De dokter had bevolen dat niemand in Vere’s kamer binnen mocht. Het was de dikke dokter, die Pip had verzorgd en aan den dood moest afstaan. Vere verbleef twintig uren in bewusteloozen sluimer. Ze was uitermate zwak toen ze hare oogen opende, maar ze herkende den ouden dokter dadelijk. Zij zag zijn bolblozend gezicht en zijn rooden nek. Ze glimlachte en zei:
—Ik herken u nog wel. Heugt het u van Pip, ons kleine kindje?
Hij verzocht dat ze zoo weinig mogelijk zou spreken, en ze luisterde reeds naar hem niet meer: ze herinnerde zich wat er al voorgevallen was, en ze sloot opnieuw hare oogen, zacht-weenend. De dokter sprak niet, bleef zitten, wachtte. Toen hij hoorde dat ze zuchtte:
—Och God! Och God!
nam hij zacht hare hand in de zijne en zijne stem verkreeg eene ongemeene zoetheid.
—Mevrouw, zei hij, ik bid u te willen inzien, dat gij zeer, zeer zwak zijt. Ik kan niets doen voor u, indien gij mij niet helpt. Ge moet u afwenden van uw leed. Het is van uw leed, dat wij moeten u trachten te genezen.
Zij schudde haar hoofd.
—Terwijl ge spreekt, deed ze lispelend, voel ik hoe ziek ik ben. Goede man, ik vrees, dat ge.... Och! Och!
Ze weende alweer, maar de lichte toets van die vreemde hand op de hare, was haar zoet.
—Wat vreest ge? vroeg hij. Ge wilt mij toch helpen, niet waar?
Ze fluisterde:
—Ik weet niet wat ge zegt.... Ik vrees niets.... Ik vrees niets meer.... Ik heb mijne oogen altijd vol tranen....
—Lijdt ge?
Ze keek hem aan, wendde dan langzaam hare blikken. Haar gelaat was mat en verwoest. Hare vingeren, wit en haast doorzichtig, gleden over de kanten sargie en lagen dan op heur hart. Ze ademde flauw.
—Is uw hoofd nog zoo ijl, mevrouw?
Ze dubde aarzelend:
—Mijn hoofd.... mijn hoofd....
Haar hoofd zakte dan zijwaarts en ze zweeg, viel weer weg in den zonderlingen slaap.
Ze bleef zoo anderhalf uur. De avond blauwde de kamer. Eene lange gasthuisnon slierde af en toe over het tapijt, had het blonde nachtlichtje aangestoken, ging dan in een lagen zetel zitten.... De kamer was heel stil. Men voelde dat het geheele huis, gelijk eene groote leêgte stond, stille. De geluiden der straat drongen gedempt op en stoorden deze stille kamer niet.
Te halftien kwam de dokter over Vere buigen. Ze had niet geroerd. Hij keek lang in haar aangezicht, legde zijn hand op haar voorhoofd. Maar ze roerde nog niet. Hij zei aan de gasthuisnon:
—Wanneer ze weer bijkomt....
En toen, plots, werd Vere wakker. De dokter blikte goedig over haar. Hij had een grooten kop, die vol leven was en dien hij minzaam kon maken. Vere voelde hoe overdadig en gezond zijn dikke kop was.
—Mag ik pastoor Doening niet bij me hebben? vroeg ze.
Hij schuddebolde voornaam, gelijk bij snoepende kinderen die te veel vragen. Hij sprak:
—Ge moet redelijk zijn. Ik verzeker u dat ge niet praten moogt, en met Doening....
Ze had een flauwen glimlach.
—Neen, zuchtte ze, och!.... och!.... wel neen.. ik heb niets te zeggen, en de pastoor heeft ook niets meer te zeggen.... Waarlijk! wij zijn.... uit.... uitgepraat....
Hij nam haar pols en wachtte weer een langen tijd. Hij gaf nadien enkele inlichtingen aan de lange zwijgende gasthuisnon en, zich naar Vere omkeerende, vroeg hij:
—Beloof me dat ge redelijk zult zijn. Ge moogt niet spreken, en ge moet het verleden voorloopig met ruste laten. Eer de week om is, zijt ge te been, maar ge moogt me niet dwarsboomen. Ik zal ook aan Doening zeggen dat hij met u niet spreken mag. Hij mag hier dan zitten en waken. Ge zult, dunkt me, geruster zijn.
Ze prevelde, dankbaar:
—O ja, ik zal geruster zijn.... geruster zijn...
De dokter vertrok. En kort daarop trad pastoor Doening binnen. In de blondroze klaarte kwam hij, zacht en voorzichtig, zijn broos en gevoelig hoofd schuin uitstekend naar voren, en zijne handen dragend, nevenseen op zijn borst, als witte geleiders. Op kleinen afstand van de sponde bleef hij staan. Hij had geen droevig uitzicht. Hij glimlachte ook niet; maar de goedheid, die uit gansch zijn wezen straalde, was uiterst vriendelijk en genegen. Vere reikte hem hare hand. Ze kon ze hem éene sekonde reiken, en seffens viel ze, uitgeput. Hij vatte ze rap.
—Goddank, zei hij zoetjes, ge zijt aan de beterhand, mevrouw!
Ze antwoordde daar niet op. Ze dacht dat hij zoo fluks gekomen was en ze groette hem:
—Ik dank u....
Nu werd het haar, alsof ze hem een hoop dingen had te zeggen. Ze keek hem smeekend aan. Waarschijnlijk raakte hij, met zijne fijne gedachten, de begeerte die op hare lippen lag, want hij klopte stillekens op hare vingeren en sprak:
—De stad rust, en het huis rust.... en niets is liever dan te luisteren naar de algemeene rustigheid.
Ze begreep hem en sloot een tijdje hare oogen. Wanneer ze weer opzag, stond Doening nog ter zelfder plaatse en zijne zachte goedheid straalde voort. Ze vroeg:
—Wilt ge dáar zitten, dichtbij?.... Ik ben zoo blij dat ge hier zijt.... dat ge gekomen zijt.... Ik zal beproeven te rusten.... mede te rusten....
Hij deed wat ze vroeg, zonder haast, en toch was ’t alsof hij zich gespoed had. Hij zat tegen het bed aan. En nu zwegen ze lang. En de nacht gebeurde.
De nacht gebeurde langzaam en machtig. Hij hing gelijk eene dreigende gaping in de kamer, en soms schoof de smalle schaduw van de gasthuisnon langs hem voorbij, en hare hooge gestalte scheen hem te vullen. Vere meende telkens dat hij over de gasthuisnon dichtvallen zou. Hij werd haar vaak grinnikend en gevaarlijk, maar zij voelde gauw dat hij buiten, over de daken, vrij en blauwig omging, en dat hij mild was.
Die nacht bracht haar een deugddoenden vrede. Zij had hare vele kommernissen bijna vergeten. Ze herkende hare zorgen uit elkaar niet meer en doezelde in vage gepeinzen weg. Ze had een groot vertrouwen in de aanwezigheid van pastoor Doening. Een enkele maal slechts werd ze angstig. Het was de gasthuisnon die haar, tegen den uchtend, bang maakte. De gasthuisnon kwam uit een hoek te voorschijn en hare zwarte voolen hadden geruischt. Vere kende nauwelijks haar gelaat. Dat gelaat klaarde nu ineens op, scherp en akelig, en het lachte. Het was een krijtwit gelaat.
—Hô-ô-ô! huiverde Vere, en haar mond viel open en wild stonden hare oogen.
Pastoor Doening nam hare hand en sloot ze in beide de zijne, en ze bedaarde tamelijk gauw. En tot de dag rees, hield pastoor Doening hare hand.
De morgen kleurde liefelijk, eerst zachtgroen, dan weelderig-roze. De morgen begon een leutig leven in de kamer en raakte lichtelijk de vormen en de ruimten. Hij bracht een fijne beweging over de muren en over de kanten sprei die op het bedde lag, en rond het grijs-kroezelend hoofd van pastoor Doening.
Doening’s hoofd was gebogen. Het dacht of het bad. Het was met zijne stille werken bezig.
