Reeds een paar maal spraken we van opstanden te Parijs, waarbij de Tuilerieën door het volk werden bestormd; mogelijk bewijzen wij den lezers een dienst met in ’t kort na te gaan, wat er in de jaren 1789–1795 in Frankrijk voorviel.
De oorzaken van de Fransche Omwenteling voeren ons terug naar den tijd van Lodewijk XIV (1643–1715), onder wien Frankrijk tot een der machtigste staten van Europa werd gemaakt. Getrouw aan zijn eenmaal gesproken woorden “l’Etat, c’est moi”1 regeerde hij volkomen absoluut en had den adel, die in den Frondeoorlog reeds veel geleden had, tot uitsluitend hofadel teruggebracht. Colbert zorgde voor de uitbreiding van de handelsvloot, een krachtige oorlogsmarine en het stichten van groote havens als Duinkerken, Brest, Toulon enz.; Louvois, zijn minister van oorlog, wist het leger tot een groote kracht te maken, waarmede ongeveer een kwart eeuw de strijd werd aangebonden met de staten van Europa.
Wel waren uitbreiding van het land naar ’t Noorden en Oosten, het stichten van koloniën in de verschillende werelddeelen hiervan o.a. het gevolg, maar die voordeelen werden gekocht voor groote opofferingen, welke het land uitputten, terwijl de wreede vervolgingen der protestanten Frankrijk nog beroofden van 400.000 harer beste onderdanen, meenemende een schat op het gebied van kapitaal en industrie, hetgeen aan Pruisen, Nederland en Engeland, waar de emigranten zich vestigden, ten goede kwam. De zonnekoning deed Europa verbaasd staan door zijn overwinningen in de oorlogen, door de luxe aan zijn hof, door de prachtige werken, die in ’t land werden aangelegd, maar Frankrijk droeg er de lasten van en Lodewijk XV aanvaardde de regeering met een schuld van bijna een milliard. En deze vorst?
Toen hij nog jong was, opende zijn gouverneur eens de vensters van het paleis en zei, het kind op de menigte wijzende, die zich voor het paleis had verzameld: “Al dat volk is voor U.” Opgevoed in een omgeving, waar men doordrongen was van het beginsel, eens door zijn voorganger uitgesproken, kon men wèl hopen, niet veel verwachten.
De toestand werd er niet beter op; de financieele operaties van John Law vernietigden het crediet van den staat en ruïneerden tal van kleine renteniers; de zevenjarige oorlog kostte Frankrijk behalve veel menschenlevens en geld, nog haar beste koloniën in Amerika en Azië; de zedeloosheid van het hof werd het schandaal van dien tijd en het volk, dat den vorst eens den naam van “Louis le Bien aimé” had gegeven, werd met haat en afkeer vervuld van den koning, die niet minder tiranniek als zijn voorganger regeerde.
Groot was de blijdschap, toen zijn dood in Frankrijk bekend werd en de teugels van het bewind in handen kwamen van zijn kleinzoon Lodewijk XVI (1774–1792), van wien men in het begin nog al goede verwachtingen had.
Zou hij veranderingen aanbrengen? Wat viel er niet te verbeteren! De macht van den vorst was onbeperkt, uitvoerende en wetgevende macht berustten bij den koning; het volk had geen invloed op de regeering, kende evenmin staatkundige rechten; de rechterlijke macht was niet onafhankelijk en meermalen werd in de rechtspraak door den vorst ingegrepen, terwijl de beruchte “lettres de cachet” zonder eenigen vorm van proces iemand in de gevangenis brachten; ze werden wel in blanco verstrekt, zoodat men ze dan zelf kon invullen! De belastingen waren drukkend, ongelijk verdeeld en werden geïnd door middel van een pachtstelsel; soms moesten ze twee keer in een jaar worden opgebracht, terwijl het grootste gedeelte van de opbrengst niet in de schatkist vloeide, maar door hof en adel werd opgemaakt.
Het volk was verdeeld in standen met verschillende rechten en plichten; allereerst kwamen adel en geestelijkheid, die, hoewel zij minstens twee derden van het land bezaten, niet alleen geen belastingen opbrachten, maar nog tal van privileges bezaten en tevens heerlijke rechtspraak uitoefenden; zij waren eigenaars van de molens, de ovens en de wijnpers; ze mochten tollen, marktrechten, belastingen in natura en corveeën eischen. Kortom zij genoten wel al de voordeelen, maar het dragen van de lasten der maatschappij kenden ze niet. Kenmerkten ze zich door uiterlijke vormen en beschaving, ook door zedelijk bederf; weelde, genotzucht en eerzucht waren hun hoofdeigenschappen en aan hun roeping, voorgangers en leiders van het volk te zijn, voldeden ze niet meer. Alleen de lage geestelijkheid maakte hierop een uitzondering, maar deze was te arm en te weinig ontwikkeld om grooten invloed uit te oefenen. Behalve deze bevoorrechten had men nog den 3en stand, waartoe zoowel ambtenaren, groothandelaren en industrieelen, als handwerkers, vrije boeren en loonarbeiders behoorden. Wel kon men onder deze 25 millioen twee elementen onderscheiden, n.l. de bourgeoisie en het lagere volk, maar zij waren bij het begin der omwenteling onverdeeld, gingen samen strijden tegen de privileges en misbruiken van hof, adel en geestelijkheid, bewust als zij zich waren van hun gemeenschappelijken vijand.
De toestand onder het ancien régime was wel ellendig en werd vooral aan het licht gebracht door den invloed van groote denkers en schrijvers als Voltaire, Rousseau, Montesquieu en de Encyclopedisten Diderot en d’Alembert, mannen, meest allen overleden, voordat de omwenteling begon, maar die in hun geschriften de bestaande toestanden aanvielen en middelen gaven ter verbetering.
Het was zoo waar, wat Lord Chesterfield reeds in 1754 zei:
“Kortom alle verschijnselen, die ik ooit in de geschiedenis als voorboden van groote staatsveranderingen en omwentelingen aangetroffen heb, worden thans in Frankrijk gevonden en nemen nog dagelijks toe.”
Was Lodewijk XVI nu een verlichte, krachtige figuur geweest, die den toestand juist inzag, zich wist te omringen door kundige, doortastende raadslieden, die de nooden des volks begrepen, hierin verbetering wilden brengen en hierbij door hem werden gerugsteund, dan was de omwenteling waarschijnlijk niet door stroomen bloeds onteerd. Aan deze voorwaarden voldeed de koning echter niet.
Goedhartig en zwak, wel vervuld met de gedachte aan zijn verplichtingen, doch onbeduidend en wankelmoedig, zullen we hem nooit flink zien doortasten, wanneer dit noodig is. Hij, die wel een steuntje noodig had, werd ook niet door zijn omgeving geholpen. Zijn vrouw Marie Antoinette, een dochter van Maria Theresia, als Oostenrijksche reeds weinig bemind, was veel te onnadenkend en te hooghartig om hem in zijn moeilijke taak bij te staan; zijn jongste broer de Graaf van Artois, een levenslustig edelman, vormde steeds het hoofd der oppositie tegen alle hervormingen en ook de Graaf van Provence, hoewel veel gematigder van karakter, werkte den koninklijken broeder tegen.
Lodewijk XVI begon met de ministers van zijn voorganger te ontslaan, benoemde wel tot controleur-generaal van de financiën Turgot, een rechtschapen, eerlijk man, die zich reeds tevoren door zijn geschriften had bekend gemaakt, doch droeg de leiding der buitenlandsche zaken op aan Maurepas, “de Papegaai van het Regentschap,” een volbloed hoveling, uit welke benoeming al dadelijk de besluiteloosheid van den koning bleek.
Een reeks van hervormingen volgde spoedig op elkaar, maar hoe kon Turgot heerendiensten afschaffen, tolrechten opheffen enz., wanneer niet de bevoorrechte standen inzagen, dat zij ten bate van het algemeen van vele hunner privileges afstand moesten doen. Zij dachten er niet over en ofschoon de koning eens had gezegd:
“Er zijn maar twee menschen, die het goed meenen met Frankrijk, dat zijn Turgot en ik,” kreeg deze in 1776 zijn ontslag en werd vervangen door Necker, een bankier uit Genève. Deze had met dezelfde bezwaren als zijn voorganger te kampen, maar het gelukte hem eenige millioenen te leenen, die in den Noord-Amerikaanschen Vrijheidsoorlog verdwenen, en toen hij in zijn Compte Rendu au Roi den slechten financieelen toestand van Frankrijk openbaar maakte, was het met zijn rijk uit en viel ook hij door het verzet der hoogere standen. Inmiddels duurde de oorlog in Amerika voort en zagen vele Franschen als Lafayette e.a., hoe de nieuwe ideeën daar hun toepassing vonden bij de stichting van de Republiek der Vereenigde Staten, doch Frankrijks regeering trok er geen les uit.
Calonne, die Necker was opgevolgd, wist nog honderd millioen te leenen, waarvan nauwelijks een vierde in de schatkist terecht kwam. “Wanneer ik iedereen de hand zie ophouden om wat te krijgen, houd ik mijn hoed bij,” zei de Graaf van Provence; in zijn hoed kwamen vijf en twintig, in dien van den Graaf van Artois zes en vijftig millioen!
Een vergadering der notabelen, in ’t begin van 1787 bijeengeroepen om over den toestand te beraadslagen, bracht geen verbetering. Samengesteld uit de bevoorrechte klassen, was zij tot het brengen van offers aan de schatkist niet te vinden. Zelfs vergrootte zij het gevaar, want door haar werd thans wereldkundig, dat de staatsschuld meer dan anderhalf milliard bedroeg en dat er op de begrooting een jaarlijksch tekort was van honderdveertig millioen.
