Derde gedeelte.

I.

Wittebroodsweken.

Een bleeke najaarszon speelt op de dubbele vensters van de klare toiletkamer. Mevrouw Sörge staat binnen de plooien van haar wit nachtjapon, kijkt blij-glimlachend rond, en juist opent Mariëtte de deur.

—Morgen, mevrouw! Heeft Mevrouw goed gerust?

Mevrouw luistert niet. Ze brengt onder hare kin hare kleine handjes samen, bewondert de rozenhouten meubileering van dees voortreffelijk kabinet: de breede marmeren tafel met den drievoudigen spiegel, de twee psycheeën, de kleine geriefkastjes, de vier ongelijke eigenaardige stoelen en de mooie schraag, waar nu een rilde vaas zijne wondere Japansche leeljen laat geel- en okerkleuren. Ze juicht stil:

—Hebt ge ooit zoo’n heerlijke toilette gedroomd?

Een gretige glans schiet over hare groene oogen. Mariëtte heeft het zeker nooit gedroomd en ze zegt het ook. De benevelde zon valt op het geschetter van goud-bekurkte geurflesschen en op de ordelijke reeks klein alaam, dat op het roos-geaderd marmer met zijn zilver, zijn paarlemoer, zijn ècaille-doorzichtigheid en zijn ivoorwit doorstippelt veelvormig en verscheidenlijk.

—Wie, vraagt Francine, heeft al zoo vroeg mijn goed daar keurig geschikt?

—Ikzelf, mevrouw. Maar het is niet zoo vroeg als mevrouw zich wel inbeeldt. Het sloeg twaalf uren vóor mevrouw schelde.

Ze kijkt verschrikt op, blikt naar haar klein horloge, dat aan een haak van haar ringenstellinkje vóor den spiegel hangt, en haar mond wordt rond, binst dat haar wenkbrauwen opwelven.

—En, doet ze aarzelend, is mijnheer Sörge dan nog te bed?

—Mijnheer Sörge reed al te paard uit, dezen morgen. Hij zei dat mevrouw zeer vermoeid was van de reis en beval dat men mevrouw zou laten rusten.

Mevrouw Sörge gaat vóor ’t raam staan, verschuift de lichte gordijnen en overziet mijmerend de bruinroode kastanjelaars van de Louizalaan. De laan heeft haar stil en rijkelijk uitzicht, haar voornaam leven van wandelaars en kindermeiden en haar rapper bedrijf van rijtuigen en ruiters. Zonder omwenden:

—Laat mij, vraagt zij teleurgesteld, mijnheer Sörge hier dan alleen over aan de vreemde dingen van dees onbekend huis? Wij kwamen gisteren aan, in den avond ....

Maar Mariëtte vertelt algauw, dat hij terug is van zijn rijtoertje en in den tuin wacht, tot hem mevrouw binnenlaat. Dan is ze weer blij. Ze praat uitzinnig, en Mariëtte legt heur gouden haar in dikke strengen als een kroon om haar hoofd. Naderhand hangt ze een breed kamerkleed over hare schouders, en de blauwe vierkantjes die, van eendere grootte en verschilligen verftoon, op de witte vouwen tichelen, stichten daar een stippelspel van licht, hetwelk de malschheid van haar hals en de teerheid van hare blozende wangen zeer in waarde stelt. Eer Mariëtte haar verlaat, vraagt ze dat men haar een kopje chocolade brenge, en nu, niet eenzaam in de weerkaatsing van de vlijtige spiegels, kijkt ze, al wachtend, zich langs alle kanten aan.

Wanneer Rupert zoetjes de deur opent en onhoorbaar over de tapijten teent, heeft ze hem in een hoekje van de psychee wel bemerkt, maar roerloos staat ze, voelt ruggelings de kriebeling van zijn naderschuiven, voelt dat ze rillen gaat, voelt over een haarlokje, dat in haar nek krult, de warmte van zijn adem ....

Ze glimlacht, keert haar gelaat om naar zijn vollen, levendigen glimlach, glimlacht in zijne donkere oogen. Zijne handen liggen, streelend en behendig, op haar leên. Ze neigt achterover, legt haar hoofd op zijn schouder en hare gulzige lippen gaan op naar de natte, onbeweeglijke, kalme roodheid van zijn mond.


Zij waren op hun huwelijksdag vertrokken. Het was een betooverende reis. Rupert wist alles zoo te regelen dat het wel op een sprookje geleek, en Francine beleefde ’t in een droom. Ze hadden Takker en Mariëtte medegenomen, en Mariëtte was haast van overbodigen dienst, want Takker had op alle uren van den dag tien koppen, twintig handen en eene honderdvoudige dienstvaardigheid. Takker kon natuurlijk mevrouw niet opknappen in den morgen, maar ik durf niet zeggen dat, werd het hem toegelaten, hij het niet vingerknap en uitstekend doen zou. Hij was overal, waar hij, zelfs oogenblikkelijk, verlangd werd, en hij was niet te vinden daar waar ’t niet wenschelijk was dat men hem trof. Francine begreep de taal niet die hij sprak. Zij kon echter niets zeggen, dat hij hooren moest en niet dadelijk verstond. Hij was nooit hinderlijk. Francine kon uren langs de Rijnoevers met Rupert wandelen—waar was Takker? Waar ’t zijn plaats was, niet hier. Draafden ze te paard door stille dennewouden, wilden ze dan op een mostapijt ergens gaan neerzitten of te voet een heuvel opklimmen, waar tenden een schaterende bloementrossel de kinderlijke begeerte van Francine had opgewekt, laat maar de teugels schieten—daar joept Takker van achter een struik te voorschijn en zal de paarden houden. Takker was nooit het storend toeval en altijd de gelukkige voorzienigheid.

Francine merkte het niet, in den beginne. Alles was haar zoo wonderlijk dat ook dit wonder haar gewoon voorkwam. Zij leefde in eene wellustige bedwelming; zij had zich niet kunnen voorstellen dat iets gebeuren kon van wat zij nu met gulzigheid beleefde; ze beleefde eene liefde, die heerlijker en vollediger vorderde in een ongeraden groei. Zij was op geen enkel oogenblik bewust van een geluk, dat zij voor een mirakel aanzag, en ze ging door de dagen gelijk een kind zonder toekomst en zonder verleden.

Van waar kwam dat en waar moest dat heen?

Het was. Het gebeurde. Daar waren nievers oorzaken en dus was niets een uitslag. Elke stonde gedijde onverwachts. Ze leefde, ze was een zalige twijn in de stil-spinnende vingeren van Sörge. Ze dacht aan niets, alles was werkelijkheid.

Zoo gingen ze, de Rijnoevers langs; dan ineens naar Venetië, waar ze haast eene volle maand verwijlden; dan Rome door, waarvan ze placht te zeggen dat die stad afschuwelijk en niet heilig genoeg was; dan de Alpen over en binnen dat heerlijk Zwitsersch Oberland. Ze wilde uit Interlaken niet weg. Ze verbleven daar zes weken. Overal was ’t voor Francine dezelfde zinnelijke duizeling. De wereld spreidde zich wijd-uit vóór haar en de zon leek haar een open poort op het paradijs. Alles was belicht, en de gloed die in haar binnenste joeg, laaide overal uit buiten haar. Ze kon niets zien wat haar vreemd was. Niets was haar vreemd en niets was haar een geheim. Wat ze niet begrijpen zou, ging ze prachtig voorbij. De menschen, welke zij ontmoette, waren roerende kleuren, opgestoken tot een hulde aan haar geluk. Sörge was het middelpunt van licht en wezen, en zij leefde in Sörge, gelijk een adem leeft binnen de lippen en een dood geblaas wordt in de lucht. Daarrond wemelde al wat door Sörge’s licht beschenen en door zijn wezen bezield werd, en er bestond niets, van wat zij zag en voelde, dat niet alzoo was beschenen en bezield. Er leefden geen machten buiten hem. Was er eene macht, die de sterren aanstak in den fluweelen nacht, als ze samen op een balkon nevenseen droomden en over de Milaansche landouwen de koperen maan zagen ondergaan? Of was er eene macht die de rozen deed opentikkelen aan hunne voeten, terwijl ze langs paadjes van palmgroen in Fransche tuinen arm aan arm ommekuierden? Zij kende geen macht die niet was een werkzaam inzicht van Sörge’s eenige, alvermogende macht, en van die macht voelde zij dat zij de trillende, juichende liefde was.

Haar reis had zich tusschen twee knoopen, gelijk een draad van goud, uitgelengd: Venetië en Interlaken. Van Venetië genoot zij de zinderende kleurzangerigheid en Sörge, die een meesterlijke inrichter was, maakte haar, in dat gracelijk oord van wiegende geluiden, tot een zoetgevooisd popje, dat hij lichtelijk over de kanalen liet bijzen. Ze was begaafd genoeg om zich seffens met het beeld van zijn fijnbesnaarde lusten te vereenzelvigen en hij trof in haar de vreemde, uitgezochte toonvormen, welke hij zocht. Het verwonderde hem dikwijls hoe zij zelf, als buiten zijn tastbaren wil, op een uitgedrukt gebaar van zijne begeerte plots een klinkende verwezenlijking werd van zijn zinnelijke wenschen. Haar instinkt kon soms de eischen van zijn smeulend verlangen raden. Het waren dan hare behaaglijkste momenten, en ze rilde van een innerlijke jacht, die haar gevoel scherpte en hare opgezweepte vermogens in laaie passie blaken deed.

Ze bewoonden in Venetië het erfgoed van den ouden heer del Sarto, een vriend van Sörge, den vader. Het was een oud en rijkelijk huis op het groote kanaal, en de halve duisternis die er heerschte, was gelijk de schaduw van een lang vervlogen tijd. Vier eeuwen hadden hun donkerten in de bestoven hoeken opgestapeld en de geheimzinnige gewelven met hun roode nevelen omhangen. Sörge beschikte er over vier groote vertrekken, beladen met Indische gordijnen, tapijten en Italiaansche kunst, en waarvan de minst uitgebreide, doch gezelligste, langs een loggia met gekleurde ruitjes uitzicht gaf op de vaart. Mijnheer del Sarto had er aan gehouden den zoon van zijn overleden vriend zelf welkom te heeten. Hij deed het gulhartig en welgemanierd. Hij was een van die geestige ridders, die in eene majestatische stilzwijgendheid den trots besloten houden van een uitgeroeiden adel en die, stoïek en sierlijk over hun blazoen gebogen, geen moeite hebben om al wat, buiten dat, van de wereld nog overblijft met de minachting van een arend te aanschouwen. Rupert en Francine zagen hem tweemaal bij het dîner. Hij voerde er een keurig gesprek zonder gestrengheid en tevens met grooten ernst. Het Fransch dat hij gebruikte en dat hij eigenaardig op eene oud-florentijnsche gedachtenwending wist toe te passen, had meer weg van de taal die men in sommige koningsgezinde stadjes van Normandië nog even na de Restauratie sprak, dan van die welke men in het hedendaagsch faubourg St. Germain beproeft voor Gallische geestigheid te doen doorgaan. Hij zag er een banneling uit van het slag dat Barbey d’Aurevilly zoo gaarne en met eene zoo fiere spijtigheid beschreef, doch een banneling, dien men, nadat hij van alles beroofd werd, niets van wat zijn wezenlijke aard is, heeft kunnen ontstelen. Zijne beleefdheid was eene gratie Gods.

