V.

De Roode Garve.

De terugkomst van Milly d’Orval maakte in zekere wereld groot gerucht, te meer daar ze, vóor haar vertrek, de huur van haar hotel nabij het park van Tervuren had opgezegd en alzoo had laten vermoeden dat men haar in lang niet meer zou wederzien. Zij had zich te San-Moritz gevestigd, waar zij een lui en vervelend leven had gesleten, en zij keerde in Brussel terug zooals zij was heengegaan—alléen. De schitterende indruk, dien zij hier had nagelaten (zij ging door voor de heerlijkste “mondaine” die de hoofdstad ooit met hare aanwezigheid vereerd had) maakte dat zij er, opnieuw, gretig ontvangen werd. Gedurende twee weken weerklonken de roode shop-muren van haar naam en zij was, een heelen tijd, het mikpunt van al de praatjes bij Bardain, den high-life-kapper van de Muntstraat.

Milly d’Orval ging een mooi huis op den Kortenbergschen steenweg bewonen. Zij deed het keurig inrichten. Gedurende een volle maand kreeg niemand haar te zien. Een hoop menschen kwamen hun kaartje bij haar neerleggen, maar geen van hen werd bij haar binnengeleid. Zij hield iedereen op afstand, en hare gunst werd, des te kostelijker, op prijs gesteld. Hoe zag zij er uit? Hoe had zij Sörge’s huwelijk verteerd? Hoe zoude zij zich houden tegenover Sörge, en vooral—want de ijdelheid is sterker dan de weetlust—hoe zoude haar gedrag zijn jegens elk van de velen, die hunne verwaandheid streelden met de hoop, voor een tijdje maar, door haar opgemerkt en lief bejegend te worden?

Ze besloot eindelijk vóor het voetlicht van hare talrijke aanbidders te verschijnen. Ze gaf, als een teeken harer “blijde inkomst,” een groot onthaalfeest, waarop allen uitgenoodigd werden; en dien dag was een flink gedeelte van Brussel, en niet het geringste, in rep en roer. De vijf bloemisten van de Leopoldswijk kregen hunne handen vol, en men wist niet meer in welke serre de orchideeën, lila’s en tubereuzen te halen die, van in den vooravond, voor Milly d’Orval werden besteld. Het begon vreeselijk op een wedstrijd te lijken. Al die mannen voelden dat ze in het perk gingen treden onder de oogen en het oordeel van die éene vrouw, welke, tegelijk, den prijs zoude verleenen en de prijs zoude zijn.

Ernest Verlat was niet het minst in de war. Sinds Milly’s terugkeer was hij zeer somber geworden en zijne afgetrokkenheid, die door mevrouw Verlat en Pastoor Doening als eene gelukkige reaktie op zijne verwarde handelwijze gehouden werd, was, in den grond, een vorm van de onrust die hij, bij de benadering van Milly, over zijne ziel voelde spoken. Hij werd zeer zenuwachtig, veinsde een onverdraaglijke hoofdpijn, zat uren in zijn werkkabinet vóor een ledige tafel te kijken in een holle toekomst, waarvan hem de onzekerheid meer benauwde dan de rampen, die zij brengen kon. Hij besteedde haast een halven dag aan de keuze van een ruiker. Hij koos eindelijk, in den zeer kunstigen winkel van Isa Backers, beneden den Treurenberg, eene wonderlijke garve bloeiende zwaardbloemen, toegebusseld in een tuil roode anjelieren en vastgesnoerd in een keten van zeldzame klokjes, purpergetint, welke boven hun vredig violet de schelle kleurlusten van de wildruikende schoof verheerlijkten. Hij wilde geen aaiende geuren, geen zangerigheid in de kelkschakeeringen. Hij wilde den harden looversmaak, de scherpheid der anjelierpetalen gemengd met de bijtende lischstengels en, alles tegare, overvuurd met het hevige rood van de roode schatering....

Milly d’Orval stelde zich op haar soiree aan met een lachende gulheid, eene blijmoedige opgeruimdheid, waarover iedereen ten hoogste verwonderd was.

—Wacht maar, vezelde Pacôme in het oor van mijnheer Surlet d’Avenits, beheerder van de bank der hypotheken, wacht! straks krijgen we een zenuwaanval! Ça me connaît!

Mijnheer Surlet d’Avenits, die op zijn dik, gemakkelijk, rondborstig en wellevend lichaam het veelbelovend gezicht droeg, dat bij een hypotheekaanbieder past, liet op dat gezicht een geheimzinnig glimlachje varen, dat voor eene opinie of voor een gebrek aan opinie gelden kon. Hij trok even zijn neusvliezen op, snoof zachtjes in de lucht, zweeg gewichtig.

Maar van een zenuwaanval—de krisis die de beminnelijke gemoedslichtheid van Milly d’Orval zou begrijpelijk maken en haar als eene pijnlijke spanning moest uitleggen—was geen spraak. Milly bleef blijgeestig, hield met eene levendige zwierigheid de spirituëele genstering van de zes en dertig mannen in bedwang en faalde op geen enkel oogenblik van den avond.

Het gezelschap was buitengewoon aanzienlijk. Milly d’Orval had, bleek het, iedereens kansen willen vereffenen. Schatrijke beursmannen—en er waren er die de enorme schatting van hunne rijkdommen in goudvuile duimvegen op hun voorhoofd hadden gemerkt—schouderden in de drie keurige salons aan tegen arme hertogen en een paar kunstenaars. Mijnheer Dubois, de Antwerpsche reeder, die zooveel schepen bezat als daar stralen uit zijn diamanten hemdsknoopjes sprongen; mijnheer Davancourt, van de firma Davancourt-Binard, een klein ventje zonder pretentie maar met genoeg dochters om het gevallen blazoen van acht vicomten en markiezen te vergulden; prins Orbany die, als hij voor niets meer deugen mag, uit wanhoop misschien wel met een van die dochters trouwen zal; mijnheer Proveniers, senator, bijzichtig, half-doof en praatziek, een van die hooge staatslieden, waarop de zware gewelven van mijnheer Dissel’s Centrum gerust bogen konnen; oud-generaal Van Sandt die, als het zijn moest, twaalf bittertjes voor het soepee kon drinken en vijftien triple-sec’s naderhand, een man gelijk een eik, met eenen haarbos van schavelingen; de romanschrijver Hoorndonck, van wien Lieven Lazare in zijn boek “Ploerten” zei dat hij, met ze te schrijven, de hoeren onteerde, (’t was nochtans een schuchter en schadeloos novellist, die zijn best deed om niet op Catulle Mendès te lijken en er, zelfs dan, niet in slaagde zijn eigen te zijn); mijnheer Marbehan, groot liefhebber van waterwild, het strooien popje van de Jezuïeten, die zijn naam op den grootsten linnenwinkel der stad hadden gezet en zijn geld in de magazijnen gestoken; mijnheer Alderman, kunstjuwelier, een zwijgend artiest, zeer beschaafd, zeer gevoelig, die zich had ingebeeld dat hij smoorlijk op Milly verliefd was;—dan jongelui van de vierschaar en de diplomatiek, een hoogleeraar met idealen, die de scheikunde doceerde, een beroemd bouwmeester, de schitterendste dandys van de gouden nachtjeugd, al wat Brussel in hare “halve-wereld” voor uitstalbaar telde, was daar aanwezig en rumoerde stil onder de groote kampanulen van de elektrische kroonluchters.

—Het neusje van den zalm, zei Florjan Pacôme, die nooit eene gelegenheid liet voorbijgaan om te doen opmerken dat hij steeds onder het puik der salons werd gerekend.

