Hoofdstuk III.

Bij Toulon en te Parijs.

Door zijn onbesuisden streek te Toulon wel geducht gecompromitteerd, doch niet ontmoedigd, richtte Lucien tal van adressen rechtstreeks aan de Conventie en kreeg daardoor eindelijk een baantje van twaalf honderd francs als magazijnbewaarder te Saint-Maximin; hij begon hier de bevolking terstond recht te zetten en werd er door de volksvergadering tot president van het revolutionnaire comité gekozen in welke hoedanigheid hij een twintigtal eerwaardige burgers zonder proces liet gevangen zetten. Ook nam hij den naam aan van Brutus en herdoopte, door Barras hierin geholpen, Saint-Maximin in Marathon, terwijl hij in Mei 1794 op al dit ultra-republikeinsche gedoe de kroon zette door een huwelijk met Catharine Boyer, de zuster van den herbergier, bij wien hij inwoonde, een meisje twee jaar ouder dan hij, dat lezen kon noch schrijven, doch dat haar negentienjarigen man met haar fluweelzachte zwarte oogen en haar ongemeen schrander kopje tot aan haar dood heeft weten te boeien.

Niemand van de familie was bij het huwelijk van Brutus Bonaparte tegenwoordig en vanaf dit oogenblik zien we Lucien meer op zich zelf staan.

Louis had Paul en Virginie van Bernardin de Saint Pierre inmiddels onder handen genomen en dezen beroemden natuurkundige daarop stoutweg de vraag gesteld, wat er in dit boek waarheid, wat verdichtsel was. Wat driestheid aangaat waren de broeders dus aan elkaar gewaagd.

Jozef liep het geluk mee. Aanvankelijk aangewezen om in het gevolg van Saliceti mee te werken bij een krijgstocht tegen Corsica, die van Toulon zou scheep gaan, doch door een opstand in deze stad hierin verhinderd, was Jozef in de eerste dagen van September door de representanten der Conventie dus door Saliceti benoemd tot commissaris van Oorlog 1e klasse op een tractement van zesduizend francs benevens rations, vrij logies en bureaukosten.

Toen Laetitia in September besloot met haar jongste kinderen voor alle zekerheid in Marseille, dat in handen der republikeinen was, een veiliger verblijf te zoeken, waren de toestanden voor haar dus reeds aanmerkelijk verbeterd. Haar drie oudste zoons hadden een betrekking en zij zelve werd door de Conventie van het noodige voorzien.

Opnieuw was het Saliceti, de landgenoot en vriend, die op het lot der familie invloed uitoefende. Dommartin, de commandant der artillerie van generaal Carteaux, die van Marseille oprukte tegen het sterke Toulon was bij Ollioules gekwetst en Saliceti wees Napoleon aan als zijn plaatsvervanger. Op Corsica had hij zijn talenten reeds leeren kennen als inspecteur van de artillerie; het vlugschrift Le Souper de Beaucaire had voldoende bewezen, dat Napoleon een republikein was in merg en been en een ander knap artillerieofficier was niet dadelijk bij de hand.

Den 12en September kwam Napoleon voor het door Engelschen, Spanjaarden, Napolitanen en Piëmonteezen verdedigde Toulon. Hier viel nog zoo goed als alles te doen. Terwijl de belegerden de batterijen, welke de binnenreede moesten beschermen en het fort de l’ Eguilette, gelegen op een kaap aan den ingang dezer reede, zoo geducht hadden versterkt, dat het geheel Klein-Gibraltar werd geheeten, had Carteaux, een onbekwaam man, letterlijk nog geen schop in den grond laten steken. Toen de representant Gasparin hem vroeg naar zijn aanvalsplan, antwoordde hij: de artilleriecommandant schiet de stad drie dagen lang plat; dan kom ik met drie colonnes en neem haar met storm. Dit plan was echter meer grappig dan uitvoerbaar en gelukkig werd hij weldra vervangen door Generaal Dugommier, die tot opperbevelhebber werd benoemd, terwijl op verzoek van Bonaparte tevens een artilleriechef werd aangewezen n.l. generaal du Teil, waardoor de zeer onwetende officieren van den staf werden gedwongen hun aanmatigenden toon tegenover Napoleon wat te temperen.

Toen du Teil kwam, was het voornaamste werk, dat der voorbereiding reeds verricht en Bonaparte inmiddels op den 29en September voorloopig tot Bataljonschef bij de Artillerie benoemd, in welken rang hij den 19en October werd bevestigd. Thans redelijk gesteund, toog hij met verdubbelde kracht aan het werk; nu reeds bleek hoe het voeren van het bevel hem letterlijk was aangeboren en hoe hij de kunst verstond zijn minderen door woord en daad voor zich in te nemen. Hoewel hij den afgevaardigde Gasparin steeds heeft voorgesteld als de man, die hem zijn loopbaan als artillerist geopend en hem met zijn gezag gesteund heeft, bewees hij toen reeds welk een volbloed soldaat er in hem stak. Steeds in het vuur, slapende bij zijn kanonnen, bij elk gevecht vooraan, paarde hij aan het gezag zijner meerdere kennis de in den krijg alles overweldigende macht van het voorbeeld.

Als op zekeren dag in een onder heftig vuur liggende batterij een artillerist naast zijn stuk wordt doodgeschoten, grijpt hij zelf den aanzetter uit de hand van den doode en helpt den vuurmond bedienen, tot hij wordt afgelost; als de Engelsche generaal O’Hara, gouverneur van Toulon, een uitval beproeft is hij het, die onopgemerkt aan de spits van een bataljon door de loopgraven nadert en die uitval zoo krachtig helpt afweren. O’Hara zelf wordt letterlijk tusschen zijn eigen soldaten gevangen genomen. Den naam van de Batterij der Mannen zonder Vrees geeft hij aan een stelling, die onder zwaar vuur ligt en haar verliezen dagelijks ziet stijgen, maar die nooit artilleristen te kort komt, want daar willen al de artilleristen dienen, omdat hij zelf het vuur leidt. Enkele paarden werden voor Toulon onder zijn lijf doodgeschoten en voor de eerste maal werd hij gewond door een bajonet van een Engelschman.

Hier had Napoleon de gelegenheid de kalmte en onverschrokkenheid van Junot, toen sergeant bij een bataljon van de Côte d’Or op te merken bij het springen van een granaat, waardoor het vel papier, dat Junot voor zich had, met zand werd overdekt, maar hetgeen hem in het minst niet deed opschrikken. Later werd Junot tot luitenant bevorderd en nam Napoleon hem tot zijn adjudant.

Had Dugommier in zijn bulletin van den 1en December onder meer ook Bonaparte genoemd, die hem vooral bij den uitval van O’Hara krachtig had terzijde gestaan, meer lof oogstte hij in van den generaal du Teil, zijn onmiddellijken chef; deze schreef aan den Minister van Oorlog: “Ik kan geen woorden genoeg vinden om U de verdiensten van Bonaparte te schetsen. Evenveel zakenkennis als schranderheid bezit hij, doch hij is te vermetel. Ziedaar een flauw beeld van dezen zeldzamen officier. Aan U, Minister, de taak hem te verbinden aan den dienst der Republiek.

Klein-Gibraltar eindelijk genomen en de verdere verdediging van Toulon zoodoende onmogelijk geworden (18 December) stak de commandant der Engelsche troepen de Fransche oorlogsvloot (ruim 50 vaartuigen) en het arsenaal in brand, ging aan boord van zijn eigen schepen, zeilde weg en liet de bevolking verder aan haar lot over. Toen de stad was genomen, maakte de afgevaardigde Barras kort recht en werden vele verdedigers dood geschoten; zoo wilde het de Conventie, want alle verraders moesten worden uitgeroeid. Wel had de Republiek een zware slag getroffen, daar bijna de geheele vloot in vlammen was opgegaan, maar toch was de vreugde groot, want Toulon verlatende, hadden de Engelschen hun steunpunt in het Zuiden des lands verloren.

Bonaparte voor Toulon.

Bonaparte voor Toulon.

Reeds door de vertegenwoordigers voorloopig tot generaal brigadecommandant benoemd, zag Napoleon zich in de eerste dagen van Januari 1794 door het Comité de Salut Public in zijn nieuwen rang bevestigd en werd hij tevens belast met het bevel over de artillerie bij het leger van Italië en met de bewapening van de kust. Twaalf duizend francs tractement met vivres, vrij logies en emolumenten was een schat van belang. Hij zelf dacht niet eens aan dat geld, Laetitia zooveel te meer, doch ook zij bleef ondanks dezen onverwachten voorspoed uiterst zuinig en spoelde b.v. zelve haar waschgoed in de beek voor haar huis nabij Antibes, waarheen haar zoon in ’t voorjaar zijn hoofdkwartier verlegde en waar zij hem met de kleintjes gevolgd was.

De zorg voor Louis had hij terstond weder op zich genomen, toen de knaap uit angst voor ’t geen hij te Lyon gezien had niet had durven doorreizen naar Châlons-sur-Saône om hier de lessen aan de artillerieschool te volgen; zelfs had hij hem benoemd tot zijn adjudant en hem den luitenantsrang geschonken bij een afdeeling vrijwillige artillerie, waarover hij had te bevelen.

In die dagen maakte hij ook nader kennis met de jongste Robespierre, die met Ricord als vertegenwoordiger der Conventie bij het leger van Italië was geplaatst, Napoleon voor Toulon reeds aan het werk had gezien en thans een door Bonaparte uitgewerkt en door den krijgsraad goedgekeurd veldtochtsplan tegen de Oostenrijkers deed uitvoeren. Het succes was groot, maar Bonaparte zelf had er niet veel eer van; in het rapport dienaangaande kwam zijn naam zelfs niet voor. Was hij op Robespierre’s voorstel ingegaan, dan had hij toen in de plaats van Henriot het commando kunnen krijgen over de nationale garde te Parijs, doch het vooruitzicht chef te worden over een bende halfgewapende, slecht gedisciplineerde burgers, trok hem, den volbloed soldaat, niet aan; hij bedankte dus voor de eer, bleef in het Zuiden en keerde tegen den zomer naar Nizza terug.

