Saterhoen (Ceratornis satyra). ⅕ v. d. ware grootte.
Bij den Jewar (Ceratornis melanocephala) is, behalve de kruin, ook de kuif op den achterkop zwart; van het vederenkleed is de hoofdkleur zwartachtig, op de bovendeelen met witachtig bruine, dwarse zigzagstrepen, op de onderdeelen met rood geschakeerd; de hals is van achteren en aan de zijden schel bruinrood; nagenoeg alle bovendeelen zijn met witte, ronde vlekken geteekend. In zijn meest uitgezetten toestand heeft het keelschild een tweelobbigen onderrand en vertoont een sterk naar voren gewelfd, spoelvormig middelveld (welks koornbloemen-blauwe grondkleur met licht kobaltblauwe vlekken geteekend is) en twee randvelden (met bloedroode vlekken op helder hemelsblauwen grond); de hoorntjes zijn turkooisblauw en loodrecht omhoog gericht.
In de rijkst voorziene Europeesche dierentuinen treft men sedert eenige jaren Saterhoenderen aan (het eerste kwam in 1836 te Londen); zij zijn echter nog steeds hoog in prijs. De veelvuldigst voorkomende (Ceratornis Temminckii, uit China) kost ± 180, Ceratornis satyra ± 300 gulden, de overige soorten zijn nog duurder. Zij verdragen de gevangenschap vrij goed en hebben zich zelfs in de kooi voortgeplant.
*
De Spiegelpauwen (Polyplectron) verdienen een plaats tusschen de Pauwen en de Argusfazanten. Zij hebben een slanken romp, ongeveer zoo groot als die van een huishen; de lange, dunne loop is met 2 à 6 sporen gewapend. De meeste soorten hebben een breeden staart, waarvan de pennen en de bovendekveeren bij de spits met een groote, eironde, metaalglanzig blauwe of groene, zwart gezoomde vlek versierd zijn.
De fraaiste soort is de Tsjinkwis (Polyplectron chinquis, ook wel bicalcaratum genoemd, wegens zijn met twee sporen gewapenden loop). Deze bewoont Sumatra, Malakka, Assem en Birma. De hoofdkleur van zijn vederenkleed is bruin met fijne, donkerder golflijnen en lichtere stippels. Behalve de veeren van den staart, hebben ook die van den mantel, den rug en den staartwortel benevens de vleugelveeren groote, groenachtig blauwe oogvlekken, die een purperen weerschijn vertoonen. Totale lengte 60, staartlengte 25 cM.
Naar men zegt, verkeeren alle Spiegelpauwen veel op den bodem en houden zich voornamelijk op te midden van het struikgewas; zij leven zooveel mogelijk verborgen in dichte wouden en worden daarom zelden gezien. Nu en dan treft men ze in diergaarden aan; zij verdragen de gevangenschap zeer goed, hoewel zij hier slechts bij uitzondering broeden. Door hunne gewoonten komen zij meer met onze Huishoenderen dan met onze Pauwen overeen.
*
In het jaar 1780 kwamen voor ’t eerst huiden van prachtige Vogels, van welker bestaan op Malakka, Sumatra en Borneo men reeds kennis droeg, naar Europa en wekten hier de algemeene bewondering. Kort daarna (1785) gaf Marsden het volgende bericht over de levenswijze van dit dier: “De Koewau of Argus is een buitengewoon fraaie Vogel, misschien is er geen fraaiere. Het is zeer moeielijk hem eenigen tijd in ’t leven te houden, nadat men hem in het woud gevangen heeft. Ik heb nooit gezien, dat hij langer dan een maand de gevangenschap verdroeg. Hij heeft een natuurlijken afkeer van het licht. Op een donkere plaats is hij opgewekt van aard; hier hoort men soms zijn stem, waarvan zijn naam een nabootsing is; deze klinkt niet zoo scherp als die van den Pauw, maar is meer jammerend. Op klaarlichten dag zit hij volkomen onbeweeglijk. Zijn vleesch smaakt als dat van den Gewonen Fazant.” Een oude Maleier, die door Wallace aangespoord werd, een van de Argussen te schieten, welker stem hij in de wouden van Malakka voortdurend hoorde, verzekerde, dat gedurende de 20 jaren van zijn jagersleven zulk een Vogel hem nog nooit onder schot, en in de vrije natuur zelfs nooit onder de oogen was gekomen. Toch wordt dit wild door de Maleiers hoog geschat en volstrekt niet zelden gevangen. “Te Padang, aan de westkust van Sumatra,” schrijft Von Rosenberg, “werden mij dikwijls door de inboorlingen levende Koewau’s voor f 1.50 à f 2 per stuk aangeboden, waaruit af te leiden valt, dat zij in de wouden van het gebergte veelvuldig voorkomen. De inboorlingen zeggen, dat deze Vogel in Polygamie leeft. Zijn gang en houding komen overeen met die van den Pauw; de fraaie vleugels worden stijf tegen het lichaam aangedrukt en de staart horizontaal uitgestrekt. In den paartijd echter ziet men het mannetje met uitgespreide, tot op den bodem afhangende vleugels op open plekken in het woud fier rondstappen of “balderen”; het eigenaardig, snorrend geluid, waarmede hij de hennen lokt, gelijkt niet op het geschreeuw, waarvan zijn naam een klankbeeld is. De hen legt, naar ik vernam, 7 à 10 witte eieren, iets kleiner dan die van een Gans, in een kunsteloos, in de dichte struiken verborgen nest. In de vrije natuur voedt de Koewau zich met Insecten, Slakken, Wormen, bladknoppen en zaden. Mijne gevangenen verkozen gekookte rijst boven ieder ander voedsel.”
De Argus (Argus giganteus) verschilt van alle bekende Vogels door de buitengewone lengte van de boven- en voorarmveeren. Deze verbreeden zich naar den top en hebben een zachte schaft, maar stijve baarden; de handpennen zijn zeer kort. Bij den stil zittenden Vogel is, behalve de oogvlekken op de laatste armpen, niets te zien van de eigenaardige pracht van het vederenkleed; deze valt eerst bij het uitspreiden van de vleugels en van den staart in ’t oog. De kruin draagt korte, fluweelachtig zwarte veeren; de haarvormige veeren van den achterhals zijn geel en zwart gestreept, die van den middelrug hebben op geelbruinen grond ronde, donkerbruine stippels, die van de onderzijde zijn tamelijk gelijkmatig met roodbruine, zwarte en lichtgele banden en golflijnen geteekend. De buitenvlag van de armpennen vertoont op grijsrooden grond een dichte reeks van langwerpige, donkerbruine vlekken, die door een lichteren hof omgeven zijn; het wortelgedeelte van de binnenvlag is dicht bij de schaft op grijsrooden grond fijn wit gestippeld, overigens echter als de buitenvlag geteekend. De lange schouderveeren hebben op een fraaie, donker roodbruine grondkleur een teekening bestaande uit strepen, roodbruine, door een donkeren hof omgeven stippels, vlekken, lijnen, wolkjes, netbanden en groote, iriseerende, donker begrensde, licht gezoomde oogvlekken. De oogvlekken staan dicht bij de schaft op de buitenvlag en komen op de voorarmveeren duidelijker uit dan op de schouderveeren. De buitengewoon lange staart bestaat uit 12 zeer breede veeren, die elkander daksgewijs bedekken; vooral de beide middelste pennen steken ver voorbij de overige uit; hun lengte bedraagt 1.2 M., terwijl de geheele Vogel 1.7 à 1.8 M. lang is (de vleugellengte bedraagt 75 cM.; zonder de voorarmveeren echter slechts 45 cM.). De langste stuurpennen zijn zwart; langs de schaft aschgrauw, verder buitenwaarts roodbruin, beide vlaghelften versierd met witte vlekken, die door een zwarten hof omgeven zijn; de overige stuurpennen gelijken op de genoemde, met dit verschil, dat de vlekken kleiner, meer in reeksen gerangschikt en dichter bijeengeplaatst zijn. De ring om het oog is roodbruin, de snavel ivoorwit. De naakte zijden van den kop zijn licht aschkleurig blauw; de karmijnroode voet is lang, zwak en ongespoord. De hen is aanmerkelijk kleiner; haar kleed is veel eenvoudiger van samenstelling en teekening.
