Zet u hier bij den haard, Simon, zei pastoor Doening, en laat me u zeggen, hoe gelukkig ik ben dat ik u eindelijk te pakken krijg....
—Ge liet me roepen....
—Ja wel, dat liet ik.... en met goeden uitslag ook! Dat is lief van u.
De oude pastoor kwam Peter met voorzichtige armen omringen, bracht hem onder het hooge schouwkleed in een breeden zetel en ging dan recht over hem zitten. Hij liet, met een kleine rust van woorden, de kamerruimte bereiden tot de ontvangenis van wat hij vermoedde een moeilijk gesprek te zullen zijn. Hij pookte het vuur aan, onderwijl, schikte het pelsen voettapijt en leunde eindelijk achterover, zacht opblikkend naar zijn jongen vriend. Hij lachte zoetjes.
—Weet ge, kerel, sprak hij langzaam, dat het nu al drie maanden geleden....
—Ja, och ja, neem ’t mij niet kwalijk. Ik had het zoo druk....
—Herkent ge mij nog? vroeg pastoor Doening guitig.
Simon Peter wilde beleefd opkomen tegen eene zoo onmogelijke veronderstelling; doch toen hij den priester in het aangezicht keek en dat aangezicht daar vriendelijk-blank boven de zwarte toga opglom, docht het hem dat de lach met een onbekenden rimpel gescherpt was.
—Zijt ge ziek geweest, pastoor?
—Ik? hernam Doening, ik, jongen? Wel, ik ben verjongd! Hoe averechts staan toch uwe zinnen dat ge niet eens merkt dat ik er, met mijne valsche tanden, nu jonger uitzie. Simon, lach niet: ik heb me daar, in dat ijdel bakhuis, zeven nieuwe tanden doen planten. Ik word behaagziek, geloof ik—het oud zot, zooals de boeren zeggen.... ’t is het oud zot!
Simon merkte wel, dat Doening’s wangen niet meer, als vroeger, zoo mollig invielen; diepere groeven, gelijk met een priem geprent, vielen uit de hoeken van zijn neus tot onder zijne kin. Eene rappe aandoening, uit medelijden en eigen leed geboren, steeg op in hem. Hij boog het hoofd.
—Waarlijk, Simon, zei pastoor Doening, ge ziet er ouder uit dan ik, en ik heb u geroepen om u dat eens duchtig te zeggen. Wat is ’t, dat ge neemt: sherry? thee?.... Of wil ik u een lekkere cocktail laten bereiden?.... Ge hebt toch gesoepeerd?.... Dan een cocktail.... Doka!
Niet vóor Doka den gemengden drank had gebracht en stille de deur op hare hielen had gesloten, wilde Doening aanvangen met zijne vermaningen. Hij deed het dan met zijne gewone kieskeurigheid en zorgde vooral, dat hij de geelbelichte avondkamer met lichte woorden in lichte stemming hield. Hij trachtte ook Simon geheel onder zijn indruk te krijgen en hij voelde dat de gelaten onverschilligheid van den jongeling dit inzicht zeer in den weg zoude staan. Hij dacht bij zich zelven:
—Doening, oratorische Doening, wees nu een ècht redenaar!
En hij begon:
—Steek deze sigaar in uwen mond om te beletten dat ge mij, met onzin, in de rede mocht vallen, want wat ik u te zeggen heb is van delikaten aard en moet ik ineens—om ervan ontlast te zijn—afhaspelen.... Simon, mijn kind, er zit een worm in uwen geest en ge laat uwe hersens vermolmen. Het is mij, alsof ik u al dien tijd niet verlaten heb—en dat heb ik ook niet, hoewel gij er schijnbaar in gelukt zijt mij te ontvluchten. Ik weet heel goed wat er in u omgaat, en ik vrees niet dat gij het mij zult verbergen, want ik zal u niet toelaten erover te spreken. Gij hebt, gedurende deze drie zwijgende maanden, genoeg gesproken. Gij hebt niets meer te zeggen. Gij hebt alles goed uitgedrukt. De beurt is thans aan mij, en vermits het mij toeschijnt dat gij doof zijt voor de taal des harten, moet ik u wel met woorden aanspreken.... Ssjt! houd de sigaar maar stevig in den mond, en maak damp met wat ge hierop al antwoorden wilt, ik bid u.... Toen ge vrij werd gesproken en ik, de eerste, u in mijne armen ontving, wist ik reeds dat de vrijheid u een last zou worden, omdat ik wist dat gij uw hart van eene zekere liefde, die ge wel kent, niet hadt bevrijd. Ik wil mijne gedachten zoo brutaal mogelijk uitdrukken en u de toevlucht van een misverstand ontnemen. Die liefde—welke gij hadt moeten uitroeien—gij hebt ze met laffe inzichten gespijzigd, getroeteld....
—Ik...
—Gij hebt Francine nog lief. Houd uw mond toch! Denkt ge dat ge mij met den bombast van een “Ik verbied u zoo te spreken” zult afschepen? Dan kent ge de duivelsche koppigheid niet van iemand, die, met een heilig geduld, drie volle maanden geluisterd heeft zonder antwoorden en nu mordicus antwoorden wil. Ik vergeef u dat gij haar ooit lief hebt gekregen. Ik kan ook aannemen dat die liefde diepe wortelen in u heeft geschoten en dat enkele behandelingen van Francine indertijd daaraan niet vreemd waren. Maar wanneer zich dit kind in u had bedrogen, en gij aldus door haar bedrogen werd, wat hebt gij gedaan om u naar de eischen van Gods wil te schikken? Niets—niets! .... Integendeel, ja integendeel! Gij zijt u gaan inbeelden dat gij een slachtoffer waart—slachtoffer van wat? Slachtoffer van wie?.... Zwijg, ik hoor uwe opwerping, en den naam, dien gij niet durft uitspreken, ik zal hem u toesmijten, want ik wil u ten voete uit leeren kennen, geheel en àl! Sörge! Uw gansche lijf roept me: Sörge! Ik laat den naam nu in uw geest vallen—wat zegt uw geest?—Maar kerel, ge zijt bang voor uw geest, en gij voedt den worm, die uwe gedachte verwoest, gij voedt hem met waanzin. Het is dus noodig dat mijne rede beproeft te wekken, wat van de uwe nog overblijft. Ik kan Sörge’s naam zonder verontwaardigd lyrisme uitspreken. Het is nochtans zeker dat eene onredelijke antipathie mij van Sörge scheidt. Ik begrijp den jongen niet goed. Hij is mij te duister, wat zooveel is als te sterk. Mij echter, niet hem, hoef ik behoorlijk te kennen. En met een gerust geweten mag ik u verklaren dat gij noch zijn noch iemands slachtoffer zijt. Het is te gemakkelijk u als martelaar uit te geven. Gij zijt geen overwinnaar; maar meen daarom niet dat de palm der martelie u meer past dan de lauwerkrans van den zege. U past eene bescheiden voorzichtigheid in de bewerking van uwe voornemens en den uitvoer van uwe begeerten. Het wordt dringend noodig dat ge een helder zicht krijgt op de beperktheid van uwe menschelijke waarde en op de billijkheid van uw menschelijk betrachten. Simon, open eindelijk op eigen zwakheid de oogen en gij zijt uit uwe wanhoop gered!
—Mijne wanhoop....
—Wat wilt ge me toch altijd onderbreken?
