Roode Patrijs (Caccabis rufa). ¼ v. d. ware grootte.
De Patrijs bewoont Nederland, Duitschland, Denemarken, Skandinavië, Groot-Britannië, België, het noorden van Frankrijk, geheel Hongarije, Turkije, een deel van Griekenland, Noord-Italië, Asturië, Leon, Opper-Katalonië en eenige gewesten van Aragon, is veelvuldig in Middel- en Zuid-Rusland, de Krim, Klein-Azië en wordt in andere Aziatische landen vervangen door een soort, die veel op hem gelijkt. Op Nieuw-Zeeland heeft men hem geacclimatiseerd. Overal verkiest hij vlakten boven gebergten; in de lage streken van Zwitserland b.v. is hij veelvuldig, men ontmoet hem hier op geen grootere hoogte dan 1000 M. boven den zeespiegel. Voor zijn welzijn heeft hij goed bebouwde gewesten noodig, die rijk zijn aan afwisseling; hij houdt daarom van streken, waar hier en daar boschjes, met struikgewas bedekte heuvels of althans dichte hagen voorkomen. Het woud wordt door hem gemeden, niet echter de woudzoom en de boschjes in de nabijheid; evenmin schuwt hij natte, moerassige plaatsen, wanneer deze althans hier en daar met houtgewas begroeid zijn en kleine eilandjes bevatten, die even boven het water uitsteken. Bij ons houdt hij zich op in graanvelden of op ander bouwland, maar ook bij heidevelden, op droge weilanden, aan open plaatsen in het bosch, op geestgronden, in duinpannen of op de duinen zelve.
Weinige Vogels blijven het eens door hen gekozen gebied standvastiger bewonen dan de Patrijs. De ervaring leert, dat de jongen blijven wonen in de streek, waar zij geboren zijn. Wanneer dit wild in een jachtterrein is uitgeroeid, duurt het dikwijls lang, voordat van de grenzen af weer enkele paren in de verlaten streek doordringen en haar op nieuw bevolkt hebben. In Noord-Duitschland en ook hier te lande heeft men opgemerkt, dat bijna in iederen herfst rondzwervende Patrijzen verschijnen, soms in groote gezelschappen. Men beweert, dat deze Hoenderen, die door de jagers “Trekpatrijzen” worden genoemd, kleiner zijn dan de zoogenaamde “Stand-” of “Bergpatrijzen”.
Patrijs (Perdix cinerea). ¼ v. d. ware grootte.
Gewoonlijk stapt de Patrijs met ingetrokken hals en gekromden rug in gebukte houding voort; als hij haast heeft, loopt hij meer rechtop met vooruitgestoken hals. Even goed als zijne verwanten verstaat hij de kunst van zich te verbergen, maakt hij gebruik van iederen schuilhoek, en “drukt” zich in geval van nood op den vlakken grond, in de hoop van niet opgemerkt te worden. Hoewel men zijn vlucht niet log kan noemen, vereischt toch deze beweging veel inspanning en vermoeit hem spoedig. Bij het opvliegen moet hij zijne vleugels snel en met gedruisch bewegen; eens op een zekere hoogte gekomen, schiet hij over groote afstanden met onbewogen vleugels door de lucht en geeft slechts nu en dan door snelle vleugelslagen aan zijn lichaam een nieuwe vaart. Hij vliegt niet graag hoog en zelden ver in één vlucht, vooral niet bij een hevigen wind, daar deze hem letterlijk medesleurt. Evenals zijne verwanten gaat hij niet op boomen zitten, althans niet, zoolang hij gezond is; hierop komen echter uitzonderingen voor. Het behoort reeds tot de zeldzaamheden, dat een Patrijs zich op het dak van een huis neerzet. Daarentegen ziet men hem soms een kunst beoefenen, tot welke men hem niet in staat geacht zou hebben: hij kan n.l. zwemmen.
Zijn gewoon geluid is de duidelijke, ver hoorbare klank “kirrhik,” die men zoowel van den vliegenden als van den zittenden Vogel verneemt. De oude haan gebruikt dezen in “kirrhèk” veranderden loktoon zoowel om zijn wijfje en zijne kinderen te roepen als om een tegenstander tot den strijd uit te dagen. Beangste Hoenderen gillen “riepriepriepriep” of brengen een als “tert” klinkend, ratelend geluid voort. De jongen piepen als tamme kuikens en roepen later: “truupekier tuup.” Een prettige gemoedsstemming wordt door een dof “koerroek” aangeduid, het waarschuwend sein is een zacht “koerr”.
De Patrijs is schrander en verstandig, voorzichtig en schuw, maakt wel degelijk onderscheidt tusschen vijanden en vrienden, wordt door de ervaring wijzer en geeft blijken van groote geschiktheid om zich in verschillende levensomstandigheden te voegen. Hij is gezellig, vredelievend, trouw en offervaardig, buitengewoon teeder jegens zijn wijfje en zijne kinderen; al deze goede eigenschappen toont hij echter veeleer in den engen familiekring dan jegens andere dieren, al behooren deze tot zijn eigen soort. Om zijn bezitting te verdedigen strijdt de eene haan wakker met den anderen; een vereeniging van twee gezinnen gaat steeds met vechtpartijen gepaard; daarentegen worden jongen, die hunne ouders verloren hebben, zeer dikwijls in een vreemd gezin opgenomen; de volwassene leiders van dit gezin toonen dan voor de weezen evenveel liefde als voor hunne eigene kinderen.
Tegen den tijd, waarin de sneeuw smelt, ontwaakt bij de Patrijzen de aandrift tot voortplanting. Reeds in Februari splitsen de vluchten, die gedurende den winter trouw bijeenbleven, zich in paren en kiest iedere haan een geschikte standplaats. Men hoort nu in den morgen- en avonduren het uitdagende geschreeuw van de hanen, ook ziet men wel eens twee van hen een ernstigen strijd om een wijfje uitvechten. Zij springen dan tegen elkander op; ieder tracht zijn tegenstander met den snavel en de klauwen te kwetsen. De zwakste partij moet wijken en de overwinnaar keert jubelend naar zijn wijfje terug. Naar men beweert, wordt een eens gesloten echtverbond alleen door den dood verbroken.
Tegen het einde van April, gewoonlijk eerst in het begin van Mei, begint de hen te leggen. Haar nest is eenvoudig een ondiepe uitholling in den vlakken bodem, die met eenige zachte halmen bekleed en dikwijls op een zeer ondoelmatige plaats aangebracht wordt. Soms is het door een struik bedekt; in de meeste gevallen echter staat het te midden van het vroeg opschietende koorn, vooral in tarwe-, erwten- en koolzaad-akkers, in de klaver of in het hooge gras van weiden, ook wel in het sinds kort gekapte hout aan den rand van kleine boschjes te midden van het veld. Elke hen legt 9 à 17 eieren; men onderstelt althans, dat de nesten, waarin meer eieren gevonden werden, voor meer dan een hen als legplaats dienden. De eieren zijn peervormig, glad van schaal, niet zeer glanzig en lichtgroenachtig bruingrijs van kleur. De hen, die voluit 26 dagen met ongeloofelijke zelfverloochening broedt en zoo “vastzit”, dat achtereenvolgens nagenoeg al hare buikveeren uitvallen, verlaat het nest slechts zoolang, als volstrekt noodig is om voedsel te zoeken. Terwijl de hen broedt, wijkt het mannetje niet uit haar nabijheid, maar houdt oplettend de wacht, waarschuwt haar voor ieder gevaar, aarzelt gewoonlijk niet zich hieraan bloot te stellen en keert als het verdwenen is; weder naar zijn oude plaats terug. Daarom is na het dooden van den haan in den regel ook een dergelijk lot aan de hen beschoren. Trouwens een lang aanhoudende vervolging verdrijft soms een paar Patrijzen van het nest, hoe groot de liefde van de ouders voor hun kroost ook zij.
De jongen zijn allerliefste schepseltjes, ook reeds door hun uiterlijk. Hun donzen kleed vertoont aan de bovenzijde een mengelmoes van geelbruin, roestgeel, roestbruin en zwart, terwijl aan de onderzijde lichtere kleuren de overhand hebben; de teekening bestaat uit onafgebrokene reeksen van vlekken. Sinds hun eersten levensdag bewegen zij zich zeer behendig, verlaten het nest reeds, voordat zij geheel droog of van de aanhangende stukken eischaal bevrijd zijn en strekken zeer schielijk partij van het onderricht hunner ouders. Deze houden zich beide even ijverig met de opvoeding der jongen bezig; de vader houdt de wacht, en waarschuwt en verdedigt hen, de moeder leidt, voedt en beschut ze onder hare vleugels. Als een van de ouders het leven verliest, neemt de overblijvende ook diens taak op zich, de vader vervult dan tevens moederplichten. “De onvolprezen zorgvuldigheid van de ouders voor hunne lievelingen,” zegt Naumann, “treft ieder, die deze Vogels bespiedt. Angstvallig rondziende of eenig gevaar zijn gezin bedreigt en of het af te wenden is, loopt de vader heen en weer, terwijl de moeder met een kort, waarschuwend geluid de jongen om zich heen verzamelt, hen beveelt zich naar een schuilplaats te begeven, ieder hunner er schielijk een aanwijst (in het koorn, in het gras, in struiken, in een vore van den akker, in een wagenspoor enz.) en, zoodra zij vermoedt, dat alle verborgen zijn, met den vader alle middelen in ’t werk stelt om den vijandelijken aanval te verijdelen of af te wenden. Moedig stellen de beide ouders zich te weer, doen echter, in ’t besef van hun zwakheid, geen aanval op den vijand, maar trachten zijn aandacht op hen zelf te vestigen, van de jongen af te leiden, totdat zij van oordeel zijn, dat hij zich ver genoeg verwijderd heeft. Dan vliegt eerst de moeder terug naar de jongen, die intusschen geen voet breed afgeweken zijn van de hun aangewezen schuilhoek en beijvert zich om ze zoo schielijk mogelijk een eind weegs verder te brengen. Zoodra de vader zijne lievelingen in veiligheid acht, laat ook hij den vervolger in den steek en vliegt terug. Wanneer alles in den omtrek rustig en het gevaar voor een vijandelijke ontmoeting geweken is, laat de haan zijn stem weerklinken, wacht het antwoord van het wijfje af en voegt zich dadelijk weer bij zijn gezin. Geen roofdier kan de waakzaamheid van de liefhebbende, zorgzame ouders verschalken, zoomin over dag als ’s nachts, indien niet bijzondere omstandigheden den vijand begunstigen. Ook de onvoorwaardelijke gehoorzaamheid, de beminnelijke gehechtheid van de kinderen aan hunne ouders geven dikwijls aanleiding tot bewondering.”
