III.

Aftocht.

Mevrouw Verlat bleef lang te bed en, tot over den middag, in hare kamer. Zij kwam beneden als men haar pastoor Doening aanmeldde. Zwijgend drukte zij hem de hand en ging zitten, op hare eigenste plaats, onder de marmeren kap der schouw. Pastoor Doening merkte dadelijk hare groote neerslachtigheid en hij bleef vóor haar rechtstaan en toekijken en schuddebollen.

—Weer wat nieuws! .... zuchtte hij peinzend.

Hij verhief zijne stem en, met eene innigheid die op de uiterste snaar van zijne gewone bescheidenheid trilde:

—Het zou mij spijten, mevrouw, zei hij, indien, wel wetende dat ik u troosten kan, gij mij uw leed verzwijgen wildet. Uw vertrouwen ....

—Dat hebt ge, goede vriend, viel Vere hem in de rede. Vandaag juist wilde ik geen ander zien buiten u .... Ik moet u met woorden zeggen wat hier omgaat en wat ge zelf toch al gevoeld hebt .... Het is, ofschoon ik uwe edelmoedigheid ken, eene vernedering voor mij, en het zal mij eene verzachting worden indien ge mij alles verzwijgen laat, wat ik u zonder spreken kan zeggen. Zet u.

Zij wachtte een lange poos. Er roerde, gelijk gemeenlijk, geen gerucht in deze groote, schaduwrijke kamer. De oude Ko kwam, nauwelijks opgemerkt, over het tapijt schuiven, zette een drievoetig tafeltje dichtbij en plaatste er twee kopjes met melk en een kom met oranjewater.

—Moet ik vreezen, zei pastoor Doening, dat de spanning tot een breuk gekomen is?

—Ik heb uw raad noodig, sprak Vere zacht. Ik moet vermijden wat nog vermijdelijk is, en redden wat ik redden kan .... Het huwelijk van Francine heeft hier, mijn vriend, het huis wel ledig gemaakt! Gij hebt Francine bij haar terugkeer gezien. Zij is ons bijna vreemd geworden, en ik vraag mij af, wat zij zijn zal, als zij ons geheel onbekend zal voorkomen. Zij is, nu alreeds, het tweede kind dat ik verloren heb. Ik ween over haar ....

—Schijn .... misschien enkel schijn, aarzelde Doening; misschien strijdt zij later tegen wat zij nu, onbewust en met een gretig hart, aanvaardt. We mogen toch in God berusten, gemoedelijk berusten in God, wiens inzichten verborgen zijn.

Mevrouw Verlat sloot hare oogen, bleef zoo een tijdje. Een vermoeid wee lag over haar aangezicht.

—Oomken, mijmerde ze, is jong geworden door wat hij noemt Francine’s geluk. De brave man durft haast niet meer bij me blijven, zoo bang is hij eene droefheid te krenken, welke hem neerdrukt. Hij vlucht me. Ik heb, dat weet ik wel, geen troost van hem te verwachten, maar het verdriet me dat ik hem met mijn leed nu schrik ga aanjagen. Ik heb toch een leed! Ik heb een leed, en ik kan er niet bij lachen .... het wordt een masker dat de tijd afschuwelijker maakt, dat ik draag op mijn voorhoofd en dat, rond mij, de harten van mijn vrienden benauwt. Men verlaat mij. Ik ben alleen. Ik word koud. Ik word de dood van dees huis, dat op een graf gelijkt.

—Ik .... durf ....

—Neen, zeg niets. Gij .... ja .... och ja .... Ik heb dezen morgen het schrijn geopend en het gouden hartje bezien dat, nu bijna een jaar geleden—heugt het u wel?—ge mij gegeven heb. Het is stom en glanzend. Het ligt, onveranderlijk, op het donker fluweel. Ik denk .... zoo .... dat het misschien het laatste hart is, dat mij zal overblijven .... getrouw ....

Pastoor Doening roerde het rinkelend lepeltje in de witte melk, keek aandachtig op de randen van zijn kopje, schonk naderhand voorzichtig het geurige oranjewater. Vere lei hare vingeren lichtelijk op de knoopjes van zijn mouw, vroeg:

—Is het noodig dat ik u over Ernest spreek?

Hij antwoordde niet, keek niet op, lepelde stille. Haar duim drukte op zijnen arm.

—Het is mij zoo zwaar, zuchtte ze, zoo zwaar wat ik over hem te zeggen heb. Het langzame werk, dat in hem sinds maanden aan het groeien is, o dat werk, pastoor, zijt gij dat nagegaan? Zijn gedachten zijn omgekeerd, zijn voelen ligt onderst-boven .... Ik kan ’t niet zeggen .... wat ik eens wist dat hij was, hij beliegt het nu, of was zijn vroeger zijn een leugen? ’t Klinkt alles valsch, wat nog klinkt in hem .... en wat hij wil, wat hij wil met mij en wat niets is dan de ontkenning van zijn liefde en de bezoedeling van de mijne.. is het noodig dat ik daarover spreek?

Nog lepelde daar, zonder opzien, pastoor Doening. Hij voelde de hand niet die verder op zijn arm woog.

—Indien gij ’t niet weet, vervolgde Vere, moet gij het weten, en als het in woorden u te weet komt, moet het zijn dat ik het u met woorden zeg. Ik schrik wel voor die woorden .... een woord, dat is zoo tastelijk een lichaam, men kan ’t niet ontvluchten .... Sinds Francine met Sörge verloofd was, heeft Ernest verdraaide, onrechte, ja .... sluiksche pogingen—begrijpt ge me goed?—aangewend, gebruikt of laten raden .... ik had toen niet het besef van wat hij bedoelde .... Ik was, na den dood van ons kindje, zoo treurig dat ik geen oogen had om ’t te zien .... om ’t door mijn tranen te zien .... Pas na Sörge’s huwelijk zag ik ’t beter. Ge zult eens zien, zei hij, wat Rupert van Fran zal maken! Hij zei dat met een trots, die me dikwijls blij maakte over wat ik me toen van Fran’s geluk kon voorstellen. Ondertusschen merkte ik dat hij soms ziek scheen, koortsig was en dan, telkens, zinnelijk opgehitst .... Fran kwam van haar reis terug .... arme Fran!

Pastoor Doening hief zijn hoofd op, staarde mevrouw Verlat lang in de oogen.

—Weet gij, vroeg hij schuchter, weet gij precies wat met Francine omgaat?

—Ik weet het door wat men, op haar voorbeeld, van mij maken wil. Sinds Sörge weer in Brussel is, zijn mijne betrekkingen met Ernest pijnlijker geworden. Ik bood tegenstand, en onderwijl bedwelmde ik mij met de hoop dat ik mij omtrent Ernest’s inzichten bedrogen had. Maar gisteren, nadat we van dat Duitsche concert kwamen en daar weer Sörge en Francine zagen, gisteren avond brak de werkelijkheid uit. Ernest is ....

—Zeg nu niets meer, mevrouw, zei Doening.

—Dit nog: voor mij—verloren!

Het kopje melk, dat pastoor Doening had opgenomen en onder zijn mond hield, was koud geworden, en lauw walmde de opgaande oranjegeur. Hij doopte zijne lippen erin, dronk niet, begon weer eenvormig en werktuigelijk te lepelen. Hij fluisterde dan:

—Vroegt ge niet een raad? Spraakt ge niet daarvan .... of is daar geen raad meer voor? ....

—Ja. Een raad, juist.