Den derden dag meldde mijnheer del Sarto dat hij naar het buitenland werd geroepen. Hij vertrok niet zonder Sörge aan te sporen zijn verblijf in het oude Venetiaansche huis, om wille van zijn eigen gedwongen afwezigheid, niet vroeger dan hij wel zinnens was, op te zeggen. Hij zou zich maar, zeide hij, kunnen troosten over die hinderlijke afwezigheid, indien hij, op zijn reis, mocht zeker zijn dat Sörge en mevrouw Sörge er zich niet aan stoorden. Zij gaven hem gewillig die verzekering, ofschoon zij het vertrek van den ouden heer betreurden; en zij bleven drie heerlijke weken, in de luisterende schaduwen van hunne vier kamers, de wondere uren tellen op het zilverig getinkel van eene oude Nurenbergsche klok.

Zij zaten dikwijls in de loggia te vespertijd, wanneer de zware daghitte in de natte avonddampen der kanalen ging bekoelen. Daar begon het zangspel van roerende verven. Linten van blikkerend licht kronkelden over de violette wateren en strengelden hunne snoeren saam met de roode en blauwe riemen die binnen de klappende vlakte wegbrokkelden onder de vaartstaken. Er hing in de stille lucht eene teere rozigheid en, boven de onregelmatige gevels en de uitklippende kornissen, blekten de purperen glansen van den stervenden zomer. Gondels wiegden voorbij.

Francine’s stem kwam telkens meeleven in de algemeene welluidendheid. Ze vroeg dan zoo’n gekke dingen, die gelijk kleursprongskens waren over de paarse waterscherveling.

—Zoudt ge kunnen raden, deed ze lachend, welken dag van de maand we morgen zijn? Ik weet het waarlijk niet, Rupert ....

Haar lach kon ook wel een van die zilverlingen zijn die op een golfje van ’t kanaal een ring van licht doen wippelen. Ze deed hem leuteren, vlak onder Rupert’s oogen, en hij deed fraai in den veelvervigen avond. Sörge nam dan haar klinkend hoofdje in beide handen en rook de diskrete geuren van haar puur-gouden haar.

Een ander maal wilde ze op zijne knieën zitten. Ze kon niet rustig blijven en blies over zijn voorhoofd, tot het hem eene onverdraaglijke kitteling werd, Als ze dan eindelijk moe werd en tegen zijn borst aanleunde, voelde ze Rupert’s zachte hand met eene ongemeene voorzichtigheid de spoelvormige broosheid van hare vingeren betasten, elk kneukeltje met eene nauwkeurige aaiing omdoen en even sidderen op den kouden toets van hare ringbriljanten. Zoo deed hij gemeenlijk, en ze gewendde zich eraan daarbinst zoetekens weg te sluimeren. Soms streelde hij op die manier haren arm, teekende onder zijn zoekenden duim de fijne vormen van hare ronde spieren, peuterde lang en verduldig om haren elleboog en het scheen haar dat de beenderen bloot kwamen onder dat bedreven gevlei. Soms ook was hij lichtelijk langs de randen van haar oor aan het vingeren, vereenzaamde tusschen de vijf nieuwsgierige tipjes van zijne hand die rozige schelp, die haar dan ineens niet meer toebehoorde, en haperde schroomvallig, op het lauwe oorlapje, over den harden smaragd van hare dormeuse. En telkens was ’t alsof ze moe werd—of werd ze werkelijk moe daardoor?—en ze duizelde langzamerhand te lore in een slaap vol blauwe misten en vèr-orgelende muziek, waarbinnen ze vergroot en doezelig de vormen en de klanken van de wereld zonder aandacht naging. Het was binst die rusttijden, die de albeheerschende werkelijkheid van hare liefde uitlengde in eene vreemde ekstase, dat Rupert zich meester maakte van haren geest.

Wanneer zij, in den beginne van September, het adellijke huis van mijnheer del Sarto verlieten, was Francine eene oneigen Francine geworden, het afhankelijke eigendom van Sörge en eene die het liefelijk geweten van een getroeteld burgermeisje verloren had.

Rome beviel haar niet. Te Interlaken sleten ze het aanzienlijke hotelleven van dat beminnelijke stadje en deden onverschillig mee aan de geblazeerde luiaardij van kosmopolitische aristokraatjes, welke in een far-niente van rijk allooi de leêgheid van hunne ziel en de verveling van hunne kapotte zinnen trachten te verbergen. Ze bezochten de vele salons als in het voorbijgaan en gingen rond de speeltafel staan. Die menschen daar, met hunne trage manieren en hunne loome sierlijkheid meegesleept in de warreling van het driftwekkend kansspel, benauwden Francine; maar ze zocht die benauwdheid iedermaal te hervoelen, en iedermaal bevond Rupert dat ze naderhand zinnelijk scherper was. Hij stilde haar dan; beter: hij bedwelmde haar in de praktijk van zijn berekende liefde en volmaakte de stichting van zijne opslorpende overmacht.

Ze deden rijtoertjes in de streek. Tegen de lederen kussens van de kales achteroverleunend voelde Francine de geteemste dag onder de theekleurige zijde van haar zonnescherm poeieren en zacht lichten. De noen-warmte dibberde blauw en rozig om de randen van haren bleek-bebloemden hoed. Ze luierikte goddelijk. Hare gedachten gingen uitnevelen in mistige vergezichten, over landschappen, waar de felle zon de teere kleuren omdoezelde en soms zilverflitste op een noesche klip van opalen ijsglazuur. Sörge beraamde met subtielen overleg de rijke vruchten van die luiheid, welke haar aderslag vertraagde en de weeke wimpering van hare oogleden verzwaarde over de gestilde glansen van haren groenen blik. Zij was, in zijn gedachten, gelijk een goudblozende perzik, die onder de roerlooze straling van de zonziftende broeikastruiten, stil en heerlijk te rijpen hangt. Zij vergaarde in de langzame soepelheid van hare leen, die op de veêrgolven van het rijtuig wiegde, de wijde kracht van den dag, en tot in de tippen van hare kraalroze vingeren zamelde ze spaarzaam de levende hitte thoope, de lucht, het licht, de bezielende zomerzon. Sörge zag dit trage, zekere werk gebeuren, en hij koesterde, terwijl hij onachtzaam een zonderlijk aapje van ivoor over zijn knie bestreelde, het vooruitzicht van een zonneoogst, die uit dit rilde meisjeslichaam moest dijen en openklaren in al het zongrage spel van eene fijnkundige liefde.

Alzoo omringden Francine, van allerzijds, de duizenden invloeden, welke de aandachtige bewerking van Sörge deed ontstaan. Voor hem moest ze het zinnelijk tuig worden, dat in hem eene wereld van nieuwe gevoelens zoude wekken. Geduldig, hardnekkig, onfeilbaar zette hij zijn plan door, en Francine, die niet weten kon waarheen hij haar wilde leiden, was hem dankbaar dat hij, naar het ongeraden doel, de wegen zoo zacht en zoo tooverachtig maakte.

Het landschap nabij Interlaken heeft boven alle andere landschappen dit voordeel, dat het van die andere te gare de gezamenlijke schoonheid bezit. Het is verscheiden in zijn eenheid en weelderig in zijn sober-zijn. Alle geluiden zijner luchten roeren over een zóo uitgebreid klankbord, dat, naar het gemeenlijk schijnt, de snaren ervan in het eindlooze zijn gespannen. Zijne verven en diepten wisselen langs eene teerheid van schakeeringen zoo sluw, dat men erbij slechts de looze speling van zijne lichten en schaduwen kan vergelijken. Het aait niet alleen het schoonheidsgevoel—want welk gevoel zal ooit voor zulke overdadige schoonheid organisch bewerktuigd zijn?—het verdrukt den geest door hem te sterk te treffen en eindigt met uitsluitend lichamelijk in te werken op het bedwelmd gestel.

Was het werkelijk dit physiek vermogen van een veelzijdig landschap, dat Francine aantrok, of had Sörge zóo hare zinnen voorbereid dat het eene aantrekkelijkheid móest worden? De geheime roerselen der ziel zijn niet zoo te bepalen en meer dan eens is men waanzinnig genoeg om voor een proef van onze wilskracht eene uitkomst te houden, welke dikwijls en eeniglijk aan het vreemd toeval van gunstige omstandigheden te danken is. Sörge was overtuigd dat Francine’s zinnelijke ingenomenheid met het Thunsche hoogland door zijn zorgen was gewekt, en zulke overtuiging kon hij jegens zichzelf verrechtvaardigen door de kunstige pogingen, welke hij ten opzichte van Francine’s onbewuste emancipatie op geen oogenblik van den dag verzuimde aan te wenden. Hij wilde niet dat Francine in Brussel terugkeerde, eer ze onherroepelijk zijn eigendom was geworden, en hij dierf ze niet aan den invloed die eene mevrouw Verlat of een pastoor Doening niet anders dan uitoefenen zoude, onderwerpen, of ze moest uit het schadelijk bereik van dien invloed en gansch in hem, haren meester, zijn vergroeid. Hij merkte dat zijne behandelingen zeer vruchtbaar waren en dat Francine niet lang aan de behendige en rake grepen van zijne omzichtige bemeestering kon weerstaan. Na de eenigszins wanordelijke indrukken langs de Rijnboorden en de uitspattende impressies in de parvenu-deftigheid der Duitsche handelssteden opgedaan, had hij haar zonder overgang in Venetië gebracht. Zij had daar voor het eerst en zeer scherp, het was hem niet ontsnapt, het nest gevoeld, het nest, dat hij wel wist nooit te kunnen eerbiedigen en waarvan hij haar dan de tijdelijkheid had gewezen als de eenige bekoring, die eraan kon verbonden zijn. Zij had hem vol verwondering geloofd en reeds op haar weg naar Rome had zij de loggia met de beschilderde ruitjes vergeten, de eikenhouten alkoof met de Smyrnasche gordijnen en het gezellig uurgeklingel van de Nurenbergsche klok. Hij gewende haar dus aan de eigenzinnige, aan de gevoelde ontkenning van al wat hijzelf niet was, hij, de heer van haar gretig lijf en de leider van hare korte gedachten.

