Monniksparkiet (Bolborhynchus monachus). ⅖ v. d. ware grootte.
In den laatsten tijd is men herhaaldelijk in de gelegenheid geweest in Europa dezen eigenaardigen nestbouw waar te nemen. Het eerst geschiedde dit door Schmidt, toen hij proeven nam over het overwinteren van de Papegaaien in de open lucht, welker uitkomst buitengewoon gunstig was voor de Monniksparkieten. Deze begonnen in April van de struiken, die in de volière groeiden, twijgen af te plukken. Hiermede bekleedden zij het hok, waarin zij zouden nestelen, van binnen geheel. De bouwstoffen werden met onvermoeiden ijver aangebracht door het mannetje; terwijl het wijfje intusschen voor de reeds aanwezige rijsjes de meest passende plaats opzocht, ze in den nestwand vlocht of ze wegwierp, indien zij niet bruikbaar bleken te zijn.
*
De Langsnavelige Parkiet, de Choroy der Chilenen (Henicognathus leptorhynchus), wordt te recht als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht beschouwd, hoewel hij door den bouw van de vleugels en van den staart bijna volkomen overeenstemt met de Wigstaartparkieten. Zijn snavel is namelijk geheel anders dan die van de overige Papegaaien, middelmatig dik, slank en veel langer dan hoog, de bovensnavel wel tweemaal zoo lang als de ondersnavel en zeer weinig gebogen, zijn lange, smaller uitloopende spits steekt bijna horizontaal vooruit. De heerschende kleur van de bovendeelen is donker olijfkleurig grasgroen, die van de onderdeelen olijfkleurig groen; de rand van het voorhoofd, de veeren van de washuid, de teugel en een smalle rand om het oog zijn dof koperkleurig purperrood, de handpennen en hare dekveeren op de buitenvlag blauwachtig grijs met zwarten rand, de stuurpennen van boven en van onderen dof koperkleurig purperrood. De oogen hebben een goudgele iris, de snavel en de pooten zijn blauwachtig grijs. Totale lengte 38, staartlengte 17 cM.
Deze soort is over geheel Chili tot aan de straat van Magelhaen verbreid en komt ook op Chiloë voor. Hare vertegenwoordigers vereenigen zich dikwijls tot zwermen van honderden en duizenden, die door hun oorverdoovend geschreeuw lastig kunnen zijn. Daar zij meer op den grond dan in de boomen leven, bedekken zij soms de Pampas (maar ongelukkig ook de akkers) over een groote uitgestrektheid. Zij zijn de gevaarlijkste vijanden van de tarwe- en maïsteelt; de bijna rechte snavel is even goed geschikt voor het uit den grond trekken van kiemende tarwe- of maïskorrels als van de graswortels, die oorspronkelijk het voedsel van deze Vogels uitmaakten. Tot groot verdriet voor den landman doen zij ook plundertochten in de boomgaarden; zij vernielen hier de appels, uitsluitend met het doel om de pitten op te eten. Het is dus niet te verwonderen, dat de Chileensche boeren hen haten en zoo ijverig mogelijk vervolgen.
*
De Wigstaartparkieten (Conurus) hebben een sterk gekromden, zijdelings samengedrukten snavel, wiens lengte de hoogte ongeveer evenaart, krachtige pooten met korten loop en middelmatig lange teenen, lange, spitse vleugels, een langen, wigvormigen staart, welks pennen van den wortel naar de spits allengs dunner worden en van de buitenste tot de middelste gelijkmatig in lengte toenemen, zoodat gene slechts half zoo lang zijn als deze; het kleed is uit stijve veeren samengesteld en vertoont op grootendeels groene grond velerlei in kleur en vorm uiteenloopende teekeningen en gekleurde velden. De meeste soorten van dit geslacht bewonen het binnenland van Zuid-Amerika, meer bepaaldelijk de vochtige vlakten langs de oevers van den Amazonenstroom en zijne bijrivieren. Zij dragen veel bij tot het verlevendigen van de wouden; in sommige hoort men geen andere stemmen dan de hunne. Evenals alle overige Papegaaien richten zij schade aan op de plantages, die dicht bij de wouden gelegen zijn, op de maïsakkers echter minder dan op de rijstvelden. Na den broedtijd verschijnen zij vaker dan gewoonlijk in de boschranden; zij hebben dan hunne jongen bij zich, die, hoewel zij reeds geheel volwassen zijn, door hunne ouders nog uit den krop gevoerd worden.
Het nest wordt in holten van oude boomen gebouwd en bevat 2 of 3 witte eieren. De jongen hebben weinig te lijden van den mensch, daar de Wigstaartparkieten volgens een in Brazilië algemeen heerschende meening niet geschikt zijn voor africhting, nooit leeren spreken en de gevangenschap niet licht verdragen. Slechts over weinige soorten wordt een gunstiger oordeel geveld; deze worden, hoofdzakelijk wegens hun zachtaardigheid, dikwijls getemd.
Tot de Wigstaartparkieten behoort de eenige Papegaai, die in Noord-Amerika voorkomt en om deze reden, naar een deel van zijn vaderland, Carolina-parkiet (Conurus carolinensis) wordt genoemd. Hij is 32 cM. lang met den 15 cM. langen staart. Zijn hoofdkleur is fraai donker grasgroen, als naar gewoonte op den rug donkerder, aan de buikzijde meer geelachtig. Het voorhoofd en de wangen zijn roodachtig oranje, ook de achterkop, de schouders en de slagpennen; de nek is zuiver goudgeel.
De Carolina-parkiet kwam voorheen in Noord-Amerika tot aan het Michigan-meer, op 42° N.B., voor en was, naar het scheen, goed bestand tegen het dikwijls zeer ruwe klimaat van deze streken. Wilson zag tot zijn groote verwondering in het begin van deze eeuw gedurende een sneeuwstorm, in Februari, een vlucht van deze Vogels luid schreeuwend langs den oever van den Ohio vliegen. Nu en dan ontmoette men ze in nog noordelijker gewesten, in Januari zag men een grooten zwerm van deze Vogels 25 Engelsche mijlen ten noordwesten van Albany (New-York), dus op 43° N.B. De omstandigheden zijn echter sinds dien tijd zeer veranderd. “Ook nu nog is hij (of was hij althans in 1874),” schrijft Marshall, “veelvuldig in Florida, tamelijk verbreid in West-Louisiana, Arkansas en het Indianen-gebied; in Zuid-Carolina ontmoet men hem echter bijna niet meer. Aan de landstreken ten westen van het Alleghany-gebergte geeft hij de voorkeur boven die, welke ten oosten van dezen bergketen op gelijke breedte gelegen zijn; waarschijnlijk te recht wordt dit toegeschreven aan zijn bijzondere voorliefde voor de alluviale gronden langs de kleine rivieren en regenstroomen, voor moerassen en dichte wouden en voor de hier veelvuldige zoute gronden. De vermindering van het aantal Carolina-parkieten is steeds verder voortgeschreden. “Honderden van deze prachtige Vogels,” klaagt Allen, “worden iederen winter aan den bovenloop van de St. Johnsrivier door vogelvangers van beroep gevangen en naar de steden van het noorden gezonden, duizenden worden volkomen noodeloos door jagers gedood.” Bovendien halen zij zich door hunne plundertochten op de akkers, waar zij nog meer vernielen dan zij opeten, de vervolging van de boeren op den hals. Het is dus niet te verwonderen, dat de Carolina-parkiet uit een groot deel van de Vereenigde Staten verdwenen is. Het liefst vestigt hij zich in gewesten, welker vruchtbare bodem begroeid is met een onkruid, “rimpelklis” genaamd, welks zaden hij weet te bemachtigen, ondanks de lange stekels, waarmede de vruchten gewapend zijn.
