Derde Orde.

De Duifvogels (Peliornithes).

In de buurt van de Papegaaien, tusschen de Pluviervogels en de Hoendervogels is de plaats van de Duifvogels. Deze orde en haar eenige gelijknamige onderorde (Columbiformes) omvat twee familiën, die tot dusver meestal gescheiden werden: de Duiven (Columbidae), welker verbreidingsgebied zich over alle faunistische Rijken uitstrekt, en de Zandhoenderen (Pteroclidae), die tot de Oude Wereld beperkt zijn.

De Duiven (Columbidae) zijn middelmatig groote Vogels, met kleinen kop, korten hals en een uit groote en harde veeren samengesteld kleed. De snavel is steeds kort, bij de meeste soorten ook zwak, hooger dan breed, aan den rand ingetrokken, soms zelfs uiteenwijkend, aan den wortel zacht; slechts aan de spits hoornachtig, hier een weinig gezwollen, gewelfd en flauw haakvormig gebogen. Bij enkele soorten is de snavel krachtiger, dikker, harder—bij uitzondering ook wel zeer gewelfd en de onderkaak bij de spits zelfs getand. De neusgaten liggen tamelijk ver naar voren, zijn gewoonlijk spleetvormig en dikwijls door een gezwollen, kraakbeenige, met washuid bekleede schub bedekt. De korte voet is vierteenig, zijn loop zelden hooger dan de middelste voorteen lang is, bij uitzondering niet lager dan even onder het spronggewricht bevederd; de teenen, waarvan er drie naar voren staan, zijn tot aan hun gewrichtsverbinding met den loop van een gescheiden of hoogstens door een zeer kort spanvlies gedeeltelijk verbonden, de klauwen dik, maar kort, meestal ook weinig gebogen; de loop is van voren met korte dwarsschilden, van achteren netsgewijs met schubben bekleed. De vleugel bestaat uit harde slagpennen, waarvan er 11 à 15 aan den voorarm, 10 aan de hand zitten; van deze steekt de tweede voorbij de andere uit. De staart bestaat in den regel uit 12, bij uitzondering uit 14 à 16 pennen; hij is meestal kort en zwak afgerond, soms echter lang en dan gewoonlijk naar de zijden trapsgewijs afgekort. De stijve en harde veeren liggen tamelijk glad tegen het lichaam aan; iedere veer afzonderlijk is betrekkelijk groot, breed afgerond en bij den wortel donzig. Zachte kleuren hebben de overhand, levendige, sterk sprekende zijn echter volstrekt niet zeldzaam; vooral de hals en de vleugeldekveeren iriseeren dikwijls met de prachtigste metaalkleuren. Tusschen het mannetje en het wijfje bestaat bij de meeste soorten weinig verschil; de jongen onderscheiden zich echter gewoonlijk van de ouden. Van hun grootte valt op te merken, dat de grootste der thans bekende Duifvogels een kleinen Kalkoen, de kleinste een Leeuwerik ongeveer evenaart.

Van het inwendig samenstel verdient, volgens Nitzsch vermelding, dat de Duiven in verschillende opzichten—vooral door den vorm van borstbeen, vorkbeen, voorarm, bekken, maag, luchtpijp, enz.—een niet geringe overeenkomst met de Hoenderen vertoonen, in andere opzichten trouwens zeer duidelijk van hen verschillen. De slokdarm verwijdt zich tot een echten krop, welks wand in den broedtijd dikker wordt en dan aan zijn binnenste oppervlakte netvormige plooien en mazen vertoont, die (ten gevolge van den vermeerderden toevoer van bloed naar de vaten) in dien tijd een melkachtige stof afscheiden, welke het eerste voedsel van de jongen is. Hierdoor verschillen de Duiven van alle overige bekende Vogels.

Er is reden om de Duiven begaafd te noemen. Zij loopen goed; hoewel zij geen bijzonder snellen gang hebben, kunnen zij dien lang volhouden; bij elken stap knikken zij echter met den kop, omdat hare pooten kort zijn. Enkele soorten loopen op de wijze van Hoenderen zeer snel; andere kunnen zich op den bodem niet goed redden, maar des te beter op de twijgen der boomen. Zij, die het best kunnen loopen, vliegen het slechtst; verreweg de meeste echter hebben een snelle en krachtige vlucht, die zich door behendige, snelle wendingen kenmerkt en gewoonlijk met een luid, fluitend gedruisch gepaard gaat. Dat de Duiven uit eigen beweging soms zwemmen, heb ik in Egypte waargenomen; dat zij in den grootsten nood zelfs duiken, hebben Naumann en E. von Homeyer opgemerkt. Over ’t algemeen is er tusschen de stemmen van de verschillende Duiven veel overeenkomst waar te nemen; bij vergelijking van deze geluiden merkt men echter ook verscheidenheid op. De meeste Duiven “roekoeken”, d.w.z. laten kort afgebroken, hol klinkende, zware geluiden hooren, waarin de klonk “roek” of “roeks” de overhand heeft; andere “kirren”, brengen zachte, trillende tonen voort, welker klank aan den wortel van het genoemde werkwoord herinnert; enkele soorten huilen, andere lachen; eenige geven zeer klankvolle, goed afgeronde, aangename geluiden ten beste, andere knorren afschuwelijk. Onder hare zinnen staat ongetwijfeld het gezicht bovenaan, zooals het betrekkelijk groote, goed gebouwde en dikwijls zeer fraai gekleurde oog, dat veel uitdrukking heeft, reeds laat vermoeden; eveneens voortreffelijk is het gehoor, over welks scherpte men gemakkelijk een bepaald oordeel kan verkrijgen; waarschijnlijk zijn ook de smaak, de reuk en het gevoel betrekkelijk fijn. De geestesgaven van de Duiven heeft men, verleid door haar meer schijnbare dan werkelijke lieftalligheid, dikwijls zeer overschat. De Duiven zijn in den regel schuw en voorzichtig, onderscheiden echter een wezenlijk bestaand van een denkbeeldig gevaar niet zoo scherp als andere Vogels; zij nemen altijd het wisse voor het onwisse en ontwijken daarom den boer of den schaapherder even angstvallig als den jager. Het kost moeite ze werkelijk te temmen, omdat haar geschiktheid om te oordeelen gering en haar geheugen (op zijn zachtst uitgedrukt) niet voortreffelijk is. Toch verdienen de Duiven, ook wat hare geestvermogens betreft, duidelijk den voorrang boven de Hoenderachtigen en Pluviervogels.