Sedert 1860 komt deze Vogel enkele malen levend in onze diergaarden voor.
Onder den naam van Kalkoenen (Meleagrinae) worden eenige Amerikaansche Fazantvogels tot een onderfamilie vereenigd: zij zijn groot, slank gebouwd, hoogpootig, kortvleugelig en kortstaartig. De snavel is kort, dik, van boven gewelfd en gebogen, de loop tamelijk lang en met lange teenen voorzien, bij het mannetje gespoord; de vleugels zijn sterk afgerond, de derde slagpen is de langste; de staart, die uit 18 breede pennen bestaat en een weinig afgerond is, wordt gewoonlijk hangend gedragen, maar kan door het mannetje opgericht worden; het zeer schitterend gekleurde vederenkleed is goed gevuld, maar uit harde, groote en breede veeren samengesteld. De kop en de bovenhals zijn onbevederd en met wratten begroeid; van den wortel van den bovensnavel hangt naar weerszijden een rolvormige, voor opzwelling vatbare lel naar beneden; een slappe, hangende huidplooi bevindt zich aan den gorgel. Als een bijzondere eigenaardigheid moet nog vermeld worden, dat enkele veeren van het voorste deel van de borst borstelvormig geworden zijn en ver voorbij de overige veeren uitsteken. Het vaderland van dezen Vogel is het noorden en oosten van Amerika.
*
De Gewone of Noord-Amerikaansche Kalkoen (Meleagris gallopavo) is op de bovenzijde bruinachtig geel, met prachtigen, metaalachtigen weerschijn, elke veer met breeden, fluweelachtig zwarten zoom; de benedenrug en de staartdekveeren zijn donker nootbruin met groene en zwarte banden; de borst is geelachtig bruin, naar de zijden donkerder wordend; de buik en de schenkels zijn bruinachtig grijs; de stuit is zwartachtig; de slagpennen zijn zwartbruin (de handpennen met grijsachtig witte, de armpennen met bruinachtig witte banden), de stuurpennen op zwartbruinen grond met zwarte golflijnen, streepen en spikkels, de naakte deelen van kop en hals licht hemelsblauw, onder het oog ultramarijnblauw, de wratten lakrood. Het oog is grijsblauw, de snavel witachtig hoornkleurig, de voet bleekviolet of lakrood. Totale lengte 100 à 110, staartlengte 40 cM. Het vederenkleed van het wijfje is minder fraai en minder helder van kleur.
Gewone Kalkoen (Meleagris gallopavo), ⅛ v. d. ware grootte.
Op het vasteland van Middel-Amerika wordt de Gewone Kalkoen vervangen door den iets kleineren, prachtig gekleurden Honduras-kalkoen of Pauw-kalkoen (Meleagris ocellata), die op den staart en op den rug blauwe, met zwart omzoomde, van achteren door een goudkleurigen band begrensde dwarsvlekken heeft.
De beste beschrijving van de levenswijze van den wilden Kalkoen danken wij aan Audubon. Ook thans nog komen deze Vogels in de wouden van de staten Ohio, Kentucky, Illinois en Indiana, Arkansas, Tennessee en Alabama vrij veelvuldig voor. In Georgië en Carolina zijn zij minder talrijk, in Virginië en Pennsylvanië zeldzaam, in de dichtbevolkte staten reeds uitgeroeid. Zij leven tijdelijk in groote gezelschappen en zwerven ongeregeld rond; grazend doorkruisen zij de wouden, loopen over dag op den grond en rusten ’s nachts op hooge boomen. Tegen October, als er nog slechts weinige boomzaden op den bodem gevallen zijn, reizen zij naar de lage oeverlanden van den Ohio en den Mississippi. De mannetjes vereenigen zich tot gezelschappen van 10 à 100 stuks en zoeken hun voedsel voor zich alleen; de wijfjes en de halfvolwassen jongen vormen afzonderlijke benden, die bijna even talrijk zijn en denzelfden weg volgen. Zoo gaan zij verder, altijd te voet, zoolang niet een Jachthond of een ander viervoetig roofdier hen komt storen of een breede stroom hen den weg afsnijdt. Als een troep Kalkoenen aan den oever van een rivier komt, verzamelen zij zich op het hoogste punt en blijven hier soms dagen lang, als ’t ware overleggend, voordat zij tot het besluit komen om over te steken. De mannetjes zetten een hooge borst op en kakelen, alsof zij elkander moed willen inspreken; de wijfjes en de jongen volgen hun voorbeeld, zoo goed zij kunnen, totdat ten slotte bij stil weer het waagstuk ondernomen wordt en alle vliegend naar den overkant trekken. Eén van de hanen geeft hiertoe het sein door het geluid “kloek.” Voor de oude Vogels is het oversteken van den stroom niet moeielijk, zelfs wanneer deze een Engelsche mijl breed is; de jongere en minder sterke leden van het gezelschap vallen echter dikwijls onderweg in het water en moeten dan den oever zwemmend trachten te bereiken. Zij leggen te dien einde de vleugels dicht tegen den romp aan, spreiden den staart uit, steken den hals naar voren en slaan hunne pooten zoo ver mogelijk uit; gewoonlijk bereiken zij op deze wijze den vasten wal. Hier loopen zij echter aanvankelijk rond, alsof zij verdoofd zijn en verliezen de voorzichtigheid, waarvan zij in andere omstandigheden blijken geven, zoo ver uit het oog, dat zij den jager gemakkelijk ten buit vallen. Als de Kalkoenen in een streek komen, die hun voedsel kan leveren, zijn zij gewoon zich in kleinere troepen te verdeelen, waarin ouden en jongen dooreengemengd zijn. Dit geschiedt gewoonlijk in ’t midden van November. Later kan het voorkomen, dat zij, afgemat door de reis, zich naar de boerderijen begeven, bij de Huishoenderen voegen en met hen voedsel zoeken.
Tegen het midden van Februari begint de voortplantingstijd. Als een wijfje haar loktoon laat hooren, antwoorden alle hanen in de buurt met snel opeenvolgende, rollende geluiden. Als de loktoon van den grond komt, vliegen alle onmiddellijk naar beneden, zetten, zoodra zij den bodem bereiken, onverschillig of het wijfje dan zichtbaar is of niet, den staart waaiervormig op, buigen den kop naar achteren, totdat hij tusschen de schouders ligt, laten de vleugels hangen en geven door de zonderlinge standen en geluiden, die wij van de tamme Kalkoenen gewoon zijn, hun opgewondenheid te kennen. Niet zelden geraken twee mannetjes dan met elkander in strijd en vechten zoo hevig, dat een van hen er het leven bij inschiet.
Tegen het midden van April zoekt de hen een geschikte, zooveel mogelijk verborgen plaats uit voor haar nest, dat uit een ondiepe, slordig met veeren bekleede uitholling van den grond bestaat. De hen legt er 10 à 15, soms ook wel 20 eieren in, die op donker roestgelen grond rood gestippeld zijn. Zij nadert het nest steeds met groote voorzichtigheid en dekt, als zij weggaat, de eieren zorgvuldig toe met droge bladen, zoodat het zeer moeielijk is een nest te vinden, tenzij door het opjagen van de broedende moeder. Als deze gedurende het broeden een vijand bespeurt, drukt zij zich neder en verroert zich niet, totdat zij bemerkt, dat men haar ontdekt heeft. Soms komt het voor, dat verscheidene hennen in één nest leggen: Audubon vond er eens drie op 42 eieren zitten. In dit geval wordt het gemeenschappelijke nest steeds door één van de wijfjes bewaakt, zoodat de eieren of jongen, althans van een zwak roofdier, geen gevaar loopen.
