Hoofdstuk VI.

Bij Rivoli, op Mombello. De Vrede.

“Ik hoop weldra in je armen te wezen. Ik heb je razend lief. Alles gaat goed. Würmser is onder Mantua verslagen. Aan ’t geluk van je echtgenoot ontbreekt alleen Joséphine’s liefde,” had Bonaparte den 24en November uit Verona aan zijn vrouw geschreven. Drie dagen later te Milaan gekomen vond hij het paleis... verlaten. Mevrouw was in stilte even naar Genua overgewipt. Zijn brief aan haar van dienzelfden datum verried zijn harteleed.

“Als ik naar huis kom, ga jij heen; je Napoleon is je onverschillig geworden. Aan het gevaar gewoon, ken ik het middel tegen het verdriet en de rampen des levens. Mijn droefheid is nameloos groot. Tot den 29en blijf ik hier. Derangeer je niet; maak maar volop pret; je man is diep ongelukkig.”

Van niet minder grievend zieleleed getuigde zijn volgend schrijven, toen de koerier uit Genua taal noch teeken van haar medegebracht had.

“Jou alleen beminnen, je gelukkig maken, alles laten wat je hinderen kan, is mijn lot, mijn levensdoel. Dat de natuur mij de middelen onthield om je te boeien, is mijn schuld; maar van Joséphine’s zijde verdien ik toch eenige achting, eenige egards, want ik heb je lief als een dwaas. Zoodra vaststaat, dat zij mij niet meer beminnen kan, sluit ik mijn bitter leed op in mijzelf; dan zal ik mij tevreden stellen met haar nuttig te wezen.”

Zijn geschrijf baatte niet. Mevrouw had het in die dagen veel te druk met luitenant Charles, “die aardige jongen.” De gansche armee wist, dat zij met dien snuiter zeer was ingenomen en dat, in het hotel Serbelloni dit kereltje als heer en meester optrad, zoodra de ander dit had verlaten. Alleen Bonaparte wist dit niet. Eenmaal hieromtrent ingelicht, zond hij dien “vrijer” weg uit het leger; hij zou geknoeid hebben met leveranciers, heette het. Joséphine zorgde voor zijn toekomst. Volkomen bewust van haar macht, kostte het haar bij terugkeer te Milaan weinig moeite haar echtgenoot van haar onschuld te overtuigen en de echtgenoot, voor wien gansch Italië in ’t stof lag, geloofde al wat zij hem op de mouw spelde, nam haar in zijn grenzelooze liefde weder op in zijn hart en droeg zwijgend zijn leed.


Nog voordat hij door de gevechten bij Arcola een beslissing had verkregen, was een zekere partij te Parijs er in geslaagd, hem bij het Directoire verdacht te maken. Die jeugdige generaal had wel groote overwinningen behaald, scheepsladingen vol kostbare zaken naar de musea te Parijs gezonden, millioenen en nogmaals millioenen francs in de schatkist gestort, zich in één woord zeer verdienstelijk gemaakt tegenover het vaderland, maar welk doel beoogde hij hierbij voor zich zelf? Was hij niet eerzuchtig, streefde hij niet naar hooger? Was hij met zijn absoluut energiek karakter niet een gevaar voor den staat?—Toen men hem een veldtochtsplan had voorgelegd, dat niet door hem zelf was ontworpen, had hij zijn ontslag verzocht; onder den naam van een wapenstilstand had hij aan regeerende vorsten als oppermachtig gebieder de keus gelaten tusschen oorlog en vrede; toen de onderhandelingen met den paus niet waren overgelaten aan hem, had hij zich hierover gekrenkt getoond; zonder voorkennis of machtiging van het Directoire had hij aan Moreau in Duitschland een millioen francs gezonden, zoogenaamd, omdat die generaal hem de Oostenrijkers in Tyrol dan zooveel te krachtiger van het lijf zou kunnen houden; hij was om kort te gaan, een man gebleken, die liefst zelf deed, wat hij meende zelf tot een goed einde te kunnen brengen. Was hij wel te vertrouwen? Zou hij misschien hertog van Milaan willen worden? Dit moest onderzocht. Generaal Clarke van het departement van oorlog kreeg dus last om toegerust met een voorstel tot het sluiten van een voor Oostenrijk zeer gunstigen wapenstilstand naar Weenen te gaan, doch de reis te nemen over Italië, Bonaparte omtrent dit plan te hooren en—op diens houding en gedragingen nauwkeurig acht te geven en hierover te rapporteeren aan het Directoire. Toen Clarke Bonaparte ontmoette, was het drama van Arcola reeds afgespeeld; van een verdrag met Oostenrijk wilde de veldheer niets weten. Ook in het geheime gedeelte zijner opdracht slaagde Clarke niet, want door ’t geen hij dagelijks zag en hoorde, was hij weldra zoo totaal ingepakt, dat hij letterlijk een volbloed Bonapartist werd en het Directoire over Bonaparte’s optreden van hem niets dan lof te lezen kreeg.

Kenschetsend is Clarke’s oordeel over hem: “Hier is niemand, die in hem niet ziet een man van genie.—Groot is zijn macht over de figuren, die het republikeinsche leger vormen.—Zijn blik is zeker; zijn besluiten zet hij door met volle kracht. Zijn koelbloedigheid in de heftigste gevechten is even opvallend als de buitengewone snelheid, waarmede hij zijn plannen verandert, wanneer onvoorziene omstandigheden dit gebieden.”—Wel zag hij, dat Bonaparte zijn mannen weinig spaarde en hard, ongeduldig, heerschzuchtig was; doch houding, blik en wijze van spreken verrieden in hem tevens den man, tot bevelen geboren; een ieder voelde dit; een ieder onderwierp zich. Zijn krijgsmakkers uit die dagen roemden zijn luchtigen, levendigen toon, waar het geen dienstzaken betrof, zijn scherts en zijn goedmoedigheid, in één woord de eigenaardige toovermacht, welke van hem uitging.