Het eenige middel om Frankrijk voor een staatsbankroet te vrijwaren scheen nu te zijn de bijeenroeping der Etats-Généraux, waarop reeds meermalen was aangedrongen. De koning had den adel verzocht te bezuinigen, de parlementen belastingen in te schrijven, de kapitalisten leeningen te sluiten; ten slotte had hij zich tot de notabelen gewend, om een deel der staatslasten te dragen; allen hadden geweigerd. Nu was hij wel gedwongen zich tot geheel Frankrijk te richten en riep daarom de Etats-Généraux tegen den 5en Mei te Versailles bijeen, terwijl de koning na lang aarzelen, op voorstel van Necker, die inmiddels was teruggeroepen, had bepaald, dat de derde stand evenveel leden zou afvaardigen als de adel en de geestelijkheid te zamen.
Uit de vaststelling van dit aantal moest nu ook, wilde de verdubbeling van den 3en stand eenige waarde hebben, de stemming per hoofd volgen, maar deze quaestie was echter nog niet door Necker opgelost. Het gevaarlijke van deze besluiteloosheid zag men pas later in.
Door deze regeling stond de omwenteling voor de deur.
De verkiezingen, waarop van regeeringswege geen invloed werd uitgeoefend, hadden plaats ongeveer op de wijze, zooals dat in 1614 was geschied; directe keuze van adel en geestelijkheid, trapsgewijze voor den 3en stand.
De afgevaardigden kregen lastbrieven, z.g. cahiers mee, waarin de wenschen der kiezers waren uitgedrukt; in die van den 3en stand vroeg men stemming per hoofd, waarborgen voor beter financieel beheer, opheffing of verplichte afkoop der feodale rechten, gelijkheid op ’t gebied der belastingen, afschaffing van de pijnbank en de doodstraf; in enkele van hun cahiers eischte men de erkenning, dat de 3e stand het volk, de natie is, een idee uitgedrukt in de bekende brochure van Siéyès. “Wat is de 3e stand? Niets. Wat moet hij zijn? Alles.”
Opmerkelijk, alle cahiers erkenden, dat de koninklijke macht, erfelijk in mannelijke lijn, moest worden behouden. De 3e stand was dus in 1789 volkomen royalistisch.
De cahiers van adel en geestelijkheid droegen sporen van verdeeldheid; wel waren er, die ook belasting voor de hoogere standen inhielden, maar stemming per stand, niet hoofdelijk stond op hun programma. De groote dag brak aan. Een ontzettende menigte stroomde den 5en Mei naar Versailles, om van het schouwspel getuige te zijn; alle tribunes in de vergaderzaal waren stampvol. Daar traden ze binnen, de afgevaardigden, samen bijna 1200 in getal. Reeds deed het verschil in costuum tusschen de drie standen pijnlijk aan; de geestelijkheid in plechtgewaad, de adel in ’t zwart met goudlaken vest en mouwopslagen en witte pluimen op den hoed; de derde stand eenvoudig in ’t zwart zonder eenig versiersel. De koning had dit bevolen. Gevolgd door het geheele hof en bij zijn komst geestdriftig toegejuicht, opende de koning de vergadering met eenige nietszeggende woorden, hield evenals Necker een redevoering, waarin over groote hervormingen niet werd gesproken, de stemming per stand of per hoofd wel werd aangeroerd, doch niet opgelost; tegen “gevaarlijke nieuwigheden” moest worden gewaakt; alleen bleek, dat de Etats-Généraux vooral waren opgeroepen om in den bestaanden geldnood te voorzien.
Welk een teleurstelling! Waren ze daarvoor naar Versailles gekomen? Of zou Mirabeau’s woord: “Het tekort is de schat der natie” in vervulling gaan en de geldnood benuttigd worden om een Constitutie te krijgen?
Reeds den volgenden morgen begon de strijd over het onderzoek der geloofsbrieven. De derde stand verlangde, dat dit zou plaats hebben in de volle vergadering, dus samen met adel en geestelijkheid. Deze, in een afzonderlijk lokaal vergaderd, verzette zich hiertegen. Pogingen om tot een vergelijk te komen mislukten; intusschen wachtte de derde stand, op aanraden van Mirabeau, geduldig maar vastberaden en dicht aaneengesloten op een beslissing.
Vastbesloten zich te verklaren tot een vergadering, die het geheele volk vertegenwoordigde, bezwoer de derde stand in de ochtendzitting van den 28en Mei de geestelijkheid, in naam van den God des vredes en van het algemeen belang, mede te werken.
Het hof bevreesd geworden, dat de geestelijkheid aan dezen oproep zou voldoen, deed weder onderhandelingen beginnen. Zoo verliepen eenige weken. ’t Werd 10 Juni.
Op dezen datum begon de lawine der omwenteling haar val.
Begrijpende, dat de tijd tot handelen was gekomen, nam de derde stand toen van den abt Siéyès, een zijner vertegenwoordigers, een motie aan, die aan de zaak een einde maakte. Adel en geestelijkheid werden n.l. uitgenoodigd in de zittingzaal te verschijnen, om tegenwoordig te zijn bij het onderzoek der geloofsbrieven, “welk onderzoek in elk geval, mèt of zònder hun bijzijn, thans zou plaats hebben.”
Dit stoute optreden werd den 17en Juni weder op voorstel van Siéyès, door een krachtiger besluit gevolgd. De derde stand constitueerde zich tot een Nationale Vergadering; geen statenvergadering was er meer, voor het gansche volk trad hij op.
Weg waren de drie standen, verdwenen uit het staatsbestuur! Zoolang het onderzoek der geloofsbrieven niet had plaats gehad in den door hen verlangden vorm, erkende de derde stand de beide andere niet meer.
Het eerste besluit, dat de Vergadering nam, was een daad van souvereiniteit, want ze stelde de ondeelbaarheid vast van het wetgevende lichaam en maakte de twee bevoorrechte standen hiermede van haar afhankelijk.
Hoe het hof voorloopig in bedwang moest worden gehouden, was nu de vraag. De Vergadering verklaarde de uitgeschreven belastingen daarom voor onwettig, maar—beval die te blijven innen, zoolang zij zitting hield. Tevens garandeerde zij de nationale schuld en stelde de kapitalisten daardoor gerust, eindelijk voorzag ze in den nood der volksklasse door het benoemen van een comité voor levensbehoeften.
Nam de bevolking vol geestdrift kennis van dit bedachtzame, doch krachtige optreden, het hof en de hoogere standen voelden zich voor de keuze gesteld: onderwerpen of toevlucht nemen tot geweld en ze raadden den koning tot dit laatste; wat dacht men nu wel, een koning bij de gratie Gods de wet te kunnen stellen?
Na lang beraad besloot de vorst nogmaals een koninklijke zitting te houden en vreezende, dat de meeste geestelijken, in den tijd, noodig om de zalen in orde te brengen, gemeene zaak zouden maken met den derden stand, liet de koning de vergaderzaal zoolang sluiten.
Den 20en Juni vond de derde stand de deuren gesloten, de gewapende macht ervoor!
Niet hier, dan ergens anders, was terstond het wachtwoord. Met den president Bailly voorop, toegejuicht door het volk, zelfs begeleid door enkele soldaten, toog de derde stand reeds versterkt door tal van geestelijken, naar een nabijgelegen kaatsbaan. Hier zwoeren alle afgevaardigden, het hart vol van de heiligheid hunner zending, met opgeheven hand, “niet uiteen te gaan, voordat ze aan Frankrijk een Grondwet hadden geschonken.”
Den volgenden morgen was ook de kaatsbaan gesloten; de prinsen hadden die afgehuurd. Thans richtte de stoet zich naar de kerk van St. Louis. Voor het hof was de bom verkeerd gesprongen.
Den 23en was ’t weer koninklijke zitting. Troepen omringden de vergaderzaal! De gepriviligeerde standen traden het eerst binnen, daarna de derde stand, na een uur in den regen gestaan te hebben; de tribunes waren onbezet, de toegang was verboden. De geestelijkheid zat links, de adel rechts, de derde stand in het midden der zaal, alles als op 5 Mei, maar toch welk een verschil! Thans was de derde stand zich bewust van zijn roeping, de vertegenwoordiging te wezen van geheel de natie. Met allen luister van het ancien régime komt de koning de vergaderzaal binnen; een doodsche stilte ontvangt den vorst. Op hoogen toon uit hij zijn ontevredenheid over de ontstane breuk; verklaart alle op 17 Juni genomen besluiten nietig, gelast standsgewijze te vergaderen, dreigt met ontbinding en in geval van tegenstand, met ernstige maatregelen, beveelt ten slotte de afgevaardigden uiteen te gaan.
De koning vertrekt met zijn gevolg; adel en geestelijkheid volgen zijn voorbeeld; de derde stand blijft zwijgend, roerloos zitten.
De groot-ceremoniemeester de Brézé, bemerkende, dat niet door alle leden aan den last van zijn vorst werd voldaan, kwam terug en zei aan den president: “Mijnheer gij hebt het bevel van den koning gehoord?”
Toen stond Mirabeau, de afstammeling van een der oudste adellijke geslachten van Frankrijk, maar een volbloed aanhanger der volkspartij, op, en zei aan de Brézé, dat hij geen plaats in deze vergadering had, noch recht van spreken en verder: “Ga aan uw meester zeggen, dat wij hier zijn door den wil van de natie en dat wij alleen van hier gaan door de kracht der bajonetten.”
“Wij zijn heden, wat we gisteren waren, laten wij voortgaan met beraadslagen,” liet Siéyès hierop volgen.
Kalm en vastberaden toog men aan den arbeid; alle genomen besluiten bleven gehandhaafd, terwijl op voorstel van Mirabeau de onschendbaarheid van de leden der Vergadering werd afgekondigd.
En de koning? Toen de Brézé hem overbracht, wat Mirabeau had gezegd, gaf hij ten antwoord: “Als ze niet willen heengaan, moeten ze er maar blijven.” Den 23en Juni 1789 ging het koninklijke gezag in Frankrijk verloren.
Dit krasse verzet had de koning niet verwacht, hij gaf toe; Necker, eerst ontslagen—aan de zitting had hij geen deel willen nemen—werd nogmaals teruggeroepen en de bevoorrechte standen ontvingen het verzoek, thans het verzet te staken en zich met den derden stand te vereenigen.