Over het leven van dit dier in de gevangenschap verhaalt Wilson het volgende: “Daar ik begeerde te weten, of deze Papegaai zich gemakkelijk liet temmen, besloot ik met een exemplaar, dat licht aan den vleugel gewond was, de proef te nemen. Ik maakte een soort van kooi voor hem gereed achter in mijn boot en wierp hem hier kliszaad toe, dat hij onmiddellijk na zijn komst aan boord aannam. Toen ik de rivier verliet en over land verder reisde, droeg ik hem in een zijden zakdoek mede, in weerwil van den last, dien dit mij natuurlijk gaf. Zeer dikwijls ontvluchtte de Papegaai uit mijn zak; ik moest dan van het paard stappen en hem in het kreupelhout of in het moeras gaan zoeken. Toen ik op de jachtgronden van de Indianen kwam, werd ik geregeld door deze lieden, mannen, vrouwen en kinderen, omringd, die onder luid gelach en blijkbaar met verwondering mijn reisgezel bekeken. De Chickasaws noemden hem in hun taal ”Kelinky,” maar verwisselden dezen naam onmiddellijk met dien van ”Polly,” toen zij hoorden, dat ik den Vogel zoo noemde. Polly was later telkens het middel tot het aanknoopen van vriendschapsbetrekkingen met dit volk. Toen ik bij mijn vriend Dunbar was aangekomen, plaatste ik mijn gevangene in een kooi onder de verandah. Hier riep zij weldra de voorbijvliegende vluchten van soortgenooten aan; iederen dag zagen wij deze bij ons huis in talrijke zwermen, die zich druk met Polly onderhielden. Een van hen, die eveneens vleugellam was, deed ik in Polly’s kooi, hetgeen haar groote vreugde schonk. Zij kwam oogenblikkelijk op hem af, fluisterde hem haar deelneming in zijn ongeluk toe, streelde met den snavel zijn kop en nek en geraakte innig aan hem gehecht. Toen de nieuweling stierf, was Polly vele dagen lang onrustig en ontroostbaar. Ik zette een spiegel naast de plaats, waar zij gewoonlijk zat; door het zien van haar beeld scheen haar vroegere gelukkige gemoedsstemming terug te keeren; zij was althans een tijdlang buiten zichzelf van vreugde. Treffend was het, te zien, hoe zij, als de avond naderde, haar kop dicht bij het beeld in den spiegel hield en dan haar blijdschap door gefluisterde klanken te kennen gaf. Na verloop van korten tijd kende zij den naam, dien ik haar gegeven had en antwoordde, als zij geroepen werd. Ook klauterde zij bij mij op, ging op mijn schouder zitten en nam haar voedsel uit mijn mond. Zonder twijfel zou ik haar geheel getemd hebben, als zij niet door een noodlottig toeval om ’t leven was gekomen. De arme Polly verliet op een morgen, toen ik nog sliep, haar kooi, vloog over boord en verdronk in de golf van Mexico.”
Tegenwoordig ziet men dezen Papegaai dikwijls op de vogelmarkt; hij wordt zeer tam; men kan hem er aan gewennen in de kooi terug te komen, nadat men hem er uitgelaten heeft. Wat verstandelijke vermogens betreft, staat hij, volgens Rey, boven alle langstaartige Papegaaien, die deze onderzoeker in de gevangenschap heeft waargenomen en zelfs boven vele van de zoo hoog begaafde Kortstaarten. Nooit wordt hij echter gemeenzaam zooals andere soorten, b.v. Loris en Kaketoes. Steeds blijft hij wantrouwig of althans zeer voorzichtig.
De Araras (Sittace) zijn de grootste leden van hun onderfamilie, daar hun grootte afwisselt tusschen die van een Raaf en die van een Kauw; zij zijn kenbaar aan hun zeer krachtigen en buitengewoon grooten, zijdelings samengedrukten snavel, welks rug sterk gekromd en in een ver overhangende spits uitgetrokken is, voorts aan de naakte plek op den voorkop, die den teugel, den kring om het oog en het voorste deel van de wang omvat en zelden beperkt blijft tot een gerimpelde huid om den ondersnavel, eindelijk ook aan den zeer langen staart.
Araras. ⅛ v. d. ware grootte.
De Araras, die men ten onrechte ook wel “Aras” noemt, zijn van het noorden van Mexico tot aan het zuiden van Brazilië en Paraguay verbreid, maar worden in Chili niet aangetroffen. Sommige soorten komen in de Andes tot op een hoogte van 3500 M. voor. De Araras verschillen van de overige Papegaaien, die zij in begaafdheid evenaren, door hun betrekkelijk rustigen aard en door een zekeren ernst. De velerlei boomvruchten van de door hen bewoonde wouden maken hun voornaamste voedsel uit. Ook zij plunderen echter de akkers en richten natuurlijk overal, waar zij veelvuldig voorkomen, groote schade aan. Als het lente is in hun vaderland, leggen zij, bij voorkeur in het nest van het vorige jaar, 2 eieren, die, naar het schijnt, uitsluitend door het wijfje bebroed worden; beide ouders zijn echter zoowel aan de jongen als aan elkander trouw en innig gehecht. De jongen worden reeds sinds onheugelijken tijd door de Indianen uit het nest genomen en getemd, de ouden, evenals voorheen, ter wille van hunne prachtige veeren vervolgd.
Ver verbreid is de Arakanga, Groote Geelvleugel of Macao (Sittace coccinea), een zeer indrukwekkende Vogel van 86 cM. lengte, waarvan 32 cM. op den staart komen. De kleine veeren zijn karmijnrood, de achterrug en de staartwortel met de boven- en onderdekveeren van den staart fraai hemelsblauw, de hand- en armpennen met hare dekveeren en de duimvleugel donkerblauw, de grootste bovenvleugel-dekveeren en de lange schouderveeren oranjegeel met een groene eindvlek, de stuurpennen karmijnrood met hemelsblauwe spits, behalve de beide buitenste paren, die een donkerblauwe kleur hebben; de onderdekveeren van den vleugel zijn, evenals de onderzijde van de slagpennen en stuurpennen, glanzig karmijnrood. Het oog is geelachtig wit, de naakte wang bruinachtig vleeschkleurig, de bovensnavel geelachtig wit, aan den onderrand van den wortel met een zwarte vlek geteekend, de ondersnavel zwart, de voet grijsachtig zwart. De Arakanga bewoont het noordelijkste deel van het Zuid-Amerikaansche Rijk, van Bolivia en Noord-Brazilië tot Guatemala en Honduras; hij komt echter ook in Peru en waarschijnlijk in Mexico voor.