Te Interlaken had hij tot hare algeheele overgave besloten. Hij besteedde er eene kleine maand aan de voltooiing van zijn zonderling veroveraarswerk, en hij slaagde des te zekerder, daar hij, in deze zooals in al zijne andere bezigheden, zonder haast zijne middelen gebruikte: elk middel voor het genot dat hij eraan had en alsof hij zich om het einddoel, waarnaar het streefde, niet bekreunde. Het was nagenoeg stellig dat Francine, na haar verblijf in Interlaken, met eene heel andere gevoelsintonatie hare vroegere verhoudingen te Brussel waarnemen zou. Sörge ijverde vlijtig om de schakel, die Francine’s huidigen ontwikkelingsstand aan den vorigen moest verbinden, te vijlen tot hij brak. In haar hart en in haren geest zou Sörge haar eenig verleden zijn, en geen verleden zou daar verder reiken dan Sörge.

Ze wandelden langs het Thunermeer, schijnbaar met geen ander inzicht dan het lichte toeristeninzicht dat men op het gelaat van al die Oberlandwandelaars leest. Het is opvallend hoe de reizigers in Zwitserland de oppervlakkigheid van hun levensvoeling gemeen hebben. Men kan van die menschen niet zeggen dat ze iets hebben verlaten, een vaderland of een huisgezin. Daar is niets achter hen, daar ligt niets onder hun uitzicht. Wat hier de werkelijkheid is, schijnt hun gemeenschappelijk ideaal te wezen, en zoo toonen zij, in hun gezamenlijk voorkomen, de oppervlakkigheid van iemand, die niet lijdend is, niet teleurgesteld is, niet verlangend is, van iemand, kortom, die, zonder een verleden als een kerkhof en zonder een toekomst als een paradijs, burgerlijk-gezapig zijn ideaal beleeft. Dit was niet met Rupert en Francine het geval, maar het leek wel alsof het ook met hen het geval was. Zoo overweldigend, inderdaad, zoo algemeen-opslorpend is die oppervlakkigheid dat zij haar loom kenteeken op het voorhoofd van een paar uitzonderlijke strijders merkt, welke in het aanschijn van het mooi en vreemd-aandoenlijk bergland hun strijd vermogen door te strijden. Het geluk van Francine kon niet vergeleken worden bij de akademische wonne, die het almachtig gemeengoed geworden was van de dikke kortgeneusde en bolgewangde Duitschers, de Montmartersche kampioenen van den alpenstok, de Schotsche staalbraaien en de Engelsche missen, die platborstige amazonen van het preutsche Albion. In Francine echter was het besef van wat blijft, van wat opsteekt in het verleden, gelijk kruisen op een doodenakker, haast ganschelijk verloren, en hierdoor kon zij, net als de genietende toeristen en in eene bewondering-van-éen-stuk, van op den Abendberg, vóor den Eiger, den Mönch en de Jungfrau staan.

Het was hare en Sörge’s geliefkoosde wandeling. Zij stegen langs verschillende wegen op den Abendberg en gingen zich ergens neerzetten, zoo ver mogelijk, op afstand van een schilderachtig hutje, dat nochtans niet door Baedeker is opgegeven en niettemin den toeloop der meeste wandelaars aantrekt, misschien omdat daar een bruine St. Bernardshond met zijn goeden zwaren kop schuddebollend om en rond luibeent. Zij liepen tamelijk ook. De wijde gonzende ruimte gaapte overal en ze zagen de dalen, als door eene holte van licht, tusschen hun pakjes dennegroen, hun wiegende weiden spreiden. De ruimte suisde. Te midden zaten zij en ginder brokkelden, tegen het diepe blauw van zonnehemels, de klippen van den groenen Eiger, den paars-bleeken Mönch en de wit-rozige Jungfrau. De hooge ijsranden diggelden in het harde licht, dat op die eeuwige schervels kaatste en brak. Wolken voeren vooraan, hingen over de laagte, waar, gelijk eene heerlijke turkoois, het meer stil spiegelde. Witte wolken, mauve bezoomd, met een beweeglijke klaarte binnen hunne trage lenden van dons, schoven op bogenhoogte door de lucht, borgen in hun misten de kleurdingen van den overkant, den ontzaglijken horizon van roerlooze reuzen. Lager, afzakkend noesch neerwaarts, schaduwden de donkergroene sparrebosschen gelijk tapijten, die het warme leven, dat daar begon, vóor het nederzinken zouden beschutten tegen den sneeuwkouden dood, dewelke, ginder boven, in zijne almacht en zijne majesteit troonde.

Krassende kraaien waggelden in het groote licht. Het licht zong.

—O, mijn Rupert, kwam dan Francine huiverend aanvleien tegen Sörge’s borst, voelt gij die ruimte! .... Ze maakt mij bang, en ik wil altijd maar voort zoo bang zijn ....

—Ze maakt u klein. We zijn heel klein—twee stippelingskens in deze kracht van vormen, in dezen vloed van gonzende luchten en verven, ongezien ....

—Ik zou willen hier blijven, altijd .... altijd ....

Hij kuste haar, vingerde zoetjes over hare handen, teekende met zijn streelenden nagel de plaats van hare ringen en van elken steen op elken ring.

—Niet altijd hier, fluisterde hij, altijd bij mij! Ge wilt toch zeggen: altijd bij mij, liefje?

Hij zag, als hij zoo hare gevoelens omdraaide, telkens hare groene oogen rond opengaan onder de schaduw van hare gouden haren, en wijd-kijken in de vredige diepte van zijn eigen blik. Ze ging geheel in verbazing open vóor hem, en hij wierp dan in die weerloos ontsloten ziel de kristallizeerende dropjes van zijne eigenaardige leering.

Hij sprak zoetjes met een effen geluid van zijne stem, die iedermaal zeer overtuigend was.

—Wat rond ons bestaat, zei hij, is alleen zóo behaaglijk omdat het voorbijgaand is. Wij zijn blijvend, wij zijn “altijd.” Het overige is voorloopig. Wij moeten aan al die voorloopige dingen onze heerlijke standvastigheid toetsen. Maar, Fran-mijne-zoete, vergeet het niet: onze eeuwigheid houdt op, als wij zwak genoeg zijn om haar met de buitenwereld te deelen.

—Ik zal u eeuwig liefhebben, meende ze naderhand, schuchter en verlegen.

—Dat kunt ge, indien, voor u, al de rest tijdelijk wordt.

Eene wolk kwam aantiegen, blauwde dik op tegen de bergflanken en mistte om hen. De lucht was warm-vochtig, eene klein-druppelende klampigheid met eene onzichtbare zon daar te midden. Francine liet haar hoofd neerzakken op Rupert’s schouder. Haar onregelmatig adempje dampte in de nevelen en zij voelde op haar voorhoofd de rustige nadering van Sörge’s mond. Ze sloot hare oogen, trok zich geheel terug in de mooie fluweelen van een violetten nacht, ging er droomend de purperen beelden na, die onder de vleiing van Sörge’s licht-roerende lippen opwiegden gelijk een sombere gloed.

Wanneer de natte wolk verstreken was, raakte hij, met zijn eenen vinger, de tipjes van hare wimpers. Ze ontwaakte. Ze blikte rond. De prachtige zomer laaide vlekkeloos op het verre kleurgedoe van de blanke ijstoppen, de paarse lenden, de groene laagte en het stille meer, dat in een kom van sierlijke pijnranken rustte gelijk, binnen zijn kostbaar schrijn, een uitgelezen turkoois.

Langzaam gingen ze huiswaarts, al luisterend, onderwege, naar het kleine geklingel dat over de weiden belde en de zoete luiheid verried van een in lommer gedoken vee ....

Op een avond—kort vóor hun vertrek uit Interlaken—zaten ze in een dubbelen rieten zetel onder een laag tuinpriëelken van het hotel. Vóor hen, boven de rillende vlakte van een zilveren vijver, sprong een ruischende fontein, als een tuil van lichtjes, open in de zwoele lucht. Francine zweeg, vermoeid van een ritje, dat ze met Rupert na den middag ondernomen had. Het was, binst die stonden van stilte, dat hare hersens, opgejaagd door wat er Sörge overdag met gezochte woorden had laten invallen, steeds in naarstige koorts te werke gingen. Nu hijgden, in haar, de drift van de zoevende ruimte en het verlangen om hoog in die bedwelmende gonzing op te gaan. Het docht haar dat ze iets wilde vragen dat verboden was.

—Rupert! fluisterde ze in zijn hals.

Hij mijmerde, telde het lichte gedrop van de springfontein. Hij had het ivoren aapje op haren schoot neergeleid en rondde het kopje in den vouw van zijn duim. De tuin lag vredig; maar verder, over de terras, rumoerde het ongezellig hotelleven.

—Rupert, vroeg ze, ik moet, eer we weggaan, hier nog iets doen. Het spookt in me, Rupert, het maakt me angstig, het zal me, vóór ik het voldaan heb, niet loslaten ....

Hij wendde, op haar gelaat, zijne oogen, die nog vol waren van de moede mijmering. Hij glimlachte minzaam. Rustig, vreemd geklemtoond in loom lippenspel:

—Wat? vroeg hij.

Hij zag zonder verbazing de gichtigheid van hare blikken.

—Laat mij, fleerde ze onder zijn mond, de Jungfrau bestijgen ....

Ze voelde in eene huivering, terwijl ze ’t zei, de grootschheid van de koude stilte ginder boven, de ontzaglijke duizeling van die besneeuwde eeuwigheid. En de adem van hare wilde begeerte klopte daarin, gelijk sporen op het harde ijs.

Sörge had in zijne volle hand plots het aapje vastgeklemd, en de hevigheid van dien schielijken, woesten toets schokte door gansch zijn lichaam. Eene ongewone siddering beefde in zijne stem.

—Ik begrijp u niet goed. Hoe komt ge daaraan?

Nooit wachtte hij zoo ongeduldig op haar antwoord. Nooit voelde hij zoo scherp de vrees dat zij hem ontsnappen zou. Ze richtte zich op. Haar elleboog raakte hem niet meer.

—Ho! bad ze hartstochtelijk, op de tipjes van mijn teenen, daar hóoge, op het hoogste tipje van de klip! ... En het ijs om mij, puur, wit, wit, wit! .... En dan, de koepel van den hemel! ....

Ze kruiste in ziekelijke begeestering hare armen over hare borst en lengde hare tien vingeren, binnen de vouwen van haar shawl, op haren blooten hals. Toen vertelde ze van haar rusteloos verlangen, van den eenzamen Jungfrau-trots, van ’t vernederende zoo altijd die hoogte te zien en ze niet te benaderen, van de lauwte in de laagte en de frischheid van gindschen uitersten dood. Zonder orde smeet ze de flitsen van eene vlammende passie in het luie fulp van den avond .... En Sörge luisterde, sprak niet, klemde het ivoren aapje in zijne gebalde vuist.