Ze bedacht zich, een oogenblik, en glimlachte toen treurig. Ze sprak nu met gedwongen, pijnlijke luchtigheid:

—Ik moet thans doen zooals een veldheer, wanneer de slag geslagen en de nederlaag aanvaard is: tellen wat van zijn leger overblijft en den aftocht steken. Ik sta hier zeer eenzaam: mijn vader, mijn kind, mijn man, Oomken en Francine .... ’t is al weg, ’t is al geweken .. tot zelfs Simon, mijn eerste vriend, dien men heeft opgesloten .... u alleen, mijn tweede en mijn beste, rest mij, gansch.

—Ik dank u, mevrouw. Maar God, die uw leed met zijne aandachtige vingeren heeft gemaakt, heeft Hij u ook de hoop ontnomen, en... hoopt ge niet meer?

—Den aftocht, ja. Ik hoop in God. Uw raad heb ik noodig om mij in die hoop te sterken. Laat mij, met u, het overschot van mijn dierbaar leger tellen.

—Mijn raad .... en dat overschot .... wees niet duister, ik begrijp u niet goed.

—Een van die allen, pastoor Doening, éen is dood ... de anderen, wat blijft er van de anderen? Wat van mijn vader, wat van mijn man? Ik durf ’t alleen niet nagaan, want als ik ineens weer vóor een lijk sta .... dan weet ik niet ....

Ze hief radeloos hare schouders op; een zenuwtrek rimpelde in de hoeken van hare oogen en trok de tippen van hare lippen omlaag. Ze zwegen nu beiden een langen tijd, en weer kwam de groote stilte van het leêge huis wegen tot onder de welving van den hoogen haard.

En weer schoof, als het stille spook van die oude stilte, de oude Ko over het tapijt. Hij schoof er gelijk de schaduw van de doode mevrouw Chanteraine, die, voort en verder, van al wat leefde na haar en traagzaam hier werd uitgeroeid, de levende getuige was. Ko kwam met de boodschap dat mijnheer Verlat mevrouw op zijn kamer ontbood.

Vere wisselde met pastoor Doening een vluggen blik, en terwijl pastoor Doening in éen geut eindelijk zijn koude melkkopje uitdronk:

—Ik ben koortsig, Ko, zei ze goedig, ik wil straks even uitrijden met pastoor Doening. Ik kan nu niet naar boven gaan.

—Zal ik aan mijnheer zeggen dat mevrouw niet naar boven gaat? vroeg nog Ko, die verwonderd toekeek en meende dat hij verkeerd begrepen had.

—Ja, Ko .... en laat dan inspannen.

Hij boog, schoof heen, geluideloos. Pastoor Doening zette zijn kopje met een korten klap op de tafel, zag vragend op, en zijn hoofd, al zich oplichtend, had die gewone teergevoelige uitdrukking, welke het dikwijls had en welke de verwarring der strijdige luchten verried, waarbinnen het zich weifelend en omzichtig bewoog.

—Wij zullen, zei Vere, vandaag bij mijn vader gaan .... Als ge meent dat ik slecht doe, moet ge mij telkens ten goede wijzen .... Deed ik slecht?

Pastoor Doening stond recht. Zijn rug hoogde zich zachtekens tot tegen zijn grijze haarlokken. Hij knikte lang, sprak fluisterend, knipte een plooi in zijn rok, die op de gesp van zijne vierkante schoenen vouwde:

—Goed .... mevrouw, ge hebt goed gedaan.

Lieven Lazare was weer verhuisd. Hij woonde nu in de Koolstraat op een soort vliering, juist boven de zaal van een kleinen, zoogenaamd “artistieken” tingeltangel. Men had er een paar kamertjes in planken opgetimmerd, belicht, zooals broeikasten, met twee ruiten dakklokken, en een open trap leidde er heen.

Hij ontving zijne dochter en zijn vriend Doening met eene gulheid, die niet strookte bij de bitterheid van zijne woorden.

—Ja, zei hij seffens, terwijl Vere haar bestoven mantel schikte en te blozen stond in de ellende van deze houten zolderkoten, nu woon ik hier. Ik schaam mij niet dat ik u niets beters kan aanbieden, en ik verwonder mij niet te veel over uw bezoek—het eerste, mevrouw, waarmede gij mij hebt willen vereeren—want misschien heeft God u in het aanschijn willen brengen van een, dien Hij, gelijk Job, met de uitverkoren schatten der armoede heeft geladen. Mijne schaamte zoude eene beleediging zijn voor God en, ofschoon uwe komst vergezeld gaat met de donkere gloeden van een onnoembaar verleden, ik verheug mij in de gedachte dat het op Gods wenk is dat gij Gods dienaar komt aanschouwen.

Pastoor Doening wilde uitleggen dat mevrouw Verlat, op het oogenblik genoeg beproefd om voor de smading van onbetamelijke toespelingen te mogen verschoond blijven, zich eindelijk zelve tot een vader richtte, die herhaalde pogingen tot toenadering van de hand gewezen had, en dat zij, wegens hare smart en hare kinderlijke liefde, hoopte dat zij slagen mocht.

Lieven Lazare bad dat ze zouden neerzitten. Hij ging het vuur aanpoken en roerde den rooster van een grauw kacheltje dat, met een beroeste buis, in het dakgat zat. Hij antwoordde niet op wat hem Doening gezegd had. Men hoorde in het nevenkamertje een hamergeklop.

—Iemand timmert hiernaast, sprak hij. Ik ben nog niet in orde met mijne nieuwe woonst. Ik zal hier, Goddank! langer kunnen blijven dan in de vorige kabberdoezen, waar mij de Cerberus-ploertigheid van heidensche huisbazen tot op het diepste vezeltje van mijn ruggegraat klauwensgereed beloerde .... Het is hier mooi wonen. Als ik mijn hoofd door het dakvenster steek, heb ik een heerlijk zicht op de stad en ik heb dat noodig: het is mij het gevoel dat ik boven die dakenkrioeling zit en dichter den hemel nabij. Hier zie ik het “achterste” van de stad, een achterste met vuile pannen, viezelijk mosgroen en bleek-lekkenden duivendrek, want waarlijk, Doening, de steden der menschen keeren hun achterste naar God. Daaraan herkent ge hun heiligschennis en hun lafheid: zij duchten Gods waarheid en zijn toorn. Alleen de kerken lijken mij, met hunne sierlijke torens en de verborgen schamelheid van onzichtbare schouwen en goten, gewoon-eerbiediglijk op te gaan in den Hemel. Nu schijnt het, ik geef het toe, dat zij zeer “onpraktisch” ingericht zijn en gebouwd in dat verre middeleeuwsche tijdvak, waar men God huldigde om zijn Woord en voor dat Woord het zwaard ontblootte. Thans .... thans ja, begraaft men een Zola onder den koepel van den Pantheon, in afwachting dat men in groote staatsie en begeleid door drie honderd goudgemijterde en duurbetaalde bisschoppen het krengrot van een Sarcey in het koor van Onze-Lieve-Vrouwekathedraal te Reims overbrengt.

Zijn machtige kop bolde op zijn breed-hoog lichaam tot in de blauwe klaarte die, ongeteemst, vlak van de bloote vensterklok neerviel. Hij grinnikte zachtjes.