Zoodra de kuikens hunne vleugels kunnen gebruiken, wijzigt zich hun gedrag en dat der ouders. Indien thans een vijand naakt, vliegen allen op, bewegen zich gezamenlijk een eind verder en strijken weder neer; als zij ook hier opgejaagd worden, verdeelen zij zich in afzonderlijke troepen of individuën, vliegen in verschillende richtingen weg, laten zich op den grond vallen en “drukken” zich plat op den bodem, of trachten zich loopend of door andere wijzen van verschuilen te redden. Als de vader meent, dat het gevaar voorbij is, begint hij te lokken; achtereenvolgens antwoorden alle kinderen, waarna de trouwe ouders allengs weder de geheele troep om zich heen verzamelen, doordat de vader de jongen ieder afzonderlijk haalt en naar de moeder brengt, die de reeds aangekomene onder haar hoede heeft genomen. Later moeten de jongen den vader een deel van zijne zorgen ontnemen, door als voorposten dienst te doen en op den uitkijk te staan. Deze oefening in het wachthouden, waaraan alle jonge hanen om beurten deel nemen, draagt aanmerkelijk bij tot hun ontwikkeling. Als de jongen hunne ouders verliezen, voegen zij zich bij een ander gezin.
In hun vroegste kindsheid eten de Patrijzen bijna uitsluitend Insecten, later bovendien ook plantaardige stoffen, waarmede zij zich ten slotte bijna uitsluitend voeden. Tot aan den oogsttijd houden de koppels zich hoofdzakelijk in de graanvelden op; na den oogst begeven zij zich naar de aardappelen- en koolakkers, omdat zij zich hier het best kunnen verschuilen. In het laatst van den herfst zoeken zij het stoppelland of liever nog den reeds omgeploegden, braakliggenden bouwgrond op, omdat zij hier in de voren een schuilplaats vinden. De naburige weiden worden wegens de Sprinkhanen, de hakhoutboschjes wegens de mierenpoppen gaarne bezocht; den nacht brengt de koppel altijd in ’t open veld door. Des morgens verlaten de Patrijzen hun leger en begeven zich in de eerste plaats naar de droge gedeelten van het veld, zamelen hier hun ontbijt bijeen, zoeken vervolgens de weilanden op, van waar de nachtelijke dauw nu verdampt is, gaan als de middagzon hinderlijk is, in de struiken, nemen soms een stofbad (“gullen”), keeren des namiddags naar het stoppelveld terug en vliegen tegen den avond weer naar hunne slaapplaatsen. Op deze wijze slijten zij hunne dagen, totdat de winter aanvangt. Deze is voor hen een zeer moeielijke tijd; dikwijls brengt hij hun den hongerdood. Het is niet de koude, die hen hindert, maar de sneeuw, daar deze hun voedsel bedekt en soms zoo hard wordt, dat zij niet in staat zijn om zich een doortocht te banen tot de aarde, die hun voedsel bevat. Dit is wel mogelijk, zoolang zij in de sneeuw graven kunnen; zij kennen de velden, waarop het winterkoren of het koolzaad staat, zeer goed en komen hier altijd betrekkelijk gemakkelijk aan den kost; zoodra echter door afwisseling van dooi en vorst op de sneeuwlaag een ijskorst is ontstaan, geraken zij in den grootsten nood, matten zich hoe langer hoe meer af, worden gemakkelijk buitgemaakt door roofdieren of sterven zelfs van honger. In strenge winters vergeten zij al hun vrees voor den mensch, begeven zich naar de dorpen, zoeken in de tuinen bescherming en voedsel, komen zelfs op het erf en in de schuur en vallen begeerig aan op de zaadkorrels, die milddadige handen voor hen uitstrooien. Soms worden de Hazen hunne redders, daar zij door hun woelen verborgen voedsel aan den dag brengen. In meer dan een jachtdistrict sterft gedurende een strengen winter al het patrijzenwild. Doch even snel als de rampspoed kwam, kan het lot hun weer gunstig worden. Zoodra de grond door de samenwerking van een zoelen wind en de zon op sommige plaatsen bloot komt te liggen, zijn de Veldhoenderen hun leed te boven; wanneer zij eenige dagen achtereen hun genoegen gegeten hebben, keert ook de vroolijke levenslust, waardoor zij zich zoozeer onderscheiden, spoedig weer in hun gemoed terug.
Alle viervoetige roofdieren bedreigen vooral de eieren en de jongen van onzen Patrijs; de Havik en de Edelvalk, de Sperwer, de Buizerd, de Kuikendief, de Raaf en de Vlaamsche Gaai zitten zoowel de ouden als de jongen voortdurend op de hielen. Als men zich de gevaren voor den geest haalt, waaraan een Patrijs is blootgesteld, voordat hij zijn vollen wasdom bereikt heeft en bedenkt, dat hij bovendien nog weerstand moet bieden aan het ruwe weer, kost het moeite te begrijpen, hoe het mogelijk is, dat er nog Patrijzen bestaan. Dichte hagen of kleine struikboschjes, zoogenaamde “remises”, die bestemd zijn om dit wild een toevluchtsoord te verschaffen, moesten op alle vlakten aangelegd en zoo goed mogelijk onderhouden worden. Bovendien zou men nog overal er op uit moeten zijn om den nood, dien iedere strenge winter brengt, zooveel mogelijk te verzachten, door in de nabijheid van zulke “remises” voedsel te strooien, voor de hier vertoevende hongerlijders de tafel te dekken. De Patrijs veroorzaakt nergens en niemand schade, draagt aanmerkelijk bij tot het verlevendigen van onze velden, verblijdt iedereen door de lieftalligheid van zijne handelingen, geeft aanleiding tot een der aangenaamste jachtbedrijven en doet eindelijk voordeel door zijn uitmuntend vleesch.
Jong opgenomen en verstandig behandelde Patrijzen worden zeer tam, geraken zeer gehecht aan hunne verzorgers, onderscheiden hen zeer nauwkeurig van andere personen, klagen op een voor ieder verstaanbare wijze over hun afwezigheid, begroeten hun komst met vreugdegeschreeuw, liefkoozen hen en toonen zich op de duidelijkste wijze erkentelijk voor de hun betoonde genegenheid, kortom, zij gedragen zich als leden van het gezin. Een groote, stille volière is echter een vereischte voor hun voortplanting in den gevangen staat.
*
De Frankolijns (Pternistes) kunnen beschouwd worden als overgangsvormen tusschen de Patrijzen en de Fazanten. Van de eerstgenoemde onderscheiden zij zich door het bezit van een langeren snavel, van een langeren loop, die in den regel met één, soms ook wel met twee sporen, gewapend is, van een langeren staart en van een dichter en dikwijls zeer bont gekleurd vederenkleed. Men kent er tegenwoordig ongeveer 50 soorten van, die over Afrika, West-, Zuid- en Zuidoost-Azië verbreid zijn. (Kort geleden was dit geslacht ook nog in Zuid-Europa door één soort vertegenwoordigd). Zij leven bij paren of familiën in gewesten, die rijk zijn aan struiken of kreupelhout, ook wel in echte bosschen, waarschijnlijk echter bijna niet in het hoogstammige woud, maar liever in oorden, waar lage struiken de overhand hebben en slechts hier en daar enkele hooge boomen zich boven de omgeving verheffen. Zij zijn alleseters in den letterlijken zin van het woord. Hunne begaafdheden staan niet veel achter bij die van de andere leden der orde. Zij loopen uitmuntend, hebben er meesterlijk slag van zich te midden van het dichtste struikgewas te bewegen of door de verwardste rotskloven heen te wringen, en vliegen, als het noodig is, met gemak en fraai, hoewel zij zelden in één vlucht een grooten weg afleggen.
In Middel-Afrika worden de Frankolijns ijverig gejaagd en vaak gevangen. De jacht op hen heeft bijna uitsluitend plaats met behulp van uitmuntende Windhonden, die de loopende Hoenderen vervolgen en grijpen, ja zelfs na het opvliegen voor hen nog gevaarlijk kunnen zijn, daar zij door een geweldigen sprong zeer dikwijls den beoogden buit nog bereiken. Voor het vangen van dit wild dienen netten, die dwars door de struikbosschen worden gespannen, en strikken, die zóó tusschen de struiken worden geplaatst, dat het door ’t boschje sluipende Hoen met den hals in den strik geraakt en zich worgt, of bij de pooten wordt vastgehouden.
Nog voor omstreeks 50 jaren werd één soort van dit geslacht in verscheidene landen van Zuid-Europa gevonden: vooral op Sicilië, op eenige eilanden van de Grieksche Zee en in de nabijheid van het meer Albufera bij Valencia in Spanje. Tegenwoordig is deze Vogel, naar het schijnt, op al deze plaatsen geheel uitgeroeid en wordt in geheel Europa niet meer gevonden. In vrij grooten getale komt hij echter nog voor op Cyprus en in Klein-Azië, nog overvloediger in Palestina, Syrië, Kaukasië, Perzië en het noorden van Indië.
