Hoofdstuk X.

Vrede met Oostenrijk.

In ’t costuum van lid van het Instituut had hij Parijs verlaten, in de uniform van opperbevelhebber keerde hij er terug (3 Juli) en sprak deze verandering in zijn gewaad mogelijk nog niet duidelijk genoeg voor den omkeer, die door Marengo in zijn geest was ontstaan, zijn houding en zijn daden bewezen weldra, dat hij, door gansch Frankrijk thans half vergood, zich van zijn macht was bewust geworden.

Uit was het op eens met de mogelijke plannen der Bourbons. Kort na elkaar had hij van den pretendent twee brieven ontvangen, waarin hem duidelijk was te verstaan gegeven, dat, wanneer hij dezen op den troon van Frankrijk bracht, hij zelf maar moest aangeven, welke hooge positie hij verlangde voor zich zelf en zijn vrienden.

Joséphine kende het bestaan dier brieven, trachtte hem te overtuigen, dat het costuum van connétable hem veel beter zou kleeden dan de rok van consul, doch klopte aan doovenmansdeur. “In ’t buitenland acht men mij dan lichtzinnig en inconsequent, dat men mij verdenkt van geheime plannen ten voordeele van een Bourbon? Dat ik in de beloften en verbintenissen niet het minste vertrouwen stel, weet men dus niet. Werd die man baas, dan zou het stellig niet lang duren of ik werd behandeld als een rebel,” gaf hij haar zoo luide en zoo kortaf ten antwoord, dat Europa het kon hooren. Tegen Bourrienne zei hij: “Jij kent dat volkje niet. Gaf ik het den troon, dan zou het dien volgens hen niet aan mij, doch aan Gods gratie hebben te danken. De émigrés zouden dadelijk den baas spelen en al het nieuwe omver werpen. Wat zou er worden van de belangen sinds 1789 geboren? Wat van de menschen, die nationale goederen kochten, van de generaals, kortom van allen, die tijdens de omwenteling hun leven en hun toekomst op ’t spel hebben gezet?”

In ’t begin van September schreef hij zijn antwoord:

Ik heb een brief ontvangen, mijnheer; ik zeg u dank voor uw beleefde woorden. Uw terugkeer in Frankrijk moogt u niet wenschen. Gij zoudt uw weg moeten nemen over vijfhonderd duizend lijken. Offer uw eigen belangen op aan de rust en het geluk van Frankrijk; de historie zal er u naar beoordeelen. Voor de rampen uwer familie ben ik niet ongevoelig; gaarne zal ik bijdragen tot de rust en den vrede van uw bestaan.

Met wien hij te doen had, hoeveel staat hij kon maken op de mooie beloften van den pretendent, blijkt uit later gevonden brieven. Den 4en Juni 1800 verzocht de pretendent hem den troon zijner voorvaderen terug, twee dagen later wenschte hij den struikroover George Cadoudal per brief hartelijk geluk, “dat hij eindelijk aan de handen van den tiran was ontsnapt.” “Thans zijt ge vrij; ge zijt bij mijn broeder; al mijn hoop herleeft. Een echt Franschman zooals gij behoef ik niets meer te zeggen,” volgde er aan ’t slot en na den aanslag van 24 December 1800 betuigden de bedrijvers er van dienzelfden “braven” Cadoudal schriftelijk hun leedwezen, dat Bonaparte was ontkomen.

“Met innig genoegen erkennen wij, dat het vaderland aan U zijn redding, de Republiek aan U haar bevestiging heeft te danken en de natie een welvaart, die gij in één dag tijd hebt doen volgen op tien jaar eener meer dan stormachtige omwenteling,” had de president van den Senaat bij de eerste officieele begroeting tegen hem gezegd en de denkwijze van zoo goed als geheel Frankrijk met deze woorden weergegeven. Vol oprechte geestdrift waren al de groote staatslichamen, de burger- en de militaire autoriteiten, de directeur der Fransche Bank en tal van hooggeplaatste personen hem gaan begroeten.—

Hoe kon het anders? Enkele maanden pas voerde hij het bewind en veiligheid, vertrouwen en rust waren getreden in de plaats van een toestand van grenzenlooze verwarring, van angst en onzekerheid. Een groote overwinning had Frankrijk weder gevoerd aan de spits der volken. De vrede was in ’t verschiet; de angst voor een Europeeschen oorlog verdwenen. Allerwege zag men weder teekenen van welvaart. Dank zij de instelling der Fransche Bank, waardoor vertrouwen en crediet weder waren teruggekeerd, kregen de renteniers hun coupon weder uitbetaald in klinkende munt. De publieke fondsen waren van 12 tot 40 gestegen en toonden neiging tot rijzen naar 50. Gansch Frankrijk was bezig een gedaanteverwisseling ten goede te ondergaan, en dit alles niet door een mirakel of een bovennatuurlijke kracht, welke volgens de “kleine luyden” Bonaparte zou bezitten, maar alleen door een man, toegerust met een groote mate van gezond verstand, gerugsteund door een ijzeren wil en een stalen werkkracht, een man, die wist wat hij wilde, die daarbij over alle détails heenzag als ver beneden hem, en die alleen het einddoel scherp in het oog hield. Geen stap op ’t oorlogsveld, geen zet op ’t wereldschaakbord deed hij in die jaren zonder een voorafgaand nauwgezet wikken en wegen van ’t geen hiervan het gevolg kon zijn. Aan het toeval liet hij zoo weinig mogelijk over. Eerst als ’t vertrouwen op zijn geluk hem roekeloos deed worden, en zijn dorst naar nòg meer roem hem verblindde, was het hiermede gedaan. Die hoop naar vrede zou echter niet zoo spoedig worden vervuld, want Marengo had wel een wapenstilstand, geen beslissing gebracht. Rijkelijk door Engelsch goud gesteund onder voorwaarde, dat het niet afzonderlijk zou vrede sluiten, schoof het kabinet van Weenen de onderhandelingen op de lange baan, een tactiek die Bonaparte met zijn voortvarenden geest en zijn afkeer voor al dat diplomatieke getalm en gekonkel toornig maakte en verschillende kleine staten van den Duitschen Bond, door Frans II aan hun lot overgelaten, tot een afzonderlijk verdrag met Frankrijk bracht, voordat een congres, dat te Lunéville zou bijeenkomen en waarheen ook Engeland een vertegenwoordiger zou zenden, een beslissing had gebracht.

De herfst verliep, de winter trad in. Tot tweemaal toe was de wapenstilstand verlengd; het congres te Lunéville vorderde niet, en de kans op een spoedigen vrede scheen nog in de verre toekomst te liggen. Het wachten moede, beval Bonaparte terstond na het einde van den tweeden wapenstilstand weder aanvallend op te treden.

Den 25en November begon Moreau zijn operaties en leidde deze zoo goed en gelukkig, dat hij in weerwil van zijn geringere getalsterkte aartshertog Johan, die von Kray in het opperbevel had vervangen, den 3en December in de met sneeuw bedekte passen en boschwegen van Hohenlinden met zwaar verlies terugsloeg. Van deze overwinning ijlings partij trekkende, bezette hij daarop Salzburg, dreef de Oostenrijkers door een reeks van roemrijke gevechten terug tot achter de Traun, maakte zich meester van Linz, stond hier slechts tien uur van Weenen en was den 23en December voor het sluiten van een wapenstilstand alleen te vinden onder het uitdrukkelijk beding, dat Oostenrijk zijn belangen scheidde van die van Engeland.

Geducht in ’t nauw gedreven, bewilligde keizer Frans hierin. ’t Was hoog tijd, want, terwijl Moreau de eer der Fransche wapenen zoo hoog hield aan den Donau, was Augereau met een gallo-bataafsche divisie in Bohemen niet minder gelukkig, toog Macdonald door Wallis en over de gletschers en de passen van den Splügen naar de Mincio om daar de hand te reiken aan Brune, die Massena in Italië was opgevolgd. Ook hier aan de Etsch, de Brenta en de Piave leden de Oostenrijkers de nederlaag; Macdonald naderde Trente; Murat was met een divisie op marsch naar de Po; Brune rukte Treviso binnen.

Toen kwamen de Oostenrijksche gevolmachtigden ook hier onderhandelen. De afstand van Mantua, Peschiera, Ferrara en Ancona was de prijs van een wapenstilstand, die den 29en Januari 1801 te Lunéville werd gesloten.

Alleen Napels stond thans nog vijandig tegenover Frankrijk; Murat zou koningin Caroline echter weldra tot vrede dwingen.

In Duitschland en Italië verslagen, door zijn vroegere bondgenooten losgelaten, want Rusland en de paus hadden openlijk voor Frankrijk partij gekozen en Engeland was niet in staat hem te steunen, zag Frans II in, dat een vrede alleen hem kon redden. Den 9en Februari 1801 werd deze te Lunéville geteekend, maar de voorwaarden waren niet malsch. De basis er van vormde het tractaat van Campo Formio, waarbij de linker Rijnoever aan Frankrijk was gekomen en Oostenrijk zich de Etsch als grensrivier had zien aanwijzen. De keizer erkende de Bataafsche, de Helvetische, de Ligurische en de Cisalpijnsche republiek en keurde goed, dat deze laatste het gansche dal van de Po, de Sesia en de Tenaro tot de Adriatische Zee zou omvatten; het aan zijn stamhuis ontnomen Toscane, waar zijn broeder groothertog was, werd onder den naam van koninkrijk Etrurië toegewezen aan den hertog van Parma, schoonzoon van Karel IV van Spanje.

De Engelschen zagen de haven van Livorno, een hunner voornaamste stapelplaatsen aan de Middellandsche Zee, voor zich gesloten; Otranto, Tarente en Brindisi kregen Fransch garnizoen. Geheel Italië was weder in Fransche handen; Spanje beloofde Portugal gewapenderhand te dwingen, Engeland afvallig te worden. In vijftien maanden tijd was het Frankrijk dus gelukt de tweede coalitie uiteen te breken en aan Europa’s vastland den vrede voor te schrijven. Bonaparte had een bewonderaar gekregen in czaar Paul I, die wel half gek van trots, doch tevens ingenomen was met den man, die aan de omwenteling een einde gemaakt en den 18en Brumaire gebracht had, die hem de negen duizend krijgsgevangen Russen had teruggezonden, hem het zwaard van Lisle Adam, den grootmeester der Maltezer ridders had geschonken en hem het reeds twee jaar door de Engelschen belegerde Malta wilde afstaan.