Pastoor Doening sprak zeer heftig en zijne stem had meermaals ongemeen-scherpe tonen. Dat geweld overrompelde Simon, die weldra geheel ontredderd toeluisterde. De oude Doening hernam:
—Gij had Francine lief en enkele betreurenswaardige toevalligheden hebben u in den waan gebracht dat ook zij u liefhad. Gij moogt zeggen dat ik een blinde ben, maar gij kunt niet tegenspreken dat omtrent de liefde van Francine voor u geen de minste zekerheid werd gegeven. Een paar verdachte teekens van genegenheid hebt gij vergroot of ontaard, en dàt was dan de machtige stelling, waarop ge uwe toekomst gingt bouwen. Het stond u vrij zulke zwakke vesten te kiezen, maar het wordt dwaas als gij, omdat ze instorten, de gansche wereld aan het haten gaat. Juffrouw Verlat beminde u niet, en dat was ook zoo best.
—Maar gij zelf....
—Als ’t u belieft! Ik zelf, ja, heb gedaan wat ik kon om zulk huwelijk te voorkomen....
—Doening!
—Als ’t u belieft! Als ’t u belieft!.... Ik heb ook een oordeel, zou ik denken? Ik deed wat ik kon om de zaken te verhelpen. Het meisje was niet geschikt voor u. Ik wil haar niet verminderen in uwe oogen, dat ware haar vernederen in mijn hart, want gij weet, dat ik haar evengoed als gij liefheb. Ik beweer dat zij niet geschikt is om u gelukkig en haarzelve door u gelukkig te maken. Ik heb haar niet in Sörge’s armen gedreven—de Hemel verhoede mij voor zulke misdadige inzichten—maar ik wist wel dat ik, uit beider oogpunt, verkeerd zoude handelen, met haar in de uwe te drijven. Mijne krachten—ik spreek er van, schoon zij al te bescheiden zijn—reikten dus niet naar een huwelijk tusschen Francine en u. En zij deden wel.... Neem om de liefde Gods een fosfoorstekje: uwe sigaar is dood!
Pastoor Doening stak zelf vuur aan om haar weer in ’t leven te roepen.
—En, vervolgde hij, daar ik een huwelijk van dat slag voor een nest van kommer en ellende hield, heb ik zeker, mits al de voorzorgen eener beleefde kieschheid, juffrouw Francine’s oogen geopend op de ijdelheid van hare eigen gevoelens jegens u. Ja, dat heb ik. Ge hebt nu schoon uwen kop te schudden en met een vermetele monkeling alles te logenstraffen, wat ik hier zeg—heb ik gedaan, Simon, wijl mijn geweten.... Waarom lacht gij, kerel?
—Ik zwijg, ik moet mijn bek houden....
—Ik spreek in ernst. Kortom: iedereen rond u heeft een helder zicht op uwe zaken, en gij blijft in het donker dwalen. Gij kamt uw eigen ongelukjes op, om er geheel uwe toekomst mede te verschrikken. Ge hebt feitelijk een spook uitgevonden en gij laat het over uw leven schaduwen. En daar is niets echts in dat alles, niets werkelijks, behalve dit eenige, waar, op slot van rekening, de geheele historie op uitdraait: ’n paar blauwe schenen!
De losse houding, welke Peter ineens had aangenomen, licht knikkend en glimlachend soms, had pastoor Doening eenigszins uit zijn schik gedreven; en de afdoende welsprekendheid, waarop hij zoo zeer rekende om Simon definitief op te beuren, liep nu groote gevaren. Hij had gehoopt dat hij, met Simon’s eigenliefde aan te vallen, een voordeelige reactie zou wekken op zijne doodelijke gelatenheid. Daar moest hij voorloopig van afzien. Het koude scepticisme van Simon Peter, verlamde, eer ze hem aanraakten, de lieve warme woordenkeus van den ouden pastoor.
Een edelmoedig geduld kwam den goeden man sterken. En hij hernam, nieuwen moed scheppend in versche geuten van liefde en nieuw vertrouwen in den aangroeienden drang van volzinnen:
—Indien het u mocht klaar worden hoe innig ik en anderen naar uwe moreele herwording trachten, mijn kind, voorzeker zoudt gij met schoonere aandacht luisteren naar mij—naar mij, die de gezonde waarheid ophef tegen de leugens, die u verteren. Gij hebt uw leven tot eene ziekelijke, tot eene verdorven leugen gemaakt. Die leugen, gij hebt haar verleidelijke vormen gegeven. Zij bekoort u, zooals het zilveren water, met zijn eindeloos-wenkend geklots, den zelfmoordenaar kan bekoren. Zij gelijkt wel op de verderflijke deerne, waarvan Salomo in zijn spreuken gewaagt: hare lippen zijn zoeter dan de gouden honing, maar de nasmaak is bedwelmend als absinth—en hare voeten reiken tot in den dood. Simon, gij zondigt eerstens tegen u zelven. Gij eerbiedigt de ziel niet, die God aan uw vergankelijk lichaam heeft toevertrouwd, en gij lastert Hem, ja, gij lastert Hem, wanneer gij, in zijn aangezicht, uw eigen wezen misprijst.
Zachter sprak hij:
—Zult gij langer de schoone vermogens van leven in u verwaarloozen en aan eene slordige nalatigheid overgeven de zeldzame tresoren, die moeten opgaan ten hemel, in pracht? Gij moogt het niet, jongen. Maar neem aan dat gij voortaan al wat is en komt van u, bij machte zijt te verachten. Ik neem eene sekonde deze afschuwelijke monsterachtigheid aan. En dan vraag ik u, Simon: zijt gij alleen, en gij, die thans iedereen verlaat, zijt gij door iedereen verlaten? Hoe blind zijt gij! Ik zou het scherper kunnen zeggen.. waarlijk....
Zachter, zachter vielen de woorden in den avond.
—Ik zeg—blind, mijn blind kind, mijn arm blind kind!
Vermoedelijk was het Simons, herkomen ernst, die hem tot goede volharding aanzette. Althans zag hij met genoegen hoe het gelaat van zijn jongen vriend in eerbiedige aandacht opkeek, en hij verborg dankbaar zijn gulden blijdschap.
—Och! ik heb u zooveel te vertellen, en het verwondert mij dat ik nu daarmede zoo’n moeite heb. Het eene gedacht verdringt het andere, en mijne tong is lui geworden. Simon, zijt gij al niet overtuigd van wat ik te vertellen heb? Spaar mij een nutteloos en pijnlijk geweld. Ik verzeker u: gij hebt dierbare plichten jegens u, jegens u, schepsel van God, en jegens ons, jegens uwe ouders, jegens uwe vrienden, jegens mij.. Gij begrijpt mij wel, en ik hadde u nog een tijdje aan uzelf overgelaten, indien mij iemand aan de vaardigheid van uw begrip niet had doen twijfelen. En ik twijfel inderdaad, nu ik u daar zie, nu ik uw verslensd aangezicht zie en uwe oogen, die met eene gevaarlijke strakheid uitblikken. Het is me of ge uit eene eeuwige helle blikt.... zoodat ik twijfel. Uwe moeder—
—Ik....