Jozef had inmiddels weder een bewijs gegeven van zijn “handigheid in zaken” en had te Marseille kennis gemaakt met de oudste dochter van den in Januari 1794 overleden koopman Clary. Mooi was ze niet, die Marie-Julie, jong evenmin, maar vroom en milddadig, in den intiemen kring gevat, geestig en—zeer rijk, want 150.000 francs, haar bruidschat, belegd in nationale goederen, was bij den lagen koers der assignaten in die dagen een groot fortuin. Op haar beurt zag de familie Clary een verbintenis met een heer van adellijke afkomst, met goede manieren en een gunstig uiterlijk niet ongaarne; bovendien was Jozefs broer een generaal, die bij de Conventie hoog stond aangeschreven en dit was vooral in dien tijd een niet gering te schatten voordeel, want vele rijke kooplieden in Marseille waren reeds gevallen, de gevangenissen met “verdachten” overvol en nog dagelijks hadden arrestaties plaats, terwijl de opgelegde boetes vaak tienduizenden francs beliepen.

Moeder Laetitia en haar dochters waren met het nieuwe familielid, dat zoo rijk was en zoo bescheiden zeer ingenomen en den 1en Augustus 1794 werd het huwelijk dus voltrokken en voelde Jozef zich nog meer dan vroeger als oudste het hoofd der familie; wel gaven Louis en Pauline altijd aan Napoleon de voorkeur, maar het was toch steeds Jozef, die ten slotte besliste, terwijl Lucien en Marianne alleen van hem raad aannamen.

Niet zoo geheel ten onrechte vond de familie Bonaparte de generaalsbetrekking van Napoleon in die dagen nog al precair en al stond hij thans in hoog aanzien, de eigenaardige toestand in Frankrijk gaf niet zooveel waarborgen, dat men van zijn hooge functie steeds zeker was.


Zonder dat hiervan in het zuiden toen nog iets bekend was, hadden te Parijs inmiddels groote gebeurtenissen plaats gegrepen, die we vroeger beschreven. Het Schrikbewind was den 9en Termidor gevallen, aan het rijk van Robespierre was een einde gekomen. Nauwelijks was hiervan de tijding doorgedrongen tot de representanten Albitte en Laporte, die zoowel over het Alpenleger als over dat van Italië het toezicht uitoefenden en Bonaparte toch reeds een kwaad hart toedroegen, of deze werd beschuldigd van landverraad en op hun last gevangen genomen. Hij had op intiemen voet verkeerd met de jonge Robespierre en Ricord; door hen was hij belast geworden met een geheime zending naar Genua en hier zou hem door den vijand een millioen francs zijn beloofd, bij elkander genomen, misdaden genoeg om een generaal in die dagen naar het schavot te helpen. Laetitia had gelijk gehad toen zij de positie van Jozef met het fortuin zijner vrouw achter zich, heel wat meer soliede noemde dan die van haar tweeden zoon, al had deze nog zooveel roem en eer behaald. Nu was hij gekerkerd.

Het krachtige protest, waarmede Bonaparte tegen deze behandeling opkwam, baatte hem niets. Hij had in zijn veldtochtsplannen met de waardigheid der representanten niet de minste rekening gehouden; hij had hun bevoegdheid tot oordeelen over militaire aangelegenheden niet erkend, geen acht geslagen op hun persoonlijke belangen, bij veel van die volstrekt niet onbaatzuchtige representanten een zaak van groot gewicht en hij was dus in zekeren zin hun persoonlijke vijand geworden. Toen een ernstig onderzoek zijner papieren tot niets leidde en hij zich omtrent die bevolen reis naar Genua volkomen had kunnen verantwoorden, waren de representanten wel verplicht den man voorloopig weder los te laten, “dien zij na de terechtstelling van den samenzweerder Robespierre als maatregel van algemeene veiligheid hadden doen gevangen nemen, maar die, zijn locale en militaire kennis in aanmerking genomen, voor de Republiek van nut kon wezen.”

Na dit bijna veertiendaagsch verblijf in den kerker had Bonaparte blijkbaar spoedig het vertrouwen herwonnen, want half September reeds werd hij door Saliceti, die bij zijn gevangenneming een vreemde rol had gespeeld, belast met de voorbereiding eener nieuwe expeditie naar Corsica, dat nog altijd in Engelsche handen was. Van deze gelegenheid maakte hij terstond gebruik om Jozef te belasten met de goed betaalde functie van inspecteur over de hospitalen te Toulon.

De expeditie zelve mislukte echter geheel, want tegen de Engelsche marine waren de onervaren Fransche zeeofficieren met hun dappere, doch tuchtelooze schepelingen niet opgewassen. Half Maart 1795 kwam het bevel de landingstroepen weder te ontschepen en Napoleon had dus een half jaar tevergeefs rusteloos gearbeid. Na een kortstondig verblijf te Marseille bij zijn moeder, vertrok hij naar Parijs. Door een wijziging in de indeeling der legers, die o.a. aan twintig divisie- en acht en vijftig brigade-generaals de nonactiviteit had gebracht, was ook hij van zijn commando ontheven en “zijn verdienste en zijn deugdelijke kennis in aanmerking genomen,” als brigadegeneraal ingedeeld bij het leger in de Vendée, een regeling, waartegen de toen zes en twintig jarige opperofficier in redelijkheid niets kon aanvoeren, want hij bleef als chef gehandhaafd en werd niet gesteld onder de bevelen van een ander.

Veel haast om zijn bestemming te bereiken maakte hij intusschen niet; hij nam Junot benevens den kapitein der artillerie Marmont als adjudanten mede, bleef zelfs eenige dagen te Châtillon bij den vader van Marmont logeeren, gaf Louis, dien hij weder tot zich had genomen, tegelijkertijd nog dagelijks les in wiskunde met het plan hem op de militaire school van Châlons te plaatsen, als hij geen brevet van luitenant der artillerie voor hem machtig kon worden. Eindelijk te Parijs gekomen, vond hij de toestanden hier geheel gewijzigd.

Enkele dagen te voren was een opstand uitgebroken in de hoofdstad onder de uiterste Jacobijnen, de zittingzaal der Conventie was men binnengestormd, bloed had gevloeid en een nieuwe periode van ellende en doodsangst had gedreigd, maar ten slotte hadden de gematigden en het goedgezinde deel der burgerij de zege behaald en de rust was hersteld. Het gevolg hiervan was geweest, dat eene heftige vervolging was begonnen tegen al wat met Robespierre en de Jacobijnen in betrekking had gestaan; generaal Menou was benoemd tot commandant der gewapende macht te Parijs, terwijl het beheer over de legerzaken o.a. aan een oud-girondijn, den kapitein der artillerie Aubry was opgedragen; bovendien waren de invloedrijke kennissen van Bonaparte als Saliceti, Barras, Ricord en Fréron òf verbannen òf onder toezicht gesteld. Weldra zou hij nogmaals ondervinden hoe gevaarlijk zijn vroegere vertrouwelijkheid met de Jacobijnsche partijhoofden was geweest; reeds enkele dagen later ontving hij bericht, dat hij bij het leger in de Vendée was ingedeeld, niet als generaal der artillerie, doch als commandant eener brigade infanterie.

Wat was dat! Hij de volbloed-artillerist, met zijn vooroordeel tegen de officieren van andere wapens, geplaatst bij de infanterie, gedegradeerd dus! Dit was te veel! Hij liep naar Aubry, vorderde zijn vroeger commando terug, doch ontving een weigerend antwoord. “Hij was nog veel te jong voor zulk een positie,” zei Aubry, jaloersch op het succes van zijn wapenbroeder. “Op het slagveld gaat die jeugd snel voorbij en van het slagveld kom ik, gaf Bonaparte den ander, die nog nooit kruitdamp had geroken, ten antwoord; zijn protest hielp hem niet, het besluit bleef gehandhaafd. Om den schijn te redden zond Bonaparte zijn paarden en bagage vooruit naar Nantes, maar meldde zich tevens ziek en bleef te Parijs. Ziek was hij werkelijk in den zomer van 1795, zielsziek, al was daarvan in zijn brieven aan Jozef “zijn eenigen vriend,” zooals hij hem toen steeds betitelde, niet zooveel te bespeuren. Met een ouden, diep in de oogen gedrukten hoed op, gedoken in de later zoo vermaard geworden grijze jas, met scheef geloopen vuile laarzen aan, met bloote slecht verzorgde handen en het lange haar in twee tressen oreilles de chien langs de ooren afhangende, een echt beeld van armoede en verwaarloozing, sloop hij langs de straten.

Zijn moedeloosheid vooral betreffende zijn toekomst als officier bleek duidelijk uit een brief aan Jozef, aan wien hij schreef: “Aan het leven hecht ik zeer weinig; zonder bezorgdheid sla ik het gade; ik verkeer voortdurend in den zielstoestand van den soldaat aan den vooravond van een veldslag. Innig overtuigd, dat wanneer de dood om ons heen waart om aan alles eensklaps een einde te maken, bekommerd zijn een dwaasheid is, doet alles mij het noodlot trotseeren. Houdt die toestand aan, dan zal het slot wezen, dat ik voor een naderend rijtuig niet eens meer uit den weg ga.

Een enkele maal vertoonde hij zich bij de familie Permon en bij zijn ouden schoolmakker de Bourrienne, maar in zijn droefgeestigen toestand bracht zulk een bezoek geen verbetering. In die dagen rees weder de gedachte bij hem op, om dienst te gaan nemen in Turkije bij de artillerie van den Grooten Heer, die zijn leger wilde organiseeren en om officieren had verzocht; dan zou hij niet bij de toen nog zoo geminachte infanterie1 behoeven te dienen, want hij zou er als generaal van de artillerie heengaan en wilde Jozef tevens meenemen, die, geschrapt van de lijst voor oorlogscommissaris, naar Marseille en daarop met vrouw en schoonzuster naar Genua was gegaan.

Ook liep hij met huwelijksplannen rond; als hij eens in het huwelijk trad met Désirée Clary, de schoonzuster van Jozef, “dien gelukkigen schelm,” zooals hij zijn broer had genoemd, toen hij van diens verbintenis met Julie had vernomen.

Jozef en Julie hadden zulk een huwelijk niet ongaarne gezien, doch, hoewel Désirée Napoleon wel genegen was, schreef zij hem naar zijn zin te weinig en langzamerhand verflauwden zijn attenties voor haar.

Niettegenstaande deze voor Napoleon zoo treurigen toestand verloor hij zijn familie niet uit het oog en bleef niet minder werkzaam voor hen, wanneer dit noodig was. Lucien had niet alleen zijn baantje weder verloren, maar was door zijn vijanden uit wraakzucht, voor ’t geen hij indertijd te Saint-Maximin had uitgericht, te Aix gevangen gezet en liep als zooveel anderen, dus groot gevaar voor zijn leven.