Kort nadat de jongen uit den dop zijn gekomen, hetgeen gewoonlijk tegen den avond geschiedt, maken zij, door de moeder begeleid, hun eerste uitstapje, en keeren vervolgens in den regel naar het nest terug om hier den eersten nacht door te brengen. Later echter begeeft de hen zich met haar gezin naar het hoogste oord in den omtrek, omdat zij te recht de vochtigheid als het ergst kwaad voor haar teere jongen beschouwt. Reeds op den 14en levensdag zijn de kiekens, die tot dusver op den bodem moesten blijven, in staat om de vleugels te gebruiken; van nu af vliegt de familie iederen avond op een lagen tak; de jongen brengen hier onder de gewelfde vleugels van de moeder den nacht door. Nog iets later verlaat de oude met hare kuikens gedurende den dag het woud om partij te trekken van den overvloed van verschillende bessen, die op de open plekken van het bosch of op de weiden groeien en om zich aan den weldadigen invloed van de zon bloot te stellen. Na dien tijd groeien de jongen buitengewoon snel. Reeds in Augustus zijn zij in staat om een aanval van viervoetige dieren te ontwijken; de jonge haan komt tot het bewustzijn van zijn mannelijke kracht en oefent zich in het statig rondstappen en in het kakelen. Omstreeks dezen tijd vereenigen de ouden en de jongen van verschillende gezinnen zich tot troepen, die te zamen rondzwerven.
Hoewel de Kalkoen aan pekan-noten en aan de vruchten van de winterdruif (Vitis rotundifolia) de voorkeur geeft en steeds veelvuldig voorkomt op plaatsen, waar deze vruchten overvloedig zijn, eet hij toch ook gras en kruiden van allerlei soort, graan, bessen en andere vruchten, voorts kleine Sprinkhanen en andere Insecten.
Onder ’t loopen licht de Kalkoen zijne vleugels dikwijls een weinig op, alsof het gewicht van zijn lichaam hem hindert, loopt dan eenige meters ver met wijd geopende vleugels; soms springt hij twee- of driemaal omhoog en zet daarna de reis over den bodem voort.—Zijne gevaarlijkste vijanden zijn, behalve de mensch, de Los, de Sneeuwuil en de Ooruil.
In alle deelen van Amerika wordt met hartstochtelijken en niet altijd verstandigen ijver op den Kalkoen jacht gemaakt. Het liefst schiet men den haan, gelijk de Auerhaan, als hij aan het balderen is, en dit, zooals soms geschiedt, op een boomtak doet; de jager gebruikt ook wel Honden om het wild op te sporen, of tracht gewaar te worden, waar het slaapt of bij voorkeur voedsel komt zoeken, om het hier op te wachten. Deze jacht vereischt groote bedrevenheid en is wegens de schuwheid van het wild in ’t geheel geen vermaak voor een zondagsjager. Gemakkelijker is het den dommen Vogel in een val te lokken. Daartoe worden in het bosch stammen van 2 à 3 M. lengte opeengestapeld tot een soort van blokhuis, dat men van boven met takkebossen bedekt; een greppel, die groot genoeg is om een grooten haan door te laten, leidt onder den wand door tot in het midden van de val; daar hij, met uitzondering van een opening binnen en een buiten het gebouw overdekt is, vormt hij een soort van tunnel. In de val en op den weg daarheen wordt maïs gestrooid. De Kalkoenen, die dit lokaas vinden, volgen het hierdoor aangeduide pad en laten zich door den overvloed van voedsel verleiden om in de val te gaan. De eene Vogel volgt den anderen, soms begeeft de geheele troep zich in het ruime gebouw. Na het opvreten van de hier uitgestrooide korrels kunnen de onnoozele Vogels de opening, waardoor zij zijn binnengegaan, niet terugvinden, loopen steeds langs den binnenwand van het gebouw, steken overal den kop tusschen de balken door en doen hier vruchtelooze pogingen om naar buiten te komen. Geen hunner komt op het denkbeeld om door het gat in ’t midden van de vloer de val te verlaten, zoodat het geheele gezelschap den volgenden morgen den vogelaar in handen valt.
De Spanjaarden, die aan het rijk der Azteken in Mexico een einde maakten, troffen hier den Gewonen Kalkoen als huisdier aan. Oviedo is de eerste schrijver, die van deze Vogels melding maakt. “In Nieuw-Spanje”, zegt hij, “vindt men zeer groote en smakelijke Pauwen, waarvan er vele naar de eilanden en naar de provincie Castilia del Oro gebracht zijn en hier in de huizen van de Christenen opgefokt worden. De hennen zien er slecht uit; de hanen echter zijn fraai en pronken dikwijls met den staart, hoewel deze niet zoo groot is als die van de Pauwen in Spanje.” De berichten over het voorkomen van den in ’t wild levenden Kalkoen in Noord-Amerika zijn, volgens Baldamus, uit lateren tijd afkomstig. In Virginië vond men hem in 1584, in Pennsylvanië in 1753. Smyth trof hem in de onbebouwde gewesten ten westen van Virginië in kudden van meer dan 5000 stuks aan. Men is van oordeel, dat deze soort de stamvorm is van den Mexicaanschen, zoowel als van onzen Tammen Kalkoen, hoewel de bronskleur van het vederenkleed en de bundels van haarvormige veeren aan de voorborst, die den Wilden Kalkoen kenmerken, bij de meeste getemde rassen te loor gegaan zijn. In 1557 was de Tamme Kalkoen in Europa nog zoo zeldzaam en kostbaar, dat de Raad van Venetië, tot het tegengaan van de weelde, bepaalde, op wiens tafel “Indische Hoenderen” mochten komen. Dezen naam en ook de namen ”Turkey” (in Engeland) en ”Kalkoen” kregen de nieuwe huisvogels waarschijnlijk ten gevolge van de onderstelling, dat zij uit Calcutta of Turkije afkomstig zouden zijn. In Engeland werden zij, naar men zegt, het 15e jaar van de regeering van Hendrik VIII (dus in 1524), in Duitschland omstreeks het jaar 1534, in Frankrijk nog iets later ingevoerd. Tegenwoordig zijn zij als huisvogels overal verbreid. Het veelvuldigst vindt men ze misschien in Spanje en vooral in de boerderijen, die ver van de dorpen te midden van de dorre Campo gelegen zijn. Hier zag ik kudden van vele honderden stuks onder de leiding van herders, die hen ’s morgens naar de weide drijven, over dag bijeenhouden en ’s avonds weer naar huis geleiden. Hier te lande worden de Kalkoenen (behalve in de Betuwe) zelden gehouden, hoewel het fokken en mesten van deze dieren op groote schaal wel winstgevend is. Sommige hoenderfokkers schatten hen hoog; de meeste menschen mogen hen wegens hun geraasmakenden, opvliegenden aard niet lijden. Hun domheid is ongeloofelijk; ieder ongewoon verschijnsel brengt hen geheel van streek. “Men wordt er akelig van,” zegt Lenz, “dat zij in den zomer, vooral als zij voor kuikens te zorgen hebben, dikwijls den geheelen dag naar den hemel kijken en onophoudelijk een jammerend “jaoeb jaoeb” laten hooren, alsof zij de zon voor een Arend en de wolken voor Gieren houden.” Belachelijk is het te zien, hoe zij voor een kleinen Torenvalk vol angst op de vlucht gaan, alsof de duivel hen op de hielen zit. Zij hebben echter ook zeer goede eigenschappen; vooral de moederliefde van de hen, die in alle omstandigheden even groot blijft, verdient een eervolle vermelding.