Inmiddels was de winter ingetreden; wegen en bergpassen lagen diep onder de sneeuw; voor een korte poos was aan de vijandelijkheden dus een einde gekomen. Van dit tijdperk van verademing maakte Bonaparte gebruik om een flinke opruiming te houden onder “de dieven,” zooals hij in ’t algemeen het personeel betitelde, dat met de zorg voor het onderhoud des legers was belast. Door zijn onverpoosde zorgen was dit laatste thans goed gevoed, goed gekleed en gewapend. ’t Was weer een lust soldaat te zijn; zeiden de manschappen. De officieren deelden in die tijdelijke weelde; enkelen begonnen reeds een spaarpot te maken; maar tusschen die mannen van het zwaard, die den overvloed van het heden meestal met hun bloed hadden betaald, bewogen zich tal van niet-strijders, de administrateurs en leveranciers, door elkander genomen, een zoodje schelmen, die zich verrijkten ten koste van den troep, brutaal hun rijkdom toonden en met het gestolen goed de gunsten kochten der Italiaansche actrices. Tegenover dat gespuis trad hij zonder genade op. Zelf leefde hij dood eenvoudig in zijn hoofdkwartier, dat Joséphine om den schijn te bewaren, weder tijdelijk met hem was komen deelen. Als bij intuïtie wetende, dat hem weinig tijd zou worden gelaten en dat Alvinzi weldra weder aanvallend zou optreden, zorgde hij inmiddels dat de goede verstandhouding met Sardinië en Parma niet werd verbroken; met Toskane sloot hij een verdrag, waarbij hij tegen vergoeding van een paar millioen francs het garnizoen uit Florence terugnam; hij legde troepen in Bergamo, quasi om die stad met haar Venetiaansch garnizoen te beschermen tegen een coup de main der Oostenrijkers en maakte toebereidselen om het verlangen der republikeinen te bevredigen en den paus te tuchtigen voor zijn trouweloosheid en zijn heulen met den vijand.

Reeds had hij hieraan een begin van uitvoering gegeven en bevond hij zich hiertoe te Bologna, toen de tijding, dat Alvinzi zijn voorposten allerwegen had aangegrepen (10 Januari 1797), hem spoorslags deed terugkeeren naar Verona, waarom ook Joséphine weder naar Milaan vertrok.

Voor den aanval met zijn leger van circa 45.000 man had Alvinzi een nieuw plan bedacht. Terwijl de generaal Provera, Legnano en Verona van uit het oosten door een afzonderlijk detachement aangreep, wilde hij zelf met de rest (28.000 man), in zes colonnes verdeeld, de stelling van Rivoli omvatten en het Fransche leger vernietigen. Het ontzet van Mantua moest dan van zelf volgen.

De even schrandere als vastberaden generaal Joubert, die de stelling van la Corona tot nog toe had bezet gehouden, doorzag dit plan, week terug naar Rivoli en had reeds bevelen gegeven om voor den steeds wassenden stroom van vijanden zelfs dit hechte punt te ontruimen (13 Januari), toen hij tegenbevel ontving. Door rapporten en verkenningen was Napoleon tot de slotsom gekomen, dat zijn tegenpartij zoomin bij Verona als bij Legnano de overmacht had. Toen hij in den nacht van den 14en staande op ’t plateau van Rivoli, den reusachtigen boog van vijandelijke wachtvuren zag, die zijn eigen leger half omspande, begreep hij, dat hier de hoofdaanval zou geschieden. Alvinzi wilde hem blijkbaar omvatten.

Doch hij zou hem voor zijn; hij zou Alvinzi’s centrum doorbreken en dan afrekenen met de vleugels, die in het zware bergterrein te ver vaneen waren om elkander te kunnen steunen. Voor zijn eigen flanken koesterde hij geen vrees, want Massena was reeds naar Jouberts linkervleugel op weg, Reij eveneens; al wat in de nevenstellingen gemist kon worden, was reeds opgeroepen naar het rotsplateau, waar de beslissing zou vallen.

Nog is de dag niet aangebroken, als Joubert de voortroepen van het Oostenrijksch centrum aangrijpt en terugwerpt; maar dan naderen de diepe colonnes der hoofdmacht; van de terrasvormige hoogten komen de Croaten in dichte drommen naar beneden; weldra wordt het gevecht algemeen. Tegen het middaguur beginnen de kansen voor de Franschen zelfs hachelijk te staan. Jouberts linkervleugel wordt dan een korte poos bedreigd met omvatting, doch Massena’s komst wendt dit gevaar af.

Op het kleine bergvlak, midden in het slaggewoel blijft Bonaparte volkomen kalm; zelfs als een deel zijner strijders door angst voor een omtrekking wordt aangegrepen, vertrekt geen spier op zijn doodsbleek, mager gelaat. “Die daar,” wijzende op de omtrekkende colonne, “krijgen we straks,” zegt hij. Dit woord vol fier zelfvertrouwen bezielt allen weder met nieuwen moed; en als de spits van Alvinzi’s vijfde colonne, zijn reserve, het plateau begint te betreden, storten Lasalle’s cavalerie en Jouberts infanterie zich ais een lawine op dezen nieuwen vijand, smakken hem terug, het steile, kronkelende bergpad af, zoodat menschen, paarden en vuurmonden in den afgrond tuimelen, en weldra verkondigt een daverend hoera, dat de zege is behaald.

Alvinzi’s troepen gaan terug. Dan wordt ook met bovengenoemde omtrekkende colonne afgerekend, en deze zoo goed als geheel gevangen genomen. Hoewel de avond valt, wil Bonaparte de overwinning voltooien en ’s vijands reserve totaal vernietigen, als hij bericht krijgt, dat Provera den 13en ’s nachts de Etsch is gepasseerd en, door Augereau en Lannes scherp nagezet, naar Mantua is gerukt om deze vesting te ontzetten. Slaagt Provera hierin, komt Würmser met zijn leger dus vrij, dan zijn de gevolgen hiervan niet te overzien, want Alvinzi is wel geslagen, doch (zooals den volgenden dag reeds blijken zou) niet geheel; dan kan de toestand voor het Fransche leger aan de Etsch zeer bedenkelijk worden.