Mijnheer Sörge was het eenige vliesje dat aan het voornaam neusje ontbrak.

Milly d’Orval wandelde dan eens met den eene, dan weer met den andere, en het was waarlijk of zij die bende wilde keuren. Iedereen had het gevoel dat, wanneer hij, met haar, in een apartje rondkuierde of, vóor een tafeltje in een hoek, een roemerken port schonk, zij hem van top tot teen onderzocht en zijne goede eigenschappen opschreef naast zijne slechte. In alle andere omstandigheden zoude zulks potsierlijk zijn opgevallen en hadde men eene atmosfeer gestoord die van de dwingelandsche d’Orval een blij-lachende Circe maakte en van hare gasten eene onmondige varkenskudde. Nu echter kende men haar een soort van recht op leven en dood, dat zij misschien veroverd had door het niet te willen gebruiken.

Het eigenaardige van het feestje was dat men vóor het middernacht-soepee in de oranjerie een klein gebarenspel zoude bijwonen, dat Milly d’Orval eigenhandig had ingericht. Deze oranjerie zag uit op de serre-gangen, en van op de veranda had men met zware tapijten eene tent behangen die, door den tuin, de serre aan het huis verbond. Zoo wilde Milly haar uitgenoodigden bevrijden voor den kouden Novembernacht, die men achter de dikke gordijnen hoorde waaien.

Op klokslag van elf uren opende een zwarte lakei de hooge deur der veranda en gaf het uitzicht op den met veelkleurige elektriek-tulpen verlichten gang, die leidde naar de oranjerie. In de tent die wat donkerder schemerde, lagen overhoop al de bloemtuilen, die Milly d’Orval ontvangen had. Ze bestapelden er vier sterkgeurige oppers waartusschen juist het noodige voetpadje lag, dat van de nauwe ruimte overbleef. Terwijl traag en kuchend de gasten daar éen voor éen voorbijgingen en met eigen hielen de kostbare leeljen vertrapten, waarnaar zij met eene zoo zorgzame nauwkeurigheid hadden uitgekeken, hadden zij eigenliefde genoeg om niet hardop te durven zeggen wat zij over de vrijpostige behandeling van die vroolijke d’Orval dachten. Zij liepen de tuilen voorbij met de geveinsde onverschilligheid van menschen die, gekrenkt in hunne ijdelheid, zich niet verwaardigen daaromtrent een oordeel uit te spreken, en het gezelschap werd er niet killiger om, maar banger. De zonderlinge manieren van Milly d’Orval, hare vreemde, onverwachtsche jubelende luimen, de inrichting van een avondpartijtje, dat er met de bloemenkatacomben en dat ongemeen gebarenspel al zeer raar begon uit te zien, de verbazende verhoudingen van eene gastvrouw, die, op slot van rekening, niets meer was dan een demi-vierge, voor hare dischgenooten, op wier gezamenlijke brandkasten zij boemelde, ’t ging al die teleurgestelde lichtmissen met ontsteltenis slaan. Hunne nieuwsgierigheid, welke, naar zij eindelijk vreesden, niet tot hun baat zoude bevredigd worden, werd haast een angst en meer dan een ongemak, en het zou hen niet verwonderd hebben als Milly d’Orval besloten had zich op hun rug over Sörge’s ontrouw te wreken.

Ze wandelden den serregang door, die met de mooiste planten was versierd en waar walmde een zware, vochtige hitte, en zij geraakten koutend, licht-pratend, te bekommerd om verrukt te zijn, in de oranjerie. De langwerpige zaal, ommendom berankt met dubbele lichtfestoenen, was zeer keurig versierd. De oranjeboomen groenden in dichte rijen tegen de muren, al de versch-gele kuipen nevenseen. Het glazen dak was met een zacht-wuivende vool overhangen; groote kransen chrysanthemen kleurden de vensters, en waren vastgestrikt met witte linten aan de palen van een met ifteloof beklommen latwerk. Het kleine theater, dat men aan het verste eind van de zaal met bleek-groene planken had opgetrokken, was gansch met het lui gebladerte van roode notelaars overladen. Men zou, had Milly aangekondigd, het spel van Daphnis en Chloë mimisch opvoeren.

Ernest Verlat had, in het gewoel, een beetje van zijn kalmte herwonnen. Hij kon zich zoo weinig als al de andere, aan de Milly verwachten, die hij nu te zien kreeg. Zij had hem nauwelijks en tusschen twee vrij onbeleefde lachbuien een banaal-vriendelijk woord gegund. Zij had, als in een korte vlaag van prinselijke toegeeflijkheid, vluggelings met hare zijige vingers zijne hand geraakt, en het docht hem dat ze, van zeer hoog op hem had neergekeken. Milly was, buiten het bereik van Rupert, blijkbaar tot een gemeene kokette vergroeid. De wijze ook, waarop ze haar feestje had ingericht, ontstemde hem uitermate en niet zonder tegenzin had hij ze, in de drie gonzende saletten, van den eenen losbol naar den anderen zien vlinderen. En dan die voorstelling, wat moest dat beduiden en wat meende zij met die goedkoope streken te verkrijgen? Hij dacht droefgeestig aan zijne koorts van gisteren, aan die al te kostbare aandoening, welke hij haar al te onachtzaam had opgedragen, gelijk een hulde die haar in haar laag gezwets niet meer raken kon. Hij dacht aan zijne zorgvuldige inzichten, aan zijne aandachtige keurigheid .... wanneer hij bij Isa Backers was binnengeloopen en geen kleuren vond die, ten naaste bij maar, met de hevigheid van zijn gevoelens overeenstemden! Dat lag nu, als de laatste teleurstelling in den tas van al die andere bloemen, onder de tapijten van eene tijdelijke tent ....

—Mooi, hee? hoorde hij de overal-aanwezige Pacôme fluisteren.

—Ja .... mooi .... flauw ....

—Spreek stiller, mensch, fezikte Rop’s naijveraar, terwijl hij zijn magere hand met al de vijf schelpnagels en de veertien knobbelige vingerkneukels op zijn mond lei, roep ’t niet uit! De minste die u hoort, zal ’t u doen boeten, omdat het de waarheid is!

Ernest Verlat zat met mijnheer Delcommune, een rentenierende barlooper en oud-vriend van du Bessy, in een van de sofa’s, die op ongelijken afstand vóor lage tafeltjes, banken en schabellen, in de oranjerie waren geplaatst. Van daar zag hij, dichter bij de scène, Milly d’Orval tusschen prins Orbany en een klein Joodje, dat hij ontmoette voor de eerste maal. Ze zat op eene bloote poef. Haar schoone rug rankte rijkelijk boven de ronde heupen op, in een wonder-gekrept kleed van oud cachemire. Een paarse lampiongloed viel op haar rood-ros haar en blauwde het teere waas van hare naakte schouders. Ze gichelde in den kraag van d’Orbany en klopte soms, heel plezierig, op de mouw van het ineengefrommeld Joodje.

De theatergordijn werd opgetrokken en het spel van Daphnis en Chloë begon. Het was een dubbelzinnig, gewaagd en tamelijk smaakloos spel. Men zag er een Watteau-herderinnetje al blozend de bloode liefdeverklaring van een bepoeierd en bestrikt herdertje ontvangen, terwijl achter de schermen een zachte muziek van hobo, fijfels en schalmeien de rythmen teekende en de minnedansen begeleidde. Dit gebeurde in eene groene wei, aan den voet van een met vruchten beladen appelboom en onder de helderheid van een zoo puur azuur, dat er het hart van opwalgde. Daphnis en Chloë waren, daarentegen, twee zeer bekoorlijke meisjes die hun rol speelden met de liefelijkste zorgeloosheid en de molligheid van hunne dijen toonden met een ongekunstelden eenvoud. Ze zwaaiden hunne omsnoerde stafjes, toonden zich ten opzichte van denkbeeldige lammeren kinderlijk bezorgd, wisselden over een geluideloos joepje een onschuldigen zoen en vielen eindelijk in de zuchten van het bescheiden orkest, schoon nevens een onder de twijgen van den vaderlijken appelaar.