In hare handelingen is zooveel aantrekkelijks, dat zij reeds sinds overouden tijd als zinnebeelden beschouwd werden; zelfs is haar de eer ten deel gevallen, dat men bovenzinnelijke begrippen in haar gedaante voorstelde. Voor het onbevangen oog vertoont zich haar aard in een minder gunstig licht. Vele, maar geenszins alle Duiven houden van gezelligheid en leven paarsgewijs: het is echter zeer de vraag, of de leden van een paar werkelijk levenslang vereenigd blijven, zooals gewoonlijk aangenomen wordt. Ronduit afschuwelijk vinden wij de trouweloosheid van vele Duiven jegens haar gebroed: niet slechts de eieren, maar zelfs de reeds uit den dop gekomen jongen verlaten zij, wanneer zij gestoord worden en hierdoor argwaan krijgen. Ook kan men haar niet vrijpleiten van nijd en afgunst; de hebzucht brengt bij haar ieder kameraadschappelijk gevoel tot zwijgen: het door haar gevonden voedsel bedekken zij met de vleugels, terwijl daarentegen de veel lager geschatte Hoenderen in een dergelijk geval hunne metgezellen bij zich roepen.

De Duiven (waarvan men ongeveer 400 soorten onderscheidt) zijn wereldburgers in de meest uitgestrekte beteekenis van het woord. Zij bewonen alle werelddeelen, alle hoogte- en breedtegordels, maar geven de voorkeur aan het woud; die, welke zich op kale rotsen vestigen, behooren tot de uitzonderingen. Zij houden van de nabijheid van ’t water en vermijden waterlooze gewesten, waarmede echter niet bedoeld wordt, dat zij hier geheel ontbreken; daar haar vaardigheid in ’t vliegen haar in staat stelt om dagelijks verafgelegen drinkplaatsen te bezoeken. Haar grootste ontwikkeling vertoont deze orde op de groote en kleine eilanden van de Stille Zuidzee; over ’t algemeen trouwens herbergen de eilanden naar evenredigheid meer Duiven dan de groote vastelanden. De Soenda-eilanden, Philippijnen, Molukken zijn rijk aan afwijkende en prachtige soorten; in aanzienlijken getale bewonen zij Australië en Nieuw-Guinea; weinig minder sterk vertegenwoordigd zijn zij in Indië en Zuid-China. In Afrika is het aantal soorten minder groot dan in Azië; iedere soort wordt echter zeer veelvuldig aangetroffen; men ontmoet hier allerwege Duiven, zelfs nog midden in de woestijn. In de wouden van de steppe ziet men ze hier en daar als ’t ware op iederen boom; in de oerwouden is het roeksen, kirren, huilen enz. van de Duiven een zoo gewone muziek, dat het geluid van alle andere Vogels er bijna door overstemd wordt; een enkele bron, een waterplas in de steppe, dient gedurende meer of minder langen tijd als verzamelplaats voor honderdduizenden van deze snelvliegende Vogels, die betrekkelijk weinig behoeften hebben. Amerika, vooral het zuiden van dit werelddeel, is het vaderland van meer dan het derde deel van alle tot dusver bekende Duiven. Op grond van haar bekende voorliefde voor het verblijf op eilanden, zijn zij in Middel-Amerika nog veelvuldiger dan in Brazilië. Bij het nagaan van hare verblijfplaatsen blijkt het, dat de verschillende soorten de wereld onder elkander verdeeld hebben. Terwijl sommige uitsluitend boomvogels zijn en hoogstens om te drinken op den bodem komen, brengen andere hier haar geheele leven door of begeven zich hoogstens voor korten tijd op lage boomtakken; terwijl deze het donkere woud bevolken, vestigen gene zich in het lichte struikgewas der steppe; weer andere huizen slechts op rotsen, of alleen in lage struiken, uitsluitend op kleine eilanden, enz.

Alle in het noorden levende soorten zijn trekvogels, de bewoners van zuidelijke gewesten zwerf- of standvogels. Deze leven hoogstens in kleine troepen, gewoonlijk echter bij paren; de overige vereenigen zich slechts gedurende den trektijd tot groote zwermen; andere vormen jaar in jaar uit talrijke genootschappen; de leden van sommige soorten vereenigen zich tot ontzaglijke scharen, die volgens betrouwbare schattingen veel talrijker zijn dan bij eenige andere Vogelgroep. Zelden trekken zij ver weg; de Europeesche Duiven b.v. begeven zich hoogstens naar Noord-Afrika, maar blijven meestal reeds in Zuid-Europa. Hun voedsel ontleenen zij bijna uitsluitend aan het plantenrijk. In den krop heeft men bij enkele soorten kleine huisjesslakken, Wormen en rupsen gevonden; ook weet men, dat zij haar eigen Luizen opeten; de hoeveelheid dierlijk voedsel, die zij gebruiken, is in allen gevalle zeer gering. Zaden en wortelknollen van allerlei soort vormen het voedsel van de meerderheid; de leden van sommige familiën of onderfamiliën voeden zich met de bessen en vruchten, die het woud oplevert. Vele soorten zijn zeer gesteld op zouthoudenden grond. De Duiven, die harde zaden eten, slikken tot bevordering van de spijsvertering kleine stukjes kwarts en andere harde voorwerpen door; de wijfjes, die eieren zullen leggen, gebruiken ook kalk. Zij hebben veel water noodig, omdat dit niet alleen voor het lesschen van den dorst, maar ook voor het verweeken van de harde zaden moet dienen.