Zoo had alles nog terecht kunnen komen. Met voorzichtigheid en eerlijkheid had de goede verstandhouding tusschen de kroon en de Vergadering hersteld kunnen worden, doch van den eersten schrik bekomen, ried het hof den zwakken vorst thans met geweld te beproeven, wat met een vertoon van gezag niet was gelukt.
Wederom gaf Lodewijk aan dezen slechten raad gehoor. Troepen werden rondom Parijs samengetrokken. Al die vreemde regimenten, wier trouw aan den koning spreekwoordelijk was geworden, begonnen in de hoofdstad echter onrust en wantrouwen te wekken. De Vergadering gaf den koning dus in eerbiedige, doch manmoedige taal in overweging, die troepen naar hun garnizoenen te doen terugkeeren. Een weigering was hierop het antwoord.
In den tuin van het Palais Royal, door den Hertog van Orleans voor het publiek opengesteld, hoorde men reeds heftige redevoeringen en waarschuwde Camille Desmoulins in opruiende taal het volk voor de door het hof genomen maatregelen. Den 12en Juli verspreidde zich te Parijs het gerucht, ’t geen waarheid bleek te bevatten, dat Necker nogmaals was ontslagen en in een nieuw ministerie o.a. was benoemd, de bij het volk zoo beruchte Foulon.
Op een verzoek van het volk om brood, had hij eens geantwoord: “Als ze honger hebben, moeten ze maar gras eten!”
Nu volgden daden van geweld te Parijs.
Daar eischte men reeds een burgerwacht en de kiezersvergadering, die sinds eenigen tijd op het stadhuis zitting hield, bracht dit verzoek, aan de Vergadering over, die toegaf.
Parijs wapende zich; de smeden werkten dag en nacht; het Huis der Invaliden werd geplunderd en de geweren, daar gevonden, verdeeld; de klokken van het stadhuis en van de kerken riepen de bevolking te wapen. Standjes tusschen de gardes françaises en de vreemde troepen hadden plaats.
In den morgen van den 14en Juli trokken gewapende benden uit de voorstad St. Antoine onder den kreet “Naar de Bastille” in de richting van de staatsgevangenis, die achter haar zware, sombere muren in vroeger tijden zooveel ongerechtigheden had zien gebeuren, waar zooveel onschuldigen door een “lettre de cachet” waren geherbergd geweest en van waaruit de kanonnen op de stad gericht heetten.
Verzocht, de sterkte over te geven, weigerde de gouverneur De Launay hieraan te voldoen. Toen werd storm geloopen, de bezetting voor een deel over de kling gejaagd, De Launay onthoofd. Binnen enkele weken was de Bastille met den grond gelijk gemaakt. Merkwaardige gebeurtenis! Het materieele symbool van het ancien régime was gevallen, welk feit niet naliet grooten indruk op de tijdgenooten te maken en daaraan vooral dankt het zijn historische beteekenis.
Nog altijd is 14 Juli Frankrijks feestdag; dan wappert de in die dagen ontstane tricolore, het rood en blauw, de kleuren van de stad Parijs met het wit, die der Bourbons.
Van het gebeurde onderricht, ontstelde de koning geducht. Hij begaf zich naar de zittingzaal der Vergadering, beloofde de troepen te doen vertrekken, Necker terug te roepen en zelf van Versailles naar Parijs te gaan om hier rust te brengen en de genegenheid der bevolking te herwinnen. Den 17en Juli volvoerde hij dit plan. Voorafgegaan door een honderdtal leden van de Vergadering, omgeven door gewapende nationale gardes, de pas opgerichte burgerwacht, reed hij zonder escorte naar het stadhuis. Al de gezichten stonden somber en strak.
Maar wat is het Parijsche volk? Hoe weinig is er vaak noodig, het van stemming te doen veranderen! Toen het zag, dat hij de nieuwgekozen cocarde uit de handen van den pas benoemden burgemeester Bailly aannam en op den hoed zette; toen het zag, dat hij zonder garde tot zijn bescherming, tusschen de menigte door, de trappen van het stadhuis besteeg, barstte het uit in vreugdekreten en daverde het: “Leve de koning!” weder als een zegekreet door de lucht. De verzoening scheen volkomen.
Nadat hij de benoeming van Bailly tot burgemeester (maire) van Parijs en van den generaal Lafayette, uit den Amerikaanschen vrijheidsoorlog welbekend, tot commandant der nationale garde, goedgekeurd en op deze keuze des volks zijn stempel gedrukt had, keerde hij naar Versailles en zijn in doodelijke onrust verkeerende familie terug.
Het gebeurde te Parijs bleef niet zonder uitwerking op de overige steden van Frankrijk. Overal werden bataljons nationale gardes opgericht, gemeentebesturen, uit de kiezers-comité’s gekozen, ingesteld; op het platte land werd het een ware stormloop tegen de kasteelen van den adel, die hier uitgeplunderd, elders in vlammen opgingen, een uiting van den haat der boeren tegen de feodale rechten, de drukkende corveeën enz. Behalve in de Vendée, waar het landvolk zijn heeren getrouw bleef, was het een ware anarchie, waartegen, dit zag de Vergadering wel in, krachtige maatregelen noodig waren.
Ten einde verbetering te brengen op het platte land werd in den gedenkwaardigen nacht van 4 op 5 Augustus door alle voorrechten van adel en geestelijkheid een streep gehaald. De burggraaf de Noailles en de hertog d’ Aiguillon gaven het voorbeeld en stelden de afschaffing voor van alle heerendiensten en den afkoop van alle feodale rechten. Anderen volgden; binnen enkele uren waren alle misbruiken verdwenen. Geen tienden, geen pensioenen meer zonder geldige aanspraken, geen handel in vette baantjes enz. Ook de provincies en steden deden afstand van hun privileges en keuren. Het oude Frankrijk werd gesloopt.
In weinige weken had de omwenteling een reusachtige schrede voorwaarts gedaan. De 17e Juni had de drie standen zien verdwijnen; toen waren de Etats Généraux overgegaan in een Nationale Vergadering; de 23e Juni was de sterfdag geweest van den zedelijken invloed der kroon, de 14e Juli die van haar stoffelijke macht. De eerste berustte thans bij de Vergadering, de laatste bij het volk. De besluiten van den 4en op den 5en Augustus hadden de kroon gezet op het werk.
Dat deze en later gevolgde, in het staatkundige en administratieve raderwerk van den staat zoo diep ingrijpende besluiten lang niet altijd met groote meerderheid van stemmen werden aangenomen, behoeft echter geen betoog. De meerderheid van den adel en de hooge geestelijkheid, die bij den nieuwen gang van zaken slechts kon verliezen, die in den waan verkeerde, dat weldra alles tot den vorigen toestand zou zijn wedergekeerd, werkte tegen, wat zij kon, woonde de zittingen niet bij of trachtte deze te storen. Men werkte juist hierdoor het hardste mede tot den val van het koningschap en tot hun eigen ondergang, want zij deden de verbittering der volksklasse tegen hen ten top stijgen en gaven door hun wegblijven de republikeinsgezinden in de vergadering de gelegenheid, besluiten te nemen, die vaak wijdere strekking hadden dan de voorstemmers bedoelden.
Wat het hof betreft, de prinsen van Condé en Conti hadden het voorbeeld van ’s konings broer, den Graaf van Artois, reeds gevolgd en waren het land uitgeweken; de koning vernam met onverholen spijt de besluiten door de Vergadering genomen en aarzelde zijn goedkeuring te hechten aan de Verklaring van rechten van den mensch en den burger, waarin naar het voorbeeld van de Amerikanen, verschillende politieke denkbeelden werden ontwikkeld, die de grondslag van de constitutie moesten vormen.
Het scheen wel, dat allerlei omstandigheden moesten samenwerken om den stand van zaken nog hachelijker te maken; misgewas, hagelslag, de slecht geregelde aanvoer van graan waren oorzaak, dat er onder de lagere volksklasse te Parijs bittere nood ontstond, er werd honger geleden. Tevens werd bekend, dat den 1en October in het kasteel te Versailles door de officieren van de lijfwacht aan die van het nieuw in garnizoen gekomen regiment Vlaanderen een luisterrijk feestmaal was aangeboden. De koning en de koningin waren in de zaal verschenen en met geestdrift ontvangen; bij die gelegenheid zou de driekleurige cocarde afgerukt, vertrapt en door de witte, die der Bourbons vervangen zijn. Geruchten hadden reeds de ronde gedaan, dat het hof voornemens was den koning naar Metz te voeren en dat het nieuw gekomen regiment alleen diende om, als de kans gunstig was, de Vergadering uiteen te jagen.
Was den 4en October de gisting reeds sterk, den 5en nam ze nog in hevigheid toe. De bakkers hadden geen brood meer; groote troepen hongerige vrouwen stroomden naar het stadhuis om hierover bij den gemeenteraad te klagen, doch hier geen uitkomst vindende, zette de menigte zich onder leiding van Maillard, een der hoofdpersonen van den 14en Juli, in beweging in de richting van Versailles. Steeds geweldiger werd de volkshoop, die, van allerlei wapens voorzien, zich op weg begaf naar de Vergadering en de verblijfplaats van den vorst; zelfs kanonnen werden op karren meegesleept.
Te Versailles gekomen en, door een hoop vrouwen vergezeld, in de Vergadering toegelaten, diende Maillard hier zijn beklag in over den hongersnood in de hoofdstad. De koning ontving een deputatie uit de vrouwen, die de belofte kreeg, dat in den nood zou worden voorzien. Op aandrang van Mounier, president van de Vergadering, besloot de koning na lang aarzelen de besluiten goed te keuren. Men hoopte hiermede de gemoederen te bedaren. Doch tevergeefs. In den morgen van den 6en October waren er schoten gewisseld en enkele gardes gedood, reeds had men een aanval op het kasteel gedaan, waarbij zelfs de koningin een oogenblik in levensgevaar verkeerde. De komst van Lafayette met de Nationale Garde bracht uitkomst voor de koninklijke familie; de koning en zijn door het volk zoo gehate gemalin moesten zich op het balkon vertoonen en het slot van het drama was, dat aan den volkswil werd voldaan en de koninklijke familie, begeleid door honderd afgevaardigden zich op weg naar de hoofdstad begaf om daar, door Lafayette bewaakt en beschermd, haar intrek in het paleis der Tuilerieën te nemen.