—Een enkel woord nog. Uwe moeder kwam gisteren bij me. Ze heeft mij dingen gezeid, dingen, beste jongen .. enfin! Maar weet ge ten minste dat ge onmenschelijk wordt? Uwe moeder is bang voor u. Zij kan ’s avonds niet meer inslapen. Hare nachten zijn rusteloos. Ze loopt naar uw kamer, waar ze uwe angstige stappen hoort. Ze vreest het ergste. Meer nog: zij doet haar eigen kind ongelijk aan, want bekend heeft ze me, Simon—ze heeft me bekend, dat ze voor een ongeluk vreest. Ge koopt wapens, zegt ze. Ge leert met pistolen schieten in den tuin. Een zwaar revolver heeft ze in de lade van uwe nachttafel gevonden. Wat moet dat alles beteekenen? En ge werkt niet. Ge hebt, sinds ge weer thuis zijt, niet eens de deur van uw atelier geopend. Het wordt tijd dat ge u herpakt en dat ge bewust wordt van de schrikkelijke ontaarding waaraan, binnen u, eene kleine ontgoocheling aanleiding heeft gegeven.
Simon Peter kon nu aan het woord geraken. Hij sprak met de kalmte van iemand, die uitgenoodigd wordt te spreken over wat hij sinds weken en maanden moe is te overpeinzen. Hij verwonderde Doening meer dan hij hem zeer deed. Hij zei:
—Niets van wat gij deedt of zeidt, zal ik van mij weren of tegenspreken. Ik ben voor me zelf een scherpere tegenstander geweest dan gij. Daarom heb ik geglimlacht, toen ge beweerdet dat ik u met een “Ik verbied u alzoo te spreken” op het lijf zou vallen. Overigens weet ik dat uwe verklaring omtrent een in stilte ontworpen huwelijk van Francine met mij niet anders is dan eene vriendelijke logen. Ik ben er u dankbaar voor, maar ge ziet het: ik kan er mij ongelukkiglijk niet laten bij beetnemen. Mijn beste Doening, geloof me: uw troosten en opbeuren en verwijten, ’t is al boter aan de galg. Nu ben ik, dunkt me, brutaler dan gij u voorgenomen hadt te zijn jegens mij. Het is noodig. Ik heb veel geleden....
—Kom! Gij zijt een leerjongen in het lijden!
—En vergeefs zult gij trachten mij te bedriegen. Ik heb mijn eigen heel nauwkeurig onderzocht en ik mag u wel zeggen dat ik, schoon een leerjongen, veel, héel veel geleden heb. Daarom hoef ik mij niet voor een martelaar te houden. Dat doe ik niet. Gij zegt dat ik het doe, omdat gij denkt dat ik, in den grond, niets anders dan de opoffering van mijne liefde betreur. Gij hebt, omtrent mijne liefde, de zonderlingste opvatting en de onrechtvaardigste tevens. Ik heb Francine liefgehad, toen ik de mogelijkheid van een huwelijk niet durfde inzien. Lang zelfs was ik overtuigd dat zij nooit mijne vrouw kon worden. En ik had haar lief, en mijne liefde was zuiver. Dees kan u helpen om te begrijpen dat mijne liefde, in vrede, het onherroepelijk verlies van Francine aanvaarden kan. Versta mij niet verkeerd. Ik geef mij niet voor een held uit. Omdat ik geen held ben, omdat ik menschelijk ben (niet onmenschelijk, pastoor!) menschelijk en zwak, daarom juist heb ik zoo veel geleden. Ik zal u niet verbergen dat, toen men mij het huwelijk met Sörge aankondigde, ik geheel door een onzeggelijke wanhoop werd aangepakt. Ik verberg u niet dat mijne vrijlating mij seffens een last werd en dat, ja, de Dood mij in de oogen heeft gekeken. God had mij verlaten en ik zoude gestorven zijn, ware daar niet een liefderijk geluid gekomen uit het hart van mijne moeder....
—God?.... En gij zegt, dat Hij u verlaten had!
—Ik was zóó ellendig, Doening!.... Maar ik heb de koude vingeren, die op mijne hersens wogen, weggedreven, en toen mijn geest weer vrij was geworden, ben ik gaan denken, gaan denken.... Ik heb gedacht zoo, uren aan uren, dagen aan dagen, en ’s nachts, en altijd. Ha! gij noemt dat een mopje van blauwe schenen? Gij zijt een akelige grappenmaker; maar ik vergeef u gaarne, omdat uwe inzichten edel zijn. Ten minste zult gij nu weten hoe akelig gij u hebt voorgedaan. Mijne gepeinzen zijn vlammen geweest, waarmede ik duizendmalen mijn wezen heb gekastijd. En dat wezen, mijn vriend, is in het vuur gelouterd, en het weet nu, en het heeft nu een doel.
—Laat zien, laat zien.
—Hoop niet dat ik het u zal laten zien. Maar ik wil gaarne nog een punt ophelderen dat gij aangeraakt hebt met troebele woorden.
—Wat bedoelt ge met dat “troebele,” mijn jongen?
—Waar het begrip vaag is of geheel duister, moet het woord op zijn minst troebel zijn, en dat was bij u het geval. Gij hebt den naam van Sörge als een mysterie uitgeroepen. Gij hebt gemeend dat ge, met dien verdoemden naam, een bliksem van licht over mijn toestand wierpt. Och neen! En waar ge mij een oogenblik als Sörge’s dupe veronderstelt, doet gij dien kerel waarlijk veel eer aan. Zijn slachtoffer is Francine, zijn slachtoffer is Vere, en daarom is al wat ik tot nog toe door mijne noodlottige liefde geleden heb, zoo goed als niets bij wat ik thans lijde—bij wat ik lijde sinds ik de zekerheid heb opgedaan dat Francine en Vere de slachtoffers van Sörge zijn. Tracht mij op dat punt te ontnuchteren? Waarom antwoordt ge niet?
Er kwam eene stilte, waarbinst het zachte lamplicht roerloos hing als een manestraal.
—Gij hebt niets te antwoorden. Gij voelt dat ik met beide voeten vast sta in de waarheid. Sörge heeft Francine tot het wonderbaarste aller monsters gemaakt. Geleidelijk en met een duivelsch geduld heeft hij al hare ontwakende vermogens verdraaid of afgewend. Hij heeft, met trage hoveniershanden, deze blonde bloem herleid tot nachtzwarte roze en mij, die haar liefheb, herkent zij niet meer....
—Simon, let op!
—Is het een misdaad? Mag ik zelfs u niet zeggen dat ik haar liefheb?.... Ha! gij hebt weer slecht gehoord: niet voor mij zoude ik willen dat ze mij herkent; maar dat zij mij, voor haar zelve, niet herkent, bewijst hoe diep en volkomen Sörge’s satanische kunst haar heeft bewerkt. Zij is geplunderd van al hare natuurlijke simpelheid en door de ingewikkelde artifices, waarmede men haar heeft omwonden, dringt haar geweten niet meer. Ach, Doening! gij, die me een blinde noemdet, ziet gij niet dat Sörge voor eeuwig Francine heeft blind gemaakt?
De pastoor zat met neergebogen hoofd. Zijne handen lagen zonder beweging in zijn schoot. Wie zal ooit weten, waarom hem zoo plots een broos beeld van licht door de hersens steeg en waarom hij Reinildeken herdacht, het verre en verleden Reinildeken, staande in zoete zon, nauw in haar spannend jurkje en kijkend met groot-ronde turkoos-oogen, het eendere, het altijd eendere en onveranderde, het nooit verminkte en verwende, het gelijke en dierbare Reinildeken?