Het zoutlooze van een dergelijk spektakel ontsnapte aan geen enkelen toeschouwer. Maar het tweede bedrijf was suggestiever en veranderde, door zijne verregaande stoutheid, de verveling van het publiek in eene pijnlijke verwondering.

Het doek ging op over dezelfde tooneelschikking; enkel het doodend blauw van den Cythera-hemel was nu met een avondlijk purper verwisseld, alwaar, gelijk een schijf van oud koper, de stervende zon nevel-spinnend te zijgen begon. Daphnis lag steeds nog op het deinend weitapijt en sluimerde, maar Chloë had zich halvelings opgelicht en wilde het lieve herdertje voor onbekende liefkoozingen wekken. Zij streelde over hem, vleide zich in zijne armen, ontknoopte gretig de linten, die zijn zijden jakje toefronsten, kuste hem op zijn mond onder den adem van een onhoorbare muziek. Middelerwijl hoorde men het gefluit van een merel en, weldra, den tegenzang van nog een merel. De twee beminnelijke wijzen zweefden harmonisch overeen, om, op een einde, in luie akkoorden, geheel door mekaar geweven, op te klinken, traag wegstillend en moe uitstervend in een zoet gekir.

Dit alles ging gepaard met een werkelijker spel op scène. Terwijl Chloë den onnoozelen Daphnis tot de bewerking van begeerde geneugten trachtte te overhalen, donkerde stilaan de mooie zomeravond. Een hobo bootste het eenzame gebleet van een verloren schaap na. De roode zonneschijf zonk lager, lager, mistte achter een rozig heuveltje te lore, vervaagde op het tooneel de mauve schaduw van den appelboom. Wanneer, om te sluiten, de moedige Chloë haren langzamen Daphnis en zichzelf in rythmisch bedrijf zoo goed als geheel-naakt had gekregen, was de nacht dik-blauw en maanloos aanwezig, en kon men van hunne zachte lijven alleen de roos-witte glanzing zien.

Het voordoek viel.

De oranjerie klaarde plots in schaterende verlichting op, en de zes en dertig lichtmissen zaten malkander nuchter aan te kijken, bijna hijgend, gelijk jongens die men, onvoorbereid, in koude baden doopt. Milly d’Orval moest rechtstaan en stil in hare handen klappen om hen weer tot bezinning te brengen. Florjan Pacôme zette de eerste aan, en een luidruchtig applaus weerklonk. Men beeldt zich bezwaarlijk in hoe laf een kudde van zes en dertig moedige mannen zijn kan. Daar zaten ze beteuterd toe te juichen, liepen dan in groepjes, overhand, bij Milly d’Orval de inrichting van een zoo fijngeestig spel loven.

Ernest Verlat ook kwam hulde brengen, spijts den weerzin, die in zijne keel die bleeke gelukwenschen deed kroppen.

—Wel! mijnheer Verlat, riep Milly verrast, wat zijt gij een onverbeterlijke alleenlooper! Ik heb u nog niet gezien, waarlijk! Ik dacht dat ik vergeten had u uit te noodigen en dit ware onvergeeflijk geweest. Gij stelt mij gerust; ik ben zeer verheugd dat gij gekomen zijt.

Die onzin verdubbelde zijn afkeer. Het mimespel was op zich zelf al een overdadig bewijs van Milly’s zeer gemeenen smaak. Hij had zich ellendig aan die deerne vergrepen en hij kon niet wijs worden uit den aard van de liefde, die een man als Sörge, dan toch feitelijk, voor een zoo armoedig schepsel had kunnen voeden. Hij schaamde zich over eene dwaling, welke haast een geheel jaar van zijn leven in beslag genomen had; maar, beweerde hij in zijn eigen, daaraan had Rupert de grootste schuld. Hij had op Rupert vertrouwd, en dat viel nu deerlijk mis uit. Roy-Dour leek hem fijner besnaard dan d’Orval.

Waarom liep hij niet dadelijk weg?

Waarom liepen zij daar allemaal niet weg? ’t Was een potsierlijke doening.... Iedereen bleef. Met Milly hadde elk van hen kort spel gemaakt. Geen enkele echter, die ’t aandierf om de vijf en dertig anderen hun groven misslag onder den neus te wrijven. Ze schilderden op hun aangezicht een hoofsch lachje, verschoven de bankjes, haast bij manier van tijdverdrijf, gingen vóor de oranjeboomen staan of keken dwaas op naar de nette chrysanthemenkronen. Men kon generaal Van Sandt hooren zeggen tot mijnheer Proveniers, senator:

—Hebt ge ooit zulke mooie oranjekuipjes gezien? Hetgeen voor gevolg had dat de schier blinde mijnheer Proveniers zijn stijf lichaam als een tang in tweeën plooide en, aanbotsend met zijn voorhoofd tegen de randen van de houten bakken, zoo waardig antwoordde alsof ’t eene staatskwestie gold:

—Ze zijn geel, generaal!

Men kon mijnheer Davancourt, van de firma Davancourt-Binard, zien trommelen met zijn tien vette vingeren op het zweetend goud van zijn horlogeketen, zonder te durven kijken hoe laat het was. De romanschrijver Hoorndonck overdacht, eenzaam dubbend in een hoekje, dat hij, om wille van dees verdomd bordeelfeestje, een bezoek aan Sarah Bernhardt had afgedankt.

Weer langs de serre-gangen, weer struikelend over de verwaarloosde bloemenstapeling, weer voorbij den zwarten lakei, die op hunne ruggen de hooge portière der veranda liet dicht vallen, weer kwamen ze in het drievoudige salon. Van Sandt dronk er in twee teugen vier glazen madera en mijnheer Marbehan, die nochtans gaarne waterwild at, stelde, uit nijd, zijn maag tevreden met het amandelkoekje dat op een bordje lag.

’t Sloeg middernacht. Twintig heeren trokken te gelijk hun zakuurwerk te voorschijn, en keken dwaas op de twee wijzers die—hoe gebeurde dat toch—overeen waren gekropen. Juist op dat oogenblik opende de zwarte lakei de eetzaal, en Milly d’Orval leidde er den sleep van ontgoochelde aanbidders even alsof ze, in een wemeling van hovelingen, eene koningin ware geweest.

Ernest Verlat zag ze opgaan, pronkend in valsche majesteit, aan den te korten arm van het thoopegerimpeld Joodje, het Joodje dat, naar allen schijn, haar uitverkoren melkkoetje zou worden. Nu, ’t was hem gegund! In het heele gezelschap kon men niemand vinden, zelfs niet Florjan Pacôme, die hem benijden wou.

Milly d’Orval zette zich, juist in het midden, aan de tafel. Het Joodje zat, innig in de handen wrijvend, aan hare rechterhand, en mijnheer Dubois, de bediamante reeder, aan hare linker. Ernest haastte zich niet. Hij kwam niet de laatste aan tafel, want in alles moest de schuchtere mijnheer Alderman de laatste wezen; maar het docht hem dat iedereen reeds had plaats genomen, toen hij een overblijvenden schotel trof en ervóor, op een hoekje, een stoel ging schuiven.