De Frankolijn (Pternistes vulgaris) is een zeer fraaie Vogel. De bovenkop en de nek zijn zwartachtig grijs, de zijden van den kop, de kin en de keel zwart, de oorstreek wit; de kaneelbruine veeren van den middelhals vormen een breeden, ringvormigen band, de veeren van den bovenrug zijn op zwarten grond met witte, parelvormige vlekken geteekend, aan den wortel zwart, omstreeks het midden gedeeltelijk bruin en aan weerszijden met 1 à 3 langwerpig ronde, geelachtig witte vlekken versierd, de donkerbruin-zwarte mantelveeren hebben breede, geelachtig witte zijdestreepen en een geelachtigen zoom op de buitenvlag; de onderrug, de staartwortel en de bovendekveeren van den staart zijn zwart met talrijke, fijne dwarsstreepjes, de borst en de zijden donkerzwart, de zijden met witachtige bij paren gerangschikte vlekken, de buikveeren vosbruin met grijzen zoom, de onderdekveeren van den staart donkerbruin; de vaal grijsbruine slagpennen hebben op de buitenvlag ronde, leemgele vlekken, de grauwzwarte staartveeren op de wortelhelft geelachtig witte dwarsbanden. De iris is donkerbruin, de snavel zwart, de voet roodachtig geel. Totale lengte 34, staartlengte 10 cM.
Gevangen Frankolijns waren nog voor een 25 jaar niet bijzonder zeldzaam in onze diergaarden, terwijl men ze tegenwoordig slechts bij uitzondering een enkele maal te zien krijgt. Dit is niet slechts een gevolg van de algemeene vermindering van het aantal dezer Vogels, maar ook van hun geringe tembaarheid. Als zij eens tam geworden zijn, planten zij zich in gunstige omstandigheden ook hier te lande in de kooi voort.
*
De grootste soorten van de onderfamilie zijn leden van het geslacht der Rotshoenderen (Megaloperdix). De zeer stevige pooten van het mannetje zijn met een schopvormige spoor gewapend. Zij bewonen de hooge gebergten van Azië; één soort komt echter in den Kaukasus voor en kan dus nog onder de Europeesche Vogels gerekend worden.
Deze soort—het Koningshoen, de Intaure van de bewoners van Georgië (Megaloperdix caucasica)—is de kleinste van haar geslacht en toch nog 58 cM. lang, waarvan 17 op den staart komen. De kleur van de bovendeelen wisselt af tusschen aschgrauw en zwartgrauw met een breeden, bruinachtig grijzen kraag in den nek; de vleugeldekveeren hebben lichtgele randen; de slagpennen zijn witachtig; een breede, witte streep loopt van de oorstreek langs den hals naar beneden; de keel is wit; de onderdeelen zijn zwart met witte en roestgele teekening; de iris is roodbruin, de snavel geel, de voet bruin. Men treft deze schuwe Vogels in kleine gezelschappen van 10 à 12 stuks aan, waarvan er één op een hooggelegen punt de wacht houdt. Het is uiterst moeielijk zoo dicht bij hen te komen, dat men ze kan schieten.
*
Onze Kwartel, ook wel Wachtel of Kwakkel genaamd (Coturnix communis), vertegenwoordigt een scherp begrensd geslacht, dat ongeveer 20 soorten bevat, die over alle rijken van de Oude Wereld en over Australië verbreid zijn. De kenmerken van dit geslacht zijn gelegen in den kleinen, zwakken, aan den wortel betrekkelijk hoogen, van hier tot aan de spits zacht gebogen, aan de mondhoeken verbreeden snavel, de korte, ongespoorde, langteenige voeten, de betrekkelijke lange en spitse, weinig gewelfde vleugels, welker spits gewoonlijk door de eerste of een der eerste handpennen wordt gevormd, den buitengewoon korten, gewelfden, uit twaalf pennen samengestelden staart. Het kleed biedt bij mannetjes, wijfjes en jongen slechts weinig verschil aan, de kleine veeren zijn smal, de zeer ontwikkelde staart-wortelveeren bedekken den staart geheel.
Onze Kwartel is aan de bovenzijde bruin met roestgele dwarse en overlangsche strepen, op den kop donkerder dan op den rug; de keel is roestbruin, de krop roestgeel, het midden van den buik geelachtig wit; de zijden van borst en buik zijn roestrood, met lichtgele overlangsche strepen; een lichtgeelbruine streep, die aan den wortel van den bovensnavel begint, loopt boven het oog langs, bij den hals naar beneden en omsluit de keel; hier echter is zij begrensd door twee smalle, donkerbruine banden; de handpennen hebben op zwartachtig bruinen grond roodachtig roestgele dwarsvlekken, die samen banden vormen; de eerste handpen is op de buitenvlag versierd met een smallen, geelachtigen zoom; de roestgele stuurpennen hebben witte schaften en zwarte tot dwarsbanden vereenigde vlekken. Bij het wijfje zijn alle kleuren lichter en minder in ’t oog vallend, ook is het keelveld minder duidelijk. Het oog is licht bruinroodachtig, de snavel grijs, de voet roodachtig of lichtgeel. Totale lengte 20, staartlengte 4 cM.
In slechts weinige landen van de Oude Wereld is onze Kwartel nog niet gevonden. In Europa komt hij van 60° N. B. af overal, hoewel eerst bezuiden den 50en graad N. B. geregeld voor. In Middel-Azië bewoont hij een eenigszins verder zuidwaarts gelegen gordel; hij is hier op geschikte plaatsen, vooral in de steppe, niet minder veelvuldig dan in Europa; daar hij zoowel uit Europa, als uit Middel-Azië ieder jaar zuidwaarts trekt, doorkruist hij ook geheel Afrika en geheel Zuid-Azië.
Zijne reizen zijn om allerlei redenen zeer merkwaardig. Hoewel zij ieder jaar plaats hebben, verschillen zij niet onbelangrijk van den trek van andere Vogels. Enkele Kwartels schijnen bijna gedurende het geheele jaar op reis te zijn, en ook zij, die zich, met het oog op de voortplanting, des zomers ergens voor eenigen tijd vestigen, verlaten het door hen gekozen gebied bij lange na niet te gelijker tijd. Enkele verschijnen reeds tegen het einde van Augustus in Egypte; in grooteren getale komen zij er in September aan: in deze zelfde maand echter vindt men, volstrekt niet zeldzaam, bij ons nog broedende wijfjes of jongen in hun donskleed. Hoewel de trek hoofdzakelijk in September plaats heeft, houdt hij de geheele maand October aan en dikwijls zelfs gedurende een deel van November. Vele Kwartels overwinteren op de drie zuidelijke schiereilanden van Europa, eenige reeds in ’t zuiden van Frankrijk, in zachte winters zelfs in Duitschland; de meeste echter trekken naar de keerkringsgewesten van Afrika en Azië; eenige vinden zelfs hier geen rust, maar doorreizen Afrika tot aan het Kaapland. Een bijeenkomst vóór de reis schijnt niet plaats te vinden; gewoonlijk aanvaardt iedere Kwartel den tocht naar ’t zuiden zonder zich om zijne soortgenooten te bekommeren; onderweg evenwel voegt de eene zich bij de anderen, en vóórdat de reizigers in Zuid-Europa zijn aangekomen, hebben zich talrijke vluchten gevormd. Van het begin van September af wemelt het van Kwartels op alle terreinen langs de kust van de Middellandsche Zee. “Overal, uit het struikgewas langs de afgronden, kanalen en weiden, uit ieder bos ruigte, van achter elke aardkluit,” zegt Graaf Von der Mühle met betrekking tot Griekenland, “vliegt vóór den jager een Kwartel op; weinige uren zijn voldoende voor ’t vullen van den weitasch. Op menigen morgen treft men, nadat ’s nachts de sirocco gewaaid heeft, geen enkelen Kwartel meer aan op de plaatsen, waar den vorigen dag geheele gezelschappen lagen; plotseling echter verschijnen zij weder bij groote vluchten; zoo gaat hun aantal op en af, totdat de nachtvorsten de laatste doortrekkers verdrijven.” Evenzoo is het gesteld in Turkijë, in het zuiden van Italië en in Spanje, niet anders rondom de Zwarte en de Kaspische Zee, terwijl ook aan de kusten van de Japansche en de Chineesche zee dezelfde verschijnselen worden waargenomen.
Kwartel (Coturnix communis). ⅓ v. d. ware grootte.
Alle reizende Kwartels maken, zoover zij kunnen, van het vasteland gebruik; daarom komen zij aan de spits der naar ’t zuiden gerichte schiereilanden in talrijke scharen bijeen. Bij ongunstigen wind, d. w. z. als de windrichting overeenstemt met de richting van de reis, komt de tocht tot stilstand; zoodra echter de tegenwind aanvangt, verlaat de zwerm het land en vliegt nu over zee in zuidwestelijke richting verder. Als de windkracht onveranderd blijft en niet tot storm aanwakkert, gaat de reis voorspoedig. De trekkende Vogels vervolgen vliegend hun weg, zoolang de vleugels hen kunnen dragen; wanneer hun vermoeidheid te groot wordt, strijkt, naar mij door geloofwaardige zeelieden verzekerd werd, het geheele gezelschap op de golven neder, om hier een tijdlang te rusten en vervolgens verder te vliegen. Anders gaat het, wanneer de wind omslaat, of toeneemt tot storm. Voordewind bemoeilijkt de reis over zee in hooge mate, storm verhindert haar geheel. In dergelijke omstandigheden vallen de doodelijk vermoeide Kwartels, als ’t ware bewusteloos, op klippen te midden van de zee of op het dek van schepen neer en blijven hier geruimen tijd zonder beweging liggen; zij worden door zulk een tegenspoed zoo angstvallig en radeloos, dat zij, zelfs wanneer het weer veranderd en de wind gunstig geworden is, nog dagen lang op zulke toevluchtsoorden blijven, vóórdat zij het wagen de reis voort te zetten. Dit heeft men waargenomen: hoevele van deze Vogels echter in de zee vallen en hier verdrinken, weet men niet.