Meleager’s zusters, ontroostbaar over den dood van haar broeder, werden in Vogels veranderd, welker veeren als met tranen besprenkeld schenen. Uit deze overlevering blijkt, dat reeds de ouden bekend waren met de Vogels, die wij Parelhoenderen noemen. In verscheidene geschriften uit den ouden tijd worden zij zoo nauwkeurig beschreven, dat wij althans bij benadering de beide soorten kunnen bepalen, die destijds bekend waren. Tevens berichten zij ons, dat de Parelhoenderen in Griekenland zeer veelvuldig gefokt worden, zoodat arme lieden ze als offers konden brengen. Na den Romeinschen tijd heeft men, naar ’t schijnt, weinig acht op hen geslagen; misschien waren zij geheel uit Europa verdwenen, want eerst in de 14e eeuw wordt weder melding van hen gemaakt. Kort na de ontdekking van Amerika is de meest gewone soort door zeelieden naar de Nieuwe Wereld overgebracht, waar zij een voor haar uitnemend geschikt klimaat vond en weldra verwilderde.
1) Kuifparelhoen (Numida cristata). 2) Gewoon Parelhoen (Numida meleagris). ¼ v. d. ware grootte.
De Parelhoenderen (Numidinae), die de laatste onderfamilie van de Fazantvogels vormen, kenmerken zich door een krachtigen romp, korte vleugels, een middelmatig langen staart met zeer verlengde bovendekveeren, een over ’t geheel goed gevuld vederenkleed, middelmatig hooge, gewoonlijk ongespoorde voeten met korte teenen en een krachtigen snavel; de kop en de bovenhals zijn in meerdere of mindere mate naakt en met pluim, kuif, kraag, helm en lellen versierd; een groote overeenstemming heerscht in hun vederenkleed, welks kleur en teekening—lichte, parelvormige vlekken op een donkeren grond—evenals de koptooi, bij beide seksen nagenoeg dezelfde zijn.
Eenige minder bekende soorten, zooals het prachtige Oost-Afrikaansche Gierparelhoen (Numida vulturina) en het Kuifparelhoen (Numida cristata), van de Goudkust, vermelden wij slechts terloops en beginnen onmiddellijk met de beschrijving van den meest bekenden Vogel uit deze groep.
Het Gewone Parelhoen (Numida meleagris), draagt een meer of minder langen, harden, helmachtigen kam of hoorn op het midden van de kruin en twee breede, tamelijk lange, vleezige, hangende lellen achter aan de onderkaak. Deze Vogel, die bij de ouden Meleagris werd genoemd en de stamvader is van het bij ons onder den naam Poule pintade bekende huisdier, heeft de bovenborst en de nek ongevlekt, lilakleurig, den rug en den staartwortel op grijzen grond met kleine, witte, donkerder gerande, parelvormige vlekken bezet, die op de bovenvleugeldekveeren grooter worden, gedeeltelijk ook ineenvloeien en op de buitenvlag der armpennen in smalle dwarsbanden veranderen; de onderdeelen zijn op zwartachtig grijzen grond tamelijk gelijkmatig met groote ronde, parelvormige vlekken versierd, de slagpennen bruinachtig (op de buitenvlag met witte banden, op de binnenvlag onregelmatig gestreept en gestippeld), de donkergrijze stuurpennen fraai bepareld en slechts de zijdelingsche voor een deel met banden versierd, die door het ineenvloeien van vlekken ontstaan. Het oog is donkerbruin, de wangstreek blauwachtig wit, de vleezige deelen van den kam, de keellellen, de washuidachtige opzwelling aan den snavelwortel rood, de helm hoornkleurig, de snavel geelachtig rood, de voet vuil leikleurig grijs, boven de plaats van aanhechting der teenen vleeschkleurig. De lengte bedraagt ongeveer 50 cM. De in gevangenschap gefokte, van vroeger getemde exemplaren afkomstige Parelhoenderen zijn echter vaak aanmerkelijk grooter.
West-Afrika is het vaderland van deze soort; in de wouden van Middel-Amerika en op de West-Indische eilanden komt zij verwilderd voor.
Naar het schijnt, komen de verschillende soorten van Parelhoenderen, wat levenswijze betreft, in hoofdzaken overeen. Als woonplaats verlangen zij gewesten, die bedekt zijn met een dicht, laagstammig woud, waarin ook open plekken voorkomen. Laag gelegen, rijk met struiken begroeide dalen, bosschen, waar dicht onderhout den bodem bedekt, steppen, die niet uitsluitend met grasachtige planten begroeid zijn, hoogvlakten in het gebergte tot op een hoogte van 3000 M. en zacht afhellende, met rotsblokken bezaaide, maar toch met een weelderig plantenkleed bedekte glooiingen voldoen aan alle eischen, die zij aan het terrein stellen. De gebergten van de Kaapverdische Eilanden die aan spitsen en diepe kloven zoo rijk zijn, leveren het Parelhoen een met zijn aard geheel overeenkomende woonplaats; daarom wordt het hier zeer algemeen gevonden; hoe grooter en woester het eiland, hoe stiller de wildernissen van de bergstreken zijn, des te veelvuldiger treft de reiziger er deze Vogels aan. Zij verlevendigen hier in talrijke troepen alle hoogten, vooral de lage wouden, die uit boomachtige euphorbias bestaan, omdat deze door den mensch zelden bezochte oorden hun veilige schuilplaatsen verschaffen. Daar de West-Indische eilanden dergelijke terreinen bezitten, heeft het Parelhoen zich hier spoedig aan de heerschappij van den mensch onttrokken en zijn vrijheid herwonnen. Reeds voor honderd en tachtig jaar was het op Jamaïca veelvuldig; tegenwoordig is het daar zoo algemeen, dat het soms een landplaag wordt. Ook op Cuba vindt men het velerwege, vooral in het oostelijke gedeelte van het eiland, omdat hier vele verlaten koffieplantages voorkomen, welker eigenaars op gronden, die nog niet door den roofbouw uitgemergeld waren, nieuwe landbouwondernemingen begonnen zijn. Tamme Parelhoenderen bleven op de braakliggende gronden achter; zij vermenigvuldigden zich hier sterk en verwilderden geheel.
De Parelhoenderen zijn standvogels, hoewel niet in den strengsten zin van ’t woord. Op plaatsen waar zij veelvuldig zijn, merkt men ze spoedig op. Zij hebben er slag van de aandacht te trekken, al ware het slechts door het op trompetgeschal gelijkend stemgeluid, dat zij in de morgen- en avonduren laten hooren.
De Parelhoenderen vluchten altijd bij de nadering van een mensch. Zij zijn minder voorzichtig, dan schuw: door een rundveekudde worden zij verjaagd, een Hond doet hen letterlijk hun bezinning verliezen, een mensch brengt minstens een groote ontroering bij hen te weeg. Het is daarom niet gemakkelijk hun levenswijze na te gaan; men moet althans, om ze te naderen, zekere voorzorgen niet uit het oog verliezen. Als men goed gedekt een troep besluipt, welker geschreeuw men hoorde, dan ziet men de Vogels over een open plek loopen, tusschen de rotsblokken door rondzwerven of door het struikgewas sluipen. Gelijk de Indianen op het krijgspad, loopen de Parelhoenderen in lange reeksen achter elkander aan; wat de eene begint, wordt door de overige nagedaan. Afzonderlijke paren ontmoet men hoogst zelden, familiën, die soms uit 18 à 20 stuks bestaan, reeds vaker, gewoonlijk echter zeer talrijke troepen, die soms uit 6 à 8 familiën samengesteld zijn. De familiën blijven goed aaneengesloten en ook de troepen blijven steeds nauw verbonden. Als een familie of een troep op de een of andere wijze verschrikt wordt, splitst zij zich zoo, dat streng genomen ieder individu zijn eigen weg kiest. Alle rennen, loopen, vliegen of fladderen zoo haastig mogelijk naar een schuilplaats; zoodra de rust tot op zekere hoogte in de gemoederen teruggekeerd is, laten de hanen hun trompetgeschal weerklinken en lokken de geheele troep spoedig weer bijeen. Alleen wanneer zij reeds vroeger vervolgingen van den mensch te verduren hebben gehad, en nogmaals opgejaagd worden, zullen zij zich vliegend trachten te redden; ook dan vertrouwen zij, zoolang dit eenigermate mogelijk is, op hunne behendige voeten.
