Rotsduif (Columba livia). ½ v. d. ware grootte.
In de zuidelijke landen zijn de Rotsduiven standvogels, in het noorden worden zij door den winter tot trekken genoopt. Vóór hun vertrek vereenigen zij zich tot talrijke zwermen, die, naar het schijnt, gedurende hun verblijf in de winterkwartieren bijeenblijven. Waarschijnlijk trekken zulke duivenzwermen dikwijls over ons heen, zonder door ons herkend te worden, daar men ze licht verwarren kan met de Veldduiven.
De handelingen van de Rotsduiven verschillen niet veel van die onzer Tamme Duiven. Zij zijn behendiger, vooral in het vliegen, dan onze Veldduiven en in den regel zeer menschenschuw; in alle overige opzichten verschaffen de gewoonten van de Tamme Duiven ons een getrouw beeld van die harer stamouders. De Rotsduiven loopen goed, maar knikken daarbij met den kop, vliegen voortreffelijk, maar met fluitend gesuis, kunnen een afstand van ongeveer 100 KM. in één uur afleggen, klappen met de vleugels vóór het opvliegen en zweven, voordat zij neerstrijken, verheffen zich gaarne tot de groote hoogten en vliegen dikwijls in dicht aaneengesloten zwermen in kringen rond. De boomen vermijden zij graag, hoewel zij soms een uitzondering op dezen regel maken. Uren achtereen loopen zij soms op den bodem rond om voedsel te zoeken; bij het drinken waden zij niet zelden een eind in het water op; de Egyptische Rotsduiven gaan, als zij drinken willen, midden op den stroom zitten, laten zich door de golven dragen en stijgen weer omhoog, als zij haar dorst gelescht hebben.
De zintuigen en de geestvermogens van de Rotsduif zijn goed ontwikkeld. Men bemerkt n.l. bij het waarnemen van de Tamme Duiven weldra, dat men met schrandere, verstandige Vogels te doen heeft en kan hieruit afleiden, dat het bij de Rotsduif, die zelf niet gemakkelijk nagegaan kan worden, evenzoo gesteld is. De stem, het bekende roekoeken, bestaat uit doffe, huilende en rollende tonen, welker klank op “maroekoe moerkoekoe marhoekoekoe” gelijkt. Iedere afzonderlijke roep gaat gepaard met draaiingen, wendingen en knikken met den kop.
Al onze graansoorten en bovendien raapzaad, koolzaad, lijnzaad, linzen, erwten, enz., vooral echter de zaden van de vogelwikke, die als onverdelgbaar onkruid zoo gevreesd is, vormen het voedsel van de Wilde en van de Tamme Duiven. Men heeft ze als schadelijke dieren beschouwd, omdat zij tamelijk veel voedsel noodig hebben en ons een merkbaar verlies kunnen veroorzaken; men zal ze echter minder streng beoordeelen, wanneer men bedenkt, dat zij alleen in den zaaitijd graan eten en in ’t oog houdt, dat zij de veroorzaakte schade rijkelijk vergoeden door het verslinden van onkruid.
Men onderstelt, dat de Rotsduif minstens tweemaal per jaar broedt, en weet zeker, dat de Veldduif in den loop van den zomer minstens drie broedsels grootbrengt. In het begin van de lente roekoekt de doffer zeer druk, is jegens zijne soortgenooten twistziek en wint door strijd (niet altijd zonder moeite) zijn wijfje, waaraan hij de grootste teederheid bewijst. Eenige dagen later drijft de doffer zijn gade voor zich uit naar de plaats, waar het nest gebouwd zal worden, vliegt uit om bouwstoffen te verzamelen en voert deze in den snavel aan; het wijfje bouwt er een nest van. Dit is een vlakke, in ’t midden weinig uitgeholde, zonder eenige kunst samengevoegde hoop droge rijsjes, stengels van kruiden, stroo en droge grashalmen. Er verloopen nu nog eenige dagen, voordat het eerste ei gelegd wordt. Het broeden begint, als het nest twee eieren bevat. Deze hebben een langwerpigen vorm en een glanzige, gladde en zuiver witte schaal. De beide ouders broeden: het wijfje zonder verpoozing van 3 uur ’s namiddags tot 10 uur ’s voormiddags, de doffer gedurende de weinige overige uren. Des nachts slaapt hij in de onmiddellijke nabijheid van het nest, altijd bereid om zijn gade naar vermogen te beschermen; hij duldt niet eens de nadering van een andere Duif. Na 16 à 18 dagen komen de jongen uit; deze zijn blind en buitengewoon hulpbehoevend; het laatste wordt 24 à 36 uur na het eerste geboren. Aanvankelijk worden zij door de beide ouders gevoederd met een kaasachtige, door den krop gevormde stof; later krijgen zij geweekte, ten slotte harde zaden met steentjes en stukjes leem. Zij zijn na vier weken volwassen, vliegen met hunne ouders uit en worden binnen weinige dagen zelfstandig, waarna de ouders voor een tweede broedsel beginnen te zorgen.
Hier te lande zijn de Marters, Slechtvalken en Haviken de ergste vijanden van de Duiven, in het zuiden hebben zij soortgelijke vervolgers. Het is bekend, dat vervolgde Duiven dikwijls in huizen vluchten en daarbij vensterruiten breken.
Rotsduiven, die jong uit het nest genomen worden, gedragen zich geheel als Veldduiven, sluiten vriendschap met den mensch, doch toonen nooit de zelfverloochenende onderwerping, die de Huisduiven gewoonlijk aan den dag leggen.
Reeds ten tijde van de 9e Egyptische dynastie (ongeveer 3000 jaar vóór den aanvang onzer tijdrekening) werden Duiven getemd. De Duif is dus een van de oudste huisdieren.
Volgens Darwin, wiens meening op zeer nauwgezette onderzoekingen gegrond is en door nagenoeg alle hedendaagsche dierkundigen gedeeld wordt, moet de Rotsduif als de gemeenschappelijke stamvorm van alle rassen van Huisduiven beschouwd worden. Een der talrijke gronden, waarop Darwin’s meening berust, heeft betrekking op de kleur. Deze is bij de Rotsduif leiblauw; de vleugels hebben twee zwarte dwarsbanden. Het achterdeel is veranderlijk van kleur, bij de Europeesche Duiven meestal wit, bij de Indische blauw; aan den staart komt dicht bij den top een zwarte dwarsband voor; de buitenvlag der buitenste stuurpennen heeft, met uitzondering van de spits, een witten rand. De genoemde teekening is alleen aan de Rotsduif eigen en werd bij geen andere wilde Duivensoort opgemerkt.
Darwin vestigt de aandacht op het vederenkleed van de bastaarden, ontstaan door kruising van twee Tamme Duiven van verschillende rassen, die geen van beide eenig spoor van blauw in hun vederenkleed en ook niet de dwarsbanden en andere karakteristieke teekeningen van de Rotsduif vertoonen, welke evenmin bij vele opeenvolgende generaties harer voorouders voorkwamen. Deze bastaarden zijn soms blauw van kleur, hebben soms bovendien zwarte dwarsbanden op de vleugels, enz.; indien zij niet blauw zijn, merkt men toch dikwijls meer of minder duidelijk het een en ander deel van de karakteristieke teekening van de Rotsduif bij haar op. Darwin beschouwt dit verschijnsel als “atavisme” of “terugslag,” als het wederoptreden van voorvaderlijke kenmerken, die gedurende eenige generatiën van voorouders niet te voorschijn zijn gekomen.