Wanneer men gedurende den eigenlijken trektijd op het een of ander punt van de Noord-Afrikaansche kust op de Kwartels let, is men niet zelden getuige van hun aankomst. Een donkere, laag over het water zwevende wolk nadert schielijk en daalt tevens hoe langer hoe meer. In de onmiddellijke nabijheid van de uiterste grens van het water, laat de doodelijk vermoeide zwerm zich op den bodem zakken. Hier liggen de arme schepsels in ’t eerst verscheidene minuten achtereen als verdoofd, bijna niet in staat om zich te verroeren. Deze toestand gaat echter schielijk voorbij. Er komt beweging in de massa; een van de Vogels geeft het voorbeeld; weldra sluipen en rennen alle haastig over het kale zand naar gunstiger gelegen schuilplaatsen. Het duurt lang, voordat de Kwartel er toe overgaat, om van zijne uitgeputte borstspieren op nieuw diensten te vergen; op den eersten dag na zijn aankomst vliegt hij stellig niet anders dan in den grootsten nood. Na dezen tijd ontmoet men de Kwartels in Noordoost-Afrika overal; nooit echter ziet men vliegende zwermen; altijd en allerwege treft men afzonderlijke exemplaren aan, hier en daar trouwens in tamelijk grooten getale. Als de lente aanvangt, begeven de Kwartels zich allengs op den terugweg; in April verzamelen zij zich aan de zeekust; nooit echter vormen zij dan zulke talrijke zwermen als in den herfst.
De Kwartel kiest tot zomerverblijf het liefst een plek in een vruchtbare, graanrijke vlakte. Hij vermijdt hooggelegen, bergachtige landstreken en is reeds in een heuvelachtig gewest zeldzamer dan in de lage landen. Niet minder dan de hoogte schuwt hij het water en wordt daarom in moerassen en broeklanden in ’t geheel niet gevonden. Onmiddellijk na zijn aankomst houdt hij zich het eerst op in tarwe- of rogge-akkers; later toont hij zich minder kieskeurig; toch mag men het als een regel aanmerken, dat hij zich niet op zijn plaats gevoelt in oorden, waar geen tarwe wordt verbouwd; hier wordt hij hoogstens in den trektijd aangetroffen. Gedurende de reis strijkt hij soms in de struiken neer, des zomers verlaat hij het veld niet.
Hoewel de Kwartel zoomin fraai als begaafd kan heeten, is hij geliefd bij jong en oud. Dit komt van zijn helderen, ver klinkenden paringsroep, het bekende “buukwerwiek”, dat algemeen in den smaak valt en stellig veel bijdraagt tot het verlevendigen van een gewest. Behalve dit geschreeuw brengt hij nog verscheidene geluiden voort, die echter meestal te zwak zijn om anders dan van nabij gehoord te worden. De loktoon van beide seksen is een zacht “bubiwi”, de liefdestem een iets luider “priekiek” of “bruubruub”; een zwak “goerr goerr” geeft ontevredenheid, een onderdrukt “truulielil truulil” vrees te kennen: voor schrik dient het evenmin ver hoorbare “truul rek rek rek”, dat, als de angst ten top gestegen is, in een piepend geluid verandert. De paringsroep van het mannetje wordt gewoonlijk door het heesche “werre werre” voorafgegaan; op dit voorspel volgt het vele malen herhaalde “buukwerwiek”.
Door eigenschappen en gewoonten, levenswijze en bewegingen verschilt de Kwartel in vele opzichten van den Patrijs. Hij loopt vlug en behendig, maar in een onbevallige houding, daar hij den kop terugtrekt en den staart recht naar beneden laat hangen, zoodat zijn gedaante bolvormig wordt; bij iederen stap knikt hij met den kop en neemt slechts zelden een edeler voorkomen aan. Zijne vleugels doen hem snel, snorrend en bij rukken voortschieten, veel vlugger en behendiger dan de Patrijs; hij maakt soms zeer sierlijke zwenkingen, legt niet dan ongaarne in één vlucht een grooten weg af en verheft zich slechts gedurende den trek tot een aanzienlijke hoogte; de opgejaagde Kwartel daalt zoo schielijk mogelijk weer op den grond neer, om loopend verder te vluchten.
Hoewel zijne zintuigen, vooral die van het gezicht en het gehoor, goed ontwikkeld mogen heeten, schijnt zijn verstand gering te zijn. Werkelijk schuw is hij niet, hoewel hij zich steeds beangst en vreesachtig toont en bij felle vervolging echte dwaasheden begaat; men zou zeggen, dat hij zich reeds veilig acht, wanneer alleen zijn kop verborgen is. Gezelligheid is hem vreemd; alleen de nood, niet de neiging geeft aanleiding tot vereeniging van soortgenooten. De hen is een goede moeder en draagt met warme liefde zorg voor ouderlooze kuikens; zij wordt echter snood verlaten door de kinderen, zoodra deze haar niet meer noodig hebben. Zoolang de zon aan den hemel staat, houdt de Kwartel zich zoo stil mogelijk verborgen tusschen de halmen en bladen van de akkers; in de middaguren is hij gewoon te “gullen”, een zandbad te nemen, zich zoo gemakkelijk mogelijk uit te strekken en door de zon te laten koesteren of te slapen; tegen het ondergaan van de zon wordt hij wakker en bedrijvig. Dan laat hij bijna onverpoosd zijn slag weerklinken; men ziet hem loopend of vliegend zijn schuilplaats verlaten om voedsel te zoeken of zich naar de hennen te begeven en met een mededinger te vechten.
Het voedsel van de Kwartels bestaat uit allerlei zaden, uitspruitsels, bladen en knoppen en ongeveer in gelijke mate uit allerlei Insecten. Deze worden, naar ’t schijnt, steeds boven de plantaardige stoffen verkozen, hoewel zij niet volstrekt noodig zijn voor hun leven: de ervaring heeft geleerd, dat zij maanden lang met tarwekorrels onderhouden kunnen worden. Steentjes ter bevordering van de spijsvertering en versch drinkwater zijn voor hen een behoefte; tot het lesschen van hun dorst is trouwens de dauw op de bladen reeds voldoende; daarom ziet men hen slechts zelden bij bepaalde drinkplaatsen vereenigd.
Hoogst waarschijnlijk leeft de Kwartel in polygamie. De haan is, zoo mogelijk, nog jaloerscher dan al zijne verwanten, tracht uit zijn gebied alle mededingers te verdrijven en strijdt op leven en dood om de alleenheerschappij. De hen begint eerst laat, d. w. z. nagenoeg niet voor den aanvang van den zomer, haar nest in te richten, krabt, bij voorkeur op erwten- en tarweakkers, een ondiepe holte uit, bekleedt deze met eenige droge plantendeelen en legt hierop 8 à 14 betrekkelijk groote, peervormige eieren met gladde schaal, die op licht bruinachtigen grond glanzig donkergroen of zwartbruin gevlekt zijn, en, wat kleur en teekening betreft, veel van elkander kunnen verschillen. Zij broedt met volhardenden ijver 18 à 20 dagen lang, laat zich bijna niet van haar nest verjagen en wordt daarom dikwijls een slachtoffer van haar toewijding. Onmiddellijk na het verlaten van de eischaal loopen de jongen met de moeder mede, worden door haar zorgvuldig gehoed en tot eten aangespoord, zoeken aanvankelijk bij slecht weer een toevlucht onder hare vleugels, worden ook in andere opzichten zoo goed mogelijk verzorgd, groeien opmerkelijk snel, letten weldra niet meer op de lokstem van hun moeder en trachten zich in geval van nood alleen te redden. Reeds in de tweede week van hun zelfstandig leven fladderen zij, in de vijfde of zesde hebben zij hun volledige grootte en een voldoende bekwaamheid in ’t vliegen bereikt om in den herfst de reis naar ’t zuiden te kunnen ondernemen.
Niet zelden ontmoet men nog tegen het einde van den zomer een oude Kwartelhen met kleine, onvolwassen jongen, die in den naderenden herfst waarschijnlijk geen voldoenden tijd zullen vinden voor hun ontwikkeling. Zulke broedsels gaan vermoedelijk in den regel te niet. Maar ook die, welke te rechter tijd uit het ei kwamen, hebben veel te lijden van allerlei loopende en vliegende roofdieren; zonder overdrijving mag men het er voor houden, dat nauwelijks de helft van alle Kwartels, die geboren worden, in ’t leven blijven tot aan het tijdstip, waarop de reis naar ’t zuiden aanvangt. Deze reis gaat met nog grootere gevaren gepaard, want nu treedt de mensch als de ergste vijand van de Kwartels op. De noordelijke, westelijke en zuidelijke kusten van de Middellandsche zee zijn bij den aanvang van deze reis met netten, strikken en vallen dicht bezet. Het eiland Capri is beroemd geworden door de groote opbrengst van de kwartelvangst; in vroegeren tijd hadden de bisschoppen, tot welker gebied het eiland behoorde, een aanzienlijk deel van hun inkomen aan de kwartelvangst te danken. In Rome worden, naar Waterton bericht, soms op één dag 17000 stuks van deze Vogels veraccijnsd. Aan de Spaansche kust is de vangst, die hier trouwens hoofdzakelijk in de lente plaats vindt, niet minder belangrijk. “In de Maina,” zegt Graaf Von der Mühle, “vooral echter op de eilanden, houden gedurende den doortrek van de Kwartels jong en oud zich met de jacht en de bereiding van deze Vogels bezig. Men vangt ze met poot- en halsstrikken, met lijmroeden en slagnetten, vooral echter met een “tiras”, een zeer groot, van vischnetgaren vervaardigd net, dat den Vogel over ’t lichaam wordt geworpen; zelfs worden bijzonder vette en zeer stil liggende exemplaren door knapen met stokken doodgeslagen. Men plukt de Vogels, snijdt hun den kop en de voeten af, neemt de ingewanden er uit, spalkt hun de borst open en pakt ze als Haringen in tonnen om ze te verzenden. Deze bron van verdiensten is voor sommige gewesten van zooveel belang, dat de voormalige Minister Coletti, toen in het jaar 1834 bij het oproer in de Maina het voorstel werd gedaan om den verkoop van kruit daar geheel te verbieden, in den ministerraad zich er tegen verklaarde, omdat de inwoners hierdoor van hun belangrijkste bron van inkomsten verstoken of althans in hun bedrijf zeer bemoeielijkt zouden worden.”