Jammer dat de in Italië nieuwgevormde staten de innerlijke kracht misten, voor hun zelfstandig voortbestaan zoo gebiedend noodig; dat Frankrijk ze voortdurend met geld en troepen moest ondersteunen en dat de Eerste Consul, tuk op eigen grootheid en macht, niet verkoos Italië die eenheid en kracht te schenken, die het zou gehad hebben, wanneer het gansche land onder het huis van Savoye was gebracht.

Engeland alleen met William Pitt zijn oppermachtigen eersten minister aan de spits, volhardde nog in zijn haat tegen de Republiek doch had zijn bondgenooten verloren. Het einde van den strijd tegen de coalitie had Bonaparte niet afgewacht om een aanvang te maken met de radicale verbetering van Frankrijks inwendigen toestand. Op de gevolgen der nieuwe regeling van de geldmiddelen wezen wij reeds. Thans kwamen handel en industrie dus in de eerste plaats de gemeenschapsmiddelen, de groote wegen, de kanalen en de bruggen aan de beurt. De laatste tien jaren was hieraan zoo goed als niets gedaan. Het servituut van kosteloozen arbeid aan de wegen was onder de Republiek afgeschaft, geld tot onderhoud was bijna niet toegestaan; de gevolgen waren niet uitgebleven. Goed begaanbare wegen bezat het land bijna niet meer; die er nog waren, werden door de chouans in Bretagne, door talrijke rooverbenden in ’t zuiden en in de Vendée onveilig gemaakt.

Op de begrooting voor 1801 bracht de Eerste Consul dus terstond twaalf millioen francs uitsluitend voor het herstel der hoofdwegen; die naar de grenzen zooals naar Lille, Straatsburg, Marseille, Bordeaux en Brest waren het eerst aan de beurt. De weg over den Simplon, de korste verbinding met Italië, werd onder handen genomen en tot een prachtigen weg gemaakt. Op den Mont Cenis kwam een klooster in denzelfden geest als dat op den St. Bernhard. Dan werd het werk aan het kanaal van Saint-Quentin, de verbinding tusschen de Somme en de Oise, waaraan in langen tijd niets was gedaan, evenals aan dat van de Ourcq met kracht hervat en Frankrijk dus door een waterweg met België verbonden. Voorts ontving Chaptal last een ontwerp samen te stellen tot hervorming van het openbare onderwijs met een grondslag van zes duizend studiebeurzen tot vorming van onderwijzers en werd bij decreet van 4 Maart 1801 de opening eener tentoonstelling van voortbrengselen der nationale nijverheid bepaald.

Een niet minder gewichtige arbeid, het ontwerp van het Burgerlijk Wetboek, samengesteld door een schaar rechtsgeleerden als Tronchet, Portalis en anderen werd in diezelfde dagen getoetst aan het oordeel der rechtbanken van appèl en van het hof van cassatie. Dat Bonaparte zelf aan dit ontwerp heeft medegewerkt, dat hij de schrijver er van is, zooals zijn vleiers vaak hebben beweerd, is onwaar; het geheel was een resumé van het werk der Constituante en der Conventie, dat beoordeeld en gewijzigd door Frankrijks schranderste juristen eerst daarna in den Raad van State werd gebracht om hier den eindvorm te krijgen; wel komt hem ten volle de eer toe, dat hij niet alleen dit wetboek, later naar hem Code Napoleon genoemd, maar nog tal van andere hoofdwetten op het gebied van koophandel, publiek recht enz. aan de natie geschonken en hierdoor aan de sinds eeuwen heerschende wetteloosheid en willekeur voor goed een einde gemaakt heeft.

Een niet minder groote weldaad bewees hij aan het land door de afschaffing van de wet op de émigrés, dat jammerlijke product van woede en vertwijfeling uit de donkerste dagen der omwenteling, dat meer onschuldigen dan schuldigen had getroffen, de afwezigen had gelijkgesteld met iemand, die de wapenen had opgevat tegen de Conventie en door het Directoire gehandhaafd en vaak genoeg gebezigd was tegen zijn persoonlijke vijanden. Van de later gevolgde amnestie bleven alleen uitgesloten de personen, die tegen Frankrijk de wapenen hadden gedragen, bij de uitgeweken prinsen een betrekking bekleed of titels en graden van vreemde mogendheden aangenomen hadden zonder machtiging van het gouvernement.

De tegenwoordige eigenaars van gronden, indertijd door den staat als nationaal goed aan hen verkocht, werden tevens opnieuw in hun bezit bevestigd; de kleine landbouwer, die voor zijn zuurverdiende spaarpenningen voorheen een lapje grond had gekocht, behoefde dus niet langer vrees te koesteren, dat dit hem bij de terugkomst zijner vroegere meesters kon worden ontnomen. De gevolgen van dezen maatregel voor Bonaparte zelf waren bijna onberekenbaar; niet de sympathie, de liefde van één enkele partij, die van de gansche bevolking ten platten lande veroverde hij hierdoor stormenderhand; voor al die eenvoudige lieden, bij wie het bezit van hof en haard vaak gaat boven dat van vrouw en kind was hij, de soldaat, eensklaps geworden de man uit het volk, l’Homme, de strijder voor het recht, voor hun eigendom. Terecht kon hij, die nooit tot eenige partij had behoord in die dagen zeggen, dat zijn partij thans was de gansche natie. Nog krachtiger openbaarde zich de sympathie, toen hij stappen deed om de geestelijken de vrije uitoefening hunner kerkplichten terug te bezorgen en den eenvoudigen, doch zeer menschkundigen abt Bernier, die reeds in de Vendée zooveel had bijgedragen tot de demping van het oproer aldaar, opdroeg met kardinaal Spina, den afgezant van den Heiligen Stoel te Parijs, te beraadslagen over de middelen, die tot een verzoening met den Paus konden leiden. Uitgaande van het beginsel, dat een ieder vrij moest zijn om “zondag” te houden, wanneer hij dit verkoos, verbood hij de plaatselijke autoriteiten hiertegen op te treden; alleen voor rijksambtenaren bleef de bepaling, dat de decade de officieele rustdag was voorloopig nog van kracht.

Bij de schending der koninklijke graven te Saint-Denis door het grauw, was het stoffelijk overschot van Turenne teruggevonden en tijdelijk overgebracht naar een vertrek in den Plantentuin. Thans deed Bonaparte het met indrukwekkende plechtigheid bijzetten in de koepelkerk van het hôtel der Invaliden; den dag daarop legde hij den eersten steen voor een gedenkteeken, gewijd aan de nagedachtenis van zijn krijgsmakkers Desaix en Kléber, beiden op één dag gevallen, de eerste bij Marengo, de laatste in Egypte onder den dolk van een sluipmoordenaar. Reeds vroeger had hij aan Washington, den bevrijder van Noord-Amerika, openbare hulde doen brengen.

Fontainebleau.

Fontainebleau.

Hoewel Bonaparte’s tegenstanders in dit alles slechts een middel zagen, door hem tot eigen grootheid aangewend, oefenden deze plechtigheden op de Parijsche bevolking in ’t algemeen een weldadigen invloed uit. Een bewijs uit vele. Den avond der Turenne-vereering werd er in de schouwburg een gratis-voorstelling gegeven, waarbij hij tegenwoordig was. De zaal was eivol, toch liep alles in de beste orde af; slechts nu en dan werd de stilte door een daverend: “Leve de Republiek! Leve generaal Bonaparte” verbroken.

Bijna onbegrijpelijk is ’t, dat, terwijl hij dus alle middelen aanwendde om Frankrijk de zoo lang en vurig verbeide rust, welvaart en vrede terug te geven, terwijl hij niets onbeproefd liet om handel en nijverheid, landbouw en veeteelt aan te moedigen, terwijl hij kunsten en wetenschappen beschermde, tot verbetering van het onderwijs ingrijpende maatregelen nam, aan het geloofsleven van negen tiende der natie tegemoet kwam en eindelijk door een uitgebreide amnestie voor misdrijven tegen den staat Frankrijk om zoo te zeggen aan de uitgewekenen had teruggegeven, er toch telkens weder personen werden gevonden, laaghartig genoeg om hem naar het leven te staan.

De samenzwering van Arena, Ceracchi en eenige andere republikeinsche heethoofden in October 1800 kunnen wij stilzwijgend voorbijgaan; ze kwam niet tot uitvoering; anders was het met die van 24 December d. a. v.

In den schouwburg zou “die Schöpfung” van Haydn voor de eerste maal met groot koor ten gehoore worden gebracht; hoewel hij door Fouché was gewaarschuwd, dat er geruchten liepen van een nieuwen aanslag op zijn leven, had Bonaparte zich door Hortense, die dweepte met muziek, laten overhalen deze uitvoering bij te wonen.

Begeleid door zijn gewoon piket garde te paard reed hij met Bessières en zijn adjudant van dienst, in één rijtuig dus, om acht uur naar de opera, toen het rijtuig aan den ingang van de nauwe, bochtige rue St. Nicaise een oud, met een hit bespannen karretje ontmoette, dat den weg half versperde; een tevens uit de rue de Malte komende fiacre zou dezen weldra geheel hebben verstopt. Een der grenadiers te paard, die vijf en twintig pas vooruit was, zag dit, dreigde den koetsier van de fiacre als hij niet in galop doorreed, gooide een man, die voor den hit stond tegen den muur, gaf den hit zelf een klap, dat hij op zijde sprong en maakte dus in een oogwenk ruim baan, zoodat Bonaparte’s koetsier, die de zweep over de paarden legde, in volle vaart kon doorrijden. Deze snelheid redde Bonaparte het leven. Nog geen twintig pas was het rijtuig in de rue de la Loi (thans rue Richelieu), toen een ontzettende knal de lucht deed daveren. Een op genoemd karretje geladen helsche machine was ontploft. Ruim honderd dooden en gekwetsten lagen in de rue St. Nicaise onder het puin van eenige ingestorte huizen begraven; Bonaparte en zijn escorte waren ongedeerd gebleven. Ook de dames, die thuis door het zoeken naar een sjaal eenige minuten opgehouden en met Rapp een anderen weg gevolgd waren, hadden geen letsel bekomen.

