Blauwkroontje (Coryllis galgulus). ⅔ v. d. ware grootte.
Nauw verwant aan de Vleermuispapegaaien, die zij als ’t ware in Afrika vervangen, zijn de welbekende Inséparables, de Love-birds der Engelschen (Agapornis). De vijf soorten van dit geslacht zijn niet of weinig grooter dan een Musch; zij hebben een gedrongen lichaamsbouw en een korten, flauw afgeronden staart. Hun hoofdkleur is groen, de staartwortel is meestal blauw. Zij onderscheiden zich door hun groote neiging tot gezelligheid, die zij ook in de kooi openbaren door zich tegen een soortgenoot aan te vleien en dezen te liefkoozen. De meest bekende zijn: het Roodkopje (Agapornis pullaria) van de Goudkust, met lichtrood gelaat en keel, het Rozenkopje (Agapornis roseicollis) van Zuid-Afrika, met rozerood gelaat, voorhals en een schel rood voorhoofd, en het Grijskopje (Agapornis cana) van Madagaskar, met grijzen kop, hals en borst. De wijfjes van de beide eerstgenoemde soorten zijn door de geringere uitgestrektheid en de eenigszins mattere tint van het rood van het mannetje te onderscheiden; bij het wijfje van het Grijskopje zijn ook de kop en de hals groen. Vooral van de laatstgenoemde soort worden sedert eenigen tijd duizenden naar Europa gebracht, waar zij voor ƒ 6 per paar koopers vinden (de andere soorten zijn duurder). Alle verdragen, als zij met gierst en kanariezaad gevoerd worden, de gevangenschap goed en broeden zelfs in de kooi. Het toeval maakte mij bekend met hetgeen zij hierbij noodig hebben. De paartjes, die ik verzorgde, overlaadden elkander met liefkoozingen, maar gingen niet aan ’t broeden. Jegens de andere bewoners van de volière gedroegen zij zich even onverdraagzaam, als zij voor elkander lief waren. “Onophoudelijk gingen zij hunne nesthokjes in en uit, maar schenen deze meer als schuilhoeken, dan als nestplaatsen te beschouwen. Zij waren ongetwijfeld broedsch, maar er ontbrak hun iets. Ik kwam op het denkbeeld, dat zij knoppen als voedsel zouden verlangen en liet hun groene, bebladerde wilgentakken geven. Weinige minuten later zaten zij er reeds op, ontbladerden ze schielijk en knaagden aan de knoppen en de schors. In den beginne schreef ik ook deze bedrijvigheid aan vernielzucht toe; het bleek mij echter weldra, dat het hun om bouwstoffen voor hun nest te doen was. Behendig schilden zij een stuk schors van 6 à 10 cM. lengte af, vatten het zoo met den snavel aan, dat het eene einde er ongeveer 3 cM. ver uitstak, zetten de staartwortelveeren op, staken het stuk schors er tusschen, zoo dat dit zitten bleef, toen de veeren weer neergelegd werden. Een tweede, derde, zesde, achtste splinter werd op dezelfde wijze afgeknaagd en tusschen de veeren bevestigd; menig stukje viel op den grond en werd daar vergeten, menig ander werd er door het al te voortvarende mannetje weer uitgehaald, ten slotte waren er toch genoeg blijven zitten; het wijfje vloog langzaam en voorzichtig naar het nesthokje, sloop er volgeladen in en kwam zonder haar last terug. Weinige dagen nadat de Vogels begonnen waren bouwstoffen in het nest te brengen, begon het wijfje eieren te leggen, daarna te broeden; hoe lang dit duurde, weet ik niet, daar ik de ouden door het onderzoeken van het nest niet lastig wilde vallen. Het nest was, gelijk mij later bleek, netjes vervaardigd van strookjes schors en had den vorm van een hollen kogel, waaraan ongeveer een derde deel van den wand ontbrak.
De Borsteltongigen, Honigpapegaaien of Loris (Trichoglossinae), die de vijfde onderfamilie vormen, onderscheiden zich door den afwijkenden bouw van de tong. Het voorste vierde gedeelte (of de kleinste helft) van dit orgaan draagt, zoover het vrij is, dicht bijeenstaande borstels van 1.5 à 2 mM. lengte en ovaal op de dwarse doorsnede; deze zijn in reeksen geplaatst, welke evenwijdig loopen met de randen van de tong en slechts kleine tusschenruimten overlaten; zij bestaan uit vaatrijke, slanke, kegelvormige papillen, die, met een minstens tweemaal zoo lange, hoornachtige laag bedekt, een soort van borstel of kwast vormen, welker 250 à 300 haren aan de spits door het gebruik altijd meer of min gespleten en in fijnere vezels verdeeld zijn.
Volgens de nagenoeg eenstemmige berichten van de reizigers, die de dierenwereld van Australië en Polynesië hebben nagegaan, leven de eigenaars van deze merkwaardige tong, evenals sommige andere Papegaaien (Coryllis, Platycercus), van den honig der bloemen van boomen, vooral van palmen; zij gebruiken dit sap in zoo groote hoeveelheid, dat uit den snavel de geschoten exemplaren dikwijls een eetlepel vol honig wegvloeit. Ook wordt bericht, dat de maag van deze diertjes zeer klein en dunwandig is. Sommige eten ook de bloemen zelve. In de maag van enkele werden zaden gevonden.