Bonaparte bedenkt zich niet lang. Joubert beveelt hij den bij Rivoli geslagen vijand te vervolgen; dan gaat hij na een korte rust zelf met de divisie Massena, waarbij zich te Villafranca Victor aansluit, op weg naar Mantua, den braven Serurier te hulp; dan toonen Massena’s grenadiers nogmaals, wat zij door marcheeren verstaan. Den 13en zijn zij bij Verona in het vuur geweest, den nacht daarop naar het plateau van Rivoli gerukt, de kameraden te hulp; nu ijlen zij bijna zes en dertig uur aan één stuk voort. Honger dorst, vermoeienis, alles vergeten zij, één parool slechts kennen ze: Naar Mantua! want ’t zal spannen voor Italië’s bolwerk. Acht maanden is de vesting ingesloten; polenta en gezouten paardenvleesch vormen het dagelijksch menu der bezetting en nu Würmser weet, dat Provera hem de hand komt reiken, zal hij stellig het schier onmogelijke doen om vrij te komen.

Den 16en valt hij vol woede aan op Serurier, maar tornt op tegen diens sterke positie bij La Favorite; niet beter gaat het met Provera. Door Victors 57e halve brigade, sinds dien dag la Terrible genoemd, wordt hij zoo geducht gehavend, dat hij 6000 gevangenen moet achterlaten; het slot is, dat Würmser binnen de vesting wordt teruggedrongen. Hiermede is het pleit beslist. Würmser begint te onderhandelen en Bonaparte, vol eerbied voor zijn hoogen leeftijd1 en zijn gehouden gedrag, schenkt voorwaarden, zoo gunstig, als hij bijna niet had durven verwachten, want hem wordt vrije aftocht verleend met zijn geheelen staf, twee honderd ruiters, zes vuurmonden en vijfhonderd personen naar zijn keuze. Door deze laatste bepaling kreeg Würmser de gelegenheid eenige Fransche émigrés te redden, die binnen de stad een toevluchtsoord hadden gezocht.

Slag bij Rivoli. Januari 1797.

Slag bij Rivoli. Januari 1797.

Nu Mantua gevallen was, kon men Italië als veroverd en dezen veldtocht als geëindigd beschouwen. In den tijd van tien maanden had Bonaparte met een leger, dat zelfs op zijn grootste sterkte nooit meer dan ruim vijftig duizend man had geteld, twaalf veldslagen en meer dan zestig gevechten geleverd en het hoofd geboden aan een macht, die de zijne meer dan viermaal in aantal overtrof. Frankrijk kon trotsch wezen op haar zonen, die de beginselen der vrijheid hadden gebracht in een land, waar de adel en de priesters eeuwen achtereen onbeperkt hadden geheerscht; het was thans meester van de Noordzee tot aan de Alpen, van de Pyreneën tot aan den Rijn. Hoche en Moreau bewaakten deze grensrivier, Bonaparte had Oostenrijk doen zwichten voor zijn ongeëvenaard veldheersgenie; thans was de vrede in ’t verschiet. Eerst echter moest nog met den paus afgerekend worden. Gevolg gevende aan den raad van eenige zijner kardinaals, had deze het tractaat van Frankrijk geschonden, eerst in ’t geheim, later openlijk de partij van Oostenrijk gekozen, zijn troepen zelfs gesteld onder bevel van een Oostenrijksch generaal en eindelijk, op de tijding, dat Bonaparte Rome naderde, den godsdienstoorlog doen prediken onder het landvolk. Groot was het gevaar, dat het Fransche leger door dezen laatsten maatregel dreigde, snel en doortastend optreden het eenige middel er tegen.

Reeds den 4en Februari stonden èn Lannes èn Victor met hun grenadiers aan de Senio tegenover een bende door priesters en monniken opgezweepte boeren. Kardinaal Bucca commandeerde die zelf en deed de Franschen weten, dat, als zij het waagden hen aan te vallen, hij op hen zou doen schieten. Wat werd hij om die bedreiging hartelijk uitgelachen! In die dagen maalden de soldaten der Republiek wat om den paus en de priesters. In den nacht doorwaadde de voorhoede onder Lannes de Senio, sneed den kardinaal zoodoende af van zijn terugtochtsweg naar Faenza, sloeg het pauselijk legertje uiteen, schoot de poorten open van het stadje en bestormde dit. Had Bonaparte niet vooraf iederen soldaat, die het waagde te plunderen, met den kogel bedreigd, dan zou er van het plaatsje en zijn fanatieke bevolking niet veel zijn overgebleven.

Nu deze laatste niet, zooals ze geducht had, over de kling gejaagd, doch met verschooning behandeld werd, veranderde haar houding in een ommezien en toen Bonaparte daarna aan een groot aantal krijgsgevangen officieren de verzekering gaf, dat hij niet was gekomen om schade te doen aan den katholieken godsdienst of om den Heiligen Stoel omver te werpen, doch alleen om aan Italië de vrijheid te brengen en een einde te maken aan de grove misbruiken der geestelijken, was hiervan het gevolg, dat verscheidene steden de poorten vrijwillig voor hem openden, dat Ancona, door Colli ontruimd en door Victor zonder slag of stoot bezet werd, dat Nôtre Dame de Lorette reeds den 10en overging en dat de hoogten van Tolentino in de onmiddellijke nabijheid van Rome, zes dagen later waren bereikt. Die Franschen marcheeren niet, ze vliegen, zeide een der romeinsche prelaten, vol angst voor ’t geen er nu zou volgen. Ernstig werd te Rome de vraag overwogen, of ’t voor den paus en het Heilige College geen zaak was ijlings te verhuizen naar Napels.

Tot dit uiterste liet Bonaparte het niet komen. Hoewel hij volkomen het recht had over het aan hem gepleegde verraad geduchte wraak te nemen, pleegde hij geen geweld. Het was hem voldoende, als de paus afstand deed van zijn wereldlijk gezag. Bij het verdrag van Tolentino werd dus beslist, dat Pius VI afzag van zijn rechten op Avignon en le comtat Venaissin in Frankrijk en de legatiën Bologna, Ferrara en de Romagna, terwijl hij Ancona met de citadel aan Frankrijk moest overdragen. Voorts moesten alle staatsgevangenen in vrijheid gesteld en dertig millioen francs betaald worden. Eindelijk vorderde Bonaparte, dat hulp verleend werd aan de duizenden Fransche geestelijken, die uit hun vaderland verbannen, aan diepe ellende ten prooi, in Italië een toevluchtsoord gezocht en de meeste deuren voor zich gesloten gevonden hadden.