Wanneer men in aanmerking neemt, dat van de Kwartels, die aan den mensch en de roofdieren ontkomen, nog duizenden in de zee hun graf vinden, heeft men reden om zich er over te verwonderen, dat hun vermenigvuldiging, hoe snel dan ook, voldoende is om de geleden verliezen weder aan te vullen.
Gevangen Kwartels worden te recht als aardige huisgenooten beschouwd. Zij verliezen hun schuwheid, althans voor een deel, kunnen gemakkelijk in ’t leven worden gehouden en verontreinigen hun kooi slechts weinig. Als men hun het noodige verschaft om een genoegelijk leven te leiden, gevoelen zij zich weldra zoo zeer thuis in hun door traliën begrensde woning, dat zij zich hier voortplanten; in de volières onzer dierentuinen brengen zij niet zelden hunne jongen groot. Niet zoo licht gelukt hun dit in de kooi, hoewel zij ook hier dikwijls broeden. Losloopende Kwartels verschaffen hunne verzorgers veel genoegen door hun vroolijken aard, door het verdelgen van allerlei ongedierte en door hun gemeenzaamheid met Honden, Katten en anderen huisdieren. Evenals bij ons is de Kwartel in vele landen een zeer geliefde kamervogel, o. a. bij de Perzen en Boekharen. Bij Tsardsjoeï aan den Oxus wordt hij niet slechts veelvuldig in de kooi gehouden, maar ook als levend speelgoed, dat men voortdurend in de handen houdt en koestert, door sommige personen hoog geschat.
De Amerikaansche Patrijzen of Boomhoenderen (Odontophorinae), die een uit ongeveer 50 soorten bestaande onderfamilie vormen, zijn klein of middelmatig groot en sierlijk gebouwd; hun snavel is kort, zeer hoog, zijdelings samengedrukt, de zijranden van de ondersnavel dikwijls getand, aan weerszijden met 2 of meer soms zeer onduidelijke inkervingen voorzien; de voet heeft een langen ongespoorden loop en lange teenen; de vleugels zijn middelmatig lang, maar zeer afgerond: de vierde, vijfde of zesde handpen is de langste; de middelmatig lange of korte, van buiten afgeronde staart bestaat uit 12 pennen. Bij vele is een naakte plek om ’t oog aanwezig. Het vederenkleed is goed ontwikkeld, bij de meeste soorten niet zeer levendig, bij vele evenwel zeer fraai van kleur en bij alle op een bevallige wijze geteekend.
Middel-Amerika is het vaderland van de meeste Boomhoenderen; in Zuid- en Noord-Amerika komen betrekkelijk weinig soorten voor. Ook zij bewonen de meest verschillende terreinen. Eenige leven in het veld en in de vlakte, andere in het kreupelhout, enkele ook in het hoogstammige woud; deze herinneren door hun levenswijze aan het Hazelhoen, gene aan de Patrijzen, hoewel alle den naam van Boomhoenderen verdienen. Alle zijn vlug van beweging, loopen snel en vaardig, vliegen met gemak, hoewel niet lang achtereen, weten zich te midden van de twijgen zeer goed te redden, zijn scherp van gezicht en gehoor, geven blijken van een verstandige beoordeeling van gewijzigde toestanden en kunnen daarom zonder groote moeite getemd worden. Door lieftalligheid en sierlijkheid winnen zij de vriendschap van ieder die hen leert kennen; hun vruchtbaarheid en onschadelijkheid hebben aanleiding gegeven tot pogingen om de Noord-Amerikaansche Boomhoenderen in Europa te acclimatiseeren, welker uitslag aanvankelijk niet ongunstig kan worden genoemd; verscheidene andere soorten zijn voorloopig reeds een sieraad van onze dierentuinen.
Een Boomhoen, dat in Europa burgerrecht heeft gekregen, daar het in ons werelddeel veelvuldig getemd voorkomt, is de Boomkwartel, ook wel Colijnhoen genaamd, de Colin van de Anglo-Amerikanen (Ortyx virginianus), vertegenwoordiger van een gelijknamig geslacht. Alle veeren van de bovenzijde zijn roodachtig bruin met zwarte vlekken, stippels en banden en geel gezoomd; die van de onderzijde hebben een witachtig gele kleur met roodbruine, overlangsche strepen en zwarte, dwarse golflijnen. Een witte band, die op het voorhoofd begint en over het oog naar de achterzijde van den hals loopt, de witte keel, een over dezen lichten band zich uitstrekkende, zwarte voorhoofdsstreep en een dergelijke streep, die, vóór het oog ontspringend, de keel omsluit, benevens de zwarte, witte en bruine stippels op de zijden van den hals vormen gezamenlijk een sierlijken tooi van den kop. Totale lengte 25, staartlengte 11 cM.
Kanada is de noordelijke, het Rotsgebergte de westelijke, de Golf van Mexico de zuidelijke grens van het verbreidingsgebied van den Boomkwartel. Hij kiest een soortgelijke standplaats als onze Patrijs, geeft de voorkeur aan bouwland, maar verlangt kreupelhout, hagen en dergelijke gelegenheden tot het zoeken van een schuilplaats; naar het schijnt, bezoekt hij van tijd tot tijd ook het binnenste van het woud. Zijn stem is rijker aan klank en afwisseling, dan die van onzen Patrijs. Zij bestaat uit twee geluiden, die soms nog door een voorslag aangekondigd en meestal vele malen achtereenvolgens herhaald worden. De naam Bob White, die door het volk aan den Boomkwartel wordt gegeven, is een nabootsing van zijn stem (“bobwaait”).
In ’t begin van de lente gaan de zwermen, die gedurende den winter samengeleefd hebben, uiteen. Iedere haan verwerft zich, dikwijls eerst na langen strijd, een hen en kiest een geschikt woongebied uit. Weinig later, maar toch zelden voor het begin van Mei, begint de hen haar nest te bouwen. Zij gaat hierbij zorgvuldiger te werk dan onze Patrijs, want niet slechts de standplaats van het nest wordt steeds met voorzichtigheid gekozen, maar ook wordt dit met een zekere kunstvaardigheid in den grond uitgekrabd en tamelijk netjes met grassen, halmen en bladen bekleed. De eieren zijn peervormig, dun van schaal en zuiver wit van kleur of met flauwe, leemgele stippels geteekend. Hun aantal wisselt af van 20 tot 24; men heeft er echter ook wel 32 in een nest gevonden. De beide ouders broeden om beurten en het mannetje houdt bovendien trouw bij ’t nest de wacht.
Kuifkwartel (Callipepla californica). ⅓ v. d. ware grootte.
Gedurende den zomer voedt de Boomkwartel zich met Insecten en allerlei plantaardige stoffen, vooral met graankorrels; in den herfst maken de laatstgenoemde zijn voornaamste voedsel uit. Zoolang de velden groen zijn, leiden ouden en jongen een zorgenvrij en vroolijk leven; gedurende den winter komen echter ook deze Hoenderen dikwijls in grooten nood; vele worden er door genoopt naar zuidelijker landen te trekken. Op deze reizen vinden vele den dood, want het rooversgespuis zit hen onophoudelijk op de hielen en de mensch doet wat hij kan, om zich van dit smakelijke wild meester te maken.
De Boomkwartel is zoowel voor temming geschikt als voor invoering in gewesten, waar de eischen, die hij aan ’t leven stelt, verwezenlijkt zijn. Gevangen Boomkwartels zijn, wanneer zij verstandig behandeld worden, reeds na eenige dagen met hun lot verzoend, verliezen weldra al hun schuwheid en geraken in opmerkelijk korten tijd aan hun verzorger gewoon. Nog gemakkelijker is het, de exemplaren, die onder het toezicht van den mensch zijn opgegroeid, te temmen. 50 à 100 paar Boomkwartels zouden voldoende zijn, om in de eerste plaats een fazanten-perk en van hier uit een streek, die voor de vermenigvuldiging van dit veelbelovende wild gunstig gelegen is, te bevolken. In Engeland is men hierin reeds geslaagd.
Deze sierlijke Hoenderen worden als wild zeer hoog geschat. Hoewel zij moeilijker te jagen zijn dan de Patrijzen, houden de Amerikanen zich gaarne met deze jacht bezig. De Boomkwartel wacht den Hond niet af, maar tracht, wanneer hij gevaar bespeurt, zich loopend te redden en vliegt eerst in den uitersten nood, gewoonlijk voor de voeten van den jager op. Nog moeielijker wordt de jacht, als de Vogels zoo gelukkig zijn het woud te bereiken, omdat zij hier na het opvliegen gewoonlijk in een boom gaan zitten en zich op een dikken tak plat neerdrukken, waar zij zelfs voor het oog van den geoefenden jager verborgen zijn. Daar zij echter gehoor geven aan den loktoon, kan ieder, die het geluid van het mannetje of het wijfje weet na te bootsen, een flinken buit behalen. In Amerika maakt men om Boomkwartels te vangen veel liever gebruik van strikken en netten dan van vuurwapens. Men gaat in gezelschap te paard door de velden, lokt van tijd tot tijd, om de plaats waar de Vogels zich ophouden, te leeren kennen, plaatst het net en rijdt nu, een halvemaan vormend, op den zwerm toe. De Kwartels loopen, zoo goed mogelijk gedekt, over den bodem weg en komen, als zij goed gedreven worden, geregeld in het net. Op deze wijze vangt men soms 16 à 20 stuks te gelijk.