Marshall zegt van de voedingswijze der Honigpapegaaien: “Gaarne wil ik erkennen, dat deze Vogels honig uit de bloemen opnemen, op gelijke wijze als de Ceylonsche Vleermuispapegaai (Coryllis indicus) van het gegiste sap van den suikerpalm (Caryota urens), dat daar “toddy” wordt genoemd, soms meer neemt dan hij verdragen kan, zoodat hij het bewustzijn verliest en in dezen toestand een gemakkelijke buit wordt voor de inboorlingen. Ik kan echter niet toegeven, dat de honig voor deze dieren een echt voedingsmiddel en iets meer dan een genotmiddel is. Geen enkel dier kan van honig alleen leven, daar hierin geen eiwitstoffen voorkomen. Bovendien kan men zich moeielijk voorstellen, dat zij een breede, borstelvormige tong zouden bezitten, indien dit orgaan uitsluitend voor het verkrijgen van honig uit de nectariën van de planten moest dienen. Beide bezwaren worden echter uit den weg geruimd, als wij aannemen, dat de Honigpapegaaien wel af en toe voor hun genoegen honig gebruiken, maar dat hun voornaamste voedsel, evenals dat van de Bijen, uit stuifmeel bestaat. Van een tot de Waaierparkieten behoorende soort (Platycercus erythropterus) is dit met zekerheid gebleken. Geen instrument kan geschikter zijn om het stuifmeel te verkrijgen, om dit als ’t ware bijeen te borstelen, dan een tong, zooals hierboven beschreven werd. Niet zelden worden Honigparkieten geschoten, welker kop geheel bepoederd is met geel stuifmeel hetgeen trouwens ook zou kunnen voorkomen, als deze diertjes alleen op den honig aasden. De kleine Papegaaien zouden dus bij sommige bloemen dezelfde rol spelen, als gewoonlijk door de Insecten (en in Amerika soms ook door de Kolibries) wordt vervuld, n.l. door het overbrengen van het stuifmeel van den eenen boom naar den anderen tot de bevruchting van eicellen der planten medewerken.”
De 9 geslachten met ruim 60 soorten van deze onderfamilie behooren uitsluitend in ’t Australische Rijk thuis; de meeste op Nieuw-Guinea en de naburige eilanden, andere op de Molukken en Timor, twee soorten op Celebes; ook op Nieuwholland en Tasmanië worden enkele soorten gevonden; de overige zijn over verscheidene Polynesische eilandengroepen verdeeld.
*
De Breedstaartloris (o. a. Domicella) zijn slank gebouwde Papegaaien, welker grootte afwisselt tusschen die van een Musch en die van een Kauw; de snavel is even hoog als lang, zijdelings samengedrukt met afgeronden, smallen rug, zonder tandinkerving en zonder vijlgroeven; de staart is sterk afgerond of eenigszins trapvormig, uit breede, aan de spits steeds afgeronde pennen samengesteld; de veeren zijn schitterend van kleur, in den regel rood met blauw afwisselend, soms effen zwart of blauw; de snavel is hooggeel of zwart, de voet steeds donker gekleurd.
Een sinds lang bekende vertegenwoordiger van dit geslacht is de Zwartkoplori, de Kastorie der Amboneezen, de Loerie of Ninrie van de bewoners van Ceram (Domicella atricapilla). De hoofdkleur van het vederenkleed is prachtig karmijnrood, de bovenkop paarsachtig zwart, op het voorhoofd in donkerzwart, op den achterkop in donkerviolet overgaande; een breede dwarsstreep op den krop, die zich soms tot op de borst uitstrekt, heeft een sprekend hooggele kleur. De vleugelbocht is blauw, elke veer met een witachtigen eindzoom; de vleugels zijn donker grasgroen, in de schouderstreek bruinachtig geelgroen uitvloeiend, de onderschenkelveeren korenbloemblauw.
Deze fraaie Vogel bewoont uitsluitend Ceram en Amboina en komt hier zoowel in het stille woud als in de buurt van menschelijke woningen veelvuldig voor. Zijn voedsel bestaat, behalve uit honig, uit weeke boomvruchten, vooral uit die van de pisang. Hij nestelt in holle boomen; de eieren zijn, zooals bij alle Papegaaien, glanzig wit en een weinig grooter dan die van den Merel.
“Op Amboina,” schrijft Von Rosenberg, “vindt men geen Vogel veelvuldiger in gevangenschap dan de Zwartkoplori, in de stad Amboina bijna in ieder huis, in iedere hut. Zij is de lievelingsvogel van de Amboineezen en verdient deze voorkeur zoowel door haar schoonheid en zachtaardigheid als door haar leerzaamheid. Zij leert tamelijk vlug spreken en is dan de trots van haar eigenaar. Beneden de 8 of 10 gulden is zulk een afgerichte Vogel, die vóór dien tijd slechts 1½ à 2 gulden waard was, niet te koop. Men voedt deze Loris met rauwe en gekookte rijst, in water geweekte sago en pisangvruchten; dagelijks moeten zij versch water hebben, daar zij veel drinken en vooral graag baden, waarbij zij al hare veeren nat maken. Ook haar is het woord “Lori” aangeleerd en niet van nature eigen.” In Europa komen zij niet al te zelden in de kooi voor; zij vereischen nog al eenige zorg, wat de warmte van de omgeving en de keuze van het voedsel betreft. Men heeft haar hier nog niet met goed gevolg aan ’t broeden kunnen krijgen.
*
De Wigstaartloris of Honigparkieten (o.a. Trichoglossus) verschillen van de vorige vooral door den wigvormigen staart, welks pennen aan den wortel tamelijk breed zijn en naar de afgeronde spits allengs smaller worden. In de kleur van het glanzige vederenkleed heeft aan de rugzijde groen, aan de buikzijde rood de overhand; hier is gewoonlijk een uit donkere vlekken bestaande teekening, ginds een lichtere dwarsband in den nek aanwezig. Het vasteland van Australië is het brandpunt van het verbreidingsgebied dezer Vogels, dat in Van-Diemensland zijn zuidelijke grens bereikt, terwijl de noordelijke op de Moluksche eilanden Halmaheira en Moretai te zoeken is; in westelijke richting verbreiden zij zich tot Soembawa en Flores, in oostelijke tot Nieuw-Caledonië, de Nieuw-Hebriden en de Salomonseilanden. Een hoofdtrek van hun karakter is de neiging tot gezelligheid. Meer dan andere Papegaaien zijn zij door gelijkheid van levenswijze en gelijksoortigheid van voedsel vereenigd; op een en denzelfden boom ziet men drie of vier van de meest verschillende soorten op vreedzame wijze met elkander verkeeren. Evenals de meeste Australische Papegaaien zijn ook zij gedwongen om te trekken, vooral de in ’t Zuiden broedende soorten komen en gaan ieder jaar met een zekere regelmatigheid. Op hunne reizen vereenigen zij zich dikwijls in ontelbare menigte tot zwermen, die zoo dicht ineengedrongen zijn, dat zij op een wolk gelijken, gemeenschappelijk verschillende zwenkingen uitvoeren en door hun geschreeuw, dat op een korten afstand werkelijk oorverdoovend is, reeds van verre de aandacht trekken. Zij broeden gezellig in holle boomen.