Vere, die tegen den houten muur zat en met haar elleboog op een klein tafeltje leunde, keek hem aan, den eeuwig-verbitterde, die in God berustte om des te zelfstandiger tegen de menschen op te rukken. Zij was te fier om medelijden te hebben met hem en hij was te schoon-in-trots om hare deernis te verdienen. In dien opzichte had de dochter wel iets van de stugge ontoegeeflijkheid van haar vader bewaard; maar zij leefde niet, zooals hij, in eene ivoren verbeelding. Zij was “geheel” in haar denken en in haar voelen, maar de werkelijkheid van hare vermogens liet niet toe dat zij, in het lawaai van een fantastisch protest, een troost vond voor hare teleurstellingen. Zij was thans even vernederd als haar vader, maar zij hoefde niet hare vernedering te overdrijven om ze, in gelijke verhouding, te brengen tot de hevigheid van een bovenzinnelijk en literair verwijt.

Zij voelde de opgehitste spijtigheid van Lieven Lazare en taakte de verregaande buitensporigheid van zijne woorden. Zij had hem lief alzoo, gelijk men een kind liefheeft met al zijne gebreken. Zou hij ooit zijn hoogmoed neerleggen, zou hij ooit de gastvrijheid deelen van eene dochter, die haar rijkdom zooals hij zeide, “in de zonde” had opgeraapt en thans ermede hare plichtige ongehoorzaamheid wilde betalen? Zij had hem zoo gaarne bij haar gehad! .... Alle pogingen braken, gelijk een zeebaar, tegen de harde klip van zijn opgewonden trots:

—Ik ben, placht hij stille te zeggen, als om zijne verantwoordelijkheid buiten zaak te stellen, ik ben het gewillig alaam van God.

Thans—hij was immers dezelfde gebleven—zou hij al niet meer dan vroeger toegeven. Hij was telkens blij dat men aandrong; maar hij beeldde zich in dat toegeven eene verloochening zou zijn van zijn stand in de wereld en een vlek zou werpen op den roem van zijn letterkundtig en katholiek fanatisme ....

Vere keek hem aan, bedwong de heete opwellingen van hare aandoening, rook den kleinen geur dien zij, op haar zakdoekje en om de trilling van hare lippen te verbergen, onder haar neus bracht.

Pastoor Doening liet druppel-beven in de lauwe lucht zijn zacht-knikkend en zilver-ringelend hoofd, gelijk een voorzichtige wolk omtwijnd met gevoelige draden van licht, en hij zei:

—Luister nu eens, mijn goede Lieven .... werp om, tusschen u en mij, die gewapende wallen van eene zinnebeeldige fierheid, waarbinnen gij u als een steeds-belegerde en steeds-aanvallende Quixote opsluit en waartegen de geluiden van mijne woorden breken. Laat ons eens hartelijk praten, malkander aanzien, als even goede kristenen en even zwakke menschen. Het helpt niet ten goede, als wij met vooringenomenheid luisteren en al het antwoord klaar hebben, eer de vraag is uitgesproken. Wat wij komen doen, is niets anders dan .... och ja, Lieven, met u eens samen zijn, zonder door u en onder het schild van algemeenheden gehekeld te worden. Gij komt soms bij me .... nu, ik kom bij u, met uwe dochter.

—Wat, vroeg Lieven Lazare bitter, wat doet u denken dat ik u niet met blijdschap ontvang? Zeker, uw voorkomen herinnert mij, mevrouw, aan een kind, dat ik uitgelezen waande om in vrouwelijke sierlijkheid eens het koorlied van een herboren Kristendom ten hemel op te dragen .... Zeker, die herinnering is mij niet zoet, want dat kind is in den Kwade gestorven—en hoe zoude mij dat zoet zijn? Maar mijn kristelijke liefde is erdoor niet in zulke mate gestompt, dat ik aan de schaduw van mijn overleden dochter niet de lauwte van mijn vaderschap kan bieden .... Wat gij wilt dat ik doe, en gij hebt het mij meermaals duidelijk gezeid, is niets meer, mijne goede Doening, dan een lijk verwarmen in koude asch. Gij zijt niet genoeg, in uw leven, ontgoocheld geweest om dit niet dadelijk en met eene innige geestdrift aan te durven .... Ik, mijn vriend, ik heb alle beproevingen ondervonden en geen schande heeft mij de Goddelijke Voorzienigheid gespaard. Mijne ervaring is de vrucht van alle denkbare ellende en, zoo God mij nog levend houdt, doet Hij ’t wellicht om in den luister van mijne armoede Zijne hemelsche Glorie te openbaren. Zal ik, zonder hoop, tenzij die welke ik zou kunnen hebben op eene teleurstelling, mij nu bezighouden met het doode werk, waartoe gij me, met de loffelijkste bedoelingen, aanspoort? Ik zal het niet, pastoor Doening, en uwe kleine wenken zullen mij niet afleiden van den schrikkelijken arbeid dien ik tegen de menschen uitstrijd sinds jaren en waarbij ik mij herken als een schakel van de gouden keten, welke God in den nacht der wereld gelijk een licht van passie door de eeuwen slaat. Ik zal mijne waarheid en mijne liefde uitkrijten, als een bewijs dat het God zelf is die, naar de uitdrukking der heilige schrifturen, dees aarde bij hare polen vat en, om er de ketters van af te slingeren, ze in zijn toornige vuisten schudt ....

—Neen, hernam hij luider, toen hij zag dat Doening hem wilde in de rede vallen, tracht niet langer mijne belangstelling te wekken voor de levenlooze afgronden, die ik voel langs beide kanten van mijn weg. Gij geeft u al te vergeefsche moeite, want zoo wilt gij ingaan tegen den wil der hemelsche Schiksels, waarvan ik de toorts ben en het zwaard! .... Indien gij gekomen zijt om te praten, praten wij dan ondereen—ik doe het gaarne, maar, bid ik u, houdt mij niet lang op: het Onfeilbaar Oog heeft, op het bord der tijden, vooraf mijn oogenblikken geteld.

Terwijl hij sprak, bibberde een ongemeene glans tusschen zijne pinkende wimpers en hij wendde geen enkele maal zijne blikken naar Vere, die al dieper op het tafeltje leunde en, mijmerend, de muziek van die forsche stem te beluisteren zat.

Pastoor Doening kuchte zoetjes. Het was hem duidelijk dat Lieven Lazare een van zijn hevigste luimen had en dat het niet geraadzaam was hem hierin te storen. Het trof hem nochtans dat de onverdraaglijke pamflettist niet rechtstreeks uitvoerde tegen het “goddeloos parvenuïsme” van zijne dochter, en hij was hem in gedachten dankbaar om deze onverwachtsche bescheidenheid.

Juist binst de korte stilte, die op de laatste woorden van Lazare gelijk een verlegen ongemak volgde, werd de kleine deur van het nevenkamertje op een schuchter grepje geopend en het bezweet gelaat van den timmerman kwam er loeren met groot-blauwe verwonderde oogen.

—Het kistje met nagels, als ’t u belieft!

Mevrouw Verlat hief schielijk haar hoofd op, toen ze den rooden krullebol van den gothieker Johan Doxa herkende. Johan Doxa liet den grendel los en stond, terwijl de deur op haar eigen gewicht openviel, over den smallen drempel te lachen. Een stram-oude en stijf-gebeende poedelhond sprong heesch-bassend vooruit.

