Arara-kaketoe (Microglossus aterrimus). ¼ v. d. ware grootte.
E. von Martens zag een gevangen exemplaar van deze soort op Mahai. “De Zwarte Kaketoe,” schrijft hij, “is een grappige Vogel. Stijf zittend met haar rood aangezicht, haar kolossalen snavel en haar steeds overeindstaande vederenpluim, doet zij denken aan een ouden generaal; vooral door haar leelijkheid maakt zij een levendigen indruk. Zij is stil en vervelend; bij de nadering van een vreemdeling en ook nu en dan zonder eenige aanleiding laat zij haar krakende stem hooren.” Deze klinkt volgens Schmidt als “ra-a” en herinnert aan het kraken van een deur.
Op Amboina ziet men dikwijls getemde Arara-kaketoes; haar prijs bedraagt daar 20 à 25 gulden per stuk. In Europa komen zij zelden voor. In den Amsterdamschen dierentuin was er één, die men aan allerlei voedsel, vleesch uitgezonderd, had kunnen gewennen en die zich daarbij wel bevond.
*
Het naast verwant aan de beschreven soort zijn waarschijnlijk de Raafkaketoes (Calyptorhynchus), welker grootte in den regel afwisselt van die van een Raaf tot die van een Kauw; wegens hare groote vliegwerktuigen zien zij er nog grooter uit dan zij werkelijk zijn. De opmerkelijk krachtige snavel is hooger dan lang, half-cirkelvormig naar beneden en met de korte spits naar binnen gekromd; de pooten zijn dik, de vleugels lang en spits; de vleugelspits steekt ver uit; de staart is lang, breed en sterk afgerond; het zachte vederenkleed bestaat uit breede, aan den top afgeronde veeren; die van den achterkop zijn verlengd en vormen een achterwaarts gekromde kuif.
De overgang van de echte Kaketoes tot de Raafkaketoes vormt de Helmkaketoe (Calyptorhynchus galeatus), die de grootte heeft van een Woudduif. Zij is donker leikleurig zwart, met flauwe dwarsgolven, daar iedere veer aan de spits een smallen, licht grijsachtig witten zoom heeft; de kop, de nek, de wangen en de kuif hebben een prachtige, karmijnroode kleur; de armpennen hebben bovendien somber metaalglanzig groene zoomen; de onderdekveeren en de onderzijde der pennen, zoowel van den vleugel als van den staart, zijn grauwzwart.
Over de levenswijze van de Helmkaketoe ontbreken tot dusver uitvoerige berichten; beter kent men andere leden van haar geslacht, als welke meest typischen vertegenwoordiger men de Raafkaketoe (Calyptorhynchus Banksii) mag beschouwen. Zij is grooter dan alle tot dusver genoemde Kaketoes: haar totale lengte bedraagt ongeveer 70 cM., waarvan 30 cM. op den staart komen. Het vederenkleed, de staart alleen uitgezonderd, is bij het mannetje glanzig zwart met groenachtigen weerschijn, bij het wijfje groenachtig zwart; de kop, de zijden van den hals en de vleugeldekveeren zijn geel gevlekt, de onderdeelen lichtgeel gestreept. Een breede, karmijnroode dwarsband komt bij het mannetje op het midden van den staart voor, maar laat de middelste staartveeren en de buitenvlag der beide buitenste veeren vrij. Bij het wijfje treft men breede, gele, roodgeel gesprenkelde dwarsbanden aan, die dezelfde eigenaardigheid vertoonen; ook de onderste staartdekveeren zijn op deze wijze geteekend.
De Raafkaketoes behooren in Australië thuis, maar zijn over verschillende districten van dit werelddeel verbreid. Zij zijn echte boomvogels, die zich hoofdzakelijk voeden met zaden van eucalypten en van andere boomen van haar vaderland, hoewel zij af en toe ook, in tegenstelling met andere Papegaaien, vette maden gebruiken. Van de overige Kaketoes verschillen zij voorts, doordat zij tot slechts kleine vluchten van 4 à 8 stuks vereenigd zijn, en zelden, n.l. als zij trekken of zwerven, zwermen vormen.
Voor zoover men thans weet, broeden de Raafkaketoes uitsluitend in gaten van boomen. Zij kiezen hiervoor altijd de hoogste en ontoegankelijkste reuzen van het woud, in den regel zulke, die zelfs door de inboorlingen niet beklommen kunnen worden.
Behalve de mensch maken, naar men zegt, ook de Roofbuideldieren en de groote Roofvogels met goed gevolg jacht op de Raafkaketoes. Haar vleesch wordt door de blanke bewoners van Australië niet, door de inboorlingen echter, evenals alle eetbare voortbrengselen van dit arme land, zeer hoog geschat.