Vere bekeek het juist, omdat de morgenspeling dat hoofd zoo merkwaardig maakte. En toen, plotseling, overviel haar een zware vloed uit het verleden. Hare hand trilde en het belangrijke hoofd rees op. De oogen van Doening toetsten de oogen van Vere. Hij stond recht. Hij was zeer aangedaan en zijn lippen beefden. Schielijk riep hij Reinildeken tot zijne hulp, en, nadat hij Reinildeken uit hare eendere zon, van heel verre, had zien opkomen, rilde en toegejurkt, herwon hij zijne kalme gebaren.
—Mijn vriend, zei Vere, ik denk nu daaraan, dat ge mij eens op een droeven dag een gouden hartje ten geschenke boodt.... en dan, op een blijderen dag, een gouden anker....
Hare stem was ernstiger en vaster. Ze sprak rustig.
—En het hartje, en het ankertje.... och! ze liggen daar ievers....
Geen droefheid kon ooit dieper in-klinken, dan het effen geluid van deze droeve stem. De dag was licht rondom. Pastoor Doening fluisterde:
—Mevrouw!.... Kom, mevrouw!....
Ze glimlachte en hare oogen sloot ze een wijl ten teeken, dat hij vergeefs zou spreken.
—Ge zult me raar vinden, hernam ze, maar ik doe niet opzettelijk om ’t hier triestig te maken en u te vervelen.... Zeg mij, nu dat ik, in waarheid, liefde en hoop heb verloren—wanneer komt mijn feestdag, dat ik het kruis krijg?.... ge weet: het kruis....
Ze werd weer vaag. Ze ging wegzwijmen in een doffe lispeling van gelijke woorden. Hare oogen bleven echter droog. Ze zei, haast onhoorbaar:
—Ik ben niet redelijk. Ik doe u leed aan.... Och!
Het was alsof die kleine zucht hare borst neerduwde en uitputte. Ze bracht de sargie tot onder hare kin en ze scheen in te slapen.
De dokter vond haar zoo. Den vragenden blik van pastoor Doening beantwoordde hij met een tevreden knikje, zoodat Doening, geheel opgeruimd, weer ging neerzitten, en, van blijdschap, weigerde te gaan ontbijten. Hij aanvaardde echter een kop melk, die hem door de gasthuisnon aangeboden werd.
De dokter had inderdaad eene werkelijke verbetering in Vere’s toestand bespeurd. Hij achtte het daarom niet noodig zelf bij de zieke te blijven, die hij, binst den voormiddag, aan de zorgen van Doening zou overlaten. Doening ging hem, vóor hij de kamer verliet, stevig de hand drukken, en zette zich weer in de stilte, verbeidend den aantocht van goede uren.
Vere sliep tamelijk lang; maar, toen ze ontwaakte, omtrent noentijd, merkte de oude pastoor wel dat ze heel zwak was en dat eene ongemeene koorts hare oogen ontstak. Het docht hem ook dat ze hem niet dadelijk herkende. Ze begon pijnlijk te kuchen. Ze blikte naar de zoldering, waar ze, met ongewone strakheid, de bange figuren harer verbeelding volgde. De zon lag in twee gulden strepen over den muur. De zon joelde ook achter de neergelaten gordijnen, en, als een beweeglijk en tintelend en al-doordringend meel, schoof zij, schoon gezift, door de zijden maliën.
Vere zag weldra ’t rijke geweld van den dag en ’t was haar eene voordeelige afleiding.
—Het weer is veranderd, zeide ze; zie eens, hoe heerlijk de Lente aanwappert....
—Ja, knikte Doening, gelijk een wondere vlagge.. de zon is goed, is goed....
—Zeker.... Hoe laat is het nu?
Het trof Doening buiten reden, dat ze zich om den gaanden tijd bekommerde. De kleine klok, die op het hooge schouwblad stond, wees twintig minuten vóor éen uur. Vere herhaalde zacht:
—Vóor éen uur.... vóor éen uur....
Ze verviel terug in werktuiglijk klanken-maken, en hare blikken zwommen weg. De gasthuisnon kwam haar nochtans gelijk naar gewoonte verzorgen, en ze aanvaardde alles met beloken oogen.
Kort daarop wendde ze haar hoofd om en, langzaam de hand reikend, keek op naar den peinzenden pastoor. Hare wimpers waren als met een rozigen gloed beschenen. Een grijs-matte kleur lag droog en heet op hare lippen. Daar hij hare hand gevat had, drukte ze op zijne vingeren en hij boog zich over haar. Ze fluisterde tegen zijn aangezicht:
—Ik heb u iets te vragen.... Ik voel dat—dat het noodig is.... Ge moet geduldig zijn....
Ze slikte, om hare stem uit de nauwheid van hare keel te bevrijden. Ze ademde dan diep.
—Ik zou willen, vervolgde ze, dat ge.... dat ge Ernest binnen liet....
Ze zag hoe ontzet pastoor Doening haar aanstaarde en ze meende te raden wat in hem ommeging.
—Neen, hernam ze ernstig, vrees niet dat ik me geweld zal aandoen.... Is hij in huis?
Pastoor Doening knikte. Het verheugde hem dat ze zich uit hare onverschilligheid opwerkte, en hij hoopte dat haar nu die gedachte aan Ernest deugd mocht doen. Daarom begon hij, met zijn gewone voorzichtigheid en kiesche manieren, over Ernest te spreken.
—Hij is in huis, ja, zei hij.... sinds dien leelijken avond heeft hij de deur van uwe kamer niet verlaten. Ge hebt maar de stem te verheffen om hem bij u te hebben. Ik geloof wel dat de Hemel hem vergiffenis schenken zal, want hij—
—Och!.... Och.... kuchte Vere, gij gelooft.... Och!.... wat gelooft gij toch?....
—De Hemel is barmhartig, mevrouw.
—O ja.... Ik heb u niet goed begrepen, mijn vriend.
Ze herlei haar hoofd op het kussen, en hare dikke haarstrengen kleurden zwaar op de hooge bleekheid van haren hals. En ze zei in een zucht, alsof ze moe werd en rusten wilde:
—Laat maar.... ik ben alleen.... ik ben alleen.. Roep niemand, en laat me zoo blijven—alleen....
—Wij bidden God, die over ons neerblikt, opdat Hij ons rechtvaardig make!..
Haar mond was half-open. Traag klopte een ader op haar keel. Een klein geluid stierf met een lichten adem weg over hare lippen, en het was opnieuw, alsof ze ingesluimerd was.
Pastoor Doening schudde zijn kop en, de handen vouwend, begon een innig gebed. De kamer die eenderlijk stil lag, vertoonde evenwel eene beweeglijke nieuwigheid. De vlerkslag van een aanwiekend seizoen ruischte er ieverig, gevende aan alle dingen een uitzicht van hoop en van moed. Maar over het lauwe bed naderden niet de frissche vleugels. Het gelaat van Vere lag er gelijk een wijkende herinnering....
De onzekere vingeren van Vere tastten naar den arm van Doening. Te nauwernood verstond hij wat ze zei:
—Roep hem, zei ze, roep hem gauw.... ik kan mijne stem niet heffen.
Hij wist niet wat hij doen moest. De dringende toon ontstelde hem en, ofschoon hij de vermaningen van den dokter vreesde, betrouwde hij, met de hulp van God, op de ingevingen van zijne eigen gevoeligheid, en hij ging om Verlat binnen te laten.
Deze kwam seffens. Hij stond in zijn zwarte jas. Zijn voorhoofd was hoog en wit.
—Hier! fluisterde Vere.
Ze kuchte. Ze zei nog:
—Ernest....
Hare stem was oneindig zacht. Om haar heen steeg eene zachtheid die hemelsch was.
Toen Ernest Verlat op de Kortenbergsche laan zijne vrouw was nageloopen en deze bij Doening zag aanschellen, had hij haar daar niet durven volgen. Hij was naar huis gegaan, had Ko naar de Hamerstraat gezonden met de kales, en lag dan in een zetel te wachten.