*
De Pluimkwartels (Callipepla of Lophortyx) zijn kenbaar aan den tooi van den kop. Op het midden van de kruin verheffen zich 2 à 10, in den regel echter 4 à 6 veeren, die aan den wortel zeer versmald, aan de spits verbreed en sikkelvormig naar voren omgebogen zijn. Deze pluim is bij het mannetje sterker ontwikkeld dan bij het wijfje.
De meest bekende soort is de Kuifkwartel (Callipepla californica). Zijn voorhoofd is stroogeel, elke veer met een donkerder schaft; deze plek is van achteren begrensd door een voorhoofdstreep, die zich achterwaarts verlengt tot een wenkbrauwstreep; de bovenkop is donker-, de achterkop omberbruin; de langere, blauwgrijze veeren van den nek zijn zwart op de schaft en aan den rand en hebben twee witachtige vlekken aan den top; de zwarte keel is door een witten band omgeven; de bovenborst is blauwgrijs, de onderborst geel, iedere veer met lichtere spits en zwarten zoom; door de eveneens zwarte zoomen van de bruinroode veeren op het midden van den buik ontstaan schelpvormige figuren; de veeren van de flanken zijn bruin met breede, witte, de onderdekveeren van den staart lichtgeel met donkere schaften; de slagpennen zijn bruingrijs, de armpennen met geelachtigen zoom, de stuurpennen zuiver grijs. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart, de voet loodkleurig grijs. Totale lengte 24, staartlengte 9 cM.
Het vederenkleed van den verwanten Helmkwartel (Callipepla Gambeli) vertoont een soortgelijke kleurenverdeeling; het zwarte aangezichtsveld is hier echter grooter, de achterkop levendig roodbruin, de onderzijde geel zonder schelpvormige teekening, de buik zwart en de veeren van de flanken op prachtig roodbruinen grond met lichtgele, overlangsche strepen geteekend; alle kleuren zijn bij deze soort schitterender.
Alle mij bekende berichten over de levenswijze van den Kuifkwartel zijn onvolledig. Gambel, wiens beschrijving de voorkeur verdient, zegt: “Deze prachtige Vogels, die in geheel Californië zoo buitengemeen veelvuldig zijn, vereenigen zich in den winter tot talrijke zwermen, die in wouden, welke geschikt zijn om aan zoovele een schuilplaats te bieden, soms uit meer dan duizend stuks bestaan. Even veelvuldig als in het woud vindt men ze in de met kreupelhout begroeide vlakten en hellingen van het heuvelachtige land. Niet minder waakzaam, maar snelvoetiger dan de Boomkwartels, verijdelen zij de pogingen van hunne vervolgers door verwonderlijk vlug weg te loopen en zich te verbergen. Als een Kuifkwartel plotseling opgejaagd wordt, vliegt hij gewoonlijk in een boom en drukt zich op horizontale takken als een Eekhoorn neder; het vinden van den Vogel wordt dan zeer moeielijk, omdat de kleur van zijn vederenkleed met die van boomschors overeenkomt. Het nest wordt op den bodem aangelegd, gewoonlijk aan den voet van een boom of onder de twijgen van een struik; het aantal eieren is soms zeer groot. In een ondiepe uitholling, die aan den voet van een eik uitgekrabd, aan den omtrek met eenige weinige bladen en droog gras belegd, in het midden echter onbekleed was, vond ik 24 eieren. Het zou kunnen zijn, dat hier twee hennen in hetzelfde nest hebben gelegd, daar 15 eieren het gewone getal schijnt te zijn.”
Freyberg, die den Kuifkwartel eveneens in zijn vaderland heeft nagegaan, zegt, dat hij een standvogel is, althans niet ver van zijn broedplaats rondzwerft, van gras, zaden, bollen, look, knolgewassen en dergelijke planten, van allerlei bessen en van Insecten leeft. Tot woonplaats kiest hij bij voorkeur jonge hakhoutbosschen of in ’t algemeen dicht struikgewas, vanwaar hij zich zelden verder dan 40 à 50 schreden verwijdert en zich dus bijna niet buiten de schaduw van het woud in het open veld begeeft. Bij vervolging door den Hond blijft hij tamelijk lang loopen, gaat bij het opvliegen steeds in den eersten den besten ouden boom zitten en gedraagt zich hier als een Hazelhoen; in den winter graaft hij echter lange gangen in de sneeuw. In Californië schiet men hem met een kleine buks uit den boom of jaagt hem met behulp van een Hond; want dit wild is kostbaar en moet gelijk gesteld worden met het Hazelhoen.
“Ieder die de gewoonten van den Helmkwartel wil leeren kennen,” zegt Coues, die een uitmuntende levensbeschrijving van de soort heeft gegeven, “moet zich alle geriefelijkheden van de beschaving ontzeggen en van de westkust uit omstreeks duizend mijlen ver in het binnenland doordringen. Hij komt dan in een wilde streek, waar de Apache-Indiaan nog altijd heer en meester is en de blanke zich slechts door een iederen dag herhaalden strijd kan handhaven. Het land is verscheurd door gapende afgronden. Diep ingesneden dalen en ravijnen, waarnevens reusachtige bergen zich verheffen; lava-massas, uitgeworpen door sinds lang uitgedoofde en onkenbaar geworden vulkanen, bedekken het. Men treft hier rivieren aan, op welker droge bedding de reiziger van dorst kan versmachten; uitgestrekte vlakten, begroeid met droge, scherpe grassen en lage struiken, dragen de duidelijke kenteekenen van langdurig gebrek aan water. Deze gewesten zijn echter vol tegenstellingen en wonderen. De minst gastvrije bergen omsluiten liefelijke, vochtige, groene en vruchtbare dalen; uitgestrekte bosschen van edele sparren en dennen en ceders wisselen af met dorre, eenzame lavavelden; de heuvelhellingen zijn met eiken, mezquite-struiken (Prosopis dulcis) en manzanitas bedekt, terwijl de toegangen tot de oevers der door populieren (Populus monilifera en angulata), wilgen en noteboomen omlijste stroomen, door bijna ondoordringbare wallen van wijnstokken, pereskia-cactussen (met eetbare bessen en platte bladen), sassaparilstruiken, rozen en allerlei andere soorten van klimmende en rankende struiken versperd worden. De dieren- en de plantenwereld, ja zelfs de rotsen hebben een vreemdsoortig, eigenaardig voorkomen; zelfs de lucht schijnt een andere samenstelling te hebben dan bij ons. Deze gewesten zijn het vaderland van ons Boomhoen.
“De maand Juni liep ten einde, toen ik op de plaats van bestemming, in Arizona, aankwam. Spoedig vernam ik, dat de Helmkwartel hier buitengewoon veelvuldig is. Reeds op mijn eerste jachttocht struikelde ik, bij wijze van spreken, over een toom jonge kuikens, die zooeven uit het ei gekomen waren; de kleine, vlugge diertjes renden weg en verborgen zich zoo uitmuntend, dat ik er geen enkele van vinden kon. In ’t volgende jaar merkte ik op, dat de oude Vogels tegen het einde van April gepaard hadden en zag ik in het begin van Juni de eerste kuikens. Ik kwam tot de overtuiging, dat het broeden bij deze soort gedurende de maanden Mei, Juni, Juli en Augustus plaats vindt. Het grootste aantal kuikens van één broedsel, dat ik waarnam, bedroeg 15 à 20, het kleinste 6 à 8. Wel trof ik een enkele maal ook nog op den 1en October half volwassen kuikens aan; de meeste hadden toen echter reeds geheel of bijna de grootte van de ouders en waren zoo goed in staat om zich te bewegen, dat een eerlijke jager zich niet geschaamd zou hebben, er een schot op te doen.
“Zoolang de jonge Vogels de ouderlijke zorg nog niet kunnen ontberen, houden zij zich eng aaneengesloten; als hen een gevaar bedreigt, rennen zij zoo snel weg en “drukken” zich op een zoo goed gekozen plaats, dat het veel moeite kost om ze te doen opvliegen. Als dit gelukt, stijgen alle te zamen in een gesloten zwerm omhoog, maar strijken spoedig weer neder, in den regel op de lage takken van boomen of struiken, dikwijls echter op den grond. Hier zitten de Vogels gewoonlijk stil, dikwijls letterlijk opeengehoopt; omdat zij goed verborgen meenen te zijn, kan men ze tot op een afstand van weinige schreden naderen. Later in ’t jaar, als zij hun definitieve grootte bereikt hebben, gaan zij minder vaak op boomen zitten; zij zijn dan voorzichtiger en niet gemakkelijk te naderen. De eerste aanduiding, dat men zich in de nabijheid van een toom bevindt, krijgt men door een geluid, dat twee- of driemaal snel achtereenvolgens herhaald wordt; hierop volgt een geritsel van droge bladen, waaruit blijkt, dat het geheele gezelschap zich zoo schielijk mogelijk voortspoedt; als men nog een stap verder gaat, vliegen alle met snorrend gedruisch op en verspreiden zich in alle richtingen.
“Evenals zijne verwanten, eet de Helmkwartel bij voorkeur zaden en vruchten, hoewel Insecten een niet gering deel van zijn voedsel uitmaken. In de eerste lentemaanden eet hij graag wilgeknoppen, waardoor zijn vleesch een bitteren bijsmaak krijgt.