De inboorlingen van Australië tooien zich met de aan een snoer geregen koppen van Honigparkieten. De kolonisten jagen ze alleen om ze in de kooi te houden; men kan ze met zaden voeden en lang in ’t leven houden; sommige broeden in de gevangenis; zelfs in Europa is dit voorgekomen. Hun vleesch is hard en taai en heeft bovendien een onaangenamen reuk.
Het veelvuldigst ziet men in onze kooien de Veelkleurige Lori of Swainsonlori (Trichoglossus Novae-Hollandiae); een van de grootste soorten der groep, ongeveer even groot als de Carolina-parkiet; de kop, de wangen en de keel zijn paarsblauw, de achterhals, de mantel, de staartwortel, de vleugels en de staart donker grasgroen, de veeren van den bovenrug in het midden geel, aan den wortel rood, die van den nek vormen een onduidelijken, geelgroenen halsband; de kop, de borst en de onderdekveeren van den vleugel zijn fraai vermiljoenrood met onregelmatige, breede, lichtere en donkere, dwarse golvingen, de zijden van de borst hooggeel, de buikveeren donkerblauw, aan den wortel rood, de veeren van de zijden van den buik rood met blauwe eindvlek, de schenkels, de aarsstreek en de onderdekveeren van den staart grasgroen (elke veer afzonderlijk aan den wortel rood, in ’t midden geel, aan de spits groen), de slagpennen aan de binnenzijde zwart, in het midden met een breede, gele vlek geteekend, de staartveeren aan de onderzijde citroengeel, bij den wortel met eenigszins roodachtige tint. De iris is oranjerood, de snavel bloedrood, de washuid donkerbruin, de poot vaalbruin. Deze prachtige Vogel bewoont de eucalyptus-wouden van geheel Nieuw-Holland en Van-Diemensland en voedt zich met honig en stuifmeel. Hij is veel levendiger en hartstochtelijker van aard dan de Breedstaartloris.
De kleine onderfamilie van de Dwergpapegaaien (Micropsittacinae) draagt haar naam te recht, hoewel het kleinste lid der orde (Coryllis exilis) tot het geslacht der Vleermuispapegaaien behoort. Het veelvuldigst zijn zij op Nieuw-Guinea en de naburige eilanden; Nieuw-Holland is het zuidelijkst, Leçon het noordelijkst deel van hun verbreidingsgebied. Door hun snavel gelijken zij op de Kaketoes.
*
De Spechtpapegaaien of Dwergkaketoes (Nasiterna) hebben een zeer krachtigen snavel, veel hooger dan lang, met sterk naar beneden gekromde bovenhelft, die vóór de spits een diepe, scherphoekige insnijding vertoont. De korte, afgeronde staart is merkwaardig, doordat de schaften der pennen bij den top baardeloos zijn en als stijve, eenigszins benedenwaarts gekromde spitsen voorbij de vlag uitsteken. Men vermoedt, dat deze vogeltjes op soortgelijke wijze als de Spechten klimmen, waarbij de bijzonder dunne teenen, welker lengte het dubbele is van die van den loop, goede diensten kunnen bewijzen, hoewel de klauwen zwak en weinig gekromd zijn.
Een van de vroegst bekende vertegenwoordigers der onderfamilie is de Roodborstige Dwergkaketoe (Nasiterna pygmaea), die ongeveer zoo groot is als ons Sijsje. De groene kleur heeft bij hem de overhand; zij gaat op den bovenkop in geel, op het aangezicht in geelbruin over; de onderdeelen zijn lichter, het midden van borst en buik is roodachtig; de pooten zijn geelbruin. De beide middelste staartpennen zijn blauw, de overige zwart met gele spitsen.
Geheel tot het Australische Rijk beperkt is de onderfamilie der Platstaartpapegaaien (Platycercinae), die ruim 70 soorten omvat. Het brandpunt van haar verbreidingsgebied is Nieuw-Holland; noordwaarts en westwaarts strekt het zich uit tot de Molukken en Timor, oostwaarts tot de Gezelschapseilanden, zuidwaarts tot het Macquarie-eiland, waar de Papegaaisoort leeft, die zich het dichtst bij de pool ophoudt. De leden van deze groep hebben een kleinen of tamelijk kleinen snavel, welks washuid gewoonlijk bevederd is. Van hun in den regel langen, duidelijk wigvormigen staart verlengen zich meestal de vier middelste pennen, die onderling in lengte overeenkomen, voorbij de overige, die naar weerszijden trapsgewijs in lengte afnemen.
Rosella (Platycercus eximius). ⅖ v. d. ware grootte.
*
Het soortenrijkste en meest typische geslacht van deze onderfamilie is dat der Waaierparkieten (Platycercus), zoo genoemd omdat zij in Nieuw-Holland en Tasmanië hunne naaste verwanten eveneens daar en in andere deelen van het Australische Rijk, een soortgelijken indruk maken als de Edelparkieten in het Ethiopische en het Indische. Zij kenmerken zich door de in ’t oogvallende breedte hunner aan de spits afgeronde staartpennen (die niet van den wortel tot de spits smaller worden), den korten, krachtigen snavel, die bijna altijd meer hoog is dan lang, de zwakke pooten met betrekkelijk langen loop, de spitse en lange vleugels en het zachte, in den regel zeer bonte, slechts bij uitzondering alleen groen en rood gekleurde vederenkleed. Hun grootte wisselt af van die eener Lijster tot die eener Kraai.