Voor zoover men weet, broeden alle Duiven meer dan eens in het jaar. Het nest wordt op verschillende plaatsen gebouwd: te midden van de twijgen van boomen en struiken, soms hoog, soms laag boven den grond, in holen van ’t gesteente en gaten van boomen, op dikke takken, op afgeknotte stammen, zelden op den vlakken grond. Het is slecht gebouwd van eenige weinige dorre twijgen, die onsamenhangend en slordig opeengestapeld zijn; dikwijls is het zoo los ineengevoegd, dat men niet begrijpt, hoe het weerstand kan bieden aan weer en wind. Het nest bevat witte eieren. Gedurende den paartijd streeft de doffer zeer ijverig naar de gunst van de duif. Beide ouders houden zich met het broeden bezig; de doffer vervult zijn taak niet zonder morren, omdat het stilzitten hem hoogst onaangenaam schijnt te zijn. Nadat de eieren 14 à 20 dagen bebroed zijn, komen de jongen te voorschijn; zij zijn klein, hulpbehoevend, blind en schaarsch bekleed met geel dons; zij blijven in het nest, totdat zij in staat zijn om te vliegen. Aanvankelijk worden zij gevoed of liever “gepropt” met de kaasachtige stof, die uit de wanden van den krop afkomstig is, later met in de krop geweekte, nog later met harde zaden. Zij ontwikkelen zich schielijk: reeds na het eerste levensjaar zijn zij voor de voortplanting geschikt.

Alle Duiven, althans de inheemsche, moeten als nuttige Vogels beschouwd worden. Snell heeft zich door nauwgezette en moeielijke onderzoekingen overtuigd, dat zij wel is waar enkele graankorrels opzoeken, die anders bederven zouden, maar toch over ’t algemeen zich bijna uitsluitend voeden met onkruiden, die voor den landbouw nadeelig zijn, waardoor zij ons een waarlijk onberekenbaar voordeel aanbrengen.


De eerste van de vier onderfamiliën, waarin Reichenow de Duiven verdeelt, is die der Vruchtduiven (Carpophaginae). Zij kenmerken zich door een gedrongen lichaamsbouw, een gladrandigen snavel, korte, zeer krachtige pooten met bevederden loop en vleezige teenen met breede zool, middelmatig lange vleugels, een korten, uit 14 pennen samengestelden, recht afgesneden, zelden eenigszins wigvormig verlengden staart en een prachtig (meestal grootendeels groen) gekleurd vederenkleed. Ten getale van ongeveer 150 soorten bewonen zij het zuiden van de Oude Wereld, zijn het talrijkst in het Australische, het minst talrijk in het Ethiopische Rijk, leven uitsluitend op boomen en voeden zich met vruchten.

*

Als vertegenwoordiger van deze groep noemen wij de Groote Groene Muskaatduif (Carpophaga concinna), waarvan Wallace melding maakt bij ’t beschrijven van zijn bezoek aan de Kei-eilanden (Residentie Banda): “Het meest betreden pad leidde van het strand naar een schaduwrijke diepte, waar de boomen onmetelijk hoog waren en het kleine hout zeer schaarsch. Uit de toppen dezer boomen liet zich van tijd tot tijd een zwaar, brommend geluid hooren, waarvan wij aanvankelijk niets begrepen, en dat, zooals ons spoedig bleek, door eenige groote Duiven werd voortgebracht. Mijne jongens legden op haar aan, en hadden, na één- of tweemaal misgeschoten te hebben, het geluk er een te treffen. Het was een prachtige Vogel, ruim 50 cM. lang, blauwachtig wit van kleur, maar schitterend metaalgroen met gouden, blauwen en violetten weerschijn op het benedeneinde van de vleugels en den staart, met koraalroode pooten en goudgele oogen. Deze soort is beperkt tot eenige kleine eilanden, doch op deze overvloedig. Het is dezelfde soort, die op Banda “Muskaatduif” wordt genoemd, omdat zij gewoon is de vruchten van den muskaatnotenboom te verslinden, of liever den zaadrok (foelie), die den zaadkorrel bedekt, “terwijl zij, het zaad (dat gewoonlijk muskaatnoot wordt genoemd) ongeschonden weer uitwerpt. Ofschoon deze Vogels een smallen bek hebben, zijn hunne kaken zoo beweeglijk en is hun slokdarm zoo rekbaar, dat zij vruchten van grooten omvang kunnen verzwelgen.” De muskaatnoot ontkiemt zelfs in haar vaderland niet gemakkelijk; de planters laten haar eerst in kalkwater weeken, voordat zij haar in den grond leggen. De zaden, die door het spijskanaal van den Vogel zijn heengegaan en met den drek worden uitgeworpen, ontkiemen beter dan die, welke dezen weg niet hebben afgelegd. De Muskaatduif heeft op deze wijze veel bijgedragen tot de verbreiding van den muskaatnotenboom op de Molukken. De stem van dezen Vogel bestaat uit een zwaar gebrom, alsof twee tonen op een “gong” van de grootste soort worden aangeslagen, soms ook uit een geheel eigenaardig en zonderling schor gekwaak, eenigszins gelijkend op dat van een Pad.

Meer dan 50 soorten van Muskaatduiven zijn over het geheele Australische en het Oostersche Rijk verbreid. De washuid aan den wortel van den bovensnavel zwelt bij deze dieren in den paartijd op en vormt een min of meer kogelvormigen knobbel. Vele dragen door het eten van vruchten veel bij tot de verbreiding van de boomen, die deze vruchten voortbrengen. Zoo gebruikt de Metaalkleurige Muskaatduif (Carpophaga aenaea) van de Soenda-eilanden de vruchten van de gebang-palm (Corypha), die ongeveer 2.5 cM. middellijn hebben en uit een harde, bolvormige zaadkorrel bestaan, omgeven door een groenen bolster, die een zeer dunne, saprijke laag bevat. Deze zaden zijn zoo hard, dat de Mahomedanen in Indië ze gebruiken als kralen voor hunne rozenkransen. “Dikwijls,” zegt Wallace, “schoot ik exemplaren met onderscheidene van deze vruchten in den krop; doorgaans barstte deze bij het op den grond vallen.” De laatstgenoemde, ook op Java levende soort, die door de bewoners van Sumatra, waar zij ook voorkomt, Pagam genoemd en dikwijls in de kooi gehouden wordt, is in onze dierentuinen zeer gemeen. De rug, de vleugels en de staart zijn bij haar blauwachtig bronsgroen, maar de onderdekveeren van den staart zijn roodbruin en de overige gedeelten van het vederenkleed witachtig, welke tint echter op den nek naar purper zweemt. In grootte overtreft deze soort onze grootste tamme Duif.