Eindelijk pleit voor de meening van Darwin, dat alle Duivenrassen aan een enkelen stamvorm hun ontstaan danken, het feit, dat de Rotsduif een nog levende en ver verbreide soort is, die in verscheidene landen getemd kan worden en getemd is. Deze soort heeft geheel dezelfde levenswijze als de Huisduiven, stemt, zoo niet in alle, dan toch in de meeste opzichten met haar overeen, wat het inwendig maaksel betreft, terwijl bovendien alle eigenaardigheden van haar vederenkleed bij de verschillende rassen van Tamme Duiven min of meer verspreid voorkomen en niet zelden bij afstammelingen van deze in hoogere mate dan gewoonlijk optreden. Zonder eenig bezwaar paren Rotsduiven met Tamme Duiven en brengen vruchtbare nakomelingen voort. Dat de Rotsduif een sterke neiging tot variatie vertoont (men kent minstens 14 in ’t wild levende verscheidenheden van deze soort) heeft ongetwijfeld het ontstaan van de zeer talrijke rassen van Huisduiven zeer bevorderd.
Men vindt allerlei overgangen tusschen de geheel wilde en de volkomen getemde vormen. Gemakkelijk gaat de Rotsduif in half getemden toestand, in dien van Veldduif over; waarschijnlijk komt dit ook thans nog wel voor. Haar onderwerping aan de heerschappij van den mensch bepaalt zich soms eenvoudig tot het gebruik van de verblijfplaats, die de mensch haar aanbiedt; deze moet bij voorkeur hoog gelegen en met een vrij nauwen ingang voorzien zijn, opdat de bewoners veiligheid en rust kunnen vinden. Zij zoeken zelf haar voedsel op het veld; voedering is alleen in sommige omstandigheden, o.a. in den winter, noodig. Daar zij veel aan zich zelf overgelaten zijn, is haar gehechtheid aan den mensch niet groot; zij verlaten wel eens haar gewone verblijfplaats om op oude torens en dergelijke gebouwen (doch nooit op boomen) te nestelen. Deze Duiven, die de vervolgingen van Roofvogels beter kunnen ontgaan dan de meeste andere rassen, treft men dikwijls bij landlieden aan.
Ook van de Veldduiven zijn tal van verscheidenheden bekend. Deze zijn gedeeltelijk buiten toedoen van den mensch, gedeeltelijk onder zijn invloed, door zoogenaamde “teeltkeus”, ontstaan en behouden gebleven. Als de mensch zich bemoeit met de voortplanting der dieren, geschiedt dit met het doel, om individuën met door hem gewenschte eigenschappen te verkrijgen; hij doet dit, door de paring te bevorderen van wezens, welker kenmerken recht geven tot de verwachting, dat het gewenschte doel bereikt zal worden. De Veldduiven hebben dikwijls nagenoeg dezelfde kleur als de Rotsduif. Bij vele echter is het “duivenblauw” vervangen door lichtere kleuren of zelfs door wit, ook wel door donkere nuances of zelfs door zwart. Niet zelden komen ook bij haar gemengde kleuren voor. Een kuif op den kop of een sterke uitbreiding van de bevedering der voeten zijn echter bij deze halfwilde verscheidenheden uitzonderingen.
Ook de door teeltkeus verkregen rassen—de Luxeduiven of Sierduiven, gelijk Baldamus ze noemt—verschillen, evenals de Veldduifrassen, soms alleen door de kleur van ’t vederenkleed; in vele gevallen vertoonen zij echter ook afwijkingen van meer ingrijpenden aard, hetzij door buitengewoon sterke ontwikkeling van sommige veeren of door wijzigingen van inwendig maaksel (o.a. van den bouw van het skelet), die op den vorm en de houding van het geheele lichaam of van enkele lichaamsdeelen invloed oefenen. (De bedoelde afwijkingen van den stamvorm zijn grooter dan die, welke bij eenig ander huisdier door teeltkeus verkregen werden.) Dit geeft aanleiding tot de onderscheiding van de Sierduiven in drie groepen: de Kleurduiven, de Vederduiven en de Vormduiven. Tot de eerste groep behooren voor het meerendeel rassen, die men onder de Veldduiven zou kunnen rekenen, omdat zij een deel van haar voedsel op het veld zoeken. Voorbeelden zijn: de Leeuwerikduif, de Monniksduif, de Moorkop enz.
De drie volgende verscheidenheden behooren tot de Vederduiven: De Russische Trommelduif is o. a. merkwaardig door haar mutsvormige kuif en de lange, over den geheelen loop en alle teenen zich uitstrekkende bevedering van den voet; zij ontleent haar naam aan haar trommelend gekir. De Meeuwtjes hebben een zeer korten, kegelvormigen snavel, een spitse kuif op den kop en fraaie, gekroesde veeren (jabot) langs de geheele voorzijde van den hals. De Raadsheeren zijn getooid met een uit gekrulde veeren bestaanden halskraag, die soms, van de voorborst uitgaande, den nek en den achterkop omgeeft.
Merkwaardige voorbeelden van Vormduiven zijn: de Pauwstaarten met kleinen kop, slanken, achterwaarts gebogen hals en korten, ineengedrongen romp, vooral gekenmerkt door den bijna loodrecht geplaatsten, waaiervormig uitgebreiden staart, die uit 24 à 40, op 2 of 3 reeksen staande pennen samengesteld is. De Tuimelaars hebben een kleinen, korten en ronden kop, een korten, bijna kegelvormigen snavel, een achterwaarts gebogen hals en een hollen, ingezonken rug. Sommige van de verscheidenheden, die men onder dezen naam samenvat, hebben de zonderlinge gewoonte om zich onder talrijke buitelingen van een groote hoogte te laten vallen, soms tot dicht bij den grond. Andere (de Rollers) wentelen zich met uitgespreide vleugels van links naar rechts of van rechts naar links, waarbij zij nu eens op dezelfde plek blijven en snel rollend een kring beschrijven, dan weer voortdurend wentelend, over een zekeren afstand dalen om vervolgens weer op te stijgen en hetzelfde spel te hervatten. Sommige (de Draaiers) slaan bij het vliegen de vleugels met kracht aan de rugzijde samen, andere (de Slenkers) doen dit aan de buikzijde; in beide gevallen is het klappen met de vleugels op verren afstand hoorbaar. De Kroppers hebben een slank lichaam, lange en smalle vleugels, een langen staart en hooge pooten; zij onderscheiden zich door het vermogen om den krop geweldig op te blazen, zoodat hij tot op den buik reikt. De Wrattenduiven ontleenen haar naam aan de wratten bij den snavelwortel en op den naakten ring om de oogen. Tot deze groep behooren ook de lang- en snelvliegende Postduiven.