Er ontbreekt nog veel aan onze kennis van de levenswijze dezer door kleurenpracht en lieftallige inborst aantrekkelijke Vogels. Uit de onderzoekingen van Gould en anderen is gebleken, dat de Waaierparkieten, evenals de meeste hunner in Australië levende verwanten, zich meer op den grond dan in boomen ophouden. In Australië bewonen zij de uitgestrekte, op parken gelijkende vlakten, die hun in sommige jaren rijkelijk voedsel verschaffen, maar in andere veel te weinig opleveren, zoodat zij, evenals de Corellas, de Zangparkieten en de Grasparkieten (Euphemia), gedwongen zijn om meer of minder verre, aan geen regel gebonden reizen te ondernemen. Zij vliegen uitmuntend, zijn ook in het loopen zeer goed ervaren, maar staan, wat hun geschiktheid om te klimmen betreft, bij hunne verwanten merkbaar achter. Door hun stem onderscheiden zij zich gunstig van de meeste overige Papegaaien. Onaangename, krijschende, gillende of krassende geluiden hoort men zelden van hen, vaker een aangenaam gefluit en niet zelden een welluidend gezang of een zangerig gesnap. Hunne geestvermogens zijn minder goed ontwikkeld dan die van andere Papegaaien. Tamelijk ongeregeld zwerven zij bij vluchten door het land, komen ook in de onmiddellijke nabijheid van menschelijke woningen en zelfs in de steden, zijn gedurende de morgen- en avonduren gezellig op den bodem bezig en zoeken hier hun voedsel, dat uit allerlei zaden van grassen bestaat. Als de broedtijd nadert, verspreiden de leden der troepen zich min of meer, al naar de schaarschte of de overvloed van holle boomen hen hiertoe in staat stelt. In zulk een holte legt het wijfje op het met den snavel losgebeten, vermolmde hout of op eenige door haar aangevoerde, lichte bouwstoffen 4 à 8 (volgens eenige berichtgevers soms niet minder dan 12) glanzig witte eieren; met groote zelfverloochening bebroedt zij ze, naar het schijnt, zonder hulp van het mannetje. De beide ouders houden zich vervolgens gezamenlijk bezig met het grootbrengen van hun talrijk kroost en hervatten hunne zwerftochten, als de jongen zoo ver ontwikkeld zijn, dat zij hen kunnen volgen.
Sedert vele tientallen van jaren brengt ieder van Australië komend schip, dat levende Vogels vervoert, ook Waaierparkieten op onze dierenmarkt. Deze fraaie, voor een deel prachtig gekleurde Vogels trekken sterk de aandacht; de vogelliefhebbers ondervonden echter spoedig, dat het buitengewoon moeielijk is, Platstaartpapegaaien in de kooi te houden, of liever, dat wij tot dusver nog niet weten, hoe deze Vogels verzorgd moeten worden. Zij verdragen de gevangenschap veel minder goed dan alle andere leden der orde.
Een der meest bekende vertegenwoordigers van het geslacht is de Rosella van de Australische kolonisten (Platycercus eximius), die den omvang heeft van een groote Lijster. De kop, de keel en de borst benevens de onderdekveeren van den staart zijn levendig karmijnrood, de veeren van het achterste deel en van de zijden van den hals, van den mantel en van de schouders zijn zwart met breede lichtgele zoomen, die van de onderborst hooggeel, die van de zijden van de borst geel met zwarte middelvlek, die van den buik, van de schenkels, van den staartwortel en de bovendekveeren van den staart fraai lichtgroen, vaalgeelachtig uitvloeiend, de slagpennen zwartbruin, met donkerblauwen rand op de buitenvlag, de handpennen prachtig paarsblauw, de laatste 3 of 4 armpennen met breeden, lichtgroenen rand op de buitenvlag, alle van onderen grijsachtig zwart; de middelste staartveeren zijn donker olijfkleurig groen, nader bij de spits blauwachtig groen; van de overige is de wortelhelft donkerblauw, de tophelft licht paarsblauw, de top wit. Een witte baardvlek strekt zich van den bovensnavel tot aan de oorstreek uit; een groote zwarte vlek versiert de voorarmstreek. De oogen, de snavel en de pooten zijn donkerbruin. Deze fraaie Parkiet bewoont Zuid-Australië, Nieuw-Zuid-Wales en Tasmanië; hier is hij een van de veelvuldigst voorkomende Vogels.
*
Een van de soorten, die het meest afwijken van het algemeene type der onderfamilie is de Nymfparkiet, de Corella of Kaketoepapegaai van de Australische kolonisten (Callipsittacus Novae-Hollandiae). De Corella is ongeveer even groot als een van onze grootste Lijsters, maar schijnt grooter wegens haar langen, “lansvormigen” staart. Het vederenkleed is zeer bont en bevallig geteekend; de hoofdkleur, donker olijfkleurig grijsbruin, gaat op de onderdeelen in grijs over; de bovenkop, de teugel en de wang zijn licht stroogeel, evenals de veeren van de kuif, die de kruin versiert; deze hebben echter grijze spitsen; een ronde vlek in de oorstreek is saffraanrood, van achteren door een witten rand begrensd; de leikleurig grijze handpennen hebben een donkerbruine binnenvlag en spits; de armpennen zijn, met uitzondering van de laatste, wit op de buitenvlag, maar bruinzwart op de binnenvlag en de spits; de bovendekveeren van den vleugel zijn bruinzwart, de onderdekveeren, evenals de onderzijde van de slagpennen, zwart, de stuurpennen aschgrauw aan den binnenrand en van onderen zwart, met uitzondering van de beide middelste, die een grijze kleur hebben; de bovendekveeren van den staart zijn aschgrauw, de onderdekveeren iets donkerder. De iris is donkerbruin, de naakte ring om de oogen grijs, de snavel zwartachtig grijs, de washuid grijs, de voet grijsbruin.
Gould, die de eerste levensbeschrijving van de Corella gegeven heeft, trof deze fraaie Vogels zeer veelvuldig aan in de binnenlanden van Australië. Aan de kusten zijn zij zeldzamer; althans in verhouding tot de duizenden, die de vlakten van het binnenland bevolken, vindt men er slechts weinige tusschen de groote bergketens en de zee. Na den broedtijd vereenigen zij zich tot ontzaglijke zwermen, die den bodem over een groote uitgestrektheid bedekken of op doode eucalyptus-takken aan den waterkant zitten. In September trekken deze zwermen naar het zuiden, in Februari en Maart keeren ze naar het noorden terug, waar zij in den zomer broeden. Evenals de meeste van hare verwanten voeden de Corellas zich met graszaden; zij kunnen echter niet zonder water en moeten zich daarom altijd in de nabijheid van stroomen ophouden; daarom nestelen zij steeds in bosschen langs rivieroevers. Zij zijn volstrekt niet schuw; vele worden gedood om haar smakelijk vleesch, andere gevangen en wegens haar bevallig voorkomen en lieftalligen aard in de kooi gehouden.