“Die schelmen hebben mij in de lucht willen doen vliegen” zei Bonaparte koeltjes, doch Joséphine, in de loge gekomen, was te diep ontroerd om haar tranen te kunnen verbergen; ondanks het stormachtig huldebetoon, dat op de bekendmaking van den aanslag volgde, was zij niet tot blijven te bewegen. Bonaparte keerde met haar naar huis terug. Hier brak zijn toorn los.—“Dit was niet het werk van de chouans, de priesters of de émigrés! In dit schelmstuk hadden de Jacobijnen, de moordenaars van 1792, de Septembriseurs de hand gehad. Die alleen waren tot zoo iets in staat” bulderde hij.

Wel trachtte Fouché hem tot andere gedachten te brengen, doch hij kon niet gelooven, dat de royalisten, dezelfde personen dus, die hij kort te voren met gunsten overladen had, hem thans naar het leven hadden gestaan; Fouché kon het bewijs niet leveren; dus—moesten de daders worden gezocht bij de koningsmoorders, de Jacobijnen, die hij, Fouché, beweerde Bonaparte, uit vroegere relatie had ontzien en gespaard.

Een gevolg van deze redeneering was, dat honderd en dertig personen, die zich onder het schrikbewind door hun heftige taal en gedragingen hadden doen kennen, zonder dat er van hun medeplichtigheid aan den aanslag iets was gebleken, bijna zonder vorm van proces werden verbannen, “als gevaarlijk voor de veiligheid van den staat,” dat het proces tegen Arena en Ceracchi c. s. krachtig werd doorgezet om voor de vier hoofdschuldigen te eindigen met een doodvonnis (31 Januari 1801) en dat Bonaparte zijn vertrouwen op Fouché begon te verminderen. Dat de man talent bezat, vooral in politiezaken zijn weerga zocht, hem den 18en Brumaire en daarna tot demping van het oproer groote diensten had bewezen, erkende hij, maar dat hij van den laatsten aanslag onkundig was gebleven kon hij niet vergeten; hij dacht erover hem zijn ontslag te geven; dat Joséphine en de Bourrienne partij voor hem trokken, wekte zijn wrevel zelfs in zoo hooge mate op, dat hij in bijzijn van de eerste op zekeren avond tegen Laplace en Girardin zei: “Een rijk waar de vrouwen de staatszaken regelen is verloren. Frankrijk viel door de koningin. Let op Spanje; ook daar regeert de koningin. Als mijn vrouw iets mocht willen, zou dit voor mij voldoende zijn om juist het tegenovergestelde te doen.” Joséphine was dus gewaarschuwd.

Had Jozef zich in die dagen te Parijs bevonden, dan was Fouché terstond gevallen, want niet alleen Jozef, doch Elisa, Lucien en de gansche aanhang van die drie, met Roederer en Fontanes aan het hoofd, waren zijn vijanden. Zoo fel waren die op hem gebeten, dat het brieven en beschuldigingen regende en dat Roederer aan Joséphine zelfs dorst toevoegen, dat zoolang zij haar minister van Politie behield, niemand zijn leven meer zeker was en dat allen gevaar liepen binnen een paar maanden te worden vermoord. Wel diende Joséphine, onvoorzichtig genoeg, hem ter dege van repliek, doch het woord was gesproken. De oorzaak van dien haat lag niet zoozeer in Fouché’s verleden als in de houding na Brumaire door hem aangenomen tegenover Lucien. Deze jonge minister, die, wars van elken gezetten arbeid, de behandeling der zaken van zijn ministerie zoo goed als geheel overliet aan zijn ondergeschikten en belangrijke stukken vaak niet eens zelf onderteekende, maar evenals Jozef steeds uit was op het verkrijgen van herediteitsrechten, was na den dood zijner lieftallige gade (14 Mei 1800) in deze richting nog verder gegaan; hij had zich, door zijn omgeving slecht geraden, opgeworpen tot leider van de publieke opinie en was begonnen rechtstreeks aan te sturen op een groote anti-revolutionnaire, katholieke, monarchale reactie; in September had hij als lofredenaar van Turenne zelfs de nadering van “een Grootsche Eeuw” aangekondigd en besloten met de woorden, dat het republikeinsche Frankrijk zijn grootsche bestemming eerlang vervuld zou zien.

Had hij het hierbij gelaten, dan was, zijn jeugdigen leeftijd in aanmerking genomen, dit gebazel hem nog wel te vergeven geweest, doch geen maand later had hij aan alle prefecten en verdere onderhoorige ambtenaren onder persoonlijk couvert, een vlugschrift van zijn hand doen toekomen, getiteld: Parallel tusschen Cesar, Cromwell en Bonaparte. Het vraagstuk der herediteit had hij daarin sterker dan ooit op den voorgrond gebracht, terwijl het slot een scherpe insinuatie inhield aan het adres der Fransche legerbevelhebbers.

Met deze brochure had Fouché, als republikein o. a. een vijand van alle herediteit bij den regeerder, als zijnde monarchaal, zich naar Bonaparte begeven, hem gewezen op den slechten indruk, dien ze op het publiek zou maken, zoo kort na den aanslag van Arena, welke toch al voor een politieke manoeuvre van het gouvernement werd gehouden en hem overtuigd, dat hij door een dergelijk geschrift wel verdacht gemaakt, niet gediend kon worden.

Lucien, zich moetende verantwoorden, had het geducht aan den stok gekregen met Fouché, hem overladen met verwijten over zijn vroeger gedrag als lid der Conventie en daarop allerlei liefelijkheden moeten slikken over eigen braspartijen met actrices, zijn knevelarijen en zijn liederlijk gedrag.

Doodbedaard had Bonaparte de heeren die zaak laten uitvechten en toen erkend, dat de brochure wel zijn eigen denkbeelden weergaf, maar dat het slot ervan gekkenwerk was; toch zou hij zijn broeder ten slotte nog hebben gehandhaafd, indien Moreau zich niet ernstig was komen beklagen over de beleediging het leger door Lucien aangedaan en wanneer niet reeds lang tal van feiten hadden bewezen, dat Lucien zijn vriendjes den baas liet spelen op zijn ministerie om te stelen en te rooven naar hartelust. Ook Joséphine had een handje helpen duwen; doodsbenauwd voor dat herediteitsbeginsel, zoo zwanger van monarchale ideeën, terwijl ondanks alle badkuren en kunstmiddelen van dokter Corvisart van een zwangerschap voor haar geen sprake meer was en een echtscheiding haar dus stond te wachten, had zij zich bij Bonaparte op schoot gezet en had hem haar en wangen gestreeld. “Toe Bonaparte, maak je niet tot koning; die gemeene Lucien drijft je er toe, doch laat hem praten.”

Na een zeer heftig en pijnlijk tooneel tusschen de twee broeders, had Lucien daarop als minister zijn ontslag gekregen, was op een kolossaal tractement, met de kans op een aantal millioenen in de toekomst, benoemd tot gezant te Madrid. (7 November 1800.)

Fouché was Lucien dus vijandig. Het vraagstuk van een opvolger had Bonaparte daarop zelf wat meer van nabij bezien. Dat hij het recht moest hebben zijn opvolger te benoemen, stond dadelijk bij hem vast; hij schoof Jozef als te achteloos en voor zaken ongeschikt op zijde, Lucien den opposant en antimilitarist eveneens en vestigde de oogen op Louis. “Deze bezat niet één der gebreken van zijn broers, doch wel al hun goede hoedanigheden,” meende hij. Die zou hem dus opvolgen.

Eerlijk, oprecht en vol plichtsgevoel was Louis zeker, maar overigens had Bonaparte bezwaarlijk een slechter keuze kunnen doen, want diezelfde steeds zwijgende, droefgeestige jonkman met zijn onbeduidend gezicht, fletse oogen en sterke neiging tot afzondering, was niet alleen ziek, maar verborg onder dit ziekelijke uiterlijk een groote mate van jaloersche eigenliefde en een onstandvastigheid, die hem ongeschikt maakten voor eenige regelmaat in zijn bestaan, terwijl lichte aanvallen van vervolgingswaanzin hem nu en dan voerden tot daden, die verrassend valsch en dubbelzinnig ook in de oogen van anderen, door hem zelf in vollen ernst onberispelijk werden geacht.

Van dezen geestestoestand kende Bonaparte niets; meenende dat Louis’ melancholie en sentimenteele begrippen (een gevolg van zijn ziekte) voortsproten uit invloeden van buiten, dat hij dus een tijdlang in een andere omgeving verkeeren, reizen moest, in één woord “ontbolsterd” worden; hij zond hem dus naar Duitschland.

Joséphine, die Louis evenmin begreep, wist nauwelijks wat haar man voornemens was, of haar plan, dat Louis met haar dochter zou trouwen, stond onherroepelijk bij haar vast. Dan kon er van echtscheiding geen sprake meer zijn.

Hortense was ruim zestien en niet mooi maar zeer bevallig; zij danste uitmuntend, teekende, zong, speelde piano en harp, deed aan belletrie en was, zoolang ze niet ruw of norsch werd bejegend, zachtaardig en meegaande; daarbij was zij nog altoos even doodelijk van haar moeder van wie ze niet één harer gebreken zag. Om deze reden hield ze niet van haar stiefvader. Iedereen zei, dat hij een groot veldheer was en een even talentvol administrateur als geniaal bewindvoerder, dus moest zij dit wel gelooven; misschien bewonderde zij hem hierin ook wel, doch in den dagelijkschen omgang was hij vaak grof, somtijds ongemanierd en altijd despotisch; hij bracht haar moeder aan ’t schreien, moest altijd op zijn wenken worden bediend en liet iemand zelfs in zijn slaapkamer niet met rust; zoodoende gevoelde zij voor hem niet de minste sympathie en was ze zelfs bang voor haar stiefvader.

Door haar huwelijk met hem had haar moeder in haar oog een mésalliance begaan; voor haar, de dochter van een der aanzienlijkste edellieden van Frankrijk, die het leven had gelaten voor zijn vorst, was slechts een wettige regeering denkbaar, die der Bourbons; ook al door de bij madame Campan ontvangen opvoeding gevoelde zij zich het beste thuis in de salons van den ouden adel.