Nauwelijks had Bonaparte hiervan bericht ontvangen, of hij rustte niet voordat hij van het Comité van algemeene veiligheid een bevel tot zijn invrijheidstelling had gekregen; hij zond hem zelfs geld, zocht een baantje voor hem en liet hem ten slotte bij zich te Parijs komen. Ook voor Jozef was hij werkzaam, en toen de kans op oorlogscommissaris was verkeken, poogde Napoleon voor hem een consulaat te krijgen in een der havens van Italië, maar broerlief was bijster kieskeurig. Van zulk een post op Chio b. v. was hij niet gediend. Consul op een eiland! Wat was dat nu voor hem, zoo’n knap, zoo’n groot man, die op Corsica reeds zooveel hooge betrekkingen had bekleed. Iets beters moest Napoleon voor hem, het hoofd van het geslacht, dus zien machtig te worden en nogmaals toog Bonaparte aan den arbeid.

Voor Louis, zijn troetelkind had hij op de militaire school inmiddels een plaats gekregen en met schier vaderlijken trots volgde hij zijn vorderingen en geraakte over, “dien besten, braven, vlijtigen, goedhartigen” jongen in zijn brieven niet uitgepraat.

Dan was Jérôme er nog. Die knaap was nu bijna elf jaar en had door den loop der omstandigheden maar zeer weinig onderwijs genoten, doch hij verlangde naar Parijs! Broer “Napolione” moest daar een kostschool voor hem zoeken, maar voorloopig kon hiervan echter niets komen, want de kostscholen waren gesloten. Aldus aanhoudend vervuld met de zorg voor zijn familie, doolde de zwaarmoedige jonge man in die zomerdagen door Parijs, tot Aubry half Augustus werd vervangen door Doulcet de Pontécoulant.

Door het lid der Conventie Boissy d’ Anglas op Bonaparte gewezen als op “een generaal die van het leger van Italië kwam en blijkbaar met kennis van zaken daarover sprak,” verzocht Pontécoulant “dien jonkman met zijn doodsbleek, vervallen gelaat, gebogen rug en ziekelijk uiterlijk” bij hem te komen op het bureau van Oorlog en plaatste hem bij de afdeeling, belast met het ontwerpen der veldtochtsplannen en met het toezicht op de operaties te land en ter zee. Deze gelegenheid om weder aan het werk te komen, greep Bonaparte gretig aan; in de volgende weken ontwierp hij het plan van aanval op de Oostenrijkers, dat hij weinige maanden later geroepen zou worden zelf uit te voeren en waardoor zijn naam in een goudglans zou schitteren voor de oogen van gansch Europa, tevens verzocht hij de Pontécoulant hem weder te plaatsen in het actieve leger bij de artillerie.

De officieren aan de bureaux van oorlog, jaloersch op hun jongen krijgsmakker, die het reeds zoover had gebracht, staken echter een spaak in ’t wiel. Letourneur, de Pontécoulants opvolger, te voren chef van het personeel bij oorlog, 45 jaar oud en eerst kapitein, was Bonaparte, die een domoor en betweter zoo vinnig en ongezouten op zijn plaats kon zetten, volstrekt niet genegen en weigerde aan zijn verzoek te voldoen. Daarop nam Bonaparte zijn ontslag van het bureau en begon nogmaals werk te maken van een detacheering bij het leger van den Sultan. Ook het Comité de Salut Public had daar wel ooren naar; daarin zaten mannen, die zijn verdiensten erkenden o. a. Jean Debry. “Eerst behoort het Comité dien opperofficier te beloonen voor de door hem bewezen diensten en hem dus te bevorderen; dan kan er later beslist worden als hij bij zijn verzoek mocht blijven,” zei hij o. a. bij de beraadslaging over dit punt.2

Gesteund door Barras en Fréron begonnen Bonaparte’s kansen dus zeer mooi te staan. Het geld voor de expeditie was reeds gevonden. Zelf schreef hij aan Jozef “dat het besluit reeds zou zijn geteekend en de datum van het vertrek vastgesteld als er te Parijs bij de partij der reactie niet zooveel gisting heerschte.” Binnen enkele dagen zou echter alles wel zijn afgeloopen schreef hij verder. Dat die partij de zege zou wegdragen duchtte hij niet. “De genius der vrijheid verlaat haar verdedigers niet,” schreef hij.

Onbezorgd begon hij de toekomst weder in te zien; zijn gansche wijsbegeerte, waaruit het fatalisme blijkt, dat hij zich toen tot levensleer en levensregel had gekozen was vervat in zijn: “In ’t verschiet zie ik alleen liefelijke beelden; zelfs al ware zulks het geval niet, is het toch zaak te leven bij den dag. Een man van moed rekent niet met de toekomst.”

Tien dagen later, op 5 October 1795, 13 Vendémiaire zou in die toekomst, in zijn gansche bestaan, zijn denken en zijn handelen een volslagen omkeer worden gebracht.


1 Later zou hij tot andere gedachten komen. Slechts één opperofficier der artillerie is door hem tot maarschalk benoemd (Marmont) en dit geschiedde dan nog alleen uit oude relatie.

2 Hoewel Bonaparte’s positie bij het leger den 13en Fructidor volkomen in den vorm was geregeld, nam het Comité zestien dagen later, op dienzelfden datum dus, dat zijn verzoek om detacheering daar in behandeling kwam, een besluit, waarbij hij van de lijst der actief dienende generaals werd geschrapt. Wat een janboel dus!

Hoofdstuk IV.

13 Vendémiaire. Joséphine.

Nadat de constitutie van het jaar III met een Directoire van vijf leden als uitvoerende macht den 22en Augustus 1795 was aangenomen, moesten de leden van het wetgevend lichaam worden gekozen. Reeds vleiden zich de royalisten en de emigrés, die in de laatste maanden bij duizenden in het land teruggekeerd of uit hun schuilhoeken te voorschijn gekomen waren, dat zij bij die verkiezingen verreweg de meerderheid zouden hebben, waardoor hun kansen bij een tegenomwenteling dus aanmerkelijk moesten vermeerderen, toen een decreet der Conventie besliste, dat de Raad van Vijfhonderd voor twee derden zou bestaan uit haar vroegere leden. Waren dit dezelfde mannen, die den 10en Augustus 1792 tot den val van het koningschap hun steun hadden verleend en later over Lodewijk XVI het doodvonnis hadden uitgesproken? Zeker het waren deze volbloed republikeinen, maar tevens de mannen, die drie jaar lang tegenover gansch Europa pal hadden gestaan en door bijna ongeloofelijke bewijzen van volharding en energie Frankrijk van de vreemde overheersching hadden gered.

De royalisten, de emigrés en de rijke burgerij te Parijs zagen in dit decreet een terugkeer naar den tijd van la Terreur en de heerschappij der guillotine. In de meeste verkiezingssectiën te Parijs werd het dus verworpen, in de departementen echter met overgroote meerderheid aangenomen. Niettemin besloten de royalisten, van ouds wetende, dat hetgeen in de hoofdstad geschiedde, in de departementen meestal navolging vond, een poging te doen om weder op het kussen te komen. Te Parijs lag slechts een bezetting van enkele duizenden soldaten, zij hadden de sectiën en wel 40.000 aanhangers achter zich; de kansen stonden dus mooi. In de sectiën Lepelletier, Luxembourg, le Temple enz., waar de rijken de meerderheid vormden, werd den 12en Vendémiaire (4 October) openlijk verzet tegen de Conventie afgekondigd; wapens werden rondgedeeld en onder de burgerij het gerucht verspreid, dat de regeering terug wilde naar de dagen van het schrikbewind.

In dezen uitersten nood was voor de Conventie krachtig ingrijpen een eerste vereischte; generaal Menou, commandant van de troepenmacht in Parijs, die de opstand niet vermocht te dempen, ja het verzet der royalisten door zijn slap optreden nog had versterkt, werd gevangen genomen; Barras kwam in zijn plaats, maar als leider van soldaten volkomen ongeschikt, nam hij o.a. op raad van Carnot, Bonaparte als tweede bevelhebber. “De degen eenmaal getrokken, zou niet meer worden opgestoken voor de orde was hersteld,” had Napoleon aan Barras gezegd, toen hij het commando aannam. En hij hield woord.

Toen in den laten namiddag van den 13en Vendémiaire de opstandelingen van verschillende zijden oprukten, werden ze zoo krachtig door de troepen van de Conventie ontvangen, dat het verzet werd gebroken; aan het beleid van Bonaparte dankte de Conventie haar behoud, want hij, niet Barras, was de ziel der verdediging geweest.

De Conventie toonde zich niet ondankbaar, tien dagen later benoemde ze hem tot divisiegeneraal bij de artillerie, nog tien dagen later tot opperbevelhebber van het leger in het binnenland. Barras was lid geworden van het Directoire.

Uit was het ineens met de plannen om naar Turkije te gaan. In drie weken tijd had Bonaparte een standpunt bereikt, zoo hoog, dat de invloed der bureaux van Oorlog hem niet meer kon schaden; weder “kon hij dienen en nuttig zijn.” Een zee van werk wachtte hem, want alleen de reorganisatie der nationale garde—honderd en vier bataljons—was een reuzentaak; hier tegen zag hij niet op. De legermacht te Parijs bracht hij samen in één kamp. De oud-militairen, die hem den 13en Vendémiaire vrijwillig hun hulp hadden aangeboden vereenigde hij tot een korps; voor het Directoire en de beide Raden schiep hij een lijfwacht en bracht aldus binnen enkele maanden in en om de hoofdstad een macht bijeen, groot genoeg om het gepeupel in bedwang te houden, dat honger leed, de waarde van het papieren geld met den dag zag verminderen en dus weinig aanmoediging noodig had om tot oproer over te slaan. Die militaire macht diende tevens om de Jacobijnen ontzag in te boezemen, die zich hadden vereenigd onder den naam van de Club van ’t Panthéon en opnieuw den kop begonnen op te steken.

Ook op zijn moreele leven deed deze reusachtige omkeer in zijn lot terstond zijn invloed gevoelen. Hij leefde letterlijk geheel op; het armoedige vertrekje in een klein logement, dat hem zoolang tot woning had gediend, verwisselde hij met een ruim hotel op den boulevard, hij schafte zich paard en rijtuig aan, huurde een loge in de comedie en liet zich een nieuwe uniform maken, stellig geen weelde, want de tegenwoordige was tot op den draad versleten. Tevens begon hij voor zijn moeder te zorgen, zond haar eenige duizenden baar geld en assignaten en herhaalde die zendingen geregeld iedere maand. “Mama is van alles overvloedig voorzien; ik heb haar zestig duizend francs doen toekomen” kon hij in Januari 1796 aan Jozef melden. Ondanks al zijn werk bleef hij ook voortdurend vervuld met het lot en de belangen van zijn broers. Louis heeft hij terstond een luitenantsbrevet doen geven en hem opgenomen in zijn staf. Lucien, die armoede geleden en gevangen gezeten had, bezorgde hij een betrekking als Commissaris van Oorlog bij het leger van het Noorden.