Gevangen Raafkaketoes komen zelden op onze dierenmarkt; meestal leven zij in de kooi niet lang.
*
Het tot inleiding dienend, algemeen overzicht van de onderfamilie heeft meer bepaaldelijk betrekking op de Kaketoes in de meer beperkte beteekenis van het woord (Plissolophus); deze hebben een zeer gedrongen lichaamsbouw en zijn groot of middelmatig groot; haar grootte wisselt af tusschen die van een Raaf en die van een Kauw. Haar verbreidingsgebied omvat bijna alle hierboven aangeduide landen en eilanden, waar leden van de onderfamilie voorkomen; haar levenswijze is reeds in de inleiding geschetst.
De Moluksche Kaketoe (Plissolophus moluccensis) verdient den voorrang als waardigste vertegenwoordigster van het geslacht. Zij en een Australische verwant (Plissolophus galeritus) overtreffen alle overige soorten in grootte. Haar wit, met een licht rozerood waas overtogen kleed is zeer fraai en getooid met een prachtige kuif, die uit meniekleurige veeren van 17 cM. lengte bestaat, welke van onderen door witte veeren overdekt zijn. De wortelhelft van de slagpennen en van de staartveeren is aan de onderzijde geelachtig, de iris is donkerbruin, de kleine kring om het oog grijsachtig blauw of blauwachtig wit, de snavel, evenals de poot, zwart, doch met een grijs poeder bedekt, bij de in vrijheid levende exemplaren met een pruimenblauw waas overtogen. De Moluksche Kaketoe bewoont zoo goed als uitsluitend het eiland Ceram. Slechts zeer zelden vliegt zij naar het eiland Amboina over, dat twee volle graadminuten verder zuidwaarts is gelegen. Vooral zij brengt zoowel aan de kust, als in het binnenland, in de vlakte zoowel als in het gebergte leven in het stille woud van dit eiland, dat over ’t geheel genomen niet rijk aan Vogels is.
De gevangen Moluksche Kaketoe vereenigt als ’t ware alle eigenschappen van haar familie en meer bepaaldelijk die van haar geslacht, in zich. Zij is een prachtige Vogel; hoe langer iemand met haar verkeert, des te meer genegenheid zal hij voor haar gevoelen. Bijna altijd is zij reeds getemd, als zij in Europa aankomt, maar nog eenigszins knorrig ten gevolge van de ontberingen der reis; weldra schikt zij zich echter in de gewijzigde omstandigheden en toont zich zeer dankbaar voor de haar bewezen vriendschap, die zij met deemoedige gehechtheid beantwoordt. Zij is zeer opgewekt van geest en daarom zeer beweeglijk. “Zelfs als zij rustig op haar zitstok zit,” zegt Linden zeer te recht, “toont zij minstens door het opzetten en neerleggen van haar kuif, dat zij alles opmerkt, wat er om haar heen voorvalt; als zij door de een of andere oorzaak tot opgewondenheid wordt vervoerd, zet zij niet alleen de ver naar beneden hangende kuifveeren op, maar ook die van den hals, van den nek en van de borst, die dan een groote, buitenwaarts gerichte kraag vormen; zij breidt de vleugels half en de staart zoover uit, dat deze op een waaier gelijkt; haar voorkomen is dan prachtig. De roode kuifveeren, die op schitterende vlammen gelijken, de veeren om den ondersnavel, die een baard vormen en de eenigszins opgelichte vliegwerktuigen dragen er toe bij om te maken, dat zij den indruk van zelfbewuste kracht wekt.”
Een van de fraaiste Australische soorten is de Inka-kaketoe (Plissolophus Leadbeateri). Hare witte veeren zijn aan den voorkop, op het voorhoofd en aan de zijden van den hals, op het midden en aan de onderzijde der vleugels, op het midden van den buik en aan het wortelgedeelte van de binnenvlag der staartveeren rozerood, onder de vleugels fraai zalmrood. Prachtig is de kuif: iedere veer is hoogrood aan den wortel, geel gevlekt in het midden en wit aan de spits. Als de kuifveeren neergelegd zijn, ziet men alleen hare witte spitsen; na het oprichten dezer veeren komt haar vurig rood schitterend voor den dag en vereenigen de gele middelvlekken zich onderling tot een band, die dezen koptooi nog fraaier maakt.
Volgens Gould is deze sierlijke Vogel in het zuidoosten van Australië ver verbreid; bij voorkeur houdt hij zich echter op in de hooge eucalypten en in het struikgewas, dat in het binnenland de rivieroevers bedekt; nooit vertoont hij zich in de buurt van het strand.