Hij keek traagzaam rond. De tafel rumoerde bescheidenlijk. Men bracht oesters en schonk den wijn.....

Plots, als hadde men hem een schicht door het hart geschoten, schrok hij, snikte naar zijn adem en voelde het bloed koud wegzinken in zijne aderen. Niets versierde het ammelaken, geen vaasje, geen bloem.... alleen het gewoon geschitter van roemers en glimmend zilverwerk. Doch, juist vóor Milly, los daar gelegd in heerlijke eenigheid, bloedde de garve van roode zwaardbloemen en anjelieren.

Hij geloofde het niet seffens, bedaarde, keek weer toe ... Nu begon het te roezemoezen in zijn hoofd en ’t was of alles weer goed terecht kwam. Ze werd opnieuw, onveranderd, de vreemde Milly, die zij nooit opgehouden had te zijn, de Milly van Rupert, het zeldzaam alaam van dien zeldzaam-zinnelijke. Hoe meesterlijk had zij dit nu aan boord gelegd, en hoe kon zich ooit iemand aan een zoo sluwe voorbereiding en een zoo geweldige verrassing verwachten!.... En dan, die wondere geheimzinnigheid, die teederheid van een uitgelezen soort.... en, ineens—hij zag ’t ineens—mirakelachtige parel vóor den blazenden snuiter van een hoop bedrogen saters!

Zijne aandoening werd eene koortsige hitte die, op slag van zijn pols, omsloeg door zijne slapen. Hij hoorde niet naar wat men nevens hem vertelde; hij merkte niet, naarmate het soepee vorderde, de toenemende ongedwongenheid der gasten, die in de mildheid van den wijn eenen troost vonden voor hunne teleurstelling. Hij zag de hooge kleur niet die, boven de witte hemdborsten en de krakende dasjes, de schedels omglansde met een geilen gloed. Hij voelde zijn eigen niet zitten, at niet, dacht niet....

Hij keek naar Milly. Ze zat naast mijnheer Dubois, lachte gul met hem, wendde zich nadien om en boog vóor het gelukkig Joodje. Geen enkelen blik wierp ze op Verlat. Het dessert werd rondgedragen en de vruchten in mooie mandjes neergezet. Een zilveren jardinière, beladen met druiven, peren en bananen, stond op de tafel links, en, aan den anderen kant, rees een pronkkoek in driekleurig ijs, berijmd met lichte suikerdraden;—tusschen beide in lag de garve, rood, schelrood, rood als een wilde lust en rustig als een zekere zegepraal. Prins d’Orbany sprak:

—Madame, mijne heeren, uitzonderlijke avonden als deze staan zoo geheel buiten den regel van wat wij tot hiertoe een “geslaagd feestje” hebben genoemd, dat het gewaagd is het charme ervan, bij gelegenheid van een toast, te breken. Onze bijeenkomst in dit behaaglijk oord heeft echter eene beteekenis, die wij niet onverklaard mogen laten voorbijgaan, en als ik vermetel genoeg ben om die verklaring aan te durven, is ’t dat mijne geringe welsprekendheid vertrouwt in de pracht van haar onderwerp! Het is ons, mijne heeren, gegund geweest vandaag de blijde intrede te vieren van de bekoorlijkste aller vrouwen, en dit feit—hetwelk op zichzelf al voldoende is om in blijdschap op te jagen een wereld, waarvan de vrouw het leven is en de vreugd—werd opgeluisterd met al de kunstige listen van een vreemd-kostbaar, een eigenaardig-schrander, een habiel-weelderig gemoed. Wij verbazen ons over het oorspronkelijke, over het ongeziene van dit feestje, en wij, die reeds de gracelijkste tresoren kenden van haar die, in een adem met Venus la Milly werd genoemd, werden thans toegelaten tot het genot der schatten van eene zinrijke, fijngeestige, ongeraden d’Orval. Het is, voor mannen als wij, eene onwaardeerbare eer, te worden opgemerkt door vrouwen als u, madame! Maar de wijze, waarop gij ons hebt willen begunstigen, overtreft, terwijl zij die eer verrijkt, tevens de wijze waarop wij haar zouden verdiend hebben. Laat het u ten minste welgevallen dat wij ons uwer onwaardig achten en dat wij u ootmoedig bekennen nooit te kunnen vergoeden wat u zoo sierlijk-licht viel ons, als in het voorbijgaan en met een gemakkelijk gebaar van uw overvloed, te geven. Mijne heeren! ....

Hij lengde zich geheel uit, verbreedde zijne borst, hief den roemer op, waar parelend zood een topaasgele wijn. Hij was een fraai man, niet zeer oud. Zijn mooie hoofd stak boven alle andere hoofden uit. Hij had een oogenblikje gewacht, zag nu iedereen den beker lichten, stak hooger nog den zijnen.

—Mijne heeren! zei hij, laat onze heildronk een hulde wezen tot lof van eene schoone, die te vorstelijk is om de hulde niet goedjonstig te bejegenen en te mild om aan dien lof een respijt te weigeren, waarop mijne onhandigheid aanspraak maken durft. Madame, wij drinken op uwe bevalligheden!

Het was eene lijkrede. Na een dergelijken toast, uitgesproken door een der aanzienlijkste rechters van het dandysme, bleef aan Milly niets meer over dan hare matten te rollen en elders eene kans te wagen, welke zij hier zoo onvoorzichtig had prijsgegeven. Het was zoo goed als zeker dat, Alderman inbegrepen, het geheele gezelschap voortaan Milly d’Orval voor niets meer houden kon dan het mademoiselle Titine, Bella d’Issy en Marjolene hield. Wie ooit zou het vonnis van deze zes en dertig hooge lui trotseeren, wie ooit zou ievers te vinden zijn, die, spijts het eenstemmig oordeel van dezen hof raad der “halve-wereld,” Milly nog onder zijne bescherming nemen kon?

De speech van mijnheer d’Orbany was een onherleidbaar requiem en het daaropvolgend geklingel van bijeen-vonkende roemers gold een amen zonder beroep.

Het was tamelijk laat, eer afscheid werd genomen. De gasten verlieten de zaal in groepjes, en de minst-voorname bleven, uit zedelijke schaamte, de laatste. Mijnheer Alderman wist niet hoe het aan boord te leggen om toch ook heen te gaan, nu hij in de manieren van Verlat niet de minste bespeuren kon, die een nakend vertrek scheen aan te duiden. Zou mijnheer Alderman—hij huiverde bij dit vooruitzicht—zou hij ditmaal de “voorlaatste” zijn? Ernest Verlat, die hem goed kende, zei stil tot Pacôme:

—Neem hem mee! .... Ik blijf.

Florjan Pacôme meende dat hij aan het droomen was. Blijven? Dit was wel, na al het akelig-verwonderlijke van dezen avond, het verwonderlijkste! Hij wist een dergelijk besluit aan niets toe te schrijven—zelfs niet aan den drank. Hij stond in zijn mac-ferlan dwaas vóor zich uit te staren, drukte sprakeloos de hand, die hem Verlat toegereikt had en, met het gebaar van iemand die het raden opgeeft, nam hij Alderman onder den arm mee naar de kleine kleerkamer van het voorportaal.

Milly d’Orval zat nog op hare zelfde plaats aan tafel. Ze had even haar hoofd neergebukt en deed onachtzaam een zilveren lepeltje tikkelen op de randen van een ledigen koffiekop. De eetzaal was nu stil—eene nare stilte omwalmd met champagnegeuren en sigarenrook. Gekrenkte vruchten lagen hier en daar, nevens de verwaarloosde kristalschalen, op het ammelaken dat verfrommeld was.