Voor ons is de onderfamilie van de Edelduiven (Columbinae) de belangrijkste; daar alle inheemsche Duiven en die, welke bij ons huisdieren geworden zijn, er toe behooren. Deze groep is over alle werelddeelen verbreid, in de Oude Wereld echter soortenrijker dan in Amerika. Zij onderscheidt zich door de iets grootere lengte van den loop en de smalheid van de zool der teenen, waardoor de pooten beter voor het gaan op den grond geschikt zijn. De staart bestaat uit 12 pennen, is meestal recht afgesneden of afgerond, zelden zeer lang en trapvormig. De snavel is middelmatig lang, alleen aan de spits hoornachtig, aan den wortel echter zacht en met een washuid bedekt. De veeren zijn minder prachtig van kleur dan bij de vorige groep.

*

De beroemde Trekduif (Ectopistes migratorius) is krachtig gebouwd, heeft een langen hals en een kleinen kop met middelmatig langen, tamelijk dunnen en zachten snavel, een korten, maar krachtigen loop (korter dan de middelste voorteen zonder den nagel), lange, spitse vleugels, waarin de tweede handpen de langste is en een langen staart, welks pennen (met uitzondering van de beide middelste, die een weinig korter zijn dan hare buren), naar de zijden trapvormig in lengte afnemen; de staart is even lang als, of langer dan de vleugel. De hoofdkleur is leikleurig blauw; de onderdeelen zijn roodachtig grijs, de zijden van den hals hebben een purpervioletten weerschijn, de buik en de aarsdekveeren zijn wit, de slagpennen zwartachtig met witten zoom, de middelste stuurpennen zwart, de overige lichtgrijs, aan den wortel van de binnenvlag met een bruinroode en een zwarte vlek geteekend. Het oog is glanzig rood, de snavel zwart, de poot bloedrood. Totale lengte van het mannetje 42, van het wijfje 39, lengte van staart en vleugel bij beide 21 cM.

Van de Hudsonsbaai tot aan de Golf van Mexico en van het Rotsgebergte tot aan de oostkust komt de Trekduif (die, naar men zegt, eenige malen naar Engeland is afgedwaald) in alle Staten van Noord-Amerika voor, doch niet overal in even grooten getale.

“De Trekduif, die in Amerika “Wilde Duif” wordt genoemd,” zegt Audubon, “beweegt zich met buitengewone snelheid door snel opeenvolgende vleugelslagen. Hare reizen hebben uitsluitend plaats met het doel om voedsel te vinden, niet om aan de winterkoude der noordelijker gewesten te ontkomen of om een geschikter broedplaats op te zoeken. Nergens vestigen deze Vogels zich voor goed; op plaatsen, waar zij voedsel vinden, blijven zij soms jaren achtereen, hoewel men ze er vroeger nooit opmerkte, verdwijnen daarna plotseling en keeren eerst na jaren weer terug. Haar buitengewone vaardigheid in ’t vliegen stelt haar in staat om zich in korten tijd over een verbazingwekkenden afstand te verplaatsen. Vele feiten zijn bekend, waaruit dit blijkt. In de buurt van New-York doodde men Trekduiven, welker krop gevuld was met rijst, die zij in de velden van Georgië of Carolina opgepikt moesten hebben. Daar de spijsvertering bij hen zoo snel geschiedt, dat het opgenomen voedsel in 12 uur volkomen ontleed is, kan men hieruit afleiden, dat zij tusschen de 300 en 400 Engelsche mijlen in 6 uur of 1 mijl (20 minuten gaans) per minuut hadden afgelegd. Met dezelfde snelheid doorvliegend, zouden zij binnen de 3 dagen uit Amerika in Europa aankomen.

Trekduif (Ectopistes migratorius). ⅖ v. d. ware grootte.

Trekduif (Ectopistes migratorius). ⅖ v. d. ware grootte.

“In den herfst van 1813, toen ik eenige mijlen beneden Hardensburgh aan den Ohio over een dorre vlakte ging, zag ik een zwerm Trekduiven, die van het noordoosten naar het zuidwesten zich bewoog. Daar haar aantal mij grooter voorkwam, dan ik ooit te voren bijeen had gezien, nam ik mij voor, de zwermen te tellen, die binnen het uur mij voorbij zouden vliegen. Ik stapte daarom van ’t paard, ging op een hoogte zitten en maakte telkens als er een zwerm voorbijtrok, met mijn potlood een stip op ’t papier. Spoedig bemerkte ik, dat mijn plan onuitvoerbaar was, zoo groot was het aantal Vogels. Ik stond daarom op, telde de stippen en vond, dat ik er in 21 minuten 163 aangeteekend had. Ik zette mijn weg voort, maar de massa Vogels werd steeds grooter. De lucht was letterlijk met Duiven gevuld, die de namiddagszon verduisterden als bij een zoneclips. De uitwerpselen vielen als sneeuwvlokken naar beneden; het voortdurend gedruisch van de vleugelslagen maakte mij slaperig, hoezeer mij de bewegingen dezer Vogels boeiden. Onmogelijk is het hunne prachtige zwenkingen te beschrijven, als een Valk een van hen trachtte te grijpen. Plotseling stortten zij dan met donderend geraas als een samenhangende massa, als een levende stroom naar beneden, schoten dicht aaneengesloten volgens golvende banen en scherphoekige lijnen vooruit, daalden tot op den bodem af en scheerden zich daarlangs met onvergelijkelijke snelheid, stegen vervolgens loodrecht omhoog, als een kolossale zuil, en ontwikkelden zich, nadat zij de gewenschte hoogte weder bereikt hadden, tot een lijn, vergelijkbaar met de kronkelingen van een onzaglijk groote Reuzenslang.

“Alle bewoners van de streek waren onder de wapenen. Aan de oevers van den Ohio wemelde het van mannen en knapen, die dooreenkrioelden en onophoudelijk schoten onder de vreemde gasten, die hier lager vlogen, omdat zij de rivier wilden overtrekken. In grooten getale werden zij gedood; een week lang en langer at de bevolking niets anders dan vleesch en vet van Wilde Duiven; alle gesprekken hadden alleen op haar betrekking. De dampkring was intusschen vervuld met de eigenaardige lucht, die deze soort verbreidt.