Nieuw-Zeeland, dat zoo rijk is aan eigenaardige Vogels, wordt bewoond door een buitengewoon merkwaardig Papegaaiengeslacht: de Nestor-kaketoes (Nestor), vertegenwoordigers van een kleine onderfamilie van denzelfden naam (Nestorinae) tot welks verbreidingsgebied, behalve Nieuw-Zeeland, ook nog het Norfolk- en het Philippseiland en Nieuw-Guinea behooren. Zij is gekenmerkt door een krachtigen, zijdelings samengedrukten snavel met lange, naar onderen gekromde spits; op de washuid groeien eenige borstelige veertjes. De krachtige pooten hebben een tamelijk langen loop en lange teenen, die met harde, sterk gekromde nagels gewapend zijn. De lange, spitse vleugels reiken in den toestand van rust ver voorbij de bovendekveeren van den staart. Deze is middelmatig lang, slechts weinig afgerond; de schaft van elke stuurpen heeft een naakte spits. De dikke, aan de bovenzijde platte tong is aan de onderzijde afgerond en hier voorzien met een reeks van korte, stijve wratten, die op de tong ongeveer dezelfde plaats innemen als de rand van den nagel op den vinger van den mensch. De betrekkelijk kleine kop draagt geen kuif.
*
Van de zes bekende soorten van Nestors zijn twee—de Norfolk-nestor (Nestor norfolcensis), die uitsluitend het Norfolk-eiland bewoonde, en de Langbek-Nestor (Nestor productus), die alleen op het Philippseiland voorkwam—reeds geheel uitgeroeid. De vier overige bewonen nog steeds de bosschen van de beide groote eilanden, waaruit Nieuw-Zeeland bestaat, en zijn hier zoo talrijk, dat haar uitroeiing voorloopig niet te vreezen is.
De meest bekende vertegenwoordiger van dit geslacht is die, welke door de Maoris Kaka wordt genoemd (Nestor meridionalis). Totale lengte 47, staartlengte 18 cM. Zijn vederenkleed, dat zeer ongelijk kan zijn, is in den regel op voorhoofd, bovenkop en achterkop en op de teugels witachtig grijs, op de zijden van kop en hals, in den nek, aan de kin, de keel, den krop en de bovenborst donker omberbruin, op het onderste deel van de wang en aan de keel purperroodbruin, aan den achterhals, welks veeren een witten dwarsband vormen, aan den staartwortel, op de bovendekveeren van den staart en de nog niet genoemde onderdeelen donkerpurperkleurig roodbruin. De rug, de mantel en de bovendekveeren van den vleugel hebben een olijfbruine met groenen weerschijn.
De Kea der inboorlingen, de Mountain-parrot (Bergpapegaai) der kolonisten (Nestor notabilis), is grooter dan zijn zooeven beschreven verwant. Totale lengte 50, staartlengte 20 cM. De hoofdkleur van zijn kleed is olijfgroen.
Het door den Kaka bewoonde gebied omvat een groot deel van de westelijke Nieuw-Zeelandsche Alpen van den voet van het gebergte tot aan de grens der hoogstammige wouden; dat van den Kea daarentegen is beperkt tot een tusschen 1500 en 2000 M. hoogte gelegen gordel van de Zuidelijke Alpen, van waar hij slechts gedurende strenge winters naar lagere oorden verhuist. Van de laatstgenoemde soort hebben de kolonisten onaangename ervaringen opgedaan. Zij ondervonden, dat de schapenkudden in het gebergte zonder bekende reden, door een eigenaardige, alleen hier heerschende ziekte werden aangetast: op verschillende plaatsen van de huid ontstonden wonden ter grootte van een hand, die zich tot aan de spierlaag uitstrekten, door het uitstroomende bloed de wol bedierven en niet zelden den dood van het schaap ten gevolge hadden. Eindelijk bemerkte een herder, dat de wonden door de Bergpapegaaien veroorzaakt worden. Een van deze Vogels ging op een Schaap zitten en vrat het, zonder dat het stomme dier zich van zijn kwelgeest bevrijden kon, een gat in ’t lijf. Toen de aandacht van de herders eens gevestigd was op den bedrijver van het kwaad, werden zij bij het weiden van hun vee in ’t gebergte herhaaldelijk getuigen van dergelijke aanslagen. Eén voor één of bij troepen kwamen de Keas, gingen op den rug van een Schaap zitten, plukten de wol uit, wondden het dier met den snavel en vielen het zoo lastig, dat het de kudde verliet. Nu vervolgden en kwelden zij het door voortdurende aanvallen, totdat het, ten einde raad en geheel uitgeput, op de zijde ging liggen, om den rug zooveel mogelijk tegen de Vogels te beschutten; deze vraten hem dan in de zijden gaten in ’t lijf en brachten hierdoor dikwijls den dood van hun slachtoffer teweeg. Later heeft de Kea de gelukkige ontdekking gedaan, dat in de nabijheid van de woonplaatsen der kolonisten zich gewoonlijk een voor hem toegankelijke vleeschbewaarplaats bevindt. Zeer ingenomen met deze uitmuntende inrichting, die hem de gelegenheid opent om zonder moeite vleesch te krijgen, doet de Kea thans zijn best om van deze voorraadschuren partij te trekken. Met dit doel verschijnt hij geregeld in de nabijheid van de schapenslachterijen om er het afval, vooral de koppen van de geslachte Schapen op te vreten, voorzoover hij hiertoe in staat is. Ook de voorraad rund- en schapevleesch vermindert intusschen, dank zij de vraatzucht van den Vogel, die zelfs de schapevellen, welke te drogen hangen, niet verschoont. Men zorgt er echter zooveel mogelijk voor, dat hij zich gewoonlijk met afval moet behelpen. In den regel verschijnen de dieven gedurende den nacht; gewoonlijk ondernemen zij hunne rooftochten gemeenschappelijk; het is althans geen zeldzaamheid een troep van deze tierende Vogels op de nok van een hut te zien zitten.