Een paar aanzoeken om haar hand had zij reeds afgewezen; een poging van Duroc had evenmin succes gehad. Van ’t geen Joséphine over haar had besloten, vernam zij voorloopig niets.

Terwijl Bonaparte de eerste dagen van 1801 o. a. bezigde met het zoeken naar een plaatsvervanger voor Fouché, Joséphine haar plannen met Louis begon uit te werken, Elisa, Jozef en Lucien met hun aanhang niets onbeproefd lieten om Fouché ten val te brengen, was deze zelf onafgebroken bezig met het zoeken naar het bewijs, dat niet de Jacobijnen, maar de royalisten den aanslag van de rue St. Nicaise hadden gepleegd. Was eenmaal dit bewijs geleverd, dan zou al het geïntrigeer van de familie en de royalisten in den Raad van State tegen hem met één slag den nek zijn gebroken. Hij vond het. Den laatsten Januari bracht hij het zelf naar Malmaison; niet alleen Carbon en Saint-Rejan de hoofdschuldigen, had hij in handen, zelfs den brief, waarin deze laatste aan Cadoudal zijn diep leedwezen betuigde, dat de aanslag was mislukt.

Hij zegepraalde; zijn aanvallers zwegen. Door Bonaparte werd hij als minister van Politie gehandhaafd. Wel ging hier en daar een stem op, dat hij honderd dertig zijner makkers van voorheen, zonder verzet had laten verbannen, doch de eigenaar van die stem vergat, dat Frankrijk in die dagen nog een Augiasstal was, waarin een ferme zwaai met den bezem geen weelde was. Juist dit zuiveringsproces heeft ten gevolge gehad, dat Bonaparte zich twee jaar achtereen ongestoord heeft kunnen wijden aan zijn taak, Frankrijk weder te maken tot een mogendheid van den eersten rang. Een nieuwe stap in deze richting was het sluiten eener overeenkomst met den paus tot herstel van de roomsch-katholieke kerk in Frankrijk. Het overleg tusschen Bernier en kardinaal Spina had vruchten gedragen. Na langdurig gehaspel was ’s pausen raadsman, de even sluwe als hebzuchtige, doch oogenschijnlijk zeer eenvoudige kardinaal Consalvi naar Parijs gekomen om met Bonaparte persoonlijk te onderhandelen en kreeg van dezen kort en bondig te verstaan, dat hij slechts enkele dagen tijd had om tot een besluit te komen en dat, deze periode verstreken, de betrekkingen met Rome onherroepelijk zouden worden afgebroken.

Dit hielp. Den 15en Juli 1801 kwam het verdrag tot stand, dat onder den naam van Concordaat de verhouding regelde tusschen Kerk en Staat. De Republiek werd hierbij verdeeld in tien aartsbisdommen en vijftig bisdommen; een bezoldiging van staatswege trad in de plaats van het voormalige grondbezit der geestelijkheid. Het gouvernement oefende toezicht uit over den eeredienst en benoemde de aartsbisschoppen en bisschoppen; uitsluitend van den paus ontvingen die dan de wijding.

Een staatskerk werd de roomsch-katholieke niet; hiermede zou aan de aanspraken der andere eerediensten zijn te kort gedaan; dit zou in strijd geweest zijn met de republikeinsche beginselen van gelijke rechten voor allen. Ook van een schifting tusschen beëedigde of constitutioneele, niet beëedigde of aan Rome trouw gebleven en gehuwde geestelijken had de Eerste Consul niet willen hooren, hij had de vorming geëischt van een volslagen nieuwe geestelijke instelling, die aan alle scheuring en verdeeldheid een einde maakte en die de wijze en eerbiedwaardige priesters van alle partijen zonder onderscheid samenbracht in één lichaam. Persoonlijk had hij zich met zijn collega’s bereid verklaard de mis bij te wonen; verder had hij zich tot niets willen verbinden.

Voor den inwendigen toestand van het land was de vrede van Lunéville een zegen geweest; een deel der troepen kon nu gebezigd worden tot verdelging der talrijke rooverbenden, die bijna alle wegen onveilig maakten en het vrije verkeer en hiermede den binnenlandschen handel ernstig bedreigden; fondsen waren vrij gevallen, die thans in werken des vredes o. a. voor het afdoende herstel der wegen—alleen in 1802 acht en twintig millioen francs—een bestemming vonden. Thans kon ook gezorgd worden voor het blijvend voortbestaan van de prachtige bosschen, die de laatste tien jaren verwaarloosd en slecht beheerd, van de bijl der houtdieven alom de sporen droegen. Bij duizenden keerden de ontslagen soldaten naar hun haardsteden terug; de landbouw herleefde hierdoor geheel, vooral nu het wild, als herten en wilde zwijnen grootendeels was uitgeroeid. In het zuiden begon het aantal zijdeweverijen, tijdens de omwenteling tot twee duizend ingekrompen, reeds te klimmen naar de zeven duizend. In één jaar steeg het cijfer van invoer van 325 op 417 millioen francs. Ongekend, reusachtig was het door den Eersten Consul thans reeds bereikte resultaat; toch rustte hij niet. Wanneer rustte die man ooit! Frankrijk had zoo goed als al zijn koloniën verloren; wilde het ook als koloniale mogendheid zijn vroegere plaats hernemen, dan moest ook in die richting met alle kracht gewerkt worden.

Reeds was de koning van Spanje bereid gevonden de provincie Louisiana, eenmaal een Fransche kolonie, aan de golf van Mexico, aan de Republiek af te staan; dan werden toebereidselen gemaakt om het zoo kostbare eiland Sint Domingo terug te winnen, dat zich tijdens de Constituante onder den neger generaal Toussaint-Louverture onafhankelijk verklaard had; voorts stelde Bonaparte alles in het werk om het nu reeds zooveel maanden lang aan zich zelf overgelaten leger in Egypte te hulp te komen. In de haven van Brest werd hiertoe een eskader uitgerust; in Italië een legerkorps van 17000 man bijeengebracht om te Otranto scheep te gaan, maar terwijl de groote man op ieder ander gebied de zege weg droeg, op dat zijner koloniale politiek zag hij de fortuin voortdurend tegen zich gekeerd.

Verschillende factoren werkten hiertoe samen. In de eerste plaats stond hij, de heerscher over millioenen menschen volslagen machteloos tegenover de elementen, n.l. den wind en de zee; dan verkeerde zijn marine nog in een tijdperk van wording, had hij zijn vlagofficieren, eenmaal in volle zee, niet meer onder zijn rechtstreeksche bevelen en waren verscheidene van die heeren, hoe dapper overigens ook, niet berekend voor de taak, die hij hun opdroeg; eindelijk voerde Engeland met zijn geweldige vloot bijna onbeperkt heerschappij op den oceaan.

In de nu volgende twintig jaren heeft dit eilandenrijk op Napoleons leven, denken en handelen zulk een reusachtigen invloed uitgeoefend, dat hierbij eenige oogenblikken langer dient te worden stilgestaan.

Hoofdstuk XI.

Engeland en de vrede van Amiens.

Onder leiding van den alvermogenden Pitt, voerde dit land reeds acht jaar lang oorlog tegen Frankrijk op een eigenaardige manier; soldaten bezigde het hiertoe niet, alleen geld, krijgsvoorraad en mooie beloften; het subsidieerde half Europa met Oostenrijk aan de spits om de Republiek zoo mogelijk te verdelgen, haar in elk geval te verlagen tot een mogendheid van den tweeden rang. Niet tegen de Republiek alleen trad hij vijandig op, tegenover iedere mogendheid, welke een handelsvloot en koloniën bezat. Den ganschen wereldhandel tot zich te trekken was hierbij zijn doel. Het wilde beletten, dat Spanje de opbrengst zijner kostbare mijnen in Mexico naar de Spaansche havens vervoerde met eigen schepen, dat Frankrijk op dezelfde wijze zijn koloniale waren als koffie en suiker ontving, dat Rusland, Zweden en Denemarken den voorraad hout en ijzer, voor hun marine benoodigd, zelf aanvoerden. Het wilde als in 1793, een jaar van misgewas, een geheel land kunnen uithongeren en zonder rechtstreeksche blokkade een rijk kunnen houden buiten de gemeenschap met de zee; het wilde om kort te gaan, den handel van geheel Europa te gronde richten ten bate van zijn eigen kooplieden. Om met Albert Sorel te spreken “eischte het voor zijn eigen koloniën het monopolie, doch den vrijen handel op die der andere rijken, trachtte hier den sluikhandel, dien het op zijn eigen grondgebied met alle macht te keer ging, door allerlei middelen te organiseeren, onderdrukte minachtend de zwakkeren en voerde een heftigen strijd met de sterkeren.”

“Het duldde niet, dat Frankrijk deelde in de heerschappij ter zee, koloniën bezat en in den wereldhandel deelde, vandaar zijn onverbiddelijk verzet tegen iedere combinatie, die Frankrijks kustgebied vergrootte en het dus nieuwe wegen opende naar den oceaan; het duldde dus ook de bezetting van Antwerpen door Frankrijk niet, want het verlangde den transitohandel naar Duitschland voor zich alleen. Reeds in 1777 had een agent uit Londen geschreven, dat de Engelschen liever hun hemd van ’t lijf zouden verkoopen, dan dat zij de Franschen de baas lieten worden in de Nederlanden.”

“Sinds 1714 had Engeland door koning George I in Europa zelf vasten voet gekregen. George was keurvorst van Hannover; hoewel een zuiver persoonlijk bezit, waarbij Engeland niet was betrokken, was dit keurvorstendom toch een belemmering in de staatkunde geworden, want ingeval van oorlog kon Frankrijk de hand er op leggen. Pruisen bovendien haakte naar het bezit er van. Reeds in 1745 had de Fransche minister d’Argenson aan Lodewijk XV geschreven, dat er alleen door middel van Hannover iets van Engeland zou zijn te verkrijgen.”