“Misschien is het van belang het aantal Duiven in zulk een zwerm te schatten en de hoeveelheid voedsel te berekenen, die zij verbruiken. Als men aanneemt, dat het vogelenheir een breedte van één mijl besloeg (wat volstrekt niet overdreven mag worden genoemd) en dat het met de aangegeven snelheid onafgebroken drie uren lang voorbijtrekt, zoo verkrijgt men een parallellogram van 180 vierkante Engelsche mijlen. Rekent men slechts twee Duiven op de vierkante meter, dan blijkt het, dat het geheele leger uit 1.115.136.000 stuks Trekduiven moet hebben bestaan. Daar nu iedere Duif per dag een “halve pint” (bijna O.3 Liter) voedsel noodig heeft, leert de berekening, dat het geheele reisgezelschap 8.712.000 “bushels” (3.163.000 Hectoliter) per dag verorbert.

“Zoodra de Duiven op den grond voedsel waarnemen, beginnen zij kringen te beschrijven om het terrein te onderzoeken. Gedurende deze zwenkingen levert de dichte massa een prachtig schouwspel op. Terwijl zij van richting veranderen en beurtelings de boven- en de onderzijde naar den waarnemer keeren, zien zij er nu eens blauw dan weer purperkleurig uit. Zoo trekken zij op korten afstand over de wouden voort, verdwijnen voor een poos in het loover, verheffen zich weer en vliegen door hoogere luchtlagen verder. Eindelijk strijken zij neer. Zoodra zij op den grond neergekomen zijn, ziet men ze ijverig tusschen de dorre bladen snuffelen om de hieronder verborgen eikels op te zoeken. De hoeveelheid voedsel, die van den bodem wordt opgezocht, is verbazend groot; het verzamelen geschiedt zoo zorgvuldig, dat het vergeefsche moeite zou zijn een nalezing te houden. Soms eten zij zoo gulzig, dat het doorslikken van een noot of een eikel gepaard gaat met een gekuch, alsof zij op ’t punt zijn van te stikken. Ongeveer op ’t midden van den dag, nadat zij zich verzadigd hebben, gaan zij op de boomen zitten rusten. Met lichten tred loopen zij de twijgen rond en bewegen intusschen op zeer bevallige wijze den hals heen en weer. Als de zon ondergaat, vliegen zij in menigte naar hare slaapplaatsen. Het is volstrekt geen zeldzaamheid, dat deze op honderden mijlen afstands van hare voederplaatsen gelegen zijn.

“Herhaaldelijk bezocht ik haar slaapplaats aan de Green River in Kentucky. Deze bestaat uit een hoogstammig woud met weinig onderhout, dat minstens 40 mijlen lang en meer dan 3 mijlen breed is. Toen ik het voor de eerste maal bezocht, hadden de Duiven het sinds ongeveer 14 dagen in bezit genomen. Twee uur vóór zonsondergang kwam ik aan. Er waren slechts weinige Duiven te zien; maar vele menschen met Paarden en wagens, geweren en ammunitie kampeerden overal langs de boschranden. Twee grondeigenaars hadden meer dan 200 Zwijnen ruim 100 mijlen ver naar hier gedreven, om ze met Duiven te mesten. Overal zag men lieden bezig met het inzouten van de Duiven, die allerwege bij hoopen lagen. Over de geheele uitgestrektheid van de slaapplaats was de bodem bedekt met een laag uitwerpselen van verscheidene centimeters dikte; ’t was, alsof het gesneeuwd had. Vele boomen, met stammen van ongeveer 60 cM. dikte, waren dicht bij den grond afgebroken; takken van de grootste en dikste boomen waren naar beneden gestort, alsof een orkaan het bosch geteisterd had. Uit al deze verschijnselen viel af te leiden, dat zich hier een onbeschrijfelijk groot aantal Vogels had opgehouden. Het tijdstip, waarop de Duiven zouden aankomen, naderde; hare vijanden maakten op bijna angstvallig nauwgezette wijze toebereidselen voor den strijd. Sommigen kwamen met ijzeren potten vol zwavel, anderen met fakkels van harsachtig hout, nog anderen met palen, de overigen met geweren. De zon was reeds onder de kim gedaald, nog was geen enkele Duif verschenen, maar alles was voor de vangst gereed; aller oogen staarden naar den helderen hemel, die tusschen de hooge boomen doorschemerde. Plotseling weerklonk het algemeen geroep: “Daar komen zij!” En ofschoon de Duiven nog veraf waren, hoorde men een dreunend geraas, dat aan het loeien van een sneeuwstorm door het want van een schip herinnerde. Toen de zwerm over mij heentrok, merkte ik een hevige luchtstrooming op. Duizenden van Duiven werden al dadelijk door de mannen met de palen naar den grond geslagen, maar onophoudelijk snelden versche drommen toe. Toen de vuren aangestoken werden, vertoonde zich een grootsch, even zonderling als ontzettend schouwspel aan mijne oogen. De Duiven, die bij duizenden kwamen, streken overal neer, totdat zij om de takken en twijgen der boomen aaneengesloten massa’s vormden. Hier en daar braken de takken onder hun last, stortten krakend naar beneden en doodden honderden van de daaronder zittende Vogels, daar zij geheele risten van hen medesleepten naar den bodem. Het was een schouwspel van verwarring en wanorde. Het was geheel noodeloos te spreken: de naastbijzijnde lieden waren niet te beschreeuwen. Zelfs van het afschieten der geweren bespeurde men meestal niets anders dan de lichtstraal veroorzaakt door de verbranding van het kruit!

“Eerst tegen den morgen bedaarde het gedruisch eenigszins. Lang voordat men een voorwerp kon onderscheiden, begonnen de Duiven reeds weg te trekken en wel in een geheel andere richting dan die, welke zij bij haar komst volgden. Bij zonsopgang waren alle, die nog vliegen konden, verdwenen. Nu vernam men de stem van de Wolven, Vossen en Lossen, van den Poema, van de Beren, Waschberen en Buideldieren, die onder de boomen rondsnuffelden, terwijl Arenden en een menigte Gieren kwamen aanvliegen om met de viervoetige roovers den buit te deelen. Thans begonnen ook de hoofdaanleggers van het moordtooneel de doode, stervende en verminkte Duiven op te zoeken. Zij werden op hoopen geworpen, tot ieder er zooveel had, als hij verlangde; vervolgens liet men de Zwijnen los om het overblijvende te verslinden.”