Van alle Australische Papegaaien komt de Corella (na den Zangparkiet) het veelvuldigst op onze dierenmarkten voor. Men kan haar bij doelmatige verzorging langer in ’t leven houden dan eenige andere Papegaai; het kost niet veel moeite om haar in de gevangenschap met goed gevolg aan ’t broeden te krijgen.
*
Zangparkiet (Melopsittacus undulatus). ⅝ v. d. ware grootte.
Onder alle Papegaaien, die bij ons als gevangenen voorkomen, verdient een kleine, Australische Parkiet zonder eenig voorbehoud de eereplaats. Men kan zich trouwens moeielijk een Papegaai voorstellen, die beter dan hij voor kamervogel geschikt is. Andere Parkieten bekoren ons door hunne prachtige kleuren, de Zangparkiet (Melopsittacus undulatus), die hier bedoeld wordt, trekt ons aan door zijn bevallig voorkomen en zijn lieftalligheid, ik zou bijna zeggen, door zijn aanminnigheid. Schoonheid bezit hij ook in hooge mate, maar zijn beminnelijkheid is grooter dan de pracht van zijn kleed. Hij is een sieraad van iedere kamer en wint spoedig ieders genegenheid.
De Zangparkiet, tot dusver de eenige, bekende vertegenwoordiger van zijn geslacht, behoort tot de kleine Papegaaien; door zijn langen staart schijnt hij echter grooter dan hij werkelijk is. Zijn lengte bedraagt 20 à 22 cM., zijn staart is bijna 10 cM. lang. Zijn gestalte is zeer sierlijk, de romp slank, de snavel hooger dan lang, aan de zijden en op den rug afgerond, de bovensnavel bijna loodrecht naar beneden gebogen en tot een ver overhangende spits versmald, vóór deze diep uitgesneden, de ondersnavel even hoog als de bovensnavel; de voeten zijn slank, de vleugels lang en spits; de lange staart, welks beide middelste veeren ver voorbij de andere uitsteken, is trapvormig, het vederenkleed buitengewoon zacht en zeer lief geteekend, bij de mannetjes, wijfjes en jongen weinig verschillend. Het voorhoofd, de bovenkop, de teugel en de streek om den ondersnavel zijn zwavelgeel, aan weerszijden begrensd en getooid door vier schelblauwe vlekken, die aan den top van verlengde veeren voorkomen; de oorstreek, de achterkop, de achterhals, de mantel, de schouders en de meeste bovendekveeren van den vleugel hebben een groenachtig gele kleur; elke veer is echter geteekend met vier zwarte dwarslijnen, die op de schouders en de vleugeldekveeren tot twee verminderd en tevens verbreed zijn; de achterrug, de staartwortel en de bovendekveeren van den staart, alsmede de onderdeelen, van de kin af, zijn prachtig grasgroen, de handpennen en hare dekveeren dofgroen, met wigvormige, geelachtige vlekken geteekend, de meeste armpennen aan de buitenzijde groen, de laatste armpennen en de laatste schouderveeren bruinzwart met breeden, gelen eindzoom, de beide lansvormige veeren van den staart dof donkerblauw, de overige stuurpennen groenachtig blauw met breeden, zwarten zoom aan den wortel van de binnenvlag. Het oog is lichtgeel, de snavel hoorngeel, de poot blauwachtig groen.
Tegenwoordig weet men, dat deze Vogel in verbazend grooten getale het geheele binnenland van Australië en wel hoofdzakelijk de met gras begroeide vlakten bewoont en zich hier met zaden van grassen voedt. Alle onderzoekers, die hem in de vrije natuur zagen, zijn even eenstemmig in hun lof als de liefhebbers, die hem alleen in de kooi leerden kennen.
Toen Gould in het begin van December de vlakten van het binnenland bezocht, zag hij zich omgeven door Zangparkieten en besloot langen tijd op dezelfde plaats te blijven om hunne zeden en gewoonten na te gaan. Zij verschenen in vluchten van 20 à 100 stuks in de nabijheid van een kleine plas om te drinken en vlogen van hier op geregelde tijden naar de vlakten om daar de graszaden, die hun eenige voedsel uitmaken, op te pikken. Het veelvuldigst kwamen zij in den vroegen morgen en ’s avonds, voordat het donker werd, bij het water. Gedurende de heetste uren van den dag zaten zij bewegingloos onder de bladen van de eucalyptus-boomen, welker stammen de holten bevatten, die destijds door broedende paren bewoond werden. Zoolang zij zich op de boomen rustig hielden, waren zij moeielijk te ontdekken; zoodra zij echter de drinkplaats wilden bezoeken, gingen zij vrij en in grooten getale zitten op de doode takken der eucalyptus-boomen of op takken, die tot op het water afhingen. Hunne bewegingen zijn bewonderenswaardig. Zij vliegen rechtuit en buitengewoon snel, op de wijze van Valken of Zwaluwen, in de meeste opzichten anders dan de overige Papegaaien. Op den bodem is hun gang betrekkelijk goed; zij klimmen in de twijgen althans niet zonder behendigheid. Gedurende het vliegen hoort men van hen een krijschend geluid; het vriendschappelijk gesnap van de zittende Vogels zou men een gezang kunnen noemen, indien de tonen van iederen zanger zich niet vermengden met die van tallooze soortgenooten, waardoor een verward mengelmoes van tonen ontstaat.
Volgens de mededeelingen van een Duitscher, die vele jaren in Australië woonde, worden de Zangparkieten tegen den avond in groote, buidelvormige netten bij honderden en duizenden gevangen, in ruwe kistkooien opgesloten en zoo aan de vogelhandelaars in de kuststeden afgeleverd. De zorgvuldigste onder hen brengen de Vogels bij troepjes in kleine kooien over, welker zitstokjes als de treden van een trap achter en boven elkander gelegen zijn, opdat het grootst mogelijk aantal Vogels in de kleinst mogelijke ruimte een plaats kan vinden. Zulk een voor de reis bestemde kooi levert een alleraardigst schouwspel op. Het geheele gezelschap zit in gesloten gelederen op de zitstokjes; de eene rij van gezichten kijkt over de andere reeks van koppen heen; aller oogen zijn op den toeschouwer gericht; iedere Vogel schijnt om verlossing uit de nauwe gevangenis te smeeken. Twist en strijd, die bij andere Papegaaien zoo veelvuldig voorkomen, merkt men bij den Zangparkiet ook wel, doch altijd slechts bij uitzondering op.