Bij den Ararauna of Blauwgelen Arara (Sittace coerulea) zijn alle bovendeelen en de dekveeren van den staart hemelsblauw, de zijden van den hals en alle onderdeelen donker oranje; een zwarte randstreep begrenst de wang en de kin. Het oog is groenachtig parelgrijs, het naakte deel van de zijden van den kop bruinachtig vleeschkleurig, de snavel zwart, de voet bruinachtig zwart. Totale lengte 97, staartlengte 52 cM. Zijn verbreidingsgebied stemt met dat van den Arakanga overeen.
De Araras zijn karakteristieke bewoners van het oerwoud. Vlakke, met rivieren doorsneden wouden zijn hun meest geliefde verblijfplaats. Vroeger leefden zij ook in de onmiddellijke nabijheid van de groote steden; reeds sinds lang hebben zij zich echter voor de opdringende bevolking moeten terugtrekken; meer of minder snel verdwijnen zij overal, waar de planters het oerwoud ontginnen. Enkele soorten blijven niet tot het woud beperkt, maar komen ook voor in drogere, hoogere, door de zon verschroeide gewesten en in de woeste, rotsachtige gebergten van de provincie Bahia. “Terwijl men de rivieren der kustwouden bevaart,” zegt de Prins Von Wied, “ziet men deze prachtige Vogels, die onmiddellijk kenbaar zijn aan hun stem, hun grootte en hun langen staart, zich met de groote, lange vleugels langzaam door de hooge, donkerblauwe lucht voortroeien. Hun levenswijze verschilt over ’t algemeen niet van die der andere Papegaaien. Des middags, op het heetst van den dag, zitten zij met ingetrokken hals en recht naar beneden hangenden staart te rusten op de onderste, dikke takken van een schaduwrijken boom. Reeds na een paar uren rust begeven zij zich weer aan den arbeid. Buiten den paartijd trekken zij in troepen rond en zoeken velerlei vruchten (van verscheidene soorten van palmen, van den sapoecaja en van andere boomen) op welker steenharde bolsters zij gewoonlijk de kracht van hun kolossalen snavel beproeven. Hoe luid zij in den regel hun stem laten hooren, toch houden zij zich, evenals alle Papegaaien, stil, zoodra zij een boom ontdekt hebben, die de door hen gewenschte vruchten draagt, en hierop neergestreken zijn. Hier blijkt hun aanwezigheid vooral uit het vallen van de stukgebeten vruchtschalen.”
Wanneer de Araras op een boom zitten te eten, zwijgt gewoonlijk het geheele gezelschap; hoogstens verneemt men dan van hen zachte geluiden, die wel eenige overeenkomst hebben met een gesprek tusschen menschen. Steeds hoort men hun krijschende stem, als zij verontrust worden of vliegen; het luidst schreeuwen zij, als de jager zacht naar hen toe geslopen is en door een schot de onbezorgd etende bende verschrikt heeft. Dan schreeuwen zij soms zóó, dat iemand hooren en zien vergaan. Op hen hebben de woorden van Alexander von Humboldt betrekking, waar hij zegt, dat hun geschreeuw het bruischen van den waterval overstemt. Hun luide stem bestaat uit een zeer schril, uit één lettergreep samengesteld geluid, dat eenige overeenkomst heeft met de stem van onze Kraai.
Evenals alle Papegaaien zijn ook de Araras zeer trouwe echtgenooten. Zij kiezen voor het bouwen van hun nest in het woud altijd een hoogen boom van kolossalen omvang, waaraan zich een holle tak of een door rotting gevormde opening bevindt, die zij dan met hun krachtigen snavel tot de gewenschte wijdte vergrooten. In de holte legt het wijfje, evenals de meeste soorten van Papegaaien, 2 witte eieren. De staart, die ver buiten de opening uitsteekt, verraadt de aanwezigheid van het broedende wijfje.
Gevangen Araras schijnen van oudsher lievelingen van de Indianen te zijn geweest. “Met levendige belangstelling,” zegt Von Humboldt, “zagen wij bij de hutten van de Indianen tamme Araras op de akkers rondvliegen, als bij ons de Duiven. Deze Vogels zijn een waar sieraad van het erf der Indianenhut; zij doen in pracht niet onder voor Pauwen, Goudlakensche Fazanten, Boomhoenderen en Hokko’s. Reeds Columbus had met verwondering opgemerkt, dat de bewoners van de Antillen, in plaats van Hoenderen, Araras of andere groote Papegaaien fokten en aten.”
Aan den omgang met Araras is echter altijd eenig gevaar verbonden; maar al te dikwijls gebruiken zij hun geduchten snavel op een ongewenschte wijze. Toch worden zij soms zeer tam. Hoewel ze zelden zoo goed leeren spreken als andere Papegaaien, ontbreekt hun toch volstrekt niet alle geschiktheid hiervoor. Behoorlijk verzorgde Araras worden in de gevangenschap zeer oud. Azara maakt melding van een exemplaar, dat 44 jaren in één gezin geleefd had, maar toen door ouderdom zoo verzwakt was, dat het niets anders dan gekookte maïs kon verteren.
Zoowel inboorlingen als blanken houden zich ijverig bezig met de jacht op Araras. “Voorzichtig,” zegt de Prins Von Wied, “steeds achter dichte struiken of stammen verborgen, nadert de jager sluipend een gezelschap van deze Vogels en doodt er dan soms verscheidene door één schot. Daar zij, zooals reeds opgemerkt werd, gedurende het vliegen of als zij verontrust zijn, altijd hun luide stem laten hooren, weet de jager, waar zij zich ophouden. Hij schiet ze met groven hagel, daar zij meestal in de kroon van een der hoogste boomen zitten. De gewonde Vogel houdt zich met zijne krachtige klauwen dikwijls nog een tijdlang aan de twijgen vast, voordat hij naar beneden tuimelt. Hij verschaft den jager een gewenschte spijs en kan als rundvleesch gekookt worden; het vleesch van de oude Vogels is taai en in het koude jaargetijde dikwijls zeer vet; het levert echter een krachtige soep. De fraaie veeren van den gedooden Arara worden op velerlei wijzen gebruikt; de jager versiert er zijn hoed mede. De Brazilianen schrijven met de slagpennen; vele wilde stammen tooien zich ook thans nog met Arara-veeren en gebruiken de bonte slagpennen voor ’t maken van hunne pijlen. De stammen van de Lingoageral, die thans tot op zekere hoogte beschaafd zijn, maakten eertijds velerlei versierselen van deze veeren, die in met was gesloten doozen bewaard werden, totdat zij noodig waren. Wanneer de Toepinamben, die het door mij bezochte deel van de oostkust bewoonden, feestvierden, werd een gevangen, vijandelijk krijgsman gedood en opgegeten. De persoon, die de knots hanteerde, waarmede de doodelijke slag werd toegebracht, was met een soort van gom bestreken, waarin overal kleine Arara-veeren vastgeplakt waren; de kroon, die hij op het hoofd droeg, was van Arara-staartveeren vervaardigd. Arara-veeren waren bij deze wilden het zinnebeeld van den oorlog. Ook thans nog zijn de Indianen op dezen even natuurlijken als fraaien tooi gesteld; het heeft den Jezuïten veel moeite gekost om deze gewoonte bij de thans half-beschaafde kuststammen uit te roeien.”