—Kom binnen, Johan, sprak mijnheer Lazare tamelijk majestatisch, gij zult in het gezelschap goed ontvangen worden, ofschoon het waar is dat ik u bij tijde zou ontboden en uwe komst er niets zoude bij verloren hebben indien ze zich een stondeke later had voorgedaan. Ik stel u, mevrouw, een oud-vriend voor van uw vader, mijnheer Doxa, schilder en miniaturist. Hij was indertijd een zwak schaap, dat door onkuischheid werd verschrikt. Toen verliet hij me om met een tuchtlooze vrouw den Duivel in het aangezicht te kijken. Maar het heeft God behaagt, bij wiens genade hij kunstenaar geboren is, dees uiterste maal het kind te redden, dat hij met de schranderste weelde en de goddelijkste teergevoeligheid had bedeeld, te redden voor de branding der eeuwige duisternissen. Men mag zeggen dat in Doxa het licht is opgegaan. Zijne handen hebben, onder het toezicht der waakzame Drievuldigheid, het modderig goud vergaard, dat de tempteering van den Booze zou worden. De vrouw is met den spaarpot en met een bordeeltuischer op de vlucht gegaan, zoodat, voor Gods roem bewaard, Johan Doxa terug bij me is gekomen.

Hij hief zijne armen op, heel groot wordend naast Doxa, die onmogelijke pogingen deed om Bepje, den hond, tot zwijgen te dwingen en dan blij, overdadig blij, zijn lokleuterend cherubijnshoofd voor Vere kwam buigen.

—Ha! riep Lieven Lazare met eene sombere begeestering uit, wij zullen de Kunst, die nu ploetert in de killige klauwen van het rationalisme, binnen de vlammen van Gods liefde en heerlijkheid doen oplaaien! .... Wij zullen de prachtige hemelvaart, door een Hello, een d’Aurevilly en een Verlaine ondernomen, doorzetten in het aanschijn van een bedorven kristendom. Wij zullen het geweten ontlossen van eene Kerk, welke, eertijds tot op den straal der hemelsche gesternten verheven, nu zoo geplet, verouderd en vervallen is, zoo armzalig omspinnewebt in de woestijn van hare verlatenheid, dat zij, niet eens meer, wie haar aanbidt van wie haar besmet, onderscheiden kan! De moderne katholieken haten het schoone, daar zelfs waar de onbeschoftste godloochenaar haar eenvoudig voorbijloopt. Zij houden het schoone voor eene verzoeking der zonde en de heerlijke vermetelheid der genieën slaat hen met angstige ontsteltenis. Zij gebruiken de onweergalijke praal van Gods tabernakelen om, alsof ’t van den Duivel bezeten was, het Sublieme te bezweren! Welaan! is God zelf niet schoon? En moest Hij ons nogmaals de gratie gunnen en in ons midden zijgen—en zagen zij Hem dan, zij allen die Hem op hun gelijkenis hebben uitgebeeld, die er van maakten een walgelijken salonnetjes-Adonis en met karamelsuiker de kalvarietranen op zijn aangezicht schilderden, zagen zij Hem dan, den waarachtigen Jezus, stralend in verschrikkelijke pracht, ombliksemd binnen de vuren van Zijne wondere heerlijkheid, en vloeiend in die geheimzinnige druppeling, welke de oogen verblindt en de robijnen smelt, en waarvan de kunstenaars door alle tijden de slecht-befaamde en zeldzame fonteinen waren—in welke kuilen, in welke slooten zouden zij hunne ijlgedonderde toten schuilen en bergen hun loopende darmenjicht!

Johan Doxa stond in een blauw schort en hield vol bewondering de hand van Vere in de zijne. Gelijk een stem van ouds, een echo dat in haar hart het verre goud van hare verleden kinderjaren omgalmde:

—Wat zijt ge schoon geworden! fluisterde hij.

Hij was, onveranderd, de kinderlijke Doxa gebleven; hij had de watertjes van een bedenkelijk huwelijk doorgevaren; hij had den vloek van Lazare en de verwijten van zijn inschikkelijk geweten, zoo goed als de rimpelraspen van den tijd, gedragen zonder vermoeienis. Hij was de stil-peinzende verfpeuteraar, en hij bewandelde, gelijk ’t in goed humeur zijn vriend Lieven zeide, “als een serafische zonneklopper de deugdelijke paadjes van den levenstuin, thuis latend de bloedhonden van den hartstocht.”

Mevrouw Verlat zag in zijne blauwe oogen de perelende tranen staan. Ze drukte stille zijne vingeren, die als beenderlooze vleeschkussentjes, alle vijf lepelvormig nevenseen, hare hand mollig omsloten. Ze knikte hem glimlachend toe, en vroeg:

—Zijt ge gelukkig, beste Johan, en zult ge mij eens komen bezoeken?

Hij kon niet spreken. Hij hoorde niet wat ze zei. Hij lispelde weer:

—Wat zijt ge schoon geworden! ....

Hij vereenzelfdigde met dat “schoon” blijkbaar de rijkelijkheid van haren zwarten mantel, de mooiheid van haar wijnmoeren hoed, de glansen van hare kostbare pelsen, en de weelde van de gouden beurs, die zij tusschen hare handschoenen half-geborgen hield.

Mijnheer Lazare voelde ineens den ledigen afstand, waarop hij zichzelf verwijderd had van den waren geest, die deze uitzonderlijke bijeenkomst bezielde. Zijn hoogmoed was er door gekrenkt, maar hij bewaarde de zonderlinge glinstering die op zijne oogen wimperde.

—Ja wel, antwoordde hij rap, haast gebiedend, mijnheer Doxa zal u weleens bezoeken .... Waarom zoude hij niet? Hij zal echter den plicht indachtig blijven, dien hij zich zelf vóor God en vóor mij heeft opgelegd. Hij zal zich ten allen tijde herinneren dat de perken van zijn leven gemeten zijn en dat hij, binst korte jaren, het grootsche werk moet afdoen, waarvoor hij, ten bate eener herlevende Kerk, is aangewezen.

Iedereen keek hem aan met verbazing, en niet het minst Doxa zelf, die, ofschoon hij zonder morren alle arbeiden, mogelijke en onmogelijke, wilde aanvaarden, niet de kwadelijkheid van de misdaad inzag, welken hij gereed was om in liefelijke naïeveteit te bedrijven. De stilte, die geweldig op de verwondering van die zesdubbele blikken neerstortte, mat meteens de eenzaamheid, waarbinnen zich, als een gewond krijger in zijne tent, Lieven Lazare opsloot. Hij ook voelde, rond hem, de koude luchten en de harde voorwerpen zonder genegenheid. Het werd hem zwaar te dragen; maar in de wanhoop, welke hem op dat oogenblik overviel, vond hij nog de bittere gedachte die, in zijn geest, een goddelijke trouw was en zijn week hart trotseerde. De korte strijd, de vlugge zegepraal van zijne fierheid krulden even de tipjes van zijn mond, en hij gebaarde ook, met geveinsde lichtheid van woorden, zijne wijde verlatenheid niet te merken.

—A propos, Doening, praatte hij luchtig, wij gaan na nieuwjaar misschien wel naar Nizza, waar ik een groot kritisch werk moet aanvangen, dat ik al lang in plan heb opgezet en waarvoor ik nu onverwachts de gewenschte toelage heb gevonden. Ik wil, namelijk de proletarische verkensliteratuur aan de kaak stellen, waarmede thans eene afschuwelijke maatschappij haren wansmaak mest .... Uw aangetrouwde zwager, mevrouw, die een fijnproever is en een snedige geest, stelt mij achttienduizend frank ter hand voor het voltrekken van dien arbeid, waarbij—moet ik het zeggen?—nauwelijks den beroemden kuisch der Augias-stallen door Herkules te vergelijken is. Ik zal vermoedelijk te Nizza dat ongeurig karweitje tot zijn einde brengen. De winter is hier zoo koud ....