Hij stamelde, zonder opzien, verlegen of verstrooid:
—De Hemel gunne dat gij overdrijft!
—De Hemel, wedervoer Simon, warm wordend, de Hemel kan zóo barmhartig niet zijn! De Hemel duldt vampieren als Sörge, Doening; maar waarom spaart hij de onschuld en de liefde niet, waarom wil hij zelfs Vere niet sparen?
—Laster niet....
—Vere! het edelste aller harten, de mildste aller vrouwen, de rijkste aller moeders! Haar ook heeft Sörge behandeld. Is het niet? Lieg ik? Hij heeft haar met lange en kromme vingers behandeld, slinks en van verre. Hij laat een vergift druppelen in haar leven. Hij bedwelmt geheel haar huis, en dan komt hij zelf, dan nadert hij in persoon, de gretige hartzuiger, en hij bezigt haar echtgenoot om haar te treffen. En hij heeft haar getroffen. Ziet ge dat niet, gij? Ziet ge niet dat Vere kapot gaat? En ben ik de blinde, ben ik, ik alleen, de blinde?
Simon had nu met hevigheid gesproken en pastoor Doening had niet geroerd onderwijl. Simon vertraagde zijne woorden en stilde zijne stem. Hij hernam in effen rust, nadat hij de uitgedoofde asch van zijne sigaar over den haard had uitgepoeierd:
—Toorn verwart de sterke gepeinzen en voorzichtigheid verlauwt ze. Me dunkt, het beste is dat we beiden zwijgen. Maar ik wil niet dat ge me langer voor een treurenden liefdewilg houdt, en daarom opende ik uwe oogen op mijn grootste leed.
Een poos. Dan, heel stil:
—Mijn grootste leed, waaruit eene vrije kracht moet groeien.
En seffens was pastoor Doening opgesprongen. Hij stond daar bevend en bleek. Hij reikte naar Simon zijne handen en, strak, keek toe, rap vragend:
—Wat zegt gij? Wat zegt gij?
—Mijn goede vriend....
—Gij zegt daar iets.... Ik voel u, Simon. Niet redeloos overvalt mij een doodelijke angst. Ik voel u. Ik weet wat gij wilt, en ik weet dat gij beraden zijt en bereid. Maar ik, hoort ge, ik zal u in den weg staan.. Gij moogt niet, en gij zult niet!
—Ik......
—Neen, geen uitleggingen baten, en geen beloften zullen mijn wantrouwen bedwelmen. Het inzicht dat gij in eenzaamheid gekoesterd heb, is reeds onvergeeflijk. De misdaad zelf zal ik.... O Simon! Simon! hoe hebt gij uw geweten verkracht!
De oude Doka kwam heel ontzet binnen. Voor de eerste maal werd zij door haren meester met eenige ruwheid behandeld. Hij bad haar om dadelijk op te rukken. Ze bleef nochtans, en het was duidelijk dat zij iets zeggen wou en niet spreken kon. Pastoor Doening fronste zijn wenkbrauwen.
Hij wees haar de deur. Toen gelukte het haar een heesch geluid door hare keel te stooten. Ze hoestte. Ze zei:
—Daar is mevrouw Verlat.... en ze is zoo—ze is zoo....
Mevrouw Verlat stond op den drempel. Peter ging snel naar haar toe. De kamer werd stil en angstig, en, uit het schemerdonker, trad Vere vooruit, onzeker en wankend. Ze stond nu in het rozige lamplicht. Ze had een wijden mantel om, maar die hing open en slordig. Haar pelsen kapeliene plooide onsierlijk over haar hoofd en natte haarlokken vielen over hare wangen. Ze was door en door beregend. De kille Aprilwind had het tipje van haren neus en de randen van hare oogen roodgebeten, terwijl hare wangen en haar mond doodsbleek waren gebleven.
—God! dacht Doening, het groote hart stort in.
En, zijn hevige aandoeningen bedwingend, ging hij hare koude handen nemen en vroeg hij, eene stille belangstelling gebarend:
—Wel, lieve mevrouw, wat brengt u zoo laat ten mijnent?
Hij bracht haar bij het vuur. Hij zei, daar ze werktuigelijk en sprakeloos hem volgde:
—En ge zijt waarlijk nat! Ge zijt geheel nat! Ik wist niet eens dat het regende. ’t Zijn Aprilsche buien, men kan nooit weten hoe ’t weder draait. Simon, hang die mantel ginds open over een stoel. En uwe vingeren zijn gelijk ijs, mevrouw!
Hij vermoedde dat ze om wille van Peter zweeg. Hij zei heel natuurlijk:
—Simon, haast u naar de keuken en bereid er een flinken grog. Wel! Wel! wat hebben we dees jaar een gure winter!....
Vere deed een klein teeken met de hand en toen sprak ze met lage, vreemde stem:
—Neen, Simon mag hier blijven. Ik ben blij dat hij hier is. Ik heb niet te veel te zeggen.
Ze bleef stijf zitten. Ze had over haar de gevoellooze strakheid van een automaat. Hare woorden waren kort en hard. Ze kwamen uit eene gebroken ziel.
—Rust wat, ik bid u, vroeg Simon, gij zijt zoo diep vermoeid.
Zij keek hem lang in de oogen. Ze zei:
—Gij, ge kunt mij fluks begrijpen. Maar ik ben nog niet vermoeid en de rust.... wat is dat, rusten? Ik zal ook geen grog nemen, pastoor. Ik zal niet lang hier blijven, geloof ik. Ik heb nog een heele boel.... een heele boel te....
Soms viel hare stem, en de gedachte, onduidelijk geworden, werd dan telkens niet geheel geuit. Pastoor Doening was zoo geschokt dat hem, eer hij ’t voelde, een dubbele geute tranen over de oogen vloeide. Zij merkte ’t niet. Ze had Simon’s arm gevat.
—Luister eens, sprak ze, hoe ongelukkig ik ben. Ik kwam om ’t alleen aan den pastoor te vertellen, maar ik ben toch blij dat gij erbij zijt. Ik heb een brief ontvangen dezen uchtend en daarin stond.... hoe ongelukkig ik was. Ik vrees dat pastoor Doening zich niet goed kan inbeelden wat liefde is—de liefde, bijvoorbeeld, van een man voor eene vrouw, of van eene vrouw voor.... voor....
Het was een schrikkelijk schouwspel, die vrouw zonder gebaren, die stem zonder schakeeringen en dan die invallende zwakheden der gedachte. Pastoor Doening bedwong nochtans het geweld van zijn medelijden.
—Ik weet zeker niet geheel wat liefde is, antwoordde hij zachtjes, ik ken er de blijdschappen niet van. Ik bid u, laat de tegenspoed u niet verwoesten. De liefde—zij draagt een zoo schoonen naam!
—Ja, zei Vere, een schoonen naam .... In den brief stond dat Ernest mij verachtte en dat hij de slaaf was geworden van ik weet niet meer wie—eene verlaten maîtresse van Rupert .... Ge zwijgt alle twee. Ge wist dat dus alles, eer ik het wist? En geen van u heeft de bedrogen Vere verwittigd. Zoo komt deernis het bedrog voeden ....
Pastoor Doening viel haar bevend in de rede.
—Gij zijt niet wel, mevrouw. Gij zegt al die schrikkelijke dingen met eene kalmte, die nog veel schrikkelijker is. Niets is onwaarschijnlijker dan wat ge zegt. Gij ziet hoe hevig mij uw bezoek ontzet ....