Ernest Verlat kwam vóor haar staan, keek haar lang aan, nam op, in een gretigen blik, den rijkdom van haar rood-beglansd haar, de doezelige roosheid van hare schouders, lichtblauw omschaduwd, en de teere handen, als vijfspoelige juweelen onder de flikkering van onrustige ringen, teer bezijden een gladde koffiekopje geleid. Wist zij dat hij daar stond? Tusschen hen in, door de warmte bezeerd, lag het raadsel van eene roode garve. Hij wees er naar.

—Milly, sprak hij zacht, hoe moet ik dat uitleggen? Zij blikte niet op, sprak niet, bleef in hare luie gepeinzen verzonken. Zij zuchtte.

—Milly, hernam hij, gij weet met welke zorgen ik, van den eersten dag, de kreten van mijn wanhopig hart heb willen verbergen. Gij weet wat omgaat in mij. Ik wil u niet dwingen aan wat hier dezen avond gebeurd is, eene beteekenis te geven, die misschien meer naar het toeval dan naar uwe inzichten te meten is. Maar ik mag van u geen afscheid nemen zonder ingelicht te zijn. Ik heb deze bloemen aandachtig uitgelezen. Hoe moet ik verklaren dat gij ze daar hebt neergeleid?

Toen Milly eindelijk haar gelaat naar hem ophief, zag hij de zonderlinge droefheid die erover hing. Ze antwoordde achteloos:

—Zooals ge verkiest!

—Deedt ge ’t met opzet?

—Ja.

Hij leunde over de tafel, wilde hare vingeren raken. Ze schudde weemoedig het hoofd.

—Ik wilde, sprak zij bitter, dat gij zaagt hoe ik mij van al die lichtmissen zou bevrijden. Ik heb hun, zeer beleefd, mijne verachting in het aangezicht gespuwd. Zij hebben het goed genoeg begrepen, maar het, even beleefd, in hunne huichelaarsziel bewaard. Morgen zal ’t in lafheid uitmodderen en zullen zij met laster de vernedering straffen, die ik lachend hen deed ondergaan. Iemand moest het zien.

—Ik juist?....

—Zwijg, mijn vriend, zuchtte ze neerblikkend, gij weet niet hoe ellendig ik ben!

Hij ging rap de tafel rond, kwam buigen over haar, drukte innig hare hand.

—Milly, zei hij traag, kijk op naar mij. Misschien smeult er nog wat in al die asch, in al die teleurstellingen. Laat ons niet eenzaam zijn, wijd van malkander af. Gij weet niet hoe ellendig ik ben!....

Hare eigen woorden met dien anderen klank, troffen haar ongemeen. Ze rilde, neep vluggelings hare oogen dicht, dan, mijmerend, snokte de anjelieren los uit hunnen band van purperen klokjes. Ze bad fluisterend:

—Ik ben moe. Ga heen....

Tot op den rand van de tafel trok ze de lauwe kelken uit, vingerde wellustig in dat harde rood, wondde met hare onrustige nagels de weerlooze petalen. Hij voelde den ongeschikten nacht, de mizerie van de scherpe tabakslucht, den nasmaak van ’t overspelig feestgepraat gemengd met de zuurheid van bedorven wijnmoer en bedervende vruchten. Heel stil vroeg hij:

—Zal ik wederkomen?

Toen keek zij hem aan. Tranen vloeiden over hare wangen.

—Maandag.... ja.... zei ze.

Ze zei ’t haast onhoorbaar. Ze reikte hem hare hand en, binst dat hij ze met zijne lippen raakte, rook hij den wilden loovergeur, dien hij bij Isa Backers voor haar had uitgekozen en dien zij hem, op de tipjes harer vingeren, wedergaf.

VI.

Het Ankertje van Hoop

Daags na het bezoek van Vere, had Lieven Lazare aan pastoor Doening geschreven dat het hem genoeg aangedaan had om hem te laten hopen dat het nooit weer zou worden vernieuwd. Het was een lange verwarde brief vol van bijbelsche aanhalingen en goddelijke vloeken, waaronder hij echter te vergeefs had willen bergen de hevige schokken van zijn dwingend gevoel. “Vlucht, riep hij uit, vlucht dezen Jeremias; tracht hem niet van zijn verleden af te leiden met onbetamelijken troost, want het staat geschreven: gij zult met brood niet dengenen opbeuren, die over den dood van zijne moeder, of van zijne gade, of van zijne dochter weent!”

Pastoor Doening toonde, oolijk-glimlachend, dezen brief aan mevrouw Verlat, en zij lazen er, dwars door het woordengeweld waarmede hij was omklaterd, de nakende overgave van Lieven’s hart. Zij besloten daarom, in gemeenschappelijk overleg, dat zij hem zouden laten begaan, om hem de schaamte te sparen tot overgave gedwongen te zijn. Zij hadden overigens nu een bescheiden toezicht over hem: mijnheer Johan Doxa was al zoo dikwijls in het hooge huis van de Regentielaan als op den tingel-tangel-zolder van de Koolstraat, en zij kregen van dezen goeden gothieker meer te weten dan zij zelf bij Lazare zouden kunnen vernemen.

Mevrouw Verlat begon, onder de gedurige vertroosting van Pastoor Doening, moed te scheppen. De verraden stemming van haar vader hielp veel mee daartoe en niet het minst de kinderlijk-serafische aanwezigheid van Johan Doxa. Wat echter ineens hare hoop volop levendig maakte, was de plotselinge inkeer van Ernest.

Dit gebeurde na het feestje bij Milly d’Orval. Verlat was tot rond den middag in zijn kamer gebleven en kwam zeer opgeruimd beneden. Hij dejeûneerde met du Bessy en vervulde de eetzaal met zijne vroolijkheid.

—Hoor eens, Oomken, zei hij, meteen ernstig, ik wed dat ge uw avond, morgen, al besproken hebt!

Mijnheer du Bessy, die onder zulken aanhef eene onkiesche toespeling op zijne betrekkingen met Juffrouw Henriëtte snoof, kreeg een kleur en begon over zijn sandwich te niezen.

—Hewel! kerel! vervolgde zijn neef, ge kunt het schikken volgens uw best oordeel, maar morgen avond—er mag zijn wat wil—morgen blijft Oomken thuis.

—Da’s kras genoeg, knikte Mijnheer du Bessy, de krabbing van zijne droge keel in een geutje thee neerzwelgend.

—Ja.... en ik vind kras ook, dat Oomken daarom zoo verwonderd kijkt. Oomkens geheugen wordt in de luchten van de Scala en de Shop niet opgefrischt, en dat is jammer, want hij heeft geen lucht te koop. We moeten Oomkens geheugen in groot water duiken, ver van de sodaspoeling, waarmede hij zich in de hokjes van de Gril-room en de priëelen van den Trianon tevreden stelt. Dat moeten wij, en zoo rap mogelijk; anders wordt dat vergeetachtig Oomken bovendien nog onbeschoft erbij!

Mijnheer du Bessy voelde iets over zijn rug kriebelen, en de kleur, die op zijn geschoren kinnebakken was uitgeschoten, nam vreeselijk toe. Hij zette zich te mummelen.

—Niet flauw zijn, sprak hij; als er wat op touw was, kon men mij wat vroeger verwittigd hebben. ’t Zal mij nu heel lastig worden om.... waarlijk....

—Niks van! Ge blijft thuis.

De oude Ko schoof voorbij, bracht versche thee, schaduwde geluideloos rond de tafel.

—Ko, zei mijnheer Verlat, ge zult me straks eens komen opzoeken in mijn werkkabinet. We zullen saam het feestje van morgenavond regelen. Waar is mevrouw?