“Bij het begin der Fransche Omwenteling had Engeland de Nederlanden beschermd en er invloed op uitgeoefend. Hun vloten waren elkanders mededingers; in hun handelsbelangen gingen zij niet, tegenover Europa wèl samen. Ook Holland verkoos niet, dat de Schelde een Fransche of ook zelfs maar een voor de schepen van alle natiën vrije rivier werd. Portugal was weinig meer dan een Spanje bedreigende Engelsche kolonie in Europa. Italië telde slechts mede als een zwakke broeder, wien men naar willekeur bepalingen op handelsgebied kon voorschrijven. In de Middellandsche zee betwistte Engeland den handel op de Levant aan Frankrijk; hier was zijn macht even groot als die der Republiek en in de Oostzee trachtte het deze den handel op Zweden en Denemarken te ontrukken. Met Rusland was zijn vriendschap sinds den Noord-Amerikaanschen Vrijheidsoorlog zeer verkoeld; de Czaar breidde zijn gebied uit aan de Zwarte Zee, begon Turkije te bedreigen en zich een weg te banen naar de Middellandsche zee. Engeland begon zijn invloed te doen gevoelen in Azië en hier koloniën te verwerven; eerlang zou het dus daar optreden als Ruslands concurrent.”

“Ieder verbond, dat de Engelschen sloten, had dus twee doeleinden: hun eigen heerschappij ter zee uit te breiden, die van Frankrijk te beperken, zoo te mogelijk vernietigen.”

Zooals licht is te begrijpen, kwam de oorlogstoestand hun hierbij uitnemend te stade. Dan onderzochten hun oorlogschepen elk vaartuig, dat zij onder vreemde vlag ontmoetten en boorden het bij weigering in den grond; dan werd het door alle onzijdige natiën gehuldigde beginsel, dat behalve voor oorlogscontrabande de vlag de lading dekte, voor hen een doode letter, dan heerschten zij bijna onbeperkt op den oceaan.

Reeds langen tijd had hun optreden bij de neutrale mogendheden kwaad bloed gezet. Zelfs Noord-Amerika was verbolgen, want de Engelschen ontzagen zich niet de bemanning van Amerikaansche schepen krijgsgevangen te maken onder voorwendsel, dat zij Engelsch onderdaan waren. In December 1800 was een Ligue der Onzijdigen, gevormd door Rusland, Zweden, Denemarken en Pruisen, begonnen, zich tegen dergelijke onbeschaamdheden te wapenen. De havens van de Zwarte, de Middellandsche en de Oostzee waren dientengevolge reeds voor de Engelschen gesloten; toen Napels eveneens met de Republiek had vrede gesloten (Maart 1801) werden ze alleen nog toegelaten in die van het machtelooze Turkije en van Portugal.

Handig had de Eerste Consul van deze stemming partij getrokken. Pruisen had hij gevleid en halve beloften gedaan om aldus in dit rijk een tegenwicht te krijgen tegenover het openlijk door Engeland gesubsidieerde Oostenrijk. Door de belofte van diens schoonzoon, den hertog van Parma, bij den vrede van Lunéville te verheffen tot koning van Etrurië (Toscane) had hij Spanje’s zwakken koning Karel IV overgehaald Portugals koning, zijn zwager, desnoods door wapengeweld te dwingen zijn havens eveneens voor de Engelschen te sluiten; door een reeks van beleefdheden en geschenken had hij eindelijk den half waanzinnigen Paul I van Rusland van een vijand der Republiek in een bewonderaar van zijn eigen persoon als staatsman en veldheer weten te veranderen en zelfs de eerste grondslagen weten te leggen tot een Fransch-Russisch verbond.

Om dit doel te bereiken had Napoleon zelfs den brief van Rostopchin, den Russischen minister van buitenlandsche zaken zeer hoffelijk beantwoord en er in toegestemd, tot herstel der goede verstandhouding, de integriteit van het grondgebied van Napels, Beieren en Wurtemburg te waarborgen en den koning van Sardinië op den troon te herstellen. Dat de brief meer op een ukase dan op een dankbetuiging voor de teruggezonden krijgsgevangenen geleek, was hij met stilzwijgen voorbijgegaan; Fouché had hij zelfs bevolen beslag te leggen op een brochure van een Pool, getiteld: “Geen hechte duurzame vrede zonder Polens herstel.” Niets had hij onbeproefd gelaten om Engeland te isoleeren.—“Eerst wanneer wij ook met Albion hebben afgerekend, zal Frankrijk al de weldaden des vredes genieten,” had hij gezegd tegen een deputatie uit het Wetgevend Lichaam, die hem met den vrede van Lunéville kwam gelukwenschen. “Maar het gouvernement daar is dol geworden en weet niet meer wat heilig is. Al de mogendheden van het vaste land gezamenlijk zullen het tot rede moeten brengen.”

Dezen weg ging het reeds op; de Ligue der Onzijdigen en de geduchte maritieme maatregelen door Napoleon zelf te Brest, te Rochefort, in Spanje en in Holland genomen, schijnbaar Ierland, Indië en Brazilië geldende, doch feitelijk alleen ten doel hebbende het leger in Egypte te hulp te komen, deden in Engeland ernstige ongerustheid ontstaan. Misgewas was daar in diezelfde dagen oorzaak van een gruwelijken hongersnood; dan had Pitt in ’t begin van Februari zijn ontslag genomen, omdat de nu en dan half waanzinnige George III halsstarrig had geweigerd aan diens grootsche plannen met Ierland1 mede te werken.

De bevolking in Engeland snakte dus naar vrede; ze leed honger, en alleen een vrede kon tengevolge hebben, dat de schepen met graan uit het buitenland de Engelsche havens weder inliepen. De oorlogspartij in het parlement versaagde echter niet en nam den haar door het Noorden toegeworpen handschoen zelfs blijmoedig op. Nelson voer naar de Oostzee, liet zijn chef, den ouden admiraal Parker, die “op de donkere nachten en de ijsvelden” daar volstrekt niet was gesteld, praten, verscheen den 2en April met een eskader van twaalf schepen voor Kopenhagen, vernielde de Deensche vloot, bevocht daar, onder zware verliezen, in vier uur tijd een volkomen overwinning en bewerkte een wapenstilstand van veertien weken.

Gaarne had hij zich daarna tegen de Russische vloot gekeerd, die in de haven van Reval ingevroren had gelegen; doch hiervan kwam niets. In den nacht van den 24en Maart was de dolleman Paul I door graaf Pahlen, generaal Bennigsen en eenige anderen in zijn paleis vermoord, volgens Talleyrand “de in Rusland meest gebruikelijke manier van onttroonen.” Zijn zoon Alexander was hem opgevolgd en had op aandrang van den koopmansstand en van zijn omgeving en uit haat tegen Bonaparte en de Fransche Republiek met Engeland onderhandelingen geopend, en toen Duroc, met een vertrouwelijke zending naar St. Petersburg vertrokken, hier aankwam, werd juist tusschen de beide rijken vrede gesloten.

Toen Talleyrand met het bericht van Pauls gewelddadigen dood op Malmaison verscheen, werd Bonaparte woedend. “Den 3en Nivôse hebben de Engelschen mij te Parijs gemist, maar te St. Petersburg thans niet.” riep hij; brutaalweg schreef hij daarop in den Moniteur: “Paul is vermoord in den nacht van 24 Maart, het Engelsche eskader is den 31en de Sont gepasseerd. De geschiedenis zal leeren welk verband er tusschen deze twee gebeurtenissen bestaan kan.” Kort te voren had hij zijn gezant te St. Petersburg doen kennen, dat hij uit vriendschap voor Rusland niet ongenegen was iets te doen voor den koning van Sardinië, thans annexeerde hij Piëmont oogenblikkelijk, doch antidateerde het hierop betrekking hebbende decreet met tien dagen en gaf aan het nieuw verworven grondgebied, zoogenaamd voorloopig, de administratie van een Fransch departement.

Met den dood van Paul I en het bombardement van Kopenhagen was de Ligue der Onzijdigen zoo goed als uiteengevallen. Als een bewijs, dat Engeland toenadering zocht, liet het al de in zijn haven opgesloten neutrale schepen vrij. Aangezien de wensch naar vrede bij de bevolking dagelijks sterker werd, waren er door het ministerie Addington zelfs tegenover den heer Otto, Frankrijks zaakgelastigde te Londen, reeds eenige voorbereidende stappen gedaan,—de overwinning bij Hohenlinden en de vrede van Lunéville hadden hierbij zeker een rol gespeeld;—maar van beide partijen waren de eischen nog te hoog; terwijl te Londen werd gepraat over den vrede, werd de krijg dus onverpoosd voortgezet. Zoo trok b.v. Leclerc in Mei met een leger van 30.000 man over Spaansch grondgebied naar Portugal. Godoy, bijgenaamd de vredevorst, een voormalig soldaat van de garde, thans de amant van Spanje’s koningin en Spanje’s schier oppermachtig gebieder, zou zich met 40.000 man bij hem aansluiten; plannen tot verdeeling van Portugal tusschen Frankrijk, Spanje en Godoy waren reeds gemaakt, toen de koning van Portugal aan al dit gekonkel en geknoei van Godoy een einde maakte en te Badajoz vrede verzocht nog voordat Leclerc handelend had kunnen optreden.

Portugals havens werden voor de Engelschen gesloten; Frankrijk kreeg vermeerdering van grondgebied in Guyana. Intusschen speelde Lucien, de gezant te Madrid, bij dit alles de beste kaart. Het fortuin aan geschenken, schilderijen en ruwe diamanten door hem verdiend, werd geschat op meer dan dertig millioen francs. Veel degelijk werk leverde hij wel niet, maar de positie van gezant en broeder van den Eersten Consul was van een financieel standpunt bekeken in die dagen lang niet te versmaden. Wel was hij een tijdlang quasi uit zijn humeur, omdat zijn broeder te Parijs zoo weinig naar hem luisterde en het verdrag van Badajoz niet verkoos te teekenen, wel dreigde hij zelfs met ontslagname en onverwijld vertrek uit Madrid, als “zijn” tractaat niet werd aangenomen, doch bij dreigen bleef het tot het November werd; toen keerde hij naar Parijs terug. Hij verlangde naar rust. In Januari had hij met Spanje een bondgenootschap gesloten tegenover Portugal, in Februari een conventie betreffende den opmarsch der troepen, bestemd om Engeland en zijn koloniën aan te vallen; in Maart had hij het reeds vijf maanden te voren door Alquier afgewerkte tractaat betreffende Parma, Toscane en Louisiana nogmaals geteekend; eindelijk had hij in Juni “het in diplomatieken zin vorm noch stijl bezittende” vredesverdrag vol “onbegrijpelijke artikelen” te Badajoz met Portugal aangegaan, doch het eerst na een reeks van wijzigingen in ’t laatst van September door Napoleon bekrachtigd kunnen krijgen; ’t was heel wat! Dat hij na zulk een harden arbeid te Parijs het prachtige hôtel de Brienne, eenmaal het eigendom der Marbeufs, de beschermers zijner familie, uitkoos, het geheel liet restaureeren en hier zijn gemak nam, was dus begrijpelijk! Dat hij op zijn nieuw buitengoed le Plessis, groote wijzigingen liet aanbrengen eveneens. Hij had er nu immers het geld voor!