De Tortelduiven (Turtur) vormen een soortenrijk, zeer duidelijk begrensd geslacht; zij zijn slank gebouwd, hebben een kleinen kop, lange vleugels en een langen staart; hare pooten zijn betrekkelijk lang, althans geschikt voor ’t gaan op den grond. Over ’t algemeen is de kleur van haar vederenkleed roodachtig; de nekband, die bij de meeste voorkomt, en haar zeer tot sieraad strekt, is zwart of bestaat uit parelvormige, zwarte en witte vlekken.
Onze Tortel of Tortelduif, in Zuid-Holland Boschtortel en Kleine Houtduif, in ’t Friesch Toarteldouw genoemd (Turtur vulgaris), het type van het geslacht, kenmerkt zich door een slanke gestalte, door een rechten snavel, welks beide helften vóór de spits een iets grootere hoogte en ingetrokken randen hebben, door lange pooten met zwakke teenen, lange vleugels en een langwerpigen, duidelijk afgeronden staart. De veeren van de bovenzijde zijn roestbruingrauw met bruine randen, in het midden zwart en aschgrauw gevlekt; de kruin en de achterhals zijn grijsachtig hemelsblauw; de vier of drie dwarsstrepen, die de zijden van den hals versieren en samen een korten dwarsband vormen, zijn zwart met zilverkleurigen zoom; de voorhals, de krop en de bovenborst zijn wijnrood; het blauwachtige roodgrijs van de overige onderdeelen gaat allengs over in grijs-wit op den stuit; de toppen van de buitenste staartpennen zijn wit; de slagpennen zijn zwartachtig grijs, de armpennen met aschkleurig blauw waas, de schouderveeren zwartachtig met breede, roestroode randen. De iris is bruinachtig geel, de ring om het oog blauwachtig rood, de snavel zwart, de poot karmijnrood. Totale lengte 30, vleugellengte 18, staartlengte 12 cM.
De Tortel is over een groot deel van Europa en Azië verbreid en doorreist gedurende den winter een uitgestrekt gebied in zuidelijke richting. In Nederland wordt deze soort menigvuldig aangetroffen, op dezelfde plaatsen als de Woudduif; zij broedt overal in bosschen en tuinen, hier en daar zelfs in de boomen van steden. Hoewel de Tortel in sommige oorden van Duitschland niet zeldzaam is, ontbreekt hij geheel in vele noordelijke gewesten van dit rijk. Op de Kanarische eilanden zeer veelvuldig, verlevendigt hij, meer dan eenige andere Vogel, door zijn klankvol koeren en kirren de eindelooze bloemrijke ravijnen, welker hellingen mijlen ver bekleed zijn met sneeuwwit, geurig struikgewas, terwijl op den bodem van het dal hooger kreupelhout groeit. Bijna op iederen tak, op ieder steenblok zit een Tortel. Op de dorre Grieksche vlakten is hij niet minder overvloedig; het aantal van de Vogels, die hier broeden, is zeer groot; het komt echter in geen vergelijking met dat van de ontzaglijke zwermen, die hier doortrekken. In de lente zijn sommige velden letterlijk met Duiven bezaaid; een handig jager kan wel een vijftigtal van deze dieren op één dag dooden. Later ziet men ze in Egypte en Nubië op voor haar geschikte plaatsen niet zelden, maar nooit in groote zwermen.
Tortelduif (Turtur communus). ⅜ v. d. ware grootte.
Bij ons is de Tortel een trekvogel, die in April komt, tot Augustus op zijn broedplaats blijft en zich in September weer naar het zuiden begeeft.
De Tortels, die reeds van oudsher door de dichters als zinnebeelden van liefde en huwelijkstrouw werden geprezen, behagen ons zoowel door hun schoonheid als door hun aard. De zachte kleuren van hun kleed gaan op sierlijke wijze in elkander over en vertoonen een afwisseling, die het oog aangenaam aandoet. Ook de lieftalligheid van hun inborst verdient waardeering, ofschoon het niet te ontkennen valt, dat de lof, die hun om deze reden werd toegezwaaid, overdreven is. Hun sierlijke bewegingen, hun elegante houding en hun zacht gekir bekoren den waarnemer, die wegens de teederheid, waarmede het mannetje zijn wijfje behandelt, zich gerechtigd acht deze Vogels als de beminnelijkste van alle leden hunner klasse te beschouwen.
De Nederlandsche en de Latijnsche naam van deze Duif is een nabootsing van haar zeer zachte en aangename stem. Haar kirren is eigenlijk een hoog, eentonig geknor, dat als “toer toer” klinkt en dikwijls herhaald wordt, maar dit “toer toer” is zoo klankvol, dat het op iedereen een aangenamen indruk maakt.
Zaden van de meest verschillende planten, vooral van sparren, dennen, zilversparren, berken, elzen, papavers en in den herfst van wolfsmelk, vormen het voedsel van den Tortel; tegelijk worden ook kleine Slakken opgepikt. Voor de akkers is hij nuttig door het opeten van onkruidzaden; hiernaast komt de schade, die hij door het wegnemen van hennep-, lijn-, raap- en koolzaad, van gierst, erwten, linzen en wikken aanricht, niet in aanmerking.
Ook de Tortel broedt in gunstige omstandigheden meermalen per jaar. De voortplantingsperiode begint spoedig na de aankomst op de broedplaats, op zijn laatst in Mei, en duurt tot in Augustus. De 2 eieren worden beurtelings bebroed door de beide ouders; deze verlaten hunne jongen zelfs bij in ’t oogvallend levensgevaar niet en voeden ze op dezelfde wijze als de andere Duiven.
Met uitzondering van de Rotsduif en den Tortel, wordt geen ander lid der orde veelvuldiger getemd dan de aan deze nauw verwante Lachduif (Turter risorius) die bij ons, evenals de vorige soort, gewoonlijk “Tortelduif” wordt genoemd. Zij is isabelgeel, op den rug donkerder, op den kop, de keel en den buik lichter van kleur; de slagpennen zijn zwartachtig; de nekband is zwart, het oog lichtrood, de snavel zwart, de poot karmijnrood. Totale lengte 31, vleugellengte 17, staartlengte 13 cM.
Het vaderland van de Lachduif is Noordoost-Afrika en Indië. Zij bewoont bij voorkeur dorre, woestijnachtige steppen, begint reeds in Nubië veelvuldig voor te komen en verder zuidwaarts meer en meer; in Centraal-Afrika is deze soort sterker vertegenwoordigd dan eenige andere van de geheele orde. Bij een rit door de Sahara of door een andere steppe van het binnenland, onverschillig welke, hoort men het gelach en gekir van deze Duiven bijna uit iederen struik. In bepaalde tijden van het jaar, tegen het begin van het droge seizoen, verzamelen zij zich in sommige bosschen tot ontelbare zwermen. Soms ziet men vele minuten achtereen dichte drommen van deze Vogels voorbijtrekken, die, wanneer zij neerstrijken, een terrein van verscheidene vierkante kilometers bedekken.
De stem van de Lachduif gelijkt op het gekir van den Tortel, maar gaat geregeld gepaard met geluiden, die men met lachen vergeleken heeft, omdat zij als “hi hi hi hi” klinken. Dat deze vergelijking, evenals iedere andere, mank gaat, behoeft niet eens uitdrukkelijk verzekerd te worden: aan de genoemde geluiden ontbreekt de heldere, opene klank van het lachen; zij klinken dof, hol en volstrekt niet vroolijk, hoewel niet onaangenaam.