“De sierlijke kuif op den kop, die zooveel tot de verfraaiing van deze soort bijdraagt, ontwikkelt zich reeds zeer vroegtijdig; men merkt haar reeds op bij kuikens, die slechts weinige dagen oud zijn. Bij hen bestaat zij trouwens slechts uit een klein, kort bosje van 3 of 4 veeren, die eerder bruin dan zwart, aan de spits niet verbreed en recht naar boven gericht zijn. Eerst wanneer de Vogel volkomen tot vliegen in staat is, krommen zij zich naar voren. Het aantal veeren, waaruit de kuif bestaat, wisselt aanmerkelijk af. Soms vindt men slechts één enkele veer, in andere gevallen 8 à 10 veeren.
“De jacht op den Helmkwartel is moeielijker dan die op den Boomkwartel. Wel is waar vliegt de eerstgenoemde niet plotseling op en beweegt zich ook niet sneller dan zijn verwant: wanneer echter een kluft opgejaagd is en één of twee van hare leden geschoten zijn, zal men bezwaarlijk voor de derde maal met goeden uitslag kunnen vuren. Zij liggen, behalve in bepaalde gevallen, zeer los; als zij opgevlogen zijn en weder “strijken”, zoeken zij dikwijls een schuilplaats op den grond en laten zich niet weer opjagen, of loopen zoo snel en zoo ver mogelijk, zoodat men ze òf niet, òf eerst op een tamelijk grooten afstand van hun uitgangspunt terugvindt. Hun gewoonte om loopend het gevaar te ontvluchten, vermoeit niet slechts den jager, maar ook den Hond in zoo hooge mate, dat zelfs het best gedresseerde dier weinig of in ’t geheel niets uitrichten kan. Wel is de jager dikwijls in de gelegenheid een loopend Hoen te dooden, maar wie zou op zoo’n roemlooze wijze met zulk edel wild den weitasch willen vullen! Het vliegt buitengewoon snel en krachtig, doch steeds op gelijke hoogte en rechtuit, zoodat het voor een geoefend schutter niet zeer moeielijk is, het te treffen.”
In 1852 werden 6 paar Kuifkwartels in Frankrijk ingevoerd. Reeds in het volgende jaar brachten zij jongen groot. Men heeft later herhaaldelijk getracht dezen fraaien Vogel ook in Frankrijk te acclimatiseeren, maar tot dusver nog geen blijvende uitkomsten verkregen. Ook in Duitschland zijn zulke proeven genomen met hetzelfde gevolg. Over ’t algemeen zal men, om op succes te mogen hopen, de proef moeten nemen in zulke gewesten, waar Fazanten zonder de hulp van den mensch gedijen. Het meest geschikt hiervoor zijn wouden, die de grootst mogelijke verscheidenheid van boomsoorten bevatten en een dicht begroeiden bodem hebben, zoodat het geheel een moeielijk doordringbare wildernis van doornstruiken, wilgen, hooge grassen en klimplanten vormt. Kuifkwartels, die in een park zijn grootgebracht en op ongeschikte terreinen worden losgelaten, ontsnappen hieruit, zoodra zij kunnen.
In de vierde onderfamilie vereenigen wij de Fazanten (Phasianinae). Ook bij hen is de romp gedrongen, maar toch gestrekter gebouwd dan bij de Boschhoenderen; de snavel is middelmatig lang en sterk gewelfd, de bovensnavel over den ondersnavel benedenwaarts gebogen, soms aan de spits verlengd en nagelvormig verbreed; de middelmatig lange loop is bij den haan altijd gespoord; de teenen zijn lang, de vleugels middelmatig lang of kort, sterk afgerond; de staart is gewoonlijk lang en breed en uit 12 à 18 pennen samengesteld, de kop gedeeltelijk naakt, dikwijls met kammen en lellen, soms bovendien met hoornen en ook wel met vederbossen versierd; het vederenkleed is prachtig van kleur en glanzig, maar bij mannetjes, wijfjes en jongen verschillend.
Gewoonlijk rekent men tot deze onderfamilie, ongeveer 75 soorten, waarvan er elf in Afrika, slechts drie (de Kalkoenen) in Amerika, alle overige in Zuid- en Middel-Azië thuis behooren. Alle soorten bewonen boschrijke of althans met struikgewas begroeide gewesten waar zij goed gedekt zijn: sommige hooge bergstreken, andere het laagland. Zij zijn standvogels; bij de keuze van een woonplaats gaan zij zeer zorgvuldig te werk en verlaten deze daarna niet meer. Alle hebben min of meer de neiging om na den broedtijd rond te zwerven en dan terreinen te bezoeken, waar men ze in andere tijden van ’t jaar niet vindt. Tot echte reizen zijn zij wegens de gebrekkigheid van hunne bewegingsorganen niet in staat. Zij zijn goed ter been en kunnen, als zij willen, in het hardloopen bijna met ieder ander Hoen wedijveren; zij vliegen echter slecht en doen dit daarom slechts in den uitersten nood. In lichaamsoefeningen schijnen zij geen behagen te scheppen; zelfs gedurende den paartijd gedragen zij zich rustiger dan de andere Hoenderen. Gewoonlijk stappen zij op hun gemak en zonder zich te haasten rond, met ingetrokken of gebogen hals, den fraaien staart, hun voornaamsten tooi, zoo ver opgeheven, dat de middelste veeren niet over den grond sleepen; om sneller te loopen buigen zij den kop tot dicht bij den grond en lichten den staart iets hooger op; in geval van nood maken zij ook van hunne vleugels gebruik. Hun wijze van vliegen vereischt krachtige vleugelslagen en gaat daarom vooral bij het opvliegen met een klapperend gedruisch gepaard; wanneer echter de Fazant eens een zekere hoogte bereikt heeft, fladdert hij weinig, maar schiet met uitgespreide vleugels en staart volgens een hellend vlak in benedenwaartsche richting snel vooruit. In de kroon van hooge boomen is hij gewoon rechtop te staan of met sterk gebogen pooten zich geheel op den tak neer te vleien en den langen staart bijna loodrecht naar beneden te laten hangen. Zijne zintuigen zijn goed ontwikkeld, de geestvermogens over ’t algemeen gering. Onder elkander leven de Fazanten in vrede, zoolang de liefde niet in ’t spel komt; in den paartijd ziet men echter, evenals bij de overige Hoendervogels, de mannelijke leden van het gezelschap in opgewonden toestand verkeeren en soms zeer ernstige gevechten leveren.
Tot aan den paartijd verbergen de Fazanten zich zooveel mogelijk. Als zij niet gestoord worden, gaan zij eerst kort vóór hun slaaptijd in den boom zitten en houden gedurende het overige deel van den dag verblijf op den grond, waar zij, tusschen struiken en gras hun voedsel zoeken, open plekken bijna angstvallig vermijden en van de eene schuilplaats naar de andere sluipen. Iedere haan heeft de leiding over een aantal hennen; men ontmoet echter ook zeer gemengde kluften, d. w. z. zulke, die uit verscheidene hanen en vele hennen bestaan. Groote gezelschappen zijn het niet; wanneer dit een enkele maal voorkomt, blijven zij in den regel niet lang bijeen. Buiten den broedtijd neemt het zoeken van voedsel hun tijd bijna geheel in beslag. Zij eten van ’s morgens tot ’s avonds; hoogstens rusten zij in de middaguren, zooveel mogelijk in een stoffige kuil, half begraven onder het reinigende stof, van de vermoeienissen van den arbeid uit. Vooral in den vroegen morgen en tegen den avond zijn zij ijverig in de weer en tot rondzwerven geneigd; met zonsondergang begeven zij zich ter rust. Hun voedsel bestaat uit de meest verschillende soorten van plantaardige stoffen, zaden en vruchten, knoppen zoowel als ontplooide bladen; bovendien eten zij Insecten in allerlei ontwikkelingstoestanden, Slakken, Weekdieren, ook wel kleine Gewervelde Dieren; vooral maken zij jacht op jonge Kikvorschen, Hagedissen en Slangen.
De meeste, hoewel geenszins alle Fazanten leven in polygamie. Iedere haan verzamelt, wanneer zijne mededingers dit toelaten, vijf à zeven hennen om zich heen. Hoewel hij niet minder jaloersch is dan de andere mannetjes zijner orde en zijne mededingers zeer moedig en dapper bestrijdt, geeft hij zich geen bijzondere moeite om de gunst van zijn wijfje deelachtig te worden. Ook bij hem komen verschijnselen voor, die aan het balderen der Ruigpoothoenderen herinneren, ofschoon hij nooit in den toestand van verliefde razernij vervalt, die deze kenmerkt. Hij loopt in verschillende houdingen om de hennen heen, spreidt de vleugels uit, zet de veeren van de kuif, van de oorpluimen en van den halskraag op, verheft den staart iets meer dan gewoonlijk, doet de voor uitzetting vatbare huidaanhangsels opzwellen, acht het zelfs niet beneden zijn waardigheid eenige danspassen te maken en kraait of fluit, terwijl hij herhaaldelijk de vleugels tegen elkander slaat. Na de paring bekommert hij zich niet meer om de hennen, die over ’t algemeen meer hem zoeken dan hij haar; maar zwerft naar eigen goedvinden in het bosch rond, voegt zich hier soms bij andere hanen, vecht in het eerst nog wel eens met dezen of genen, maar leeft toch, als het aantal mannetjes toeneemt, met de leden van zijn gezelschap in vrede. De hen zoekt een stil plekje op, graaft hier een kuiltje, bedekt dit achteloos met eenige bladen en andere nestmaterialen en begint te broeden, zoodra zij 6 à 10 of soms ook 12 eieren gelegd heeft. De kuikens zijn lief geteekend, behendig en vlug, leeren in de tweede week van hun leven fladderen, gaan in de derde in de boomen slapen en ruien na verloop van 2 of 3 maanden; tot in den herfst blijven zij echter nog onder de hoede van hunne ouders.