Vere blikte, even verschrikt, in zijne oogen. Ze hadde hem willen omarmen; ze wilde hem niet overlaten aan de edelmoedigheid van Sörge, wiens aalmoezen zij evenzeer vreesde als zijne berekende zinnelijkheid. Ze wilde ’t zeggen, hief hare handen op en hoorde onderwijl, zachtjes, de rinkeling van het geld dat in haar gouden beursje zat. Het inzicht brak in hare keel.

—Kan ik zelf dan, stamelde ze, niets .... doen voor u? ....

Hij antwoordde kort, bijna onachtzaam, gelijk men een onbeduidend beleefd woord zegt:

—Neen .... ik vrees neen .... neem me niet kwalijk ....

Doordien pastoor Doening juist alsdan Johan Doxa aansprak, gelukte het Vere onder deze vernedering in tranen niet los te barsten. Lieven Lazare mengde zich zeer lichtelijk en haast onbezonnen in Doening’s gesprek. Hij scheen den indruk van zijn woord onverlet en grillig voorbij te loopen. ’t Beukte daar nochtans, in zijn kampend hart: ’t verschroeide van liefde .... Maandelijks kreeg hij geld van pastoor Doening, en hij wist genoeg dat het Vere’s geld was. Nooit had hij geweigerd. Hij verteerde het telkens zeer royaal, ging weer ekstatisch opbranden in de weelderige wellusten van zijne armoede en riep op zolderkamertjes zijn nijd uit, zijn gekwetste fierheid, zijne onbluschbare razernij—altegare, in zijne overtuiging, de gramschap van een vervaarlijken God, door zijn uitgekozen menschenmond tot vóor Gods outers uitgeroepen.

Doch toen eindelijk pastoor Doening, rechtstaande tot voorbereiding van het afscheid, met zijn mageren vinger naar Bepje wees, en vroeg:

—Kent die hond u, mevrouw?

Dan schoot ineens open zijn lang-bedwongen hart. Iedereen keek naar Bepje, dat zich aan Vere’s voeten had neergevleid. Vere sprak stil:

—Hij heeft mij herkend. Hij was binst mijne jeugd bij mijn vader. Hij heeft mij nog lief ....

Ze streelde hem, trok hare handschoenen aan, borg beschaamd hare nuttelooze beurs. Toen ze de hand drukte van haar vader, zag ze de tranen die op zijne wangen rolden. Ze zweeg, liet Doening vragen:

—Zullen we nog eens praten .... zoo .... Lieven?

Zij hoorde iedereen dan zwijgen, gelijk zij zweeg ....

Het ritje in het rijtuig was al een heelen tijd over de straatsteenen aan het rammelen, en mevrouw Verlat keek sprakeloos door het eene portière-ruitje uit, terwijl, eenderlijk in sprakeloos gemijmer, pastoor Doening uitkeek door het andere. De paarden hielden stil onder de olmen der Regentielaan.

—Eer gij afstapt, zei Doening, die met dezelfde koets naar zijne woning zou gevoerd worden, zeg mij, mevrouw .... ge spraakt, in den middag, van een leger en een strijd .... en van een nederlaag .... Wie is uw vijand?

—Ik ken hem niet .... Ik voel hem .... tallenkant ....

—Ja, dubde de oude pastoor, haar bij ’t afstijgen de hand reikend, ik geloof dat hij ....

Vere keerde zich op den drempel om.

—Noem hem niet, fluisterde ze triestig, ge doet me pijn, mijn vriend.

Ze had vluggelings een vinger op haar mond geleid en verdween in de vestibule.

IV.

Aphrodite, Godin der Liefde, en Here, Patrones van het Huwelijk.

De kamers die mijnheer du Bessy voor juffrouw Henriëtte in de Gretrystraat gehuurd had, waren te weelderig voor eene eerlijke vrouw en te zindelijk voor eene minnares. Maar juffrouw Henriëtte gaf zich gaarne, in de hoedanigheid van deze laatste, het voorkomen van de eerste, en zij schikte zich, zoo goed als zij kon, in het tweeslachtig uitzicht van hare woonst. Zij had overigens, gelijk het meerendeel der damen van haar soort, een goede, gewoon-burgerlijke inborst, en zij ware een voortreffelijke huismoeder geworden, indien niet “de omstandigheden” er anders over hadden beslist. Het is dubbel vallen, als men zich niet oprapen wil; maar, zoo vraag ik u, waarom zich oprapen, wanneer het pas dan is dat men te zien komt hoe onherroepelijk het vallen was?

De gelijkmoedige trottoirs eener stad worden aldus betrippeld door duizenden mooie voetjes die gestruikeld hebben en eene deugd lieten omklinken, welke zij veel te licht waren om te dragen. Men redt iemands eer, men redt iemands geweten; maar hoe eene deugd te redden, als het zoo zoet is haar prijs te geven en als zij, gered, seffens een onverdraaglijke dwingeland wordt?

Zoo redeneerde juffrouw Henriëtte. Ze zag er niet gaarne als eene slet uit, en ze huiverde bij de gedachte aan een bordeel. Er is in alles schakeering en graduatie, ook in de ontucht. Juffrouw Henriëtte, die hare gunsten aan mijnheer du Bessy verkocht en ze af en toe, gratis, ter nagedachtenis van een genoegelijk verleden, aan Florjan Pacôme en een vagen onderofficier der grenadiers toestond, zoude zich onder de meer preciese benaming van straathoer zeer gekrenkt hebben gevoeld. En zij zoude gelijk hebben; want, zoo zeide ’t haar dikwijls Pacôme, men heeft maar de gebreken, die men zijn eigen toekent.

Juffrouw Henriëtte kende haar eigen éen zeer groot gebrek toe, en Pacôme beweerde dat men haar, om dit éene, alle mogelijke andere vergeven moest: juffrouw Henriëtte was verliefd. Het was de zonderlingste liefde, die men kan uitdenken, even eerbaar, even hartstochtelijk, even àl-beheerschend als de schoonste liefde, welke ooit bezongen werd. Ze was ontstaan in een oogenblik van “gratie,” gelijk het gebeurt dat God aan elk zijner kreaturen, tot aan de laagste onder hen, gunnen kan. Zij was ontstaan zooals eene wondere bloem op naakte heuvelen, en zij was zuiver, mirakelachtig-zuiver gebleven, ofschoon de modder spatte rond den voet van haren rilden steel.

Juffrouw Henriëtte bevrijdde hare liefde met de listen van die geheimzinnige leugens, welke het onbegrepen vermogen zijn van een goddelijk mysterie of een duivelachtige schijnheiligheid. De liefde bleef ongeschonden in de praktijk van een losbandig leven, en de gerantsoende kussen van mijnheer du Bessy, al zoo min als de moe-verveelde liefkoozingen van Pacôme of de stormbeminnelijkheden van den grenadier—hij was een Waal en heette Bistaquet—vermochten ooit haar te krenken. De liefde van juffrouw Henriëtte was het zilveren lichtbelletje, dat men in den zwartsten afgrond rinkelen hoort. Zij was het ideaal goed dat men in een gouden schrijn bewaart, het kostbaar geheim van een kanaljeleven, dat men mededraagt in het graf en, als een pleit voor alle zonden, ongedeerd op ’t laatste oordeel toonen zal.