Als men zich veel met deze Vogels bemoeit, worden zij zeer tam; gemakkelijk kan men ze er aan gewennen, naar eigen verkiezing uit en in hun hok te vliegen. In den fraaien tuin van het lustslot bij Triëst, vindt men een aantal van deze dieren, die hier even vrij leven als onze Veldduiven. Bij goede verzorging kan men ze zelfs in een enge kooi wel 15 of 20 jaar in ’t leven houden.
*
1) Gekuifde Tortel (Phaps lophotes), 2) Bronsvleugelige Spiegelduif (Phaps chalcoptera). ¼ v. d. ware grootte.
De Australische Spiegelduiven (Phaps) zijn betrekkelijk groot en meestal ook krachtig gebouwd; haar staart bevat 16 pennen en is korter of althans niet langer aan de naar verhouding korte vleugels. Haar vederenkleed is bont en gekenmerkt door den eigenaardigen metaalglans der dekveeren.
Tot dit geslacht behoort de Gekuifde Tortel (Phaps lophotes); hij is vooral kenbaar aan de lange, spitse kuif, die door de verlengde veeren van den achterkop gevormd wordt. De kop, het aangezicht en de onderdeelen zijn grijs, de veeren van den achterkop zwart, die van de bovendeelen licht olijfbruin. Totale lengte 35, vleugellengte 15, staartlengte 15 cM.
Door zijn sierlijke gestalte en eigenaardige, slanke kuif maakt deze Vogel een bekoorlijken indruk; hij is een der fraaiste Vogels van Australië. Soms vereenigen de Gekuifde Tortels zich tot talrijke vluchten; als deze gedurende het droge seizoen bij meren of rivieroevers komen, kiezen zij een enkelen boom of struik als rustplaats voor hen allen uit. In grooten getale zitten zij dan dicht bij elkander; gelijktijdig vliegen zij naar ’t water, zoo dicht opeengedrongen, dat men er met één schot dozijnen kan dooden. Deze fraaie Duif is tegenwoordig een sieraad van de volières van alle Europeesche diergaarden. Zij vereischt niet veel zorg, blijft jaren lang leven en plant zich in de gevangenschap geregeld voort.
Een tweede soort van hetzelfde geslacht—de Bronsvleugelige Spiegelduif (Phaps chalcoptera)—mist de kuif; hare bovendeelen zijn bruin, de achterkop donkerbruin, de onderdeelen wijnrood; de vleugeldekveeren zijn met langwerpige koperbronskleurige, iriseerende vlekken, twee of drie armpennen met glanzige, groene vlekken versierd.
Deze Duif is, naar het schijnt, over geheel Nieuw-Holland verbreid; in sommige gewesten komt zij echter alleen als trekvogel voor. Dorre, met struiken of heide begroeide vlakten zijn hare liefste verblijfplaatsen. Haar vleesch wordt uitmuntend geacht zoowel door de blanken als door de inboorlingen. Na den broedtijd maakt men ijverig jacht op haar; als het geluk den jager begunstigt, kan hij er in één dag 20 à 30 paar dooden. Ook zij is tegenwoordig in onze diergaarden niet zeldzaam.
De leden van de onderfamilie der Loopduiven (Geotrygoninae) kenmerken zich door hun gedrongen lichaamsbouw, krachtig ontwikkelde voeten en betrekkelijk korte vleugels.
*
Een der meest typische soorten van het geslacht der Grondduiven (Geotrygon) is de Patrijsduif (Geotrygon cyanocephala). De chocolade-bruine grondkleur gaat op de onderdeelen in roodbruin over en is op de borst met een wijnrood waas overdekt; de bovenkop en eenige schubvormige halsveeren zijwaarts van de keel zijn leiblauw, het aangezicht, de nek en de keel zwart, de teugel en een band, die het zwarte kropschild omsluit, zuiver wit. Totale lengte 31, vleugellengte 13, staartlengte 13 cM.
Nicobar-duif (Caloenas nicobarica). ¼ v. d. ware grootte.
In de Cubaansche oerwouden, vooral in die met steenachtigen bodem, behoort deze prachtige Vogel thuis; hij komt zoomin in het veld als in de Savanna voor; noordwaarts strekt zijn verbreidingsgebied zich tot Florida, zuidwaarts over Jamaika tot Venezuela uit. De Patrijsduif leeft zeer teruggetrokken en wordt van jaar tot jaar zeldzamer, daar de steeds verder voortschrijdende ontginning van het woud haar verdrijft en de Kreolen, aangelokt door haar uitmuntend vleesch of door den prijs, dien zij er voor kunnen krijgen, geen gelegenheid voorbij laten gaan om haar te dooden. Met ingetrokken hals en opgerichten staart schrijdt zij langzaam voort, op den grond zoekend naar zaden, bessen en soms ook naar kleine Slakken, waartoe zij soms de bladen wegkrabt. Als zij verzadigd is, zet zij zich op een horizontalen, bladerloozen tak of op een liane neer om uit te rusten. Van tijd tot tijd laat zij haar lokstem hooren, die uit twee doffe geluiden “hoe-oep” bestaat. Deze leiden haar niet zelden ten verderve; daar men om haar te vangen gebruik maakt van een vastgebonden lokvogel van dezelfde soort of, zoo deze ontbreekt, van een lokfluit, die van een boomvrucht wordt vervaardigd. De vogelvanger laat ter rechter tijd een net vallen over de wilde Vogels, die op de echte of nagebootste klanken afkomen en verkoopt ze daarna levend aan den naastbijwonenden poelier, die ze in groote kooien bewaart en voedert, totdat hij ze slijten kan. Aan deze kooplieden danken wij de Patrijsduiven, die in onze volières prijken. Die, welke ik in de kooi zag of zelf hield, zaten met opgezette veeren dikwijls langen tijd stil op dezelfde plaats, bewogen zich slechts op den bodem, bevuilden zich aanhoudend en maakten veel minder werk van het schoonhouden harer veeren dan de andere Duiven. Voor zoover ik mij herinner, heb ik nooit de stem van een mijner gevangenen gehoord; mogelijk is het echter, dat zij zich wel lieten hooren, maar dat zulks door mij niet werd opgemerkt, omdat zij in gezelschap van vele andere Duiven leefden. Aan ons klimaat schenen zij niet goed te kunnen gewennen: elke koele zomerdag bracht haar in een onbehagelijke stemming; iedere regenbui maakte haar bijna ziek. Toch zegt men, dat zij zich in sommige Europeesche dierentuinen voortgeplant hebben.