Eene schrikkelijke botsing van beelden en plannen donderde door zijne hersens. Hij had wel ingezien dat, vroeg of laat, Vere zijn verraad zou vernemen; maar nooit hadden zijne gedachten lang bij die gebeurlijkheid stilgestaan. Ze kwam nu ineens. Ze viel in zijn leven als een bliksem en ze smeet hem uiteen. Wat moest hij doen? Wat zoude Vere doen?
En hij beproefde om met objektieve traagheid zorgvuldig den toestand te meten. Hij dacht:
—Hoe wellustig zou Rupert dat doen!
De koelheid, die in de laatste weken zijne betrekkingen met Rupert eenigszins gehinderd had, belette niet dat hij in alles Rupert beneed. Zij vergrootte integendeel zijne slaafsche bewondering, doordien ze, al hem verwijderende, de kleine en storende zwakheden op dat enorm karakter onzichtbaar maakte. Ernest hield de gebeurtenis met Vere voor een sentimenteel buitenkansje, waaruit hij vreesde niet genoeg profijt te kunnen trekken. Ze overrompelde hem wel; maar zijne zinnelijke verwarring moest, naar hij vertrouwde, een zeldzaam genot worden. Het middelpunt van het spektakel dat komen moest, was de jaloerschheid van Vere. De zwaarte van het dramatisch vertoog zou zich op die jaloerschheid concentreeren. Twee mogelijkheden konnen zich voordoen, dacht hij:
—Vere loopt bij Doening. Doening ontvangt met beminnelijke zalving hare onvermijdelijke tranen. Dan spreekt hij van God, van berusting, van een beter leven. Hij komt waarschijnlijk met citaten voor den dag. Kortom hij sticht haar in het kristelijk geloof en Vere wendt haar gelaat van mij af om het naar den hemel te keeren. Als dat het geval wordt, krijgen we geen extra’s. Na drie weken zegt Vere dat ze mij vergiffenis schenkt en alles is in orde. Maar de zaken kunnen ook anders gebeuren.... Vere loopt bij Doening. Zij is inderdaad wanhopig. Zij roept dat er geen God is en dat de mensch op eigen krachten en naar eigen inzicht moet handelen. Al wat Doening doet en zegt, het blijft aan de oppervlakte,—het is een oogenblikkelijke troost, die door het volgend oogenblik vernield wordt. Zij wil niet naar huis keeren en, in haar hart, wekt zij het plan om zich op Milly te wreken. Morgen of overmorgen, wanneer zij het vertrouwen van Doening ingesust heeft, gaat zij naar Milly en zij lost—natuurlijk zeer onhandig—de zes schoten van een revolver. Het kan niet anders of de wapenmaker, bij wien zij het revolver koopt en doet laden, merkt haren ingetogen drift en vult met leêge kardoezen. De omstandigheden, die hieruit moeten volgen, kunnen vermakelijk zijn....
En hij herlas den brief, dien Vere ontvangen had.
—De brief streeft naar de hand van Sörge, en van Sörge kan hij niet zijn. Ik zelf zou hem beter opstellen. Ik moet den brief naar Sörge sturen en er een nota bijvoegen.
Hij moest, bij dat al, geweld doen om met eenige kalmte zijne bespiegelingen door te zetten. Er roerde eene onbestendigheid in hem, een angst, dien hij in de peutering van zijne gedachten niet vangen, niet bemeesteren kon. Hij beschouwde dat onzeker en aldoor dreigend gevoel als eene zeldzame begeleiding van zijn wikkend en koud-kombineerend vermogen. Maar daar het aanhield en gelijk een knagende muil aan den wortel van zijn hersens peuterde, veronderstelde hij algelijk, dat zijn wil niet zoo krachtig was als zijn inzicht het wel eischte.
—Sörge is rustiger....
O, die rust van Sörge, die effen gelijkheid van aandoening, dat gladde gelaat, waarover de minste speling zijner oogen tot haar recht kwam! Ten koste van zijne natuurlijke voldoeningen, trachtte Ernest naar dien wonderen vrede, en, terwijl zijn gansche wezen in roerende bangheid huiverde, waande hij dat hij haar machtig was.
Hij had eene sigaar aangestoken en liet ze seffens uitdooven.
—Het avontuur, meende hij, zal mij in Milly’s oogen belangrijk maken.
Toen glimlachte hij droevig. Hij kwam op het denkbeeld dat “de mensch geen geweten heeft, dat het geweten eene gemakkelijke uitvinding is om de wildheid der instinkten in de beleefde konversatie te matigen.” En hij zei werktuigelijk, half-luide:
—Ik ben toch, goed bekeken, een walgelijk dier.
Het deed hem plezier dat hij ingewikkeld genoeg was om, langs wegen van bespiegelend genot, tot die overtuiging te komen. Het beeld van zijne moeder rees dan, vaag maar grootsch, in zijn geest en hij verdreef het met eene troostende algemeenheid:
—Wij zijn allemaal haaien.
Kort daarop was de kales binnengereden. Hij verbleekte even, herzette zich, wachtte onvast, hoorde dan, met verbazing, de stem van Simon Peter. Hij stond recht, ging rap de deur openen, begreep ineens dat een groot ongeluk in huis gekomen was. In de vestibule liep hij Simon te gemoet.
—He-wel?
Simon had een harden blik. Hij sprak niet, ging dadelijk Ko helpen, die met pastoor Doening, de bleeke Vere droeg. Ernest kreeg een stoot in de borst en zijne knieën, zwak geworden, plooiden halvelings.
—Is ze....?
Hij dierf het woord niet uitspreken. Pastoor Doening zei:
—Ze ligt in bezwijming, al lang—te lang. Simon heeft den dokter verwittigd.
Ze droegen Vere in haar bed. In stilte deed elk zijn zoete gebaren rond Vere, zoodat stilaan de kamer warm werd van innigheid. Een tijdje later, te halftwee, kwam al neuriënd mijnheer du Bessy in huis. Bij ’t verhaal van Vere’s beroerte ontnuchterde hij niet geheel, en daar men hem de oorzaak van de ziekte verzweeg, wat hem misschien voor goed buiten zijne zinnen zou gesmeten hebben—trok hij zonder veel praats naar zijne slaapkamer op.
De dokter vond dat Vere erg was geraakt. Wat hij ook beproefde, hij kon haar niet uit de zonderlinge bezwijming wekken. De dag ging voorbij en de avond viel eer zij bijkwam. Zij was uiterst zwak.
In den nanoen zaten Ernest, Simon en Doening in de eetzaal. Het was Ernest nog niet gelukt uit de verbijstering te geraken, waarin het onverwachte geweld der gebeurtenissen hem had gestort. De forsche vuist van het blinde toeval had hem, met één slag, uit zijn ivoren kunsttorentje doen tuimelen, en hij bevond zich zonder houvast, ontredderd, op die zee van werkelijkheid, waar hij verplicht was een menschelijk lijden te aanvaarden.
Hij leed binst die oogenblikken veel en oprecht. Het leven van Vere was hem buiten alle perken dierbaar geworden en geen meer dan hij bekommerde zich zoo uitsluitend om den tragen gang der ziekte. Pastoor Doening had deernis met hem. Terwijl zij gedrieën in de eetzaal zaten, klopte hij hem nu zachtjes op de schouders, fluisterde:
—Laat ons berouwen en vertrouwen....
Het was op deze woorden dat Ernest weer aan het peuteren ging. Het medelijden van Doening wekte bij hem de onwillekeurige zekerheid:
—Ik lijd waarlijk. Ik zie er diep-lijdend uit en betreurenswaard....
Hij analyzeerde dadelijk zijne houding, wist hoe zijn haar verward stond, hoe zijn das scheef hing, hoe zijn hemdlobben frommelden. De goedkeuring van den pastoor—want Ernest verdiende in zijn eigen oogen, door zijne korrekt-verslagen voorkomen, meer dan eene al-lang verdiende vergiffenis—die goedkeuring gaf aanleiding tot de kittelende coquetterie “om toch in dat lijdzaam uitzicht te volharden.” Hij volhardde daarom met de nauwkeurigste zorgzaamheid. En dan, nadat Doening bij de zieke was binnengelaten, werd hij moe.