Veel eer legde hij hiermee echter niet in, want Lucien vond het leven te Parijs, waar hij nu op kosten van broer Napoleon mocht rondscharrelen, zoo heerlijk, dat hij eerst in Februari 1796 afreisde naar Gorinchem. Reeds in die dagen bleek, dat de man voor geregelden, gezetten arbeid alle lust en geschiktheid ontbrak; op de tribune disputeeren met de Jacobijnen en royalisten ging hem beter af, maar tucht en plichtsgevoel waren hem onbekend.

Eindelijk werd de toekomst van Jozef, zijn boezemvriend, den broeder “wiens afwezigheid hij dagelijks sterker gevoelde” een voorwerp van zijn zorg. Jozef verveelde zich te Genua en wilde consul worden; ook wilde hij deelnemen aan de uitrusting van twee kaperschepen. “Kom naar Parijs; hier staan tafel en bed, paard en rijtuig tot je beschikking. Ik mis je bijzijn in zoo hoog mate” schreef Napoleon hem. Ook Jérôme vergat hij niet, maar plaatste hem te Parijs voor zijn rekening op een kostschool. Naar waarheid mocht hij dus aan Jozef schrijven, dat hij niet meer kon doen, dan hij voor allen deed, want na zijn naaste familie kwamen de neefjes en verdere bloedverwanten als oom Fesch, Ramolino en anderen aan de beurt.

Of de op deze wijze door hem bevoordeelden hem erkentelijk waren? Wel neen! Volgens de Corsicaansche begrippen deed hij hiermede slechts zijn plicht tegenover den clan. Het geluk had hem gediend; nu had hij ook te zorgen, dat zijn gansche geslacht hierin deelde. Of de leden hiervan eenige geschiktheid bezaten voor de betrekkingen, waartoe ze door dit begrip van nepotisme werden geroepen, werd niet gevraagd. Had Bonaparte, keizer geworden, aan het verlangen van den clan en in de eerste plaats van zijn moeder voldaan, dan had hij niet alleen Corsica maar gansch Frankrijk aan zijn bloedverwanten ten prooi gegeven om het naar hartelust te exploiteeren en voor eigen voordeel te gebruiken, doch aan dezen drang heeft hij echter niet toegegeven; hij heeft Frankrijk tegen dezen inval behoed en hierdoor alleen reeds den dank der natie verdiend, maar de Corsicanen hebben hem deze tekortkoming tegenover hen nooit vergeven.

Dit vooropgesteld, zal men zich eenig begrip kunnen vormen van de toornige verbazing in den ganschen clan, toen de tijding kwam, dat Napoleon den 9en Maart 1796, zonder eenig lid der familie hierin te kennen, was gehuwd met een dame uit de Parijsche groote wereld, met de weduwe van den in 1794 onthoofden burggraaf de Beauharnais, een vrouw, die reeds twee groote kinderen had, die, al werd het tegendeel beweerd, geen fortuin bezat en op wier zedelijk gedrag heel wat viel af te dingen. Moeder Laetitia was verontwaardigd, dat haar toestemming niet was gevraagd; de zusters werden terstond in hooge mate afgunstig op een schoonzuster, die burggravin was, die heel andere manieren had dan zij en die haar met haar mooie, rijke toiletten stellig zou overschaduwen; en de broers, doch vooral Lucien, die haar te Parijs een paar maal had gezien en haar een “oude vrouw” noemde, begonnen terstond tegenover haar voet te geven aan een vijandige gezindheid, welke haar oorsprong vond in minachting en jaloezie, die slechts zelden uitkwam door een daad, doch die Joséphine niettemin bijna tot aan haar dood heeft vervolgd. Door het huwelijk met hun broer, had zij hen volgens Corsicaansche begrippen, in hun rechten op diens fortuin te kort gedaan; dit kon haar niet worden vergeven.

Hoe Bonaparte tot zulk een vrijwel onberaden echtverbintenis was gekomen?

Als zooveel andere mannen van zijn leeftijd had hij vroeger reeds trouwplannen gekoesterd; we zagen, hoe hij Désirée Clary het hof had gemaakt, maar tot een huwelijk was het niet gekomen. Zijn verblijf te Parijs na Mei 1795 had in zijn denken en doen een geduchte verandering gebracht. Een brief van 7 Juli van dat jaar aan Jozef, voor wien hij geen geheimen had, getuigt van den diepen indruk door die oplevende, genotzoekende groote stad teweeggebracht op hem, den grasgroenen provinciaal, die tot nog toe meer bij een bivakvuur dan naast een salonhaard gezeten had en armoedig en gestreng republikeinsch was opgevoed.

“Weelde, genotzucht en kunst herleven verbazend snel,” schreef hij. “Een Louis d’or geldt hier 750 francs in papier. Gisteren werd Phèdre opgevoerd ten bate eener voormalige actrice; driedubbele prijzen werden gevraagd, toch was de zaal stampvol. Equipages, mooie toiletten bij de vleet, alsof ze nooit waren weg geweest. Al wat afleiding en genot kan verschaffen is hier bijeen. In de comedie, op de wandelingen, in de bibliotheken, overal ziet men vrouwen. Dit is de eenige plaats ter wereld, waar deze verdienen het roer in handen te hebben. De mannen zijn dan ook op haar verzot, denken alleen aan haar, leven alleen voor en door haar. Zes maanden hier en een vrouw weet precies wat men haar verschuldigd, hoe groot haar macht is.”

In September had hij de kleine, bescheiden Désirée nog niet vergeten en verzocht hij Jozef zelfs, hem een beslissend antwoord te zenden op zijn vraag of zij hem genegen was. Dit antwoord liet zich wachten. De 13en Vendémiaire bracht den halfvergeten veroveraar van Toulon met één ruk op den voorgrond. Al de salons stonden eensklaps wagenwijd voor hem open en bij de beeldschoone mevrouw Tallien, de zeer intieme vriendin van Barras, maakte hij voor de eerste maal wat nader kennis met Joséphine de Beauharnais. Tot nu toe had hij haar slechts uit de verte gezien. Verblindend, overweldigend was de indruk, door haar, de dame uit de groote wereld, op zijn hart en zijn zinnen gemaakt en het duurde niet lang of hij verzocht haar een bezoek te mogen brengen. De omvang zijner dagelijksche bezigheden schijnt hem echter belet te hebben die bezoeken dikwijls te herhalen, want den 28en October schreef zij hem:

Gij komt niet meer bij een vriendin, die u zeer genegen is; hebt gij haar vergeten? Dit is niet lief van u, want zij bemint u.—Kom morgen bij mij dejeuneeren; ik moet eens met u praten over uw belangen. Bonsoir mijn vriend. Ik omhels u.

Weduwe Beauharnais.

Bonaparte kwam; weldra bestond tusschen beiden een intieme verhouding, in die dagen volstrekt niets vreemds in die kringen. Joséphine had toen reeds een veel bewogen leven achter zich. Geboren op Martinique, creoolsche van afkomst, was mejuffrouw Tascher de la Pagerie op zestienjarigen leeftijd gehuwd met de Beauharnais.

In 1779 had deze haar meegenomen naar Parijs, haar bedrogen en verlaten, al bestond daarvoor geen enkele reden en zich eerst in de dagen der revolutie met haar verzoend. Aan het hof was zij nooit toegelaten. Een korte poos, toen de generaal voorzitter was van de Constituante en daarna opperbevelhebber van het Rijnleger, was zij te Parijs gelukkig geweest, had ze een salon gehad en gasten ontvangen.

Het schrikbewind had aan al dit fraais met één slag een einde gemaakt; de Beauharnais was gevangen genomen en onthoofd; zij zelve in den kerker geworpen. Hier had zij kennis gemaakt met Thérèse de Fontenay, een dame, die den afgevaardigde Tallien in haar netten had gevangen, die dezen gewetenloozen republikein haar hand had beloofd, als hij haar de vrijheid wist terug te bezorgen. Zij had Joséphine’s bevrijding eveneens bewerkt.

Dus als door een wonder ontkomen aan den dood op het schavot, zoo goed als geruïneerd, zonder vooruitzichten, was Joséphine met haar twee kinderen, gesteund door enkele vriendinnen en door enkele heeren, met wie zij in de gevangenis had kennis gemaakt, een leven begonnen, dat haar goeden naam schade deed. Door geld te leenen en rechts en links schulden te maken, vond zij de middelen om tijdelijk een eigen staat te voeren, rijtuig te houden en in de rue Chantereine, aan ’t einde der stad, een klein hotel te huren, dat weinig meer dan een drietal bruikbare kamers en een stal bevatte. Met zijn sofa’s en in alle hoeken verspreide mahonie- en citroenhouten tafeltjes met marmeren bladen en verguld koperen versiersels, maakte ’t geheel voor een leek toch eenige vertooning. Een paar groote glazen kasten met verzilverd eetservies,—van echt zilver waren slechts een dozijn lepels en vorken voorhanden—werkten hiertoe mede.

Ook in Joséphine’s linnenkast heerschte geen weelde. Wel zestien japonnen benevens eenige shawls, doch bijster weinig ondergoed—b.v. slechts zes rokken—was er in te vinden. Aan het uiterlijk was blijkbaar alles opgeofferd.

Van die vergulde armoede had Bonaparte, op dit gebied zelf volstrekt niet verwend, bij zijn eerste bezoek echter niets bespeurd; hij had slechts oogen gehad voor de dame, die hem ontving, die een stem had als muziek, de mooiste kleine handjes en voetjes, welke hij nog ooit had gezien en wier fluweelzachte oogen met lange, gebogen wimpers, guitig uitdagend wipneusje en glimlachend lief mondje met een licht gepoederde blonde pruik,—de mode dier dagen—een allervriendelijkst geheel vormden.