Men was komen vragen om brood en had ten slotte den koning (bakker) meegenomen.
De Constituante, zooals de Vergadering in die dagen werd geheeten, verlegde haar zetel nu ook derwaarts, en begon weldra haar zittingen te houden in de Manége van het paleis, een groot houten gebouw, dat voor een vergadering zoo goed als alle eigenschappen miste.
Had men tot nu toe in Versailles het politieke centrum der revolutie gehad, terwijl zich te Parijs de hoofdhaard der omwenteling bevond, thans was alles in de hoofdstad geconcentreerd, hetgeen van grooten invloed is geweest op het verdere verloop der omwenteling.
De emigratie nam na den 6en October reusachtige verhoudingen aan; duizenden edelen vluchtten naar Turijn, waar de graaf van Artois zich ophield; een nog grooter getal verzamelde zich te Coblentz en begon van hier uit het buitenland tegen Frankrijk op te zetten; ook de hertog van Orleans, een neef des konings, die aan het hof niet gezien was en zelfs verdacht werd met het volk te heulen, verliet, door Lafayette overgehaald, het land.
Onafgebroken zette de Constituante inmiddels haar arbeid voort. Zoo decreteerde zij o.a. gelijkheid voor de wet voor alle staatsburgers zonder onderscheid van rang of stand en de verplichting van allen tot het betalen van belasting; de verbeurdverklaring van al de geestelijke goederen (zij kwamen ter beschikking van den staat), de afschaffing van alle kloosters en geestelijke orden en de afschaffing der parlementen. Dan werd voor alle Franschen eenzelfde rechtspleging ingesteld, eindelijk het rijk gesplitst in 83 departementen, verdeeld in districten en gemeenten.
Den 4en Februari 1790 verscheen de koning vrijwel onverwacht, doch luide toegejuicht in de zittingzaal. Hij verklaarde de nieuwgetroffen regeling met alle macht te steunen, zijn zoon nu reeds tijdig op den nieuwen stand van zaken voor te bereiden en hem tevens te gewennen zijn geluk in dat van zijn volk te zoeken.
Parijs juichte over die woorden en was dien avond geïllumineerd; de goede verhouding tusschen vorst en volk scheen wederom hersteld.
De tijd leerde anders. Tusschen het hof en de geestelijkheid, die in hun verzet volhardden en de koningin, die naar de vertoogen van den rechtschapen Lafayette niet wilde luisteren, stond de koning. Deze was veel te zwak om zijn gezond verstand, dat hem ried met den toch niet te keeren stroom mede te gaan, te laten heerschen over zijn hart, dat hem dreef naar de emigrés en over zijn geloof, dat hem voerde naar de geestelijkheid. Juist de besluiten over de geestelijke goederen, die aan den staat waren gekomen en waardoor een volkomen verandering in de verhouding van staat en kerk ontstond, hadden den koning pijnlijk getroffen.2
In Juni vaardigde de Constituante een decreet uit tot afschaffing van alle adellijke titels, waardoor de woede van den adel ten top steeg. Den 14en Juli, op den verjaardag dus van den val der Bastille, was het Champ de Mars getuige van een indrukwekkende plechtigheid. Toen legden de koning benevens de deputaties uit alle departementen, in tegenwoordigheid van wel een half millioen juichende toeschouwers, met wapperende banieren om een reusachtig altaar geschaard, na een door Talleyrand, bisschop van Autun bediende mis, den eed op de nieuwe grondwet af. Aan Maria Antoinette werd een geestdriftige ovatie gebracht; ze hief den dauphin in de hoogte en riep: “Ook ik en mijn zoon deelen in de gevoelens van de natie.”
De verbroedering scheen dus algemeen; vreedzaam en rustig bewoog een reusachtige volksmenigte zich op den avond van dit federatiefeest bij ’t licht van een illuminatie in de Champs Elysées, maar die kalmte en die rust waren slechts schijnbaar.
Den volgenden morgen begon de strijd opnieuw; terwijl er reeds uit de Constituante een voorstel werd ingediend om ook de geestelijkheid een afzonderlijken eed op de constitutie te doen afleggen, werden tevens maatregelen genomen ter verbetering van het leger, de laatste steunpilaar van het koninklijk gezag. Ook hierin, vooral bij de infanterie heerschte sterke gisting. De officieren met hun chef, generaal Bouillé aan de spits, waren koningsgezind en met reden, want zij genoten al de gunstbewijzen; verdienste telde niet mee, protectie deed alles; de minderen, in de hoop op meer soldij en betere behandeling, hingen de volkspartij aan. Te Metz en daarna te Nancy brak een oproer uit, dat door Bouillé slechts met moeite werd onderdrukt. (31 Augustus.)
Necker zag, dat hij in den berooiden staat der schatkist geen verbetering kon brengen; de roekelooze financieele politiek der Constituante, die met de uitgifte van assignaten was voortgegaan, was tegen zijn zin; hij nam dus ontslag. Het ministerie werd heengezonden, omdat het ’t vertrouwen van de Vergadering had verloren. Duportails, de nieuwe minister van oorlog, ontnam Bouillé een groot deel van zijn gezag.
Van vluchten naar het leger of naar het buitenland had de koning tot nog toe niet willen hooren, al deed zijn omgeving hiertoe het voorstel; terwijl hij dien zomer verblijf hield te St. Cloud, was er wel gelegenheid, doch de vrees voor den burgeroorlog, als gevolg hiervan, had hem weerhouden.
Thans ziende, dat de Constituante schier dagelijks machtiger werd en vreezende, dat hem zelf weldra geen schaduw van gezag meer zou overblijven, begon hij over zulk een vlucht te denken. Hij polste dus Bouillé.
Intusschen werd in December een wet afgekondigd, waarbij alle geestelijken verplicht werden een specialen eed op de grondwet af te leggen. De paus, door Lodewijk XVI hiervan terstond onderricht, stelde het geven van een antwoord, op de vraag of hij met deze regeling genoegen nam, onder allerlei voorwendsels uit; om deze reden onthield de koning zijn sanctie voorloopig aan de wet, doch ten laatste zwichtte hij voor den op hem uitgeoefenden drang.
Groot waren de gevolgen van deze wet. Er ontstond een scheuring onder de katholieke bevolking; de band tusschen Rome en de Fransche geestelijkheid was verbroken, deze voortaan gesplitst in beëedigde en onbeëedigde priesters, welke laatsten in niet geringe mate meewerkten om de contra-revolutie in ’t land aan te wakkeren.
Ook ’s konings houding tegenover de revolutie was thans beslist vijandig; van een eerlijk aanvaarden geen sprake meer. Wel ontving het hof sinds eenige maanden raad van Mirabeau, maar, evenmin als de vergadering dit deed, vertrouwde het hof den grooten staatsman, die een der krachtigste medewerkers was geweest bij de omverwerping van het ancien régime, maar die ook, doch ’t hof zag dit niet in, aan het koninklijk gezag zijn grootsten steun had verleend. Zijn ideaal “de verzoening van het koninklijk gezag met de volkssouvereiniteit” zag hij niet verwezenlijkt.
Den 2en April 1791 overleed de geniale man. Den dag na zijn dood schreef Camille Desmoulins: “Met hoe groote ontroering heb ik naar dien almachtigen kop staan kijken, dat prachtige magazijn van ideeën, thans door den dood ontruimd.” Deputaties uit alle oorden des lands omstuwden de baar, gansch Frankrijk droeg rouw. Een zijner grootste figuren was heengegaan. Zijn lijk werd naast dat van Descartes in de tot een Pantheon herschapen kerk van Genoveva bijgezet.3
In den nacht van 20 op 21 Juni kwam het plan van den koning om te vluchten tot uitvoering; generaal Bouillé zou hem behulpzaam zijn, terwijl ook de keizer Leopold van Oostenrijk steun had toegezegd. In alle stilte vertrok de koninklijke familie uit het paleis, in de richting van Montmédy. Waarschijnlijk zou het zijn geslaagd, als niet ’s konings eigen onvoorzichtigheid alles had bedorven. Telkens stak hij het hoofd buiten het met zes paarden bespannen en dus toch reeds zeer in het oog vallende rijtuig.
De gevolgen bleven niet uit. Te St. Menehould werd hij door den zoon van den postmeester Drouet, een volbloed republikein, herkend en te Varennes aangehouden. Als gevangene, onder bewaking van drie commissarissen van de Constituante, begeleid door duizenden gewapende burgers, werd hij naar Parijs teruggebracht, waar een dreigende bevolking hem den 25en Juni ontving.
Eigenaardig, niet een kreet van verontwaardiging, doch van vrees uitte men in Frankrijk, toen de vlucht bekend werd; men voelde zich verlaten, zoodat de terugkeer met groote vreugde werd begroet, wel een bewijs hoe royalistisch de Franschen nog waren. Was dit de stemming buiten Parijs, ze was het niet van de hoofdstad. Daar veroorzaakte de vlucht de eerste beweging ten gunste van de Republiek, waartoe de club der Cordeliers het initiatief had genomen.
Vooral in deze dagen kwamen de clubs en politieke vereenigingen meer op den voorgrond en deden hun invloed gelden. De invloedrijkste was de Bretonsche Club, aanvankelijk te Versailles gevestigd, doch in October 1789 verplaatst naar Parijs en herdoopt in “Genootschap van de vrienden der constitutie;” ze hield haar zittingen in het voormalige Jacobijnenklooster, waardoor de naam “Jacobijnen” ontstond, die de aristocraten als spotnaam aan hare leden gaf. IJveraars voor de constitutioneele monarchie, behoorden ze volstrekt niet in de eerste jaren tot de uiterste linkerzijde; pas na den val van het koningschap veranderde het karakter van de club en nam zij den naam aan van “Genootschap der Jacobijnen, vrienden van de vrijheid en gelijkheid.”