—Op hare kamer, mijnheer.

—Dankje.

Ernest keek op zijn horloge. Dan, zeer gewichtig, tot mijnheer du Bessy:

—Ge hebt nu nog vier en twintig uren. Binst dien tijd kunt ge uw rendez-vous van morgenavond afdanken, een geschenk koopen voor Vere en u bereiden tot de viering van haar naamdag.

—Nu dan!....

Mijnheer du Bessy deed het onbehendig gebaar van iemand, die zich aan heel wat anders had verwacht en dien men met een oud nieuws vergeefs trachtte te verrassen. Hij vond het echter geraadzaam het gesprek met dat “nu dan” en dat gebaar te sluiten, en ging zich onverwijld vóor zijn secretaire zetten, waar hij een mauve briefje schreef aan Henriëtte om haar “gerust te stellen” en een gearmoriëerd kaartje aan pastoor Doening om te beletten dat hij hem, net als bij het vorig feest, het vernederende bericht ervan mocht sturen.

Verlat ging onderwijl bij Vere, waar hij tot vespertijd verbleef. Nooit was hij zoo lief met haar als hij dien dag was. Hij sprak niet over de laatste scène en Vere had het gevoel dat hij er niet over wilde spreken om niet eene wonde te heropenen, die hij met alle mogelijke blijken van achting en genegenheid wilde balsemen en genezen. Het was haar zoet, en zij ontving hem gretig, zooals men een kind ontvangt dat men voor goed verloren waande. Hij omarmde haar zacht.

—Wat kan ik doen, vezelde hij, om u gelukkig te maken?

Zij schudde dan droefglimlachend haar hoofd. Hij moest niets doen daarvoor. Zij wist dat hij haar liefhad—en wat kon hij dan nog meer?

—Maar let erop, voegde zij zonder argwaan erbij, als gij soms iets doen mocht dat mij ongelukkig maken kan. Waarom wilt gij uw eigen bedriegen? Gij zijt immers de goedheid zelf!

Zij meende het zoo en hij sloot haar mond met een klinkenden zoen. Hij had medelijden met haar, het medelijden dat men voor zijn slachtoffer voelt, het nutteloos medelijden van den zwakkeling. Hij dacht dat, met nu teer en toegeeflijk te worden, hij het verraad verminderde dat hij pleegde jegens haar. Hij vertrouwde in de kussen, die hij haar overvloedig gaf, om tegenover zijn geweten de verwaarloozing te koopen, waaraan hij feitelijk haar wilde overlaten. Hij stelde zijn eigen in de meening dat zijn bedrog niet zoo groot was, indien het haar niet belette gelukkig te leven, en dat zijne logens geen schuld hadden, zoolang zij geen hinderpaal werden voor de huiselijke rustigheid. Meer nog: hij loog om wille van die rustigheid.

’s Avonds van dien dag sprak Vere met pastoor Doening over de kentering, die zich in het gedrag van Ernest had voorgedaan. Seffens begon het hoofd van den goeden pastoor te zoeken in de fijnbetwijnde spanning van onzichtbare luchtwebben. Het was of zijn haren de duizend voelhoorntjes waren van een ongekend vlindersoort, en dat zij nu al te gare werkzaam werden in de trilling van wiegende lichtdraden. Hij liet Vere vertellen, luisterde naar de wijde jubeling van dat uitmuntend hart, dat zich, in zijn nacht, met een nieuw leven overgaf aan de minste beving van een vermoedelijke dagklaarte. En de geluiden van dat verlangend hart vielen als een wilde stormdruppeling op de stille, roerlooze, blauw-duistere vijvervlakte van het zijne.

Toen keek hij haar goedig aan.

—Weet gij nog, mevrouw, vroeg hij, hoe wij verleden jaar uw naamfeestje gevierd hebben? Ik hoop dat het dees jaar heel wat anders zal zijn.

—O ja! juichte Vere met, in hare oogen, den glans van een trots, dien pastoor Doening er nooit gezien had, o ja! dat weet ik zeker: het zal heel wat anders zijn!

—En, ging Doening voort, toen gaf ik u dat hartje in een schrijn.... Wel! het heeft u toch eindelijk geluk bijgebracht.... Zoo loof ik den Hemel!

Hij sprak dan niet meer, en dàt kon hij gemakkelijk, want mevrouw Verlat had nog zooveel te vertellen, dat zij hem nergens de plaats voor een woord open liet.

Het feest, inderdaad, was geheel anders.

Het moest, had Ernest besloten, een waar feest zijn. Het was het eerste echtfeest, dat hij sinds zijn huwelijk ingericht had. Het kon soberder geweest zijn; maar hij meende, met het geschater van een geweldige overdaad, zijn gebrek aan oprechtheid te overschreeuwen. Hij had aan Vere gevraagd, wie hij al uitnoodigen mocht. Het speet haar dat hij ’t niet wist. Hij was voornemens een hoop vrienden te ontbieden en keek zeer verwonderd op, toen Vere het hem verbood.

—Het is een avondje voor ons, had zij gezeid, alleen en ganschelijk voor ons. Buiten onze gewone huisvrienden mag daar niemand aan tafel zitten. Het moet het gezelschap van verleden jaar blijven—met u erbij, en Rupert zal dien armen Simon vervangen.

Het trof hen beiden hoe ze dat zoo onbedacht zei; en ’t klonk nog, binst eene korte stilte, in hunne ooren, als den nagalm van iets wijds, van iets pijnlijks:

—Rupert zal dien armen Simon vervangen....

Men trachtte Lieven Lazare te bewegen zijn plaats aan de feesttafel in te nemen. Hij kon niet, had hij beweerd, maar hij wilde wel mijnheer Johan Doxa, als een gevolmachtigden gezant, op de plechtigheid afvaardigen. Hij gaf hem, vóór zijn vertrek en terwijl de gothieker onmogelijke pogingen deed om, in een kwartje spiegel van drie duim breed, een stukje van zijn nieuwen hoed te zien blinken—hetgeen mijnheer Lazare seffens en uitdrukkelijk voor een onfeilbaar teeken van de aanwezigheid des Duivels nam—hij gaf hem zijn zegen en hoopte dat mijnheer Doxa, na te hebben weerstaan aan alle helsche tempteeringen, rein en ongedeerd mocht wederkeeren.... liefst te voet. Hij had er tot tweemaal en vingerwijzend bijgevoegd:

—Liefst te voet, Johan!

Hij wist dat Johan Doxa, van zijne huwelijkservaringen, een zonderlinge neiging bewaard had en dat hij, telkens als hij van een toertje in de stad terugkwam, de houten vlieringkamers met een lucht van Hasseltsche graanjenever omgeurde. Johan Doxa noemde dat, zonder verdere uitlegging:

—Een slaapmutseken, Lieven, tegen de nachtmerrie en de beproevingen van den Antikrist.

Mijnheer Lazare vreesde dat Johan Doxa, bij deze gelegenheid, meer slaapmutsekens zou aantrekken dan zijn hoofd dragen kon, en dat was iedermaal tot groot nadeel van dat hoofd, hetwelk des anderen daags dan op zijne schouders pijnlijk en zwijgend te vierhameren stond. Mijnheer Johan Doxa vertrok in de kales van mijnheer Verlat, die hem zelf aan het poortje van den tingel-tangel afhalen kwam, en hij beloofde te voet naar huis te keeren. Zijne fierheid was niet weinig gestreeld, toen hij de verbaasde troniën van zijne geburen naar de kloefende paarden en het mooie rijtuig opkijken zag.