Dat hij den paus zoo welwillend bejegende en dat zijn brieven aan dezen getuigden van eerbied en hoogachting, werd door zijn generaals en het gros zijner soldaten afgekeurd, doch hieraan stoorde hij zich niet. Zijn geloofsbegrippen en zijn persoonlijk gevoelen waren met de door hem gevolgde staatkunde in overeenstemming. De Republiek mocht een godsdienst van het Hoogste Wezen ingesteld, de roomsche geestelijken verbannen, de kerkelijke goederen verbeurd verklaard hebben en hij zelf een kind dier omwenteling wezen, in zijn hart was hij een geloovige zoon der kerk gebleven. Hiervoor stroomde te veel Italiaansch bloed door zijn aderen; een godloochenaar is hij nooit geweest. Dat: “N’est pas athée qui veut,” in later jaren door hem uitgesproken, is hiervoor het afdoende bewijs. De kuiperijen en intriges der geestelijken waren hem echter een gruwel en het bezit van stoffelijke goederen achtte hij voor den paus en zijn prelaten bij hun geheel geestelijken arbeid volslagen overbodig.

In hooge mate politiek was zijn bezadigd optreden tegenover den kerkvorst, want reeds pakte een nieuw onweder zich in het noorden samen; nogmaals zou hij verplicht zijn tegenover Oostenrijk front te maken en dan kon een fanatieke, door geweld, roof en moord tot het uiterste gebrachte bevolking, die hij tijdelijk den rug moest toe keeren, een gevaar worden, geduchter nog dan het eerstgenoemde.

Geen Würmser, geen Alvinzi zou ditmaal zijn tegenpartij zijn; een prins van den bloede zelf, aartshertog Karel, een jong bezadigd krijgsoverste, die tegenover Moreau aan den Rijn, zijn sporen had verdiend.

Nog had deze zijn strijdkrachten op verre na niet bijeen, in de bergpassen van Frioul en Tyrol stonden ze verspreid; nog miste hij zes volslagen divisiën, die uit Duitschland zouden komen, toen Bonaparte, versterkt door circa 25000 man van het Rijnleger onder Bernadotte, in Maart zijn tweeden tocht begon naar de toppen der Alpen, den vermetelsten waarvan de krijgsgeschiedenis tot heden gewaagde. Eenmaal die onder sneeuw en ijs bedolven bergen door en de rivier de Drave gepasseerd, zou hij zich bevinden in het dal van den Donau en op Weenen kunnen aanrukken. Voor den afmarsch had hij pogingen aangewend om met Venetië een bondgenootschap te sluiten, doch slechts ontwijkende antwoorden ontvangen. Vastgeroest in eeuwenoude begrippen, valsch en trouweloos als altijd, wars van al wat nieuw of Fransch was, wachtte de republiek slechts op een nederlaag van Bonaparte om haar slag te kunnen slaan. Dat de fortuin dezen generaal onveranderlijk getrouw zou blijven, achtte ze niet denkbaar.

De feiten leerden haar anders. Den 12en Maart de Piave overgetrokken, sloeg Bonaparte den aartshertog vier dagen later bij de Tagliamento, vereenigde zich kort daarop met Joubert, bleef op alle punten in ’t voordeel, bereikte den laatsten Maart Klagenfurt, stelde hier den aartshertog voor, onderhandelingen te openen, ontving door Engelschen invloed een onvoldoend antwoord, greep dus opnieuw aan en bracht de tegenpartij in de vier volgende dagen in de bergpassen van Neumarkt en Unzmarkt zulke zware verliezen toe, dat er te Weenen een paniek ontstond en dat aartshertog Karel, die van den aanvang af tot onderhandelen was bereid geweest, maar wiens handen door het kabinet te Weenen waren gebonden, thans ijlings om vrede verzocht. Bernadotte had Triëst en de rijke mijnen van Istrië inmiddels bezet.

Te Leoben werden onderhandelingen geopend, die den 18en April tot een voorloopig verdrag leidden; doch Massena had met de voorhoede de toppen van den Semmering in dien tusschentijd bereikt, hij stond nog maar twee dagmarschen van Weenen verwijderd en kon de torens dezer stad in de verte zien.

Ernstige overwegingen waren het, welke Bonaparte tot het doen van voorstellen aan den aartshertog hadden geleid. In Italië, te Bergamo, Brescia en Salo was oproer uitgebroken; Franschgezinde burgers waren vermoord; Fransche soldaten waren er nog wel niet gevallen,—zij hadden strenge bevelen zich niet met de door de geestelijken opgezweepte bevolking te bemoeien,—doch de toestand was niettemin bedenkelijk. Dan droeg Bonaparte kennis van de kuiperijen der koningsgezinden te Parijs tegen het Directoire; eindelijk achtte hij de grens van zijn strategisch kunnen mogelijk nu ook bereikt. Oostenrijk zou de Zuidelijke Nederlanden afstaan in ruil voor Venetië, Illyrië en Istrië, met uitzondering van de eilanden en zou dus meer ontvangen dan het ooit had durven hopen. Had Bonaparte geweten, dat Hoche aan het hoofd van het Sambre- en Maasleger in diezelfde dagen (half April) in Westfalen in drie veldslagen en vijf gevechten o. a. bij Neuwied, de overwinning behaald, en dat Desaix in ’t Schwarzwald even groot succes verworven had, dan had hij waarschijnlijk van onderhandelen even weinig willen hooren als van de aanspraken, die de Oostenrijksche gezanten bij hem in den aanvang gemaakt hadden op den voorrang bij de zittingen. “Ik wil van voorrang niets weten,” zeide hij. “Wil Oostenrijk de Fransche Republiek niet erkennen, dan is mij dit om ’t even. Die Republiek staat in Europa als de zon boven den gezichtseinder. Wee de blinden, die haar niet kunnen zien of van haar glans geen partij weten te trekken. Zie ik,”—doelende op een stoel, die den zetel van den Duitschen keizer moest voorstellen;—“zie ik ergens een stoel, die hooger staat dan de andere, dan bekruipt mij terstond de lust daarop te gaan zitten.”