—Ik zie, hernam Vere, hoe zeer u mijn bezoek ontzet. Ik heb dus den brief ontvangen, en ik heb er gelezen hoe Ernest de verderflijke wenken van Sörge had gevolgd, en hoe hij mij verliet—want mijne liefde liet niet toe dat ik het door eigen oogen vernam—en hoe die vrouw is, en leeft, en zich noemt, en hoe, eindelijk, ik zelf mij van dat alles kon overtuigen, mits dezen avond nog, na negen uren, op de Kortenbergsche laan, nummer .... nummer .... och God!
Simon keek somber en verborg zijn woesten blik onder zijne neergeduwde wenkbrauwen.
—Wie schreef den brief? vroeg hij.
Maar pastoor Doening had zich naast Vere neergezet. Hij bestreelde hare koude handen. Hij overpraatte de slechte vraag van Peter.
—Wat een leelijke brief, deed hij voorzichtig, en hoe heb ge daaraan het minste geloof kunnen hechten? Kom, mevrouw, ge heb waarlijk veel rust noodig en ik wil ....
—Ik wil voortvertellen ook, pastoor, zei Vere. De brief was inderdaad onedel genoeg, en ik verzeker u dat ik niets geloofde, ofschoon .... Maar ik geloofde niets. Rond zeven ure kwam Ernest thuis. Hij was zeer vriendelijk met me. Hij is overigens, sinds een heelen tijd, veel vriendelijker dan vroeger. We dineerden saam. Kwart vóór negen zei hij dat hij weg moest. Het diner was zeer hartelijk, hoewel Ernest geen eetlust had, en ik bad dat hij thuis zou blijven. Ik bad, en dan, ja, voor het eerst, gebood ik. Hij vond ’t heel vreemd. Ik had hem willen toeschreeuwen dat hij verraden was, dat hij blijven móest. En daarom gebood ik. Hij werd niet barsch nochtans. Hij stond recht en hij vertrok .... En tot half tien wachtte ik, en toen liep ik de straat op. Ik vond het huis van de Kortenbergsche laan. Ik schelde. Ik ging eerst heel schuchter binnen en gaf den brief af aan een bode. Ik zei simpellijk: voor mijnheer Verlat, en dat ik op een antwoord wachtte. De bode ontving de boodschap, alsof mijnheer Verlat zijn eigen meester was. Hij ging langs een duister vestibule zonder te merken dat ik hem volgde. Ik hoorde een schoonen vrouwenlach en, tot driemaal de stem van Ernest—driemaal heel duidelijk: “Allons, Milly!” Eene breede deur werd opengeduwd en, in een vloed van licht, achter een tafel met vruchten en wijnen, zoo vond ik ze....
—Mevrouw! mevrouw! ....
—Hij zag mij nog niet. Hij aanvaardde den brief, las, sprong recht al vloekend, en ineens, stond daar vóor mij, vóor mij, en hij deinsde, en hare stem .... hare stem .... ik weet niet goed ....
Pastoor Doening vond geen troost en Vere’s handen bleven koud in de zijne. Hij prevelde aldoor:
—Mevrouw! .... mevrouw! .... mevrouw! ....
Vere was trager geworden. Langer vielen hare stemklanken. Het scheen dat ze geweld deed om de weerspannigheid van haar geheugen te bemeesteren. Ze sprak nog:
—En toen ik weg was geloopen, wist ik dat hij me op de hielen zat. Maar hij heeft me niet ingehaald, en ik ben nu hier .... Ik heb nog een boel te doen, en niemand kan mij helpen .... niemand kan mij .... helpen .... kan .... mij .... helpen .... tot .... tot ....
Simon stond recht. Hij stak een forsche vuist in de hoogte en riep:
—Als er een God is daarhooge, Doening—
—Ssjt! .... ssjt! .... deed zoet de pastoor, en hij wees naar Vere die tegen zijn schouder was neergezonken.
Ze sliep. Haar gelaat lag onder de blonde kamerklaarte. Het was nog even strak en schijnbaar rustig als te voren, maar op hare wimpers zwollen gestadig tranen tot een vloeibaar parelsnoer saam.
Mijnheer Florjan Pacôme was niet gewoon vóor tien uren zijn bed te verlaten. Een mondain kunstenaar, die wijders eene pornografische aestetiek voert, heeft nachtelijke verplichtingen welke hem boven den gemeenen man verheffen en hem van zijne eigen slaapkamer verwijderd houden. Mijnheer Florjan Pacôme steeg gewoonlijk uit Morpheus’ armen tegen halfelf, en dat deed hij dan met beladen oogen, een verstopten neus, een schorre keel en een zoo verwarde haarpruik, dat hij er een wonderlijk Aztèk-uitzicht bij kreeg.
Dien morgen lag hij te elf uur nog aan het snorken. Het was eigenlijk mijnheer du Bessy, die hem wekken kwam, en dat zal niemand verwonderen, daar men weet hoe dikke vrienden deze elegante erotiekers geworden waren. Nadat mijnheer du Bessy zijn voornamen vriend luidkeels uit zijn slaap geroepen had, gaf de genadige Florjan dadelijk lucht aan zijne heerlijke ziel. Deze ziel, wanneer haar aldus vroege lucht werd gegeven, placht zich telkens in een vloed van scheldwoorden uit te laten. Zooals de uchtendstond goud heeft in den mond,—had Pacôme drek op de lippen.
—Abruti! Andouille! Constipé! Salop! Crapule!...
De weelde van zijne uitboezemingen was alleen geëvenaard door het overdadig geduld, waarmede La Flèche, de knecht, ze iedermaal aanvaardde. Ze gingen nu per abuis naar het adres van den ouden baronet, die verstandig genoeg was om ze als eene geestigheid te bejegenen.
—Ge zijt wel vriendelijk, zei hij herhaaldelijk.
De ronde haarbos van Florjan Pacôme rees uit de hoofdkussens te voorschijn en zijne handen kropen gelijk spinnekobben over de dekens. Hij herkende mijnheer du Bessy en veraangenaamde de kennismaking met een heesch-krijschenden lach, dien hij weldra onderbrak om te geeuwen. Toen liet hij zich door La Flèche in een broek en een kamerrok steken. Vóór de toilettafel gezeten, waar borstels en kammen seffens onder malkander wedijverden om aan zijn kop een algemeen-beschaafd figuurtje te geven, vroeg hij aan du Bessy wat de gelukkige oorzaak van een zoo vroeg bezoek mocht zijn.
—Ik wandelde hier voorbij, antwoordde de oude dandy, en ik ben werktuigelijk binnengeloopen. Het is thuis niet prettig, moet ge weten ....
—Toch niets gebeurd?
—Ik weet niet. Ik ben niet op de hoogte. Maar er is zeker iets gebeurd, of er moet iets gebeuren. Mevrouw werd eergisteren naar huis gebracht door Doening en Peter, en zij ligt te bed. Ik mag er niet bij. Ik weet niet eens of ’t gevaarlijk is. Ze is al maanden niet wel ook; dat heb ik lang gemerkt ....
La Flèche had het haar van Pacôme met een halve flesch Cologne overgoten en friktionneerde nu met onmeedoogend geweld. Pacôme kon onder ’t schudden en wrijven een woordje plaatsen:
—Verdomd! .... Ge moet daar .... daarnaar uit .... uitzien!