Het naast verwant aan de vorige groep zijn de leden van de kleine, tot het Ethiopische Rijk beperkte onderfamilie der Kortstaartpapegaaien (Psittacinae), kenbaar aan hun korten of middelmatig langen, recht afgesneden of zacht afgeronden staart. Zij vormen twee geslachten, waarvan het eene—dat der Grijze Papegaaien (Psittacus)—twee soorten omvat, die tropisch Afrika ten noorden van den evenaar bewonen, terwijl het andere—dat der Vasa’s (Coracopsis)—uit vier op Madagaskar en de naburige eilanden inheemsche soorten bestaat.
*
De Grijze Papegaaien (Psittacus) hebben een krachtigen snavel, welks rug afgerond is en niet, zooals bij de Stompstaartpapegaaien, een overlangsche groeve vertoont; ook missen zij de inkerving (vijlgroeve), die bij deze achter de haakvormige spits van den bovensnavel voorkomt; de washuid is zeer breed en evenals de oogstreek en de teugel onbevederd; de lange vleugels hebben een goed ontwikkelde spits; de staart is middelmatig lang en bijna recht afgesneden.
De leerzaamste van alle Papegaaien is de algemeen bekende Jako (Psittacus erithacus). Hij is gemakkelijk te beschrijven, daar op zijn kleed slechts twee hoofdkleuren voorkomen. De staart is karmijnrood, alle overige veeren zijn aschgrauw met eenigszins lichtere randen. Aan den kop en den hals treden deze randen sterker op den voorgrond dan op het overige lichaam, waardoor deze deelen lichter schijnen. Als het fijne poeder, waarmede de veeren in den regel dicht bedekt zijn, er afgeveegd wordt, is het kleed leikleurig zwart-blauw. Bij den volwassen Jako is de iris geel, de snavel zwart, de voet loodkleurig grijs. Het mannetje (totale lengte 31, staartlengte 8 cM.) is een weinig grooter dan het wijfje. De jongen hebben een grijze iris en valere, bruinachtig grijze veeren.
In West-Afrika reikt het verbreidingsgebied van den Jako van de Goudkust tot Benguela (met Fernando Po en het Prinseneiland); in het binnenland loopt de grens over het Tsad-meer en ongeveer langs de waterscheiding van de noordelijke helft van het Kongogebied; zoodat zij ongeveer samenvalt met die van het gebied van den oliepalm.
De Jako’s zijn in West-Afrika, vooral echter aan de Goudkust, in de Niger-delta, aan den Kameroen en den Gaboen, buitengewoon talrijk; de natuur heeft hen hier in de ontoegankelijke wouden van het alluvium der riviermonden veilige en aanlokkelijke woonplaatsen verschaft, waar zij niet veel last hebben van de vervolgingen der inboorlingen en der weinige voor hen gevaarlijke vijanden. Zij nestelen vooral in de mangrove-wouden der kuststreken, maken gebruik van de reeds aanwezige holten in boomen of verwijden de gaten, die zij vinden, met hun krachtigen snavel tot geschikte broedplaatsen. De hoogste boomen van hun gebied kiezen zij als slaapplaats uit. Iederen avond komen hier omstreeks zonsondergang groote of kleine vluchten uit verschillende richtingen bijeen, zoodat het aantal Vogels op één slaapplaats dikwijls vele honderden bedraagt. Zulke plaatsen trekken spoedig de aandacht. Het gekrijsch van de aankomende en neerstrijkende Vogels schalt ver in het rond en verstomt eerst, als het geheel donker geworden is. Den volgenden morgen begint het opnieuw en kondigt het uiteengaan van het gezelschap aan. Onder voortdurend getier, gekras en gekrijsch trekken de Grijze Papegaaien naar het binnenland, om te smullen van de maïs, die de negers bij voorkeur op de hoogvlakten verbouwen. Het liefst eten zij halfrijpe maïs-korrels; verschrikkelijk zijn de verwoestingen, die zij op de akkers aanrichten.
Overal, waar de Jako voorkomt, wordt hij door de inboorlingen gevangen, getemd en voor ’t spreken afgericht; hij is bij hen een gewoon ruilmiddel en handelsartikel.
Van alle Papegaaien, die gevangen gehouden worden, is deze de meest gewilde; hij verdient de gunst, die hem ten deel valt, door zachtaardigheid, leerzaamheid en gehechtheid aan zijn meester. In alle talen wordt zijn lof verkondigd; in ieder handboek over dierkunde, ja zelfs in ieder boek, dat een deel van het leven der dieren behandelt, wordt hij vermeld. Tal van aardige feiten worden van hem medegedeeld, o.a. door Levaillant, die in 1778 een dezer Papegaaien bij een Amsterdamsch koopman aantrof: ”Karel, zoo heette deze Papegaai, sprak als Cicero; ik zou een boekdeel kunnen vullen met de fraaie gezegden, die hij kende en die hij, zonder een syllabe te vergeten, voor mij herhaalde. Gehoorzaam aan het bevel van zijn meester, haalde hij diens pantoffels en de nachtmuts van de vrouw; hij riep de meid, als deze in de kamer noodig was. Bij voorkeur hield hij zich in den winkel op en maakte zich hier bij afwezigheid van zijn meester verdienstelijk, door, als er een vreemdeling binnenkwam, zoolang te schreeuwen, totdat iemand den klant kwam helpen. Hij had een uitmuntend geheugen en kon een aantal Hollandsche volzinnen en uitdrukkingen volkomen nauwkeurig zeggen. Eerst toen hij 60 jaar in gevangenschap geleefd had, verzwakte zijn geheugen; hij vergat een deel van zijne gezegden, bleef er middenin steken, haspelde de woorden dooreen of mengde deelen van verschillende volzinnen door elkander.”
Jako (Psittacus erithacus). ⅖ v. d. ware grootte.