Op een andere wijze gedragen zich sommige soorten van Parelhoenderen bij vervolging door een Hond of een ander viervoetig roofdier. Het is hun bekend, dat zij dezen vijand loopend evenmin ontkomen kunnen, als met behulp van hunne spoedig vermoeide vleugels. Daarom gaan zij ten spoedigste in een boom zitten en zijn bijna niet meer te bewegen om naar beneden te vliegen. Het schijnt, dat de eene vijand hun den anderen doet vergeten; dom driest laten zij nu den mensch, dien zij in andere omstandigheden zorgvuldig ontvlieden, in hun onmiddellijke nabijheid komen, kijken den jager met angstige gebaren, maar zonder een poging tot vlucht te wagen, in het geweer en vliegen eerst op, als de knal van het schot hun ontzetting nog doet toenemen. Ook nu handelen zij even onbezonnen als vroeger. Met het oog op den Hond wagen zij geen lange vlucht, maar vliegen hoogstens naar de naastbij gelegen boomen, gaan hier weer zitten en laten den jager voor de tweede, derde en tiende maal naderen. Als zij door een niets kwaads in ’t zin hebbenden reiziger of door een jager, die geen buit meer verlangt, opgejaagd en niet door schoten opgeschrikt worden, vliegen zij evenals vroeger, maar begeven zich niet ver weg, strijken op een hooggelegen punt neer, kijken den vervolger nieuwsgierig aan, buigen den kop op een vreemdsoortige wijze voor- en achterover, laten eindelijk een schel geschreeuw hooren en zetten daarna hun vlucht voort. Om te slapen kiezen alle soorten hoog gelegen plaatsen uit, die hen de grootste veiligheid beloven. Hunne liefste slaapplaatsen zijn hooge boomen aan rivieroevers; ook stijgen zij, als de avond nadert, in de gebergten bij rotswanden omhoog en zoeken hier kammen en rotspunten uit, die voor andere dieren, althans voor roovende Zoogdieren, ontoegankelijk zijn.
Hun voedsel is verschillend in verband met de door hen bewoonde gewesten en terreinen en hangt ook af van het jaargetijde. In de lente, in het regenseizoen, zullen Insecten waarschijnlijk hun voornaamste voedsel uitmaken; later eten zij bessen, bladen, knoppen, grassprietjes en eindelijk allerlei zaden. Op Jamaika komen zij in de koelste maanden van het jaar in talrijke troepen uit hunne wouden, verspreiden zich over de akkers en richten hier een aanzienlijke schade aan. De hen legt 5 à 8 (soms meer) vuil geelachtig witte, tamelijk glanzige buitengewoon hardschalige eieren en bebroedt ze 25 dagen. De haan en de hen verwijderen zich nooit ver van hun gebroed en trachten door geschreeuw en door haastig heen en weer te loopen de aandacht van den mensch van hun nest af te trekken en op hen zelve te vestigen. De kuikens in het donskleed gelijken door uitzicht en voorkomen op jonge Fazanten; zij worden kort na het verlaten van het ei door hunne ouders weggeleid, groeien schielijk en nemen reeds, als zij de helft van de grootte der volwassenen bereikt hebben, deel aan al hunne zwerftochten; ook brengen zij dan geregeld met hen den nacht in de boomen door.
De Parelhoenderen schikken zich gemakkelijker dan eenig ander wild Hoen in de gevangenschap, tam worden zij echter niet licht en waarschijnlijk nooit geheel; zij planten zich alleen dan in de kooi voort, als deze hun een groote ruimte aanbiedt. Daarentegen hechten de gevangenen zich soms in korten tijd sterk aan hun nieuwe woonplaats, zoodat men ze in huis en hof vrij kan laten rondloopen; zelfs aan den wagen, waarmede zij vervoerd worden, wennen zij zoo zeer, dat men ze op iedere pleisterplaats kan loslaten; des morgens, als het uur van het vertrek gekomen is, zijn zij stipt bij den wagen terug en laten zich zonder bezwaar opnieuw in hun kooi opsluiten. Zij zijn echter twistziek, liggen met de Huishoenderen en Kalkoenen voortdurend overhoop, worden zoo boosaardig, dat zij kinderen en volwassen hanen aanvallen, zwerven ver in ’t woud rond, verbergen hun nest zooveel mogelijk, broeden niet ijverig en kunnen strenge koude niet verdragen. Aan den anderen kant verschaffen zij hun eigenaar genoegen door hun voortdurende bedrijvigheid, hun fraai vederenkleed en hunne zonderlinge standen en bewegingen gedurende het loopen.
De Parelhoenderen hebben zeer vele vijanden. Alle leden van de Kattenfamilie in Afrika, Luipaarden, Geparden, Lossen, enz., alle Jakhalzen en Vossen maken jacht op de ouden en de jongen, de Civetkatten vooral op de eieren en kuikens; alle groote Roofvogels vervolgen ijverig dit gemakkelijk te overmeesteren wild; zelfs de Kruipende Dieren maken het niet zelden buit; in de maag van een Reuzenslang van 2.5 M. lengte vond men een gaaf, volwassen Parelhoen. De mensch maakt overal met zekere voorliefde jacht op deze Vogels, daar zij zich zonder buitengewone inspanning laten verschalken, ofschoon zij door vervolgingen weldra zeer schuw worden. Op Jamaïca zet men hun graan voor, dat vooraf in rum of een dergelijk vocht geweekt werd; zij eten er van, tot zij bedwelmd zijn en laten zich zonder weerstand te bieden door den jager medenemen.
De Hokkovogels (Cracidae), die een hoogst eigenaardige familie van Hoendervogels vormen, zijn groot of middelmatig groot en slank gebouwd; de snavel is in den regel langer dan bij de meeste andere Hoenderen; de washuid, die hem van achteren bedekt, strekt zich over de geheele neusgroeve, gewoonlijk ook over den teugel en de oogstreek uit en bekleedt een bij vele soorten op den snavelwortel aanwezigen knobbel; de voeten zijn middelmatig dik en lang, de teenen dun en met lange, tamelijk smalle, scherpe, flauw gekromde nagels gewapend, de vleugels sterk afgerond; de staart is zeer lang en breed; de stuurpennen naar de zijden een weinig verkort of nagenoeg gelijk van lengte. Het vederenkleed bestaat uit breede, afgeronde veeren, welker schaften meestal op een eigenaardige wijze verdikt zijn en eerst bij de spits dunner en smaller worden. Bij enkele soorten is de schaft in het midden wel tien- à twintig maal zoo dik als aan de spits en zes- à tien maal zoo dik als aan den wortel. Sombere kleuren hebben de overhand, hoewel ook lichtere voorkomen.
*
Bij de Hokko’s (Crax) is de snavel hoog, op den rug sterk gekromd, aan den wortel in den regel met een washuid bekleed en met knobbels versierd, die gedurende den paartijd aanmerkelijk zwellen; de smalle, stijve veeren van kruin en achterkop zijn meestal verlengd tot een kamvormige kuif, en eerst flauw naar achteren, met de spits echter naar voren gebogen. Alle soorten bewonen Zuid- en Middel-Amerika, met inbegrip van het zuiden van Mexico.