*
Een van de prachtigste Duiven is de Manen-, Kraag- of Nicobar-duif (Caloenas nicobarica). Zij is zeer gedrongen gebouwd; haar betrekkelijk dikke snavel heeft bij het voorhoofd en een zachte, bolvormige wrat; de pooten gelijken op die van een Hoen, daar zij zeer stevig gebouwd zijn en een hoogen loop met korte teenen hebben; de vleugels zijn zeer lang en breed; het vederenkleed is goed gevuld; de smalle veeren van de halsstreek zijn zoo sterk verlengd, dat zij ver afhangende manen vormen. De kop, de hals, de onderdeelen en de slagpennen zijn zwartachtig groen; de veeren van de onderzijde met korenbloemblauwen zoom; de langste veeren van den halskraag zijn, evenals die van den rug en den staartwortel en de vleugeldekveeren, grasgroen en vertoonen metaalglans; de kortere veeren van den halskraag hebben een goudkleurigen glans; de staartveeren zijn zuiver wit. De iris is roodbruin, de snavel leerachtig zwart, de poot roodachtig purperkleurig. Totale lengte 36, vleugellengte 25, staartlengte 7 cM.
Van de Nicobaren tot bij de noordoostkust van Nieuw-Guinea heeft men de Manenduif op alle eilanden gevonden; vooral echter is zij talrijk op kleine, onbewoonde eilanden, hetzij deze in de nabijheid van groote landmassa’s of ver vandaar te midden van den oceaan liggen. Zij is een van die soorten, welke bijna uitsluitend op den grond verblijf houden; haar wijze van vliegen schijnt log. De Europeanen, die zich in het vaderland van deze Vogels gevestigd hebben, houden hen dikwijls in de kooi; naar Europa worden zij niet zoo vaak gebracht, als men zou wenschen.
Verscheidene paren hebben in den Londenschen dierentuin herhaaldelijk gebroed en jongen grootgebracht.
*
De grootste van alle thans levende Duiven zijn de Kroonduiven (Megapelia). Behalve aan haar aanzienlijke grootte zijn zij kenbaar aan haar kleed, dat uit groote, wijdbaardige veeren samengesteld is, vooral ook aan haar prachtigen koptooi, die uit losbaardige veeren bestaat en in opgerichten toestand een waaier vormt. Dit geslacht omvat vijf soorten, die op Nieuw-Guinea en de naburige eilanden inheemsch zijn en waarvan er twee niet al te zelden bij ons in de kooi voorkomen.
Waaierduif (Megapelia victoriae). ⅕ v. d. ware grootte.
De Kroonduif (Megapelia coronata) bereikt een lengte van 75 cM. De hoofdkleur van het vederenkleed is leiblauw: de mantel en de schouders zijn vuil bruinrood, de grootste vleugeldekveeren op ’t midden wit (waardoor op den vleugel een band ontstaat), aan den wortel zwart, aan de spits bruinrood, de staartveeren aan den top met een breeden, licht leikleurigen band versierd. Het oog is karmijnrood, de poot rood, witgepoederd.
Bij de iets grootere Waaierduif (Megapelia victoriae), is de hoofdkleur eveneens leiblauw, de onderzijde echter kastanjeroodbruin, de vleugelband blauwgrijs, de breede eindband van den staart grijsachtig wit; de veeren van de kopkuif zijn over een groot deel van haar lengte losbaardig, maar aan den top met kleine baarden bezet, die gezamenlijk een langwerpige driehoek vormen. Het oog is vermiljoenrood, de poot vleeschkleurig.
De Kroonduif komt veelvuldig voor op de kust van Nieuw-Guinea en op de eilanden Waigioe, Salawatti en Misool. Haar levenswijze gelijkt op die der Fazanten; in kleine troepen zwerft zij in het woud rond en houdt zich bij voorkeur op den bodem op. Wallace heeft haar op Nieuw-Guinea dikwijls op de boschpaden zien rondloopen; zij brengt het grootste deel van den dag op den grond door en voedt zich hier met afgevallen vruchten; zij vliegt slechts, wanneer zij opgejaagd wordt, om zich neer te zetten op een van de onderste twijgen van den naastbijgelegen boom, die haar ook een slaapplaats verschaffen. Het is niet moeielijk de Kroonduif te schieten. Zij wordt tamelijk dikwijls levend naar Amboina, Banda, Java en van daar naar Europa gebracht, hetgeen aanleiding heeft gegeven tot de onjuiste meening, dat zij ook op deze eilanden thuis behoort. De Waaierduif schijnt zeldzamer te zijn en bewoont zuidelijker gewesten van Nieuw-Guinea.
Ook thans nog ziet men de levende Kroonduiven het veelvuldigst in de dierentuinen van Nederland. Bij eenvoudig voedsel houden zij zich zeer goed, komen in beschutte ruimten den winter goed door en broeden, althans in den Londenschen dierentuin, vrij geregeld. Ook in andere diergaarden hebben de Kroonduiven herhaaldelijk eieren gelegd en uitgebroed, maar nog nooit jongen grootgebracht.
De onderfamilie van de Getande Duiven (Didunculinae), die slechts door één soort (Didunculus strigirostris) vertegenwoordigd wordt, ontleent haar wetenschappelijken naam aan de overeenkomst, die sommige dierkundigen tusschen haar en de leden van de volgende familie meenden op te merken. Zij is iets plomper van gestalte dan een Grondduif. Haar romp is krachtig, haar kop groot, de snavel veel hooger dan breed; de bovensnavel, welks rug eerst bovenwaarts, van hier tot aan de spits gelijkmatig sterk naar beneden gebogen is, eindigt in een scherpen haak en heeft aan den zijrand geen tand of inkerving; de ondersnavel is naar onderen uitgebogen, van voren echter scheef afgeknot en hier aan iedere zijde met twee inkervingen voorzien, waardoor drie tandvormige uitsteeksels ontstaan; de zijrand is ondiep uitgesneden. De poot eindigt in een krachtige, echte duivenvoet: de loop is iets langer dan de middelste teen en onbevederd; de teenen zijn vrij. De staart bestaat uit 14 stuurpennen en is korter dan bij de Huisduif; de vleugels zijn eenigszins afgerond; de kop is om de oogen en aan de teugels naakt. De kop, de hals en de onderdeelen zijn metaalglanzig groen; de mantel, de benedenrug en de staartwortel, de bovendekveeren van den vleugel en de staartveeren zijn fraai roodbruin, de slagpennen donker loodkleurig grijs. Het oog is donker roodachtig bruin, de naakte kring er omheen en de teugelstrepen oranjerood, aan de spits lichtgeel, de poot helderrood, iedere klauw geelachtig wit. Totale lengte 33, vleugellengte 18, staartlengte 8 cM.
Voor zoover men weet, komt de Getande Duif nergens anders voor dan op Oepoloe en Sawaii, twee van de Samoa-eilanden, en ook hier slechts op bepaalde terreinen van betrekkelijk geringe uitgestrektheid. Zij bewoont boschrijke bergstreken op eenigen afstand van de kust. Tegenwoordig is zij op Oepoloe zeldzaam geworden, niet zoozeer omdat de inboorlingen vuurwapenen hebben leeren gebruiken, als wel wegens hun liefhebberij voor Katten; deze zijn hier gedeeltelijk verwilderd en hebben naar men zegt een groote opruiming gehouden onder de tot dusver door geen enkel roofdier bedreigde Vogels. De inboorlingen noemen ze ”Manoemea” (Roode Vogels) en houden zooveel van haar voortreffelijk vleesch, dat zij jaarlijks een langdurigen jachttocht naar de bergen ondernemen, met geen andere bedoeling dan om Manoemea’s te vangen. De Katten hebben dezen Vogel echter gevolgd tot in de gebergten, waarin hij de wijk genomen heeft.—Door haar wijze van vliegen gelijkt de Getande Duif op de overige Duiven; zij maakt hierbij echter zooveel gedruisch, dat men het opvliegen op eenigen afstand kan hooren hetgeen onder de inboorlingen aanleiding gegeven heeft tot het spreekwoord: “hij raast als de Manoemea”. Volgens de berichten van de inboorlingen wordt het nest op den bodem gebouwd, broeden de beide ouders om beurten en doen dit met zooveel ijver, dat zij gedurende dit bedrijf met de hand gegrepen kunnen worden.