Soortgelijke tooneelen van slachting komen voor op de broedplaatsen van de Trekduif. “Haar voortplanting,” verhaalt Audubon verder, “hangt niet direct van het jaargetijde af; als broedplaats dient een woud, waar het voedsel overvloedig en gemakkelijk verkrijgbaar is en dat zich op een niet te grooten afstand van een water bevindt. De nesten worden gebouwd in hooge boomen. Op één boom ziet men dikwijls 50 à 100 nesten bijeen; de vrees, dat men de wonderbaarlijke geschiedenis van deze Duif voor een sprookje zal houden, weerhoudt mij van het noemen van een nog grooter getal. Ieder nest bevat 2 rondachtige, ongeveer 35 mM. lange, 25 mM. dikke, zuiver witte eieren. Gedurende het broeden wordt het wijfje gevoederd door het mannetje, dat zijn wederhelft een werkelijk treffende liefde en genegenheid betoont. Opmerkelijk is het, dat de beide jongen altijd van verschillend geslacht zijn. De jongen worden door hunne beide ouders gevoederd, totdat zij zich zelf kunnen redden, verlaten daarna het gezelschap van de volwassenen en blijven tot afzonderlijke zwermen vereenigd tot aan het einde van hun jeugd. Na zes maanden zijn zij in staat zich voort te planten. Zoodra zij de eischaal verlaten hebben, begint de oppergeweldenaar, de mensch, hun den oorlog aan te doen. Met bijlen en andere wapens voorzien, begeeft hij zich naar ’t woud, houwt takken af en boomen om en stoort op deze wijze de weerlooze woudbewoners in hun rust. Bij ’t neerstorten der omgehakte stammen worden de jongen uit hunne nesten geslingerd, waardoor zij in menigte om ’t leven komen.”

Men zou kunnen meenen, dat de Duiven door dergelijke jachtbedrijven weldra uitgeroeid zullen zijn. “Door jarenlange waarnemingen,” zegt Audubon, “ben ik tot de overtuiging gekomen, dat haar aantal alleen door het ontginnen der bosschen vermindert.” Voorheen waren zij zelfs in de oostelijke kuststaten veelvuldig. In het jaar 1885 kwamen in New-York schoeners aan, die met Trekduiven beladen waren; deze werden voor 1 cent Amerikaansch geld (ƒ 0.02½) per stuk verkocht. Een man in Pennsylvanië ving in zijn slagnet op één dag 500 dozijn van deze Vogels, soms wel 20 dozijn bij een slag van het net. Nog in het jaar 1830 kwamen zij zóó veelvuldig te New-York op de markt dat zij algemeen gegeten werden.

Hoewel de Trekduif bij behoorlijke verzorging jaren lang in gevangenschap kan blijven leven en zich hier zonder bezwaar voortplant, komt hij tegenwoordig in onze dierentuinen zeer zelden voor.

*

Tot het over de geheele wereld verbreide geslacht der Houtduiven (Columba) behoort onze Woudduif, ook wel Ringduif, Ringelduif, Boschduif of Koolduif, in Overijsel Schor en Spechte, in Limburg Holduif, in Friesland Houtduif (friesch: Houtdouw) genoemd (Columba palumbus). De kop, de nek en de keel zijn donker blauwachtig grijs (ook wel aangeduid als “duivenblauw” of “papaverblauw”), de bovenrug en het bovenste deel van den vleugel donker grijsblauw, de onderrug en de staartwortel lichtblauw, de kop en de borst roodachtig grijs, de onderdeelen overigens licht grijsblauw, behalve de witte onderbuik; het onderste deel van den hals is aan weerzijden met een glanzig witte vlek versierd en iriseert met metaalachtige kleuren; de slagpennen zijn leikleurig grijs, de staartveeren leikleurig zwart, met een lichteren dwarsband geteekend; een breede streep aan de vleugelbocht en een groote vlek op de staartpennen zijn wit. Het oog is licht zwavelgeel, de snavel lichtgeel, aan den wortel rood, de poot blauwachtig rood. Totale lengte 43, vleugellengte 23, staartlengte 17 cM.

De Woudduif is bezuiden den 65en graad N.B. over geheel Europa verbreid en wordt in Azië door een nauw verwante soort vervangen. In Nederland komt zij zeer algemeen voor; zij broedt niet alleen in allerlei bosschen, maar zelfs in onze dorpen en steden op de boomen der tuinen en grachten. Na den broedtijd leeft zij gezellig, verhuist in September en October naar het zuiden (overwintert echter ook dikwijls hier te lande) en keert in April naar hare broedplaatsen terug. Des winters bezoekt zij ook het noordwesten van Afrika, in het noordoosten van dit werelddeel komt zij niet. Reeds in Zuid-Europa treft men de Woudduiven minder veelvuldig aan dan bij ons, in Spanje echter vindt men ze op sommige plaatsen tot talrijke gezelschappen vereenigd.

De Woudduif is een echte boomvogel. In Duitschland ontmoet men haar in alle bosschen, zoowel groote als kleine, onverschillig of zij uit naaldboomen of uit boomen met breede bladen bestaan, in het gebergte zoowel als in de vlakte, dicht bij de dorpen zoowel als ver van de menschelijke woningen. Naar het schijnt, geeft zij echter aan naaldhout de voorkeur, misschien wel alleen, omdat de zaden van dennen, sparren en edeldennen tot hare liefste voedingsmiddelen behooren. Bij uitzondering vestigt zij haar woonplaats soms op alleenstaande boomen te midden van dorpen of zelfs van volkrijke steden. In het noorden van haar verbreidingsgebied is zij een trekvogel, die op vast bepaalde tijden vertrekt en terugkeert; ten deele reeds bij ons en in Duitschland, meer nog in Spanje en Portugal is zij standvogel. De Woudduif is een buitengewoon vlugge, schielijk wegvliegende en schuwe Vogel. Zij kan goed loopen, maar doet dit niet zeer snel; het lichaam heeft dan soms een horizontalen, soms een opgerichten stand, de hals is voortdurend in beweging. Zij zit op den top van een boom of diep in de kroon verborgen. Aan boomen, die ver boven de andere uitsteken of doode takken aan den top hebben, geeft zij de voorkeur, op deze treft men haar bijna iederen morgen aan. Zij vliegt fraai, snel en behendig; haar vleugelslag maakt bij het opvliegen een klapperend en in de lucht een fluitend gedruisch. Reeds op een grooten afstand kan men de Woudduif niet slechts aan haar grootte, maar ook aan haar langen staart en aan de witte vlekken op de vleugels van de verwante soorten onderkennen.