—Wat heb ik te zien? Ik heb me in den laatsten tijd, moet ik zeggen, zoo wat uit het huis geboemeld. Ik hoor niet geheel thuis meer .... Zeg eens, Cologne deugt niet voor het haar. Bardain verkoopt een snoezig Eau de Samson, dat ge gebruiken moet.
—Prends note, La Flèche!
—Doening is meer van den huize dan ik. Fran zie ik zelden, en Ernest ....
—Ja, hoe neemt Verlat de ziekte van zijn vrouw op?
—Lugubre! Hij waart als een spook rond. Hij spreekt niet. Hij eet niet ....
—Er moet wat op gang zijn ....
—Ja.
Florjan Pacôme kwam frisch en geurend uit de handen van La Flèche. Hij vatte du Bessy bij den arm en leidde hem in eene kleine eetkamer, waar een klein ontbijt hen wachtte. Ze dronken beiden een kopje chocolade. Florjan, die een broodje met appelmoes besmeerde, vroeg:
—Was Ernest dan waarlijk buiten streek? .... Daar zit, dunkt mij, de hand van Sörge onder. Eene onpasselijkheid van mevrouw Verlat zal Ernest niet overhoop werpen, denk ik. Hebt ge niets over Sörge gehoord?
—Ernest zei me gisteren: ge hoeft aan Rupert niet te vertellen wat hier omgaat. En daar ik vroeg: wat gaat hier dan om? snauwde hij me toe dat ik er niets kon aan hebben. Mooi! .... Enfin, ’t is daarginds een onverdraaglijke boel geworden. Het spijt me voor Vere ....
—Ik hoop maar dat ze gauw weer te been is.
—Ja.
Ze zwegen. Du Bessy zuchtte. Pacôme hernam:
—Ge ziet er ook niet heel plezierig uit, ouwe jongen!
De ouwe jongen boog het hoofd. Het was duidelijk dat hem iets op het hart lag.
—Du Bessy, riep Florjan, ge zit met muizenissen!
—Ik?
—Vooruit! In het licht daarmee! Ge kunt mij immers niets verbergen, en uw tronie, ge weet het, is het uithangbord van uwe ziel. Geen valsche schaamte, als ’t u blieft. De grâce! Kom uit met uwe gedachten!
Het was voor du Bessy een ernstig oogenblik, te oordeelen naar het bedenkelijk gezicht dat hij zette. Een nieuwe uitval van den bar-artist bracht hem geheel in het nauw. Hij zei:
—Och ja! maar het zal wel zoo erg niet wezen. Ik hoop het beste, hoewel dat zaakje mij verveelt. Er is kwestie van .... Kom! laat het ongeroerd!
—Maar merkt ge niet dat ge wanhopig zijt? .... Biecht op! Kwestie van ....
—Flor, ge zijt waarlijk onkiesch.
—Dat ben ik. Dat heeft Morganès me dezen nacht ook aangewreven, en die is niet half zoo teergevoelig als gij. Toe! beken maar: daar er kwestie is van.... Henriëtte?
—....
—’k Rook het. Ge zijt een uilskieken.
—Dank je!
Mijnheer du Bessy kon niet langer meer de uitlegging ontwijken. Hij aanvaardde ze dus. Hij had overigens met geen ander inzicht Pacôme opgezocht.
—Begrijp, zoo begon hij, begrijp dat ik niet jong ben; begrijp dat mijne familiale betrekkingen van een aard zijn, die niet toelaat dat ik de eerbaarheid van mijn naam aan ’t zij eender welke avontuur prijs geef. Ik begin allengs in te zien dat ik, moreel beschouwd, niet heel zwaar weeg. Mijne jeugd was, onder dat opzicht, veel beter dan mijn rijpe ouderdom. Het zou me algelijk spijten moest ik, door grove euveldaden van liederlijkheid, aanleiding geven tot zekere geruchten.. Kortom: ik mag geen schandaal verwekken.
—D’ accord.
—Goed, maar als Henriëtte haar zin uitwerkt, dan komt er schandaal.
—Comprends pas.
—Ze heeft me gisteren toevertrouwd dat ze sinds twee maanden ....
Mijnheer du Bessy kon het woord over zijne lippen niet krijgen. Hij teekende met zijn linkerhand een rond en vaag gebaar, en zag dan, boven de walmen van de chocolade, Florjan’s gezicht heel lang worden over de holte van zijn opengevallen mond.
—Heê-ôe! vroeg hij, wat zegt ge daar?
Het aangezicht van mijnheer du Bessy liet genoeg verstaan dat alles klaar en onherroepelijk gezegd was. Pacôme beet hem toe:
—Oude sloeber!
En, rechtstaande, heel luchtig, voegde erbij:
—T’es fichu!
Wat alles niet van aard was om den verslagen baronet op te beuren. Ze zwegen een tijdje allebei. La Flêche kwam de tafel opruimen. De stilte bracht in de kamer een ongemak, dat hoe langer hoe ondragelijker werd.
Pacôme had een sigaretje aangestoken. Toen ging hij vóor du Bessy staan, wijd uitbeenend, en, de tabak luid oppaffend in de ruimte:
—De hemel heeft uwe liefde dus gezegend. Compliment! Wat zijt ge nu van zin?
—Weet niet. Afwachten.
—Dat dacht ik wel. Ge zijt ook zoo vernuftig. Ik wed dat ik uw vroeg bezoek te danken heb aan mijne eigen dienstige spitsvondigheid: ge komt aan de deur van uw trouwen vriend Flor een gerieflijken uitweg bedelen.
—Ik verberg het u niet ....
—Neen, dat ’s aardig, ventje. Gij, ge hebt familiale betrekkingen, die niet toelaten... en zoo voorts. Gij, ge begint in te zien, dat ge, moreel beschouwd, een schurk zijt—of hoe hebt gij ’t uitgedrukt?.... Gij, ge hebt eene fatsoenlijke jeugd geleid en beleeft thans de grijsheid van een geilen sater—ik kan uw eigen woorden niet zoo precies herhalen. Enfin, gij, ge zijt van edele afkomst en ge moogt geen schandaal verwekken. En gij zijt du Bessy, de mondaine en aristokratische du Bessy, le chevalier sans reproche, le délicat poète, de fijnproever en minzame prater—kijk me aan! En dan komt ge bij me. Aan een ploert van mijn soort moogt ge uw bloote ziel wel laten zien. Ik ben geen Sörge, de onbereikbare, en geen Verlat, de vlekkelooze. Ik ben maar Pacôme, de bordeelschilder. Ik heb nooit met vroomheid aan mijne doode moeder gedacht. Ik heb nooit eene vrouw liefgehad, die me door een ander werd ontnomen. Ik ben een levend stuk hardvochtigheid, eene kruipende laagheid, een model-onmensch. En gij komt natuurlijk bij me. Wat hebt ge misdreven? Eene kleinigheid: een hart bedrogen, een geest onteerd, een lichaam bezoedeld. En wat hebt ge van doen, o stier? Een os om de kleinigheid te dragen!—
Mijnheer du Bessy was onder den woordenvloed ineengezakt. Zoo had hij Pacôme nooit gezien Hij. voelde zich laf en gekrenkt worden tot in het diepste van zijn wezen. Hij kon niet rechtstaan.
—Gij walgt mij! schreeuwde Pacôme. Ik veracht u evenzeer als ik mijn eigen veracht ....