Op le Plessis vond hij zijn zuster Elisa terug. Een maagkwaal, die eenige jaren later evenals bij haar vader zou ontaarden in kanker, was oorzaak, dat zij zeer stil moest leven. Fontanes, die wel wist wat hij deed, hield haar “als vriend” trouw gezelschap, las en politiseerde met haar, verwierf zich hiermede een aardig fortuin en hielp tevens zijn vriendjes in den zadel.


Terwijl Lucien dus in Spanje zijn eigen beurs spekte, doch geen voet verzette om het ongelukkige leger in Egypte van Cadix uit van krijgs- en mondvoorraad te voorzien, was het brein van zijn broer met het lot van dat leger bijna onafgebroken vervuld. De verovering van Egypte was zijn werk. Het blijvend bezit van dit land vormde den grondslag van zijn verdere plannen tegen Engeland in het Oosten; voor het sluiten van den vrede was het vraagstuk, wie het zou bezitten, het grootste struikelblok. Door een laatste geweldige krachtsinspanning wilde hij Albion dus stellen voor een voldongen feit.

De omstandigheden waren hem echter niet gunstig. Reeds in Maart was een Engelsch leger bij Aboukir geland; generaal Menou, na Klébers dood opperbevelhebber geworden, doch voor zijn taak niet berekend en door zijn onderbevelhebbers telkens bevit en tegengewerkt, had verkeerde maatregelen genomen en was bij Heliopolis geslagen; in Mei waren Rosette en Ramanieh verloren gegaan; ten slotte bleven alleen Caïro en Alexandrië in Fransche handen. Toen de admiraal Ganteaume, die reeds tweemaal een echec had geleden, bevel ontving in de haven van Derne op de kust van Afrika een landingsleger aan wal te zetten en terwijl de admiraals Bruyx, Dumanoir en Linois zich te Cadix vereenigden en eveneens koers naar Egypte zouden zetten, was, rekening houdende met de machtige Engelsche vloot in de Middellandsche Zee, het resultaat van dit stoute ondernemen, reeds te voorzien.

Behalve bij Algesiras tegenover Cadix, waar Linois eenig succes behaalde, was de fortuin de Fransche zeemacht ongunstig; Ganteaume kon bij Derne slechts een paar honderd man aan wal zetten en moest toen wijken voor een vijandelijk eskader. Ook deze expeditie mislukte dus.

Toen greep de Eerste Consul het oude plan van het Directoire om Engeland met een groot landingsleger rechtstreeks aan te vallen, weder op. Al de havenplaatsen langs het Kanaal werden met Boulogne als middelpunt een tooneel van ongekende bedrijvigheid. Dag en nacht werd gewerkt aan den bouw van honderden schepen, licht en toch voldoende zeewaardig om met troepen en zwaar geschut aan boord het Kanaal te kunnen oversteken. Van Duinkerken naar Brest werd de geheele kuststrook één reusachtig legerkamp, waarin binnen enkele weken een krijgsmacht van bijna 100.000 krijgers werd samengebracht, om hier ook in zeilen, roeien en ander zeemanswerk te worden geoefend. Wel noemde Nelson het gansche plan dollemanswerk, maar beproefde niettemin tot tweemaal toe een landing om die oorlogsbodems te vernielen. Tot tweemaal toe leed hij een echec en moest zich verder bepalen tot een onverpoosde waarneming der Fransche kust.

De onrust, door al die dreigende krijgstoerustingen onder de bevolking in Engeland verwekt, de bij deze aanhoudend sterker wordende drang naar het einde van een oorlog, die nu reeds tien jaar duurde en Engeland hoe langer hoe meer van het vasteland isoleerde, de begeerte naar vrede, die in weerwil van zijn snoevend en hooghartig optreden in die dagen toch werkelijk bij Bonaparte aanwezig was, gevoegd bij tal van drijfveeren van moreelen aard bij beide partijen, waren ten slotte oorzaak, dat er tusschen de twee kabinetten meer overeenstemming ontstond en dat den 1en October 1801 tot groote vreugde van beide natiën de vredespreliminairen te Londen werden geteekend.

Hoogst belangrijk waren de voorwaarden. Met uitzondering van Trinidad en de voorheen Hollandsche bezittingen op Ceylon gaf Engeland o. a. aan de Fransche Republiek en haar bondgenooten al de in den loop des oorlogs veroverde koloniën terug. Egypte zou weder aan Turkije, Malta aan de Maltezer Ridders komen. Portugals grondgebied zou onschendbaar zijn, dat van Rome en Napels door de Franschen, terwijl de eilanden en havens aan de Middellandsche en Adriatische zee door de Engelschen ontruimd zouden worden.

Over de rechten der Onzijdigen, over Piëmont, Genua en Toscane alsmede over de moeilijkheden op handelsgebied, vraagstukken, die eenmaal onder handen genomen, ieder voor zich reeds tot een nieuwen oorlog konden leiden, werd wijselijk niet gerept. Men wilde vrede.

Bonaparte had Frankrijk tegenover het buitenland dus gevoerd naar een standpunt, tot heden ongekend. Reusachtig, overweldigend waren zijn invloed en zijn macht geworden. België en Savoye hadden zich bijna vrijwillig aan hem onderworpen; de Rijnprovinciën, te voren reeds tamelijk los van Duitschland, hadden tegen hun inlijving weinig bezwaar gemaakt; de Alpen en de Rijn vormden thans Frankrijks natuurlijke grenzen.

Alleen in ’t binnenland liet de toestand nog veel te wenschen over, doch Bonaparte twijfelde niet of ook hier zou hij weldra zijn wat hij van half Europa reeds was, de oppermachtige gebieder, die geen ander gezag naast zich duldde. Hij sprak deze gedachte niet uit en liet zelfs zijn naaste omgeving betreffende zijn bedoelingen in ’t onzekere, maar zijn tijdens de vredesonderhandelingen bij herhaling gebezigde uitdrukking, als Engeland een nieuwe coalitie begon: een tweede geschiedenis te zullen leveren van Rome’s grootheid, verried wat er in hem omging. Lafayette had hem doorzien. Toen hij hem voor zijn bevrijding uit de gevangenis te Olmütz kwam bedanken, had hij o. a. gezegd: “Uw gansche streven is alleen het fleschje met heilige olie (de zalving) boven uw kruin te laten breken.”


Men had mogen verwachten, dat Bonaparte na het reusachtige succes in de twee laatste jaren verkregen, thans eenige rust nemen en van het vredestijdperk gebruik maken zou om al de werken, die den welvaart van het land moesten bevorderen doch nog in hun kindsheid waren, gelegenheid te geven tot ontwikkeling te komen en dus de vruchten van zijn werk te zien rijpen; van rust nemen was bij dien ijzeren man geen sprake.

Reeds was zijn brein vervuld met nieuwe plannen. Holland, Zwitserland, Genua en de Cisalpijnsche republiek hadden de beginselen der omwenteling omhelsd en in de hoop op hun toekomstige vrijheid de zwaarste lasten geduldig gedragen; bij den vrede van Lunéville was hun onafhankelijkheid benevens de vrijheid om den regeeringsvorm te kiezen, die hun de meest gewenschte scheen, door beide partijen gewaarborgd, niettemin was hij reeds begonnen zijn invloed op die keuze krachtig te doen gelden. Op Fransche leest moesten die weerlooze staatjes worden geschoeid. Fransch moesten ze worden. Of Oostenrijk, of Europa hiermede genoegen zou nemen, of hieruit niet een nieuwe oorlog kon voortkomen, vroeg hij niet. De omwentelingsgezinde partij, de partij der vrijheid werd in die staatjes onderdrukt, beweerde hij niet geheel ten onrechte. Voor zijn persoonlijke inmenging vond hij dit ruim voldoende.

Dan moest Frankrijk weder een koloniale mogendheid van den eersten rang worden. Egypte was verloren gegaan. Sint Domingo zou dit verlies goed maken. Sinds den vrede van Rijswijk (1697) een Fransche kolonie, de parel der Antillen, had dit eiland met zijn achthonderd suiker- en katoen-, drie duizend indigo- en koffieplantages tot in het begin der omwenteling jaarlijks gemiddeld 280 millioen francs naar Frankrijk doen stroomen. Aan een opstand onder de zwarten, die hoofdzakelijk door wanbeheer en mishandeling was ontstaan en aan een massa blanken het leven had gekost, had de neger Toussaint-Louverture een einde gemaakt en als generaal de teugels van het bewind in handen genomen en het eiland vrij verklaard onder protectoraat van Frankrijk. Thans zou een expeditie onder Leclerc het eiland weder onder Fransch gezag terugbrengen. Dat Joséphine en haar creoolsche vrienden, de planters, die te Parijs hulp waren gaan vragen tegen de zwarten en steen en been klaagden over het verlies hunner eigendommen, op dit besluit invloed hadden uitgeoefend, is even aannemelijk als dat Bonaparte in de herovering van het eiland een prachtige gelegenheid heeft gezien om zijn zwager en zijn zuster Pauline een kolossaal fortuin en een schitterende positie te bezorgen. Van de gunsten, waarmede de fortuin voor de andere familieleden zoo kwistig was geweest, hadden die twee tot nog toe zeer weinig genoten.

Met graagte aanvaardde Pauline het voorstel om haar man te vergezellen. Ook bij het leger was met den vrede werkeloosheid in het verschiet en daarom de zucht om aan de expeditie deel te nemen en ginds fortuin te maken buitengewoon groot. Den 14en December stak de admiraal Villaret met een landingsleger van ruim 20.000 man en tal van particuliere belanghebbenden uit Brest in zee. Engeland opperde niet alleen geen bezwaren van beteekenis, maar achtte dien tocht zelfs in zijn eigen belang, omdat het daarin een krachtig middel zag tegen de uitbreiding van de emancipatie der negers2 in zijn eigen koloniën.