Er viel eene stilte, een ongemak, een verlegen herkomen van de peiselijke hotelgeruchten.

—Wilt ge niet? vroeg Francine.

Ze keek onthutst, werd, over den gloed van haren hartstocht, de onverschilligheid van den tuin gewaar en de koelte van Rupert’s aandacht. Het krenkte haar en hare beschaamdheid wierp zich roekeloos om. Ze boog langzaam en vezelde, voor het eerst en voor het laatst, haar eigen meesterschap tegenover de meesterschap van haar man:

—Hebt ge schrik?

Ja. Hij had schrik. Hij wist dat ginder zijn stap onzeker zou zijn, dat hij boven de afgronden wanken moest, dat hij in de diepte van een kolk niet kon blikken en aan een koord, tusschen zijn leiders, gelijk een vod in de leêgte zou hangen. Hij sprak niet. Zijn neusvleugels trilden.

Francine boog meer en meer voorover. Haar voorhoofd taakte zijne kin, en zijne knevels bibberden in den geur van hare haarvlechten. Ze vatte, in hare koortsige handen, de hand die om het ivoren beeldje was dichtgevuist. Ze voelde dat ze klein werd onder zijne vervaarlijke stilte, en een korte snik die hare schouders ophief, kreet de radeloosheid uit, waarmede ze voor hare vermetelheid boette. Ze was haar zelve niet genoeg meer om zich het leelijk woord te verwijten, dat haar in een oogenblik en in een vlaag van onbewuste overmacht was ontvallen. Maar ze was wanhopig geworden, gelijk een drenkeling die onder zijne schartende nagels den uitersten barmstruik, met gras en al, voelt loswortelen. Rupert sprak:

—Als ik schrik heb, Fran, dan zou ’t voor u zijn. Indien ge mij waarlijk liefhebt, kunt ge immers geen schrik hebben voor uw eigen!

—Neen, vezelde ze, ik meende: een schrik .... dat ge ginder hooger misschien niet zoo groot mocht zijn, als hier beneden. Het is zoo zot ook .... Ik wilde gaarne een edelweiss plukken.

Hij lachte ineens luid, te luid. Iets brak in den mooien avond. Het aapje viel weer op Francine’s schoot.

—Nu dan, zei hij kortaf midden de schokken van zijn lach en terwijl hij hare leên omarmde, we zullen tot boven de Jungfrau gaan.

Ze juichte niet. Ze beweerde, na een tijdje, dat de tuin vochtig was geworden, en, inderdaad, het docht haar dat het fonteindruppeling zich fijn-spattend tot onder het lage priëel had uitgezet. Hij stak eene sigaret aan en stond recht. Ze gingen, traag en zwijgend, naar het hotelterras en de te felle belichting klaterde op hun aangezicht en kittelde in hunne oogen.

’s Anderen daags was Francine zeer droef. Ze kon, zei ze, Interlaken niet meer verdragen en Rupert moest, wilde ze van haar reis een plezierig beeld bewaren, dadelijk alles voor het vertrek inrichten. Van een waaghalstocht op de Jungfrau was geen sprake meer, en ze verlieten het Thunermeer vier en twintig uren later, in een trein-coupé, die hen te Bern bracht. Onderweg, en juist als ze een laatsten blik op den rozigen sneeuwtop wierpen, tikte Rupert op hare vingeren en, een taschje openend:

—Ziehier, zei hij, die edelweiss die ge plukken woudt ....

Ze glimlachte, nam de broze bloem aan en de wit-fluweelen kroon bladerde vijfvoudig op hare hand.

—Ik wilde ze .... plukken juist, stamelde ze blozend.

—Ja, hernam Rupert, maar laat deze u herinneren dat het u vrij stond haar met mij op de klip te halen.

Ze dankte hem en blikte mijmerend door de ruit van den wagen die glansde in de sterke zon.

Van Bern af namen ze hun reisticket voor Brussel, waar ze laat in den avond aankwamen, en Francine werd, in dat onbekende huis van de Louizalaan, naar hare kamer geleid. Ze sliep er zwaar en in éen trek tot twaalf ure op den noene.


Mariëtte brengt de chocolade, verschuift de vaas met de mooie Japansche leeljen en zet de kopjes op de schraag.

—Rupert, jubelt Francine, hoe heerlijk hebt ge deze toilette geschikt! Ik ben waarlijk verlegen. Ge zijt te goed voor me!

Hij lacht. Hij schuift een stoel bij en zet zich.

—Heb ik dat voor u gedaan? Denkt ge dat ik het niet .... voor mij deed? Wie houdt eraan zijn vrouwtje te zien aankleeden, terwijl ze praat en leutert?

Het was een van zijn liefste plezieren. Sinds ze getrouwd waren, had hij elken morgen, zoodra Mariëtte de haarstrengen had opgekamd en gevlochten, het keurslijfje had vastgeregen en de kamerjapon had dichtgesnoerd, de lange, kunstige doening van tien kraalvingeren om een sierlijk hoofdje bijgewoond. Hij was ’t nooit moe. Hij had haar raad gegeven, koos den geur van het poeier en den toon der blosjes, die eronder moesten gloeien als de teere mouterheid van een abrikoos.

Zoo zit hij hier weer.

Vóór den driedubbelen spiegel gaat Francine staan. Ze staat in het licht, driemaal weergekaatst. Ze kiest, op het marmeren tafelblad, het gedienstig gerief tusschen al wat te reke en ordelijk daar wacht. Ze giet uit een der kristallen flacons een lichte geut van een Russisch eau-de-cologne op het tipje van een wollen servet en traagzaam baadt ermee haar voorhoofd, hare oogleden, hare wangen en haar buigenden hals.

—Waar zullen we vandaag het eerst gaan? vraagt ze.

—Vermoei u maar niet. Wilt ge meer menschen dan Ernest bezoeken? We kunnen bij Ernest dineeren, en daar komen de andere vrienden dan wel.

Ze wrijft over hare armen en tot op hare vingeren een tikje open van wat men in het Fransch “la pâte des prélats” pleegt te noemen, waarschijnlijk omdat de prelaten de mooiste handen hebben van de wereld. Het is een verduldig werk. Ze duimt dien geurigen zoom tot hij plat en glanzend ligt gelijk een glimmende aromaatolie. Over haar aangezicht en op hare schouders strijkt zij een malsche amandelmelk voorzichtig effen.

—Wien tracht gij het graagst te zien, Francine?

—Ik? .... Kijk, daar heb ik nog niet aan gedacht.

—Denk er eens aan ....

—Rupert, ik kan niet. Ik moet mijn lippen teekenen. Ze doet het zeer nauwkeurig. Ze lijkt wel op een Japansch popje, lonkt aandachtig in den spiegel, teekent met een welriekend krijt een dubbel lint op haren mond, zoo dat hij rood-lacht als een kers.

—Ge zet te dik aan, liefje, merkt Rupert, ge moet kleuren met de gevoeligste bescheidenheid.

Ze lacht en de kers schijnt te bersten, spat open en toont binnen zijn frissche wonde een snoer van blanke parelen. Nu is ze weer oplettend bezig. Ze lengt haren hals uit naar voren, raakt haast met het toetertje van hare lippen het ander eender toetertje dat uit de spiegelluiken op drie plaatsen naderkomt en voert het roode krijt.

—Hoor eens, man, zingt ze naderhand, als ik nu ernstig nadenk over wat ge me vraagt, dan vind ik, hoe raar hee? op het eind twee vragen in stede van éen antwoord!

—Ga uw gang maar!

Ze keert zich om. Boven haar mond, die te hard gloeit, blinken uitzonderlijk hare groene oogen.

—Dan is ’t: waarom vraagt hij me dat?—en waarom denk ik na?

—Ik moest, inderdaad, het u niet vragen .... maar gij hoefdet niet na te denken.

—Dat is raak. Gij doet het mea culpa, en ik heb de schuld! .... Breng, alsjeblieft, mijn hoofd, van in de vroegte, niet op hol, Rupert. Moet ik mijne wimpers stompeeren?

—Eventjes .... Een greintje. Uwe oogen zijn bijzonder schoon vandaag. Doe maar die smaragden weg, die op uwe ooren slapen. Ze worden dof naast uw blik.

—Dankje.

Ze trekt een kleine schaduw boogvormig over hare wenkbrauwen. Haar lenige rug plooit achterover, en om het goud van heur haar, waar zij een schildpadden speld wil steken, ranken van weerskanten hare rozige armen. Nu begint ze zich te poeieren. Ze doet éen voor éen de zilveren poeierdoozen open, weet niet waar het zwaanveêrkuif je te doopen. Ze vraagt, terwijl ze, wachtend, hem in de psychee beziet:

—Amber of verveine?

—Allebei, Francine.... maar, dan, van dat Roger-Gallet’s goed.

—Och ja .... ik had uw les reeds vergeten. Hoe is de verhouding weer?

Ze lacht.

Ze poeiert kunstig, vervaagt over haar mooie huid de glansen en de kleuren. Donzig vleit zich eindelijk haar hoofd boven haren schouder in de poeierige zon te voorschijn, die tusschen de spiegelvlakten speelt. Ze keert zich geheel om.

—Is ’t fraai?

—Laat zien.

Hij staat recht en gaat van dichterbij dat vrouwelijk meesterstuk bewonderen. Hij knikt. Hij toetst rijzekens het matte satijn der armen en sluit vluggelings zijne oogen in een walm van den frisschen schouderreuk. Hij legt zijne hand op haar leên, vezelt:

—Gij zijt een porseleintje van uitgelezen kostbaarheid.

—En zeldzaam als uwe goedheid? Ik min u.

—Ik min u, o ja!

Hij zet zich naast haar vóor de schraag, verschuift de chocoladekopjes, en gaat zwijgend na hoe ze nu, met een luttel alaam, hare nagels vijlt en rondt en glazuurt en polijst ....

—Wel! zegt Rupert plots, voor wien denkt ge dat ik dezen ochtend ben uitgereden?

—Ik wil ’t niet weten.

—Lach niet. Ik deed het voor Peter .... uw vriend Simon ....

—Simon .... Simon ....

Ze houdt het gouden schaarken open, onbeweeglijk, met de twee lemmerpuntjes omhoog, in hare hand. Een droom, iets wijds, dat als een droom uit de verte opwolkt en een vorm wordt, ligt in de diepe wateren van hare oogen. Ze fluistert:

—Ik herinner mij.

—Ik schreef dikwijls voor deze zaak, praat Sörge onachtzaam; ik wil dien jongen uit de gevangenis krijgen.

Hij neemt een sigaretje uit zijn koker, lacht dan, terwijl hij het boven een onyxschaal breekt:

—Hier mag ik niet rooken, hee?

Hij ziet het gouden schaarken met de opalen hand lager zinken. Hij ziet de kers-zoete lippen hergaan:

—Ik herinner mij, stamelt Francine.