Dat haar tanden toen reeds veel hadden geleden, dat poeder en blanketsel reeds te hulp waren geroepen om de eerste sporen van verval te verbergen, zag hij niet; dat Hortense, het veertienjarige dochtertje, bij madame Campan op kostschool, haar “engelachtig moedertje” de hoogst enkele maal, dat deze haar kwam bezoeken, om die reden alleen onder de kin een zoentje mocht geven, wist hij niet; hij zag slechts háár. Désirée Clary was vergeten; aan mevrouw Permon, die weduwe geworden en daarop zonder succes door hem ten huwelijk was gevraagd, dacht hij niet meer; dat Joséphine zes jaar ouder was dan hij, wilde hij niet weten; dat Ségur, de Caulaincourt en andere heeren van “het oude hof” bijzonder vertrouwelijk met haar omgingen, doch zich nooit met hun vrouw bij haar vertoonden, zag hij niet en evenmin deerde het den verliefden man, dat zij Tallien en Barras onder haar allerintiemste kennissen telde. De liefde, die zoo dikwijls spot met vormen en zedelijkheid, ja met alles, had zijn jong zuidelijk bloed aan ’t gisten gebracht. Van nu af zou ondanks alles, jaren lang slechts één vrouw ter wereld voor hem bestaan, zijn Joséphine.

“Ze waren “doodelijk” van elkander,” schreef een tijdgenoot, die het weten kòn. Doch wist hij het wel?—Op Bonaparte was dat “doodelijk” in den ruimsten zin des woords toepasselijk; alleen in haar nabijheid voelde hij zich gelukkig. Bij haar was het effect, door zijn onstuimigen blinden hartstocht op haar creoolsche natuur aanvankelijk teweeggebracht, weldra sterk verminderd en door verzadiging gevolgd. Toen hij haar in ’t begin van 1796 ten huwelijk vroeg, was zijn persoon haar zelfs tamelijk onverschillig geworden. Toch nam zij zijn aanzoek aan, zoogenaamd omdat zij haar kinderen, om wie zij zich echter nooit veel had bekreund, hierdoor een tweeden vader schonk, maar feitelijk omdat haar geldmiddelen zoo goed als uitgeput waren, haar jeugd haar verliet, de kans op beter dus zeer gering voor haar werd en mevrouw Tallien en Barras haar verzekerden, dat hij weldra in Italië opperbevelhebber zou worden en zij, mocht hij komen te vallen, in elk geval pensioen kreeg, en eindelijk omdat zij, evenals bijna al de vrouwen uit dien tijd, bijgeloovig was en haar indertijd op Martinique door een oude negerin was voorspeld, dat zij nog eenmaal een kroon dragen zou. Beviel het huwelijk haar niet, dan was echtscheiding bovendien altijd een eenvoudig middel om een band te verbreken, waaraan de geestelijke wijding toch ontbrak. Zij nam dus zijn aanzoek aan. Den 8en Maart 1796 werd een contract geteekend, waarbij o.a. alle gemeenschap van goederen tusschen beiden was uitgesloten; Joséphine bleef voogdes over haar kinderen en Bonaparte bracht, zooals de notaris Raguideau terecht opmerkte, niets mede ten huwelijk dan “mantel en degen.”

Met Barras, Tallien, Lemarrois, een adjudant van Bonaparte en Calmelet, Joséphine’s zaakwaarnemer als eenige getuigen, werd de echtverbintenis den 9en zonder eenig uiterlijk vertoon gesloten. Twee dagen later reeds was Bonaparte als opperbevelhebber op weg naar het leger van Italië. Barras had goed gezien; het Directoire had den jeugdigen generaal het veldtochtsplan ter uitvoering gegeven, dat deze het jaar te voren bij het departement van Oorlog zelf had ontworpen en dat Scherer als het werk van een gek had verklaard en als te dolzinnig en te vermetel niet had aangedurfd. Joséphine bleef achter in het hotel van de rue Chantereine, deed voorloopig geen afstand van haar vroegeren naam en bleef dus “de weduwe Beauharnais” bracht ook in haar levenswijze, haar pretjes en haar gewoonten geen verandering en gunde zich vaak niet eens den tijd om de van liefde en hartstocht gloeiende epistels te lezen, die haar man, al had hij ’t nog zoo druk, bijna dagelijks met iederen koerier toezond. Eén uit velen vinde hier een plaats:

“Als ik op ’t punt sta mijn bestaan te verwenschen, breng ik de hand naar mijn hart; daar rust je portret. Ik bekijk het en de liefde is voor mij het volmaakte geluk; alles lacht mij toe behalve de tijd, dien ik doorbreng buiten het bijzijn van mijn hartsvriendin.”

Met die beeltenis voor zich deed hij iederen avond zijn gebed; toen het glas er van brak, was hij de wanhoop nabij.

Hoofdstuk V.

De Veldtocht in Italië. 1796.

Niet zonder grond hadden de hem vijandig gezinde Parijsche blaadjes bij zijn vertrek den draak gestoken met zijn nieuw commando, want het leger van nog geen veertig duizend man, dat hij te Nizza gekomen, met het front naar het Noorden tusschen de Var en de Apennijnen vond staan, geleek meer op een bende in lompen gehulde uitgehongerde landslieden met stukken boomschors tot schoeisel, dan op een geregelden soldatentroep. De paarden waren tot geraamten afgevallen; soldij was in maanden niet uitbetaald; vivres waren in even zooveel tijd niet verstrekt. Van roof en plundering werd geleefd. Kort na zijn komst schreef hij dus terecht aan het Directoire: “De soldaat zonder voedsel komt tot uitbarstingen van woede, die iemand doen blozen mensch te heeten. De inname van Ceva en Mondovi kan in de behoefte voorzien en ik zal vreeswekkende voorbeelden stellen. Tot orde en krijgstucht zal ik die struikroovers dwingen, of ik leg het bevel er over neder.”

Een leger van vijftigduizend man had hij gevraagd; geen enkelen soldaat had men hem toegezonden; zoo schraal was zijn krijgskas voorzien, dat hij de generaals bij zijn komst ieder slechts tachtig francs in goud kon ter hand stellen in mindering op hun achterstallig tractement. Hij zelf door de grenadiers vóór zijn komst spottend “Generaal Vendémiaire” genoemd, genoot niet het minste vertrouwen; bijna niemand kende hem. Toch aarzelde hij geen seconde.

Nog geen uur was hij in zijn hoofdkwartier of hij had de sterktestaten ter hand genomen, den kolonel Berthier, een werkkracht bij uitnemendheid, tot zijn chef van den staf benoemd en zich op de hoogte gesteld van den toestand.

Als divisie-generaals had hij Massena, een Italiaan, ongeletterd maar schrander, vindingrijk in ’t gevaar en ongelooflijk taai en volhardend, den reusachtigen Augereau, een Parijzenaar uit de voorsteden, vroeger onderofficier-schermmeester, dapper als staal en zeer gezien bij den troep, voorts Laharpe, een Zwitser van den goeden stempel en Serurier, een voormalig majoor van het koninklijke leger, Steingel een Elzasser van geboorte en volgens Napoleon een uitmuntende voorhoede-generaal. Het vertrouwen te winnen zijner onderbevelhebbers en de liefde zijner krijgers was voor hem thans een eerste vereischte; hij wist dat hem hiertoe slechts één middel ten dienste stond, den vijand aan te grijpen en te verslaan. Terstond gaf hij hiertoe bevelen. Te Albenga sprak hij de officieren toe, deed een beroep op hun moed en plichtsgevoel en wees hun op het land aan de overzijde van de Apennijnen, waar ze ruimschoots zouden beloond worden voor hetgeen ze tot nu toe hadden ontbeerd.

Reeds kort na aankomst te Nizza had hij zijn soldaten gezegd; “Gij hebt reeds genoeg ellende doorstaan; ik zal er een einde aan maken,” en wijzende in de richting Piëmont, “daar zullen we brood, magazijnen, kleederen, artillerie, paarden en geld voor belooning ontvangen. Weg met alle hindernissen tusschen ons en den vijand; met de bajonet moet ge hem altijd op ’t lijf vallen.

Door deze kernachtige woorden won hij het vertrouwen zijner soldaten en had hij bij hen het pleit reeds gewonnen. De uitbetaling van een deel der achterstallige soldij deed de rest.

Reeds den 5en April stond hij bij Albenga, tachtig kilometer ten oosten van Nizza; in dien zelfden tijd hadden de Sardiniërs, ongeveer vijf en twintig duizend man sterk, onder Colli bij Ceva in ’t gebergte, een sterkte ingenomen op den rechter vleugel van Beaulieu. Deze was met een circa tweemaal zoo sterke macht door Lombardije gemarcheerd naar Genua om hier gemeenschap te zoeken met de Engelsche vloot en op te treden tegen de Franschen aan de Var. Een deel zijner macht stond bij Dego, ten noorden van de Alpen, zijn centrum onder d’Argenteau hield bij Montenotte de hoogste toppen bezet; zijn linkervleugel, evenals de andere afdeelingen front makende naar het westen, was Genua gepasseerd en tusschen de bergen en de zee opgesteld. Viel Bonaparte, die oprukte in de richting van deze stad, hem nu aan, dan kon d’Argenteau, rekende hij, uit het gebergte komende, de Franschen bij Savona in de linkerflank vallen en in zee werpen.

Den 11en April stiet Beaulieu inderdaad op Laharpe, die de Fransche voorhoede commandeerde, en wierp hem terug, doch in den daarop volgenden nacht gaf Bonaparte, door het onverzettelijk standhouden van den kolonel Rampon bij Montenotte hierin ridderlijk gesteund, uitvoering aan het plan, dat hij had ontworpen. Terwijl hij zijn voorposten tegenover Beaulieu liet staan, zond hij de divisie Laharpe, door Augereau als reserve gevolgd, naar Montenotte, Massena langs een omweg door ’t gebergte in d’Argenteau’s rug, greep hem aan, sloeg hem met zwaar verlies terug naar Dego, en bereikte het dal van de Bormida nog denzelfden dag; hier stond hij nu midden tusschen de bondgenooten in, links van hem de Sardiniërs, die de bergpassen van Millesimo bezet hielden en Turijn dekten, rechts slechts enkele in het gebergte verspreide, zwakke Oostenrijksche afdeelingen, en vóór hem Dego. Zijn vermetel plan was met succes bekroond en het centrum zijner tegenpartij doorgebroken.

De drie volgende dagen vochten Bonaparte’s bandieten als helden. “De zege of de dood!” hebben zij in hun vanen geschreven; den 15en April volgt de beslissing. Half vernietigd vlucht het Oostenrijksche leger naar Milaan; de Sardiniërs hebben de passen van Millesimo verloren en gaan op Ceva en Mondovi terug. Italië staat voor Bonaparte open. Zijn soldaten hebben het volste vertrouwen in hem gekregen; één blik uit zijn adelaarsoog is voldoende om hem blindelings te doen gehoorzamen; zijn generaals hebben hem leeren kennen, vol aandacht en bewondering luisteren zij reeds naar zijn korte, zaakkundige bevelen.