Veel democratischer was de Club der Cordeliers, geleid door mannen als Marat, Danton en Camille Desmoulins; waren zij meer republikeinsch gezind, hun invloed beperkte zich alleen tot Parijs.
Onmiddellijk na het bekend worden van de vlucht had de Constituante den koning in de uitoefening van zijn macht geschorst en deze onder haar toezicht aan de ministers opgedragen, dit bleef ook na terugkeer gehandhaafd, zoodat feitelijk een voorloopige republiek was ingesteld tot den 14en September, den dag waarop door den koning een eed op de constitutie werd afgelegd.
De Club der Cordeliers trachtte afschaffing van het koningschap te verkrijgen, hiermede in de hand gewerkt door enkele Jacobijnen, die alleen Lodewijk XVI wilden doen vervallen verklaren van den troon. De Nationale Vergadering wist met kracht deze plannen te verijdelen, door het gepeupel op het Champ de Mars met behulp van de troepen onder Lafayette uiteen te jagen.
Was deze poging om de republiek te vestigen mislukt, zij was oorzaak tot scheuring van de Jacobijnenclub en de oprichting van de Club der Feuillants onder leiding van Bailly en Lafayette.
De Constituante had haar reuzentaak voltooid. Ze werd ontbonden en vervangen door een Wetgevende Vergadering, waarin op voorstel van Robespierre geen leden van de Constituante mochten zitting hebben. Deze wel onbaatzuchtige, doch onpractische bepaling was, jammer genoeg, oorzaak, dat Frankrijks beste krachten op het gebied van wetgeving en staatsbestuur ongebruikt bleven.
De koning en de koningin hadden zich moeten schikken in den toestand, door de grondwet geschapen. Met den titel van Koning der Franschen, het opperbevel over het leger, het recht van veto en een civiele lijst van vijf en twintig millioen francs, liet de toekomst zich nog zoo slecht niet aanzien.
De geestelijkheid was van haar reusachtige bezittingen beroofd, de adel had opgehouden een afzonderlijke orde te wezen.
In het Wetgevende Lichaam hadden mannen van groote bekwaamheid als Vergniaud, Guadet, Brissot en anderen zitting gekregen. Zij en hun geestverwanten, eerst Brissotins genoemd, kregen na 1792 den naam van Girondijnen, omdat de meesten uit het Zuiden afkomstig waren. In de vergadering vormden zij aanvankelijk de meerderheid, sloten zich eerst aan bij de Feuillants, voorstanders van de constitutie van 1791, doch werden later meer democratisch gezind; ze wanhoopten aan het voortbestaan van het koningschap; denkers, plannenmakers en redenaars dachten zij zich een republiek met al haar deugden, met gestrenge zeden en gelijke rechten voor allen; mannen van de daad waren ze niet.
Vertrek der Vrijwilligers. 1792.
Stuurden de Jacobijnen meer aan op de republiek en algemeen kiesrecht, daarbij vooral steunende op de lagere volksklassen, de Girondijnen wilden van dien steun niet weten; niet de hoofdstad, doch geheel Frankrijk moest de revolutie besturen, meenden zij.
Reeds dadelijk deed de nieuwe vergadering van zich spreken. Achtereenvolgens vaardigde zij een decreet uit tegen de emigrés, die niet binnen zekeren tijd in het land zouden zijn teruggekeerd en een tegen de priesters, die den van hen gevorderden eed nog niet hadden afgelegd.4 Dan eischte zij van het Duitsche Rijk de ontwapening der aan de grenzen opeengehoopte emigrés, bij wie een massa officieren zich inmiddels hadden aangesloten; stelde ’s konings broeder, den graaf van Provence, die tegelijk met de koninklijke familie Parijs had verlaten en een menigte andere edelen den 1en Januari 1792 in staat van beschuldiging, wegens het eigendunkelijk nederleggen hunner functiën en verklaarde ten slotte den 20en April den oorlog aan Oostenrijk, waar Keizer Leopold overleden en door Frans II opgevolgd was. Lafayette, afgetreden als commandant der Nationale Garde, was benoemd tot commandant van het leger in ’t centrum; de generaal Dumouriez “een talentvol officier,” maar een intrigant tevens, werd met het opperbevel belast.
Thans beweerden de Girondijnen, die sterk tot den oorlog hadden aangezet, zou de koning kleur moeten bekennen, het bewijs moeten leveren, dat hij volkomen ter goeder trouw was, toen hij de grondwet had bezworen. Ook zou hij zijn vrienden, de emigrés, en zijn raadslieden, de geestelijken, thans openlijk afvallig moeten worden. Wel had de koning zijn goedkeuring gehecht aan de oorlogsverklaring, doch tegelijkertijd stond hij met de buitenlandsche mogendheden in verbinding en leverde Marie Antoinette zelfs kort voor de oorlogsverklaring het plan de campagne der Fransche generaals aan de Oostenrijkers in handen! Zijn telkens gebleken onwil om de andere decreten goed te keuren, had de verbittering tegen hem en zijn omgeving bij het Parijsche volk niet weinig doen toenemen.
Alles scheen samen te moeten werken om deze ten top te voeren. Een troepenmacht, de Oostenrijksche Nederlanden in ’t laatst van April binnengerukt, doch slecht geoefend en door gebrek aan bekwame officieren slecht aangevoerd, werd bij Bergen aangegrepen door een paniek, riep: Verraad! en sloeg op de vlucht; een andere afdeeling onder generaal Dillon trof bij Lille hetzelfde lot. Dillon werd zelfs door zijn eigen soldaten vermoord. Dat woord verraad vond luiden weerklank te Parijs. Daar ontstond onder de volksklasse een geprikkelde stemming, nog verhoogd door de verbittering over de ellende en de opruiende taal van tal van volksleiders.
Een reeks nieuwe figuren was op den voorgrond getreden, afkomstig uit de reeds genoemde clubs, zooals Marat, een voormalig arts, gevaarlijk door den reusachtigen invloed, welke hij door zijn blad l’Ami du peuple over het volk wist te verkrijgen; Danton vol wilde hartstochten, met een herculische gestalte en een stem als een bazuin, die, hoewel niet bloeddorstig van aard, in oogenblikken van hartstochtelijke opgewondenheid niet bevreesd was uit te voeren, hetgeen Marat in zijn moordzucht had bedacht.
De derde was Maximilaan Robespierre, een uit Arras afkomstig advocaat, die in de Nationale Vergadering door de zwaarwichtigheid zijner betoogen en zijn onbeholpen redenaarstrant zich nog al eens belachelijk had gemaakt. Langzamerhand meer meester geworden over het woord en den vorm, was hij met zijn schelle hooge stem begonnen op de tribune bij de Jacobijnen leerstellingen te verkondigen, die, hoofdzakelijk uit Rousseau geput, wel niet uitmuntten door oorspronkelijkheid, maar door zijn meestal ongeletterde toehoorders gaarne werden gehoord. De roep, die van hem uitging, dat hij, hoewel zeer arm, toch volstrekt onomkoopbaar was en een hoogst zedelijk leven leidde, in die dagen van partijstrijd reeds een aanbeveling bij de massa en de slimheid, waarmede hij bij zijn betoogen in de club zijn eigen persoon steeds aan het welzijn der natie wist te verbinden, hadden tengevolge, dat zijn aanhang en invloed dagelijks aangroeiden. Camille Desmoulins vond hem “een Aristides,” Marat echter “een manneke,” Condorcet “een wezen zonder een enkele gedachte in ’t brein, zonder eenig gevoel in ’t hart.” Napoleon heeft hem den zondebok der revolutie genoemd.
De demagogen, krachtig door het volk gesteund, kregen aanhoudend meer invloed op de gemoederen. Het tijdperk, waarin de sansculottes Frankrijk het ontzettende juk hunner tirannie zouden opleggen, naderde snel.
Den 20en Juni begon het voorspel. Toen trok een bende van meer dan acht duizend gewapende mannen en vrouwen onder leiding van Santerre, een rijken bierbrouwer uit den faubourg St. Anthoine, eerst naar de Wetgevende Vergadering en vervolgens naar de Tuilerieën, drong daar tot de vertrekken des konings door, riep hem toe: “Bekrachtig de besluiten,” “Jaag de priesters weg,” “Kies tusschen Coblentz en Parijs,” bespotte den vorst op allerlei wijze en was na eenige uren pas tot heengaan te bewegen op dringend verzoek van Pétion, den nieuw gekozen maire. Al dien tijd had de koning onmiskenbare bewijzen gegeven van kalmte en zedelijken moed.
In de volgende dagen namen de oproerige bewegingen in de voorsteden, waar voortdurend groot gebrek bleef heerschen, een aanhoudend gevaarlijker karakter aan. Lafayette, verontwaardigd over de gebeurtenissen van den 20en, rekenende op zijn groote populariteit onder de bevolking en de nationale garde, kwam naar Parijs om in de Wetgevende Vergadering tegen de grievende behandeling van den koning te protesteeren, doch zonder succes. Ook het hof en in ’t bijzonder Marie Antoinette was van de door Lafayette aangeboden hulp niet gediend, zoodat hij onverrichter zake naar het leger terugkeerde. Geruchten, dat veertigduizend Pruisen en evenveel Oostenrijkers, onder het opperbevel van den hertog van Brunswijk, de grenzen naderden, dat de koningin met deze vijanden heulde en dat het hof in stilte de maatregelen van de vergadering tot verdediging, tegenwerkte, deden de ronde in de clubs. Het volk, dat de tribunes vulde, schreeuwde en wilde maatregelen en toen het ministerie den 11en Juli een overzicht gaf van Frankrijks hachelijke verhouding tegenover het buitenland, besloot de president die mededeeling met een even plechtig, als indrukwekkend: “Burgers, het vaderland is in gevaar!” Dienzelfden dag reeds deden vijftien duizend vrijwilligers zich inschrijven als soldaat.