Terwijl hij te Leoben nog onderhandelde, had men in Venetië het gerucht verspreid, dat hij door aartshertog Karel was geslagen en met zwaar verlies teruggeworpen. Dit was koren op den molen der monniken en reactionnairen; fel tegen alle nieuwerwetsche begrippen gekant, wisten deze het zoover te brengen, dat op den tweeden Paaschdag (17 April) te Verona, een der brandpunten van het fanatisme, een geweldig oproer uitbarstte, waarbij verscheidene ongewapende Fransche soldaten op straat werden vermoord, (de Veroneesche Paschen.) Bijna tegelijkertijd was een Fransche logger, die vluchtende voor een paar Oostenrijksche oorlogschepen, de haven van Lido was binnen gezeild, eerst door de landbatterijen beschoten en toen door een bende Slovenen afgeloopen. Dat de Groote Raad van Venetië in dit alles de hand had gehad, is niet bewezen, doch de feiten bleven dezelfde; op het platte land in Bonaparte’s rug had men mogelijk een Italiaansch Vendée willen maken. De geestelijken dreven alles. De straf voor deze daden, welke inderdaad Bonaparte met het oog op zijn plannen niet onwelkom waren, liet zich niet lang wachten. Geen enkel voorstel tot een vergelijk verkoos Bonaparte aan te hooren. “Al wilden jelui het strand met goud bevloeren, neen, zeg ik. Zelfs de schatten van Peru wegen niet op tegen het bloed van maar één mijner soldaten.”

Den 26en Mei trok een Fransch leger, door de bevolking met geestdrift begroet, Venetië binnen, bezette de forten en vaste punten en plantte de Fransche driekleur op het plein van San Marco. Het aristocratisch bestuur viel; het Gouden boek, inhoudende al de voorrechten van adel en geestelijkheid werd verbrand; een democratisch bewind trad op. De beroemde Leeuw van San-Marco, het zinnebeeld van Venetië’s oppermacht, werd overal omvergeworpen; de vloot, opnieuw uitgerust, stevende naar Toulon. Vrijwel zonder bloed vergieten had deze omwenteling plaats gegrepen; over het lot der Republiek was intusschen te Leoben reeds beslist.

De Senaat van Genua, die een even verraderlijke rol had gespeeld als Venetië, onderging hetzelfde lot; de Ligurische republiek werd hier afgekondigd. Eindelijk had de reeks van overwinningen in Italië en in Duitschland door Frankrijk bevochten tengevolge, dat Pitt beangst werd en zelf aanbood onderhandelingen aan te knoopen; te Rijssel zou worden beraadslaagd.


Terwijl Hoche, Moreau en Bonaparte de eer en de onafhankelijkheid der Republiek glansrijk handhaafden tegenover het buitenland en gansch Europa vervulden met eerbied en ontzag, vormde de toestand in het binnenland hier tegenover een schril contrast. De landmandaten, die het vorige jaar de assignaten hadden vervangen, waren even sterk als deze, in waarde gedaald. Door de ambtenaren werd op de koersverschillen schandelijk gespeculeerd, zelfs werd het gansche Directoire van zulke praktijken beticht, hoewel alleen de steeds in overdaad levende Barras zich hieraan schuldig maakte. Inwendig zwak, levende te midden eener bevolking, die de herinnering aan de dagen van la Terreur in een zee van vermaken en zingenot scheen te willen verdrinken, hiertoe elk middel aangreep en liefst van niets anders wilde hooren dan van pret, gevoelde het Directoire zijn zetel onder zich wankelen. Op het platte land wemelde het van rooverbenden, in het zuiden moordden de Compagnons de Jésus, in het westen de Voetschroeiers op een afgrijselijke manier en het gouvernement was te zwak om dat gespuis uit te roeien. Van dezen jammerlijken toestand, die bijna met anarchie gelijk stond, hoopten de koningsgezinden te kunnen partij trekken en het Directoire omver te werpen. In den Raad van Vijfhonderd won hun partij voortdurend in kracht. Bij duizenden begonnen de émigrés en de priesters terug te keeren en de eigenaars van nationale goederen te verontrusten. Aaneengesloten tot één reusachtigen bond, de club van Clichy, in ’t geheim gesteund door Pichegru, die voor zijn hulp vorstelijk zou worden beloond, stuurde die partij rechtstreeks aan op een tegenomwenteling. De graaf van Provence, oudste broer van wijlen Lodewijk XVI begon zelfs reeds van zich te doen hooren en achtte het oogenblik niet meer veraf, waarop hij als Lodewijk XVIII2 den troon zijner vaderen zou bestijgen. Dit alles voorspelde weinig goeds voor de toekomst; de vreedzame burgers zagen die donker genoeg in.


Na het sluiten van de vredespreliminairen te Leoben was Bonaparte teruggekeerd naar Milaan, had het vorstelijk kasteel Mombello tot verblijf gekozen en hier behalve Joséphine en oom Fesch, Paulette aangetroffen. De zestienjarige ging nog gebukt onder een liefdeshistorie door haar met den ruim veertigjarigen Fréron te Marseille aangeknoopt, doch door broer Napolione afgebroken. Voor zijn mooi guitig zusje, dat zoo prettig ondeugend zijn kon, had deze een waardiger echtvriend op het oog dan dien leelijken ex-afgevaardigde der Conventie te Marseille met zijn bloedig verleden. Paulette schijnt zijn keuze ten slotte blijkbaar nog niet zoo slecht te hebben gevonden, want reeds half Juni schonk zij hart en hand aan den vier en twintigjarigen brigade-generaal Victor Leclerc, een even ridderlijk als bekwaam officier, die haar reeds drie jaar in stilte beminde, met haar broer bij Toulon had gediend en zijn snelle bevordering uitsluitend aan zijn verdiensten dankte.