Van een tammen Papegaai, die jaren lang te Salzburg en te Weenen leefde, heeft Lenz het volgende bericht gegeven: ”Jako let op alles, wat om hem heen geschiedt, weet alles te beoordeelen, geeft een toepasselijk antwoord, als hem iets gevraagd wordt, gehoorzaamt, wanneer men hem iets beveelt, begroet personen bij het binnenkomen, neemt van hen afscheid, als zij vertrekken, zegt alleen bij ’t begin van den dag “Goeden morgen,” alleen bij ’t einde “Goeden avond” en vraagt om voedsel, als hij honger heeft. Ieder lid van het gezin noemt hij bij den naam; en het eene staat meer bij hem in de gunst dan het andere. Om mij bij zich te hebben, roept hij: “Papa kom hier!” Wat hij zegt, zingt en fluit, klinkt alsof het van een mensch afkomstig is. In oogenblikken van geestvervoering gaat hij aan ’t improviseeren; zijn rede maakt dan denzelfden indruk als die van een redenaar, die men op een afstand hoort, zonder hem te kunnen verstaan.
“Nu volgt een opgave van hetgeen Jako zegt” (of liever een vertaling van zijne Duitsche gezegden), “zingt, fluit enz.: “Eerwaarde heer! Goeden morgen.”—“Eerwaarde heer! asjeblieft een amandel.”—“Wou-je een amandel? Wou je een noot? Je krijgt wat. Daar heb-je wat.”—“Heer overste, welkom, heer overste!”—“Mevrouw! uw gehoorzame dienaar.”—“Boer, spitsboef, spitsboef, boer, wilddief! ga-je weg? ga-je weg, ga-je naar huis, ga-je naar huis of niet? pas op kerel!”—“Jij ploert! jij kerel, jij nare kerel!”—“Brave Pappie, beste Pappie!”—“Je bent een beste jongen, een opperbeste jongen!”—“Je krijgt een kokeriko, ja, je krijgt wat.”—“Nanni! Nanni!”—“Buurman! Geduld hebben! Buurman! Geduld hebben!”—Als er aan de deur wordt geklopt, roept hij zeer luid, zeer duidelijk en geheel als een mensch: “Binnen! Binnen! Uw dienaar, mijnheer Brouwer, onderdanige dienaar! Blij, dat ik de eer heb, blij, dat ik de eer heb.”—Soms klopt hij zelf tegen zijn kooi en roept dan als zoo even.—Den Koekoek bootst hij zeer goed na.—“Geef mij een zoentje, een lekker zoentje; dan krijg-je een amandel.”—“Kijk ereis op!—Kom naar buiten!”—“Kom maar op, kom maar hier!”—“Mijn lieve Pappie!”—“Bravo, bravissimo!”—“Bidden, laten wij nu bidden.”—“Laten wij eten!”—“Laten wij voor ’t venster gaan!”—“Hieronymus, sta op!”—“Ik ga, God zegen-je!”—“Leve de Keizer! Lang zal hij leven!”—“Waar kom jij van daan?—Neem mij niet kwalijk, mijnheer! Ik dacht dat je een Vogel waart!”—Als hij iets stuk bijt of in zijn kooi iets vernielt, zegt hij: “Niet bijten! schei-uit! Wat heb-je gedaan?”—“Wat heb-je gedaan? Pas op jij gauwdief! Jij lomperd! Pas op, je krijgt slaag!”—“Pappie, hoe gaat het met je, Pappie?”—“Heb-je wat te eten?”—“Smakelijk eten!”—“Bst! Bst! Wel te rusten!”—“Pappie mag naar buiten; kom, allo kom!”—“Pappie, schiet! Schiet Pappie!”—Daarna schiet hij door luid te roepen van “Poe!”—“Kijk, kijk, kijk, kijk!”—“Ga naar huis! Ga-je naar huis? Allo, marsch!”—“Subiet naar huis! Pas op, je krijgt slaag!”—Hij trekt aan een schel in zijn kooi en roept luid: “Wie schelt daar?—Pappie!”—“Kaketoe, kaketoe.”—“Gagagaga!—Wat wou-je met je ga, ga—-jij!”—“Daar is het hondje, een lief hondje, een allerliefst hondje!”—Daarna fluit hij den Hond.—Hij vraagt: “Hoe spreekt het hondje?” en blaft vervolgens. Daarna roept hij: “Fluit het hondje!” en fluit den Hond.—Als men hem beveelt: “Schiet!” dan roept hij “Poe!”—Soms laat hij een geheel kommando hooren: “Halt! richt u! Halt! Schouder ’t geweer! Aan! Hoog! Vuur! Poe! Bravo, bravissimo!”—Soms laat hij het kommando “Vuur!” weg en roept na: “Aan! Hoog!” dadelijk: “Poe!”; dan zegt hij echter ook niet: “Bravo, bravissimo!”, alsof hij weet, dat hij een fout heeft gemaakt.—“God zegen je! A Dio! God zegen je!” zegt hij, als de bezoekers weggaan.—“Wat wou-je? Mij slaan? Wat wou-je? Mij slaan?” Hij begint dan geweldig te schreeuwen, alsof hij slaag krijgt, en roept vervolgens: “Wat? slaan? Mij slaan? Pas op, kerel! Mij slaan?”—“Ja, ja, ja, zoo gaat het in de wereld! Wel zoo! wel zoo!” Daarna lacht hij volkomen duidelijk.—“Pappie is ziek, de arme Pappie is ziek.”—“Hoor-je Jan wel?—Goegoe! Goegoe! ’t Is Pappie!”—“Pas op, ik zal je slaan!”—Als hij de tafel ziet dekken, of één of twee kamers verder het geluid van ’t tafeldekken hoort, roept hij dadelijk: “Laten wij gaan eten! Allo, kom, eten!”—Als zijn meester in de naastbijgelegen of daarop volgende kamer ontbijt, roept hij: “Kakau! je krijgt kakau. Jij krijgt ook wat!”
“De eigenaar van Jako had een Kwartel. Toen deze in de lente voor ’t eerst haar “Kwik me dit” liet hooren, keerde de Papegaai zich naar hem om en riep: “Bravo, Pappie! Bravo!”—Om te zien, of het mogelijk zou zijn hem ook iets te leeren zingen, koos men aanvankelijk woorden uit, die hij reeds vroeger had leeren zeggen, zooals b.v. het volgende: “Is het mooie Pappie daar? is het brave Pappie daar? is het lieve Pappie daar? is het Pappie daar? Ja, ja!”—Later leerde hij het liedje zingen: “O Pitzigi, o Pitzigi, blas anstatt meiner Fagott!”—Hij stemt ook accoorden aan, fluit een toonladder naar boven en naar beneden zeer vlot en zuiver en fluit ook andere stukjes en trillers; hij fluit en zingt dit alles echter niet steeds op denzelfden toon, maar soms een halven of een geheelen toon lager of hooger, zonder evenwel valsche tonen voort te brengen.