Dan, koel, en met een droog lachje:
—Want gij hebt gelijk u in dezen nood tot mij te richten, en ik ben eerloos genoeg om u de hand te reiken. Ik zal u dus helpen.
Daar de baronet geheel verbijsterd toekeek, herhaalde hij:
—Ik zal u dus helpen. Hoort ge niet? Ik help u. Ik breng u uit deze modder, aan wal. Ge hoeft mij niet te bedanken. Een ploert mag kosteloos de toevlucht van een edelman zijn.
Een automobiel kwam over straat aanronken en hield onder de vensters stil. Pacôme vroeg:
—Ik zal Henriëtte aanspreken en dwingen. Hoeveel kunt ge aan eene vergoeding besteden?
Mijnheer du Bessy’s ziel verried nog eene uiterste rilling. Hij stamelde.
—Kan dat zoo met geld?....
Hij dacht aan zijne beleefde liefde voor Henriëtte en aan den eed, dien zij samen zoo dikwijls met zoenen en streelingen bezegelden. Eene schaduw kwam over zijn hart.
—Wilt gij met verzen probeeren? lachte Florjan.
Mijnheer du Bessy zou gaarne geweend hebben. Het was hem of de geheele wereld grof was geworden en zonder tuinen. Een trossel bijtende ontgoochelingen kwamen plukken aan zijn leven en hij was diep ongelukkig. Hij zond, in gepeinzen, aan Henriëtte een zoet en laatste vaarwel, en zei dan:
—Tien duizend.
—Zet vijftien.
De baronet wilde nog beweren dat hij de som niet seffens beschikbaar had, maar het stiet hem te heftig tegen de borst. Hij zweeg, stond recht, plots gretig om vrije lucht te scheppen. La Flèche kwam aan zijn meester een vizietkaartje overreiken.
—Ga-je weg? vroeg Pacôme.
Hij werd dadelijk daarop zoo bleek en seffens nadien zoo blauw-rood, dat du Bessy naar hem toesnelde en hem bij de armen vatte. Pacôme had het vizietkaartje laten vallen.
—’t Is al over, sprak hij heesch, wanneer zie ik u? Stoor u niet aan me. Mag ik u morgen verwachten? Best. La Flèche zal u uitgeleide doen. Au revoir!
Mijnheer du Bessy was weg. Pacôme viel neer op een stoel. Hij begon met een geurend zakdoekje over zijn aangezicht te waaien, ademde herhaaldelijk heel diep en ging toen vóor een spiegeltje zijn haarkrullen in hun schik herleggen. Hij spande al zijn krachten in om eene losse en zelfstandige houding te winnen, en hij was er nagenoeg in gelukt, toen de salondeur werd opengeduwd.
Rupert Sörge stond vóor hem.
Pacôme zag dadelijk dat het bezoek noch vriendelijk noch beleefd kon zijn. Hij veinsde nochtans dat hij daarvan niets zag en, gul den bezoeker te gemoet gaande:
—Welk genoegen, beste Sörge, begon hij, u hier ....
Sörge trok de salondeur dicht, sloeg met een hoofdknik Florjan’s welkom af, en kruiste dan rustig de armen over zijn borst.
—Mijnheer Pacôme, zei hij, ik wensch van u uitdrukkelijk te weten waarom ge, nu drie dagen geleden, een naamloozen brief aan mevrouw Verlat zondt.
—God beware me, Sörge! Wat zijn dat voor verzinsels?
—Ik zal geen driemaal de vraag herhalen. Ik heb den brief op zak. Verplicht mij niet hem u onder den neus te wrijven.
—Ik verzeker u, mijn waarde, dat ik uwen onzinnigen overmoed missen kan. Wat wilt ge toch?
Sörge trad vooruit.
—Gij zijt een hartelooze booswicht, Pacôme! fluisterde hij. En ik ben gekomen om u dat eens behoorlijk te zeggen. Ik wist dat ge mij haattet; maar ik vond het min gepast om mij aan uw padde-haat gelegen te laten. Ik wil den naam van haar, die hiervan de oorzaak is, niet uitspreken. Uwe aanwezigheid zou hem besmetten. Om mij te raken hebt ge niet geaarzeld de rust van een geheel huishouden te breken. Ge hebt op de laagste wijze Verlat verraden en met oolijke schrifttrukjes het verraad van u afgeschud om het op mij te werpen. Ge hebt niet bedacht, domkop, dat deze oolijkheid juist den waren dader aanwees. Mevrouw is doodelijk ziek. Ik zeg: doodelijk ziek, Pacôme. Ik houd u voor haar leven aansprakelijk, Pacôme .... Hoort ge mij goed, Pacôme? Kijk niet zoo angstig naar de deur. Het huis is ledig. Uw knecht zit met mijn chauffeur in den kroeg .... Ge schelt? .... Onnoodig, laffe Pacôme!
Sörge was in stijgend geweld waarlijk schrikkelijk geworden. Pacôme deinsde voortdurend achteruit, rugde eindelijk tegen den muur.
—Sörge! riep hij door bangheid ’t roekelooze wagend, Sörge, ge zijt een—
Hij werd ruw bij de keel gevat, voelde het bloed opslaan en zwellen op zijn slapen, snakte hevig naar lucht. Nog hoorde hij, dicht op zijn gelaat, de sissende stem van Sörge:
—Bid God dat Vere niet omkomt—versta-je? .... Bid God! .... Bid God! ....
Een violet floers wentelde over zijne oogen en hij zonk in eene lauwe lamheid neder. Hij zag niets meer. Een zacht geronk gonsde rond hem. Groote zwarte gebaren spookten rond hem; maar ze zien deed hij niet. Het waren breede bewegingen van een nacht die ondoordringbaar was ....
Hij ontwaakte in een sofa. Hij kwam stil bij en blikte seffens in de gezichten van La Flèche en juffrouw Henriëtte. Hij herkende ze dadelijk. Hij opende zijn mond op een vloek, grommelde:
—Wat moet dat hier beteekenen?
En dan herinnerde hij zich. Hij schoot uit tegen den knecht en, rechtstaande, overrompelde den jongen met een vlage van scheldwoorden.
—Waar waart ge? Hee, zuipbalg! Waar waart ge? Ik heb immers gescheld?
La Flèche beweerde dat hij den chauffeur een handje toestak, toen mijnheer juist onpasselijk werd, en hij voegde erbij dat hij zich gelukkig heette, nu mijnheer geheel was bijgekomen. Hij werd met een schop aan de deur gezet en Pacôme, terwijl hij zijn halsboordje en zijn losse das schikte, ging juffrouw Henriëtte congratuleeren. Hij dacht daarbij aan du Bessy en, den baronet nu beladend met al den haat, dien hij de geheele Verlat-familie toedroeg, liet hij zijn nijd in een luiden lach losbreken.
—Chouette! schaterde hij, ge hebt hem de zwangerschap goed opgedraaid, poesje! Hij past nu in gindsch vervloekte huis. En vijftien duizend patatters! ’t Is gauw verdiend, niet? We zullen deelen. Bombance! A nous les plaisirs, à nous les femmes du monde! .... Jetteke, ge zijt een engel. Kom hier, dat ik u kus!
Maar Jetteke was niet in jolige stemming. Integendeel. Ze zag er vrij barsch uit. Hare lippen waren dicht op elkander geperst en een trage droom duisterde in hare oogen.
—Zijt ge moe? vroeg Florjan.