De iets kleinere Langbek-nestor (Nestor productus)—waarvan ongeveer een dozijn opgezette voorwerpen, in verschillende verzamelingen bewaard, de eenige overblijfselen zijn—bewoonde nog in het midden dezer eeuw een eilandje tusschen Nieuw-Zeeland en Nieuw-Caledonië, het Philippseiland, dat ongeveer anderhalf uur omtrek heeft. Opmerkelijk is het, dat deze Vogel niet aangetroffen werd op het slechts anderhalf uur verder zuidwaarts gelegen, veel grootere Norfolk-eiland. De rotsen en de hoogste boomen van het eilandje waren zijn gewone verblijfplaatsen; hij was zoo mak, dat het niet veel moeite kostte hem te schieten en in strikken te vangen. Met zijn tong nam hij den honing uit de witte bloemen van een hibiscus-soort op. (Tot een dergelijk voedsel bepaalden zich ook de Nieuw-Zeelandsche Nestors vóór de invoering van de schapenfokkerij in hun vaderland.) Het wijfje legde 4 witte eieren in holle boomen. In 1851 bezat de Londensche diergaarde een levenden Langbek-nestor; deze was niet in een kooi opgesloten en liep als een Kraai op den grond; sla en andere saprijke planten, vruchten, room en boter waren zijne liefste spijzen. Hij had een heesche, krakende, zeer wanluidende stem, die min of meer op het blaffen van een Hond geleek.
*
Van het op Nieuw-Guinea en Salawatti levende geslacht der Papoea-nestors (Dasyptilus) is tot dusver slechts één soort (en deze zeer zelden) met zekerheid waargenomen. De Borstelkop of Adelaar-papegaai (Dasyptilus Pecqueti) heeft de grootte van een Kraai en ontleent zijn naam aan de zeer smalle, harde, lansvormige kopveeren. Zijn vederenkleed is grootendeels zwart; rood zijn echter het middelgedeelte der vleugels, de buik, de achterste bovendekveeren van den staart en, naar het schijnt, soms ook de staartpennen.—D’Alberti zag deze Vogels bij troepen van hoogstens 50 stuks op weg naar de hooge boomen, waarin zij overnachten.
Voor ’t meerendeel nachtvogels zijn de Uilpapegaaien (Stringopinae), een kleine, slechts vier soorten omvattende, tot het Australische Rijk behoorende onderfamilie. Zij kenmerken zich vooral door de zachtheid van hun vederenkleed en zijn het naast verwant aan de Platstaartpapegaaien.
*
De Grondparkiet (Pezoporus formosus), de eenige vertegenwoordiger van zijn geslacht, heeft de grootte van een Lijster; de staart is echter langer dan het overige lichaam. Hij bezit krachtige pooten met een opmerkelijk langen loop en lange teenen, die met zwakke, weinig gekromde nagels gewapend zijn. Het vederenkleed is tamelijk bont, ofschoon hierin slechts weinige kleuren met elkander afwisselen. De hoofdkleur is olijfkleurig grasgroen; met uitzondering van den kop, den hals en den staartwortel zijn alle onderdeelen met dwarslijnen, de bovendeelen met dwarsvlekken geteekend. De veeren van den mantel, van de schouders en van den achterrug benevens de vleugeldekveeren zijn zwart met twee of drie smalle, gele dwarslijnen en een breeden, groenen rand. De veeren van borst, buik en zijden zijn, evenals de onderdekveeren van den staart, olijfkleurig geel met drie zwarte, breede dwarsbanden en een smallen, groenen rand. De donker olijfbruine slagpennen hebben een groene buitenvlag; de vier middelste staartpennen zijn donkergroen, de overige olijfgeel: gene met smalle, gele, deze op de binnenvlag met zwarte, op de buitenvlag met breedere, groene dwarsbanden geteekend. Een smalle voorhoofdsrand is menierood. De oogen, de snavel en de pooten zijn bruin.