Eén rustdag slechts, eerlijk verdiend, dan vangt de marsch aan naar Ceva, de Sardiniërs achterna. Als de toppen van de Monte Zemoto zijn bereikt kunnen de krijgers de heerlijke vlakten van Piëmont en Lombardije aanschouwen; de Tanaro, de Stura en de Po, hun wateren stuwende naar de Adriatische Zee, liggen aan hun voet; de met sneeuw en ijs gepantserde Alpenreuzen vormen den achtergrond.

De grens van “Het beloofde land,” zooals hun chef het had geheeten, is bereikt!

“Hannibal trok vóór eeuwen de Alpen over; wij trekken er om heen,” riep hij zelf bewogen uit. Acht dagen later is Cherasco bereikt. Victor Amadeus, den koning van Sardinië, sloeg de schrik om ’t hart; ondanks de vertoogen van den Oostenrijkschen en den Britschen gezant sloot hij den 28en April een wapenstilstand. Bonaparte kreeg hierdoor de beschikking over de rijke magazijnen van Ceva, werd meester over de wegen door Piëmont, zag den afstand tusschen Parijs en de oevers van de Po aanmerkelijk verkort en kreeg de zekerheid, dat hij geen vijand in zijn rug achterliet. Als een handig staatsman had hij hiertoe bij den koning de kans laten doorschemeren op vergrooting van grondgebied in Lombardije, zoodra Oostenrijk zou zijn bedwongen.

Reeds voelde hij zich zeer sterk. Aan het Directoire, dat een wapenstilstand moest bekrachtigen, schreef hij: “In het stellen der vredesvoorwaarden zijt gij geheel vrij; de voornaamste vestingen zijn in mijn handen.”

Ook aan Joséphine schreef hij weder. Junot, die een deel der veroverde zegeteekenen naar Parijs brengen zou, had den brief bij zich. “Kom spoedig. Talm je, dan vindt ge mij ziek. Al die vermoeienissen en je afwezigheid zijn te veel op eens.”—’t Was waar; de koorts verteerde hem; een hardnekkige hoest kwelde hem dag en nacht.—“Maar je komt, niet waar? Je zult hier bij mij wezen, in mijn armen, aan mijn hart. Kom, o, kom!”

Maar Joséphine kwam niet. Zij vond het veel te prettig om aan den arm van Junot gevierd te worden als de echtgenoote van den beroemden burger-generaal en zoowel met dien knappen huzarenofficier als met den kolonel Joachim Murat, die op last van Bonaparte eveneens tropeeën was komen dragen naar het Directoire, te coquetteeren. Napoleons hartstochtelijke brieven lieten haar koud; slechts nu en dan beantwoordde zij die met een kattebelletje. Zelfs de beleefde vertoogen van Jozef, door Bonaparte met vertrouwelijke dépêches uit Genua naar Parijs gezonden, baatten niet; eerst wendde mevrouw ziekte voor, daarna een begin van zwangerschap.

“Wat een grappige vent toch, die Bonaparte,” mompelde zij bij de ontvangst van zijn hierop gevolgd schrijven met liefdevolle verontschuldigingen over zijn grenzenloos verlangen naar haar.

Inmiddels zette de generaal, in stilte zielsongelukkig zijn zegetocht door Lombardije voort, trok bij Piacenza in plaats van bij Valence, zooals de vijand verwacht had, de Po over, dwong den hertog van Parma den 9en Mei tot een wapenstilstand en het betalen van een paar millioen francs oorlogsschatting en greep Beaulieu, die naar de Adda was geweken, den daarop volgenden dag bij Lodi aan. Hier bestormde hij aan de spits zijner grenadiers de eenige hierover de Adda voerende brug, verwierf zich door dit bijna ongeëvenaarde heldenfeit bij zijn krijgers den eerenaam van le petit Caporal en trok vijf dagen later door de juichende, opgewonden bevolking omgeven, het te zijner eere versierde Milaan binnen. In zeventien dagen tijd had hij Lombardije veroverd. Hij was letterlijk de afgod zijner soldaten geworden en zelfs die enkele oudere generaals als Serurier en Kilmaine, die in stilte tegen hem oppositie voerden, hadden eerbied gekregen voor de overweldigende kracht der feiten, voor de macht van zijn wil. In weerwil van dit succes had het weinig gescheeld, of het ministerie van oorlog had door een onhandigen zet alles weer bedorven.

Den 14en Mei had Bonaparte te Lodi bericht ontvangen, dat, zoodra het Alpenleger Italië was binnengerukt, hij het commando met Kellerman zou moeten deelen. Deze zou dan ten noorden van de Po, hij zelf tegenover Rome en Napels optreden.

“Dan leg ik het opperbevel neder,” antwoordde hij terstond. “Ik heb den veldtocht gevoerd zonder iemand raad te vragen. Had ik mij naar de inzichten van een ander moeten voegen, dan was er niets van terecht gekomen... Ieder heeft zijn eigen wijze van oorlog voeren. Generaal Kellerman heeft meer ervaring dan ik, en zal het beter doen dan ik. Samen brengen wij niets goeds voor den dag. Trouwens acht ik één slechten generaal beter dan twee goede. Evenals regeeren is oorlog voeren een quaestie van tact. In afwachting van nadere bevelen ruk ik naar de Mincio.”

Carnot liet zich dit gezegd zijn en trok de order in. Hierop had Bonaparte inmiddels niet eens gewacht, want, zooals hij in zijn proclamatie van den 20en aan de troepen had gezegd: “Veel was er wel reeds gedaan doch nog lang niet genoeg. Van Lombardije mocht geen Capua worden gemaakt. Geforceerde marschen moesten nog afgelegd, nieuwe lauweren geplukt en Rome gestraft worden, omdat het Fransche gezanten lafhartig had laten vermoorden.”

De bevolking kon echter gerust zijn, had hij hierop doen volgen. Tegen haar voerde de Republiek geen oorlog; integendeel. Maar het Romeinsche volk, dat zooveel eeuwen lang in slavenketenen had gezucht, moest wakker geschud.—Reeds den 19en waren de bevelen tot den afmarsch naar de Mincio dus gegeven, achter welke rivier Beaulieu zijn macht tusschen Peschiera en Mantua in verschillende detachementen had opgesteld. Eerst werd nog te Milaan, daarna te Pavia een opstand onderdrukt, door het landvolk onder leiding van eenige fanatieke geestelijken begonnen,—om een voorbeeld te stellen gaf Bonaparte laatstgenoemde stad drie uur lang ter plundering over aan zijn soldaten,—en den 30en Mei stonden de twee partijen bij Borghetto weder tegenover elkander en hieuwen de nieuwgevormde Fransche escadrons, door Murat zelf aangevoerd, zoo krachtig in op de Oostenrijksche cavalerie, dat deze moest wijken.

Om de veiligheid van zijn eigen persoon had Bonaparte zich tot heden weinig bekreund; dit veranderde echter, nu hij, bij het einde van dit gevecht in een gehucht afgestegen, den vijand bijna in handen was gevallen en zich alleen door een snelle vlucht had kunnen redden. Onder toezicht van zijn vriend de Bessières, een even bedaard als onverschrokken cavalerie-officier, werd een escadron Guides gevormd, de kern van de later opgerichte Escadrons van Dienst. Van dezen uitgelezen ruitertroep, dien Napoleon slechts zelden uit de hand gaf, telde iedere man minstens tien jaar dienst.

Beaulieu’s zwakke positie achter de Mincio bij Borghetto door midden brekende, wendde Bonaparte zich daarop naar Peschiera, dat op Venetiaansch grondgebied aan het Gardameer was gelegen, om hier met Beaulieu’s achterhoede op haar terugtocht naar Tyrol af te rekenen en hem zelf het ontkomen in die richting te beletten. De grijze, reeds ruim zeventigjarige generaal wachtte hem echter niet af, doch liet bezetting achter in de sterke vesting Mantua, gelegen op een eiland in de Mincio, en zocht door een nachtmarsch achter de Etsch een goed heenkomen. Den 1en Juni kon Bonaparte dus uit zijn hoofdkwartier Peschiera schrijven “dat de vijand geheel uit Boven-Italië was verdreven, en dat zijn eigen voorposten stonden op de bergen van Duitschland.” Dank zij de marschvaardigheid zijner infanterie, die enkele malen acht en veertig kilometers afstand achtereen had afgelegd, had hij dit succes binnen acht dagen na zijn vertrek van de Adda behaald.

Versterkt door detachementen van het leger der Alpen gaf hij zijn macht thans een andere indeeling; Massena kreeg met 18000 man last de noordelijke toegangen aan weerszijden van het Gardameer af te sluiten met drie reserves, een in een kamp tusschen dit meer en de Etsch, een bij Verona en een bij Peschiera. Dan konden de Oostenrijkers gerust nogmaals komen opdagen. Serurier zou met 5000 man Mantua insluiten; een korps van ruim het dubbele dezer sterkte, waaronder de divisie Augereau behield Bonaparte zelf bij zich bij Roverbello, terwijl circa 9000 man in Lombardije’s vestingen garnizoen hielden, o. a. te Milaan, welks citadel nog in ’s vijands handen was.

Den 3en Juni had Massena Verona, dat aan Venetië behoorde, bezet en had Bonaparte zijn hoofddoel, het bezetten van de Etschlinie bereikt. Achter deze ondoorwaadbare rivier met haar veelal steile oevers en met Verona en Legnano er voor, kon hij de loop der dingen afwachten; hier was hij meester over Boven-Italië, kon over Venetië, dat een zeer dubbelzinnige rol begon te spelen, een wakend oog houden en nu ook het zielsverlangen van het Directoire bevredigen en Rome dus een les geven, die het zou heugen.