1) Woudduif (Columba palumbus), 2) Kleine Boschduif (Columba oenas). ⅓ v. d. ware grootte.

1) Woudduif (Columba palumbus), 2) Kleine Boschduif (Columba oenas). ⅓ v. d. ware grootte.

Het echtpaar brengt den nacht door in de nabijheid van het nest. Vroeg, vóór het aanbreken van den dag is het reeds wakker: de doffer begeeft zich dan naar zijn lievelingsboom. Hier begint hij in de schemering te roekoeken; zijn geluid gelijkt op dat van de Veldduif, maar is krachtiger; het klinkt bijna als “roekkoekkoek” en “koekkoekoe” of “roekoekoe-koekoe.” Hij zit intusschen stil op een tak, maar blaast den hals op en beweegt deze. Ieder geroekoe wordt drie- of viermaal achtereenvolgens herhaald. De doffers uit de buurt worden hierdoor bijeengelokt; zij zetten zich op naburige boomen neer en houden nu met elkander een wedstrijd in het roekoeken.

Het mannetje en het wijfje sleepen, zoodra de plaats voor het nest bepaald is, de bouwstoffen aan; deze worden echter door het wijfje verwerkt. Het nest bestaat uit dorre rijsjes van sparren, dennen, zilversparren en beuken of uit de twijgen van een dezer boomsoorten; het is zoo los en slecht gebouwd, dat men niet zelden de eieren er van onderen doorheen ziet schemeren; het is plat, alleen op de plaats waar de eieren liggen, hol en heeft een middellijn van 30 à 40 cM. Hoewel het zeer slecht gebouwd is, ligt het toch zeer vast en is tegen weer en wind bestand. De twee langwerpige, aan beide einden op gelijke wijze afgeronde eieren, die een dunne en oneffene, glanzig witte schaal hebben, vindt men van de laatste helft van April tot aan de laatste helft van Juli in het nest. Zij worden door het mannetje en het wijfje om beurten bebroed. Opmerkelijk is de geringe gehechtheid van de Woudduif aan hare eieren. Als men de broedende Woudduif van het nest jaagt, kan men de eieren gerust dadelijk medenemen, want zij laat ze stellig in den steek. Jegens de jongen is haar liefde grooter, maar toch niet zoo groot als bij andere Vogels.

Het liefste voedsel van de Woudduif zijn de zaden van verschillende soorten van naaldboomen; met deze vindt men gedurende den geheelen zomer haar krop gevuld. Zij zoekt ze niet slechts van den grond op, maar haalt ze ook tusschen de uiteengeweken schubben van de pijnkegels weg. Bovendien eet zij graan en graszaden, bij uitzondering Slakken en Regenwormen, in het laatst van den zomer ook boschbessen en in bosschen met breedbladige boomen, eikels en beukels.

De weinige graankorrels, die de Woudduif van den akker opzoekt en die anders toch bederven zouden, mag men haar wel gunnen; maar ook deze kleine inbreuk op de bezittingen van den mensch vergoedt zij duizendvoudig door het opeten van zaden van allerlei soorten van onkruid.—Buiten den mensch heeft deze voorzichtige Vogel weinig vijanden, die voor hem gevaarlijk kunnen worden. De Havik en de Slechtvalk of de groote verwanten van den laatstgenoemden Roofvogel vangen vaak oude Duiven; het leven van de jongen wordt bedreigd door Boschkatten, Boommarters en Eekhoorntjes, misschien ook door Sperwer-wijfjes en ’s nachts door den Grooten Ooruil.

Gevangen Woudduiven worden tamelijk tam en kunnen vele jaren in de kooi in ’t leven blijven. Zij geraken gemakkelijk gewoon aan een doelmatig gekozen voedsel; gemengde zaden voldoen aan al hare eischen. Het is echter een zeldzaamheid, dat zij zich in de kooi voortplanten.

De Kleine Boschduif (Columba oenas), heeft den kop en den hals, het bovenste deel van den vleugel, den benedenrug en den staartwortel “duivenblauw”, den bovenrug donker grijsblauw, de kropstreek wijnrood, de overige onderdeelen dof “duivenblauw”; de slagpennen en de uiteinden der stuurpennen zijn leikleurig blauw; de vleugel heeft een afgebroken donkere band; de nek iriseert op een voor de Duiven karakteristieke wijze. Het oog is donkerbruin, de snavel lichtgeel, aan den wortel donker vleeschrood, als ’t ware wit gepoederd, de poot dof donkerrood. Totale lengte 32, vleugellengte 22, staartlengte 13 cM.

Ongeveer dezelfde landen als door de Woudduif bewoond worden, herbergen ook de Kleine Boschduif; zij is echter overal zeldzamer, om de zeer deugdelijke reden, dat zij niet overal wonen kan, daar zij voor haar nest oude boomen met geschikte holten noodig heeft. Zij houdt zich op in bosschen van allerlei soort, niet zelden ook op boomen te midden van het veld, als deze een holte bevatten geschikt om er een nest in te bouwen, soms op boomen in de onmiddellijke nabijheid van dorpen; in Middel-Duitschland neemt zij echter van jaar tot jaar meer af. In Nederland werd zij in kleinen getale in Gelderland, Noordbrabant, Noord-Holland, Utrecht en Zuid-Holland gezien of gevangen, in de vier eerstgenoemde provinciën (bij Nijmegen, Rheden en Ellecom, in de Meijerij van ’s Hertogenbosch en ’s Graveland bij Soestdijk) ook broedend waargenomen (Albarda). In Middel-Duitschland verschijnen deze Vogels, ieder afzonderlijk reizend, in Maart; tot vluchten vereenigd, begeven zij zich omstreeks het midden van October naar hunne winterkwartieren. Een enkele maal heeft men in Nederland (bij ’s Graveland) ook ’s winters Duiven van deze soort gezien; men mag ze dus als standvogels beschouwen. Zij overwinteren reeds in Zuid Europa; zelden steken enkele vluchten naar Noordwest-Afrika over.

De bewegingen van de Kleine Boschduif zijn minder vlug en onstuimig, maar behendiger dan die van de Woudduif; zij loopt beter en vliegt flink. Haar stem verschilt aanmerkelijk van die harer verwanten (Woudduif en Rotsduif): zij roekoekt eenvoudig “hoe hoe hoe.” Haar voedsel bestaat uit allerlei zaden.