Voor het slagen dezer expeditie hadden de maritieme toebereidselen echter te veel tijd gevorderd. Toussaint-Louverture was gewaarschuwd, dus op zijn hoede en geen licht, zelfs zeer zwaar werk wachtte Leclerc. Wel werden de zwarten op verschillende plaatsen verslagen en werd de negergeneraal ten slotte verplicht den vrede te vragen en zich naar Frankrijk te laten vervoeren, maar toch mislukte de tocht. De gele koorts brak uit onder de troepen en raapte duizenden soldaten weg en behalve Leclerc zelf ook bijna alle generaals. Opnieuw kwamen de negers in opstand. Ten slotte keerde het overschot der expeditie, 3000 van de 34000 naar Frankrijk terug (Januari 1803). Met deze Pauline en haar zoontje.

Het lange haar ten teeken van rouw kort afgesneden en tengevolge van haar bevalling nog altoos lijdende aan een ziekte, welke in die dagen ongeneeslijk werd geacht, die haar het gaan en reizen tot een foltering maakte en haar weldra dwingen zou bijna altijd te liggen, voerde de diepbedroefde, twee en twintigjarige weduwe het gebalsemde lijk van haar echtgenoot mede naar Toulon om het op het landgoed Montgobert te doen bijzetten. Op St. Domingo fortuin gemaakt, had zij stellig niet. Zonder Napoleons jaarlijksche toelage van 60.000 francs zou zij door al ’t geen er nu te betalen viel, moeite hebben gehad rond te komen en al was zij zuinig op gierig af, rekenen had zij nooit geleerd. Al haar illusiën van grootheid en rijkdom waren in rook verdwenen.

Het echec in de Antillen geleden, mocht zwaar wezen, bijna zonk het in ’t niet naast het reusachtige succes, dat Bonaparte intusschen op staatkundig gebied behaalde, niet met horten en stooten doch zeer geleidelijk om Europa geen aanstoot te geven of bezorgd te maken, voordat de vrede met Engeland definitief was geteekend. Aan de Bataafsche republiek schonk hij een grondwet. In Zwitserland trad hij op als bemiddelaar. In Januari 1802 werd hij door vierhonderd en vijftig afgevaardigden der Cisalpijnsche republiek, die hiertoe opzettelijk te Lyon waren bijeengekomen, plechtig uitgenoodigd het presidentschap van deze te aanvaarden en haar te herdoopen in de Italiaansche. De invloedrijke Italiaan Melzi verkoos hij tot vice-president. Daar te Lyon, halverwege Parijs en Milaan hield hij ook een revue over de uit Egypte teruggekeerde krijgers en werd met geestdrift door hen begroet.

Malmaison.

Malmaison.

Daar hij aan Jozef, die de vredesonderhandelingen met Engeland te Amiens zou leiden, uitdrukkelijk had doen te kennen geven, dat daarbij zoo min over den koning van Sardinië als over den stadhouder in Holland en de vier reeds genoemde republieken mocht worden gerept en de stelselmatige uitsluiting dezer netelige punten bij Engeland instemming had gevonden, was de lijst der geschilpunten aanmerkelijk ingekrompen. Eindelijk den 25en Maart 1802 werd te Amiens de vrede geteekend, die aan een oorlog van tien jaar een einde maakte en een der gewichtigste gebeurtenissen is uit het begin der negentiende eeuw. De preliminairen van Londen vormden den grondslag er van. Onder de garantie van den czaar zou de Maltezer ridderschap op Malta hersteld en de Engelsche bezetting teruggezonden worden. Ook uit Egypte zou Engeland zijn troepen terugroepen.

Werd de vredebode in Frankrijk met gejuich begroet, in Engeland voerde die de bevolking letterlijk tot een soort van razernij. Een daverend Bonaparte for ever klonk in Londens straten uit boven de nationale liederen. Peace with France prijkte met groote letters op alle voertuigen en toen de kolonel Lauriston, adjudant van Bonaparte, de tractaten kwam uitwisselen, spande het volk zijn paarden uit en trok zijn galakoets zelf verder naar zijn hotel, want ’t was vrede. Nu werden de havens weder geopend, kon er graan worden aangevoerd. De handel en het verkeer zouden herleven; de vrees voor hongersnood was verdwenen. Duizenden Engelschen staken het Kanaal over om een bezoek te brengen aan “dat land van barbaren en koningsmoordenaars” doch in de eerste plaats om dien generaal, dien Bonaparte te zien, dien ze ginds nog slechts kenden door spotprenten en schotschriften en—door den geweldigen roep, die van hem uitging.

Niet om den hartstochtelijken wensch van de meerderheid der natie, wel om hun eigen eerzucht en een kliek kooplui te bevredigen, die uitsluitend hun handelsbelangen op ’t oog hadden en voordeel trokken uit den oorlogstoestand, zullen de britsche ministers dien vrede reeds het volgende jaar verbreken, Frankrijk opnieuw den oorlog aandoen en dezen niet eindigen, voordat Napoleon is verpletterd.

Ook de staatsman Fox, het beroemde hoofd der oppositie in het Lagerhuis, de mededinger van Pitt, kwam naar Parijs om met Bonaparte kennis te maken en bouwstoffen te verzamelen voor een werk over de laatste twee Stuarts. Bonaparte schoof alle etiquette voor hem ter zijde, ontving hem herhaalde malen als een vriend in zijn huiselijken kring, gaf bevel al de staatsarchieven voor hem open te leggen en deed hem, den bijna zestigjarigen staatsman, die nog zooveel edele droombeelden koesterde, vaak versteld staan over de stoutheid zijner plannen voor de toekomst, die hij zeer weinig bemantelde. Gansch Parijs liet hij hem zien, ook een juist in die dagen weder geopende tentoonstelling van nijverheid, de tweede na de omwenteling; vaak gevoelde hij zich gestreeld door de onverholen teekenen van verbazing door zijn gast gegeven, over zooveel vooruitgang in dat bedrijf.

De mannen scheidden in vriendschap als twee groote figuren, die elkander hadden leeren hoogachten.

Waren de natiën dus verheugd over den vrede, Bonaparte zeker niet minder. Met dagelijks klimmende onrust had hij den loop der onderhandelingen gevolgd; bij herhaling had hij Jozef doen weten, dat hij toe moest geven op alle ondergeschikte punten, die vertraging konden doen ontstaan; aan de koeriers tusschen Parijs en Amiens had hij zelfs premiën beloofd, als zij spoed maakten. Zoo handelde geen man, die zooals vaak nog heden wordt beweerd den oorlog zocht tot elken prijs. Neen, niet naar oorlog, naar vrede, naar een langdurigen algemeenen vrede verlangde hij in die dagen; dat hij dit doel niet heeft bereikt, dat de vredestoestand reeds in 1803 weder werd verbroken, mag niet aan hem worden geweten, maar Engeland is, herhalen wij, in hoofdzaak de schuld er van, zooals de door geheel Europa overgenomen legende van Napoleons ziekelijke behoefte aan oorlogsdaden met al haar afgrijselijke gevolgen haar ontstaan heeft te danken gehad aan Talleyrand.

Jaren lang (tot ver in 1807) had deze man, die Napoleon in stilte fel haatte, zoo goed als diens geheele staatkunde geleid, hem zelf, zooals zijn brieven getuigen, voortdurend gewaarschuwd tegen de zoogenaamde moordplannen der vorsten van Europa en der Pruisische generaals en aan diezelfde vorsten na iedere nederlaag de voor hun eigenliefde meest vernederende brieven geschreven.

Hoe had deze man—en zooveel anderen met hem—zich na dit alles in 1815 met opgeheven hoofd op ’t congres van Weenen durven vertoonen, indien hij zich hier niet had voorgedaan als de zwakke, weerlooze, gebrekkige man, die gedwongen was geweest de bevelen op te volgen van een bloeddorstig monster?

Doch hierover later. Dezen even talentvollen als sluwen en steeds naar goud dorstenden staatsman zullen wij vaak genoeg aan ’t werk zien.

Dat Bonaparte geleidelijk aanstuurde op het herstel van het éénhoofdige gezag was in Frankrijk dus voor niemand een geheim meer en de natie en bloc had geen bezwaar haar held, die haar orde, rust en vrede had gebracht, hierin de vrije hand te geven. Wel echter de oppositie. Deze werd hoofdzakelijk gevonden bij de groote staatslichamen bij het leger en dan bij het Instituut met zijn plannenmakers en godloochenaars uit de dagen van het Directoire, de zoogenaamde “denkende hoofden.”

Reeds had het Tribunaat onder meer verworpen de zoo noodzakelijke wet op de Openbare Schuld en de staatsdomeinen, op de speciale rechtbanken, een uitvloeisel van den moordaanslag in de rue Saint Nicaise, zich in schampere taal geuit en zich gestooten aan het woord “onderdaan,” voorkomende in het tractaat met Rusland. Bonaparte was driftig geworden, had de opposanten in den Raad van State uitgemaakt voor “ongedierte,” hieraan toegevoegd, dat hij zich niet als Lodewijk XVI zou laten aanvallen, terwijl hij van zijn gemoedsstemming in officieuse dagbladen liet blijken. Toen het Wetgevend Lichaam met zijn overgroote meerderheid van wijsgeeren en oud-priesters denzelfden weg begon te bewandelen als de Tribunen, toen ook de Senaat bij de stemming over candidaten voor drie in dit college vrijgekomen zetels, duidelijk blijk had gegeven van onwil en Bonaparte’s candidaten, drie oude, verdienstelijke generaals, waren gevallen, had hij den 2en Januari al de reeds ter behandeling gereed liggende wetsontwerpen, die de natie met zoo vurige belangstelling verbeidde, teruggenomen. Het tijdstip was blijkbaar nog niet aangebroken, waarop deze belangrijke zaken met de noodige kalmte en eensgezindheid konden worden behandeld. Hierdoor had Napoleon het Tribunaat en het Wetgevend Lichaam tot volslagen werkeloosheid gedoemd en de natie doen zien aan wie de schuld lag, dat niet meer arbeid werd verricht.