De Grondparkiet is, volgens Gould, over geheel Zuid-Australië en Tasmanië verbreid. In de noordelijke gedeelten van het Australische vasteland heeft men hem nog niet waargenomen. Hij is een standvogel en leeft in het door hem bewoonde gebied bijna voortdurend op den grond; in de kroon van een boom ziet men hem uiterst zelden. Tot verblijfplaats kiest hij onvruchtbare zandstreken, die met kort gras en andere kruiden begroeid zijn, of met biezen bedekte veengronden. Hij leeft hier eenzaam of paarsgewijs en zeer teruggetrokken; zonder Hond kan men hem moeilijk opsporen. Hij loopt zeer snel en lang achtereen op de wijze van een Snip door het gras, maakt behendig gebruik van iedere geschikte schuilplaats en “drukt” zich soms als een Hoen of een Moerasvogel tegen den grond, in de hoop onopgemerkt te blijven. Alleen bij een onverwachte overrompeling maakt hij van zijne vleugels gebruik; hij handelt dan ongeveer, zooals de Hoenderen doen, vliegt buitengewoon snel dicht bij den grond langs, laat zich na verscheidene zigzagzwenkingen in de lucht plotseling weer op den bodem vallen en rent zoo vlug mogelijk verder.
De witte eieren worden op den naakten grond gelegd en door beide ouders bebroed.
Grondparkiet (Pezoporus formosus). ½ v. d. ware grootte.
In tegenstelling met de meeste andere Papegaaien wordt de Grondparkiet als wild zeer hoog geschat; zijn vleesch is malscher dan dat van de Snip en komt in smaak met dat van den Kwartel overeen.
De bovenstaande levensbeschrijving is belangrijk uitgebreid door Müller. Hoewel diens mededeelingen betrekking hebben op een andere soort—de Holenparkiet (Geopsittacus accidentalis)—komt het mij zeer waarschijnlijk voor, dat zij ook op den Grondparkiet toepasselijk zijn. De Holenparkiet is een nachtvogel, die zich over dag in holen ophoudt, welke hij eerst na zonsondergang verlaat om voedsel te zoeken. Een gevangen exemplaar in de diergaarde van Regents-Park hield zich over dag stil en rustig op zijn slaapplaats; zoodra de schemering aanving, begon hij rond te loopen en te eten. Als voedsel gebruikte hij niet alleen zaden, maar hapte, evenals de Kakapo, graag de topspruitjes van het gras af. Hij ging nooit op een tak zitten, maar bleef altijd op den grond, waarover hij haastig voortstapte. Zijn stem was een schel, eentonig gefluit.
*
De merkwaardigste van alle Papegaaien—de Kakapo, Tarapo of Uilpapegaai (Stringops habroptilus)—is een Nieuw Zeelandsche nachtvogel, die sterk aan de Uilen herinnert. Om hem te kenmerken is het voldoende te wijzen op zijn uilachtig vederenkleed en op den sluier, die zijn aangezicht bedekt. De snavel is krachtig, dik, meer hoog dan lang; de zeer krachtige poot heeft een langen en dikken loop en is met sterk gekromde, spitse klauwen gewapend; de vleugels zijn kort en afgerond; het vederenkleed is hard en grootendeels uit breede, wijdbaardige, aan den top afgeronde veeren samengesteld; die van het voorhoofd en de wangen zijn echter smal, bijna vezelig; lange, haarvormige schaften omgeven straalsgewijs den snavelwortel en vormen gezamenlijk een soort van sluier.
Daar de Kakapo niet of althans zeer gebrekkig klimt en vliegt, hoewel hij klimvoeten en vleugels bezit, houden sommigen hem voor een weinig gewijzigde afstammeling van de alleroudste Papegaaien. Marshall daarentegen beschouwt den Uilpapegaai als “den modernsten vorm der geheele orde, in dezen zin, dat hij zich in verband met eigenaardige behoeften het meest gewijzigd en van de typische Papegaaien het verst verwijderd heeft.” “De Grondparkiet,” zegt hij, “stamt af van een klimmenden vorm en is niet, omgekeerd, de stamvader van klimmende vormen. De Kakapo heeft duidelijke klimvoeten en deze kunnen nooit verworven zijn door een van oudsher op den bodem huizenden vorm.” Zijne voorouders hebben de geschiktheid voor ’t klimmen langzamerhand verloren, omdat zij in het door hen bewoonde gebied zelden of nooit boomen behoefden te bestijgen; toch hadden zij (en hebben hunne hedendaagsche nakomelingen) het maaksel van den voet hunner klimmende voorouders bijna onveranderd behouden.