Ernest had, in den voormiddag, herhaaldelijk aangedrongen om Donaat en Cordule, de ouders van Simon Peter, mede te krijgen. Hij was hierin niet geslaagd, en het speet hem erg. In geen twee jaren had hij zooveel aan Vere gedacht als in de twee laatste dagen. Hij wist niet wat uit te vinden om het feestje aan te dikken. ’t Werd eindelijk eene koorts, waaronder hij de andere wilde smoren. Met Ko richtte hij alles in, liep de winkels af, stelde de spijskaart op, schikte de tafel, en mijnheer du Bessy, die aan dergelijke spektakels niet gewoon was, gaapte hem onrustig na.

Toen hij met Johan Doxa aankwam, wachtte reeds iedereen in de eetzaal. Hij “loste” Doxa in een hoekje, haast achter de toga van pastoor Doening, drukte haastig de hand van Rupert en meldde dat hij Vere binnenleiden zou.

Hij vond Vere op hare kamer. Ze bloosde toen zij hem zag, en hij voelde haren arm op den zijnen beven. Hij klopte zachtjes in hare hand en kuste haar op haren slaap.

—Gij zijt geheel koud, lieve! zei hij.

—Ja.... o ja.... maar neem dat niet in acht.... ik bid u....

Zij gingen de hooge spiegelkas voorbij, en zij zagen zichzelven in de zilveren ruit staan. Hunne blikken kruisten overeen en stieten verder aan tegen de blikken van hun evenbeeld. Ze schrokken allebei.

—Hemel! riep hij uit, wat hebt ge u mooi gemaakt!

—Denkt ge?

Nooit streelde dieper haar zijn lof. Ze keek werktuigelijk neer op haar zwaar-brokaten kleed met de zwarte tafstrikken over de violette bloeming, en zij was gelukkig, dat het hem behaagde haar mooi te vinden. Op haar voorhoofd droeg ze den kleinen diadeem, dien hij, op dien leelijken twistavond, al mokkend op den vloer geworpen had. Zij blikten er allebei te gelijk naar. Het briljanten starretje trilde.

—Doe dat af, bad hij.

Zij had hem opgestoken opdat, gedurende het feestje, het hem nog heugen zou. Zij deed hem gewillig af, nu zij toch zag dat het hem heugde. Ze was blij dat het zicht van het vernederd hoofdjuweel hem hinderde; maar zij sprak niet, terwijl zij het tusschen twee opgewrongen haarlokken ontspelde.

Ze gingen langzaam, steeds arm aan arm, de trap af. In de vestibule stond Ko met een zorgvuldig pakje op zijn handen, precies gelijk verleden jaar, te wachten.

—Wat is dat? zei Verlat kort, gestoord.

De oude Ko wilde uitleggen, dat hem aleens de eer was gegund en dat hij ze, met verlof van mijnheer du Bessy, een tweede maal had durven waarnemen.

—Maak u weg, gebood Verlat, kom straks of morgen daarmee.... Open de deur!

Mevrouw Verlat drukte op zijn arm, wilde toch maar het pakje en den gelukwensch aanvaarden. Ernest gaf niet toe, vond het potsierlijk en onbetamelijk, werd bijna kwaad in dat vlaagje zenuwachtigheid. Ko kreeg van Vere een zoeten blik, kromde zijn hoogen rug, stak zijn pakje in een hoek en ging, met gedweeën eerbied, de breede deur van de eetzaal openen.

Het was eene heerlijke intrede.

Vóór de rijk-beladen tafel, waar, tusschen de kristallen en zilveren blikkering van het eetgerief, kleine en grootere bloemtuilen kleurden, stonden op een ongelijke halfronde, elk met een vriendelijk lachje op het aangezicht, de blij-wachtende, aandachtige, niet talrijke gasten. Er steeg een klein rumoer dat om Vere’s hoofd in de zindering der lichten wegzoefde.

Iedereen kwam naderbij. Francine was uiterst innemend; maar hare beminnelijkheid, die sierlijker was dan ’t jaar te voren, was lang niet zoo eenvoudig en zoo argeloos. Ze schonk Vere een klein gouden boekje, overladen met ingezette parelen en robijnen, en dat ze met een fijn kettinkje op hare borst kon dragen. Binnen-in, op de vier metalen bladen van dat kostbaar boek waren de portretten van Lieven Lazare, Ernest, Fran en Oomken gelascht, vier miniaturen van de hand van Johan Doxa, den welbekenden gothieker. Mijnheer du Bessy, die er eer droevig dan vroolijk uitzag, bracht een mooie Indische sjaal. Hij had dien koop aan juffrouw Henriëtte opgedragen, die, door bemiddeling van een zekeren Boitacloux, hem uit de handen van den-duivel-weet-welken smous ontvangen had. Het was een sjaal zooals men er weinig ziet, een pracht van oranje en olijfgroene kleuren, scherp op een zwart-zijden achtergrond afgeteekend.

—Het is een nababgeschenk, zei Vere.

Dit was ook het gevoelen van mijnheer Johan Doxa, die niet ophield het langs alle kanten te bewonderen. Hij zelf had, als eigen gift, de miniatuurreeks volledigd met de afbeelding van mevrouw Verlat. Het werk was uitzonderlijk gelukt, en hij had het in een eigenhandig uitgesneden medaljon van geel ivoor ingelijkst. Mijnheer Sörge beweerde dat dit ivoor van een oud en zeldzaam soort was; maar mijnheer Doxa wilde niet bekennen dat hij het lijstje vervaardigd had uit een achttiendeeuwschen knop, welken hij bij een ruilebuiter van de Blaesstraat voor den prijs van een half dozijn broekgespen had aangekocht.

Mijnheer Sörge was zeer in zijn schik. Hij praatte veel en toen het zijne beurt was om Vere geluk te wenschen, wees hij naar een bloemtuil, die op tafel stond.

—Het spijt me dat ik u niets anders geven kan dan een rankje bloemen, zei hij; mijn geschenk is nog “in bewerking,” maar ik wed dat het u wel aangenaam zal zijn..

—Geen mysteries! riep mijnheer du Bessy, die zijn mislukt fuifpartijtje met juffrouw Henriëtte begon te vergeten.

Sörge had iedereen zeer nieuwsgierig gemaakt, en pastoor Doening keek hem zonderling aan.

—Mijn geschenk, hernam hij, luchtig lachend, is van een leerrijken aard—een boek! een boek, dat nu nog niet klaar is.... een simpel boek, mijne heeren! Maar een boek van den prozaïst Lieven Lazare, door den schrijver opgedragen aan zijne dochter!

Mevrouw Verlat was bleek geworden en pastoor Doening’s voelend hoofd had hevig binnen zijne duizend hoorndraadjes getrild. Wat moest dat beteekenen? En wat was die duivelsche Sörge dan eigenlijk? Vere kon nauwelijks danken. Ze was uit hare eigen gedachten geworpen, en het docht haar dat men haar in een tooverwereld had gezet, waar zij alleen te ademen had. Tranen kittelden over hare oogen.

—En dit nu, sprak Ernest, is mijn cadeau! Ze stond beteuterd en verslagen onder den wijden kroonluchter, met al die lachende dierbare wezens om haar. Herbegon nu het leven? Begon nu een ware leven van liefde, van licht, van vrede? Er was een mirakel aan het worden. Er was een nieuwe tijd aan het groeien.... Ze wist niet meer waar ze stond. De poorten van iets dat vol zon was, vol verre, verre, klare verten, poorten van goud waren opengegaan.

Ernest nam, uit een kistje, een stralenden diadeem en zette hem op haar hoofd.