Den avond door en binst den nacht die volgde, onderzocht hij in zijne spinnende hersens of de dood van Vere, op slot van rekening, niet wenschelijk was. Hij nam de mogelijkheid van een wereldreis met Milly in overweging....
Het was kort vóor dat pastoor Doening hem roepen kwam, dat hij, uit al zijne ingewikkelde beramingen de oogen opheffend, den kouden, rechten, zwarten blik van Simon aanstiet. De botsing ontstelde hem, en hij bemerkte nu, voor ’t eerst, de ongenegen woestheid van Simon’s houding.
Simon beloerde waarschijnlijk de gelegenheid, die zich thans voordeed, om aan eene uitlegging te geraken.
—Ik hoef u niet te zeggen, zei hij ruw, dat uw gedrag mijne vriendschap voor u overwalgt.
—Gij zijt kiesch. Een ander oogenblik....
—Een ander oogenblik zal ik niet meer treffen. We zullen malkander niet zoo dikwijls meer ontmoeten. Dat hoop ik....
—Dat hoopt gij?....
—Dat wil ik. Maar ik berisp u niet. Ik beklaag u en ik veracht u.
—Simon!
—Ja. En dat kom ik u, in uw huis, zeggen. Schrik niet. Denk ook niet dat ge de verontwaardiging moet spelen. Ik wensch dat die helsche Sörge in u nog genoeg menschelijkheid heeft ongedeerd gelaten om u toe te laten, in deze pijnlijke uren, uwe vrouw te eerbiedigen. En het is omdat ik ook hieraan twijfel, dat ik onder dit dak zit en tegen wie ook uwe vrouw verdedigen zal. Heel dees huis, het dierbare leven en de liefde van dees huis, ge hebt het, door uw lafheid, laten verwoesten. Hoe men u ook bedwelmd heeft en verblind, dat zult ge toch wel inzien, meen ik?
—Ge zijt.... Kom, Simon, ik vergeef u die uitzinnige woorden.
—Ik dank u waarlijk voor uwe genade. Ik heb aan Doening beloofd dat ik mijne handen naar Sörge niet zou uitsteken. ’t Is waar: hij is de echtgenoot van Francine. Maar ik zal mijne belofte niet houden, hoort ge? niet houden, zoo gauw ik weet dat hij ook Francine ellendig maakt. Open toch eindelijk uwe oogen!
—Willen wij zwijgen? Het is best. Er zijn sommige roekeloosheden, die ik niet met kalmte kan aanhooren.
—Alleen nog dit, eer ik u aan uwe kalmte overlaat: waar is het briefje dat Vere ontving?
—Sörge....
—Reeds in Sörge’s handen. Ik dacht het waarachtig! God beware den schelm, want ik—....
En pastoor Doening, uit de ziekekamer tredend, had met een teeken Ernest naar binnen gewenkt.
Vere, het hoofd diep in de kussens, lispelde tot tweemaal:
—Ernest!.... Ernest!....
De doezelige schemerklaarte maakte hem eenigszins sterk. Hij vreesde altijd een vol licht op zijn aangezicht. Hij naderde, voelde dat de lauwheid van het bed en de gemengde reuken, die over de vele fleschjes van de tafel walmden, hem week maakten. Maar toen hij het gelaat van Vere zag, sprong zijn hart open van medelijden. Hij herkende Vere niet meer. Zij zei:
—Vrees niet en nader nog.... nóg....
Zij had de stem van een kind. Zij was klein geworden, zoo klein, zoo klein. Alleen haar mond, die grijs was, en hare groote oogen, door diepe koortsen gevoed, waren oud, ouder dan ze plachten.
Hij deed nog een stap, raakte de kanten franjen van de sprei. Hij zag zonder opzien de twee scherpe zonnestrepen, die op den muur klaterden. Een lange stilte begeleidde in de hooge kamer het zachte spel van het poeierig lentelicht. Doening zat neer en zijn hoofd, gebogen, gelijk altijd in verduldige bescheidenheid, scheen in de ruimte te hangen, zooals een voorzichtig en uiterst-gevoelig leven. De handen van Vere, die nevenseen op de sargie lagen, hadden niet geroerd. Haar hoofd had niet geroerd. En de stilte duurde.
Toen vroeg ze:
—Hebt ge mij niets te zeggen, Ernest?
Zij had geen ongemak om dat te vragen. Ze was heel licht en haast doorzichtig. Ze was, met die onwerkelijke stem, boven alle verlegenheid verheven. Ze was eenvoudig, en haar eenvoud had alle barreelen van het cerebrale treuzelwerk en alle misverstanden geweerd.
Maar ze bracht Verlat in het nauw. De klank, die uit deze oprechtheid steeg, kwam klokken in zijne ijdele ziel met vervaarlijke geluiden. Hij stond te sidderen te midden van zijne eigen ledigheid.
—Ja, stotterde hij eindelijk, o ja....
Hij wankte. Hij viel op zijne knieën. Een harde snik schokte uit zijn borst en hij lag daar tegen het bed, met den kop in de dekens, luidop te schreien.
De kamer was niet gestoord. Dat geweldig weenen krenkte noch de kieschheid van Doening’s hoofd, noch de lijze vleugeling van den zonnedag, noch de luwe zoetigheid der ruimte, noch Vere, die met gesloten oogen te luisteren lag.
Ze luisterde naar wat haar die snikken zeiden. Ze luisterde lang en veel. Dan hief zij hare handen en zocht, stille, naar het hoofd dat schreide. Ze lei hare beide handen erop. En ze zei:
—Gij zegt dingen.... gij zegt dingen....
Hare handen vatte hij wild. Hij bracht ze onder zijn bekreten aangezicht en drukte ze op zijne natte lippen. En feller bonsde zijn hart, zoo dat het bloed, in rappe kloppen, tot op die lippen sloeg. Hij zag nu niets meer dan de grootheid van hare ziel, hij voelde niets dan den eindeloozen gloed van hare barmhartigheid, hij verzonk in haar, en zijn leed was hem een uitermatig genot. Hij vond geen woorden om tot haar te komen en om haar te danken. Hij herhaalde éen woord, dat hem zoet was en vaag, en waarmede hij in een drang tot andere woorden zou geraken. Hij herhaalde het op alle tonen en het was iedermaal met tranen bedruppeld.
—Vere!....Vere!....O Vere!....
Op zijn mond waren de handen zwak en tenger. Ze waren niet warm. Ze hadden geen streeling. Ze hadden zich overgegeven. En het geweld van zijn deernis, die eigen smart geworden was, joeg hij op over de broosheid van die handen. En gedurig vezelde hij:
—Vere, goede Vere!.... Vere!....
En dat ze voor hem geleefd had, dat ze voor hem gedacht en bemind had, dat ze voor hem moeder was geworden, het drong alles innig en diepe door dat éene woord, honderdmaal herhaald. En moeder!.... Hij snikte:
—Moederken!.... Moederken!....
Dan beefden hare handen. Een wonder leven voer er door en spande op de tippen van de vingeren. Ze vatte zijn hoofd, kroop half overeind, hief triomfelijk haar gelaat omhoog. Naar een verren hemel keek ze, naar een dierbaar beeld keek ze, naar een geliefde kind droeg ze de hulde van een herwonnen vader. En ze bad:
—Pip! Pip!....Ons zoete Pipje!....
Een glimmende blos kleurde hare wangen en hare lippen trilden. Ze lachte. Haar mond en hare oogen lachten geluideloos, in lachgrijns gerokken. Ze schudde vrij haren kop.
—Pipje! Wij hebben te saam aan u gedacht!
Ze riep het als een zegepraal en ze prangde Ernest aan haar boezem. Ze riep waarlijk hard. Ze kuste hem.
—Nessie! Nessie! Mijn arme goede jongen! Mijn verdwaalde beste jongen!
En weer kuste ze hem en riep ze op haar doode kindje. Maar hare stem brak. Hare armen verlamden. Haar hoofd werd zwaar en een zwarte wemeling van zwemmende vormen verduisterde haar blik. Nog schreeuwde ze, in volle wanhoop de uiterste kracht hervindend:
—Doening! Doening!.... Help mij! Help mij! Ik wil leven, hoort ge?