Zij had, in geen tijd meer, aan Simon gedacht.

II.

Iemand uit zijn schik.

Mevrouw Sörge maakte, in haar nieuw en onherkenbaar voorkomen, een zonderling-verwarden indruk. Pastoor Doening en mevrouw Verlat waren zeer bekommerd. Het docht hun dat Francine zich zoo ver van hen verwijderd had, dat ze haar nu nooit meer nader zouden komen. Zij was wel het zingend vogeltje gebleven; maar het zong vreemde wijzen, wijzen van een ongeraden land waar ’t een ongeziene zonne had geleerd. Pastoor Doening meende dat het versch geluk, in haar, nog slapende tonen had gewekt en dat zij naderhand met een rijker hart van al dat uitheemsch wijde zou terugkeeren. Hij zei ’t zoo aan Vere, die ’t met een droevig lachje ontving. Hij voelde de groote beteekenis van dat lachje en het sloeg op zijne borst in verstaanbare klanken:

—Het wordt de eenzaamheid .... de algeheele eenzaamheid.

Met Francine verloor ze weer wat, en daardoor kwam het scherper op, dat ze reeds zoo heel veel, haast alles .... alles verloren had.

Mijnheer du Bessy verheugde zich in Francine. Hij zag er alleen het uitzicht van, en het uitzicht was heerlijk. Al wat in hem het adellijk aristokraatje was gebleven, joepte in bewondering en juichte die bewondering uit. De olympische bekoorlijkheden waren, in zijne oogen, niet langer waard dat men ze met Francine mocht vergelijken, en Aphroditè zelve, die nochtans uit het druppelend paarlemoer en de groene schuimbellen van Okeanos’ rijk was opgerezen gelijk een agaatkleurig morgenrood, Aphroditè, de wellustige, zou naast deze Oreade het oordeel van Paris niet durven toetsen.

Mijnheer du Bessy, die met de komst van zijn nichtje zeer in zijn schik was, hetgeen misschien ook aan de toegestane gunsten van juffrouw Henriëtte kon geweten worden, noemde Francine, sinds haar verblijf te Interlaken, de Oreade of de Bergnimf. Hij verzon eigenaardige maatregelen om, met fijne trekjes, de behaaglijkheid van een zulk soort feeën te loven, en hij gelukte erin, door eigen lichtzinnigheid, niet eens op te merken dat de Oreade een vreemd wezentje was geworden, waartegenover hij zelf eene “tijdelijke” verschijning was. Ze kon hem soms aankijken rechtover hem, kijken, door zijn hoofd dwars heen, naar iets dat ver vandaan was gelegen. ’t Was niet een toevallige mijmering, zooals het wel eens gebeurt dat men onachtzaam doet; ’t was haar gewoon doen, haar zijn van altijd, haar bestaan buiten haar verleden en buiten hare vrienden.

Mijnheer du Bessy zou het ontkend hebben, indien hem dat iemand had durven zeggen. Zijne oogen bedelden om met haar te mogen uitgaan, om in een open rijtuig naast hare “goddelijke” toilet te zitten of, in soiree, onder de zonneklatering van haar goudstralend haar te verschijnen. Hij werd, meer dan ooit, de baron. De mooie glans die van dat wondere meisje uitging, verguldde zijn blazoen en ’t zou nu schitteren met al zijn kleuren, met al het verglaassel der nieuwe jeugd over al den roem van het oud-adellijke. Hij gedroeg zich gelijk men ongeveer zich gedragen moet, als men toegelaten is tot het “petit lever” van den koning of als men, op de wandeling, bij het te paard klimmen den stijgbeugel voor de koningin vasthoudt. Hij sprak nu zeer veel van de uitroeiing der nobelen en altijd in die klein-fantastische taal, welke zijn lichte gedachten een bijzondere liefelijkheid bijzette iedermaal dat zijn verhaal niet op een zeurend gezaag uitliep.

—Ik word het gewaar, placht hij dan te beweren, er is een tijd in aantocht en weer zal de adel bloeien, maar misschien wel een adel zonder voorzetsel. De demokratie voedt op dees oogenblik de uitzonderlijke eenlingen die de geestelijke meesterschap zullen handhaven en de kampioenen zullen zijn van eene uitverkoren beleefdheid. De Revolutie heeft den dood verhaast van een zinnelijk-bedorven adel en de mogelijkheid bereid van een nieuw adellijk geslacht, hetwelk in andere omstandigheden, doch met geen andere keurigheid dan die onzer hoffelijke vaderen, een Versailles zal stichten, waar wij den geur van gefestoeneerde hemdkragen en de zilvering van een uitmuntende konversatie mogen genieten.

Hij dacht middelerwijl aan zijn nichtje en de toekomst, die hij voorspiegelde, was hem dichtbij.

Mijnheer Sörge vergat nooit hem uit te noodigen, en telkens ontving hij mijnheer du Bessy met eene minzame gulheid waaraan men genoeg herkennen kon dat, in de vordering zijner inzichten, de oude baronet geheel schadeloos was. Du Bessy was op alle feestjes en de zorg, die hij gewoon was aan zijne kleeding te besteden, nam toe. Hij voelde zich in machte van een zeer voornaam geluk, dat hij onder de mooie belichting van de Oreade aankweekte, en hij vermocht weldra er de teere salon-bedwelming van te verplaatsen in de kamers van de Gretrystraat, onder de grovere gaspitten van Henriëtte’s boudoir.

Hij sprak daar weinig over in het groot-stille huis op de Regentielaan. De zwijgende ernst van de sombere eetzaal begon op hem te wegen en hij was soms bang voor Vere, die in de eenzame gangen wandelde, gelijk een gevangen spook. Was ’t dat hij zich iets tegenover haar te verwijten had of wilde hij slechts de kalme droefheid eerbiedigen, die om haar voorhoofd lag? Hij was gelijk een studentje, dat bij brave burgerlui inwoont en, aan tafel, binnen de dampen van zijn soepbord, met drollig-blozende schijnheiligheid het plan van een boemelpartijtje in den avond tracht te verbergen.

Hij verborg echter niets. Vere, nadat zij het pijnlijk afscheid met Francine had beleden, zag wel dat ze, in gedachten, ook door Oomken verlaten werd. Die toestand verergerde door het toedoen van Ernest.

Ernest, die geheel onder den invloed van Sörge, lang vóor Sörge’s huwelijk, geraakt was, kwam nu onder den invloed van zijne zuster. Hij beneed Sörge in wat deze van Francine had kunnen maken, en die nijd, welken hij nergens kon uitdrukken, verkeerde natuurlijkerwijs in een somber-woelende, aleens scherp uitschietende minachting voor zijne eigen vrouw. Hij wilde Vere verwijten dat zij voor hem niet zijn kon wat Francine voor Rupert was, maar hij voelde te klaar de wreedheid van zijn eischen om het haar met een moedig woord naar het hart te slingeren. Hij beproefde, in den beginne, om haar het licht, de elegantie en de uiterste gevoeligheid van Sörge’s huwelijk te doen inzien. Hij beproefde het zonder krenkende zinspelingen en deed zijn best om, daartoe, de behendige schranderheid te gebruiken, welke hij bij Sörge zoo dikwijls bewonderd had en waarvan hij, al wist hij het klaar, het zekere slachtoffer was geworden. De leugens die hij aanwendde, waren slecht geleid, hadden, in het geploeter van zijn nijdige inzichten, geen streelende omgeving en geen passenden achtergrond. Zij leken niet eens op de leugens van Sörge, die zoo kunstig waren dat men er het bedrog bij vergat. Men treft zulke menschen die, zou men zeggen, dagelijks met een paar dauwperels op een rozeblad, de hersens van een leeuwerik en het sap van een halve perzik leven kunnen. Zoo was Sörge. Hij kon aan alles wat hij nutte, het kunstmatig uitzicht van een fijn-proevende nietigheid geven, en men zou dischgenooten gevonden hebben die beweren konnen dat hij nooit een aardappel of eene duif op zijn schotel gebruikt had. De manier waarop hij at, betooverde het voorkomen van zijne spijzen.

Ernest at om te eten. Hij loog om te zijn. Hij meende dat hij zijn bestaan in de maatschappij met leugens moest ophouden, en dit, inderdaad, was nagenoeg de waarheid. Zijne leugens hadden geen ander nut, dan dat zij hem een modus-vivendi in de samenleving gunden. Rupert daarentegen loog om van een daad te genieten, welke geheel van hem was en zich buiten de gefopte gemeenschap bewoog. Hij misleidde eene maatschappij, die hij aldus vernederen wilde, en hij vernederde ze met het besef van zijne overmacht. Hij proefde keurig de ingewikkelde lusten van zijne leugens, die hem den gekoesterden nasmaak lieten van eene meesterlijke minachting voor al wat leefde buiten hem.

Ernest verschalkte niet uit delikaat geneugte. Zijn logen was eene strijdige zwakheid, zooals dorst en honger onoverkomelijke zwakheden zijn. Hij leefde niet buiten die logen, ongeveer naar dezelfde wijze waarop Vere niet buiten de waarheid leven kon. Hij dierf het haar niet verwijten, maar hij werd er des te boozer om. Hij wilde haar van hare waarheid afleiden. Hij dacht dat, vermits ze, in die waarheid, de vrouw niet zijn kon die hij begeerde, ze misschien in een geveinsd voorkomen deugen zou. Hij trachtte de ontwikkeling van zijn verlangen geleidelijk naar dat doel te bevorderen. Hij trachtte in Vere de vrouwelijke behaagzucht te wekken om zich dan met de listen te vermaken waartoe zij aanleiding zou geven. Hij liet doorschijnen dat Vere zich te zorgeloos aankleedde en dat het huis er te zwaar burgerlijk uitzag. Hij wierp verdraaide woorden in de gesprekken, die hij gedwongen was met pastoor Doening te houden.

—Vindt gij ook niet, pastoor, vroeg hij geniepig, dat wij hier een eremijtleven lijden? Ons huis is gelijk een woestijn. We zouden iets moeten doen, dunkt u niet? iets aanwenden, iets breeder en naar eene andere richting.....

—Iets, ja, dat niet kunstmatig is, zei pastoor Doening stil en medelijdend.

—Juist .... juist .... Ik wil mijn best doen. We lachen hier niet dikwijls, dat weet ge ook. Als er dan maar wat lawaai was!

Hij voelde zelf dat zijne schranderheid naar wanhoop overhelde. Het kalme hoofd van Doening, dat in de luchten vol met de webben van vijandelijke inzichten gevoelig en voorzichtig opstak, keek hem aan, en hij had dan werk genoeg om, tegenover hem, zijn houding saam te stellen. De aandacht van pastoor Doening was hem telkens eene beleediging, gelijk alleszins een wroeging, die men veruiterlijken komt, eene beleediging is.