Ze schudde haar hoofd, sprak niet, keek dan lang den schilder aan.
—Uw hals is blauw, zeide ze.
—Mijn hals? .... Ha ja! een kleinigheid .... Waar? .... O! hier!—Dank u.
Hij vond haar zonderling. Hij rimpelde zijn voorhoofd, sprak stil, laag:
—Kijkt ge waarlijk zoo belangstellend naar mijn hals?
—Men heeft u bij de strot gepakt. Ziet ge ’t spoor van een duim en een wijsvinger? .... Dáar!
—Meisje, ge zijt bedonderd.
Ze lachte flauw, bijna verdrietig. Ze ging neerzitten, bij het vuur. Haar neus werd soms zenuwachtig opgetrokken, en dan scheen ze telkens een groot misprijzen niet te kunnen onderdrukken. Pacôme beloerde haar. Hare houding verontrustte hem meer dan hare woorden.
—Als ge wat te vertellen hebt, zei hij langzaam, verstop u niet langer.
—Ja, deed ze met waardigheid, dat zal ik doen. Ik heb u wat te vertellen. Is du Bessy hier geweest? En hebt ge hem de vijftien duizend afgetruggeld? ....
Ze blikte in ’t vuur, had haar beenen over mekaar gelegd en deed haar optippend schoentje boven de vlammen wiegen. Ze vertoonde, bij al hare gebaren, een gevaarlijke onverschilligheid.
—Ik wenschte wel te weten wie de heer was, die hier zoo bleek en stijf is uitgegaan om zijn auto, daarbuiten, in te springen.
—Dat wenscht ge te vergeefs, allerliefste Henriëtte, want ik weet niet of zulke wenschen in uw mond wel gerechtvaardigd zijn. Ik heb jegens u, meen ik, niet de minste verplichtingen ....
—Juist. En ik evenmin jegens u. Ik heb daarom besloten niet langer uw dupe te zijn en ik wil du Bessy bekend maken met uwe .... gauwdief-combinatiën .... Ge lacht. Ge hebt ongelijk.
—Vijftien duizend balletjes! .... schertste Pacôme.
—Ik zal ze met genoegen missen.
Florjan Pacôme kon zijn drift niet langer bemeesteren. Hij sprong op en kwam met zijne beide vuisten op de tafel slaan.
—Gij, duivelsche slet! tierde hij, meent ge dat ik uw oproertjes met een effen ziel zal dulden? Meent ge mij nu in te slaan met uwe goedkoope waardigheid? Ik bid u—pas d’épate! Ge hebt nog altijd kans dat ik u met haar en pluimen in de straatgoot werp, waar ge thuis hoort .... Zie me dat aan! Zoudt ge er niet dood bij vallen! Madame se drape! Madame wil in een klooster gaan en nonnetje worden! .... Hee! wilt ge dat? Wilt ge dat? Hebt ge u vooraf gespiegeld?
—Geen herrie, toch! Ge merkt genoeg dat ge mij niet raakt.
—Pardon! madame is niet te raken .... is niet meer te raken .... is niet met een kooltang aan te raken! .... Zeg, wil ik u eens wat aanwrijven, dat u voor eeuwig van uwe nieuwbakken deftigheid verlost?
Maar hare blikken, die ze nu met indringende koppigheid op hem had gevestigd, braken den hortenden vloed van zijne welsprekendheid. Eene korte stilte viel. Toen zei ze ernstig:
—Ik raad u rustig aan mij den man te noemen, die u bij de keel heeft gevat. Ik raad u aan mij de waarheid over Pezza te zeggen.
—Pezza? ....
Hij keek ontzet op. Hij draaide zijn hoofd links en rechts als om zich, van allen kant, bij eene ingebeelde menigte te overtuigen, dat hij niet verkeerd gehoord had. Hij lachte ongemanierd.
—Pezza! .... God in den Hemel! deze maagd wordt dol! .... Gij droomt nog van Pezza, gij! Ça me dépasse! Deze kuische Suzanna droomt nog van Pezza! Zij heeft, sinds zij hem ontmoette, hare liefderijke gevoelens met wondere trouw en monsterachtige zuiverheid gevoed. Hee? Dat heeft zij toch? .... Zij heeft, sinds hij verdween—en God mag zijn ziel hebben, indien de hel te vol was!—zij heeft niet opgehouden hem in haar liliaal hart te bewaren! .... Hee? heeft zij niet? .... Verdomd, heeft zij niet? .... Hoor eens, Henriëtte, geen flauwe kul, ik bid u! Ik heb het dezen morgen te druk!
Juffrouw Henriëtte scheen zich om deze drukte weinig te bekommeren. Ze was blijkbaar besloten niet af te wijken, en in hardnekkige kalmte vervolgde zij haren eisch.
—Ge zult vergeefs beproeven mij om te leiden met woorden, Florjan. Gij weet wat er met Pezza gebeurde, want gij waart—ik begrijp het nu—de medeplichtige van hem die hier uitgaat.
—Van hem die hier uitgaat?
—Van hem die u hier ten halve verwurgd heeft. Ik heb hem herkend, toen hij op zijn auto zat. Dat auto—het is het gele van vroeger nochtans niet—maar dat auto heeft hem verraden, en hij ú.—Ge bedaart, merk ik? Dat is wijzer ook. Spreek nu!
Florjan Pacôme bedaarde echter niet. Hij was plots, gelijk onder een groot licht, stil gevallen, en eene schrikkelijke aandoening overweldigde hem. Hij staarde, als betooverd, in de oogen van Henriëtte. Aan spreken was vooralsnog niet te denken. De emotie stak hem, gelijk een prop, in de keel. Hij knikte en had daarbij een tamelijk onnoozel gezicht, dat Henriëtte toeschreef aan de raakheid van hare beschuldiging.
—Zeg het nog eens, stotterde hij eindelijk, zeg het nog eens .... En zijt ge zeker dat hij het was?
Hij dronk nu gulzig hare woorden. En hij herinnerde zich al de bijzonderheden van Pezza’s verdwijning—het bleek verzengd gelaat van den ontvoerder, het gele auto, en Henriëtte, de eenige getuige.
Tot driemaal wilde hij van haar hooren dat zij uitdrukkelijk in Sörge het verzengd gelaat van vroeger herkende, en toen, zijn blijdschap uitlatend, sprong hij de kamer al zingend en schreeuwend rond. Het duurde een heelen tijd, eer hij erin gelukte de toedracht der zaak voor Henriëtte uit te leggen, en zij zaten eindelijk verzoend nevenseen, op de sofa, in gemeenschappelijk overleg beramend wat al voordeelen zij uit de toevallige ontdekking zouden putten.
Ze besloten een reisje te doen, in Mei, met de premie, welke de Regeering hen voor de aanhouding van Rupert Sörge zoude uitleenen. Wat overbleef, zou in de Staatsspaarkas de vijftienduizend “vaderlanders” van mijnheer du Bessy gaan aanvullen.
—Och ja, beaamde Jetteke, het is best dat we alles in de Staatspaarkas neerleggen.
Florjan had tusschen twee zoenen uitgeroepen:
—Ah! ma chère!
Nu hield hij zijne wraak. Nom de nom de nom! nu hield hij zijne wraak! .... Ze dejeûneerden samen bij Riche, juffrouw Henriëtte en mijnheer Florjan Pacôme, saam, gelijk tortelduifjes.