Herhaaldelijk heeft men dezen Vogel, die zich gemakkelijk laat temmen, naar Europeesche diergaarden overgebracht. Hij eet groene vruchten, waar hij, zoo noodig, stukken uitbijt; hij is het eenige lid van zijn familie, die dit doet. Groote vruchten maakt hij stuk, zonder ze met de pooten vast te houden; een noot kan hij gemakkelijk kraken. Hij drinkt niet, zooals de andere Duiven, zuigend, maar zooals de Ganzen, door water in de bek te nemen en dan schielijk den kop achterover te buigen.
Den 1en Mei 1598 verliet een door de “Compagnie van verre” uitgezonden vloot van 4 schepen onder bevel van den Admiraal Jacob van Neck de reede van Texel, om handelsbetrekkingen aan te knoopen op Java. Bij het omzeilen van Afrika door stormen beloopen, dwaalden eenige schepen, waarbij dat van den onder-admiraal Wijbrand van Waerwijck, naar het eiland Mauritius af. Hier vonden de reizigers in grooten getale een soort van Vogels, die in staat waren om te vliegen, een Zwaan in grootte overtroffen en wel 50 pond zwaar waren. (Deze hadden echter, naar het schijnt, reeds veel vroeger, in 1497, de aandacht getrokken van Vasco de Gama’s metgezellen, die hen op grond van hun uiterlijk, ondanks het ontbreken van de zwemvliezen, “Zwanen” noemden en hun woonplaats als het Zwaneneiland op de kaart aanteekenden.) De Hollandsche zeelieden gaven aan deze dieren den naam van Walgvogels, wegens de walging, die dit wild hun veroorzaakte; toch aten zij het, zoutten het in en namen het als proviand mede. Latere bezoekers van Mauritius vervingen den naam Walgvogel door dien van Dodaars, welke ook aan den Kleinen Fuut hier te lande wordt gegeven, wegens het gemis van lange veeren in den staart. Kort daarna kwamen de thans meer gebruikelijke namen Dodo en Dronte, nog later de aanduiding Didus ineptus in zwang. In 1638 werd een dezer Vogels levend in Engeland vertoond, ruim een tiental jaren vroeger was dit in Holland gebeurd. Naar deze voorwerpen zijn afbeeldingen gemaakt, o.a. is de Dronte een van de (grootendeels zeer onjuist geteekende) dieren, voorkomende op de schilderijen van Roelant Savery, die het paradijs voorstellen en in verschillende kabinetten, o.a. in dat te ’s-Gravenhage, een plaats hebben gevonden. Bontius, een Hollandsch geneesheer, die van 1627 tot 1658 te Batavia woonde, heeft de beste afbeelding en beschrijving van de Dronte gegeven. Lang bleef de gelegenheid tot het aanvullen van deze berichten niet bestaan, daar reeds in 1679 het weerlooze dier volkomen uitgeroeid was. In 1755 werd een door de Motten beschadigd opgestopt, exemplaar in het museum te Oxford, met uitzondering van een kop en een poot, door den conservator weggeworpen; andere dergelijke overblijfselen (kop, poot, bovenkaak) zijn in de musea van Haarlem, Londen, Kopenhagen en Praag voorhanden. In 1865 werden uit een moeras op Mauritius een menigte Dodo-beenderen opgegraven, die het mogelijk maakten een volledige beschrijving van het skelet van dezen Vogel te geven.—De vleugels zijn kort en zwak, de lange pooten zeer krachtig, de korte, dikke loop heeft vier teenen, de staart een geringe lengte, het borstbeen een hooge kam; de mondspleet strekt zich tot onder de oogen uit; de snavel is hoog en tamelijk lang, de bovensnavel van achteren met een washuid bekleed, van voren gewelfd; de spits haakvormig naar beneden gebogen, de schedelholte opmerkelijk klein. Uit de beschrijvingen van ooggetuigen valt voorts af te leiden, dat de hals met een kropvormige opzwelling voorzien en, evenals de kop, slechts met een zacht dons bekleed was; de korte, dikke romp eindigde in een bundeltje van slappe staartwortelveeren, daar de stuurpennen ontbraken, evenals de stijve pennen in de vleugels, die daarom voor ’t vliegen geheel ongeschikt waren. Het vederenkleed had een grijze kleur, de vleugels met geelachtige tint.
Uit Owen’s onderzoek van het skelet van den Dodo is zijn verwantschap met de Duifvogels gebleken. Met eenige verwante, eveneens uitgestorven soorten wordt hij beschouwd als een familie van deze orde—de Drontes (Dididae). De bedoelde soorten—de Solitaires (Pezophaps)—leefden nog in de 17e eeuw op de eilanden Bourbon (Réunion) en Rodriguez, de naaste buren van Mauritius. In 1618 zag men voor ’t eerst de Solitaire van Bourbon (Pezophaps apterornis), die in grootte met een Kalkoen overeenkwam, maar hooger op de pooten stond en een snavel had als een Houtsnip; omstreeks het midden der eeuw was hij uitgeroeid. In 1691 ontdekte Leguat de Solitaire van Rodriguez (Pezophaps solitarius), die sedert niet meer levend werd waargenomen, maar waarvan skeletten in de alluviale gronden bewaard zijn gebleven. Hij had een snavel als een Kalkoen, maar was veel grooter dan deze, daar zijn gewicht meer dan 45 pond bedroeg.
De Zandhoenderen (Pteroclidae), die een afzonderlijke familie vormen, zijn Duifvogels, geschikt voor het leven in de woestijn. Hun vreemdsoortig vaderland, de boomlooze en schaars met planten begroeide vlakte, hetzij deze zich als woestijn of als steppe, als woestijnachtig veld of als verwaarloosd bouwland vertoont, spiegelt zich af, is als ’t ware belichaamd in deze Vogels. Het gaf hun, zijne bevoorrechte kinderen, niet slechts het woestijnkleed in zijn grootst mogelijke volkomenheid, maar ook de beweeglijkheid die het dier geschikt maakt om in zulk een arm gebied in zijne behoeften te voorzien.