De Gewone Hokko of Hokko-Pauwies (Crax alector), wiens naam op de geheele groep is overgegaan, heeft een gelen, weeken knobbel op den snavelwortel; met uitzondering van den buik, den stuit en den eindzoom der stuurpennen, die wit zijn, is hij glanzig blauwzwart; het oog is bruin, de voet vleeschkleurig. Totale lengte 95, staartlengte 32 cM.
Deze soort wordt in het binnenland van Brazilië, van Guyana tot Paraguay, in alle wouden gevonden, in Suriname o. a. menigvuldig.
Alle Hokko’s zijn echte boschbewoners; zoo zij al het woud verlaten, geschiedt dit slechts voor korten tijd. Hoewel men ze dikwijls op den bodem aantreft, waar zij, voor zoover de grond effen is, met groote snelheid rondloopen, ziet men ze in den regel op de twijgen der boomen, gedurende den broedtijd paarsgewijs, in andere tijden van ’t jaar drie, vier en meer stuks bijeen. In de boomkronen bewegen zij zich langzaam, hoewel betrekkelijk behendig; zij vliegen daarentegen laag, steeds in horizontale richting en nooit lang achtereen. Alle soorten trekken de aandacht door de stem; deze heeft steeds iets eigenaardigs, maar is al naar de soort zeer verschillend. Eenige brommen, andere fluiten, andere knorren, bij andere komt diep uit de borst het geluid “hoe-hoe-hoe-hoe”, van nog andere kan men de stem door de lettergrepen “racka racka” nabootsen. Gedurende den paartijd schreeuwen zij het meest, vooral in den vroegen morgen.
Het voedsel van de Hokko’s in de vrije natuur bestaat hoofdzakelijk, misschien geheel, uit vruchten. Bij ’t zoeken van voedsel onderscheiden zij en de Sjakoe-hoenderen zich van alle overige leden hunner orde, doordat zij niet in den grond woelen, maar, gelijk de Duiven, opzoeken, wat zich aan de oppervlakte bevindt, of afplukken, wat vastzit.
De Hokko’s broeden niet op den bodem, maar op boomen. “Zij bouwen hunne ondiepe nesten”, zegt Von Martens, “uit rijsjes in takgaffels, niet bijzonder hoog boven den grond. Uit eigen ervaring en door de mededeelingen van de Indianen weten wij, dat het wijfje niet meer dan twee witte eieren legt, die grooter en dikker zijn dan die van Onze Hoenderen.”
Daar hun vleesch zoo malsch is als dat van Duiven, en in smaak op dat van Kalkoenen gelijkt, wordt op de Hokko’s in Zuid-Amerika ijverig jacht gemaakt, vooral in den paartijd, omdat zij dan hun verblijfplaats verraden door hun luide stem. In het midden van het woud, ver van bewoonde oorden, zijn zij, naar men zegt, niet schuw. Behalve van het vleesch maken de Indianen ook gebruik van de stevige slag- en stuurpennen der gedoode Vogels; zij verwerken ze tot waaiers.
De gevangen Hokko’s, die men in nagenoeg alle nederzettingen van Indianen vindt, zijn als eieren uit het nest genomen en door Hoenderen uitgebroed; slechts in bijzonder gunstige omstandigheden planten de Hokko’s zich in de gevangenschap voort.
Hokko-Pauwies (Crax alector). ⅕ v. d. ware grootte.
Volgens alle waarnemers kunnen deze Vogels gemakkelijk getemd worden. Sonnini zag in Guyana troepen tamme Hokko’s door de straat rondloopen en zich, onbevreesd voor de menschen, vrij bewegen. Zij bezochten de huizen, waar men hun eens voedsel had gegeven, geregeld weer en leerden hunne verzorgers goed onderscheiden. Om te slapen, gaan zij op hoog gelegen plaatsen zitten, in de bewoonde oorden dus, evenals de Pauwen, op de daken der hooge huizen. BATES maakt melding van een gevangen Hokko, die zeer gemeenzaam was met zijn meester, zich als lid van het gezin scheen te beschouwen, bij iederen maaltijd tegenwoordig was, om de tafel liep, van den eenen dischgenoot naar den anderen ging om zich te laten voederen en soms den kop tegen den wang of den schouder van zijne vrienden wreef. ’s Nachts sliep hij uit eigen verkiezing naast de hangmat van een klein meisje, waarvoor hij een bijzondere genegenheid had opgevat en dat hij op alle wandelingen volgde. Toch zijn tamme Hokko’s niet bij iedereen gewild: zij zijn vervelend van aard en toonen eenige onhebbelijkheden; zoo slikken zij allerlei glinsterende voorwerpen, b.v. gouden knoopen, door en bederven deze door de sterke drukking van de spieren van hun maagwand.
Het is moeielijk de Hokko’s bij ons in ’t leven te houden. Wel is waar zijn zij met het voedsel, dat voor hen bestemd is, tevreden en stellen in dit opzicht geen hooge eischen; maar zij verlangen in den winter een warmen stal, omdat hun anders minstens de teenen bevriezen. Ook zijn zij volstrekt niet verdraagzaam, maar twisten aanhoudend met andere dieren van hun soort of met andere Hoenderen; bij het gewone pluimvee kan men ze dus niet houden. Alleen wanneer men hun een ruime woning verschaft, kan men eenig genoegen van hen hebben.
De Sjakoehoenderen (Penelope) hebben een slankeren romp dan de Hokko’s, hun snavel is langer, lager en aan den wortel met een breede washuid bekleed, de voet korter, de staart betrekkelijk lang en sterk afgerond; zij hebben een naakte plek om het oog, een bijna naakte, slechts schraal met korte, kwastvormige of lange, haarachtige veeren bekleede keel; de verlengde veeren van den kop vormen een kap of kuif, maar nooit een kam. Aan de bovenzijde hebben somber metaalglanzig groen, bruin enz. de overhand; op de onderdeelen, vooral op de borst, zijn vele veeren lichter gezoomd.
De Sjakoepemba (Penelope superciliaris) kenmerkt zich door een betrekkelijk aanzienlijke grootte, een middelmatig langen staart, handpennen die aan de spits sterk versmald zijn en een zacht vederenkleed; de kop draagt een middelmatig lange pluim en is op het voorhoofd, en aan de zijden naakt, zoo ook aan de keel. Het vederenkleed is op den bovenkop, den nek, den hals en de borst leikleurig zwart, op den rug, de vleugels en den staart metaalachtig groen met witgrijze en roestroodgele zoomen; op den buik en den stuit roestgeelachtig rood met bruine, dwarse golflijnen of bruin met roestgeelachtig roode zoomen. Het oog is bruin, de naakte plek er omheen zwart, de naakte keel donker vleeschkleurig, de snavel grijsbruin, de voet grijsachtig vleeschbruin. Totale lengte 60, staartlengte 27 cM.
Middel- en Zuid-Amerika, van het zuiden van Texas tot Paraguay en Chili, zijn het vaderland van de Sjakoehoenderen; hoogstammige wouden verschaffen hun verblijfplaatsen. De verschillende soorten leven gewoonlijk naast, soms echter onder elkander, de eene aan de kust, de andere in bergstreken, eenige in de hooge gebergten tot op 2000 M. boven den zeespiegel. De Sjakoepemba bewoont de wouden van de oostkust van Brazilië. Alle leden van groote soorten leven eenzaam, die van kleine zijn gewoonlijk vereenigd tot talrijke vluchten, welke aangroeien kunnen tot troepen van 100 of meer stuks. In den regel staat aan het hoofd van zulk een troep een mannetje, waaraan alle Vogels gehoorzamen.