De Zangparkiet is niet een van de Papegaaien, waarvan men dikwijls opmerkt, dat zij uit droefheid over het verlies van hun lotgenoot aan ’t kwijnen gaan en sterven; hij verlangt echter gezelschap en, zooals licht te begrijpen is, bij voorkeur dat van een soortgenoot van een andere sekse dan de zijne. Desnoods stelt hij zich tevreden met een kleinen Papegaai van een andere soort; nooit echter zal hij dezen met de lieftallige teederheid behandelen, die hij jegens zijns gelijken aan den dag legt. Het is daarom noodig deze Vogels altijd bij paren in de kooi te houden; alleen dan toonen zij zich zoo lieftallig, als zij zijn kunnen.
Een uitmuntende eigenschap van den Zangparkiet is zijn soberheid. Geen enkele kamervogel verlangt zoo weinig afwisseling in zijn voeding, als deze kleine Papegaai. Met één soort van voedsel kan hij jaren lang toe. De graszaden van Australië vervangt men door gierst, kanariezaad en hennep; deze bekomen hem goed. Dikwijls heeft men zonder succes beproefd, hem aan andere zaden te gewennen. Gaarne gebruikt hij echter sappige bladen, vooral sla, kool en dergelijke groenten. Vruchten, suiker en andere lekkernijen versmaadt hij aanvankelijk steeds, langzamerhand gewent hij er echter aan. Het ligt voor de hand, dat de gemakkelijkheid, waarmede deze Vogel onderhouden kan worden, er veel toe heeft bijgedragen, om hem in den smaak te doen vallen.
De Zangparkiet weet nog op een andere wijze de genegenheid van den mensch te verwerven. De meeste andere Papegaaien, zelfs de soorten, die het best geschikt zijn voor het verkeer met den mensch, zijn soms onverdragelijk wegens hun geschreeuw, hoe beminlijk zij overigens ook zijn. Zij, die zich door woorden voor hunne verzorgers verstaanbaar weten te maken, kunnen dikwijls geen weerstand bieden aan de hun aangeboren neiging tot tieren en wisselen de woorden, die zij hebben leeren zeggen, met een afschuwelijk gekrijsch af. Geheel anders is het met de Zangparkieten. Ook zij beschikken over een uitmuntende stem, maar gebruiken deze nooit op een hinderlijke wijze, integendeel, men kan altijd met genoegen naar hen luisteren. Deze Vogels, althans de mannetjes, dragen hun naam te recht; hun gesnap is meer dan een gekweel, het is een wel is waar eenvoudig, maar toch recht aardig wijsje. Enkele heeft men zelfs woorden leeren naspreken.
De dierenfokker, die de Zangparkieten bij paren houdt, ze doelmatig verzorgt, zoo weinig mogelijk stoort en hun een geschikte gelegenheid om te nestelen verschaft, zal bijna zonder uitzondering de vreugde smaken, dat zijne gevangenen zich voortplanten. Het mannetje is een model-echtgenoot, bemoeit zich uitsluitend met zijn eigen wijfje en nooit met andere wijfjes, die dezelfde kooi bewonen; hij is steeds vol zorg voor zijn gade. Op een tak vóór den ingang van het nest gezeten, zingt hij haar zijne fraaiste wijsjes voor; terwijl zij broedt, vervult hij steeds met ijver en genoegen de taak om haar met voedsel te voorzien. Nooit is hij treurig, stil of slaperig, gelijk zoovele andere Papegaaien, maar altijd vroolijk en lieftallig.
Het wijfje zorgt uitsluitend voor het gereedmaken van het nest. Zij bewerkt de opening van den hollen stam zoolang met den snavel, totdat de ingang aan de gestelde eischen voldoet, knaagt vervolgens van binnen spanen van verschillende grootte los en legt hierop, met tusschenpoozen van 2 dagen, 4 à 8 kleine, rondachtige, glanzig witte eieren. Zij bebroedt ze zeer ijverig gedurende 16 à 20 dagen, verwijdert zich alleen dan voor een korte poos wanneer de dringendste behoefte haar er toe noopt, en wordt intusschen door het mannetje gevoederd. De jongen blijven 30 à 35 dagen in het nest en verlaten het eerst, als zij geheel bevederd zijn. Voortdurend wordt de kinderkamer door het wijfje zorgvuldig schoon gehouden.
Onmiddellijk nadat het eerste broedsel zelfstandig geworden is, beginnen de oude Vogels aan een tweede, als ook deze jongen uitgevlogen zijn, gewoonlijk aan een derde en een vierde. In den dierentuin te Breslau heeft men waargenomen, dat een paar een vol jaar onafgebroken broedde! Zulke gevallen behooren tot de uitzonderingen: twee broedsels achtereen schijnt echter de regel te zijn.
Ten slotte moeten wij nog vermelden, dat de Zangparkieten ook bij ons in de vrije natuur in ’t leven kunnen blijven. Op het landgoed van een bekenden dierenliefhebber in België, vlogen in de lente van het jaar 1861 twee paar Zangparkieten uit een kooi weg. Weldra verloor men ze uit het oog in de boomkronen van een groot park en werden een tijdlang in ’t geheel niet of slechts zeer vluchtig waargenomen. Zij bleven echter ditzelfde gebied bewonen, en hadden er, zooals later bleek, zelfs in holle boomen genesteld en een aantal jongen grootgebracht. De eigenaar ontdekte n.l. in den herfst van het genoemde jaar een vlucht van 10 à 12 stuks Zangparkieten in een haverveld, waar zij van de graanvruchten smulden. Sedert dien tijd werden de Vogels door voorzichtig voederen langzamerhand naderbij gelokt; voor den aanvang van den winter waren er 10 stuks van gevangen.