Intusschen had hij langdurig beraadslaagd met Cambacérès, doch vooral met Lucien, met wien hij zich had verzoend; daarna had hij den Senaat gewezen op artikel 38 der grondwet, welke voor het loopende jaar (X) de vervanging gebood van het eerste één vijfde der twee andere staatslichamen, de verdere regeling overgelaten aan zijn ambtgenoot en was naar Milaan vertrokken om zich hier te laten uitroepen tot president der Italiaansche republiek.

Toen hij den laatsten Januari terugkwam, was over de hoofden der oppositie in Tribunaat en Wetgevend Lichaam het vonnis reeds geveld. Twintig leden van het eerste, zestig van het tweede waren niet bij loting doch bij keuze zooals men het noemde “geëlimineerd,” ze zouden worden vervangen door even zooveel anderen, die meer den geest van het gouvernement waren toegedaan. Carnot en Lucien kregen zoodoende in Maart een zetel in het Tribunaat; terstond wierp de laatste zich weder op tot leidsman der openbare meening.

“Ik ben een soldaat, een zoon der revolutie en zal me niet als een koning laten beleedigen” had de Eerste Consul reeds een tijdlang te voren in den Raad van State gezegd, thans had hij de oppositie zijn klauw laten voelen.

Waardiger, grooter zou hij zich getoond hebben, als hij die minderheid die òf hem persoonlijk haatte òf hem alleen bestreed uit zucht tot oppositie desnoods met een minachtend schouderophalen was voorbijgegaan, maar hij was driftig en lichtgeraakt, duldde bijna geen tegenspraak en had voor Frankrijks eer en grootheid alleen reeds meer gedaan, dan al “die babbelaars en idéologen,” zooals hij ze noemde, te zamen. Eindelijk kende hij zijn tegenstanders in het Tribunaat mogelijk te goed om niet te zien, dat, was zijn houding een lijdzame en geduldige, deze hen stoutmoediger zou maken en dat ze voor hem en de natie bepaald gevaarlijk konden worden als de meerderheid in Senaat en Wetgevend Lichaam, wat niet volslagen onmogelijk was, met hen één lijn begon te trekken en als ook een deel van het leger zich in den strijd mengde.

Want ook hierbij en vooral onder de generaals, die met Moreau in Duitschland hadden gediend, telde hij heel wat vijanden. Lannes en Augereau waren reeds zoo brutaal geworden, dat de eerste van zijn commando ontheven en als gezant naar Portugal gezonden was; Massena was verwoed, dat hem het commando over het leger in Italië ontnomen en aan Brune opgedragen was; over een huis had hij bovendien standjes met Joséphine gehad. Gouvion St. Cyr en Macdonald waren wel beiden niet in Parijs, doch staken hun vijandige gezindheid tegenover hem niet onder stoelen of banken.

Moreau, een dapper soldaat, doch een karakterloos man, had zelfs reeds openlijk tegen hem partij gekozen en werd in zijn haat gesterkt door zijn vrouw, die jaloersch was op Joséphine en door zijn schoonmoeder, mevrouw Hulot, evenals deze een creoolsche en reeds jaren met haar op voet van oorlog.—Voor de oppositie was deze volbloed republikein, die zoo belangeloos heette maar niettemin een rijk en prachtig hotel te Parijs zijn eigendom noemde, de aangewezen man om Bonaparte op te volgen, “als deze toevallig een ongeluk mocht overkomen.”

Al die generaals misten echter een groot troepencommando; zij waren dus niet zoo gevaarlijk als Bernadotte, die er wel een bezat, namelijk dat van Rennes over de korpsen van ’t Westen. Door Jozefs invloed lid geworden van den Raad van State (1800) had hij toen reeds sterk geïntrigeerd om òf in Italië òf in de Bataafsche republiek òf te Parijs een groot commando machtig te worden. Daarop had hij zich door zijn heftige taal tegen Leclerc, toen deze op marsch naar Brest eenige uren te Rennes bij hem was, bij Bonaparte zoo verdacht gemaakt, dat deze hem zijn commando ontnomen en naar Parijs geroepen had. Weder in genade aangenomen, had hij (Januari 1802) bedankt voor het kapitein-generaalschap over Guadeloupe en toen voor dat over Louisana zooveel voorwaarden gesteld, dat Bonaparte hem had laten gaan en generaal Victor hiervoor had aangewezen. Thans zat hij weder te Rennes bij een grootendeels van het Rijnleger afkomstigen troep, die in geen drie jaar soldij had gezien, waarbij telkens gevallen van grof verzet plaats vonden en de desertie sterk toenam, bij een troep dus, die weinig meer noodig had om, door mooie beloften en goud verlokt, zoodra Bonaparte was gevallen, over te gaan tot een pronunciamento.

Prachtig voor het oog, was diens positie volstrekt niet.

Wie zal het bevreemden, dat hij zich wapende, zijn garde vergrootte en toen hij den eersten Paaschdag ter eere der sluiting van het Concordaat in de Nôtre Dame de hoogmis ging bijwonen, ook vier bataljons dier garde met de bajonet op in de kerk deed opstellen. Had men hem het lot van Romulus niet toegedacht? Bestond er geen komplot om hem onder de mis te vermoorden?—Dat Bernadotte hiervan wist, staat vast. Jozef ook? Zou zijn zwager hem niet hebben gewaarschuwd? In elk geval bedankte de man, die bij de gesloten verdragen als onderhandelaar was opgetreden, voor de eer, om in de kerk te gaan naast zijn broeder; hij bleef liever bij zijn collega’s van den Raad van State.

De vier bataljons garde in de kerk maakten effect. Er gebeurde niets.

Te Rennes gebeurde echter wèl iets. In afwachting van den loop der zaken te Parijs, had generaal Simon, Bernadotte’s chef van den staf, in stilte twee oproerige proclamaties doen drukken en had die per post verzonden (26 Mei). De politie kwam de samenzwering op ’t spoor en Simon en eenige subalterne officieren werden opgepakt, doch Bernadotte ontsprong den dans. Hij was even te voren met zijn vrouw naar Plombières vertrokken en wist, zoo heette het, van den prins geen kwaad. Maar Bonaparte wist wèl. “Praat me niet van dien schoft, die had den kogel verdiend,” zei hij tegen Rapp, toen deze Bernadotte’s naam noemde.

Toch deed hij hem niet vervolgen; de ander was immers een zwager van Jozef en de echtgenoot van Désirée Clary, de eertijds door hem versmade geliefde en Bonaparte was nu eenmaal Corsicaan met een aangeboren sterk familiezwak en met een onfeilbaar geheugen voor personen, die door hem vroeger te kort waren gedaan en onder deze bekleedde de kleine Désirée volgens hem een eerste plaats. Schonk hij haar later (1808) niet een van de drie kostbare pelzen, welke keizer Alexander hem te Erfurt had aangeboden; regelde hij niet zelf al de bijzonderheden van haar vertrek, toen haar man als kroonprins naar Zweden was geroepen?

Juist die bij hem zoo sterk sprekende karaktertrek, zijn vaak onverklaarbare verblindheid en zwakheid voor zijn naaste familieleden, zijn jarenlang onverzettelijk vasthouden aan het geloof, dat zijn broeders even geniaal en even bekwaam, ja zelfs genialer en bekwamer waren dan hij zelf, dat Lucien, doch vooral Jozef een superieur man was en dat vooral die twee hem bij zijn grootsche plannen met al hun krachten zouden terzijde staan, dat waar zij te kort schoten geen onwil of kwade trouw doch alleen hun jeugd en hun onervarenheid hiervan de schuld droegen, heeft hem geleid tot daden, waarvoor ieder ander in zijn plaats zich zou hebben gewacht; eerst in 1810 had hij ingezien, dat zijn stelsel van familieregeering verderfelijk was geweest.


In deze dagen was er nog in de familie Bonaparte een belangrijke verandering voorgevallen, want het was Joséphine ten slotte gelukt, het reeds vermelde huwelijk tot stand te brengen van Bonaparte’s broer Louis en haar dochter Hortense. Al is het onjuist, zooals Louis zelf later heeft beweerd, dat hij tot deze verbintenis was gedwongen, erg enthousiast waren de jongelui in het eerst volstrekt niet over hun huwelijksplannen. Louis had er aanvankelijk wel geen ooren naar gehad, met Hortense in het huwelijksbootje te stappen, maar na zijn Duitsche reis had de melancolieke man, die met de personen van zijn stand weinig omging en er alleen enkele obscure vrienden op na hield, in het huwelijk toegestemd. Ook was zijn verhouding tot Hortense wel wat veranderd, ja Masson zegt zelfs, dat Louis verliefd op haar was en zich dan ook volstrekt niet stoorde aan het verzet, dat hij ondervond van de zijde van Lucien en Jozef, die het huwelijk volstrekt niet goed konden keuren. En Hortense? Zij had gedwee de zachte drang van haar moeder, die zij vereerde, gevolgd en had ook haar toestemming gegeven, al kan men niet zeggen, dat daardoor een van haar hartewenschen werd vervuld. In de laatste maanden van 1801 was tot deze verbintenis besloten en in het begin van Januari 1802 werd het huwelijk voltrokken in tegenwoordigheid van tal van familieleden en van deze plechtigheid maakten Murat en Caroline gebruik om ook hun huwelijk nog kerkelijk te doen sluiten.

Een groote wensch van Joséphine was hiermede vervuld, want zij achtte deze verbintenis voor haar eigen plaats in de familie van groot belang, zoowel nu als later. En dan had ze hiermede nog wel Louis gewonnen; iemand die een zoo groote plaats in Bonaparte’s hart innam en die zelfs in zijn gedachten in aanmerking kwam voor zijn opvolger. Joséphine had de kerkelijke wijding van haar eigen huwelijk tegelijk met die van Louis en Murat niet durven vragen, maar dit verdriet verduisterde geenszins den triomf, welken ze had behaald. Later, hoopte zij, zou ook dat nog wel gelukken en van de geestelijkheid verwachtte ze daarbij steun. De tijd zou leeren, dat ze gelijk had.


1 Hij wilde het Iersche parlement vereenigen met dat van Engeland en Schotland, ook de katholieke Ieren toelaten tot de hooge staatsbetrekkingen en het ongelukkige eiland dus opheffen uit zijn staat van halve slavernij.

2 In de Fransche koloniën in West-Indië werd de slavernij, tijdens de omwenteling afgeschaft, weldra door Bonaparte hersteld.