In verband met het eigenaardige maaksel van hun luchtpijp staat hun zonderlinge stem. De Sjakoehoenderen kondigen eerder dan andere Vogels door hun geroep het krieken van den dag aan, maar worden ook op latere uren nog vaak genoeg gehoord. Dit geschreeuw klinkt onaangenaam en kan niet goed in klankteekens uitgedrukt worden, hoewel de namen “Sjakoe,” “Goean”, “Pararakwa,” “Apeti” en “Aboerri” geen verkeerd gekozen klankbeelden zijn. Volgens Owen maken sommige Sjakoehoenderen een bijna oorverdoovend getier. Een der leden van de troep begint met eenige sjirpende geluiden, de overige vallen achtereenvolgens in, het geschreeuw neemt meer en meer toe, totdat het eindelijk een voor het oor van den mensch bijna onverdragelijke hoogte bereikt. Hierna vermindert het en verstomt eindelijk geheel, hoewel slechts voor korten tijd.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit boomvruchten en bessen. De Prins Von Wied vond in de maag van de door hem gedoode exemplaren ook steeds overblijfselen van Insecten.
Alle Sjakoehoenderen bouwen hunne nesten te midden van de twijgen, of waarschijnlijk slechts bij uitzondering op den grond. Het nest bestaat uit droge of bebladerde takken en is tamelijk los gebouwd. De hen legt meestal 2 of 3 (soms 4 à 6) groote, witte eieren.
Jong uit het nest genomen Sjakoehoenderen worden spoedig tam; het kost geen bijzondere moeite hen aan een bepaalde verblijfplaats te gewennen. Als Huishoenderen gaan zij af en aan in het oord, waar zij grootgebracht zijn, en komen er dikwijls na lange afwezigheid weer terug; zij ontbreken daarom nooit in de nederzettingen der Indianen en behooren tot hunne meest geliefde huisvogels. Slechts in één opzicht laten zij zich niet gaarne de wet stellen. Een stal of over ’t algemeen een ruimte die afgesloten kan worden, bevalt hun niet als nachtverblijf; liever brengen zij op het dak van een huis of op een boom in de buurt den nacht door. Als men zich niet hen bemoeit, worden zij zeer gemeenzaam en laten zich zelfs op schoot nemen. Toch zijn zij niet voor huisdieren geschikt, daar zij zich in de gevangenschap niet voortplanten. Hierbij komt nog, dat zij, evenmin als de Hokko’s, aan ons klimaat kunnen wennen, zeer gevoelig zijn voor ruw weder en hiervan werkelijk veel te lijden hebben.
Daar de Sjakoehoenderen wegens hun uitmuntend vleesch ijverig gejaagd worden, zijn enkele soorten in sommige streken reeds uitgeroeid, terwijl van andere het aantal zeer verminderd is. De aanhoudende vervolging heeft hen zeer schuw gemaakt. Wanneer het den Indiaanschen jager gelukt is een troep van deze Vogels tot op geringen afstand te naderen, richt hij er gewoonlijk eene groote slachting onder aan; want hij kan er 3 of 4 met de blaaspijp dooden, voordat de overige hem opmerken en de vlucht nemen. De Vogel, die door het zonder gedruisch geschoten pijltje getroffen wordt, valt uit den boom, zonder dat zijne metgezellen iets anders weten te doen dan voor een oogenblik hunne werkzaamheden te staken, den naar beneden tuimelenden kameraad met lang uitgestrekten hals na te staren en schuw om zich heen te kijken naar de oorzaak van het ongeval.
De Loophoenderen (Megapodidae) onderscheiden zich door hun wijze van broeden niet slechts van hunne verwanten, maar van alle Vogels der aarde. Zij leggen hunne buitengewoon groote eieren in een uit aarde en bladen samengesteld heuveltje, dus in een aan alle zijden gesloten nest, waarin de temperatuur door de rotting van de plantaardige stoffen tot zulk een hoogte stijgt, dat de eieren tot ontwikkeling komen. De jongen banen zich na het verlaten van de eierschaal een weg door den afval, die hen omgeeft; zij zijn bedekt met een dicht, donzig kleed, hebben volkomen ontwikkelde vleugels, maar geen staart; reeds op den eersten dag kunnen zij vliegen en zich zonder hulp van hunne ouders redden. De Loophoenderen vormen een uit 27 soorten bestaande familie, welker gebied zich van Celebes en Lombok over de Filippijnen, een deel van Polynesië en het Australische vasteland uitstrekt. Door hun lichaamsbouw zijn zij aan de Fazantvogels verwant, hoewel zij, althans eenige van hen, door hunne bewegingen en vooral door hun wijze van vliegen op de Ralvogels gelijken. Zij zijn middelmatig groot en kenmerken zich vooral door de hooge, langteenige, met stevige klauwen gewapende en dus in alle opzichten goed ontwikkelde voeten. Hun geraamte wijkt in enkele opzichten van dat der overige Hoendervogels af; vooral valt de wijdte van het bekken in ’t oog, hetwelk met den buitengewonen omvang van het ei in verband schijnt te staan. De geringe grootte van de hersenen en de zeer eigenaardige wijze van uitbroeding der eieren wijzen op een lagen trap van ontwikkeling.
De Eigenlijke Loophoenderen (Megapodius) vertoonen een zekere overeenkomst met de Rallen en Waterhoenderen. Hun romp is slank, de hals middelmatig lang, de snavel meestal korter dan de kop, recht, aan den wortel laag, vóór de spits gewelfd, de vleugels breed en stomp, de uit tien pennen samengestelde staart kort en afgerond, de loop zeer forsch en nog iets langer dan de lange, krachtige middelste voorteen, die, evenals alle overige teenen, met krachtige, lange, slechts weinig gebogen nagels voorzien is. De omgeving van het oog, de keel en de hals zijn naakt; de veeren van het achterhoofd zijn een weinig bij wijze van een kuif verlengd. Het vederenkleed is gewoonlijk goed voorzien, zwartachtig of bruinachtig. In grootte evenaren zij een middelmatige kip.
Het Gewone Loophoen (Megapodius tumulus) van Noord-Australië houdt zich voornamelijk op aan het dicht met struiken en boomen begroeide zeestrand. Weinige Vogels zijn zoo schuw en moeilijk te naderen als deze; hij leeft paarsgewijs of eenzaam; zijn voedsel bestaat uit wortels, die zonder moeite met de krachtige klauwen worden losgekrabd, ook wel uit zaden en Insecten, vooral groote Kevers. Zijn stem gelijkt op het klokken van de Huishen en eindigt met een geschreeuw, gelijkend op dat van den Pauw.
De nesthoopen zijn zeer verschillend van vorm, grootte en bestanddeelen. De meeste zijn dicht bij den waterkant gelegen en bestaan uit zand en schelpen, eenige bevatten slib en vermolmd hout. De nesthoopen van de Loophoenderen op Nieuw-Guinea zijn, volgens Haacke, doorgaans uit bladen samengesteld. Gilbert vond er een van bijna 5 M. hoogte en 27 M. omtrek; terwijl van een tweede de omtrek ongeveer 50 M. bedroeg. Hoogst waarschijnlijk worden de kolossaalste van deze heuvels door verscheidene opeenvolgende geslachten gebruikt en ieder jaar vergroot. De eieren liggen 2 M. diep onder den top en staan altijd loodrecht, met het dikke einde naar boven; zij zijn tamelijk verschillend van grootte, maar ongeveer gelijk van vorm.