Onder de talrijke Papegaaiensoorten, die Australië bewonen, nemen de Kaketoes (Plissolophinae) een belangrijke plaats in. Zij vormen een tamelijk scherp begrensde groep en worden daarom terecht in een afzonderlijke onderfamilie vereenigd. Haar meest in ’t oog vallend kenmerk is de kuif, die den kop versiert, opgezet en neergelegd kan worden; dit eene kenmerk is voldoende om haar van alle overige Papegaaien (met uitzondering van den Corella) te onderscheiden. (De naam “Kaketoe” is aan het Maleisch ontleend en beteekent, “oude vrouw”.)
Het verbreidingsgebied van de Kaketoes strekt zich uit van de Philippijnen tot Tasmanië en van Timor, Flores en Celebes tot de Salomonseilanden en Nieuw-Britannië. Bijna alle landen en eilanden, die binnen deze kring gelegen zijn, worden door Kaketoes bewoond. Hoewel enkele soorten over uitgestrekte landstreken of over verscheidene eilanden verbreid zijn, bewonen de meeste een buitengewoon beperkt gebied. Zij vormen voor ’t meerendeel groote, dikwijls ontzaglijke zwermen, die in bosschen van zeer verschillenden aard verblijf houden, van hier uit over velden en dreven zwerven en in alle omstandigheden den toeschouwer een phantastisch schoon schouwspel verschaffen.
Door hun aard en gewoonten gelijken de Kaketoes op de overige Papegaaien; zij behooren echter tot de beminnelijkste leden van deze orde. Verklaarbaar is het, dat zij bij den mensch uit de gunst geraken, wanneer zij, tot zwermen van duizenden vereenigd, haar onaangenaam gekrijsch laten hooren; toch vat ieder, die een dezer Vogels leert kennen en op een vriendschappelijke wijze behandelt, genegenheid voor hem op. Alle Kaketoes zijn schrandere en verstandige, de meeste ook ernstige en zachtmoedige Vogels. Hare geestvermogens zijn buitengewoon sterk ontwikkeld, haar nieuwsgierigheid is niet minder groot dan haar geheugen, het eigenaardige karakter-verschil van ieder zeer opmerkelijk. Er zijn er misschien geen twee te vinden, die zich geheel op dezelfde wijze gedragen. De Kaketoe sluit gaarne een innige vriendschap met den mensch, is minder valsch dan andere Papegaaien en is erkentelijk voor de haar betoonde genegenheid, die zij van ieder op dezelfde wijze schijnt te verlangen. Onvriendelijk en onbeminnelijk wordt zij eerst, wanneer zij onaangename ervaringen heeft opgedaan. De beleedigingen, die zij heeft moeten dulden, vergeet zij niet, of niet licht: het eens gewekte wantrouwen kan moeielijk uit den weg worden geruimd. Dit is misschien de eenige onaangename karaktertrek van de Kaketoe; over ’t geheel genomen heeft zachtaardigheid bij haar de overhand. Zij wil liefhebben en geliefd zijn en geeft dit weldra op alle denkbare wijzen aan haar verzorger te kennen. Zoodra zij zich geschikt heeft in haar gevangenschap en vertrouwen voor een mensch heeft opgevat, laat zij gaarne toe, dat men haar streelt, buigt gewillig den kop, zoodra men een beweging maakt om haar te liefkoozen, en gaat letterlijk met hare veeren de streelende hand te gemoet.
De Kaketoe bezit echter nog andere goede eigenschappen. Hare groote gaven blijken niet alleen uit haar uitmuntend geheugen, maar ook uit haar groote leerzaamheid. In dit opzicht wedijvert zij met de meest begaafde van alle Papegaaien. Ook zij kan vrij gemakkelijk en vlug leeren spreken, koppelt verscheidene woorden samen tot een verstaanbaar geheel en gebruikt geheele uitdrukkingen op een passende wijze, laat zich africhten tot kunststukjes van velerlei aard: een zeer groot verstand kan men haar niet ontzeggen.
De stem, die de Kaketoe van nature bezit, is een afschuwelijk, onbegrijpelijk gekrijsch. Het woord “Kaketoe” en dergelijke aangeleerde klanken spreken de meeste op een innemend teedere wijze uit; hierdoor trachten zij haar vriendschappelijke gezindheid of haar gedweeheid jegens haar verzorger te kennen te geven.
Evenals de andere Papegaaien zijn ook de Kaketoes gezellig van aard; zij zijn in den vrije natuur tot troepen vereenigd, en blijven zelfs gedurende den broedtijd nog in zeker verband met elkander. Den nacht brengen zij goed verborgen in de dichtste kronen der hoogste boomen door; den morgen begroeten zij met een ver klinkend geschreeuw. Daarna verlaten zij haar rustplaats en vliegen met lichte vleugelslagen, dikwijls zwevend en glijdend, naar den een of anderen vruchtdragenden akker of een dergelijk oord, waar zij voedsel hopen te vinden. Zij trekken zooveel mogelijk partij van het door haar bewoonde gebied. Hoewel vruchten en zaden haar voornaamste voedsel uitmaken, eten zij ook wel kleine knollen en bollen, die zij met den langen, gekromden bovensnavel zeer behendig uit den grond graven; ook gebruiken zij wel paddestoelen en verzwelgen tevens, gelijk de Hoenderen doen, kleine of middelmatig groote stukken kwarts, stellig met dezelfde bedoeling als andere zaadetende Vogels, n.l. om het fijnmaken van het voedsel door de spiermaag te bevorderen. Het nest treft men, al naar het door den Vogel bewoonde terrein, in holle boomen, vooral in holle takken, maar ook in rotsspleten aan. Het nest bevat bij ’t broeden in den regel 2 (hoogstens 3) zuiver witte, eenigszins spits toeloopende eieren, die ongeveer zoo, groot zijn als die van een “krielkip”, maar aan hun glans gemakkelijk van deze onderscheiden kunnen worden.