De Zandhoenderen of Woestijnhoenderen schijnen, wegens hunne lange vleugels en hun langen staart, slank, maar hebben in werkelijkheid een zeer gedrongen lichaamsbouw. Hun romp is kort, de borst zeer gewelfd, de hals middelmatig lang, de kop klein en sierlijk, de snavel klein, kort, op den rug flauw gebogen. De voeten zijn klein, d. w. z. hebben een tamelijk korten loop en zeer korte teenen, bij de soorten van één geslacht op een eigenaardige wijze verkleind, alle voorteenen tot aan het eerste gewricht en nog verder door een spanvlies verbonden, of gelijk men ook kan zeggen, onderling vergroeid en met vliezen gezoomd; de achterteen is een kort stompje en hooger ingeplant dan de voorteenen, of ontbreekt geheel; de nagels zijn kort, flauw gebogen, stomp en breed. De vleugel is kortarmig, de wiek zeer lang; de slagpennen nemen, bij de eerste te beginnen, gelijkmatig in lengte af; de staart bestaat uit 14 à 18 stuurpennen, is soms afgerond, gewoonlijk echter wigvormig toegespitst; zijne beide middelste veeren overtreffen dikwijls de overige zeer in lengte. Het kleed bestaat uit tamelijk korte, breede, afgeronde, zeer harde veeren, die aan het lichaam, hoewel zij dit los bekleeden, toch een glad uiterlijk verschaffen. De kleur is echt woestijnachtig, d. w. z. volkomen in overeenstemming met die van den bodem, gelijkt dus in hoofdzaak op die van het zand; gewoonlijk is de teekening buitengewoon sierlijk en vol afwisseling.
De Zandhoenderen leven in de Oude Wereld en wel vooral in Afrika, hoewel men niet kan zeggen, dat dit werelddeel de talrijkste vormen van de familie bevat. Hun vaderland strekt zich zoover uit als de woestijn: in Afrika zijn zij daarom bijzonder talrijk; zij komen echter ook in Azië voor en ontbreken zelfs in Europa niet, hoewel zij hier beperkt zijn tot een deel, dat op Afrika gelijkt. Ieder werelddeel, behalve Europa, bezit zijne eigenaardige soorten; enkele soorten zijn echter over een ontzaglijk groot gebied verbreid en komen in alle drie werelddeelen als standvogels voor en bezoeken soms ook landen, waar men ze vroeger niet bemerkte. Wel blijven bijna alle soorten jaar in jaar uit op dezelfde plaats of althans in hetzelfde gewest; hunne uitnemende bekwaamheid in ’t vliegen stelt hen echter in staat, om zich zonder bezwaar over een afstand van duizenden kilometers te verplaatsen; sommige, ons nog onbekende oorzaken nopen hen soms, hunne omzwervingen ver over de grenzen van hun gebied uit te strekken.
Weinige Vogels zijn zoo goed als de Zandhoenderen geschikt, om de eenzaamste en armste gewesten te verlevendigen. Te midden van de dorste woestenij, op plaatsen waar alleen de stille, snelvoetige Renvogel (Cursorius gallicus) en de droefgeestig zingende Zandleeuwerik (Ammomanes cinctura) het pad van den reiziger kruisen, vertoont zich stommelend en ruischend, het schreeuwerige, bijkans snapachtige gezelschap van deze begaafde wezens: zij zijn echte, volslagen woestijndieren. Hoewel zij iederen dag en op gezette tijden naar de drinkplaatsen moeten vliegen, baart het afgelegen zijn van de bronnen, waaraan zij hun dorst moeten lesschen, hun geen zorg: het valt hun niet moeielijk om, voordat zij zich ter ruste begeven, nog een uitstapje te maken, dat voor ons een dagreis of zelfs meer zou zijn. Het is dan ook vooral in den tijd, die voor het verkrijgen van water bestemd is, dat zij zich aan ’t oog van den jager of onderzoeker vertoonen; want wanneer zij in grooten getale en dicht opeengedrongen onder het bij nagenoeg alle soorten voorkomende geroep “khadda khadda” voorbijvliegen, moet men doof en blind zijn om ze niet op te merken. Dit is op andere tijden niet altijd gemakkelijk; hun woestijnkleurig kleed beschermt hen zoo goed, dat zij zelfs voor een geoefend oog verborgen kunnen blijven.
Maanden achtereen leven deze Vogels tot zwermen vereenigd, totdat de paartijd komt. Dan verdeelen zij zich in kleine troepen en deze in afzonderlijke paren, die nu ieder een geschikte plaats op den zandigen bodem uitzoeken, hier een ondiepen kuil in den grond krabben en zich, zoodra het uit weinige eieren bestaande legsel voltallig is, met ijver aan het broeden wijden. Een of twee broedsels worden op deze wijze verzorgd; daarna vereenigen de paren zich weer tot zwermen, die het vroegere leven hervatten, tenzij buitengewone omstandigheden zich hiertegen verzetten of althans een wijziging in hun gedragslijn aanbrengen.
Nog geen tien jaar geleden—ten derden male in deze eeuw—heeft een vertegenwoordiger van het geslacht der Steppenhoenderen (Syrrhaptes) in West-Europa de algemeene aandacht op zich gevestigd. De beide tot dusver bekende soorten van dit geslacht gelijken veel op de overige Zandhoenderen, maar vertoonen toch ook belangrijke eigenaardigheden. De eerste handpen is aan de spits lang uitgerekt en hier op een vreemdsoortige wijze versmald, zoodat dit deel eerder op een borstel, dan op een veer gelijkt. De loop is aan alle zijden en de teenen zijn tot aan de spits met korte, haarvormige veeren dicht begroeid. Er zijn slechts drie teenen aanwezig, daar de achterteen geheel ontbreekt; de voorteenen zijn sterk verbreed en over hun geheele lengte door een vlies verbonden, zoodat de voet van onderen gezien, een onverdeelde zool heeft, die met hoornachtige wratten bekleed is.
Het Gewone Steppenhoen (Syrrhaptes paradoxus), is in ’t geheel (met de beide middelste staartveeren, die, draadvormig verlengd, 8 cM. ver voorbij den overigens 12 cM. langen staart uitsteken, 47 cM. lang) terwijl de vleugellengte 18 cM. bedraagt. Het bovenste deel van den kop en aan weerszijden van dezen een streep, die, bij de oogen beginnend, naar de zijden van den hals loopt, zijn aschgrauw, de keel, het voorhoofd en een breede streep over het oog leemkleurig geel, de borst en de zijden van deze, die door een drie- of viervoudigen, uit fijne, witte en zwarte strepen bestaanden band van de kropstreek gescheiden worden, zijn grijsachtig isabelkleurig; de bovenbuik is bruinzwart; de onderbuik en de onderdekveeren van den staart zijn licht aschgrauw; de rug is op leemgelen grond met donkerder dwarsstrepen geteekend, de slagpennen zijn aschgrauw, de voorste op de buitenvlag zwart, de achterste op de binnenvlag met grijsachtigen zoom; de schouderveeren zijn bruinachtig, aan de voorzijde geelachtig en aan de spits wit gezoomd, de binnenste vleugeldekveeren zandkleurig bruin met zwartbruine vlek aan de spits, de staartveeren op gelen grond met donkere banden voorzien, de veeren, die den loop bekleeden, vaal witachtig.