Gould’s Loophoen (Megapodius Gouldii) werd door Wallace op Lombok waargenomen. “Het is ongeveer zoo groot als een kleine kip en vertoont slechts donker olijfkleurige en bruine tinten. Zijn voedsel is van gemengden aard, daar het uit afgevallen vruchten, Aardwormen, Slakken en Duizendpooten bestaat. Zijn vleesch is, als het goed wordt toebereid, blank en smakelijk.” “De meeste dezer Vogels houden zich op in het schrale kreupelhout langs het strand, waar de bodem zandig is en overblijfselen van takjes, bladeren, schelpen, zeewier en dergelijke in overvloed gevonden worden. Van al die vuilnis maken de Loophoenderen ontzaglijke hoopen.” “Toen ik deze hoopen op het eiland Lombok voor het eerst zag, kon ik nauwelijks gelooven, dat zij het werk waren van zulke kleine Vogels; ik heb ze later dikwijls ontmoet en één- of tweemaal verrast, terwijl zij bezig waren nesten te maken. Zij verwijderen zich eenige schreden, grijpen een bundel afval met één poot en werpen dien een heel eind achter zich. Zijn de eieren eens naar behooren begraven, dan schijnen zij er niet meer naar om te zien.”
“Ik had het geluk,” zegt Wallace, een nieuwe soort (Megapodius Wallacei) te ontdekken, die Halmaheira, Ternate en Boeroe bewoont. Het is de fraaiste Vogel van dit geslacht, op rug en vleugels rijk getooid met banden van roodachtig bruin. Zijn levenswijze verschilt van die der andere soorten; hij houdt zich op in de bosschen van ’t binnenland en begeeft zich naar het strand om eieren te leggen, die echter niet geborgen worden in een door hem bijeengekrabde hoop aarde, maar op den bodem van een in het zand gegraven gang, die omstreeks 1 M. in schuinsche richting naar beneden loopt. Na het bedekken van de opening van de gang verbergt hij, naar het zeggen der inlanders, de sporen van zijn voetstappen, die van en naar de opening voeren, door in den omtrek op verschillende plaatsen den grond open te krabben of er indruksels van voetstappen te maken. Hij legt zijne eieren alleen ’s nachts; op Boeroe werd eens ’s morgens vroeg een Vogel van deze soort betrapt, juist toen hij te voorschijn kwam uit zijn hol; hierin werden verscheidene eieren gevonden. Naar het schijnt, zijn deze Hoenderen halve nachtvogels: laat in den avond en lang voor den morgenschemering hoort men hunne klaaglijke kreten. De eieren hebben een roestroode kleur en zijn naar verhouding van de grootte van den Vogel kolossaal, daar zij 75 à 85 mM. lang en 50 à 58 mM. breed zijn. Zij zijn goed eetbaar en worden door de inboorlingen ijverig gezocht.”
*
Met den naam Brush-turkey of Kreupelhoutkalkoen (Catheturus Lathami) duidt de Australische kolonist het Loophoen aan, dat hij het best heeft leeren kennen. Het vertegenwoordigt het geslacht der Talegallas (Catheturus), dat o. a. kenbaar is aan de ringvormige opzwelling van de huid, die van den voorhals naar beneden hangt; de kop en de hals dragen slechts weinige haarvormige veeren. De genoemde soort is op de bovenzijde fraai chocoladebruin, op de onderzijde lichtbruin met zilvergrijze vederzoomen, die dwarsbanden vormen. Het oog is lichtbruin, de nagenoeg naakte huid van kop en hals karmijnrood, de halslel oranjegeel, de snavel loodkleurig grijs, de voet licht chocoladebruin. Totale lengte 80, staartlengte 25 cM.
“Hoe ver zich het verbreidingsgebied van dezen Vogel uitstrekt,” zegt Gould, “is nog niet op voldoende wijze bepaald. Men heeft hem in verschillende gedeelten van Nieuw-Zuid-Wales, van Kaap Howe tot aan de Moretonbaai gevonden. Naar ik vermoed, is hij het veelvuldigst in de dichte, nog weinig bezochte kreupelwouden langs de oevers van den Clarence en den Manning.
“Het merkwaardigste verschijnsel in de levenswijze van dezen Vogel is, dat hij zijne eieren niet op de wijze van de andere Vogels uitbroedt. In ’t begin van de lente krabt hij een zeer grooten hoop doode plantendeelen bijeen om als nest te dienen en laat de ontwikkeling van de jongen over aan de warmte, die ten gevolge van de rotting dezer plantaardige stoffen ontstaat. De voor dit doel dienende hoop wordt verscheidene weken voor den legtijd opgeworpen, heeft de gedaante van een kegel, welks middellijn de hoogte ver overtreft, maar is zeer verschillend van grootte; soms bestaat hij uit 2, soms uit 4 wagenvrachten bouwstoffen. De grootte van het nest en de volledige verrotting van de bestanddeelen der onderste laag schijnen recht te geven tot de onderstelling, dat het verscheidene jaren achtereenvolgens dienst doet en telkens door toevoeging van nieuwe stoffen weer bruikbaar wordt gemaakt. De heuvel komt tot stand, doordat de Vogels een zekere hoeveelheid materiaal met de voeten loskrabben en achter zich naar een middelpunt werpen. Zij ontblooten op deze wijze den omgevenden grond zoo volkomen, dat er nagenoeg geen blad of grashalm op blijft liggen. Als de hoop groot genoeg is, en de temperatuur daarbinnen een voldoende hoogte heeft bereikt, worden de eieren er in gelegd; deze worden om ’t midden in een kring gerangschikt, op een onderlingen afstand van 25 à 30 cM., ongeveer op armdiepte, maar zoo, dat zij rechtop staan met het breede eind naar boven; vervolgens worden zij met bladen bedekt en aan zich zelf overgelaten. Zoowel van geloofwaardige kolonisten als van inboorlingen vernam ik, dat men in één hoop soms wel een schepel eieren kan vinden; ik zelf heb een vrouw gezien, die de helft van deze hoeveelheid in een naburig boschje gevonden had en naar huis droeg. Eenige van de inboorlingen beweerden, dat het wijfje zich voortdurend in de nabijheid van den hoop ophoudt, om de blootliggende eieren weder te bedekken en de uit den dop komende jongen bij te staan; andere daarentegen zeggen, dat de hen zich niet meer om de eieren bekommert na het leggen en dat de jongen zonder eenige hulp hun weg vinden. Eén punt is voldoende opgehelderd: zoodra de jongen uit het nest komen, zijn hunne vleugels genoeg ontwikkeld om hen in staat te stellen op de twijgen der boomen te vliegen; op even flinke wijze kunnen zij hunne pooten gebruiken; zij verkeeren dus in ’t zelfde geval als een pas uit de pophuid gekropen Vlinder, nadat zijne vleugels gedroogd zijn.”
“De haan,” zegt Sclater, “begint, als de broedtijd nadert, alle plantaardige stoffen, die binnen de grenzen van de voor ’t nest bestemde plek liggen los te krabben, en achteruit te werpen, telkens een voet vol te gelijk. Daar hij zijn arbeid steeds aan den buitensten omtrek van het terrein aanvangt, ontstaat er in ’t midden allengs een kegelvormige verhevenheid. Zoodra deze ongeveer 1.5 M. hoog geworden is, beginnen de Vogels haar effen te maken en daarna in ’t middelpunt een holte te graven. Hierin worden met vaste tusschentijden eieren gelegd, die ongeveer 40 cM. onder den top van den heuvel in een kring gerangschikt zijn. Het mannetje houdt zorgvuldig toezicht op den voortgang van de ontwikkeling en let vooral op de warmte van den broedoven. Gewoonlijk heeft hij de eieren op zulk een wijze bedekt, dat boven deze slechts een ronde opening overblijft, waardoor de noodige luchtverversching plaats heeft en de overmaat van warmte ontwijken kan; bij warm weer neemt hij twee- of driemaal per dag bijna de geheele bekleedende laag weg.