Dienzelfden dag (14 Juni) deed Bonaparte ook het kerkelijk huwelijk inzegenen tusschen de twintigjarige Elisa en den kapitein Felix Bacciochi, een Corsicaan van afkomst maar familie van Pozzi de Borgo. Buiten zijn weten of goedvinden waren de jongelui reeds een week of zes te voren te Marseille burgerlijk in den echt verbonden en zoodra moeder Laetitia wist, dat haar zoon zich weder te Milaan bevond, had zij zich met de kleintjes ook derwaarts begeven. Mama begreep wel, dat Napoleon over dit vrijwel onberaden huwelijk van zijn oudste zuster met haar zooveel ouderen oliedommen commensaal volstrekt niet gesticht zou wezen, maar van hem moesten de bruidschat en een betere positie voor Felix komen. “Om alle praatjes vóór te zijn” was zij dus op reis gegaan over Genua, hier begroet door den adjudant Lavallette en den 1en Juni behouden te Milaan gearriveerd. Te Genua gistte het nog wel, maar Lavallette had zij hoog en trots te verstaan gegeven “dat zij niets had te duchten, want dat haar zoon, de generaal opperbevelhebber, de notabelen der stad als gijzelaars had medegevoerd.”

“Napolione,” dus geplaatst voor een voldongen feit, had hierin berust en Bacciochi, als majoor het bevel opgedragen over de citadel van Ajaccio, bovendien was de bruidschat in overleg met Louis en Jozef vastgesteld op 40.000 francs.

Jozef, in die dagen ook op Mombello en door het Directoire wegens zijn groote bekwaamheden (?) benoemd tot gezant bij den Paus, zou Caroline onder zijn hoede nemen en te Rome bij zich houden, terwijl de andere familieleden in Juli naar Corsica terugkeerden.

Ook Louis, nog altijd Napoleons liefste broer, vertoefde een korte poos in den familiekring; de levenslustige, onversaagde adjudant van voorheen was echter verdwenen. In ’t begin van het jaar ziek geworden,—mogelijk had hij van zijn lichaam in elk opzicht te veel gevorderd—werd hij spoedig een zwaarmoedig, alleen over zijn ingebeelde of werkelijk bestaande kwalen mijmerende man, die weldra zijn heil zou zoeken bij allerlei wonderdokters en kwakzalvers en zich zelf en velen met hem tot een last worden.

Op Mombello met zijn prachtige tuinen en zijn heerlijk natuurschoon had de clan, uitgezonderd Lucien, die zich als intendant nog te Bastia bevond, wat nader kunnen kennis maken met Joséphine, die in stilte zoo gehate, zoo verfoeide, zoo benijde schoondochter en schoonzuster, die met onnavolgbare gratie en tact tegenover de generaals, diplomaten, gezanten en vorstelijke personen de rol van gastvrouw vervulde en hierdoor alleen reeds het hart van haar met werk overstelpten man volkomen zou hebben teruggewonnen, als de zinsbekoring, welke zij nog steeds op hem uitoefende, niet tevens had medegesproken. “Moeder Laetitia” had haar ijskouden toon tegenover haar echter geen seconde laten varen en was nog altoos vol minachting over de vrouw, wier echt met haar zoon tot heden kinderloos bleef. Joséphine had zich gedragen, alsof zij niet bemerkte, dat de clan haar op een afstand hield en daarmee haar man genoegen gedaan.

Van haar eigen kinderen was alleen Eugène de adjudant tegenwoordig; Hortense, die haar stiefvader volstrekt niet genegen was en hem zelfs vreesde, was op kostschool bij madame Campan. Terwijl de Corsicanen en hun aanhang om Napoleon heengonsden als wespen om een vat suiker en vroegen, vleiden en kropen om een vetten brok, vroeg Joséphine voor háár bloedverwanten niets; zij was gelukkig. Wel echter waren haar de oogen opengegaan, bij het zien van den eerbied en het diepe ontzag, waarmede tal van hooge personages haar man naderden, voor den reusachtigen prijs door haar getrokken, toen zij dien doodsbleeken, kleinen generaal, die niets mede bracht dan “mantel en degen” tot haar echtgenoot nam. Zij kende hem nog niet; nimmer zelfs zou zij hem leeren kennen; wat hij worden, hoever hij ’t brengen zou in de wereld, wist zij niet, maar dat hij bestemd was tot iets groots, begreep zij uit al wat ze om zich heen zag gebeuren, uit dien stoet van hooggeplaatste personen, die dagelijks zijn gunst kwamen vragen, dien drom van generaals, die reeks van koeriers, renboden en adjudanten, die bij dag en bij nacht aankwamen en met nieuwe bevelen weder vertrokken.

Niet zonder reden is Bonaparte’s omgeving het hof van Mombello genoemd, want daar werden in de zomerdagen van 1797 groote staatsbelangen behandeld. Daar werd beslist over het lot van Sardinië, van Genua, Venetië en Zwitserland, daar werd met Oostenrijk verder onderhandeld; daar werd de grondslag gelegd voor een nieuwe republiek, die de Cis-alpijnsche zou heeten en bestaan uit een samenvoeging van Lombardije, Modena, een deel der Legatiën, Brescia en Mantua. Deze nieuwe staat moest voorzien worden van een bestuur, een administratie, een rechtspleging, een financie-wezen, kortom van tal van inrichtingen, zonder welke een goed geordend beheer niet denkbaar is; en de bewijzen van helder en scherp doorzicht, welke Bonaparte bij dit alles gaf, deden zijn omgeving en de vreemde diplomaten verbazen. Bezwaren kende hij niet; verouderde begrippen vonden bij hem geen genade; alle tegenkanting bezweek voor de macht van zijn wil.