Tot dezelfde uitkomst leidt het onderzoek van de werktuigen voor het vliegen. Deze zijn bij den Kakapo veel gebrekkiger ontwikkeld dan men na oppervlakkige beschouwing van den Vogel zou vermoeden. De groote borstspieren, die door haar samentrekking den neerwaartschen slag van den vleugel teweegbrengen, en de kam op het borstbeen, waaraan deze spieren ontspringen zijn “rudimentair”. Hetzelfde valt op te merken van het vorkbeen, dat door vergroeiing van het voorste paar sleutelbeenderen ontstaat en gewoonlijk het schouderblad met den voorsten top van het borstbeen verbindt. Hoewel steeds aanwezig bij de Vogels, die goed kunnen vliegen, heeft het voor deze beweging een minder belangrijke beteekenis dan de vroeger genoemde organen. De gebrekkige ontwikkeling en zelfs de afwezigheid van het vorkbeen gaat niet noodzakelijk gepaard met het volkomen gemis van de geschiktheid voor ’t vliegen. De Kakapo is dan ook in zijn orde niet de eenige, die deze afwijking vertoont. Volgens Finsch ontbreekt het vorkbeen (twijfelachtige gevallen en tegenstrijdige opgaven buiten rekening gelaten) bij 18 soorten van het Australische Rijk (waaronder de Kakapo), voorts bij één soort van het Ethiopische en één van het Zuid-Amerikaansche Rijk. Zelfs zeer nauw verwante soorten kunnen door het al of niet bezitten van het vorkbeen onderling verschillen. Dit been heeft bij het vliegen een bepaalde rol te vervullen: het is een soort van veer, die, tusschen de bovenste gedeelten der beide vleugels gelegen, door haar elasticiteit op passieve wijze weerstand biedt aan de beenderen van de voorste ledematen, wanneer zij door de werking der borstspieren naar elkander toe bewogen worden; het vorkbeen verhindert dus een te groote toenadering van de vleugels. Dat het gemis van het vorkbeen dikwijls het gevolg is van het te loor gaan (of althans gebrekkig worden) van het vermogen om te vliegen, blijkt o.a. bij den Struis en bij het bonte mengelmoes van Vogels, dat vroeger met den Struis de orde van de “Loopvogels” vormde, zoo ook bij den Kakapo. [De Platstaartpapegaaien evenwel, die het vorkbeen missen (en dit is het geval bij twee derden van alle soorten, o.a. bij den Zangparkiet), vliegen even goed of (zoo niet even slecht, dan toch, omdat zij een eiland bewonen) even zelden en over even korte afstanden als de soorten met goed ontwikkeld vorkbeen]. De slotsom van Marshall’s betoog luidt: “De teruggang in ontwikkeling van alle vliegorganen van den Kakapo (het ontbreken van het vorkbeen, het gedeeltelijk verdwijnen van den kam op het borstbeen, van de borstspieren enz.) is een secundair verschijnsel, hier, zoowel als bij de zoogenaamde “Loopvogels”, bij den Reuzenalk, bij den Dodo enz. De voorouders van den Kakapo waren niet slechts voor het klimmen, maar ook voor het vliegen goed uitgerust. Alle ongewone eigenaardigheden van den Uilpapegaai zijn het resultaat van wijzigingen, die zijne voorouders ondergaan hebben, terwijl zij allengs geschikt werden voor het leven op den grond van een eiland zonder roofdieren. Ook andere eigenaardigheden van dit merkwaardige wezen, n.l. die, welke in verband staan met zijn nachtelijke levenswijze, berusten op “teruggaande ontwikkeling”. Mijn slotsom is dus, dat Stringops niet de oudste stamvorm van de Papegaaien is, maar een tak van dezen stam, die zich door langzaam voortschrijdende wijzigingen van de levenswijze in tegengestelde (teruggaande) richting ontwikkeld heeft.”
Kakapo (Stringops habroptilus). ¼ v. d. ware grootte.
De Kakapo behoort tot de grootste Papegaaien en evenaart wegens zijn goed gevuld vederenkleed in omvang bijna den Grooten Ooruil. Bij het mannetje is de geheele bovenzijde helder olijfkleurig groen, de onderzijde olijfgeel, iedere veer met onduidelijke, donkerbruine dwarsbanden geteekend. De uilachtige sluier en de kin hebben een helder stroogele kleur. De staartpennen en de buitenvlag van de slagpennen zijn olijfkleurig geelbruin, zwart gemarmerd; de onderste staartdekveeren zijn bijna effen olijfgroen.