In die dagen ontstond de Marseillaise, het lied der revolutie, gedicht en op muziek gezet door Rouget de l’Isle, een jong genieofficier, vooral populair geworden door de 500 fédérés, die van Marseille naar de hoofdstad trokken, het lied, dat later met de legers door Europa zou gaan en dat thans nog het Fransche volkslied is.
Te midden van de groote geestdrift, die zich van allen had meester gemaakt, werd het even hooghartige als laatdunkende manifest van den hertog van Brunswijk in de hoofdstad bekend. Parijs werd daarin met verwoesting bedreigd, wanneer de koninklijke familie nog eens zou worden beleedigd; nationale gardes, met de wapens in de hand gevat, zouden als “oproerlingen tegen hun koning” worden gestraft. ’t Was olie in het vuur! Den 3en Augustus eischten de sectiën, waarin de hoofdstad was verdeeld, de vervallen verklaring des konings; in den nacht van 9 op 10 Augustus installeerde zich op het stadhuis een ultra-republikeinsche commune, alleen uit Jacobijnen samengesteld en den 10en Augustus werden de Tuilerieën, die slechts enkele honderden Zwitsers en nationale garden als verdedigers hadden, door het grauw bestormd.
Bij de verdediging ontbrak alle leiding en eenheid, want Mandat, de tijdelijke commandant der nationale garde, was reeds te voren afgemaakt op de trappen van het raadhuis.
Beducht voor het leven van vrouw en kroost, zocht de koning, zonder bevelen achter te laten, zijn toevlucht in de vergadering, vond achter den president, in de benauwde loge van den verslaggever der Feuillants, een plaatsje en zond van hier aan de Zwitsers bevel, het kasteel niet te verdedigen. Deze order kwam te laat. Reeds was het bloedbad op de pleinen, in den tuin en in de kamers begonnen. Bij honderden vielen de brave Zwitsers op hun post. Bonaparte, die na den storm de Tuilerieën bezocht, verklaarde later zelf, dat hij in niet een zijner veldslagen, in zoo een kleine ruimte zooveel lijken had gezien als daar op het voorplein bijeen lagen.
Onder den indruk van het gebeurde en onder drang der commune nam de vergadering het besluit tot schorsing van het koningschap en tot de bijeenroeping van een Nationale Conventie door algemeen kiesrecht gekozen, terwijl een nieuw ministerie zou optreden, waarin Danton minister van Justitie werd. Den 13en Augustus werd de geheele koninklijke familie overgebracht naar het groote torengebouw van het voormalige klooster le Temple en hier streng bewaakt. Alleen achter sterke muren beweerde de steeds in macht en driestheid toenemende commune, kon zij instaan voor de veiligheid der aan haar hoede toevertrouwde personen.
Het drama van de koninklijke familie begon haar ontknooping te naderen; geen Franschen verdedigden den 10en Augustus de woning meer, maar Zwitsers en de trouw van deze dapperen is te Lüzern, naar een ontwerp van Thorwaldsen, vereeuwigd door een in de rotsen uitgehouwen leeuw, met een speer doorboord, rustende op een veld van leliën.
Te Parijs waren thans slechts twee officieele machthebbende lichamen overgebleven, de Wetgevende vergadering en de Commune, bij welke laatste Robespierre reeds eenigen tijd te voren benoemd was tot openbaar aanklager. De eerste zorg van dezen raad met haar ultra-revolutionnaire neigingen was, thans meester te worden over de politie. Het Comité van Algemeene veiligheid werd daarvoor ingesteld en te Parijs een Comité van toezicht opgericht, met Marat als voorzitter, dat onmiddellijk aan het werk toog door de arrestatie van honderden aristocraten, zoogenaamde “verdachten.” De groote gemeenten volgden dit voorbeeld.
Tevens werd door den drang der Jacobijnen een revolutionnaire rechtbank opgericht. Van haar vonnissen was geen appèl.
Op voorstel van Danton begon einde Augustus de arrestatie van alle slechte burgers, die zich sinds den 10en Augustus verscholen hielden.
Daar kwam den 2en September het bericht, dat Verdun was ingesloten; Longwy “de ijzeren poort van Frankrijk” was reeds gevallen en mocht dat met Verdun het geval worden, dan lag de weg naar Parijs voor den vijand open.
Toen kwam de afschuwelijke raad van Marat, die voor geen wreedheid terugdeinsde, dat het eenige middel om het vaderland te redden, zou wezen, de ter doodbrenging van alle gevangenen!
Een der vreeselijkste tooneelen van de omwenteling speelde zich te Parijs af. Van 2–6 September had in de gevangenissen de Abdy, la Force enz. een ware slachting plaats onder “alle vijanden des vaderlands” hoofdzakelijk edelen en geestelijken. Rede en menschelijkheid waren verdwenen; het lijk van Prinses de Lamballe, een vriendin van Marie Antoinette, werd geschonden en met haar hoofd op een piek liep men voor de Temple op en neer!
De Vergadering was met ontzetting geslagen, maar deed niets om aan het bloedbad een einde te maken; ook Danton was lijdelijk toeschouwer. Alleen Roland, minister van binnenlandsche zaken, had den moed alle autoriteiten verantwoordelijk te stellen voor het gebeurde. Ten slotte beval de Vergadering een onderzoek naar de raddraaiers, hetgeen tot niets leidde. Eenige enragés droegen de schuld. Zij hadden gemeend “verraders” voor zich te hebben!
Deze bloedige Septemberdagen brachten de revolutie meer in discrediet, dan men toen vermoedde.
Den 21en September verdween de Wetgevende Vergadering. Een Nationale Conventie, reeds dadelijk 749 leden tellende, trad in haar plaats, schafte den volgenden dag de koninklijke waardigheid af en verklaarde bij monde van haar president Pétion, Frankrijk tot een Republiek.
Het succes van den hertog van Brunswijk in het noorden was niet van langen duur. In Dumouriez, den voormaligen minister van oorlog, die Lafayette had vervangen, vond hij een even talentvolle als dappere tegenpartij, die hem, door het bezetten der passen van het Argonnerwoud, den toegang afsloot tot het hart van het land. Den 20en September bij Valmy, liet de dappere Kellerman aan den hertog zien, met welk een heldenmoed en doodsverachting dat leger van schoen- en kleermakersjongens, zooals de emigrés de soldaten der Republiek met minachting betiteld hadden, onder een daverend: Allons enfants, de la patrie met gevelde bajonet op zijn oude beproefde krijgers instormden en ze terugsloegen.
“Van deze plaats en van dit uur dateert een nieuw tijdvak in de wereldgeschiedenis,” zei de bij het Pruisische leger aanwezige Goethe op den avond van Valmy tot de aanwezigen bij het wachtvuur. Hij begreep de beteekenis van dien dag; “het revolutionnaire Frankrijk kon en wilde Europa weerstaan.”
Gebrek, groote ontberingen, ziekte en slecht weer waren ten slotte oorzaak, dat de hertog terugtrok.
Van deze omstandigheid trok Dumouriez partij. Flink versterkt in aantal, maar slecht gevoed, geschoeid en gekleed, rukte zijn leger in November d.a.v. de Zuidelijke Nederlanden binnen, behaalde niettemin den 6en bij Jemappes een glansrijke overwinning en bezette het gansche land tot aan de boorden van de Maas.
Had de Nationale Conventie met algemeene stemmen de Republiek ingesteld, van eensgezindheid onder de leden was geen sprake. De Jacobijnen, naar de hoogere banken, welke ze in de Vergadering innamen, ook wel montagnards genoemd, sloten zich nauw aan bij de revolutionnaire Commune; de Girondijnen duchtten dien grooten invloed, wilden de leiding aan de hoofdstad ontnemen, vreesden voor het optreden van een tiranniek triumfiraat Robespiere, Danton en Marat en werden in hun strijd tegen de Jacobijnen gesteund door de middenpartij in de vergadering, de “plaine” of “marais” genoemd.
Thans kwam de vraag, wat men met den koning doen zou, dezen strijd nog geduchter maken. In December stelden Robespierre, Couthon en St. Just dezen namens de Jacobijnen in staat van beschuldiging. Het vinden van een ijzeren kistje in de Tuilerieën met brieven uit het buitenland, die verrieden, dat de koning met Pruisen en de emigrés in ’t geheim betrekking had aangehouden—een feit, dat door hem onverstandig genoeg werd ontkend—verergerde zijn toestand.
Met bijna algemeene stemmen werd hij den 15en Januari 1793 schuldig verklaard aan samenzwering tegen de vrijheid en de veiligheid van den Staat. Een poging der Girondijnen, het uit te spreken vonnis aan het oordeel van het volk te onderwerpen, waarin zij een middel zagen om den invloed van Parijs te fnuiken, mislukte. Wel stelden de grijze Malesherbes en Desèze alles in het werk om hem te verdedigen, wel trachtten Brissot en enkele Girondijnen uit vrees voor een buitenlandschen oorlog het vonnis uit te stellen, doch het een noch het ander had succes. Louis Capet, zooals hij thans naar een zijner voorouders genoemd werd, onderging op den 21en Januari 1793 zijn vonnis; hij werd geguillotineerd, hetgeen hij waardig en gelaten onderging.
De laatste schakel met het ancien régime was verbroken!
De Jacobijnen hadden gezegevierd, de macht der Girondijnen volkomen te breken, werd thans hun doelwit. Al de vorsten van Europa wierpen ze den handschoen voor de voeten; zij zouden de vrijheid brengen aan de gansche wereld. Alle dwingelanden wilden zij van den troon stooten; vrijheid, gelijkheid en broederschap voor de tirannie van eeuwen in de plaats doen treden.
Een macht van 300.000 werd onder de wapenen geroepen om de eer der Republiek te handhaven zoowel in het buitenland, als in het binnenland; in dit laatste met name in de Vendée en Bretagne was n.l. een opstand onder de boeren uitgebroken, die weldra schrikwekkende afmetingen aannam.