De koning van Napels, ook het dreigende gevaar inziende, haastte zich een wapenstilstand te sluiten, die Bonaparte zeer van pas kwam, want het Oostenrijksche leger werd hierdoor terstond met bijna 3000 Napolitaansche ruiters verzwakt. De marsch van de divisie Augereau naar de legatiën werd dus niet gestoord; den 19en Juni werd Bologna bezet. Ferrara door den kardinaal-legaat verdedigd, werd door Bonaparte zelf genomen, en reeds den 23en Juni was alle verzet gebroken, en was paus Pius VI verheugd, dat hij een wapenstilstand mocht sluiten, mits hij een gezant naar Parijs zond om te onderhandelen over een definitieven vrede. De voorwaarden, hem gesteld, waren echter niet malsch.—Hij zou nu ondervinden, dat men over de Fransche Republiek niet straffeloos den banvloek uitsprak, den kruistocht tegen haar predikte en haar gezanten binnen Rome’s muren liet vermoorden. De legatiën Bologna en Ferrara bleven in Fransche handen; Ancona kreeg Fransch garnizoen; een en twintig millioen oorlogskosten moesten betaald, eindelijk moest, evenals in Parma was geschied, een schat van kunstwerken en kostbare schilderijen aan het museum van Parijs worden afgestaan.

Weinig had het gescheeld of te Livorno, waar de Engelschen zoo goed als heer en meester waren en van hier hun leger op Corsica voordurend van alles voorzagen, waren een groot aantal rijk beladen Engelsche koopvaarders bijna tegelijkertijd in Bonaparte’s handen gevallen. Ook hier legde hij garnizoen en zijn landgenoot Gentili, bijgestaan door duizenden Corsicanen, verdreef in October d.a.v. al de roodrokken van het eiland. Te Florence bij den groothertog van Toscane, die hem verzocht zijn gast te wezen, ontving hij bericht, dat de citadel van Milaan zich op 29 Juni had overgegeven. Het hier buitgemaakte belegeringsgeschut kon hem nu tegenover Mantua goede diensten bewijzen.

Ondanks al zijn overwinningen, ondanks al de hulde hem gebracht, was Bonaparte in die dagen als mensch diep ongelukkig. Hij miste zijn vrouw. Wel had hij Jozef naar Parijs gezonden om haar afreis naar Milaan te bespoedigen, maar Jozef had ook zijn eigen belangen en die van Corsica in het oog te houden; voorts kende hij den toestand, was Joséphine niet genegen en gevoelde weinig lust, ook al uit vrees voor oneenigheid, als tusschenpersoon dienst te doen. De brieven van zijn broer liet hij dus grootendeels onbeantwoord en vond het raadzamer op Joséphine onderhands invloed te laten uitoefenen door het Directoire. In de brieven aan leden van dit college had Bonaparte kortaf te kennen gegeven, dat hij ziek was en dat, wanneer men hem zijn vrouw niet zond, hij zijn ontslag nam en terugkeerde naar Parijs.

In gezelschap van Jozef, Junot, haar schoothondje, en zekeren luitenant Charles, een zéér intiemen kennis van haar, begon Joséphine, tranen met tuiten schreiende en zoo diep bedroefd, alsof zij van de wereld moest scheiden, ten slotte de lange reis naar Milaan, waar het prachtige hotel Serbelloni den 9en Juli zijn gastvrije deuren voor haar opende. Haar man vond ze hier echter niet, hij was te Verona druk bezig met het nemen van maatregelen tegenover een nieuw leger van ongeveer 70.000 man, dat onder den ouden doch energieken en vermetelen veldmaarschalk Würmser in Tyrol werd samengetrokken.

Tevergeefs smeekte hij haar te Verona bij hem te komen.—“Ik heb je noodig; ik ben dood af en voel me ziek,” schreef hij, doch zij bleef waar zij was. Toen liet hij alles in den steek, rende naar Milaan, bleef hier twee dagen met haar alleen, overstelpte haar met liefkoozingen, had haar koelheid tegenover hem volslagen vergeten en vertrok weder even snel als hij was gekomen.—Zwaar werk wachtte hem. Mantua was nog niet genomen, een coup de main er tegen was mislukt.—“Zulke ondernemingen hangen louter af van ’t toeval, van ’t blaffen van een hond, van ’t snateren van een gans,” schreef hij den 12en Juli aan het Directoire.

Zes dagen later werden de loopgraven onder zijn persoonlijke leiding geopend. Naar Verona teruggekeerd, hield hij Würmsers bewegingen scherp in het oog. “Wee hem, die thans slecht rekent,” had hij gezegd.

Den 29en begon Würmsers plan van aanval zich te teekenen. Terwijl de generaal Quosdanovich naderde langs den westelijken oever van het Gardameer en Brescia bezette, terwijl een detachement van slechts 5000 man ter misleiding van Bonaparte door het dal van de Brenta zich naar het zuiden bewoog, greep Würmser Massena’s voorhoede bij la Corona omvattend aan en sloeg haar onder zware verliezen terug.

Bonaparte zag den toestand zeer donker in en was ongerust en zenuwachtig; aan Augereau schreef hij, dat de gemeenschap met Milaan en Verona nu was afgesneden en dat hij dus maatregelen moest nemen voor den terugtocht; aan Serurier gaf hij order het beleg van Mantua op te breken, de affuiten te verbranden, het buskruit in ’t water te werpen, alle staatseigendommen ijlings naar Milaan te zenden en dan zijn rug te komen dekken; tevens deed hij, wat hij tot heden nog nooit had gedaan, hij raadpleegde zijn onderbevelhebbers. Allen stemden voorzichtigheidshalve voor den terugtocht; Augereau alleen niet. “Hij had nog een troep puike grenadiers; zonder gevecht gingen die niet aan den haal,” zei de Parijzenaar, die alleen te rade ging met zijn moed. Met die woorden was bij Bonaparte het oogenblik van onzekerheid en aarzeling reeds weder voorbij. Augereau had gelijk, hij zou niet teruggaan. In de eerste dagen van Augustus volgden nu een reeks van bloedige gevechten bij Salo, Lonato enz. aan de zuidzijde van het Gardameer. Würmser is intusschen Mantua gaan ontzetten, vindt daar de sporen van Seruriers overhaasten aftocht, rukt daarna naar het noorden om zijn bij Lonato geslagen divisiën te hulp te komen en grijpt den 5en Augustus Bonaparte bij Castiglione aan. Nu doen Augereau’s grenadiers de woorden van hun chef eer aan en krijgt Würmser van Augereau en Massena, die voor zijn front staan en van Serurier, die hem in zijn rug aantast een zoo geduchte klap, dat hij ijlings naar Tyrol aftrekt. Bonaparte kon zijn vroegere stellingen weder innemen.

Dit was het slot van den zoogenaamden vijfdaagschen veldtocht; dank zij de taaiheid en het volhardingsvermogen van zijn infanterie en het genie van zijn chef had het kleine Fransche leger gezegepraald over een macht van bijna de dubbele sterkte. Terstond werd Mantua weder ingesloten. Te Milaan en in de legatiën Bologna en Ferrara ging over dit ongeloofelijke succes een juichtoon op.

Te Venetië, te Rome en te Napels, waar men intusschen den verrader gespeeld en Oostenrijk gesteund had, zat men daarentegen in zak en asch. Bonaparte was voor dit maal echter nog genadig en nam op de verraders geen wraak. Ernstiger zaken dan deze vorderden zijn aandacht. Zoodra de generaal Moreau in Duitschland den Donau zou hebben overschreden, wilde hij Würmser achterna. Dat deze nog bijna 40 000 man had overgehouden, bevredigde hem niet; eerst wanneer hij voor goed met hem had afgerekend, zou hij de handen vrij hebben tegenover Venetië en Rome.

September was ’t echter reeds geworden, voordat Moreau zijn tegenpartij, aartshertog Karel, ver genoeg had teruggedrongen, den Donau overgegaan en naar München op marsch was. Intusschen ontwierp Bonaparte een nieuw veldtochtsplan, schonk zijn soldaten rust en mocht zich eenige dagen verheugen in ’t bijzijn van zijn vrouw.

Eindelijk, eindelijk was Joséphine gezwicht voor den hartstochtelijken toon zijner brieven, waarin hij aandrong op haar komst in zijn hoofdkwartier, en had zij het hotel Serbelloni, waar zij zich het leven zeer aangenaam maakte, verlaten. Feitelijk verveelden haar de forsche bewijzen van liefde, die hij haar telkens en telkens weder schonk, de jonge luitenants te Milaan en vooral den reeds genoemden adjudant Charles vond zij veel aardiger dan haar bleeken, broodmageren door koortsen gekwelden echtvriend, die haar in zijn brieven vol ijverzucht nu eens met monster, tiran en wreedaard betitelde en dan weder op de knieën vergiffenis vroeg, omdat hij een paar voor haar bestemde epistels had geopend. “Nimmer, nimmer zou dit weder gebeuren,” beloofde hij.

Dat bezoek was echter een korte vreugde, want vooral de Oostenrijksche cavalerie begon weder zeer roerig te worden; Bonaparte zond zijn vrouw dus terug naar Milaan, een reis die onder deze omstandigheden volstrekt niet van gevaar was ontbloot, terwijl de hierbij doorgestane angst en ellende voor haar slechts ten deele werden vergoed, door den schat van cadeaux in geld, cameeën, parelen en andere kostbaarheden, haar op dezen tocht door generaals, de gemeentebesturen en—niet te vergeten—de leveranciers van het leger geschonken. Volbloed creoolsche, even bar verkwistend als onnadenkend, begreep zij niet, dat zij door het aannemen van zulke rijke voorwerpen en van geld vooral, den goeden naam van Bonaparte schade deed. Hebzuchtig was zij volstrekt niet; het geld wierp zij weg met volle handen; door al haar winkeliers, in de eerste plaats door de modewinkels, werd zij schandelijk afgezet, ja, bestolen. Voortdurend zat zij diep in schulden, en in de volgende jaren werd het niet beter, maar ze bezat graag mooie dingen; wat men haar gaf nam zij dus aan, en toen Bonaparte hierachter kwam en haar dwong eenige dier geschenken terug te geven, zorgde zij wel, dat hij later nooit meer een stuk te zien kreeg of het heette gekocht; en personen, die haar hierbij hielpen liegen, telde zij in haar omgeving genoeg.

Terwijl zij dus terugkeerde naar het hotel Serbelloni en in gezelschap van “dien aartsgrappigen clown,” dien luitenant Charles, de handige tusschenpersoon bij alle transacties met schuldeischers en leveranciers, de verveling trachtte te verdrijven, was Bonaparte Italiaansch Tyrol binnengedrongen om Würmser op te zoeken en te vernietigen, doch had, rekening houdende met de mogelijkheid, dat deze middelerwijl een poging zou doen om de Etsch van de oostzijde te naderen en Mantua te ontzetten, Peschiera, Verona en Legnano bezet gehouden. In de eerste dagen van September kwam het nu in de nauwe bergpassen en op de kale rotsen van Roveredo tot een verwoed gevecht, dat met den aftocht der zwaar gehavende Oostenrijkers eindigde.