Juffrouw Henriëtte beminde pastoor Pezza. In den beginne was ’t een wilde passie, die hare oogen ontstak en hare lippen verschroeide. Wat had zij in dien tijd al niet gedaan om door hem opgemerkt te worden. Zij zou alle hinderpalen geweerd hebben, tot den priesterlijken eed, dien hij, met zijn toga, aanvaard had. Op het oogenblik dat Pezza in de verwikkeling van hare gedurige aanvallen aan het bezwijken was, rees tusschen beiden de onoverkomelijke Lucia, Pezza’s zuster.

Lucia drong hare vriendschap bij Henriëtte op, die, van dien dag af, alle hoop op zege moest verlaten. Lucia, die zoo goed als Pezza’s geweten was, werd ineens Henriëtte’s angst. Henriëtte kon zonder beven niet zien naderen die vreemde woeste vrouw, tegen wie zij het innige geheim van haar leven verdedigde. Zoo klapwiekt radeloos het zorgzaam vogeltje, wanneer men zijn nest te dicht nabij komt.

Juffrouw Henriëtte vermocht haren hartstocht te smoren, en hare liefde werd een vroom gevoel. Na de spoorlooze verdwijning van Pezza behield zij het onveranderd, uitgezonderd de stille droefheid waarmede zij er de rustige glansen van omhing en die er, gelijk een mooie avond over een watervlakte, de vredige spiegeling scheen te “vereeuwigen.”

Juffrouw Henriëtte was de laatste die Pezza gezien had, en dat geluk streelde haar liefde. Gaarne hadde zij medegeholpen om Pezza terug te vinden, ofschoon zij niets meer van hem te verwachten had. Zij steunde, met geduld gewapend, het koortsig onderzoek van Lucia, welke zij minder vreesde, naarmate zij er lijdender uitzag. Lucia kwam dikwijls bij haar en telkens moest zij dan herhalen waar juist de automobiel was voorbijgeschoten, wie erin zat, of Pezza bleek was, of haar niets speciaals had getroffen .... Telkens tierden luider op hare onmacht en hare wanhoop.

Tien maanden verliepen .... Geen nieuws, geen spoor, geen teeken .... Pastoor Pezza bleef weg en onvindbaar. De bevolking onderwijl was kalmer geworden en het werd duidelijk dat alle revolutionaire pogingen voor goed en voor lang waren geweerd.

Op een November-vooravond, terwijl, op afwachting van mijnheer du Bessy, juffrouw Henriëtte vóor een wit-gelakt toilettafeltje de laatste hand lei aan haar versch-gepoeierd haartooisel (het was inderdaad een liefelijke gril van den baronet dat zij, ofschoon de mode voorbij was, heur haar zou poeieren) werd hevig op de deur geklopt. Zij opende en zag Lucia op den drempel staan, eene bleeke, magere, somber-kijkende, onherkennelijke Lucia.

Lucia kwam zwijgend binnen, groette niet, blikte verward rond, rechtte zich, in het midden van het rozige boudoirtapijt, stijf overeind en kruiste over hare borst hare kneukelige armen.

Zij had geen mantel om. Zij droeg een klein zwart kaphoedje, waarvan de linten los over hare schouders hingen. Een scheur gaapte in hare mouw, op haar elleboog.

—Doe de deur dicht op slot, gebood ze.

Ze neep hare lippen overeen, zoodat haar mond een blauw riemken werd, dat, als een meskap, haar puntige kin en haar scherpen neus naar voren deed uittoppen. Een roode hitte kleurde de randen van hare oogen, en een zenuwrimpel, die hare wenkbrauwen optrok, trilde ongedurig op haar voorhoofd. Ze wachtte, tot ze het slot hoorde klinken.

—Daar zijn er twee, die me iets verborgen hebben, sprak zij heesch, gij en Dissel!

Ze klapte hare lippen weer dicht. Eene schorre droogte reutelde in hare stem. Ze ging werktuigelijk, alsof ze niets meer te zeggen of waarlijk niets gezegd had, vóor het ovaal spiegeltje staan en schikte haar hoed eens naar links, dan naar rechts, dan even als te voren. Geen vezel roerde op haar wezen, tenzij de pinkende rimpel die snokte aan hare beide wenkbrauwen. Ze kwam terug, keek Henriëtte geheimzinnig aan, zette zich op een sofa.

—Ik vraag het u, sprak ze traag, ik vraag het voor het laatst. Gij hebt mijn broer gezien. Was hij in een automobiel? Ja, in een donker automobiel. Wel, wel, een donker automobiel .... Was hij in de automobiel? Natuurlijk, en wie zat nevens hem? Een man, hoe zou het anders? .... een donker man. Ja, ook donker. Ik vraag ’t niet om te weten—ik vraag ’t voor het laatst, om te hooren .... Ik, ik weet beter. En waar zaagt gij de automobiel? Zoo, zoo .... zwijg! Ik zeg wat gij zegt. Op de Noordlaan? .... Inderdaad, van het centrum weg langs de Noordlaan? Inderdaad. Hm! Inderdaad, en dan?

Ze lei hare magere handen op hare knieën, wachtte. Juffrouw Henriëtte sprak geen woord.

—En dan? .... En dan? .... En dan?

Ze kreet het uit, sprong plotseling recht, ging ’t uit hare keel rukken onder Henriëtte’s aangezicht:

—Prij! Prij! ik zal ’t u vertellen!

Henriëtte keek verschrikt, ging leunen tegen den muur, zag ineens Lucia’s woede uitschokken in een akeligen lach. Ze huiverde bij die ellende, zooals men huivert bij den dood.

—Henriëtte, zei Lucia kalmer terwijl zij zich zeer voorzichtig weer neerzette op het randje van de sofa, ik kan u vergeven wat ge met Pezza gedaan hebt. Gij hadt hem lief. Maar, berg hem niet langer—want ik ook, ik heb, hierbinnen, een vuur, een vuur, duizendmaal het uwe! .... Berg hem niet langer. Ligt hij ergens in een bed? .... Dat zal wel, dat zal wel .... Hee! verzorgt gij hem goed? Hij eet gaarne kreeft en garnalen .... Hoed hem voor Dissel! Geloof Dissel niet, alhoewel hij u geholpen heeft. Hij zal alles verwoesten .. Maar ik, hoor mij! ik heb Dissel in mijne klauwen! Ik zal een boek schrijven .... met alles erin .... met alles erin .... Geef mij een kaars. Waar is mijn broeder?

Ze lachte weer, knikte Henriëtte toe, wenkte dat ze moest naderkomen. Ze wandelde dan wiegend het boudoir rond, stil-zingend op mate van haar stap:

—Met alles erin .... met alles erin .... met alles erin ....

Tot ze moe werd, op een stoel neerviel, en een tijdje hare oogen sloot. Ze lag achterover tegen de leuning en haar gelaat, dat nu den gloed miste van hare vorige oogen, droeg het onbeweeglijk masker van een lijk. Hare vuisten lagen nevenseen in haar schoot. Kleine kneuzingen bloosden blauwachtig op de puntige gewrichten.

Niet lang bleef ze zoo. Als uit een vreeslijken droom wipte ze stokkestijf opwaarts, staarde wijd en bang vóor zich uit, beefde koortsig.

—God! hakkelde ze, waar is hij nu? waar is hij nu? Hij roept! wat doen ze met hem? Hij spartelt! Hij ziet het water .... hij ziet het water! ....