*
Het meest bekende geslacht van de onderfamilie der Fazanten is dat van de Kamhoenderen (Gallus), waaraan wij ons Huishoen te danken hebben. Zij kenmerken zich vooral door het bezit van een naakten, vertikalen, meestal getakten kam op de kruin en van twee naar beneden hangende lellen aan den ondersnavel; de wang is onbevederd. De tamelijk lange loop is bekleed met drie vertikale reeksen van schilden en heeft bij den haan een sterke spoor. De middelmatig lange staart bestaat uit 14 pennen, die naar de zijden weinig in lengte afnemen; hij wordt dakvormig gebogen en opgewipt gedragen; de staartwortelveeren of bovendekveeren van den staart zijn bij den haan sterk verlengd en sikkelvormig gekromd; zij overdekken de stuurpennen en hangen achter deze of langs de zijden van het achterlijf naar beneden. In de korte afgeronde vleugels zijn de 4e tot 7e handpennen even lang en langer dan de overige. Het lichaam is rijk bekleed met prachtige veeren.
Indië en de Maleische landen zijn het vaderland van deze Hoenderen. Men kent er zes soorten van, die het woud bewonen en een verborgen leven leiden, hoewel alle door hun stem de aandacht trekken.
De meeste aanspraken op de eer van het stamvaderschap van ons Huishoen, kan het Gewone Boschhoen of Bankiva-hoen, de Kasintoe der Maleiers, op Sumatra Ajam-Rimboe geheeten (Callus ferrugeneus), doen gelden. De kop, de hals en de lange, naar beneden hangende nekveeren hebben bij den haan een goudgelen weerschijn; de geelbruin gezoomde rugveeren zijn purperbruin, in het midden glanzig oranjerood; de eveneens verlengde, naar beneden hangende bovendekveeren van den staart gelijken in kleur op die van den kraag; de groote dekveeren zwartgroen, de donkerzwarte borstveeren goudgroen iriseerend; de handpennen zijn donker zwartachtig grijs met lichteren zoom, de armpennen op de buitenvlag roestkleurig, op de binnenvlag zwart, de staartpennen eveneens zwart: de middelste iriseerend, de overige zonder glans. Het oog is oranjerood, de koptooi rood, de snavel bruinachtig, de voet leikleurig zwart. Totale lengte 65, staartlengte 27 cM. De hen is kleiner, haar staart heeft een meer horizontalen stand; van den kam en de lellen zijn slechts aanduidingen voorhanden; de langwerpige halsveeren zijn zwart met witgeelachtigen zoom, de veeren van den mantel bruinzwart gesprenkeld, die van de onderdeelen, evenals de slag- en stuurpennen, bruinzwart.
Het verbreidingsgebied van het Bankiva-hoen omvat geheel Indië en de Maleische landen. Het is veelvuldig in het westen van Vóór-Indië zoowel als in het noordelijke heuvelenland, algemeen in Assam, Silhet, Birma, Malakka, op de Soenda-eilanden en de Philippijnen; het komt ook op Timor en verscheidene eilanden van den Grooten Oceaan voor; zeldzaam is het in Middel-Indië. De levenswijze van deze en alle overige wilde Hoenderen is vrij onvolledig bekend; dit ligt waarschijnlijk aan de bezwaren, die zich tegen het waarnemen van deze Vogels verzetten. Het door hen bewoonde woud legt den onderzoeker zoowel als den jager dikwijls onoverkomelijke hinderpalen in den weg. Als men deze wouden doortrekt, ontmoet men, volgens Jerdon, dikwijls wilde Hoenderen. Zij houden zich gaarne op in de nabijheid van de wegen, omdat zij hier in den drek van het Rundvee en van de Paarden een overvloed van voedsel vinden; de Honden, die met den wagen meeloopen, doen vele Hoenderen opvliegen en in de boomen neerstrijken; ook ziet men deze Vogels in de buurt van de wouden op de akkers, waar zij dikwijls voedsel gaan zoeken, voorts gedurende de jachten, die op hen gehouden worden. De beide op Java levende soorten van wilde Hoenderen zijn, volgens Bernstein, zeer schuw; het is daarom moeielijk ze in de vrije natuur te bespieden. Dit geldt vooral voor het Groene Boschhoen, den Gangegar of Ajamalas, gewoonlijk Vorkstaarthoen (Gallus furcatus) genoemd, omdat de staart, wegens de zijwaartsche richting der middelste veeren, er gevorkt uitziet; het onderscheidt zich door het bezit van slechts één zeer groote, met fraaie roode, gele en blauwe tinten prijkende lel aan de keel. Deze Hoenderen houden zich bij voorkeur op in de met doornstruiken en andere planten dicht bedekte vlakten, waar zij zich bijna altijd aan de blikken van den onderzoeker onttrekken; bovendien verbergen zij zich dadelijk bij het geringste verdachte gedruisch, of loopen, zonder op te vliegen, tusschen de alang-alang-halmen weg. Zij zouden dus niet opgemerkt worden, indien niet de haan van tijd tot tijd zijn stem liet hooren; deze klinkt heesch als “kukru-u koekru.” Te zien krijgt men hem echter slechts zelden, hoe vaak men hem ook hoort. Het best gelukt dit nog in den vroegen morgen, omdat de Hoenderen, zich veilig achtend, dan de wildernis verlaten om op open plaatsen hun voedsel te zoeken, dat uit allerlei zaden en knoppen, maar vooral uit Insecten bestaat. Zeer gaarne eten zij Termieten; zij zoeken daarom de woningen dezer diertjes dikwijls op.
De beide andere soorten van wilde Hoenderen zijn: het Sonnerat-hoen, de Katoekoli der Maleiers (Gallus Sonnerati)—dat in de gebergten van Vóór-Indië leeft en zich kenmerkt door zijne halsveeren, welker schaften (bij den haan) op drie plaatsen tot hoornplaatjes verbreed zijn—en het op Ceylon levende Dsjungelhoen (Gallus Stanleyi), dat door de roode kleur der onderdeelen van het Bankiva-hoen verschilt. Beide onderscheiden zich door hun stem; die van den Dsjungelhaan klinkt, volgens Tennent, als “George-Joye”; die van den Sonnerathaan is een hoogst zonderling, gebroken geluid, een onvolkomene, maar onbeschrijfelijke soort van gekraai. Het Bankiva-hoen heet op Java wegens het geluid van den haan “Bekéko”. Alle vier soorten dragen veel bij tot het verlevendigen van het woud. “Het is zeer gezellig,” zegt Von Möckern, “des morgens vroeg de talrijke hanen te hooren kraaien, ze met fieren tred te zien loopen en getuige te zijn van hunne gevechten; de hennen en de kuikens zwerven intusschen te midden van de boomen en struiken rond.” Ook Tennent roemt het in den nacht aanvangende en lang voortgezette gekraai van den Dsjungelhaan als een der voornaamste aantrekkelijkheden van den morgen in de met bosch bedekte bergen van Ceylon. De wilde hanen doen in strijdlust niet onder voor de tamme; de inboorlingen temmen ze voor de bij hen zoo geliefde hanengevechten; daar zij ervaren hebben, dat, moge al de tamme haan soms sterker zijn dan de wilde, hij dezen nooit evenaart in moed en behendigheid.
Zoomin bij de wilde als bij de tamme Hoenderen bemoeit de haan zich met de opvoeding der jongen; bij beide verzorgt de hen hare kinderen met gelijke teederheid. Kruisingen van de wilde Hoenderen onderling en van deze met tamme Hoenderen komen niet zelden voor.
Alle wilde Hoenderen kunnen getemd worden; zij geraken echter niet zoo spoedig aan de gevangenschap gewoon, als men misschien geneigd is te veronderstellen. “Oud gevangen exemplaren,” zegt Bernstein, “worden nooit tam; wanneer men hunne eieren door Huishennen laat uitbroeden, zullen toch de jongen, zoodra zij volwassen zijn, bij de eerste de beste gelegenheid hun vrijheid trachten te herwinnen. Of zij zich in de gevangenschap voortplanten, of met Huishoenderen paren, kan ik op grond van eigen ervaring niet mededeelen; van verschillende zijden heb ik echter vernomen, dat wilde Hoenderen, die van jongs af in gevangenschap leefden, herhaaldelijk eieren legden.” In onze dierentuinen hebben alle soorten zich voortgeplant; men kan er echter nooit vast op rekenen. Het is ons daarom nog steeds een raadsel, hoe de mensch er in geslaagd is, de vrijheidlievende wilde Hoenderen zoo volledig aan zich te onderwerpen. Geen geschiedverhaal, geen sage maakt van de eerste temming dezer dieren gewag. Reeds in de oudste geschriften wordt het Huishoen voorgesteld als een algemeen bekende Vogel. Van Indië uit heeft het zich over alle landen van het oostelijk halfrond verbreid. Bij de eerste ontdekking van de eilanden van den Grooten Oceaan vond men er Huishoenderen; in historischen tijd zijn zij alleen in Amerika ingevoerd. Bijzonder merkwaardig komt het mij voor, dat zij nergens verwilderd zijn. Men heeft getracht ze in hiervoor geschikte gewesten in vrijheid te laten leven, bosschen met hen te bevolken om hierdoor een nieuwe wildsoort te verkrijgen; steeds zijn deze pogingen mislukt. In de dorpen van de Noordoost-Afrikaansche steppen en zelfs rondom hutten, die midden in ’t woud gelegen zijn, leeft het Huishoen in menigte bijna zonder de zorg van den mensch; het moet zich zijn voedsel zelf zoeken; het broedt onder den een of anderen struik, die het hiervoor geschikt acht, dikwijls op eenigen afstand van de hut van zijn meester; het slaapt ’s nachts in het woud op een boom. Met bewonderenswaardige buigzaamheid schikt het zich in de meest verschillende omstandigheden, verdraagt een klimaat, waarin het van nature niet thuis behoort, zonder van aard te veranderen; slechts in zeer hooge bergstreken of in het uiterste noorden schijnt zijn vruchtbaarheid af te nemen. Overal echter, waar de mensch een vaste woonplaats heeft, kan het leven; het is een volslagen huisdier geworden.