Boven Italië.

Boven Italië.

Den 5en te Trente, de hoofdstad van Tyrol gekomen, vernam Bonaparte, dat hij Würmser zelf niet tegenover zich had gehad, doch dat deze, meer oostelijk uithalende, door het dal van de Brenta naar ’t zuiden was gemarcheerd, met de Etsch of Mantua tot doel. Feitelijk stond Bonaparte nu in den rug zijner tegenpartij en op diens hoofdverbindingslijn met Tyrol.

Würmser volgen, afsnijden en aangrijpen is terstond zijn plan! Den 8en haalt hij hem in bij Bassano en geeft hem een klap zoo geducht, dat Würmser nog slechts zijn heil kan zoeken binnen dezelfde veste, die hij zou gaan ontzetten. Hij mocht nog van geluk spreken, want was de positie aan de Etsch bij Legnano en de brug aldaar door de Franschen bezet gebleven,1 dan was hij door Massena en Augereau tegen deze rivier gedrongen en verplicht geweest in het open veld te capituleeren. Wederom was het de bijna ongeloofelijke marschsnelheid zijner infanterie geweest, die Bonaparte dit geweldige resultaat had doen verwerven. In 1805 zeiden zijn soldaten, dat hij een nieuwe manier van oorlogvoeren had uitgevonden, niet meer met de bajonet doch met de beenen. Vooral op dit deel van den veldtocht in Italië was dit geheel van toepassing.

Van zijn prachtige, talrijke cavalerie had Würmser bijna geen nut gehad; thans kon hij de paarden er van doen slachten en inzouten om zijn soldaten aan den kost te helpen.

Bonaparte keerde terug naar Milaan.—“Nooit nog hadden wij zulk een aanhoudend en groot succes; Italië, Frioul en Tyrol zijn geheel voor de Republiek gewonnen.—Binnen enkele dagen zien wij elkander weder. Voor al mijn werk en al mijn zwoegen zal dit de liefelijkste belooning zijn. Duizend vurige en dol verliefde zoentjes,”2 had hij Joséphine te voren geschreven; doch zij antwoordde niet; in zijn brief van den 17en met zijn teekenend: “Je bent even leelijk als lichtzinnig; dat je je armen man, die je liefheeft, bedriegt, is laag van je,” verried duidelijk genoeg, dat hij aan haar trouw begon te twijfelen. De maand November zou hem in dit opzicht nòg smartelijker indrukken brengen.


Weder was het Directoire uitbundig in zijn lof. “Tegenover het vaderland had het leger zich opnieuw verdienstelijk gemaakt!” schreef het; maar lof is gemakkelijk geschonken, woorden zijn geen daden. Juist deze eischte Bonaparte; hij had soldaten noodig, nogmaals soldaten; sinds Maart had hij 10,000 man versterking gekregen, maar het vuur des vijands en de moeraskoortsen in Lombardije’s lage landen hadden er ook duizenden weggerukt; de hospitalen lagen vol zieken; geen 30,000 man kon hij meer onder de wapenen brengen en zulks nog wel terwijl er in Tyrol een nieuw onweder broeide. Pius VI, hierdoor stoutmoedig geworden, was reeds begonnen geen schatting meer te betalen, Napels stak weder het hoofd op en zelfs Genua deed van zich hooren. “Zoolang uw generaal niet de spil is, waarom alles draait, marcheeren de zaken hier slecht. Van eerzuchtige plannen kan men mij licht beschuldigen, maar ik ben beu van al die eer. Ik ben ziek; nauwelijks kan ik mij in den zadel houden; moed alleen bezit ik nog; voor den post, dien ik bekleed, is dit niet genoeg. Reeds telt men het aantal hoofden bij ons. Ons prestige verdwijnt. Soldaten eisch ik dus, of Italië is verloren,” schreef hij aan Carnot. Ook beklaagde hij zich, dat men de onderhandelingen met Rome niet had opgedragen aan hem. Geen geld, geen vrede, zou dan het parool zijn geweest. Thans kon hij opnieuw beginnen. Ook met Napels, dat Rome steunde en met Genua moest worden afgerekend. Had Frankrijk geen soldaten, dan moest met Sardinië een of- en defensief verbond gesloten en hulp gevraagd worden van daar. Ontving hij verlof Lombardije en Modena onafhankelijk te verklaren, dan had hij terstond aanhangers genoeg en behoefde hij niet meer te zorgen voor zijn rug.

Strijd om de brug bij Arcola. November 1796.

Strijd om de brug bij Arcola. November 1796.

Met deze wenken hield men te Parijs toch rekening. Hij kreeg de handen vrij tegenover den paus, maar soldaten waren er nu eenmaal niet.

Toen de veldmaarschalk Alvinzi in de eerste dagen van November, een zijner onderbevelhebbers oostelijk om het Gardameer zendende en zelf langs de Piave marcheerende, als een onweerswolk uit Frioul en Tyrol kwam opzetten, had Bonaparte dus slechts een geringe macht tot zijn beschikking, voor een deel nog wel bestaande uit koortslijders, die hoe krachteloos en anemisch ook, hun ontslag uit het hospitaal hadden gevraagd, zoodra ze wisten, dat het er weder spannen zou.

Tot overmaat van ramp verlieten twee regimenten der divisie Vaubois, die de passen naar Tyrol moesten bewaken, na een scherp gevecht hun post, zoodat hij zich verplicht zag een voorbeeld te stellen. Het door hem zelf geleide gevecht bij Caldiero (12 November) bleef onbeslist, uit het oosten zag hij Alvinzi steeds meer op Verona aandringen. Zijn toestand werd hachelijk.

Zelfs zijn krijgers begonnen dit in te zien. Zou Verona, zou de positie aan de Etsch dus verlaten moeten worden? De bezetting meende, dat dit het geval was, toen ze na een dag van volslagen werkeloosheid in den laten avond van den 14en bevel ontving zich marschvaardig te maken, terwijl slechts 3000 man onder Kilmaine zouden achter blijven. Eerst gaat het aan op Verona zelf; hier de brug over. Dus terug? Naar Bergamo, naar Milaan zelfs? Neen, niet terug! Reeds heeft het genie van den veldheer een nieuw plan ontworpen. Alvinzi slag leveren in de vlakte kan hij niet; hiervoor is zijn leger te zwak, maar hem aangrijpen in zijn linkerflank langs twee dijken, die geen frontuitbreiding gedoogen op een terrein dus, waar alleen heldenmoed en doodsverachting de zege kunnen brengen, ja, dat kan hij wèl. Stroomafwaarts marcheert hij dus naar Ronco, passeert hier een in stilte geslagen pontonbrug en als de morgen van den 15en November aanbreekt, staat hij in den driehoek tusschen de Etsch en haar linkerzijriviertje de Alpon. Drie dijken voeren naar het noordoosten, verder is alles moeras.

Eensklaps begrijpen de grenadiers hun chef; hier is nog kans op de zege. Langs den linkerdijk begint Massena voort te rukken; waagt Alvinzi het Verona nog dichter te naderen dan wordt hij door hem in de flank gevallen. Den middelsten dijk volgt Augereau.

Maar bij Arcola moet hij de door Croaten bezette brug over de Alpon passeeren; een Oostenrijksche divisie, die op weg is naar de Etsch en de brug reeds achter den rug heeft, grijpt hij aan en drijft hij ten deele in het moeras; maar aan een gelijktijdige vermeestering van den overgang valt niet te denken; daarvoor is het vuur van den anderen oever te hevig. De generaals Lannes en Verdier worden gekwetst. Met een vaandel in de vuist rent Augereau zelf de brug op en plant het dundoek in ’t dek, maar ook deze heldendaad baat niet. In die hel waagt zich niemand meer. Het gevecht bij de brug staat.

Uit de verte,—hij bevindt zich bij Ronco—ziet Bonaparte, dat zijn plan zal mislukken; reeds begint Alvinzi, om niet te worden afgesneden, in de richting van de Brenta terug te gaan. Zal hij hem tot staan brengen, dan moet die brug genomen. Het lot van Italië staat op ’t spel.

Hij galoppeert naar ’t hoofd der stormcolonne, springt uit den zadel en grijpt een vaandel—“Ben jelui nog de overwinnaars van Lodi? Volgt je generaal!”—Dan rent hij naar de brug. Allen hem na. Lannes ontvangt zijn derde wonde dien dag. Muiron, Bonaparte’s adjudant, zijn chef met zijn lichaam willende dekken, valt dood voor zijn voeten. Gansche rijen grenadiers kleuren het brugdek met hun bloed. Bijna is de overzijde bereikt, doch een nieuw salvo des vijands kraakt. De stormcolonne wankelt en snelt terug.

Door zijn mannen medegesleurd, bereikt Bonaparte het uitgangspunt weder; door een nastormende vijandelijke afdeeling wordt hij van den dijk af, ’t moeras ingedrongen, slechts met moeite gered en op een paard gezet. Zoo bereikt hij Ronco weder.

Maar zijn voorbeeld heeft aanstekelijk gewerkt en drie dagen lang wordt nu bij Arcola en op de aangrenzende terreinen van weerszijden met voorbeeldelooze hardnekkigheid gestreden, tot Alvinzi’s soldaten het moede worden, den kamp opgeven en door een krijgslist van Bonaparte, die zijn gardes onder luid trompetgeschal op hen afzendt, ten slotte in verwarring op de vlucht slaan. Ook Alvinzi’s toeleg om Mantua te ontzetten is dus mislukt.

Toch gaf hij den moed niet op. Denzelfden dag (17 November) dat hij de stelling bij Arcola had losgelaten, had zijn onderbevelhebber Davidovich de Franschen onder Vaubois bij Rivoli teruggeworpen; hierdoor aangemoedigd, besloot hij nogmaals op Verona los te gaan, maar Davidovichs traagheid van beweging en onvoldoende krijgsmanskunst verhinderden een goede samenwerking; een uitval, door Würmser uit Mantua ondernomen, mislukte, en den 24en November besloot Alvinzi voor goed tot den aftocht naar het oosten.

Terstond nam Bonaparte zijn vroegere stellingen weder in. Serurier kwam weder voor Mantua; Rivoli, Verona, Legnano en Brescia kregen weder Fransche bezetting. Er trad een rustpauze in. Het Directoire bepaalde, dat de door Bonaparte en Augereau veroverde vaandels als belooning aan hen ten geschenke zouden worden gegeven.


1 Door een misslag was die stelling te vroeg losgelaten.

2 Brief van 10 September 1796.