Ze slaakte een wilden kreet, draaide woest het slot open en liep hijgend de deur uit; men hoorde haar over de trappen struikelen ....

Juffrouw Henriëtte stond roerloos en zonder wil. Gelijk het de eerlijkste vrouw doen zou, knipte ze, van hare mooie wimpers, een traan, dien er de deernis als een parel had opgehangen, en, seffens naar het ovaal spiegeltje loopend, ging na of die vlugge aandoening de kunstige poeierlagen op hare wangen niet hadden gestoord. In de streeling van een pluimen kuifje en in de lichte walming van een fijnen geur verborg ze de laatste sporen van hare prijzenswaardige gevoeligheid.

Mijnheer du Bessy deed, kort daarop, zijne triomfelijke intrede. Hij was zeer opgeruimd. Terwijl hij zijn mantel op een bankje gooide en zijn hoed dwars over zijn stok lei, loofde hij de gastvrijheid die het bekoorlijkste vrouwenlachje van de wereld hem wel wilde gunnen. Hij was keurig aangekleed, droeg een engelsche jakket met kleinen kraag, spannend op een rosbruin dasje, dat om een onyxkleurige kamee gesnoerd was. Zijne manchetten hingen even op zijne hand, zoodat men de dubbele agaatknoppen zag, welke de tipjes met een gouden kettinkje overeen sloot.

—Melieve, zei hij, antwoordend op den “chéri” dien ze hem in een natten zoen had toegefluisterd, gij hebt hier een edelman, die dezen avond met een onuitsprekelijk verlangen heeft te gemoet gezien. Waar haalt gij, als eene nieuwe Calypso, de toovermacht om mij, in dit moderne Ogygia, met de kransen van een ondubbelzinnige liefde in boeien te slaan? Hoe vaart gij vandaag?

Ze lachte vriendelijk, dook in de blosjes van eene preutsche beschaamdheid hare onwetendheid omtrent den mythologischen rommel, waarmede mijnheer du Bessy zijne rede versierde, en zag er alzoo uiterst behaaglijk uit. Zij kwam naast hem zitten op de sofa, leunde droomend aan tegen zijn borst en zorgde dat de vioolgeuren van het Ninon-water, in wiens overvloed zij haar hoofd tot op de schouders had gebaad, hem bedwelmend in den neus schoten. Dat deden ze voortreffelijk en mijnheer du Bessy bezong de zoetheid van hare aromaten.

—Gij zijt, aaide hij vervoerd, mooier dan de welbekende Sapphô van Mytilene, in Lesbos; want, waarlijk, de zeldzaamheid van uwe kostbare geuren zouden den hardvochtigsten Phaon hebben week-gemaakt. Gij roept mij die wonderbare nimfen in het geheugen die, opduikend boven het paarlemoeren water, de rozen van het morgenrood in den dauw der oeverleeljen baadden en, met de hulp van Zephyros, eruit tusschen het kraal van hunne vingeren een pure olie versmolten. Zoo streelden zij daarmede hunne schouders, hun boezem en hunne heupen, zoodat zij de menschen en de dieren duizelig maakten, inbegrepen Pan Philochoros, den waren zoon van Zeus zelf, die hen placht ten reidans aan te voeren.

Hij kuste ze in haar nek, onder de twee bellende krullekens, welke zij er “en accroche-cœur” liet leuteren. Hij kittelde zijne lippen daar, hoorde in het buigen zijn hoog boordje kraken, en steunde op haar leên om zonder ongemak zich op te richten. Ze vingerde over zijne knevels, meesmuilde minzaam onderwijl, kriebelde daarna lichtelijk achter zijne ooren of liet hare hand loom op de zijne rusten. Ze vroeg:

—Gaan wij dezen avond naar den schouwburg?

Al wat zij wilde, al wat zij wilde! Hoe kon hij iets weigeren, hier, waar de geheele Olympus tot weigeren te zwak zou zijn? Hij raakte met zijn mond de tipjes van hare rozige nagels, en zij keek weemoedig op de witte, nauwkeurige lijn, die onder de glansen van een welriekende zalf zijne geverfde haren in twee zorgvuldige bouten scheidde.

Ze begonnen los te praten en mijnheer du Bessy werd brieschend als een jong veulen. Juffrouw Henriëtte bracht hem eindelijk in hare blauwe kamer waar, op een Sineesch tafeltje, de verkwikkende champagneflesch te wachten stond. Een bedenkelijk toiletgerief belemmerde het witte marmerblad van een ontzaglijk lavabo.

—Mag ik binnen? fluisterde de baronet met komische geheimzinnigheid. Leent gij mij, o Godin, even den wonderen gordel, het gouden sleuteltje van het paradijs? .... Mij dunkt, ik hoor om u de tortelduiven kirren .... mij dunkt, daar ranken, als dansende wingerds, in de sier van hunne zes naakte armen, de drie Charites, bevallige dochters van Eurynone .... mij dunkt, ze omringen u met de rozige onschuld van hunne reine heupen .... dewelke wiegen op een onhoorbaren zang in den waas van hunne doorzichtige tooversluiers .... mij dunkt, daar zweeft over u de blonde Peithô, goddelijke dienstmeid der bekoorlijke overreding, die met zoete muziek de aanlekkende verleiding voorbereidt .... U, hemelsche fakkel van geneugten, u zijn de mirten en de rozen toegewijd! Appelbloesems rijpen in uwe haren en de luie papavers droomen aan uwe voeten .... O! laat mij sterven in deze mirakellucht! Laat mij de wereld vergeten in uwe armen, de wereld en mijzelven, mij, den sater met de stoppelharen en ’t scheef gehobbeld hoofd .... of geef mij de gratie u altijd te mogen bewonderen en, nooit zat, uwe heerlijkheid uit te fijfelen op een riet met zeven buisjes in een eeuwigen liefdegalm!

Zulke woorden oefenden telkens op juffrouw Henriëtte eenen indruk uit, waarbij men zweren kon dat zij ze tot het laatste had begrepen. Zij zonk in eene kundige bezwijming en, met een klein, angstig gilletje te lore op den kant van het weidsche bed. Dit bed was laag en herinnerde aan de keurigheid van den zeventiendeeuwschen meubelstijl. Een fijn-gesponnen vool hing erover, die de blauwe zijde van de gefestoeneerde sargie doorschijnen liet. Geluideloos bogen de lichte donzen ....

Mijnheer du Bessy snelde naar juffrouw Henriëtte en, daar hij haar niet oplichten kon, trachtte hij haar met wilde zoenen tot bezinning terug te roepen. Dit was geen gemakkelijk werk. Juffrouw Henriëtte was te teergevoelig om niet geheel onder de herhaalde liefkozingen van haar driftigen minnaar te bezwijken. Ze bezweek dus. Het wijde kamerkleed, dat zij nochtans oplettend had toegehaakt over hare borst, sprong open en het toeval wilde dat ze juist een heel licht hemdje had aangetrokken ....

Een tijdje daarna stond mijnheer du Bessy in zijn kamoes-kleurige onderbroek, vóor het Sineesch tafeltje en onder ’t roode scherm van ’t gaslicht, de gulden Mummflesch te ontkurken. Juffrouw Henriëtte, die blozend en glimlachend in allerbeminnelijkste half-naaktheid op het bed lag, moest hem iets zeer gewichtigs gevraagd hebben, want zijn gelaat was ernstig en hij redeneerde statig.