Ze viel achterover en spartelde in de dekens. Heel flauw herhaalde ze:
—Ik wil leven, ik wil.... o nu wil ik!
En flauwer, wegklagend:
—Nu wil ik zoo graag.... zôo....ôo....grâa-aag....
Met wijd-open oogen staarde ze op de zoldering en bleef zoo een tijdje. De zachte vingeren van den pastoor streelden over haar voorhoofd, en de wijde angst vlood uit haar blik. Ze hoorde zeer goed dat hij, dicht bij haar, smeekte, aldoor smeekte:
—Mevrouw tóch!.... Mevrouw!
En ze wilde zich, al hem aankijkend, dankbaar toonen. Ze keek hem stil, ongemeen rustig aan. Ze schudde nauw zichtbaar haar moede hoofd. De gasthuisnon gleed voorbij door de zonnestrepen.
—Née, deed Vere lispelend, ik voel het beter: ik ga weg van u allen.... ik ga sterv—
Niet zoo gauw had Rupert Sörge mijnheer du Bessy doorgezonden, of hij liep naar zijn leeskamer, schreef in haast enkele brieven en schelde Takker, die ze allen langs den vlugsten weg bezorgen moest. Mijnheer du Bessy kwam vanwege den dokter om mevrouw Sörge, door bemiddeling van haar echtgenoot, te melden dat mevrouw Verlat uiterst slecht was en haar gaarne wilde zien.
—De duivel hale u! mommelde Rupert, wanneer Oomken verdwenen was, ik vrees dat de gebeurtenissen mij vóor zijn!
Hij had dadelijk beredderd wat nog met veel haast en veel vernuft te beredderen was. Onder het schrijven en het schikken gromde hij binnensmonds zijne misnoegdheid. Maar alle uitwendige teekens van toorn of verveling wist hij oogenblikkelijk onder een glad masker van gedweeë onverschilligheid te bergen, toen Francine, die hij had ontboden, binnentrad. Hij ging haar spoedig te gemoet.
—Hoe vaart ge vandaag, melieve?
Ze liet het liefelijkste lipje, dat ooit onder Gods hemel bloosde, monkelend neerkomen.
—Slecht, deed ze pruilend, hoe kan iemand varen, die u haast twee volle dagen mist?
—Ik had het druk, heel druk, geloof me.
Ze was gewoon alles te gelooven wat hij zei, en ze deed dit ook nu. Ze ging zitten op een lage canapé en hij bedelde een klein plaatsje aan hare zij. Hij plukte in haar hals, onder het ronde haarkrulletje, dat achter haar linkeroor lokte, een lichten zoen, die jeukte.
—En dan, vervolgde hij stiller, ge waart Maandag weer zoo jaloersch op d’Orval....
—O! schrikte ze, kan dat u van mij verwijderen?
—Neen, het verwijdert u van uzelve. Dan wordt ge eene Fran, die beneden de mijne is en vrij eentonig doet.
—Ik heb op geen enkel oogenblik gevoeld dat uwe liefde eentonig was, zelfs dan niet, wanneer ik u twee dagen moest missen. Ik heb u nooit dan geheel liefgehad.
—Ik ben u dankbaar, maar hoed u voor jaloerschheid, wilt ge?
—Ik haat die vrouw niet meer....
—Hoe spijtig!
—Ik ben bang voor haar.
—Hoe spijtig!.... Hoe spijtig toch! ... En hoe redeloos! Inderdaad, ge hebt soms manieren van een schuchter vogeltje, een angstig vogeltje, en dan is het me waarlijk of mijn hart te groot is voor u. Kunt ge d’Orval niet haten? Dat ware, geloof ik, mij heerlijk liefhebben.
Ze lei hare hand op zijn mond. Haar mooi hoofd, waarrond een gouden klaarte straalde en opwalmde bij poozen een geur van meibloemen en wilde leeljen, kwam rusten op zijn borst.
—Ge eischt altijd, fluisterde ze daar, zoo reusachtige werken van mij! Och, sinds dien avond ....
—Wat meent ge?
Hij sprak korter. Hij wilde niet dat ze de groote zwakheid van dien avond wekte, hij wilde niet weten dat hij in overspanning gevallen was. In zijne oogen had hij, zelfs toen hij viel, de meesterschap over menschen en dingen behouden—maar hij had een gebied betreden dat (hij wist het nu) steeds voor Francine ongenaakbaar moest blijven. Hij hernam, zachter:
—Gij waart dien avond heel verre van mij, herinner me daar niet aan.
Ze vestigde hare groote groene oogen op hem. Ze had, door alle listen en ervaringen waar hij haar geleid had, den heerlijken schijn der onschuld in haren blik bewaard.
—Vergeef me, Rup!
Ze vroeg een kus en ze kreeg hem. Sörge zei:
—Ik heb u voor ernstige zaken ontboden.
Het viel haar in dat ze Takker in drukke werking door het huis had zien loopen.
—Gaan we op reis? vroeg ze. Me dunkt, men sjouwde met koffers in de vestibule.
—Neen, antwoordde hij los; ik, misschien, zal een paar dagen wegvliegen. Ik moet denkelijk naar Weenen, waar het bestuur over vaderlijke goederen mijn aanwezigheid vergt .... voor een tijdje .... Het moet een zware rit worden en ik houd er daarom niet aan dat ge medegaat.
—Dat is een akelig nieuws, Rup.
—Kom! .... Ik heb ook plannen .... plannen van een anderen aard .... maar dat is te lang om uit te leggen en vervelend ook. Ik zal u schrijven .... Ik wilde u vragen of ge in den laatsten tijd mijnheer Peter ontmoet hebt?
—Peter? .... Simon? .... In geen eeuwigheid.
—Ik heb een en ander vernomen .... en geraden; en dat verplicht mij buiten stad te zijn als hij zich hier aanmeldt, ook eer ik vertrek. Moest gij hem vandaag ergens ontmoeten, en dat zult gij, zeg dan eenvoudig dat ik te Weenen ben—tenzij hij u de eer niet aandoe naar mij te vragen.
Hij had haar sinds lang aan de kortheid van berichten en besluiten gewend. Ze verwonderde zich niet over den zonderlingen aard van zijn mededeelingen en ontving ze vredig. Ze vroeg toch:
—Zal ik Simon ontmoeten? Ik weet waarlijk niet ..
Ze glimlachte ongeloovig; maar, op den ernst van zijn aangezicht, werd ze aandachtig. Hij begon langzaam over hare vingeren te streelen en zijne handigheid was wonderbaar.
—Ik heb u, lieve, sprak hij trager, voor strenge zaken ontboden. Mevrouw Verlat .... Vere is ziek. Ze is nogal erg ziek, naar het schijnt. Dat is heel treurig .... Waarom kijkt ge zoo strak naar ’t venster uit?
Francine keek verder dan het venster. Vere’s naam, met de tijding van Vere’s ziekte, wierp haar plotseling in een verleden, dat al heel verre lag. Ze zag Vere en, haarzelf, een lustig meisje dat licht door het leven wipte en geen toekomst schuwde, een kind dat ze, onder haar eenvoudige gestalte, nauwelijks voor haar eigen herkende. En al wat naderhand gekomen was, had dat kind tot vrouw gemaakt en, te gelijk, die vrouw van Vere verwijderd.
In het medelijdend gevoel, dat opvloeide in haar, kwam ze Vere en zich zelf nabij. Haastig trok ze hare hand weg van Sörge’s vingeren. Ze ried dat Vere stervend was.
—Maak u niet angstig, vermaande Rupert.
Zijne stem klonk vreemd in hare ooren. Ze was gelijk een galm die troebel door duisternissen echoôt en geen beteekenis heeft. Francine keek naar hem zonder hem te verstaan. Ze voelde wel dat ze in tranen ging losbarsten; maar vóor hem, die ook haar niet begrijpen zou, liet ze hare aandoening af. Voor de eerste maal zag ze duidelijk dat, waar hij niet ganschelijk over haar heerschte, zij hem wantrouwde gelijk een vijand.