Wegens de schade, die de Kaketoes overal, waar zij in grooten getale voorkomen, aan den landbouw toebrengen, worden zij in haar vaderland ijverig belaagd en bij honderden gedood. Uit de berichten van ervaren reizigers blijkt, dat deze Vogels, als zij vervolgingen moeten verduren, weldra een buitengewone voorzichtigheid toonen, evenals andere Papegaaien of als Apen gedurende hunne rooftochten op een echt listige wijze handelen en daarom moeielijk of in ’t geheel niet van de akkers af te houden zijn. Evenals de kolonisten maken ook de inboorlingen van Nieuw-Holland jacht op de Kaketoes; zij doen dit op een eigenaardige wijze. “Zij gebruiken”, zegt Grey, hiervoor het eigenaardige wapen, dat onder den naam “boemerang” bekend is, een sikkelvormig, plat stuk hard hout, dat zij uit de hand meer dan 30 M. ver werpen; draaiend doorklieft het de lucht en treft, hoewel het herhaaldelijk van den rechten weg afwijkt, met vrij groote zekerheid het doel. De Kaketoes zoeken gaarne een oord op, waar prachtige, hooge boomen een waterplas omgeven; hier ziet men ze dikwijls in ontelbare menigte te midden van de twijgen rondklauteren of van den eenen boom naar den anderen vliegen; gewoonlijk slapen zij hier ’s nachts. Met de grootst mogelijke voorzichtigheid moet de inboorling zich naar een dezer slaapplaatsen begeven; hij sluipt van boom tot boom, kruipt van den eenen struik naar den anderen en doet zijn uiterste best om zoo weinig mogelijk de aandacht te trekken van de waakzame Vogels. Toch wordt de naderende vijand, ondanks zijn onhoorbaren, veerkrachtigen gang, door de Kaketoes opgemerkt; het dreigende gevaar, over welks aard zij nog in ’t onzekere verkeeren, brengt een algemeene opschudding te weeg. Intusschen is de vervolger aan den waterkant gekomen, waar zijn donkere gestalte zich plotseling verheft boven de planten, waarachter hij verborgen was. Met een oorverscheurend getier stijgen de Vogels als een witte wolk omhoog; in ’t zelfde oogenblik slingert de jager zijn wapen te midden van den zwerm. De boemerang danst met de zonderlingste sprongen en wendingen boven den waterspiegel, verheft zich, een kromme lijn volgend, hoe langer hoe meer en zwiert in ’t volgende oogenblik te midden van de Vogels rond. Hem wordt een tweede, een derde, een vierde dergelijk wapen achterna gezonden. Te vergeefs trachten de overrompelde dieren te ontvluchten; de schijnbaar aan geen regel onderworpen baan van het werptuig brengt hen in verwarring en verlamt hun vlucht. De eene voor, de andere na komt met den boemerang in aanraking, hetzij dat het suizende wapen hem den hals doorsnijdt of een vleugel verbrijzelt. Schreeuwend van pijn en woede vallen de getroffen Vogels naar beneden, maar de jager heeft reeds zijn doel bereikt, als de overblijvende Kaketoes tot bezinning komen en vol schrik wegvliegen, of een schuilplaats zoeken in de dichtste boomkronen.”
Het vleesch van deze dieren is, naar men zegt, vrij goed bruikbaar, vooral voor het bereiden van soep.
Dat het niet moeielijk is de Kaketoes levend te vangen, blijkt uit het groot aantal exemplaren, dat naar Europa wordt gebracht. Bij doelmatige verzorging kunnen zij bij ons vele jaren lang in ’t leven blijven; er zijn voorbeelden van bekend, dat Kaketoes langer dan 70 jaar in de kooi geleefd hebben. Zij zijn niet moeielijk te onderhouden; langzamerhand geraken zij gewoon aan al wat de mensch eet.
Op Nieuw-Guinea en de naburige eilanden, vooral op Salawatti, Misool, Waigioe en de Aroe-eilanden en ook op de noordspits van Australië, ontmoet men de Arara-kaketoe (Microglossus aterrimus), in een deel van Nieuw-Guinea Rasmalos genoemd. Deze Vogel is een van de grootste Papegaaien; zijn snavel is kolossaler dan die van eenig ander lid der orde. Zijn plaatsing in deze onderfamilie is voornamelijk gegrond op de kortheid en den vorm van den breeden staart en op de aanwezigheid van een kuif op den kop; deze is echter op geheel andere wijze samengesteld dan bij de echte Kaketoes. Door den ontzagwekkenden snavel en de naaktheid van de wang herinnert deze Vogel aan de Araras. Eigenaardig is de vorm van zijn tong; deze is tamelijk lang, vleezig, rolvormig, aan de bovenzijde uitgehold en van voren afgeplat, donkerrood, aan de spits hoornachtig en hier als ’t ware met een zwart pantser bedekt; zij kan tamelijk ver buiten den snavel uitgestoken en als een lepel gebruikt worden; het met den snavel fijngemaakte voedsel wordt er er mede opgenomen en naar den slokdarm vervoerd. De randen van de tong zijn zeer beweeglijk; zij kunnen naar boven tegen elkander aangelegd worden, zoodat de spijsbrok dan omsloten is door een buis en gemakkelijk naar binnen glijdt.
De Rasmalos is forscher gebouwd dan de meeste Araras. Zijn vederenkleed is effen donkerzwart met een zwakken groenachtigen weerschijn; bij den levenden Vogel heeft het echter een grijsachtige tint, omdat het met een meelachtig stof bedekt is. De onbevederde, rimpelige wangen zijn rood van kleur. De kuif bestaat uit lange, smalle veeren, welker kleur meer naar grijs zweemt dan die van het overige lichaam.
Over het leven van dezen Vogel in de vrije natuur is weinig bekend. “De Arara-kaketoe,” zegt Von Rosenberg, “is niet zeldzaam op Waigioe, Misool, Salawatti en op de kust van Nieuw-Guinea. Meestal houdt zij zich op in de kroon van de hoogste boomen, waar zij voortdurend in beweging is; terwijl zij zit of met krachtige vleugelslagen hoog in de lucht voorbijvliegt, hoort men haar ratelende stem, welke een geheel anderen klank heeft dan die van de Witte Kaketoes. De inboorlingen nemen de jonge Vogels uit het nest, brengen ze groot en verkoopen ze daarna aan de handelaars. De gevangenen eten het liefst de vruchten van den kanariboom, welker ijzerharde bolster zij gemakkelijk stuk maken. Zij worden zeer tam. Een van deze Kaketoes, die aan een bewoner van Amboina behoort, zwerft vliegend door de geheele stad rond en komt te rechter tijd thuis om te eten en te slapen.”