Ernest werd eindelijk moe door de vruchteloosheid van zijne pogingen. Vere begreep niet wat hij wilde, en gedurig ergerde hij zich aan wat hij haar “grovelijk instinkt” noemde. Het was wel aan dat instinkt te wijten dat zij hem niet begreep; toch, ofschoon zij nooit begrijpen zou dat hij van zijne vrouw eene soort van bijzit wilde maken, begreep zij dat zij anders moest zijn, wilde zij zijne vrouw blijven. Zij legde er zich geduldig op toe om ánders te worden.

Ze probeerde “beter” te zijn. Zij werd er meer burgerlijk door. Hare goedheid, die waarlijk eindeloos was, had geen grenzen meer. Die goedheid werd vervelend, en Ernest beschouwde haar als de folterende razernij van iemand die, met eene voorbeeldige deugdelijkheid, wilde doen uitschijnen dat hijzelf niet deugde. Hij beweerde dat Vere onbescheiden was.

Op een avond besloot hij zonder omwegen op zijn doel af te gaan. Hij nam Vere mede naar een Duitsch concert dat, ter gelegenheid van het bezoek van een uitlandschen prins, in den Muntschouwburg werd gegeven. Hij gedroeg zich zeer lief met haar, en sedert lang was hij niet meer zoo innemend en zoo oplettend geweest. Het trof Vere; en zij dankte God dat Hij hem, al was ’t dan maar tijdelijk, tot beter inkeer had gebracht. Hij was vol zorgen om haar. Hij was wezenlijk de oude goede jongen van vroeger en er kwam een oogenblik dat hij ’t zelf voelde. Hij bracht haar bloemen in het rijtuig en ze vertrokken gelijk verliefden.

De schouwburg had het uitzicht der groote gala-avonden. De overdadige belichting glansde op een overvloed van rijke toiletten en een rumoer steeg uit de logiën, welke op zeldzame serre-perken geleken, waarvan de zacht-verkleurende vrouwengezichten, de donzige schouders, de naakte armen op satijn, zijde, blonde en brokaat, de met diamant bedauwde bloemen zouden zijn.

In een logie, op den eersten rang, zaten Sörge en Francine. Ernest richtte langs daar zijn zilveren dubbelkijker.

—Wat een pracht, fluisterde hij; waar haalt Fran toch die vorstelijke manieren?

Van al die witte bloemen in rood-fluweelen perken was Fran zeker, zoo niet de schoonste, dan toch de bedwelmendste en de fijnst-bedeelde. Zij was niet in dezelfde luchten opgeleid en zij had, gelijk alle uitheemsche vrouwelijke harmonieën, midden de frissche klatering van tulpen en rozen, de vreemde bekoorlijkheid van eene orchidee.

Vere glimlachte stil en bedwong den zucht, die in haar boezem zwol.

—Hoe gelukkig is Rupert, vervolgde Ernest in verrukking, dat hij eene vrouw trof die met eene zoo teere en zoo rake gewilligheid zijn minste begeerten raadt! .... Zie, Vere-lief, ik ken Rupert genoeg om te weten dat Fran op alle oogenblikken, tot het kleinste kleurtje van haar linten en tot de haast-onzichtbare mouche die beneden het tipje van haar mond vlekt, geheel en eeniglijk zijn volle verlangen is. Daartoe is zeker veel gevoel, veel verscheidenheid en een scherp aanlegsvermogen noodig!

Hij hield niet op met zijn lof. Hij beschreef éen voor éen, met een fluisterstem waaraan de luidruchtige onverschilligheid van een schouwburgvergadering een bijzonder gewicht leende, al de lusten van een huwelijk, dat het zijne niet was. Hij krenkte, langzaam en gestadig, Vere met de voorzorgen die hij nam om, onder de geneugten van zulke ideale betrekking, geen eene van al die te noemen, welke hem Vere gegeven had. Zooals hij ’t haar met prikjes in het harte stiet, was, voor hem, het beste huwelijk een, dat de ontkenning van het zijne scheen.

Ze leed genoeg om hem geen antwoord te kunnen geven. De muziek lawaaide rond haar en toeterde gelijk een muggenzwerm in hare ooren. Van de heerlijke zevende symfonie, waaromtrent zij dikwijls zei dat zij, in al die hoogte en wijdte, de vormen van een menschelijken Beethoven niet meer terugvond, hoorde ze niets. Een nevel van weemoed was om haar opgetrokken, en daarachter vreesde zij dat niets opklaren kon dan de vuren der wanhoop. Zij beneed het huwelijk niet, dat Ernest van jaloerschheid deed huiveren en zoo ver van het hare verwijderd was. Ernest benauwde haar—Ernest, die haar niet meer eerbiedigde en die haar, als eene hoer, wilde overgeven aan de zinnelijke leugens van een bedorven leven, Ernest, die eindelijk, in hare oogen, al zijne zoekende geilheid, zijne verborgen ontucht, zijne valsche verwende driften geopenbaard had. Zij kon ’t niet anders opvatten dan zoo, en, eer het haar walgde, maakte het haar bang.

In de vestibule, binst de pooze, kwamen Sörge en zijne vrouw haar groeten. Vere zou gaan weenen hebben, als zij het kleine handje van Francine lichtelijk op de hare zag liggen.

—Lieve Vere, babbelde mevrouw Sörge, terwijl ze vol ongedurigheid een riemken van haar waaier brak, hoe kunnen wij ’t hier uithouden? Ik snak ernaar om uit die akelige orgelkast te zijn. Rupert beweert dat hij er niet uit mag, zoolang de prins erbinnen blijft. Mooi vooruitzicht!.... Hebt ge gezien dat die prins een oorring draagt? ’t Heeft voortdurend mijne aandacht van streek gebracht! .... Overmorgen kom ik u eens wat opknappen, hoor, ge ziet er alweer zoo neerslachtig uit, en ik heb in mijn lijf een vreugd, om uw heel huis onderstboven te zetten! ....

—Ja, doe dat, doe dat, lachte Vere.

—Ik zal Geizan meebrengen, als ze maar wil ....

—Wie is dat, Geizan, Francine?

—Onze poes.

Ze vingerde onachtzaam over de vonkende kantjes van den paarsen amethist, die tenden een rij briljanten aan haren rozigen halsband hing.

Sörge was dien avond, zooals bij alle ontmoetingen, uitermate beleefd. Hij sprak Vere aan, drukte in hare oogen zijn vredigen blik, bewaarde op zijne driftlooze lippen het onmerkbaar glimlachje, dat het beweeglijk slot was van zijne stille geheimzinnigheid. Hij liet over zijne effene woorden—alsof ’t geen inzicht was en zonder erg gebeurde—de intonatie drukken van iets dat hij nochtans niet zeide en duidelijk beteekenen liet:

—Gij zoekt redenen om mij te haten. Haat mij, maar ik zal u nooit een reden geven. Wat scheelt het mij!

Hij groette, bij het afscheid, en boog fraai over Vere’s hand. Men merkte gauw de fijnheid van zijne laarzen en de onberispelijke snedigheid van zijn soirée-rok.

Na het concert en toen ze naast Ernest in het rijtuig zat:

—Ernest, sprak langzaam Vere, zeg me eens oprecht wat ge dezen avond met mij hebt willen doen. Ik hoop altijd dat ik u klaar begrijpen mag; maar nu toch, Ernest, hoop ik dat ik u niet heb begrepen. Gij hebt mijzelf zoo dicht bij deze verklaring gebracht, dat ik ze niet meer ontwijken kan.

De zware ernst van hare woorden trof Ernest meer dan de trage lijdzaamheid, waarmede zij die uitsprak. Hij had niet gedacht dat hij op zulke manier een gesprek zou uitlokken, en hij had nu alle moeite om niet verlegen te worden. Hij boog zich achterover en leunde in een hoek van de koets, zoodat hij over zijne oogen, buiten de straling van het lantaarnlicht, de donkere schaduw voelde.

—Ik heb, zei hij aarzelend, geen inzicht, dat ik niet al ganschelijk heb uitgedrukt. Stel duidelijker vragen, Vere, want, waarlijk, ik versta u niet goed.

—Ge hebt u in mij gekrenkt. Hebt ge dat op geen enkel oogenblik gevoeld?

—Zeker niet. Als ik dat deed, was het geheel buiten mijn weten en vooral buiten mijne bedoeling.

Hij wachtte. Nu, dat men hem de ophelderingen vroeg, waartoe hij zoo dikwijls de aanleidende gelegenheid had gezocht, dierf hij ze niet dan gedwongen geven.

—Dat is wenschelijk, hernam Vere. Gij hebt echter zeer klaar en wreed genoeg laten onderstellen dat ons huwelijk eene dwaling was. Ik ben Francine niet en gij zijt Rupert niet. Ik heb er geen schuld aan, als ons huwelijk teenemaal niet op het huwelijk van Fran en Rupert lijkt. Het kan er niet op lijken en moest het er ooit gaan op lijken, dan zal het zijn dat ik mijn geweten verloren heb.

Ernest zette zich overeind. Hij was bezig met zich op te winden. Hij zocht langs booze wegen de gunstige middelen om verontwaardigd te zijn. Zoo doet de misdadiger als hij verraden is en, zijn misdaad vergetende, uitvalt tegen het verraad.

—Spreek helder, zei hij heesch.

—Ik sticht geen misverstand, Ernest. Ik wil helder spreken. Het beste voor ons is dat alles weer helder wordt. Maar ik bid u, verduister niets met onredelijke gramschap. Ik zeg dat gij alleen dán, wanneer ik geen geweten meer heb, zult doen met mij wat Rupert doet met Francine. Francine zelf weet niet voor welke ziekelijke en duivelsche praktijken zij het werktuig is geworden. Maar zij zál het weten, Ernest. De hemel geve dat zij het wete, eer in haar alle frischheid is gesmoord!

—Wat gij daar zegt, siste Ernest tusschen zijn opeengeperste lippen, is van een ....

—Zeg het niet. Scheld niet. Ik vergeef u.

Er viel eene stilte. De wielen ronkten op in hunne guttabanden en piepten soms op hunne as. Men hoorde den achtslag van de paardenhoeven. Vere keerde zich geheel naar Ernest om, legde haar handen op zijnen arm. De klaarte die, ongelijk, van de straat binnen de portière stortte, viel in warrelende strepen op haar aangezicht. Eene roerende glinstering biggelde op hare wimpers. Ze sprak weemoedig, weifelend, bijna zonder hoorbare woorden maar met eene innigheid, die gansch den gloed verried, waarachter haar wanhoop vlamde:

—Ik smeek u, Ernest, wees aandachtig. Denk dat ik u waardig ben. Verneder mij niet. Als ge mij geen andere liefde kunt geven dan de kunstmatige en bedorven uitbuiting, de zedelooze en huichelachtige zinnelijkheid, die gij nu de ideale liefde noemt, gun mij ten minste uwen eerbied, want zulke liefde neem ik niet aan.