Bij het leger onder Dumouriez, die door de Jacobijnen niet ten onrechte sterk verdacht werd van allesbehalve ultra-republikeinsche beginselen, gingen de zaken inmiddels niet naar wensch. Een aanval op de Vereenigde Nederlanden, in overleg met het ministerie van Oorlog door Dumouriez beproefd, mislukte. De Oostenrijkers en de Pruisen rukten België weder binnen en de slag bij Neerwinden (18 Maart 1793) was voor de Republiek noodlottig.
Dumouriez, die in stilte het plan had gevormd den oudsten zoon van Philippe Egalité, die als generaal onder hem diende, bij welslagen, door zijn leger tot koning te doen uitroepen, dan naar Parijs te rukken, en aan den druk der Jacobijnen met één slag een einde te maken, wachtte het oogenblik niet af, waarop hij door de Conventie ter verantwoording zou worden geroepen. Hij knoopte vredesonderhandelingen aan met den Oostenrijkschen Kolonel Mack en toen hem bleek, dat zijn soldaten de Republiek getrouw bleven, liep hij naar de Oostenrijkers over. De laatste dertig jaren zijns levens heeft deze talentvolle, maar steeds intrigeerende man in ballingschap doorgebracht, hij is in Engeland overleden.
Het verraad van Dumouriez, de ongunstige toestand der legers en de gevaren, waaraan het land was blootgesteld, drongen de Conventie weldra tot een nieuwen maatregel. Den 6en April 1793 werd het Comité de Salut Public ingesteld. Het zou bestaan uit twaalf leden, die in ’t geheim moesten beraadslagen, ook zouden zij op de handelingen van het uitvoerend bewind toezicht houden en achter de zaken spoed zetten. Aanvankelijk gevormd door de neutrale leden van de Conventie, geraakte het spoedig geheel in handen van de Bergpartij, met Robespierre, St. Just, Couthon, Collot d’ Herbois en Billaud-Varennes als leiders. De werkzaamheden werden door verschillende onder-comité’s verdeeld, terwijl het zich in de provincie door afgevaardigden deed vertegenwoordigen. Aan dit lichaam ondergeschikt, was het Comité van Algemeene Veiligheid, eveneens van twaalf leden, belast met het opsporen en arresteeren van allen, die verdacht werden van contra-revolutionnaire neigingen, terwijl ten slotte de Revolutionnaire Rechtbank, met den beruchten Foucquier Tinville als openbaar aanklager, zich onledig hield met het vonnissen der gevangenen.
De Conventie met haar tal van kleurlooze leden werd in de handen van het Comité de Salut Public een willoos werktuig. Door de afgevaardigden van het Comité waren de legers aan dit laatste onderworpen; door de wet der verdachten beschikte dit over de bijzondere personen; door de genoemde rechtbank over het leven van allen. In de volksmassa, die in de clubs beraadslaagde, vond het zijn steun.
Het antwoord van Europa op Frankrijks uitdaging had niet lang op zich laten wachten. Over dien koningsmoord, “de verfoeilijkste daad, die in de historie was opgeteekend,” zooals Pitt in het parlement zei, diep verontwaardigd, beducht voor de ver strekkende gevolgen, welke de omwentelingen ook voor hun onderdanen kon brengen, bang voor hun eigen troon, verklaarden tal van vorsten met Oostenrijk en Pruisen aan de spits, den oorlog aan de Republiek.
Van deze coalitie was Engeland onder den alvermogenden minister Pitt de ziel. Het had geweigerd de vervallenverklaring van den koning te erkennen en zich hierom reeds den 1en Februari 1793 door de Conventie den oorlog zien verklaren. Ditzelfde lot was ook aan de Republiek der Vereenigde Nederlanden te beurt gevallen. Binnen zes maanden had Pitt zeven verbonden gesloten en zes tractaten tot het verleenen van geldelijken steun. Ook Spanje met zijn nieuwen minister Godoy, bijgenaamd de Vredevorst, had zich op zijn raad, evenals het geheele Duitsche Rijk bij de coalitie gevoegd.
Door het grauw gesteund, meester over den gemeenteraad, heerschten de Jacobijnen met hun 800 clubs in de departementen, van nu af zoo goed als onbeperkt. Wel werd Marat als president der club door de Conventie voor de rechtbank gedaagd wegens opruiïng tegen de gematigden in dit staatslichaam, maar hij werd vrijgesproken en in zegepraal rondgedragen (24 April).
Van dit oogenblik trad het grauw zelf vermeteler op, overstroomde de publieke tribune in de zittingzaal en sprak mede in het debat. Een poging, door de Girondijnen beproefd om de daden van den gemeenteraad door een commissie te doen nagaan, waardoor heel wat gruwelen aan het licht zouden zijn gebracht, werd door het grauw verijdeld, de commissie ontbonden.
De verbittering tegen de gematigden, thans beschuldigd van het heulen met den vijand en de emigrés en van het aansporen tot een contra-revolutie, werd door de Jacobijnen aanhoudend meer opgezweept. Telkens deed de Commune zich in de Conventie gelden. Henriot, de commandant der nationale garde, geheel op de hand der Jacobijnen, deed ten slotte zelfs vuurmonden in batterij komen voor de Tuilerieën om de zittingzaal in elkander te schieten, als aan den wil des volks niet werd voldaan! Den 31en Mei viel de partij der Girondijnen; hun aanvoerders werden gevangen genomen; anderen namen de vlucht (2 Juni).
Van nu af had de Conventie haar vrijheid van beraadslagen totaal verloren. Robespierre met zijn aanhang nam de teugels in handen. Het schrikbewind begon!
Na den val der Girondijnen kwam het geheele zuiden met Lyon, Marseille en Toulon aan de spits in verzet; zelfs vormden zich hier gewapende benden om naar Parijs te marcheeren. Tegenover hen stonden de aanhangers der Conventie. In het westen, aan de Loire, in de Vendée en in Bretagne was de gansche bevolking als één man tegenover de afgevaardigden uit de Conventie opgetreden. Hier stonden, door de emigrés en Engelsch goud gesteund, Stofflet en Charette aan het hoofd der royalisten tegenover de regeeringstroepen.
Ook bijzondere personen gaven bewijzen van hun afschuw over hetgeen in Parijs gebeurde. Zoo toog Charlotte Corday, een vijf en twintig jarig mooi meisje uit Caën, een volbloed aanhangster der omwenteling op deugdzamen grondslag, naar de hoofdstad, zocht Marat op, die in de departementen den meesten schrik had verspreid, en stootte hem een mes door het hart, om, zooals zij voor de rechtbank verklaarde, “haar land vrede te schenken.” Onwrikbaar kalm hoorde zij haar doodvonnis aan; even kalm betrad zij het schavot. (15 Juli). Half Parijs volgde de begrafenis van Marats hart in den tuin van de club der Cordeliers. Toen zijn inboedel werd ontzegeld, vond men slechts een assignaat van vijf francs, zijn gansche bezitting.
De Conventie was dus van alle zijden door gevaren omringd; zoowel in het binnen- als in het buitenland stond de vijand. Daarbij dreigde hongersnood, door het blokkeeren van alle havens door Engeland.
Het Comité de Salut Public trok alle macht aan zich en heerschte onbeperkt.
Door de levée en masse riep het Comité het gansche volk onder de wapenen tegenover den buitenlandschen vijand; alle mannen tusschen 18 en 40 jaar werden opgeroepen en voor het einde van het jaar beschikte men reeds over een leger van 650.000 man; Carnot, lid van het Comité leidde de operaties. Het gebrek aan geoefendheid moest vergoed worden door het aantal en de geestdrift der troepen, terwijl steeds aanvallend moest worden opgetreden; een hevig kanonvuur en dan onder het zingen van de Marseillaise, of het “Ça ira” er met de bajonet op in. Commissarissen bij het leger zorgden voor strenge tucht, zonden generaals, die nederlagen leden, op naar Parijs, waar ze werden geguillotineerd (de Beauharnais en Custine o. a.) Er moest overwonnen worden en er werd overwonnen, al was het ten koste van vele slachtoffers.
Einde 1793 was Frankrijk bijna geheel van vijanden gezuiverd. Voor een inval behoefde de Republiek niet meer te vreezen.
Tegenover den vijand in het binnenland trad de beruchte wet der suspects met volle kracht in werking. De gevangenissen vulden zich met leden uit de gegoede burgerij en den handelsstand; alle vreemdelingen, alle aanhangers van een constitutioneel koningschap, of van een gematigde republiek, werden—voorloopig heette het—in hechtenis genomen.
Over het geheele land werden afgevaardigden van het Centrale Comité verspreid met uitgebreide macht. Over de steden in opstand werd de banvloek uitgesproken, te Lyon de bevolking door de afgevaardigden Collot d’Herbois en Couthon voor een gedeelte over de kling gejaagd; te Toulon gebeurde ongeveer hetzelfde onder Fréron en Barras, “den roofvogel der revolutie;” in Nantes maakte zich Carrier berucht.
In Parijs stond op de Place de la Concorde de guillotine bijna niet stil. Den 16en October viel het hoofd van Maria Antoinette, nadat haar reeds geruimen tijd te voren haar kinderen waren ontnomen en na een verhoor, dat in bijzonderheden afschuwwekkend is. Den 31en d. a. v. zag men een en twintig der in Juni gevangen genomen Girondijnen, onder het zingen der Marseillaise, het schavot beklimmen; den 6en December deelde hetzelfde lot de hertog van Orleans, een beginselloos man, veracht door de koningin, door den koning verdacht te streven naar het oppergezag, door het volk niet vertrouwd, al had hij ook zijn naam verwisseld voor dien van Philippe Egalité.
In de jaartelling en in den godsdienst werd nu ook een volslagen omkeer gebracht.