Wel werd zijn eigenmachtig optreden tegenover Venetië en Genua door de club van Clichy gestreng afgekeurd en riep de royalist-afgevaardigde Dumoland den 23en Juni in den Raad van Vijfhonderd, zonder dat hij zijn naam ook maar een enkelen keer uitsprak, Bonaparte in scherpe taal ter verantwoording over het gebeurde met Venetië en Genua, maar schijnbaar nam de veldheer hiervan geen notitie. Door Lavallette, dien hij naar Parijs had gezonden, werd hij op de hoogte gehouden van ’t geen daar onder de royalisten broeide; door een gevangen genomen agent van den prins van Condé werd hij ingelicht omtrent Pichegru’s verraad en het komplot, tegen het Directoire gesmeed. Overtuigd van den republikeinschen geest, die, veel krachtiger dan bij Moreau’s troepen in Duitschland, heerschte onder het leger van Italië, instinctmatig begrijpende, dat zijn eigen toekomst lag in het voortbestaan der Republiek en dat hij na 13 Vendémiaire van het herstel van het koningschap niets had te verwachten, volgde hij te Milaan den verderen loop der gebeurtenissen, doch bracht het Directoire op de hoogte van hetgeen hij omtrent het komplot te weten was gekomen.

Den 14en Juli daarop, den verjaardag van den val der Bastille, deed hij een stouten zet; hij deelde zijn soldaten mede, wat er te Parijs broeide, wekte hun haat tegen de royalisten en kuiperijen der pamfletschrijvers en hun liefde voor de republikeinsche beginselen op in een proclamatie, deed adressen van trouw aan de grondwet van het jaar III door hen teekenen en zond Augereau hiermede naar het Directoire.

Dewijl het leger aan de verkiezingen, die weder op handen waren, geen deel nam, zaten de directeuren, die het onderling reeds lang oneens waren en elkander, doch vooral den cynieken weerhaan Barras volstrekt niet vertrouwden, met dien stapel adressen vrijwel verlegen; doch tevens vonden zij hierin het bewijs, dat Bonaparte hen steunde in de kracht om zoo noodig te handelen. Augereau, “dat prachtstuk van een bandiet,” zooals een hunner hem betitelde, werd benoemd tot commandant van Parijs, troepen onder Hoche werden onder een valsch voorgeven tot op twee dagmarschen van hier bijeengetrokken en den 18en Fructidor (4 September) ging de meerderheid van het Directoire over tot een staatsgreep. Verdacht van medeplichtigheid aan ’t komplot werden Carnot en Barthélemy verbannen. Pichegru, vijftig leden van de beide lichamen en tal van journalisten en letterkundigen, die met hun heftig geschrijf tot verzet hadden opgehitst, veroordeeld tot deportatie naar Cayenne, twee en veertig dagbladen verboden en de gehouden verkiezingen in 48 departementen ongeldig verklaard en onder meer de aanvankelijk in onbruik geraakte gestrenge wetten tegen den adel en de geestelijkheid weder in volle werking gebracht, de nationale garde als onbetrouwbaar ontbonden, François en Merlin gekozen als nieuwe leden van het Directoire.3

Bloed werd niet vergoten; het volk was de valbijl moede, maar de “droge” guillotine, zooals Cayenne werd genoemd, verrichtte beulenwerk, al vorderde de executie meer tijd. Van de bannelingen hebben slechts enkelen zooals Pichegru Europa wedergezien.

Toen Augereau naar Parijs gezonden was, had Bonaparte weinig meer van zich laten hooren; de eerlijke oprechte Lavalette had hem doen inzien, dat hij zijn roem zou doen tanen, als hij maatregelen van geweld steunde, die door de positie van het gouvernement niet gewettigd werden, terwijl het bewijs ontbrak, dat de te verbannen partij een terugkeer wenschte der Bourbons. Aan ’t geen daar geschiedde, bleef hij wel zijn volle aandacht schenken. Zijn vraag aan Milo de Melito “of deze dacht, dat hij alleen ter wille van de grootheid van die advocaten uit het Directoire, van een Carnot en een Barras, in Italië zoo vaak had gezegevierd” was welsprekend genoeg. Inmiddels had hij den paus onderhands zijn medewerking verzocht bij een poging tot verzoening tusschen de geestelijkheid en het Fransche gouvernement. “Dit laatste zou hierdoor versterkt, de meerderheid der natie tot het ware geloof teruggevoerd worden,” betoogde hij (Augustus.) Voorts had hij het Directoire met nadruk gewezen op het vermolmde Turkije en op het groote belang van het bezit van Corfu, Zante, Cerigo en Céphalonia verbonden. “Ons die vier eilanden, dan kan Oostenrijk desverkiezende Italië terug krijgen,” schreef hij in diezelfde maand. “Daar eenmaal goed gevestigd, schrijven wij den Grooten Heer zoo noodig de wet voor en pakken over dat rijk heen Engeland aan. Binnenkort zullen wij wel gevoelen, dat, willen we Engeland inderdaad vernietigen, het bezit van Egypte hiertoe voor ons een eerste voorwaarde is.”

Zoover reikten de gedachten van den zeven en twintigjarigen veldheer toen dus reeds. Na Lodi had hij begrepen, dat hij geroepen was om in Frankrijk, waar een hoop “wauwelaars” en middelmatigheden den boventoon voerden, een groote rol te spelen; dat overleg, sluwheid en geduld hiertoe factoren waren en gemoedsbezwaren moesten worden op zijde gezet. Was Hoche, de hoop der republikeinen, de jeugdige generaal, die de Vendée bedwongen, de Oostenrijkers bij herhaling geslagen, een expeditie naar Ierland gecommandeerd had en na Moreau’s ontslag4 met het commando over het vereenigde Maas- en Rijnleger was belast geworden, niet half September, waarschijnlijk door vergif, in zijn kamp te Wetzlar overleden, dan zou hij in dezen eerlijken, oprechten lieveling der natie, stellig een geduchte tegenpartij hebben getroffen. Thans vond hij in dien geheimzinnigen dood een reden te meer tot achterdocht tegenover al wat royalist of Engelsch heette. In de laatste dagen van Augustus had hij zijn hoofdkwartier verplaatst naar Passeriano in Frioul om beter het oog te hebben op de krijgstoerustingen, welke hij, ondanks den wapenstilstand, deed voortzetten, want Oostenrijk, bekend met de plannen der royalisten te Parijs, maakte met de vredesonderhandelingen bijna geen voortgang. Zegevierde die partij, dan zouden zeker nòg gunstiger voorwaarden te bedingen zijn geweest dan nu waren aangeboden.