Iedereen juichte toe. Mijnheer du Bessy riep:

—Leve de koningin!

En waarlijk, in dat onbekende rijk, in dat rijk van geluk docht het haar dat ze, op een blauwen troon met dag errond, hoog in het blauwe duizelend blauw, tot koningin werd verheven. Een droge snik schokte op in hare keel. Johan Doxa bracht haar een glaasje water, en ze huiverde als zij er hare heete lippen in doopte. Ze keek dan lang Ernest in de oogen en zij meende er te zien dat al wat gebeurde, de goede, blijvende werkelijkheid was.

Men leidde haar aan tafel, en iedereen zat reeds in de ronde, wanneer het Vere inviel dat pastoor Doening nog niet gesproken had. Ze blikte vragend op naar hem, en mijnheer du Bessy, die nu geheel blijmoedig was geworden en alles zag, schreeuwde gelijk een kind, dat een ander bij den strooppot betrapt:

—Hee! En Doening dan?

Er kwam een stilte, waarbinst alle oogen op den ouden pastoor waren gericht. Hij stond recht, haalde een papieren pakje te voorschijn, en terwijl hij het openvouwde:

—Ik heb, zei hij, niets te geven, mevrouw, dan wat ik al gegeven heb, en dat is een groote trouwe en dankbare genegenheid. Maar ik zal ook toegeven aan de mode en, vermits ik u verleden jaar een gouden hartje schonk, (hij liet het ontplooid papier neervallen en een luttel juweeltje bengelde daar tusschen zijne vingeren), schenk ik u dees jaar een gouden ankertje—het ankertje van hoop....

—Ei! deed Sörge stil.

Pastoor Doening lei het ankertje in de bevende hand van Vere.

—Breek het niet, lachte hij zoetjes, de hoop is breekbaar; maar hecht het met zijne twee tanden in het fluweel van het schrijn, waar reeds het hartje ligt.

Vere had zeer duidelijk zijne schrandere bedoeling begrepen. Dat ankertje, het was de mooie toevlucht, die hij in de verwarde branding van hare hevige gevoelens bescheidenlijk liet zinken. Hopen! Hopen! O ja, pastoor Doening, nu hoopte ze juichend!.... Ze hadde willen alleen zijn met hem om het hem te zeggen, alleen onder het beschaduwd schouwkleed, waar sinds zoo langen tijd haar eenzaam plaatsje was; ze hadde een oogenblikje dáár, in eenigheid, willen zitten, zij die thans oprees, in de glorie van haar hoop en bekranst met de straling van den koninklijken diadeem.

—En, vroeg Sörge zacht, nadenkend, wanneer het kruisje?

—Het kruis, antwoordde pastoor Doening, ja dat hoort misschien wel bij een hart en een anker.... maar nu niet, nu nóg niet.... ik zal het later, veel later geven!

Mijnheer du Bessy had bij het woord hoop een lieven bussel aardigheden voor te leggen, en hij vroeg verlof om de geschiedenis van Pandôra te vertellen, van wie gezegd wordt dat zij—door Hephaistos tot de schoonste aller vrouwen gemaakt en door Zeus, vader der Goden, op de aarde gezonden om, in de ziel van alle menschen, Promètheus te straffen, die het vuur van den hemel gestolen had—een heimelijk kistje opende, waaruit vervolgens alle kwalen de wereld invlogen, eene enkelen troost latend op den bodem: de hoop. Zij was de wettige vrouw van Epimètheus, Promètheus’ broeder....

Mijnheer du Bessy vertelde zeer liefelijk van haar en bekwam grooten bijval. Er werd flink gefeest en de viering liep op de voortreffelijkste wijze van stapel. Johan Doxa deed, tot op desserttijd, zijn best om den raad van Lieven Lazare omtrent de slaapmutsekens indachtig te blijven—daarna echter werd hem Lucifer te sterk. Hij dronk met kleine slokjes, op min dan een half uur, een oude flesch bourgogne ledig. Er kwam een oogenblik, dat hij meende te moeten verklaren dat de champagne “’t bezien niet waard was.” Hij dronk hem met gesloten oogen. De echte fuif begon voor hem na de koffie, en hij maakte met den fijnen cognac van mijnheer Verlat eene “kennis,” die hem niet meer toeliet te voet naar huis te gaan. Aan Ko werd opgedragen met hem in een rijtuig te kruipen en hem langs de steile trap van den tingel-tangel-zolder, desnoods met behulp van den koetsier, tot in zijn bed te hijschen.

Het was tamelijk laat, als men afscheid nam. Pastoor Doening was de eenige die vóor middernacht vertrok. Ernest verliet Vere niet. Zij had dien avond het weeke gevoel van de bruid, die door een fezelenden bruidegom in hare witte kamer wordt geleid. Alles, tot het laatste geluid van dat wonderfeest, was haar nieuw en gedijde tot een vreemde, ongeraden geneugte. Ze ging met hem de trap op, leunend op zijn arm, zooals zij met hem de trap was afgekomen. Eene zoete duizeling gonsde in haar hoofd.

Ernest zag, hoe gelukkig ze was. Nu hij weer alleen, in de zacht-belichte kamer, daar stond nevens haar, vóor de groote lijst van de spiegelkast, beving hem ineens de bangheid van zijne opgestapelde leugens. Hij week echter niet, wierp zich geheel in den troebelen vloed, dien hij had doen aanstormen en waaronder hij nog steeds de stuipen van zijn opgeruid geweten hoopte te stikken. Hij was echter zenuwachtig geworden. Hij aarzelde niet om aan zijn laffe onrust den schijn van koortsige passie te geven. Ze keken malkander in den spiegel aan. Hij fluisterde:

—Nog mooier zijt ge nu!.... Het is mij of ik, naast u, uit iets leelijks, iets donkers ontwaak....

—Ja?.... Ja?....

De diadeem vonkte weelderig. Zij lei hare armen om zijn hals, sloot half hare oogen, en hare lippen beefden van gretige verwachting.... Hij raakte ze niet.

—Kom, zei hij.

Hij sleepte haar mee, weg uit die helsche, wraakroepende spiegeling, waaruit de modder van zijn meineed hem naar het voorhoofd spatte. Vóor het breede bed hielp hij haar uitkleeden. Hij deed het ongemanierd, angstig. De tafstrikken ruischten onder zijne ongedurige vingeren, en krakend sloeg het zwart-purperen brokaat. Hij drukte haar pols wild op zijn borst. Haar hoofd zakte bezwijmend achterover. De schildpadden haarspelden vielen geluideloos op de sargieomboordsels van witte blonde. Hij kuste haar lang.

—Hebt ge mij lief, nog lief? vroeg ze uitzinnig.

—Ja.

Ze lag in verrukking op zijn schouder, bracht, als wilde zij daar schuilen, hare beide handen saam onder zijne kin, huiverde wellustig. Dan, mijmerend:

—O Ernest,! nu denk ik weer aan ons kindje....

Zijn adem fleerde koel, benauwd, over hare wimpers. Opgetogen, uitbundig, smeekte ze:

Niet waar?.... Niet waar?.... ge hebt het niet vergeten?.... ge denkt wel.... altijd.... aan dat kindje van ons?....

Zijne neusvleugels trilden. Hij beet op zijne tanden; hij beet den knoop door van eene eerlijke verontwaardiging, die in zijne hersens tegen zijne eigen laagheid opschoot. Hij aarzelde nog. Hij bedwong zich ondertusschen. Hij wrong over zijn aangezicht het masker, waarbuiten hij, zijn gansche leven door, gemeend had dat hij geen aangezicht bezat. Hij loog:

—Ja.

En Vere lachte stil.