Ze vroeg niet wat eigenlijk met Vere gebeurd was. Ze wist dat, met haar te verwittigen, hij haar bij Vere tot een eeuwig afscheid uitnoodigde. Ze vroeg niets. Ze wilde, geleid door zonderlinge fierheid, niets vragen, en die fierheid was de geborgen eerbied, die nu uit hare deernis en liefde voor haar schoon verleden steeg.
Aan Sörge ontsnapte de volle beteekenis van deze waardigheid niet. Hij had haar gevreesd en zij kon hem niet meer verwonderen. Hij brak het ongemak dat tusschen beiden gekomen was met een woord, dat toonde hoe weinig hij over het voorval wenschte te praten.
—Wees zoo goed te zeggen, ginds, hoezeer me het gebeurde aandoet en hoe diep ik betreur dat een onuitstelbare reis mij van een verplicht bezoek komt berooven. Ik hoop het allerbeste met Vere.
Hij ging haar op het voorhoofd zoenen en zei, met een knikje en even buigend:
—Adieu!
Francine stond verlegen. Rupert had een gansch ander uitzicht, docht het haar, en ze deed groot geweld in hare hersens om het verschil te bepalen. Ze hoorde nog dat hij herhaalde, vriendelijk:
—Adieu! .... Adieu! ....
En ze wist geen weg met de verwardheid van haren geest. Hare oogleden werden warm, en vaag de groene blik, op Rupert gevestigd. Wat rees er tusschen hem en haar?
—Adieu! zei hij.
Ze zag niets meer. Het groote licht van het venster wapperde troebel, en het was nu te laat om den vreemden hinderpaal te weren, die tusschen hem en haar gerezen was. Ze beet op hare lippen en vertrok, even schokkend, op hare hooge hakken. En hij deed de deur op hare hielen dicht.
—Het komt alles te vroeg, dacht Sörge, en ik heb mijne stellingen slecht berekend. Misschien ....
Hij zat neer, leunde over de schrijftafel,—verzonk weldra in zijne gewone mijmeringen en overtastte, met kunstige traagheid, de gladde soepelheid van het ivoren aapjesbeeld. Hij bleef heel lang, tot hij, in de verste geneugten van zijn mikkenden geest verwijlend en met de oogen toe, de palen taakte van het mogelijke denken. ’t Was dan of hij sliep ....
Takker wekte hem uit dien ongemeenen slaap met de onverwachtste boodschap:
—Florjan Pacôme!
En Sörge, door woede gejaagd, sprong op.
Mijnheer Florjan Pacôme deed eene zeer aanmatigende intrede. Zijn grijnzende lach en overdreven beleefdheid verscherpten de ironie van zijne vrijpostigheid. Hij boog laag en deed zijn hoed in breede reverentie zwaaien. Hij scheen niet te merken dat Sörge, recht tegen de schrijftafel, van ongedurigheid beefde.
—Ik kom, sprak hij, ik kom, mijn beste heer, het gesprek van dezen morgen voortzetten.
De stem van Sörge was dof en siste door zijne tanden.
—Kerel! .... kereltje! neem u in acht!
Florjan Pacôme was zoo vrij te gaan zitten. Zijne geel-geschoeide handen liet hij spelen over zijne knieën. Hij zag op naar Sörge, wiens blik hij onbeschoft verdroeg. Hij kuchte even, gelijk iemand die, tot het uitbrengen van belangrijke waarheden, zijn keel bereidt.
—Het gesprek van dezen morgen was vrij.... hevig, mijn waarde! Gij zijt ook wat onverhoeds het huis uitgeloopen, wat mij noopte u het antwoord schuldig te blijven. Neem me niet kwalijk.
—Mensch, ge maakt het bont!
—Heê!? Ik ben hier met het antwoord! Is dat niet lief van me? Ik derangeer me om u het antwoord te brengen .... en het is dus maar recht dat ge mij er voor dankbaar zijt.
—Ik ben gereed! Ik ben gereed!
Pacôme voelde dat hij best deed met gauw uit te pakken, want het gelaat van Sörge was schrikkelijk geworden. Hij stond daarom recht en, de armen kruisend:
—Ik kan u thans zeggen wie zekeren brief aan mevrouw Verlat geschreven heeft. Geen andere, mijn goede Rupert, dan iemand, die weet dat gij Pezza in een auto ontvoerd hebt en die bovendien de beste bewijzen bezit om zijne overtuiging te staven.
Een vreemde, harde, schuifelende vloek ontsnapte aan Sörge. Hij wipte naar voren, stond daar, de handen naar Florjan reikend, in hevig-dreigend gebaar. Dan sloot hij zijne oogen, stiet met een korten ruk zijne kin op, en zijne kaakspieren zwollen, hoekig-gebult. Zijne armen zonken, eene rozige, gewone kleur herbracht zijn gelaat in orde, en hij keek Pacôme rustig, onzeggelijk-rustig aan.
Toen schelde hij. Takker verscheen. Hij sprak Takker in zijne hotsende tale aan, zond hem toen weer weg en had, nadien, een lachje voor mijnheer Florjan. Mijnheer Florjan had zich aan eene andere houding verwacht. Hij hoestte om, eenerzijds, zichzelf van zijne gewichtige tegenwoordigheid te verzekeren, en wijders de verwarring te bergen, waarin hij aan het zinken was.
—Verkouwen? vroeg Sörge met belangstelling.
Hij raakte even den schilder bij de mouw en zei met vriendelijke kalmte:
—Ik dank u. De mededeeling stel ik hoog op prijs. Gij waart waarschijnlijk edelmoedig genoeg om, vóor ge hierkwaamt, uwe ontdekking bij Dissel aan te bieden?
De zekerheid dat hij dit waarlijk nog geen uur geleden gedaan had, kwam niet te onpas de verlegen figuur van Pacôme wat moed bijzetten. Hij knikte derhalve gretig en meende er te moeten bijvoegen dat “het nieuws met ministeriëel welgevallen was aanvaard.”
—Prachtig! beaamde Rupert Sörge—Maar ge weet alles niet en het zou me spijten moest ik, voor een greintje maar, oorzaak zijn van uwe gedeeltelijke onwetendheid.
Hij wees beleefd een stoel.
—Zet u, zeide hij, ik vraag het nu zelf.
Florjan Pacôme begon in te zien dat zijn bezoek een aard kreeg, die niet het minst met zijne vooruitzichten strookte. Beteuterd bleef hij staan, vreesde voor het verder verloop van dees avontuur en betreurde in petto dat hij niet aan de lokkende begeerte had weerstaan om, zooals hij ’t zich had ingebeeld, “tusschen vier oogen te genieten van Sörge’s nederlaag.” Aan Henriëtte had hij bij Riche en onder het uitkakkelen van een viezen lach verklaard:
—J’m’ en vais un peu rabaisser le caquet du faux grand homme! A mon tour de cogner!
Le faux grand homme, dat was natuurlijk Sörge. Daar kwam nu Sörge ineens op hem af, duwde hem met een ruk neer op een stoel, vleiend:
—Ho! Ik bid u, zet u toch! Maak het u gemakkelijk.
Florjan Pacôme zat. Vermoedelijk ware hij, zelf zonder de beleefde uitnoodiging van zijn gastheer, niet lang blijven rechtstaan, want zijn moed was hem in de laarzen gezakt en zijne beenen waren vodderig geworden. Het was zichtbaar dat hij van al ontzag had afgezien.
Rupert Sörge sprak:
—Het verwondert mij, Pacôme, dat uwe ingeboren lafheid u dees bezoek niet heeft afgeraden. Ge moet mij wel haten, om het gevaar te trotseeren wat voor u met zulk bezoek verbonden is. Nijd en afgunst hebben u al tot heel wat vuile praktijken aangezet; dat wraakzucht echter u zoude kunnen vermetel maken, slaat mij met verbazing. Maar, jongen, met wien toch denkt ge dat ge te doen hebt? Is het u dan nooit opgevallen dat ik wellicht voor u een onbegrijpelijk wezen ben? Ik wil u volstrekt inlichten, Pacôme, hoewel ik mij daarom in uwe oogen niet begrijpelijker maken zal .... Houd, als ’t u blieft, uwe handen stil, die gelijk spinnekobben over uw knieën scharrelen!