In zijn eigen kring gaf hij onomwonden zijn afkeuring te kennen over de daad van 18 Fructidor, alleen de nieuwbenoemde leden wenschte hij geluk, dit lichaam zelf niet, wel schreef hij aan Talleyrand, dat zoodra de door Engelsch goud gesteunde dagbladpers, die de natie bedierf, tot zwijgen gebracht, het Wetgevende Lichaam gezuiverd en de partij der Bourbons uit alle staatsbetrekkingen gezet was, de Republiek kon vrede sluiten wanneer en zooals zij verkoos. Aan het leger gaf hij de proclamatie van het Directoire te lezen (22 September) betoonde zich in zijn eigen dagorder en in een schrijven aan Augereau, wiens bezadigd gedrag op 4 September hij goedkeurde, weder een volbloed Jacobijn, deed flink uitkomen, dat zijn taal niet in overeenstemming was met zijn gemoed en wekte door zijn geheele houding de achterdocht en de ontevredenheid van het Directoire op.

Dit strafte hem met het terugroepen van Clarke, die met hart en ziel aan hem was gehecht; zijn antwoord was een hernieuwd verzoek om ontslag. “Het gouvernement was bar ondankbaar. Hij was ziek naar lichaam en geest; had naar plicht en geweten voor het vaderland gedaan wat hij kon. De rust was in het binnenland teruggekeerd, hij kon thans best worden gemist.” (25 September.)

’t Was een meesterlijke zet; dat hij niet “gemist worden kon,” wist hij even goed als het Directoire zelf. Dit boog deemoedig het hoofd, smeekte hem te blijven, zinspeelde op den achterdocht en de walging, welke Hoche’s plotselinge dood zeker bij hem had opgewekt, schonk hem op al zijn verdere klachten voldoening maar—hoopte in stilte op een voortzetting van den oorlog, want den man, die zijn wil zoo krachtig wist door te zetten, zag het Directoire vooreerst liever niet naar Parijs terugkeeren.

Bonaparte had zijn verdere gedragslijn reeds vastgesteld. Augereau, die te Parijs was komen vertellen, dat al de overwinningen in Italië hoofdzakelijk waren behaald door hèm, was benoemd tot commandant van het Rijnleger en met dezen snoever verkoos hij zijn roem niet te deelen; Bernadotte had hem geschreven, dat Parijs hunkerde naar vrede, terwijl hem de portefeuille van Oorlog was beloofd en Bernadotte was geen vriend van hem. Toen hij de bergen in Frioul den 13en October met sneeuw zag overdekt, gaf hij zijn secretaris, de Bourrienne, dus kortaf te kennen, dat hij de advocaten te Parijs liet praten en vrede sloot. Venetië zou het gelag betalen, doch gaf zijn korpsen tevens het bevel de hun reeds vroeger aangewezen punten in te nemen, alsof hij voornemens was den oorlog met kracht voort te zetten. Von Cobentzl, de Oostenrijksche diplomaat, aangewezen om met hem te onderhandelen, een sluw heerschap, meende, dat dit alles slechts een schijnbeweging was, bleef onverzettelijk Venetië eischen tot aan de Adda en maakte hem hierdoor zoo toornig, dat hij een aan dezen toebehoorend stuk porcelein greep en aan scherven wierp.—“Zoo zal ik binnen een maand een monarchie hebben vernietigd! De oorlog wordt voortgezet,” riep hij en liep de deur uit om hiertoe bevelen te geven.

Toen kroop Cobentzl, die niets meer duchtte dan een nieuwen krijg, in zijn schulp; den volgenden dag (17 October) werd te Campo Formio, een dorpje tusschen de legers in, vrede gesloten—juist bijtijds, want geen halven dag later kwam te Passeriano een koerier uit Parijs met het uitdrukkelijk verbod de lijn van de Etsch aan Oostenrijk af te staan. “Bonaparte zelf zou eerstdaags van de onderhandelingen worden ontheven.”

Waarschijnlijk had hij dezen zet verwacht en daarom zooveel spoed gemaakt.

Het Directoire was verwoed, maar durfde aan het tractaat, dat Berthier overbracht, zijn goedkeuring toch niet te onthouden, nu de gansche natie juichte van blijdschap en Bonaparte’s lof luide verkondigde. Oostenrijk stond België af aan Frankrijk, Lombardije aan de Cisalpijnsche Republiek en ontving Istrië, Dalmatië en Venetië met al het grondgebied tot aan de Etsch. Corfu en de Ionische eilanden bleven in Fransche handen. Bij geheim tractaat verbond de keizer zich Frankrijks eisch te ondersteunen. Te Rastadt zou op een congres over den vrede met Duitschland worden beraadslaagd.

Die afstand van Venetië aan Oostenrijk is Bonaparte vaak tot een bitter verwijt gemaakt, en zijn behandeling van deze oude republiek is wel met de Poolsche deelingen vergeleken. De belangen van Frankrijk echter en van hem zelf wogen bij hem zwaarder dan die van een volk, “zoo laf, en zoo bijgeloovig als de Italianen.” “Slechts vijftienhonderd van de straat opgeraapte schelmen, die plunderden en stalen, waar zij konden, geen enkelen Italiaan, heb ik onder de wapenen kunnen krijgen,” schreef hij aan den minister van Buitenlandsche zaken, Talleyrand. “Een oorlog met Engeland om aan deze natie de vrijheid te brengen zou wèl zoo schoon en grootsch wezen, dan de voortzetting van den krijg ter wille van een volk, dat niets voor de vrijheid gevoelt.”


1 Bonaparte zond den betrekkelijk ouden generaal Serurier om de capitulatie in ontvangst te nemen, teneinde de oude Würmser te besparen, zijn degen aan den 27-jarigen Bonaparte over te geven.

2 Lodewijk XVII is de zoon van Louis Capet. Sommigen beweren, dat hij uit de gevangenis le Temple ontvlucht en naar Duitschland geweken is en later onder den naam van Naundorff te Delft overleed.

3 Een misrekening voor den schreeuwer Augereau, die op een zetel had gehoopt.

4 Hij wist van Pichegru’s verraad en had dit voor het Directoire verborgen gehouden tot na 4 September.