Ernest vatte haar bij de mouw en zijne vuist beefde.

—Wat .... wat denkt gij dat mijne zuster is?

—Het spijt mij dat ge onredelijk wordt .... Ik heb Francine zeer lief.

—Ik vraag .... Wat is zij?

—Zij is een meisje zonder ervaring .... een lichte geest en een hart van goud .... zij is wat ik wil blijven ook en wat ik God bid dat zij blijven mag .... waarom denkt gij dat ik Francine aanval, en voelt gij niet dat gij voor u zelf moet antwoorden?

—Ik zal u antwoorden ... voor haar, en voor mij.

Het rijtuig stond stil. Het wachtte bij de trap en werd seffens doorgezonden. De koude najaarswind zat hen op den rug en ze gingen vóor het vuur in de eetzaal zitten.

—Vere, zei hij na een tijdje, wat zoudt ge doen als ik u niet meer liefhad?

—Ik zou daar in berusten, dat ik niets gedaan heb om uwe liefde te breken ....

—Neen .... zoo niet .... Ik wil zeggen: hebt ge wel iets gedaan om die liefde te behouden? Ik heb u toch en eeniglijk genomen omdat ik u liefhad, en gij hebt me om geen andere reden aanvaard. Het is, ziet ge wel, om dat wat nu gebeurt, zoo gek, zoo onzinnig is! Ik vraag uwe liefde, maar ik vraag ze onvoorwaardelijk. Gij, reeds van in den beginne, gaaft ze mij—onder voorbehoud. Wat wil ik? Uw geluk en te gelijk het mijne. Begrijp toch eindelijk, dat het eene niet zonder het andere gaat, en dat mijn ikzucht voor uw welzijn bedrijvig is! Dat we, zonder daartoe door iemand gedreven te zijn, saam zijn gekomen, is wel het beste bewijs, dat er ergens voor ons beiden een gemeenschappelijk gebied is .... en wij zijn, allebei, er af getreden! Laten wij het, in eendrachtig overleg, weer opzoeken.

—Ja .... mijmerde Vere angstig.

—Ja. We kennen malkander. We moeten vooraf goed aannemen, dat we ons wel tot iets willen “ontwikkelen,” maar dat we niets “afnemen” van wat we zijn. Het is goed dat we bepalen: Zóo ben ik, en zoo zijt gij .... Dat zijn de onveranderlijke gegevens van het problema. Wat we willen vinden, is: de liefde van dat ik met de liefde van dat gij in eenklank brengen. Met andere woorden: we moeten ons met onszelven vereenzelvigen, de eene van ons met den andere, en ommegekeerd .... Ge verweet mij daar iets, dat ge kunstmatig noemdet. Nu, en waarom niet? Waarom niet kunstmatig? Waar begint voor u het kunstmatige? Ik redeneer toch! Als we nu door onbewuste oorzaken van malkander verwijderd zijn geraakt, waarom zouden wij niet met bewuste middelen eene toenadering beramen?

—Ik wist niet, hijgde Vere ontzet, dat we .... verwijderd waren van .... malkander....

—Neem dat nu weer niet verkeerd op, in Gods naam! Het is, bij wijze van spreken, dat ik het zóo zeg. Goed. Nu toon ik u Rupert en Francine. Francine is geheel in Rupert opgegaan. Zij is veranderd. Er is gebeurd wat ik even vertelde, Vere: Zij heeft zich ontwikkeld in haar man, in de liefde van haar man. Het is u vreemd, want nu herkent gij Francine niet meer. Maar hebt ge Rupert vroeger wel gekend? Misschien zoudt gij hem nu ook niet meer herkennen, misschien zou het u blijken dat hij zich in de liefde van Francine ontwikkeld heeft!

Vere brak dat onecht gepeuter. Wat haar het dichtst aan het hart lag, zag zij in snipperingen uitknippen, bloot leggen, met cijfers teekenen en in algebrische formulen schikken. En toch kon ze, op zulke wijs dat het door Ernest begrepen werd, niet uitleggen waar, voor haar, het kunstmatige begon. ’t Was of men eerst haar hart wilde uitdrogen om dan, zonder bloedvergieten, te gaan zien wat er binnen-in zat.

Ernest nam hare bange aandacht voor eene beginnende goedkeuring aan.

—Ik heb, redeneerde hij al wuivend met zijne handen over de stille vlammen van den open haard, ik heb u dat voorbeeld van Rupert en Francine getoond. Wilt gij de oplossing van het problema naar ons gezamenlijk geluk leiden? Doe dan met mij wat Rupert met Francine gedaan heeft. Leer mij opgaan in u, daar waar gij dan eenderlijk in mij opgaan kunt. Ik heb u lief genoeg om u te kunnen volgen.

Hij ging een glans na, die op het gevernist tipje van zijn schoen blikkerde. Hij knipte met zijn nagel een stofje weg, dat onder het schuinsche licht schoon zichtbaar werd op zijn knie.

—Maar, vervolgde hij, zijne wenkbrauwen optrekkend, maar weet gij dat gij den weg niet kent, dat gij in u de geestelijke kracht niet hebt om uwe liefde te bemeesteren en zeer kalm de mijne te overzien, dat gij u radeloos met dien dubbelen last naar zwakken willekeur zult richten, dàn: laat mij probeeren. Gij hebt, mijne beste Vere, straks uwe woorden niet gemeten, toen gij spraakt van zinnelijke uitbuiting en huichelende zedeloosheid. Ik wil, laat het mij herhalen, niets afnemen van wat wij zijn, en ik hoop dat wij beiden gezond en deugdzaam zijn. Maar, nog eens, waar zal het zedelooze beginnen? ....

Vere stond recht. Ze wierp zijwaarts den sleep van haar muis-grijze soiree-kleed open, keek lang Ernest aan.

—Gij, sprak ze laag, gij hebt mij niet meer lief, mijn vriend.

—God!! ....

Hij was in een vloek opgesprongen. ’t Was wel alles te vergeefs, zijn mooi zeggen, zijn draaien en wenden en voorzichtig zijn! Niets te doen met haar, niets te doen tegen dien kop van steen, waarover zij de vervelende droefheid van een week hart spreidde! Hij zou ’t anders aanleggen, en weer anders, en met een goddelijk geduld een beetje gewilligheid afwachten—neen! om den duivel niet! ’t Kon niet, ze wilde niet! Ze wilde eenvoudig niet! Hij kromde zich en ging het onder hare kin schreeuwen, en zijne vuisten balde hij zenuwachtig achter zijn rug. ’t Werd weer een scène. ’t Moest, ’t moest altijd een scène worden met haar. Ze sloeg met hare tranerige lijdzaamheid u het bloed naar het hoofd; maar voel, voel toch, onder dien kop, die weent, de domme hardheid van een arduinrots waar geen bron kan borrelen! Ze zweepte u daarmee de gramschap in de oogen, tot ge er rood zoudt van zien! Gek, die hij was! Hopen dat ze hem toegeven zou—het redelijke, niets meer dan het redelijke .... hopen dat ze hare mistroostige, eentonige weemoedigheid afleggen zou, waarmede ze hem telkens tartte en zich boven hem verhief .... hopen dat ze naast hem zou meewillen—hij vroeg ’t immers niet om zichzelf!—maar meewillen, niet langer oppermeesteren met een verdriet, waarvan zij hem natuurlijk, al zwijgend, voor de oorzaak deed doorgaan .... hopen dat ze zou opgaan in de toekomst, heerlijk op de stem en de wenken van haar man .... Dwaasheid! Al ijdele dwaasheid! Daar stond ze, daar smeet ze zijne zorgvuldige stelling met een slag van haar hoogmoedig leed omver, daar lengde ze zich uit in de ongenaakbaarheid van haren trots en haar verwaanden rouw!

—Dat ik u niet meer liefheb, schreeuwde hij, ’t is waar misschien! Gij spoelt mij het hart in uwe tranen weg! Gij pauwstaart met uwe eerbiedwaardigheid.... of denkt ge soms dat ge te goed zijt voor wat ik van u maken wil? Wat spijt!

Hij spotte hatelijk, zong razend op alle tonen van zijn wild-jagende stem zijn teleurstelling en zijne woede, klopte met zijne hielen tegen den vloer.

Vere roerde niet. Ze was zeer bleek geworden. Haar groot lichaam schaduwde op tegen de eenige klaarte van een vijfarmigen kandelaar, die Ko op een Boule-meubeltje geplaats had. Ze keek hem aan vol treurigheid en, naderhand, vol medelijden. Haar blik, hare zwijgende deernis hitsten hem op. Hij begon eindelijk te schelden.

Zijne gemeenheid deed haar wijken zonder haar te raken. Hoog-hoofdig wendde zij zich om en ging langzaam naar de deur. Haar breede rug, dien hij nu zag wegschuiven vóor hem, scheen hem de beleediging te zijn van eene onverschillige verachting. Hij sprong toe.

—Hier, riep hij, gij zult luisteren, kanalje!

Hij vatte haar bij den arm en rukte haar naar voren. Ze struikelde in haar kleed. De zijde slag-ruischte. Nog rukte hij. Ze viel op hare knieën. Ze zei niets. Ze had niet gegild.

—Gij, gij, grinnikte Ernest, gij, met uwe manieren, kunt van mij een moordenaar maken. Sta op! Blijf daar niet zoo, alsof ge een lam waart, het slachtoffer van een lafaard .... Ha, ik voel u wel! Ge zijt geslepen! .... Sta op, zeg ik u! Sta dan òp!

Hij grabbelde naar haar elleboog, wilde haar in een woesten greep oplichten. Ze boog haar hoofd, huiverde, wachtte. Hij vuistte onder hare oksels, kneukelde zenuwachtig hare mouwen vast, voelde dat ze zwaar lag, niet mee opging, en stiet haar dan ver-uit, weg van zich af. De satijn had gekraakt, scheurde. Vere beukte op het tapijt.

—Hartevreetster! grijnsde hij tusschen zijne tanden. Hij zonk zelf neer op een stoel, afgemat, en keek haar aan. Langzaam kroop ze weer overeind, zuchtte, hief haar wit aangezicht op naar hem, draaide hare ronde oogen traag om, vol afgrijzen. Ze verliet hem, moeilijk stappend in hare rokken, waarvan ze onhandig den sleep had opgeschorst. Ze raapte een écaille-kam op die uit heur haartooisel was gevallen, en den briljanten-diadeem die ernevens lag, bleef even staan, als om te rusten, op den drempel, en ging de vestibule door, de trap op, naar boven.

Ernest zat, trillend nog van gramschap, stijf recht-op tegen den pijler van den schoorsteen. Hij zakte nadien ineen, naarmate hij bedaarde, plooide voorover thoope, en, leunend met beide ellebogen op zijne knieën, liet zijn kin rusten in de lauwe palm van zijne handen. Zoo bleef hij een heelen tijd, nadenkend, wijd-uit mijmerend over alles wat zijn leven was en zou zijn, dubbend en triestig wordend.