“Zijn meester stierf in het jaar 1853. Jako begon, oogenschijnlijk uit heimwee naar zijn geliefde heer, te kwijnen, werd in het jaar 1854 geheel versuft in een klein bedje gelegd en zorgvuldig verpleegd; ook toen babbelde hij nog druk en zei dikwijls met treurige stem: “Pappie is ziek, het arme Pappie is ziek”. Kort daarna stierf hij.”
Overbodig is het, na de bovenstaande sterk sprekende bewijzen van verstand bij de Grijze Papegaaien nog over hunne geestvermogens uit te wijden. Ook over hun gemoed hebben interessante waarnemingen ons inlichtingen verschaft. “Een vriend van mij,” verhaalt Wood, “zag een Vogel van deze soort op bevallige en beminnelijke wijze de taak van pleegmoeder vervullen bij eenige hulpbehoevende schepseltjes. In den tuin stond een perk met eenige rozenstruiken, dat omgeven was door een omheining van metaaldraad met slingerplanten er aan. Hier nestelde een paar Vinken, dat voortdurend werd gevoederd door de jegens alle dieren vriendschappelijk gezinde bewoners van het huis. De veelvuldige bezoeken aan het rozenboschje trokken spoedig de aandacht van Polly, den Papegaai; zij zag, dat daar voedsel werd uitgestrooid en besloot dit goede voorbeeld na te volgen. Daar zij zich vrij bewegen mocht, verliet zij haar kooi, bootste den loktoon van de oude Vinken nauwkeurig na en bracht daarna herhaaldelijk met den snavel een deel van haar voedsel naar de jongen. De ouders vonden echter de bewijzen van genegenheid, die deze hun onbekende, groote Vogel aan hunne jongen gaf, te hartstochtelijk en vlogen verschrikt weg. Bij de onverzorgd achtergelaten jongen vond Polly ruimschoots gelegenheid om gevolg te geven aan haar neiging voor het pleegmoederschap. Van stonde af weigerde zij in haar kooi terug te keeren, maar bleef dag en nacht bij hare pleegkinderen, voederde ze zeer zorgvuldig en smaakte het genoegen ze groot te brengen. Toen de kleintjes het nest verlieten, gingen zij soms op den kop en den nek van hun pleegmoeder zitten; dan gebeurde het wel eens, dat Polly zeer ernstig met haar vracht rondging. De Papegaai oogstte echter weinig dank voor haar goedertierenheid; daar hare pleegkinderen, toen zij hunne vleugels hadden leeren gebruiken, wegvlogen en nooit terugkwamen.”
Een nog opmerkelijker trek uit het gemoedsleven van den Jako wordt door Burton medegedeeld. “Bij een paar Grijze Papegaaien, die vrij in het park mochten rondvliegen, openbaarde zich de liefde voor kinderen op een zeer vreemdsoortige wijze. Een Kat had een van de nesthokjes als woonplaats gekozen en zoogde hier hare jongen. Onze Papegaaien, die waarschijnlijk niet ondernemend genoeg waren om een eigen familie te grondvesten, schenen de jonge katjes als hunne kinderen te beschouwen. Telkens sloop een van hen in het hokje en ging naast de katjes zitten. Om dit te kunnen doen, moesten zij wachten, tot de oude Kat, waarmede zij op voet van oorlog leefden, haar kroost verliet. Zelfs wanneer de moeder thuis was, gaven de Vogels zorgvuldig en met spanning acht op de kleintjes.”
Doelmatig verzorgde, op zeer eenvoudige wijze gevoederde Jako’s bereiken een hoogen leeftijd. Levaillant maakt melding van een exemplaar, waarvan de Amsterdamsche koopman Menikhuijsen eigenaar was en die reeds 32 jaar in gevangenschap had geleefd, voordat hij huisgenoot werd van zijn tegenwoordigen meester, bij wien hij het nog 41 jaren uithield. Ongeveer 4 of 5 jaar voor zijn dood begon hij zeer te verzwakken en langzamerhand uit te teren.
De Parkieten (Palaeornithinae) bewonen de tropische gewesten van de Oude Wereld. De meeste (28) soorten behooren tot het Indische en (26) tot het Australische Rijk; veel minder sterk (door 9 soorten) zijn zij in Afrika vertegenwoordigd. Onder de fraaiste, lieftalligste en sierlijkste van alle Papegaaien verdienen de Edelparkieten (Palaeornis) een plaats; voor ’t meerendeel komen zij in Zuid-Azië voor, eenige soorten worden bovendien ook (of uitsluitend) in Afrika gevonden. Hun grootte wisselt af tusschen die van een Lijster en die van een Kauw. De betrekkelijk zeer krachtige snavel is even lang als hoog, de spits van den bovensnavel sterk naar beneden gekromd en overhangend, daarvóór is een flauwe inkerving zichtbaar. De pooten zijn kort en krachtig, de vleugels lang en spits; de zeer lange staart, welks pennen van de buitenste tot de middelste sterk in lengte toenemen, bestaat uit middelmatig breede, aan den top afgeronde veeren en is meestal “lansvormig,” d. w. z., dat de beide middelste veeren ver voorbij de overige uitsteken.
De Halsbandparkiet (Palaeornis torquatus), is zeer sierlijk en fijn gebouwd en fraai van kleur. Hij is zoo groot als een Lijster: de totale lengte van het mannetje bedraagt 35 à 40 cM., waarvan meer dan 25 cM. op den staart komen. Over ’t algemeen is het vederenkleed zeer fraai grasgroen met geelachtige tint. Deze kleur vertoont op de kruin de meeste frischheid, is op de onderdeelen het lichtst, op de slagpennen echter het donkerst. Aan de beide zijden van den hals gaat zij in teer paarsblauw of hemelsblauw over; deze plek is door een prachtig rozerooden band gescheiden van het groene gedeelte van den hals. De beide middelste stuurpennen en de spitsen van de overige staartveeren zijn blauw; de onderzijde van den staart en van den vleugel is geelachtig groen. De iris heeft een geelachtig witte, de smalle ring om het oog een roode, de voet een grijze kleur.
Halsbandparkiet (Palaeornis torquatus). ⅖ v. d. ware grootte.
Van alle Papegaaien heeft de Halsbandparkiet het grootste verbreidingsgebied, daar hij zoowel in Zuid-Azië als in Afrika voorkomt. In Azië bewoont hij het Vóór-Indische schiereiland van Bengalen tot Nepal en Kasjmir, van den Indus tot Tenasserim en Pegoe, bovendien Ceylon. Hij geeft hier de voorkeur aan bebouwde gewesten en is dus de eenige Indische Papegaai, die de nabuurschap van den mensch opzettelijk zoekt. In vele Indische steden ziet men deze Vogels, evenals bij ons de Kauwen, op den nok van het dak zitten; in andere merkt men op, dat zij sommige boomen, zonder zich te bekommeren om het gewoel van de marktbezoekers onder hen, tot plaatsen van bijeenkomst kiezen, waarnaar zij iederen avond terugkeeren. Natuurlijk vloeit hieruit voort, dat zij in deze streken een gevoelige schade toebrengen aan de bezittingen van den mensch, te meer omdat er wegens de goedaardigheid van de Hindoes en hun genegenheid voor de dieren in ’t algemeen geen sprake is van ernstige maatregelen van tegenweer. Zij worden althans niet zoo onmeedoogend vervolgd als de Carolina-parkiet, hoewel zij evenals deze de boomgaarden plunderen en de graanvelden verwoesten. Op sommige plaatsen vereenigen zij zich ook wel met leden van verwante soorten en zwerven in hun gezelschap het land rond.