Sörge’s stem, hare vreeslijke kalmte bewarend, zonk lager, ging langzamer klinken ook.
—Ziehier het geval met Pezza. Ik mag het u in vertrouwen wel zeggen, in vertrouwen, eerlijke Pacôme! .... Pezza was een verrader en de bondgenoot van minister Dissel. Dat is nu nog zoo heel erg niet, ofschoon ik vermoed dat uwe rechtschapen inborst tegen zulk verraad en zulk bondgenootschap in opstand komt. Maar Pezza was zwak genoeg om, op mijn heimelijken wenk, Simon Peter, uw en mijn rival—heugt het u nog?—over te leveren, en daarom heb ik hem gestraft—ik alleen, mon cher, ik, buiten de revolutionaire Commissie om.
Hij lachte vreemd, hernam luchtig:
—Ben ik waarlijk niet eene revolutie op mijn eigen? Ik kan straffen, zooals ik gebieden kan. Hoort ge goed wat ik zeg en verstaat ge, Pacôme, wat dit voor u te beduiden heeft? Ik heb Pezza gestraft, en Pezza—het kan u waarlijk niet schelen hoe ik het aan boord lei—Pezza, verdronken, verhangen, vergiftigd of anderszins, Pezza is dood! Ge hoeft daarom nu zoo niet te beven. Ik ben nog niet van zin mijn handen uit te steken naar u—voorloopig niet, nee ..........
Hij herhaalde nadrukkelijk:
—Voorloopig, Pacôme! .... Maar ge zult inzien dat ik niet van zin ben de dupe te worden van wat ge zoo al hatelijks en gluiperigs doen kunt. Het is daarom best dat ge met meer bescheidenheid te werk gaat en dat ge, in dien zin, juffrouw Henriëtte met goede raadgevingen besproeit. Ik heb redenen om te denken dat uwe openbaringen, bij Dissel, niet voor eenige dagen de minste uitwerking vertoonen zullen. Zorg ervoor dat zij u geen al te zware straf berokkenen .... In afwachting kunt ge hier tot morgen logeeren. Het is best dat ge dat doet. Wat denkt gij?
Florjan Pacôme dacht niets—ten minste dacht hij aan zoo veel dingen te gelijk, dat zij hem waarlijk door hun geharrewar belett’en aan een enkel onder hen te denken. Hij zag den bronzen knecht weer verschijnen op den drempel. Sörge zei nog:
—Takker, dien gij daar ziet, zal u eene aangenaam gezelschap zijn. Wees zoo goed en volg hem .... toe!
Sörge vatte Pacôme bij de schouders, duwde hem naar voren, de deur uit, waar Takker met handige ruwheid den “peintre à la mode” ontving.
Toen de kamer weer stil en eenzaam was, kwam Rupert tegen den schoorsteen aanleunen, en bleef lang mijmeren. Het kleine medaljon, dat op zijn doosje hing, ontsloot hij naderhand, keek scherp het bevallige gelaat aan, dat frisch binnen de gouden randen hem toewenkte. Een kort oogenblik had hij ’t gevoel van eendelijk alleen te zijn en liefde noodig te hebben. Was deze jonge vrouw waarlijk zijne moeder—en eene moeder, is dat waarlijk zoet om te zien en te bezitten? .... Hij werd week, glimlachte dan kort.
—Komaan! beet hij zijn eigen toe, da’s allemaal gek!
En hij ging zich aankleeden. De paarden van het coupé, dat hij besteld had, kloef-klepperden onder de vensters, op straat.
Rupert Sörge wachtte in het kleine grijs-en-mauve boudoir van de Kortenbergsche laan, en Milly d’Orval verscheen weldra, in prachtig binnentoilet, het hooge hoofd in een diadeem van blonde écaille omsloten. De bruine toon van haar kleed, belicht met roomgele zijde en overal door den gloed van amethysten ontstoken, bestreelde voortreffelijk de lenigheid van hare vormen.
Rupert stond recht. Hij groette haar bescheiden. Ze reikte hem hare hand niet. Hij zei:
—Laat mij hopen dat mijn bezoek u niet te zeer verwondert.
—Ik moet toch bekennen dat ik het niet gewenscht heb.
—Kom, lachte hij, ge weet wel dat uwe wenschen nooit met de mijne ontstaan.
Ze antwoordde daarop niet. Ze verzocht dat hij zou gaan zitten.
—Drinkt ge niets? vroeg ze.
Het trof haar zelf dat ze die vraag zoo dikwijls overlang hem had gesteld, en het nu nog deed met den spontanen eenvoud der gewoonte. Ze bloosde even.
—Och ja, sprak hij los, een glaasje .... ’t is mij om ’t even .... Doe maar!
Ze bestelde wat hij indertijd een half-en-half noemde—Seltlinger en Champagne—en in den middag placht te drinken. Hij was geheel in zijn schik, plukte met vaste en delikate vingeren, aan het sigaretje, dat zij hem bood. Hij lachte zacht.
—Het is lang geleden dat we elkaar ontmoetten, begon hij na een lichte stilte.
—Mij dunkt niet. Maar ik geloof dat ik uwe afwezigheid weinig bemerkt heb.
—Ik ben u zeer verplicht. Ik vreesde dat ge er acht zoudt op geslagen hebben. Ik hoef mij dus niet te excuseeren—en ge weet hoe ongemakkelijk ik het doe.
Ze mengde de dranken in een platten roemer en reikte hem het levendig geworden kristal.
—Als ’t u blieft.
—Dankje.
Hij dronk seffens en stak naderhand het sigaretje aan. Hij pafte een wijden dampring uit en lachte erbij guitig. Dan vroeg hij:
—Wilt ge me niets vertellen over dat geval met Verlat en zijn vrouw?
—Och! jaagt zulke nieuwsgierigheid u naar hier?
—Misschien. Mag dat niet? Of moet uwe geslotenheid mij van hier wegjagen?
—Coquetteer niet. Ik heb u niet gevraagd. Ik zal u ook niet doorzenden. Maar wilt ge waarlijk dat ik u vertelle hoe die arme vrouw in dees vervloekte huis is binnengevallen, en hoe ellendig Verlat zich heeft voorgedaan? Hoop niet dat ik er een genoeglijk spektakeltje van wil maken. Ik weet zelf niet of die Verlat mij nog ....
—Wat wilt gij mij uit den mond halen?
—Gij weet zelf niet of .... of hij u nog mogelijk is geworden. Niet?
Ze zwegen allebei, en bleven tamelijk lang zwijgen. Milly, in verre gepeinzen verzonken, vond de stilte niet ongemakkelijk. Sörge brak deze beslist.
—Ik heb, zei hij, een ernstig besluit genomen. Neem me niet ten kwade dat ik het u mededeel en dat ik bovendien op uwe bereidwilligheid reken om mij—o! haast u niet!—te helpen. Ik vertrek.
—Zoo!
Ze sprak heel licht dat lichte woordje uit. Hare stem was inderdaad uitermate licht.
—Ik vertrek, hernam Sörge, om eene hoofdzakelijke reden, die ik liefst verzwijg, en eene ondergeschikte, die voor u voldoende is: mijne politieke bemoeiingen alhier jagen mij buitenslands. Ik vertrek dus, zooals wij indertijd—het heugt u nog wel—uit Bohemen vertrokken: om niet meer terug te keeren.
Nog lichter—nu flauw en bleek:
—Zoo .... zoo .... ontviel het Milly.
Ze had de oogen gesloten. Ze leunde zwaar achterover in haren zetel.
—Ge wenscht natuurlijk niet te weten waar ik heenloop.
Haast onhoorbaar zeide ze:
—Neen.
Hij wachtte. Hij keek haar lang aan. Ze lag in den leunstoel, onbeweeglijk, zonder blikken, het gelaat geheel met eene roerlooze bleekheid oververfd. Haar dicht-gesloten mond kleurde daar gelijk een barstende vrucht. Sörge hernam:
—Men zal niet veel aanvangen, eer ik weg ben. Maar nauw ontsnapt, word ik hier de oorzaak van groot misbaar. Ik bid u wel te willen zorgen voor eenige belangen van stoffelijken aard, die ik zelf niet gansch kon beredderen. Ik beken dat ik onvoorzichtig ben geweest en dat ik mij door onvoorziene omstandigheden laat overvallen. Wat ik van u verlang, is zóo gewichtig niet dat het u niet vrijstaat kortaf te weigeren. Houd u zelf dus niet voor gedwongen het vertrouwen te vestigen, dat ik in u heb geplaatst. Maar ....