Hij schudde eindelijk zijne schouders, wreef zijne vingeren koortsig overeen, stond recht als iemand die ’t na rijp overleg opgeeft. Nu naar boven gaan, haar opzoeken, week worden in de zoelte van haar lichaam, gelijk ’t iedermaal gebeurde, weer, op slot van rekening, de zwakkeling zijn .... hij wilde niet, neen, deesmaal hard, sterk—hij voelde zich sterk.

Hij trok zijn mantel aan, nam zijn klaphoed, zijn rotting, vertrok.

Op straat, in de late Oktobermisten, die de hooge olmen van de Regentielaan met grijzen bloesem omhingen, stond hij een oogenblik aarzelend na te peinzen. De lantaarnlichten deden hunne gele klaarten uitdoezelen op de melkdampen van den nachtnevel. Een doove stilte dikte van alle zijden aan.

Ernest liep tot op de Schaarbeeksche plaats en sprong in een huurkoets, die hem langs de middellanen bracht in de Bisschopstraat.

Het leven van de Curiosity-Shop was, toen hij er vóor Dumdie, den groenen neger, binnentrad, in zijn vollen gang. Al de tafels waren bezet en boven elke tafel steeg het dubbel rumoer van brommende mannenstemmen en het uitklinkend, spelend vrouwengezeur. Een paar heeren keken om naar Ernest, die korrekt groette.

—Hee! Verlat!

’t Klonk in een lach op uit een hoek, niet verre van den toog waar, boven hare ontzaglijke schouders en de pronkstellage van haren boezem, het nauwe hoofdje van mevrouw Morganès troonde. Jujube, in zijn scharlaken livrei, gleed vooraan. Hij ging, vóor Verlat’s voeten, een paar stoelen wegruimen en wees den weg naar Florjan Pacôme, die, roodlachend onder zijn verwarde haarkrullen, naast Roy-Dour op een ovale Florentijnsche schabel zat. Hij drukte Ernest de hand en schoof dwaas-pinkoogend een bankje bij. Jujube bracht een plat kussen van gebloemde brocatel.

—Ik kom hier, zabberde Pacôme half-dronken, al drie avonden te reke, om u te zien. Roy-Dour is zot naar u, en ik heb u wat te vertellen.

Roy-Dour, bijgenaamd Marjolene, had binnen het wondere kraal van hare lippen en, zooals Homeros zegt, achter den barreel van hare tanden, welke prachtig waren, de stem van een heeschen belleman. Hoe kon, zonder het te beschadigen, zulke klank ooit zulken barreel overschrijden! .... Wat Roy-Dour gemeenlijk te zeggen had en dan ook zonder de minste preutschheid zei, was niet van zulk slag dat het de lompheid van die stem kon doen vergeven. Hare woorden pasten bij hare stem, zooals Anatole’s lepelooren bij zijn idioot doorpompenden kemelschedel pasten.

Men dronk. De champagne-kurken sprongen bescheidenlijk, stil in het servet van een dungelipten kelner uitgesnut. Men telde de flesschen aan de kurken die op een Delftsch bordje, midden de tafel, werden neergeleid, en men las de eerlijkheid op het gezicht van Jujube. De Tjekken-muziek die zachtjes opklonk, spreidde over al die dooreenspattende geluiden van het shop-leven een wasem van geduldige welluidendheid, die vlijtig-maar de leêgten aanvulde, de uitschietende kreten doofde en, in ’t gezamenlijke, eene aangename eenheid herbracht.

Juffrouw Bella d’Irsy, dikke vriendin van Marjolene, kwam, in een zalm-rozig tullen kleed binnen, werd, onder buigingen en een vriendschappelijk voorstellen, in het gezelschap “van het hoekje”—Pacôme zei ’t al niezend—toegelaten. Terwijl Verlat hare hand aannam, merkte ze dat zijne manchet geheel verfrommeld was.

—Hebt ge in een vuistkamp gestreden, vroeg ze, of zat Marjolene op uwe hand?

Het knoopje hing los aan de hemdlob te bengelen en ’t had, in de keurige nauwgezetheid van zijne overige dracht, een potsierlijk uitzicht. Hij kreeg een kleur, lachte peinzend.

—Het spijt hem, mademoiselle, meesmuilde Pacôme, dat hij, niet wetend dat ge komen zoudt, naar u niet heeft gewacht. Maar, si le cœur vous en dit, ga naast hem daar zitten ....

Juffrouw Bella d’Irsy zette zich, legde op de tafel haar zilveren toilettaschje en bekommerde zich verder niet om Pacôme’s geestigheid. Men bracht nieuwe Cliquot en de gouden toten snoot weer, alsof ze verkouwen waren, de gladde kelner in zijn doek.

De verrassing van den avond was, op klokslag halftwee, de intrede van mijnheer du Bessy en Henriëtte. Het was wel de eerste maal dat de shop met een bezoek van het nette baronetje vereerd werd—eene eer, die waarlijk Dumdie niet half genoeg op prijs stelde, want de deur knipte haast, onder Dumdie’s hand, het neustipje van mijnheer du Bessy af. Het was de smeekende stem van Henriëtte te danken dat ze, traag en wantrouwig, op een grepje weer geopend werd. Mijnheer du Bessy keek, onder de rozige belichting, eenigszins verlegen rond. Een pioenblos drong tot in de rechte kamlijn van zijn geverfde haren, toen hij, tusschen al die ruischende hoofden, het aangezicht van zijn neef herkende.

Men maakte, in “het hoekje”, zoo goed men maar kon, plaats voor hem, en hij zette zich neer in het zweet van zijne schaamte. Pacôme had, half-ernstig, iedereen voorgesteld.

—Madame Marjolene, alom Roy-Dour! Juffrouw Bella d’Irsy, étoile! Mademoiselle Henriëtte .... hoe is de rest alweer?.... pardon .... Monsieur le Baron!

Hij woog, zat-lomp, op het woord, en mevrouw Morganès verwaardigde zich even haar hoofd om te draaien, heel eventjes, boven de hespen van hare schouders.

—Jujube!

Deze sprong overeind, slikte haast den frank in, dien hij zat af te zuigen om glad schoon te krijgen.

—Passez, beval de aztekkop van mevrouw Morganès met een stem die uit een bock-buis scheen op te piepen, passez un cendrier à monsieur le Baron!

Er werd buiten op de ruiten geklopt en Anatole goot drie wijnklakken in een grooten beker saam en droeg hem, onder een servet, op straat.

—Wel! lachte Verlat, lieve oom, hier meende ik niet dat ik u ooit zien zou!

—Ja, kuchte Oomken, ik ben wat lang bij de Oreade gebleven. Ze kwam van het concert, en Sörge was niet in zijn schik, zeide hij. Het is hier wel prettig ....

Hij geraakte bezwaarlijk op zijn gemak, wreef koortsig in zijne handen, bloosde weer onder de stilte die, na zijne woorden, over tafel viel. Pacôme lachte oolijk:

—Ha .... Ha .... zóo! .... Sörge is niet in zijn schik?

—Ik zag ’t niet, weerlegde mijnheer du Bessy, ik zie nooit iets aan hem.

—Mogelijk .... maar ik was ook op dat concert, en ik zag het wel! kwijlde Pacôme in een grijns; hij was in het geheel niet in zijn schik .... Hee, Roy-Dour! was Sörge in zijn schik? En waarom, Roy-Dour, mijn duifje, was Sörge niet in zijn schik? Sörge niet in zijn schik, de onzichtbare Sörge zichtbaar niet in zijn schik,—dat is al iets zeer ongemeens, zou ik denken!

—Steek uw snuit in uw eigen vuil, gromde Marjolene.

—Dat zal ik, dat zal ik, grinnikte flauw de andere, op mijn tijd en als ge mij vuil genoeg hebt gemaakt—née .... Wel, wat vuil is er aan Sörge? Bij uw deugd! Roy-Dour! Waar is het vuil, daar ik mijn snuit niet mag insteken? .... Kijk zoo boos niet, om een grapje, kind; we zijn hier al grapjesmakers ondereen, niet waar, monsieur du Bessy?

—Zeker, beaamde mijnheer du Bessy, die zich allengerhand op vasten grond voelde; en die booze blik van mevrouw strookt allerminst met het rein-palladisch profiel, dat, geloof ik, zij Minerva zelve ontstolen heeft ....

—Wat charme! kreet met een leutig gilletje de lieve Bella in haar aardbes-rose kleed.

Florjan Pacôme, die zich verslikt had, hoestte en klopte nadien op Verlat’s hand.

—Kerel, hikte hij, Milly d’Orval is in de stad terug en heeft Sörge uit zijn schik gesmeten. Zij was op het concert. Zij zat in de logie van een Italiaanschen gezant, en het schijnt dat ze niet eens naar Sörge heeft omgekeken. Dat is de geheele geschiedenis, Ernest ....

Het werd laat. Verlat die zenuwachtig was geworden, nam den baronet onder den arm en, nadat hij zooveel flesschen had betaald als er kurken in het Delftsch kommeken lagen, verliet met Henriëtte en du Bessy de rood-bedampte shop.

Henriëtte werd in een huurkoets thuis gebracht en te voet liep Ernest de stad op, nevens het kort-schokkend getrippel van zijn oom. Hij sprak niet. Tot driemaal probeerde Oomken hem uit zijn zwijgende mijmering te wekken. Hij sprak maar niet, drilde zonder opkijken langs de gevels, steeg bezij de Sinter-Goedelekerk, die over zijn rug hare grijze gewelven ophoopte in den mist, en, langs den Treurenberg en het park, bereikte de Regentielaan. Vóor de deur bleef hij staan. Mijnheer du Bessy klopte zachtjes op zijn schouder.

—Zeg-’es, Nessie, vroeg hij stil, scheelt u wat? Ge doet zoo vreemd .... Breng die d’Orval ook ú uit uw schik, jongen?

—Malligheid!

Hij schokschouderde, draaide den sleutel in ’t slot, stiet de hooge poort open in de vestibule waar de nachtveilleuse, binnen haar groen-geruit bakje, bibberklaarde, en smeet zijn mantel en zijn hoed op de tafel van de eetzaal.

Op het kleine Boule-meubeltje stond nog de vijfarmige kandelaar te lichten. De kaarsen waren tot een halven duim van de zilveren dopjes afgebrand. De vlammen joepten boven de zwarte pitten.

—Oom! vroeg hij fluisterend, zijt ge boven? .... Vindt ge de trap? ....

—Ja-a! ....

Een handschoen van Vere lag op het tapijt, onder het verlakt tipje van zijn laarzen. Hij blies gauw, gichtig, kwaad, de vijf kaarslichten dood.