—Neen, sprak hij, nadat het stopsel oppafte en het bruisend schuim over zijn duim kookte, neen, Henriëtte geloof mij. Als ik u op dat gebied in uwe onbezonnen grilligheid volg, weet ik dat het uit is met onze liefde. Zijn er sterker banden om mij aan u te binden, dan de banden des harten, waaronder ik thans geboeid lig? Wat zult gij beweren? Het spijt mij te hooren dat gij u onzen toestand zoo onjuist voorstelt. Gij verkeert in bedriegelijke misten, zoodat gij een verlangen voedt, dat u en mij in het verderf moet storten. Wat hoopt gij te verbeteren? Is mijn getrouwheid niet voorbeeldig en verheug ik mij niet in de stevigheid van de uwe? Wat denkt gij met een huwelijk te staven, dat niet al reeds overvloedig door onze wederzijdsche genegenheid gestaafd en gewaarborgd is door de voortreffelijkheid van ons beider gedrag? Gij zult hierop geen antwoord geven. Ik vertrouw dat ge, in eigen overdenking, de ijdelheid van uwe begeerte zelf zult inzien, en dat gij dan verbaasd zult staan tegenover het gevaar dat, moet ik toegeven, onze liefde zou bedreigen.

Hij had den wijn in twee kristallen schalen geschonken en schoof nu het verlakt tafeltje dicht bij de lage sponde. Hij zette zich neer op het hoofdkussen met kantjes, lengde zijne magere beenen uit en wees de mooie Veronèse-kleur van zijne zijden kousen. Hij bood haar den drank, wilde naderhand zelf van haar beker drinken en had een groot plezier in dat liefelijk bedrijf. Zijne hand fleerde wellustig over het malsche satijn van haren soepelen rug.

—Zie! hernam hij lachend en zwierig, er is geen afschuwelijker patrones dan Herè, de beroemde en geduchte schutsvrouw van het huwelijk. Zij is de schoone dochter van Kronos en Rhea en de onberispelijke gade van Zeus, haar broeder, Koning der Goden. Zij is hardvochtig en nijdig, en de dood van vele onschuldige kinderen der liefde—zooals daar zijn Semele en Latone, de heerlijke Dyonysos en de heldhaftige Heraklès!—is haar te wijten. Als wij ons onder hare hoede voegen, Henriëtte, gij, in schoonheid Herè gelijk, en ik, de Panische bochelknul, dan zullen wij harer gestrengheid niet ontkomen. Die Godin, mijn kind, heeft hart noch ingewanden, en de liefde, onder welke vormen ook, boezemt haar een onnoemlijke afgunst in. Wil ik u eens wat vertellen van haar?

Mijnheer du Bessy droeg een prachtig overhemd in grauw tussor bezaaid met licht-groene erwtjes. Het hing los aan zijn hals en was op zijne nauwe borst met ivoren knopjes toegemaakt. Hij liet er, al drinkend, een klein champagnemos op druppelen, en de natte vlek kleurde geel uit, daar verfrisschend, gelijk dauw op jong loover, de looververf van de boonvormige stippeling.

—Nu dan, vervolgde mijnheer du Bessy, terwijl hij week Henriëtte’s schouders bestreelde en vingerde tot op de haartipjes van hare lauwe oksels, er was te Argos, hoofdstad van Argolis......

Hij zette dadelijk eene vreeslijke historie in. Hij liet zijne stem op en neergaan over de ronkende Grieksche namen; hij rythmeerde zijne volzinnen en sloeg uit, in kadens, de symbolen en mythologische beschrijvingen. Zijne oogen fonkelden weldra en het was zichtbaar dat hij zich aan de behaaglijkheid van eigen fantasie liet beetnemen.

Hij eindigde op een somber tremolo, en er kwam eene indrukwekkende stilte, welke hij zeer op prijs scheen te stellen......

Mijnheer du Bessy smakte, baadde even in den wijn zijn droog-geworden mond, en keek op Henriëtte’s aangezicht naar den indruk, dien er zijne woorden uitgeoefend hadden. Hij glimlachte oolijk, zweeg, genoot van het spel zijner eigen fantazij.

Juffrouw Henriëtte, die heel den tijd naar het roode scherm van het licht had zitten kijken, keek niet op, mijmerde voort, zonder pinken en zonder aandacht. Ineens, daar mijnheer du Bessy met zijne wuivende hand guitachtig hare blikken brak, schrok ze, wimperde snel, bracht hare bange vuisten op hare bloote borst en:

—Hemel! fluisterde ze angstig, ze is geheel zinneloos. Ik zal van haar droomen!....

—Ta-ta-ta, troostte de baronet goedgunstig, terwijl hij zich aan hare bangheid verlustigde en haren schrik toeschreef aan den tragischen afloop van zijne parabel, wat is dat nu, Jette? Wacht u voor Here...... ik wil ’t wel.... maar ge ziet er al te angstig uit!

Ze bleven tot halfnegen in de zwoele alkoof, vol met de raadselachtige reuken, die mijnheer du Bessy gewillig voor den geur van goddelijke mirten hield. Dan kleedden zij zich om naar den schouwburg te gaan. Dat was geen klein werk. Mijnheer du Bessy, die onderwijl nog Henriëtte’s keurslijf, tot het op de drukte van hare zware heupen barsten zou, moest vastrijgen, had haast een vol uur noodig om de glimmende haarbouten op zijn hoofd weer in orde te brengen en om, onder zijn bleek-jaspiskleurige kamee, zijn okerbruin dasje te snoeren. Juffrouw Henriëtte was niet vóor klokslag tien geheel vaardig. Toen ze haar lavabo verliet, zwommen op de grauwe vlakte van een onbepaalbaar lampetwater, als overschot van een verscheidenlijk toilet, de rozige stoflagen van eene overvloedige bepoeiering, de slijmen van odol-melk en de opgerolde klosjes van uitgekamde haren.

Ze wandelden arm aan arm op de Anspachlaan en hadden besloten in de Scala een paar muzikale clowns en eene fransche divette te gaan beluisteren. Op de Brouckere-plaats zagen zij eene rumoerige menigte schouder-stuwend rond de uitstekende kepi’s van politie-agenten wemelen.

—Weer wat! praatte mijnheer du Bessy deftig, een vechtpartijtje dat men naar den Amigo voert.

Hij had een afschuw voor volksgetier en mengde zich ongaarne in de drukte van een onbeleefd en dwaas-razend plebs. Of was ’t alweer geen oproer? Hij trok zijn neus op.

Het zwarte pak menschen schoof langzaam over de asphalt en dook onder de groene laanbelichting weg.

Zij hadden veel pret in de Scala, waar ze, geheel vooraan, in eene logie zaten. Mijnheer du Bessy voelde gaarne de blikkering van naar hem opgerichte dubbelkijkers en boog dikwijls over juffrouw Henriëtte om haar, zeer hoofsch, eene liefelijkheid in het oor te fluisteren.

Hij werd in dat onschuldig bedrijf gestoord door mijnheer Florjan Pacôme, de boudoirschilder, die met groot beslag en eene potsierlijke vrijpostigheid de logie binnenkwam. Pacôme verliet hen van den geheelen avond niet en, daar hij altijd alle nieuwsjes wist, meldde hij tusschen het gebrul van een Amerikaanschen neger en den cancan-dans van de zeven nichtjes Cake-up-to-day, dat men Lucia Pezza, de ontroostbare zuster van pastoor Pezza, den verdwenen volksvertegenwoordiger, uit de lisschen van de Willebroekvaart nog geen uur geleden en “groen als haar gal” opgehaald had.