Hoewel Nieuw-Zeeland ons sinds lang bekend is geweest, zijn wij van het bestaan van den Kakapo eerst sedert betrekkelijk korten tijd onderricht en is onze kennis van zijn levenswijze van jongen datum. Het eerst leerde men den merkwaardigen Vogel kennen door den opschik der inboorlingen waarvan de groene veeren en de koppen van Kakapo’s een belangrijk deel uitmaakten. Hun verblijfplaats en levenswijze werkten mede om hen aan de waarneming te onttrekken; het eerste vel kwam niet voor 1845 in Europa aan. In de halve eeuw, die sedert verloopen is, hebben wij den Kakapo tamelijk nauwkeurig leeren kennen. Behalve aan Von Haast hebben wij vooral aan Lyall en Sir George Grey berichten over de levenswijze van dit dier te danken. “Hoogst opmerkelijk is het,” schrijft Von Haast, “dat de Kakapo, behalve in het dal van de Makarora-rivier, die het Wanaka-meer vormt, nergens aan de oostzijde van de Alpen gevonden wordt, hoewel ook in deze gewesten groote wouden voorkomen. Tot de districten ten westen van den hoofdketen beperkt, overschrijdt hij dezen, naar het schijnt, alleen door den lagen, met bosch bedekten pas, die het bronnengebied van de Haast-rivier met dat van den Makarora verbindt; bij het bereiken van de uitmonding dezer rivier in het Wanaka-meer werd zijn verder voortdringen waarschijnlijk gestuit door het ophouden van het woud. In het dal en het woud van den Makarora is hij zeer veelvuldig, ofschoon hier talrijke werklieden met het vellen van boomen bezig zijn. Toen wij aan den rand van dit woud gekampeerd waren, hoorden wij voortdurend zijn stem; geen der werklieden vermoedde echter de nabijheid van zulk een grooten Vogel, hoewel zijn eigenaardig, schel geschreeuw dikwijls hun aandacht had getrokken. Minder talrijk komt hij voor in het Wilkin-dal (waar ik, terloops zij dit hier opgemerkt, sporen van Wilde Honden aantrof). In het Hunter-dal, dat er slechts door een niet zeer hoogen bergketen met eenige lage zadels van gescheiden is, ziet men van zijn aanwezigheid geen spoor, ofschoon de groote beukenwouden van dit dal hem een geschikte verblijfplaats zouden leveren.”
“De eerste plaats, waar wij deze Vogels aantroffen,” zegt Lyall, “was een heuvel van ongeveer 1200 M. hoogte boven den zeespiegel; wij ontmoetten ze echter ook, gezellig levend, op vlakke plaatsen in de nabijheid van riviermonden, niet ver van de zee. Op zulke plaatsen kon men zijne voetpaden vinden. Zij zijn ongeveer 30 M. wijd, in den regel neergedrukt tot aan den rand, die 5 à 7 cM. diep in het mos doordringt en kruisen elkander gewoonlijk rechthoekig. Dikwijls komen zij zoozeer met die van menschen overeen, dat wij ze aanvankelijk aan de aanwezigheid van inboorlingen meenden te moeten toeschrijven.
“De Kakapo bewoont holen onder boomwortels en wordt ook wel onder overhangende rotsen opgemerkt. Daar de wortels van vele soorten van Nieuw-Zeelandsche boomen voor een deel boven den grond uitsteken, worden er zeer dikwijls holten onder gevonden; het kwam ons echter voor, dat deze op de plaatsen, waar wij den Kakapo aantroffen, gedeeltelijk verwijd waren, hoewel wij te vergeefs in de buurt naar de uitgegraven aarde zochten.” Dikwijls hebben de holen twee openingen; soms waren de daarboven staande boomen tot op een zekere hoogte hol. Over dag krijgt men den Kakapo alleen dan te zien, wanneer men hem uit zijn woning verdrijft. “Alleen met Honden,” zegt Lyall verder, “konden wij hem opsporen. Vóór het invoeren der Honden en toen de Vogel in de bewoonde gedeelten der eilanden nog veelvuldig voorkwam, vingen de inboorlingen hem gewoonlijk ’s nachts bij fakkellicht. Tegenwoordig zit een ras van halfwilde Honden, dat de noordelijke gewesten van het Zuidereiland bewoont, den Kakapo voortdurend op de hielen en is hij daar bijna geheel uitgeroeid.