Een andere levenswijze hebben de iets kleinere en ook in kleur eenigszins afwijkende Halsbandparkieten van Afrika. Hier worden zij van 17° tot 8° N.B. in alle gewesten van het binnenland gevonden; van de westkust tot aan den oostrand van het Abessinische gebergte bewonen zij iedere gunstig gelegene boschachtige streek. Zij houden zich niet uitsluitend in het uitgestrekte, onafgebroken oerwoud op, dat in Centraal-Afrika vele vlakten bedekt, maar komen ook dikwijls in kleinere bosschen voor, indien hier althans eenige altijd groene boomen groeien, welker dicht bebladerde kronen hun in ieder jaargetijde veilige rustplaatsen verschaffen.
Niet licht zal de reiziger in deze gewesten de Halsbandparkieten voorbijzien. Ook van niet deskundigen trekken zij duidelijk genoeg de aandacht door hun krijschend geschreeuw, dat altijd boven het mengelmoes van stemmen van de woudbewoners uitklinkt, vooral omdat ook deze Papegaaien geregeld in meer of minder talrijke gezelschappen leven. Zulk een troep, die zich dikwijls met andere troepen vereenigt en dan tot een zwerm aangroeit, heeft eenige tamarinden of andere dicht bebladerde boomen tot woonplaats gekozen en doorkruist van hieruit iederen dag een meer of minder groot gebied. In de morgenuren houden de Vogels zich nog tamelijk rustig; kort na zonsopgang echter gaan zij schreeuwend en krijschend voedsel zoeken; men ziet de zwermen dan met snelle vlucht boven het woud zich voortreppen. Afrika’s wouden zijn betrekkelijk arm aan eetbare boomvruchten, maar de planten, die in de schaduw der boomen groeien, zijn rijk aan zaden van allerlei soort en deze lokken de Papegaaien naar den bodem. Alleen gedurende den tijd, waarin de kleine, rondachtige vruchten van den Christusdoorn rijp of de malsche peulen van de tamarinde eetbaar zijn, dalen de Papegaaien weinig of niet op den bodem af. Niet onwaarschijnlijk is het, dat zij ook dierlijk voedsel gebruiken; dikwijls althans heb ik ze in de nabijheid van mierenhoopen of termietenwoningen aan ’t werk gezien en bij gevangenen een eigenaardige begeerte naar vleesch waargenomen. Zelden ziet men ze op de akkers, die de bewoners van Centraal-Afrika aan den rand van het woud bebouwen, hoewel gevangen exemplaren met de voornaamste graansoorten van deze streken gemakkelijk in ’t leven gehouden kunnen worden. Blijkbaar zijn zij meer gesteld op de vruchten en zaden van het woud dan op koorn. Tot tegen den middag houden de leden van den zwerm zich bezig met het zoeken van voedsel; daarna brengen zij een bezoek aan de drinkplaats, om vervolgens eenige uren te rusten in een der genoemde dichte boomkronen. Intusschen hoort men een druk gesnap en geschreeuw, waardoor de troep ook dan nog de aandacht trekt, als men hem niet kan zien. Ook van deze Papegaaien geldt, wat van de Zuid-Amerikaansche gezegd werd; men moet zich zeer inspannen om de groene Vogels te midden van het evenzoo gekleurde loover waar te nemen. Daarbij komt, dat zij oogenblikkelijk zwijgen bij ’t opmerken van een voor hen merkwaardig verschijnsel of zachtjes en voorzichtig wegsluipen, wanneer zij vervolging duchten. Hoe langer men onder een boom vertoeft, uit welks kroon men het geluid van honderden stemmen hoorde weerklinken, hoe stiller en rustiger het daarboven wordt; ten slotte is er geen enkele Vogel meer over: achtereenvolgens zijn alle naar een anderen dergelijken boom verhuisd, waar zij nu door een vroolijk geschreeuw den goeden uitslag van hun listig uitgevoerde vlucht verkondigen.
Na eenige uren van rust vliegen de Parkieten ten tweeden male uit om spijs en drank te halen; tegen den avond vereenigen zij zich weder op hunne lievelingsboomen en schreeuwen zoo mogelijk nog luider dan voorheen; toen zochten zij de beste twijg voor het uitrusten, nu trachten zij de veiligste slaapplaats te bemachtigen.
In de streken van Afrika, die ik bereisd heb, maakt alleen de naturaliën-verzamelende Europeaan met het schietgeweer jacht op de Halsbandparkieten; de inboorling vervolgt hen niet met zijne wapens en vangt ze hoogstens, wanneer er kans bestaat om met de levende Papegaaien goede zaken te doen. Hoe veelvuldig deze Vogels ook zijn, toch is het niet gemakkelijk ze onder schot te krijgen; met hun slimheid weten zij den geoefenden jager te leur te stellen en zijne pogingen te verijdelen.
De vangst geschiedt niet volgens een bepaald plan. Hoogstens worden de jonge, bijna voor ’t uitvliegen geschikte Vogels uit het nest genomen, of wordt des nachts de een of andere volwassene in een holte van een boom overrompeld. Netten en strikken worden voor het bemachtigen van deze dieren niet gebruikt, hoewel de inboorlingen met deze hulpmiddelen bekend zijn. Aan den Senegal heeft de vangst, naar ’t schijnt, op grootere schaal plaats; de meeste Halsbandparkieten, die bij ons in gevangenschap gevonden worden, zijn van daar afkomstig.
Twee soorten van Edelparkieten verdienen nog vermelding, omdat zij, behalve in Vóór- en Achter-Indië en op Ceylon, ook gevonden worden op eenige Groote Soenda-eilanden, waar de orde der Papegaaien schaars vertegenwoordigd is. Het zijn de op Java en Borneo voorkomende Alexander-parkiet (Palaeornis Alexandri)—zoo genoemd, omdat het, naar men meent, deze soort was, die door den tocht van Alexander den Grooten naar Indië in ons werelddeel bekend werd—en de op Sumatra en Borneo inheemsche Langstaartige Parkiet (Palaeornis longicaudatus). Deze houdt zich het liefst op in met struiken bedekte streken, vliegt schielijker dan zijne beide stamgenooten en maakt minder gedruisch. In grootte evenaart hij onzen Spreeuw. De levenswijze komt met die van hare Indische verwanten overeen; evenals deze beide veroorzaakt hij veel schade op de rijstvelden. Alle drie worden in menigte gevangen en levend naar Europa vervoerd. De Langstaartige Parkiet, kenbaar aan de grootere lengte van de middelste staartveeren, wordt door de Engelschen Plumheaded Parrakeet (Pruimkop parkiet) genoemd, omdat de fraaie, roode kleur van den bovenkop bij hem op den achterkop in kobaltblauw overgaat, hetgeen aanleiding heeft gegeven tot de vergelijking van den geheelen kop met een blauwe pruim. Een fijne, zwarte halsband, een zwarte baardstreep, een zwarte keelvlek en een licht blauwachtig groene nekband scheiden den kop van de donkergroene bovenzijde en de lichtgroene onderdeelen. De schouders hebben een roodbruine vlek. Het wijfje is groen, haar kop aschgrauw, naar blauw zweemend, de breede halsband geelgroen.
