbons dan binnen veertien dagen de baas zouden zijn, toen Macdonald, even te voren aangekomen, met een open brief in de hand binnentrad. In dien brief bezwoer de Beurnonville zijn ouden vriend in naam hunner vriendschap en van zijn huisgezin zich los te rukken van een tiran, die thans nog slechts een rebel was, en zich te geven aan de Bourbons, die met den vrede in de eene, de vrijheid in de andere hand, op het punt stonden in Frankrijk terug te keeren.
Op de vraag van wien die brief was, en op Macdonalds antwoord, dat hij geen geheimen voor zijn Keizer had, moest Maret het schrijven hardop voorlezen. Onder een minachtend zwijgen luisterde Napoleon.—“De Beurnonville en zijn gelijken zijn niets dan intriganten, die met de bondgenooten onder één deken liggen en een tegenomwenteling op het oog hebben,” zeide hij ten slotte en begon weder over den tocht naar Parijs te spreken.
“Maar als de soldaten dan weigeren te volgen,” waagde Macdonald te zeggen.
“Dit zou dan de schuld zijn van de heeren hier. Mij zouden ze wèl volgen.”
Daarop zond hij de maarschalken weg. Hij wilde nadenken.
Veel tijd nam hij hiervoor niet. Na een kortstondig gesprek met Maret en de Caulaincourt, waarbij hij o. a. zijn gevoeligheid toonde over dien brief, greep hij een pen:
“Dewijl de verbonden mogendheden hebben verkondigd, dat Keizer Napoleon de eenige hinderpaal is voor het herstel van den vrede in Europa, verklaart Keizer Napoleon, getrouw aan zijn eed, dat hij bereid is afstand te doen van den troon van Frankrijk en desnoods zelfs het leven te laten voor het heil des lands, onafscheidelijk als dit is verbonden met de rechten van zijn zoon, niet die van het regentschap der Keizerin en met de handhaving der wetten van het Keizerrijk. Gedaan, in ons paleis van Fontainebleau, den 4en April 1814.
Napoleon.”
Met de opdracht aan Marmont te vragen of hij hen naar Parijs wilde vergezellen, begaven de Caulaincourt, Macdonald en Ney, die dit staatsstuk naar keizer Alexander brengen en de rechten van het regentschap bepleiten zouden, zich naar Essonnes. Hier vernamen zij van Marmont, dat hij met Schwartzenberg onderhandeld en zich verbonden had, het leger des Keizers te verlaten. Zij verbaasden zich, Marmonts eigenliefde kennende, niet al te zeer over deze daad, togen met hem naar Parijs, en gaven Talleyrand kort en bondig te kennen, dat zij maling hadden aan zijn nieuwbakken Voorloopig Bewind. Hierna spraken zij met Alexander, die in zijn gemoed met den terugkeer der Bourbons in geenen deele was ingenomen en wel iets gevoelde voor een regentschap, maar tenslotte moesten zij toch onverrichter zake vertrekken.
De daad van Marmont was bekend geworden. Het leger was vleugellam geslagen; de vrees voor een aanval van Napoleon op Parijs verdween; en toen zijn gevolmachtigden, nog ziedende van verontwaardiging over ’t geen zij ginds gehoord en gezien hadden, bij hem terugkeerden, konden zij hem alleen mededeelen, dat zijn voorwaardelijke abdicatie niet was aangenomen en dat een onvoorwaardelijke werd geëischt.
Diep getroffen, omdat hij behandeld werd als een vogelvrij-verklaarde, met wien men niet verkoos te onderhandelen, weigerde hij aanvankelijk volstandig hiertoe over te gaan en somde al de korpsen op, die uit Italië en uit Spanje onder Grenier, Soult en Suchet naar hem op marsch waren. Zelfs stelde hij zijn generaals voor met zijn geheele macht terug te gaan tot achter de Loire.
Hun uitroep vol ontsteltenis: “Of hij Frankrijk in tweeën splitsen en een burgeroorlog beginnen wilde!” belette hem echter voort te gaan. De woedende strijd in zijn binnenste was op zijn gelaat zichtbaar.
Als hij ook zijn voorstel om hem te volgen naar de Alpen, naar Italië, met een dof gemor of een somber zwijgen beantwoord zag, gaf hij den strijd op.
“De heeren verlangen naar rust. Welaan, deze zij hun geschonken! Welke smarten hen op hun donzen bed wachten, weten zij nog niet. Hebt maar een jaar of wat geduld, dan raapt de dood u nog sneller weg dan in een veldtocht,” zeide hij en trad naar een tafeltje, schreef een verklaring, dat hij voor zich en zijn nakomelingen afstand deed van den troon van Frankrijk en van Italië en zond dezelfde deputatie daarmede naar Parijs terug.
Met uitbundige vreugde werd dit stuk door Talleyrand en zijn clique ontvangen. Alle vrees voor den Corsicaanschen Menscheneter, zooals men Napoleon in die dagen heeft betiteld, was nu geweken. Geen Nero, geen Robespierre werd nu zoo vervloekt als hij; al het goede was op eens vergeten. Alleen de gloeiende haat was aan ’t woord. De Chateaubriand goot nog olie in dezen laaien gloed met een pamflet, waarin hij hem van de laagste ondeugden en misdaden betichtte.
De Keizer was inmiddels te groot om zich niet boven zulke onwaardige taal verheven te gevoelen; ook kende hij zich zelf te goed om niet te weten, dat die haat van een natie, welke hem zooveel jaren schier aangebeden had, niet geheel onverdiend was.
Den 6en April kon men in het Bulletin des Lois kennis nemen van de nieuwe grondwet. “Uit vrije beweging”2 riep deze Louis-Stanislas-Xavier van Frankrijk en na hem de leden van zijn geslacht naar den troon.
Den 11en werd beslist over het lot van Napoleon zelf. Hij moest afstand doen van de souvereiniteit over Frankrijk en Italië. Het eiland Elba werd hem levenslang afgestaan; jaarlijks zouden hem twee millioen francs, waarvan de helft naar verkiezing af te dragen aan de keizerin, worden uitgekeerd. De hertogdommen Parma, Piacensa en Guastalla kwamen aan deze en haar zoon. Het jaargeld van Joséphine werd met de helft verminderd. Eindelijk werd hem toegestaan vierhonderd man van zijn garde mede te nemen.—Aan geld en geldswaarde bezat hij op dat oogenblik nog geen drie millioen francs; hiervan zou hij ginds zijn soldaten moeten onderhouden en in den dienst van zijn huishouden voorzien!