De gregoriaansche tijdrekening werd door de republikeinsche vervangen; deze dagteekende van het jaar I der vrijheid. Het jaar begon dus op 22 September 1792 toen het koningschap was gevallen; iedere maand telde nu dertig dagen verdeeld in drie decades; den laatsten van iedere decade was ’t rustdag. De maanden werden genoemd naar het jaargetijde, waarin zij vielen, zooals October nu Vendémiaire heette, daarop volgde Brumaire, Frimaire enz. De vijf of zes overschietende dagen, jours complémentaires genoemd, dienden voor feestelijkheden, gewijd aan het genie, den arbeid, de schoone daden, de belooning, de meening en de omwenteling.
Een nieuwe godsdienst, die der Rede, werd afgekondigd en de hoofdkerk de Nôtre Dame, op voorstel van Chaumette, lid der Commune herdoopt in een republikeinsch gebouw, den Tempel der Rede. Ook buiten Parijs volgde men dit voorbeeld, werden kerken “onchristelijkt” en feesten gegeven, waarbij jonge vrouwen als godinnen der rede fungeerden. Welk een toestand!
Intusschen bleef de valbijl haar werk verrichten; den 11en November viel het hoofd van den edelen Bailly; den 15en ontving de Conventie van Fouché en Collot d’Herbois uit Lyon een brief, waarin zij pochten op de door hen gehouden strafoefeningen en een uit Rouen, meldende, dat de oud-minister Roland zelfmoord had gepleegd. Enkele dagen tevoren was diens jonge vrouw te Parijs onthoofd, welk lot weldra ook prinses Elisabeth, zuster des konings, onderging.
Al die onschuldig gevallen hoofden, die gruwelijke dwingelandij waren ten slotte oorzaak, dat in den boezem der Conventie en zelfs onder de leiders ontevredenheid ontstond. Had Robespierre zich al verzet tegen de anarchistische neigingen van Hébert, die vooral in zijn blad “Le Père Duchesne” door Camille Desmoulins “een der riolen van Parijs” genoemd, hun uiting vonden, hij werd hierin gesteund door Danton en Camille Desmoulins, die steeds op meer gematigdheid aandrongen en aan het schrikbewind een einde wilden zien. Van dit laatste was Robespierre volstrekt niet gediend en nadat eerst Hébert ten val was gebracht, boetten weldra Danton en Camille Desmoulins onder de valbijl voor hun “onzuivere beginselen als republikein en hun gematigdheid.”
Thans stond Robespierre alleen, gesteund door zijn trawanten als St. Just en Couthon. Doodsangst heerschte alom. Niemand zag uitkomst.
Toch was deze niet meer zoover af.
Robespierre had den eeredienst vervangen door dien van het Hoogste Wezen; in Juni (20en Prairial) zou deze in geheel Frankrijk worden ingewijd. Plechtige feesten moesten hiermede gepaard gaan en de volksmenner had zich door de Conventie doen aanwijzen om daarbij als hoogepriester op te treden. Op weg naar het feestterrein stapte de dictator met een glans van trots en bevredigde ijdelheid op zijn gezicht een pas of vijftien voor zijn medeleden uit. Dit wekte reeds den toorn op. Het woord “Tiran!” moest hij hooren.—“Tiran, er zijn nog Brutussen!” beet Bourdon hem toe. Hij zon op wraak.—Een paar dagen later diende hij in de Conventie een wet in, waarbij de Revolutionnaire Rechtbank het recht verkreeg alleen op overtuiging van de schuld vonnis te vellen, terwijl tegenover samenzweerders de wet geen verdedigers toeliet. Wel kwam men tegen deze schandelijke wet in verzet, doch het baatte niet; ze werd aangenomen.
Foucquier Tinville greep deze nieuwe wet terstond aan als een middel om in de propvolle gevangenissen ruimte te krijgen. Van verhoor was bijna geen sprake; als het begon, stonden de schavotkarretjes buiten reeds te wachten op hun vracht, la fournee.
“Hier heb je de winners in de loterij van Sinte Guillotine!” schreeuwden de kleine nieuwsventers onder de vensters der gevangenen. Het Avondblad noemden de bewaarders de lijst der gevangenen, die den volgenden dag zouden worden voorgebracht.
Het aantal doodvonnissen nam op schrikbarende wijze toe, bedroeg in twee maanden meer dan anders in een jaar. Veilig voelde zich niemand meer.
Het voortbestaan van het schrikbewind werd door velen overbodig geacht; niet alleen was er geen vijand meer op de grenzen, maar Jourdan had bij Fleurus in de Zuidelijke Nederlanden overwonnen; de opgestane steden waren ten onder gebracht, het vaderland dus niet meer in gevaar. Waarvoor dan dat bloedige werk van de Revolutionnaire Rechtbank?
De ellende duurde voort alleen ten genoegen van den machtigen dictator en zijn aanhang; tot die overtuiging kwam men algemeen, toch duurde het lang voor de moed er was hem aan te vallen en neer te werpen.
In het comité van algemeene veiligheid beraamde men het plan tot zijn val; Billaud-Varennes en Collot d’ Herbois, leden van het Comité de Salut Public namen er aan deel. Den 7en Thermidor (25 Juli) werd in de Nationale Conventie een lang rapport voorgelezen, waarin men te velde trok tegen hen, die in weerwil van de overwinningen, nieuwe plannen tot vervolging beraamden. Het was de eerste openlijke pijl op Robespierre gericht. Deze verscheen den volgenden dag in de Conventie, verdedigde de genomen maatregelen, beschuldigde zijn tegenpartij, maar ’t succes was niet groot. In zijn club, waar hij ’s avonds zijn redevoering herhaalde, werd hij enthousiast toegejuicht, Billaud-Varennes en Collot d’ Herbois werden echter uitgejouwd en zelfs buiten de vergadering gezet.
Den 9en Thermidor was de beslissende dag. Als Robespierre de zaal der Conventie binnentreedt en St.-Just het woord neemt om zijn verdachtmakingen tegen zijn tegenpartij te beginnen, wordt hij dadelijk in de rede gevallen. Billaud-Varennes neemt het woord, waarschuwt de Conventie voor het dreigende gevaar, klaagt Robespierre aan, noemt zijn medeplichtigen in de Commune en brandmerkt zijn gedrag en zijn streven naar het oppergezag met bittere vlijmende taal.
Als hij zwijgt zijn alle oogen op Robespierre gericht. Deze vliegt naar de tribune, maar een dreunend: “Weg met de tiran!” weerklinkt. Aan het woord laat men hem niet komen. “Het bloed van Danton verstikt je” bijt men hem toe. Met algemeene stemmen wordt tot gevangenneming van hem, Couthon en St.-Just besloten. Onder gejuich voeren de gendarmes hen weg.
Thans werpt de commune het masker af. De gevangenen worden bevrijd en naar het stadhuis gevoerd, terwijl Henriot het grauw opruit en zelfs kanonnen tegen de Tuilerieën in batterij doet komen, maar de kanonniers weigeren vuur te geven.
De Conventie stelt Henriot, Robespierre en de commune buiten de wet, benoemt Barras tot commandant der nationale garde ter verdediging van het gouvernement. Het verzet is gebroken en den 10en Thermidor worden Robespierre, Couthon, St.-Just en een twintigtal aanhangers geguillotineerd, eenige dagen later door een zeventigtal leden der commune en twaalf van de de Revolutionnaire Rechtbank gevolgd.
Frankrijk herademde, nu het zich bevrijd voelde van den man, die vriend en vijand had opgeofferd om zich tot dictator te doen verheffen; men verpersoonlijkte in hem al het buitensporige van het schrikbewind en geloofde de Republiek gered, tot rust gebracht door zijn val.
Al was dit overdreven, toch kregen de gematigden onder de Thermidoristen de leiding in handen. Zij beperkten de groote macht van het Comité de Salut Public, schaften de beruchte wet van Juni 1794 omtrent het vonnissen af; de commune moest haar gezag aan de conventie afstaan; de club der Jacobijnen met haar 800 afdeelingen in de departementen werd gesloten.
Carrier, Fouquier Tinville lieten het leven onder de valbijl, anderen werden naar Cayenne verbannen. Een laatste poging in Mei 1795 om het door honger gekwelde gepeupel in oproer te brengen, werd met kracht onderdrukt.
De voorstad Saint-Anthoine, de bakermat van zooveel ongerechtigheden, werd toen tevens ontwapend.
Inmiddels hadden de legers der Republiek schitterende bewijzen gegeven van hetgeen zij onder vaderlandsliefde verstonden. Slecht gekleed en gevoed, vaak slecht bewapend, hadden ze in de Vendée onder Westerman en Kléber den opstand in ’t begin van 1794 zoo goed als geheel onderdrukt, Pichegru had na Jourdans overwinning bij Fleurus de Engelschen naar Holland gedreven en den 20en Januari zelfs Amsterdam bezet. Ook in ’t zuiden aan de Pyreneën en in Italië hadden die jonge, maar energieke krijgers zich tegenover de Spanjaarden en Piëmonteezen ais helden gedragen.
Met Pruisen en met Spanje werd eindelijk vrede gesloten (5 April en 22 Juli 1795). Ten slotte schafte de Conventie de democratische grondwet van 1793 af—tot uitvoering was zij nog niet gekomen—en droeg het uitvoerend bewind op aan een Directoire van vijf leden, de wetgevende macht aan twee raden, dien der Vijfhonderd, welke de wetten zou voordragen en dien der Ouden, welke ze moest onderzoeken en er over beslissen. Ter voorkoming van een royalistische meerderheid had de Conventie bepaald, dat twee derden van haar leden in de nieuwe vertegenwoordiging zou overgaan. De in groote getale teruggekeerde royalisten zagen hierdoor hun macht gefnuikt en begonnen een opstand in de straten van Parijs.
Het was op den voor Bonaparte zoo gedenkwaardigen 13en Vendémiaire.
1 Het wordt wel ontkend, dat Lodewijk dit zou gezegd hebben, maar de woorden teekenen zuiver het standpunt, dat de koning toen innam.
2 Op deze goederen werden assignaten afgegeven, welke als betaalmiddel dienst deden.
3 Later werd hij er op last der Nationale Conventie uit verwijderd en door ... Marat vervangen.
4 Woelingen in de Vendée en in Bretagne waren hiervan het eerste gevolg.