De Alexander-parkiet heeft in hoofdzaak dezelfde kleur als de Halsbandparkiet, maar is zoo groot als een Kauw. Hij heeft een rozerooden nekkraag en een groote, bruinachtig purperroode schoudervlek.—Hij en één soort van Vleermuispapegaai zijn de eenige vertegenwoordigers van hun orde op Java. Op Borneo komen behalve deze en de vorige soort nog twee Papegaaien voor. Op Sumatra vindt men dezelfde vormen als op Borneo, met uitzondering van den Alexander-parkiet.
*
De Vleermuispapegaaien (Coryllis of Loriculus), die door sommige dierkundigen bij de Honigpapegaaien worden gevoegd, hoewel hun tong niet met haarvormige vezels bezet is, vinden bij Marshall onder de Parkieten een plaats. Hun snavel is zeer zwak, veel langer dan hoog, zijdelings samengedrukt; de pooten zijn kort en krachtig; de vleugels, die in den toestand van rust meer dan de helft van den staart bedekken, zijn lang; de eenigszins afgeronde staart is kort, het vederenkleed hard en dicht, uit langbaardige veeren samengesteld; zijn hoofdkleur is fraai groen; hierop komen de roode, gele en blauwe vlekken van den bovenkop en de keel en ook de steeds roode staartwortel goed uit.
Dit geslacht bevat ongeveer 20 soorten, die veel op elkander gelijken, bewoners van de Indo-Maleische en Papoeaansche landen en eilanden: hun verbreidingsgebied strekt zich van Ceylon tot Malabar en van het schiereiland Malakka tot Nieuw-Guinea uit; zij komen echter binnen dezen uitgestrekten kring niet overal, doch slechts sporadisch voor. Uitvoerige berichten over hun leven in de vrije natuur ontbreken tot dusver; het is echter gebleken, dat zij boomvogels zijn in de meest uitgestrekte beteekenis van het woord, zich soms in ontelbare menigte tot zwermen vereenigen en zich voeden met bessen, bloesems van boomen, knoppen en zaden. Om te rusten gaan zij op de wijze van de Vleermuizen aan de pooten hangen: zij vliegen weinig, maar goed, zingen lief en nestelen in holle boomen. Door de bewoners van hun vaderland worden zij dikwijls in gevangenschap gehouden; zij zijn echter zeer weekelijk en komen daarom bij ons zelden als kooivogels voor.
Het Blauwkroontje (Coryllis galgulus), op Sumatra Selindi genoemd, is ongeveer zoo groot als onze Ringmusch, zijn kleed grootendeels grasgroen, een ronde vlek op het midden van de kruin donker ultramarijnblauw, een driehoekige, met de spits naar onderen gerichte vlek op den rug oranjekleurig; een groote, langwerpig ronde dwarsvlek op de keel is schel karmijnrood, evenals de staartwortel en de bovendekveeren van den staart; een smalle dwarsstreep op den onderrug boven den rooden staartwortel is hooggeel, evenals de zoomen van de onderste veeren aan de zijden van den schenkel; de binnenvlag van de slagpennen is zwart, de onderzijde van de slag- en stuurpennen marineblauw; de onderdekveeren van den staart zijn groen.
Voor zoover men tot dusver heeft kunnen nagaan, komt deze soort uitsluitend op Borneo, Sumatra, Banka en de zuidspits van het Maleische Schiereiland voor. Deze, en vermoedelijk ook alle overige Vleermuispapegaaien, behooren tot de lieftalligste leden van de geheele orde; het zijn alleraardigste Vogels; men merkt bij hen een verrukkelijke, argelooze gemeenzaamheid op; zij zijn beweeglijk, maar niet wild; zij zingen snappend of snappen zingend, zonder door een luid gillend geschreeuw of gekrijsch ons een onaangename gewaarwording te verschaffen. Zij bewegen zich op een bijzonder sierlijke en gemakkelijke wijze. Haastig trippelend maar niet waggelend loopen zij over den grond; zonder schroom doen zij sprongen, die voor hunne korte pootjes vervaarlijk groot schijnen; zij klimmen snel en behendig bij de traliën van hun kooi op en neer, waarbij zoowel de snavel als de pooten hun taak uitstekend vervullen.
Als zij rusten willen, nemen zij slechts bij uitzondering de gewone houding van de Papegaaien aan, in den regel (en gedurende het slapen altijd) klemmen zij zich, als Vleermuizen, met de pooten vast aan den bovenwand van de kooi of aan een dorren tak en laten niet alleen den romp, maar ook den kop recht naar beneden hangen, zoodat de rug, de ingetrokken hals, de kruin en de snavel in een rechte lijn komen te liggen; de staart is, waarschijnlijk om hem nergens tegen te stooten, scheef naar achteren en naar boven gebogen; de veeren zijn achteloos opgericht. De fraaie diertjes zien er nu geheel anders uit dan gewoonlijk; zij lijken dubbel zoo dik als gedurende het zitten en zijn bijna bolvormig.
Bij den Javaanschen Vleermuispapegaai (Coryllis pusilla) is de kruin van dezelfde kleur als de meeste overige lichaamsdeelen, n.l. grasgroen; op den krop komt een groote, hooggele vlek voor; de geheele teekening bestaat uit rood en geel.
*
Op Sumatra en Borneo, leeft het Malakka-parkietje (Psittinus incertus), de Tanau der inboorlingen, de eenige soort van zijn geslacht. Het bereikt de grootte van een Spreeuw; de hoofdkleur van het vederenkleed is blauw-grijs, de mantel echter zwart, de achterrug donker kobaltblauw; de vleugels zijn grootendeels groen, de zijden van den romp en de onderdekveeren van de vleugels ponceau-rood, de staartpennen grootendeels groenachtig geel: de bek is koraalrood. “Het is een aardig gezicht,” schrijft Snelleman, “deze Parkieten netjes naast elkander op een tak boven het water te zien zitten. Op de boomen langs de Batang-Silago zijn zij zeer algemeen, meestal in troepjes van 10 tot 20 stuks. Zij zijn niet schuw, maar worden het spoedig door het schieten en keeren dan geruimen tijd niet tot denzelfden boom terug.”
*