“Vroeger vermoedde men, dat de Kakapo een nachtelijke levenswijze zou hebben; naar ik meen, geven mijne ervaringen aanleiding tot de overtuiging, dat dit niet altijd het geval is. Wel hoort men gewoonlijk één uur na zonsondergang, als onder het dichte bladerengewelf een ondoordringbare duisternis heerscht, van alle zijden zijn stem weerklinken; hij begint dan rond te zwerven (en kwam eens omstreeks dezen tijd, aangelokt door het licht, dicht bij onze tent, waar hij door onzen Hond gevangen werd); wij troffen hem echter ook tweemaal over dag aan, bezig met eten en zeer waakzaam tegen een naderend gevaar. De eerste maal gebeurde dit op een namiddag bij bewolkten hemel in het open woud, toen wij van de westkust terugkwamen. Niet ver van de Haast-rivier zat een Kakapo op een omgevallen boom; hij verdween schielijk, toen wij nader kwamen, maar werd toch door den Hond gevangen. Ten tweeden male zagen wij er één op klaarlichten dag, toen wij door een diepe rotskloof gingen, 3 M. boven den bodem op een fuchsiaboom zittend, welks bessen hij at. Ons ziende, liet hij zich op den grond vallen, alsof hij uit den boom geschoten was en verdween onder de naburige, groote rotsblokken. Het trof ons zeer, dat de Vogel geen gebruik maakte van zijne vleugels en ze zelfs niet eens uit spreidde om den schok van den val te breken. Om te weten, of hij in ’t geheel niet zou vliegen of fladderen, wanneer hij vervolg werd, liet ik een Kakapo, die, zonder gewond te worden, door den Hond gevangen was, op een groote, vrije, met steentjes bedekte plaats los; hij had hier ruimte genoeg om zich met behulp van zijne vleugels in de lucht te verheffen, indien hiervoor een groote ruimte noodig was. Tot mijn verwondering liep hij eenvoudig naar het naastbijgelegen kreupelbosch; hij deed het sneller dan ik met het oog op zijne teenen en zijn plompe gedaante verwacht zou hebben; zijne bewegingen geleken op die van de Hoenderachtige Vogels.” Lyall heeft den Kakapo echter zien vliegen, hoewel slechts over een onbeduidenden afstand. “Op onze jachttochten,” zegt hij, “zagen wij den Kakapo alleen dan vliegen, als hij in een hollen boom was geklommen om hoogerop een uitweg te zoeken. Van hier vloog hij dan in den regel naar een lageren boom en klom bij dezen schielijk omhoog, waarbij hij ook van zijn staart gebruik maakte. Het geluid van den Kakapo is een heesch gekras, dat in een wanluidend gekrijsch overgaat, als de Vogel opgewonden of hongerig is. De maag van de door ons gedoode Kakapo’s bevatte een lichtgroene, soms nagenoeg witte, gelijkaardige massa, zonder eenig spoor van vezels. Ongetwijfeld bestaat hun voedsel ten deele uit wortels, ten deele ook uit bladen en jonge spruitjes van verschillende planten.
“Een eigenaardigheid van den Kakapo, misschien een gevolg van zijn plantaardig dieet, is, dat hij, in plaats van olieachtig, week vet, zooals bij andere Vogels onder de huid voorkomt, veel vast, wit vet heeft; zijn vleesch is veel steviger en beter dan dat van de andere Papegaaien; het smaakt uitmuntend.”
Van de voortplanting meldt Lyall het volgende: “Gedurende de laatste helft van Februari en de eerste helft van Maart, welken tijd wij te midden van de woonplaatsen der Kakapo’s doorbrachten, vond ik in vele zijner holen jongen, dikwijls slechts één, nooit meer dan twee. Gewoonlijk, maar toch niet altijd, werd één oude Vogel tegelijk met de jongen in het hol aangetroffen. Een eigenlijk nest is niet voorhanden; de Kakapo graaft eenvoudig een ondiep kuiltje in de droge massa vermolmd hout. Het ei is zuiver wit, ongeveer zoo groot als dat van een Duif. De jongen, die wij vonden, waren van zeer verschillenden leeftijd, eenige bijna geheel bevederd, andere nog met dons bedekt.
“De Kakapo is een goedaardige en schrandere Vogel; hij vat een warme genegenheid op voor personen, die hem goed behandelen en geeft deze te kennen door bij hen op te klimmen en zich tegen hen te wrijven; bovendien is hij in hooge mate gezellig en speelsch. Werkelijk, zou hij, indien hij zijn omgeving niet zoo erg bevuilde, een betere metgezel zijn dan alle andere mij bekende Vogels; het openbaren van genegenheid door speelschheid en liefkoozingen ligt meer in den aard van een Hond dan in dien van een Vogel.”—“Zijn speelschheid,” schrijft Sale, “is merkwaardig. Hij komt uit een hoek van de kamer aanloopen, vat mijn hand met de klauwen en den snavel, wentelt zich, de hand vasthoudend, als een katje over den grond en loopt terug om zich tot een nieuwen aanval te laten uitnoodigen. Zijn spel wordt soms een weinig woest; door de geringste terechtwijzing kan men hem echter dadelijk tot bedaren brengen.”