Verschillende onderzoekers hebben ons het Steppenhoen doen kennen als een bewoner van de steppen van Middel-Azië, van de Kaspische Zee tot in China. Pallas gaf in 1770 de eerste beschrijving van dezen Vogel, maar wist weinig mede te deelen over zijn levenswijze. Radde, die het Steppenhoen o.a. in de omstreken van het Tarai-nor of Tarai-meer in Mongolië heeft nagegaan, geeft uitvoerige berichten over dit dier in zijne “Reizen in het zuiden van Oost-Siberië, gedurende de jaren 1856 tot 1860;” hieraan is het volgende ontleend: “Het Steppenhoen komt omstreeks het midden van Maart uit het zuiden in het Tarai-nor-gebied, terwijl de sneeuw nog op de heuvels der hooge steppen ligt; het leeft dan in kleine troepen, maar altijd reeds gepaard. In zachte winters treft men het aan den noordoostrand van den hoogen Gobi aan; het verschijnt echter ook na strenge winters reeds zoo tijdig en broedt zoo vroeg, dat het ook in dit opzicht sterk de aandacht trekt. Zijne eieren vindt men reeds in de eerste dagen van April en tegen het einde van Mei voor de tweede maal. Nadat de jongen van het tweede broedsel uitgevlogen zijn, wisselen de Steppenhoenderen waarschijnlijk van verblijfplaats; gedurende de wintermaanden zwerven zij rond tot aan den zuidrand van den Gobi in de voorbergen van de Noordelijke Himalaja-plateaux. Zij vliegen in volkomen gesloten vluchten, op soortgelijke wijze als de verschillende soorten van Pluvieren, vereenigen zich in de lente tot kleine troepen, die uit reeds gepaarde Vogels bestaan (4 à 6 paar), maar vormen in den herfst dikwijls zwermen van verscheidene honderden. Onder het vliegen hoort men van hen zeer duidelijk het geschreeuw, dat aanleiding heeft gegeven tot den Mongoolschen naam “Njupterjun”. Het mannetje en het wijfje blijven ook gedurende het vliegen bij elkander.
“In de lente verschijnen de Steppenhoenderen zeer geregeld, altijd op denzelfden tijd van den dag, bij zoetwaterplassen om te drinken. Uit alle richtingen komen zij aanvliegen; hun geschreeuw bij het zien van den oever wordt door de hier reeds aanwezige Vogels beantwoord. Aan den waterkant staan zij op rijen, meestal 10 à 12 stuks bijeen. Zij rusten hier echter niet lang, maar gaan spoedig heen om voedsel te zoeken, bij voorkeur naar de witte plekken van de steppe, waar het zout aan de oppervlakte is uitgeweerd en naar de met gras begroeide heuveltjes. Van de hier zeer rijkelijk groeiende zeekraal (salicornia), bij welke plant dikke, saprijke stengelleden de rol van bladen vervullen, scheren zij de jonge uitspruitsels af, op soortgelijke wijze als de Trappen een weide afgrazen In den zomer gaan zij graag in de zon liggen. Evenals de Hoenderen krabben zij dan ondiepe kuiltjes in de grijsachtig witte, met zout doordrongen aarde van de kleine verhevenheden van den bodem en hurken hierin neer; om geheel op hun gemak te zijn, gullen zij, evenals de Huishoenderen, zoo lang in den losgewoelden grond, totdat zij er grootendeels door bedekt zijn. Schildwachten worden in dit geval niet uitgezet. Terwijl zij daar zoo volkomen rustig zitten, merkt men ze bijna niet op, wijl hun geelachtig grijs, zwart gesprenkeld vederenkleed zeer weinig bij den bodem afsteekt. Op eens schiet in zigzagvormige baan een Valk over de rustende dieren heen; onmiddellijk vliegen zij op en onttrekken zich schielijk aan onze blikken en aan die van het begeerige roofdier.
“Hun nest is zeer eenvoudig en waarschijnlijk geheel op dezelfde wijze als dat van de Zandhoenderen samengesteld. Hoewel verscheidene paren in elkanders nabijheid broeden, is hun aantal echter nooit groot. In de met zout doordrongen gronden bij het Tarai-nor, meestal op de sinds jaren droogliggende gedeelten van den bodem van dit meer, bestaat het nest uit een ondiep uitgekrabden kuil van ongeveer 12 cM. middellijn, welks rand met eenige salsola-takjes en grassen belegd is; de laatstgenoemde ontbreken echter soms. Het aantal eieren bedraagt 4. Deze hebben ongeveer denzelfden vorm als de eieren van Zandhoenderen; zij kenmerken zich door hun zuiver elliptischen vorm, hoewel zij soms aan het eene einde iets spitser zijn dan aan het andere. De grondkleur wisselt af van licht groenachtig grijs tot vuil bruinachtig grijs; de laatstgenoemde kleur is de meest gewone. Op dezen grond vindt men de meestal uit fijne vlekken bestaande omberbruine teekening in twee verschillende tinten.”
“Deze Vogel”, schrijft Schlegel, “die in de woestijnen van Midden-Azië thuis behoort, en, voor zoover bekend is, deze vroeger niet heeft verlaten, is in de jongste jaren door verhuizingen beroemd geworden, zooals die bij verscheidene dieren, b.v. de Lemming en andere Muizensoorten, de Eekhoorns, de Pestvogels, de Notenkrakers, de Schildpadden, Padden, Sprinkhanen enz., zelfs min of meer geregeld, ofschoon slechts in sommige jaren, plaats hebben, en wier oorzaken blijkbaar overbevolking der soort en gebrek aan voedsel zijn. De eerste dezer verhuizingen had reeds in het jaar 1859 plaats. Er werden toen tegen het einde van Augustus een paar dezer Vogels in de duinen bezuiden Zandvoort waargenomen, maar het gelukte eerst in October het mannetje te schieten, waarop zijn makker niet teruggezien werd. In den loop van hetzelfde jaar werden er nog drie voorwerpen, te weten twee in Engeland en één in Jutland, waargenomen.” Ook heeft men in 1860 een uit 14 of 15 stuks bestaande vlucht van deze Vogels bij Mandal in Noorwegen gezien en er verscheidene van bemachtigd. Deze weinige exemplaren werden echter als afgedwaald beschouwd; aan hun herhaald bezoek werd geen groote beteekenis gehecht. Iets dergelijks geschiedde in den herfst van het jaar 1861 in het noorden van China. Hier echter betrof het niet eenige weinige afgedwaalde voorwerpen, maar een geheel leger van Steppenhoenderen, die in de vlakte tusschen Peking en Tientsin neergestreken waren. De Chineezen maakten zoo ijverig mogelijk jacht op de vreemdelingen, die hun onder den naam “Satsji” wel bekend waren, en verhaalden aan Swinhoe, dat zij deze Vogels dikwijls in netten vingen en met het lontgeweer schoten. Na een hevige sneeuwbui was de jachtbuit zoo groot, dat de markt van Tsientsin er letterlijk mede overvoerd was. Toch waren de Vogels schuw, n.l. zoo lang zij zich op den bodem bevonden; bij ’t vliegen echter gingen zij dichtbij de jagers langs. De inboorlingen wisten trouwens, dat de groote Tartaarsche vlakte achter den beroemden muur het vaderland van de Steppenhoenderen is.