Een paar Duiven van deze soort levert een tafereel van trouwe liefde op. Het mannetje is zeer gehecht aan zijn wijfje, is gewoonlijk in haar nabijheid, kort haar den tijd met “roekoeken”, terwijl zij broedt en begeleidt haar, wanneer zij van de eieren wordt afgejaagd. Onmiddellijk na de terugkomst in ’t vaderland, in de lente, zoekt het paar een voor den nestbouw geschikte holte op; hier vindt men reeds in het begin van April 2 witte eieren. De beide ouders broeden met zelfverloochenenden ijver. Zoo onverschillig als de Woudduiven voor hare eieren zijn, zoo gehecht zijn de Kleine Boschduiven er aan. Zij zitten niet slechts zeer “vast”, zóó zelfs, dat men de broedende Duif soms grijpen kan, maar zoeken, zelfs met gevaar voor haar leven, het nest weer op, wanneer zij er van verjaagd zijn. Men kan op het wijfje schieten, zonder dat zij hare eieren verlaat.

De Kleine Boschduif kan gemakkelijker getemd worden dan de Woudduif; zij begeeft zich soms vrijwillig in het gezelschap van de Veldduiven; naar gezegd wordt, paart zij zelfs met deze.

Als stammoeder van de Tamme Duiven of Huisduiven is de Rotsduif (Columba livia) voor ons de belangrijkste soort. De bovendeelen zijn licht aschkleurig blauw, de onderdeelen “duivenblauw”; de kop is licht leikleurig blauw, de hals tot aan de borst donker leikleurig, van boven licht blauwgroen, van onderen purperkleurig iriseerend; de benedenrug is wit, de vleugel met twee zwarte dwarsbanden geteekend; de slagpennen zijn aschgrauw, de stuurpennen donker papaverblauw, aan de spits zwart, de buitenste op de buitenvlag wit. Het oog is zwavelgeel, de snavel zwart, aan den wortel lichtblauw, de poot donker blauwrood. Het mannetje en het wijfje verschillen nagenoeg niet van kleur; de jongen zijn donkerder dan de ouden. Totale lengte 34, vleugellengte 21, staartlengte 11 cM.

In Nederland komt deze soort in ’t wild niet voor. Men vond volgens Mr. H. Albarda verwilderde Huisduiven, ook wel Wilde Duiven, Veldduiven of Veldvluchters, in Friesland Gib of Wilde Gib genoemd, “vroeger in grooten getale te Leeuwarden, waar zij hun voedsel op de straten zochten en op torens en oude gebouwen broedden en alzoo geheel zonder ’s menschen toedoen leefden en voortteelden. Thans vindt men ze niet meer dan in halfwilden staat op duiventillen ten platten lande.”

Het verbreidingsgebied van de Rotsduif, waarvan verscheidene standvastige ondersoorten bestaan, bepaalt zich in Europa tot eenige eilanden van het noorden en tot de kusten van de Middellandsche Zee; het omvat echter bovendien geheel Noord-Afrika, Palestina, Syrië, Klein-Azië en Perzië, alsmede enkele gedeelten van het Himalaja-gebied. Geregeld treft men haar aan in verschillende oorden langs de westkust van Schotland, op de Fär-öer en het rotsachtige eiland Rennesö bij Stavanger, verder op bijna alle voor haar geschikte rotswanden van de Middellandsche Zeekust, van Triëst af langs Griekenland, geheel Italië, Frankrijk en het zuiden van Spanje.

In de omstreken van Triëst nestelt de Rotsduif op alle voor haar geschikte plaatsen; op den Karst vooral in trechtervormige holen van den grond (dolinen), dikwijls diep onder de oppervlakte, in Istrië, Dalmatië, Italië, Griekenland, Klein-Azië en ook op alle Grieksche eilanden in rotsholen dicht bij de zeekust zoowel als op de hoogste gebergten. In Egypte ziet men, vooral in de nabijheid van de watervallen, hare nesten in zeer grooten getale in rotswanden, enkele vluchten zelfs in de woestijn, in oorden, waar men zich afvragen moet, hoe de armoedige bodem hier in staat is, aan deze menigte een voldoende hoeveelheid voedsel te verschaffen. Verderop in het binnenland is zij veel zeldzamer; op gunstig gelegen plaatsen ontbreekt zij echter niet, in iedere rotsklomp met steile wanden is men zeker haar te zullen ontmoeten. In Indië is zij een van de algemeenst en veelvuldigst voorkomende Vogels; ook hier broedt zij in holen en nissen van de rotsen en klippen, zooveel mogelijk in de buurt van water, en dikwijls in gezelschap van de Alpen-gierzwaluw.

In Indië, zoowel als in Egypte, leeft de Rotsduif ook in halfwilden toestand en bewoont alle oude, stille gebouwen, stadsmuren, pagoden, rotstempels en dergelijke monumenten, ook neemt zij haar intrek in de torens, die ten haren behoeve zijn opgericht. In Opper Egypte treft men vele buurtschappen aan, die meer ter wille van de Wilde Duiven dan van den mensch gebouwd schijnen te zijn. Uitsluitend de onderste verdieping van het huis, dat op een afgeknotte piramide gelijkt en met een plat dak gedekt is, wordt door den boer bewoond; de bovenste étage, die gewoonlijk wit aangestreken en ook op andere wijze versierd is, behoort aan de Wilde Duiven; bovendien heeft men hier hooge, koepelvormige torens gebouwd, alleen ter wille van deze Vogels. De muren van al deze gebouwen bestaan niet uit baksteenen, maar boven een bepaalde hoogte uitsluitend uit groote, eivormige, dikwandige potten, opeengestapeld en door mortel, of beter gezegd door slib van den Nijl, aaneenverbonden. Iedere pot heeft een opening aan zijn naar buiten gekeerd einde; dit gat is echter niet groot genoeg om als toegang voor een Duif te dienen, maar is bestemd voor het doorlaten van licht en lucht. Door de opening aan de binnenzijde kan de Duif gemakkelijk in de pot komen en hierin haar nest bouwen. De ingang tot de duivenwoning is tamelijk groot en met in den muur vastgemetselde takkenbossen omgeven, die de plaats innemen van de vliegplankjes. Dat deze inrichting goed aan het doel beantwoordt, blijkt duidelijk uit de groote menigte Duiven, die men voortdurend bij de huizen ziet.