Ze opende hare oogen.
—Reken gerust op mij, sprak ze.
Hij nam een taschje met papieren uit zijn jas, legde het op de tafel en, nadat hij met eenige inlichtingen den inhoud had uitgelegd, stond hij recht en, na een uiterst beleefd lachje:
—Ik hoop, knikte hij, dat ik u in mijn leven nog wel eens zal ontmoeten. De wereld is zoo groot niet ....
Hij boog, monkelend:
—Ik meen: de beschaafde wereld, waar men u ontmoeten kàn.... Vaarwel, Milly!
Ze had het taschje in hare handen genomen. Ze liet het op het tapijt vallen.
Hoewel hij reeds op den drempel was, keerde hij zich om en kwam het taschje oprapen. Hij gaf het haar. Hunne vingeren gleden over malkander. Een nieuwe straal van zon had, al vooruit slierend, het gekleurde glaswerk van het venster met schoon vuur ontstoken.
—Rupert, zeide Milly traag, ik herinner mij dat gij mijne beste jeugd bezeten hebt. Ik schaam mij niet te bekennen dat, ofschoon gij getrouwd zijt, dees schielijk afscheid mij zwaar valt. Het ware u gemakkelijk geweest mij dit leed te sparen.
—Het leed, dat uit het verleden wordt geboren, is gelijk een fijne geur. Het volgt de wonde, zooals de vriendschap de liefde volgt. Wij zijn toch vrienden, niet waar, Milly?
—Er zijn vriendschappen, die niet zonder krenking met dien naam worden geroepen. Onze vriendschap hoefdet gij niet met uw bezoek te storen.
—Laat het mij dan kort maken, en verschoon me....
—Dat zoude ook best zijn, maar ....
—Ik bid u—wat hapert toch? Is mijn bezoek te lang, het zou jammer zijn als ons afscheid te kort was. Hebt gij mij nog iets te zeggen? .... In de veronderstelling dat wij malkander nooit meer ontmoeten (wat me waarschijnlijk voorkomt) is het wenschelijk dat gij zegt wat gij nog te zeggen hebt.
Ze had een bitteren lach. Ze bezag hem met natte oogen, vol zoete verwijtingen. Ze zuchtte en haar mond droeg, op zijne roze teerheid, de teekening van een niet te verbergen spijt.
—Och, zei ze droevig, gij weet wel dat het u niet moeilijk is mij tot in mijn uiterste schuiling na te jagen. Gij sluit mij gemakkelijk in mijne eigen woorden op. Het is een spel voor u. Gij verplicht mij u om eene vernederende verlossing te smeeken, en dan nog blijft dorstig uw gierige trots. Het is evenwel noodig dat ge deesmaal inziet de ijdelheid van al dat kombineeren. Nochtans geef ik toe, ja—uw te lang bezoek eindigde met een te kort afscheid. Ik geloof niet dat ik u iets meer te zeggen heb.
Hij wierp zijn overjas, die hij over den arm had gehangen, op een stoel.
—Ik wil u gunnen, zei hij, ú alleen, het laatste uur dat ik in Brussel verblijf. Mag ik Takker laten roepen, die mij in den coupé wacht? Ik wil, van hier uit, direkt naar het station.
Het lag op Milly’s lippen om te vragen waar hij dan zijn vrouw zou halen. Ze bedwong zich echter, zweeg in ingetogen blijdschap, schikte, terwijl Rupert met Takker onderhandelde, een tuil van vroege rozen, die week en ziekelijk over de vergulden randen van een Venetiaanschen beker hing.
Ze leidde Rupert in het groote salon der eerste verdieping. Daar hij weigerde te dineeren, praamde zij hem zoo lang, tot hij erin toestemde met haar een kleinen lunch te deelen. Hij was in allerbeste luim, konverseerde met schitterend brio en deed zich in alles als de sierlijkste en elegantste dandy voor. Zij aten weinig, hadden vooral plezier in amandels en druiven, en dronken daarbij een oude flesch Legay. Milly ook werd opgeruimd. Een gulle blos glansde donzig over hare wangen.
—Uw prachtig humeur zal mij eene lieve herinnering zijn, lachte hij.
—O! weerlegde ze rap, kijk rond: overal is er Lente!
Inderdaad. Het was een schoone lente-namiddag. Een lichte gordijn bedekte met een bleek-blauwe verf de hooge vensterruiten; maar de zon, die daarachter leuterde, vond aan de zijkanten ruimte genoeg om met schuinsche stralen binnen te schieten. Ze pletste open op een marmeren Adonis-beeld, dat, vóor een ovalen spiegel, het groen-marmeren schouwblad versierde. Ze stortte op de tapijten. De lotusbloemen, welke daar in gelijke reken open lagen, kregen meteen, op oranje gronden, een gloeiend leven van inkarnaat en brons. En het licht stoof, gelijk een zwerm van doorzichtige dingskens, in de geheele kamer uiteen. Op de tafel, waar een verschillig servies van porselein en zilver glansde, rustten in breede schalen de druiven, met zomer beladen. Over die purperen weelde, bij trossels saamgedrongen, kwam zweven het teere gewaad der lente. Het waren blonde voolen die roerden geluideloos. De amandels tokkelden kort in het licht.
Milly’s vingeren deden in die lieve klaarten een kundig spel van spoelen, en hooger, onder de schaduw van de rosgouden, haarkroon, bloedde over parelen hare dubbele lip.
—Wanneer ge ver zult wezen, vezelde ze minzaam, hoop ik dat ge steeds in geluk ouder wordt. Hebt ge nooit nog aan uwen ouden dag gedacht, Sörge?
—Neen, zei hij, waarlijk niet!
—Het is geen troostende gedachte, want de ouderdom, die de toekomst vermindert, vergroot maar aldoor het verleden.
—Dat is gek en waar. En ge wekt een aardig beeld in me. Indien ik dichter ware, en bovendien een romantieker, zou ik den mensch in breede verzen voorstellen als een reiziger—wat zeker geen nieuwigheid is. Maar ik zou hem een knapzak over den schouder laden, zoodat de eene buidel hem op de borst hangt en de andere op den rug. En zie! de buidel, die van achter is, ligt plat en ijdel in den beginne, en de voorste buidel is, als met zwellenden wind, door illuzies gevuld. De reiziger gaat rap en vroolijk, want de knapzak weegt niet zwaar. En al gaande neemt hij dag bij dag, gretig en onvermoeibaar, uit den borstbuidel, die de toekomst is, een hoop plezierige daden, die seffens in zijne handen zwaar worden van werkelijk leven, van werkelijke smart, en, om er van af te zijn, gooit hij ze in den ruggebuidel, het verleden. En de knapzak, die licht was, wordt zwaar langs achter, wordt zwaarder en zwaarder, en trager wordt de oudere reiziger, trager tot hij stillestaat, en valt.
—Dat zou eene akelige voorstelling zijn, meende Milly.
—Ja, maar een dichter is doorgaans akelig bij essentie. Ik ben geen dichter, Goddank!
Werktuigelijk, al starend op de violette druivenkorrels, herhaalde zij:
—Neen, gij zijt geen dichter.
Hij lachte luid, brutaal, zijn overmacht uitsmijtend.
—Ik ben maar—ik ben maar .... Zeg gij het, Milly!
Ze zweeg. Ze bleef de druiven aanzien. Ze voelde dat het leven een groote ruimte was, waar ze spartelde zonder genade. Wat moest zij nu doen? Wat moest zij nu doen?
Twee tranen, die ze niet weerhouden kon, rolden over hare wangen. De kamer was stil, vol met een naderend mysterie. En niets brak de rijpe stemming, die, groeiend over de tafel, gekomen was. Sörge sprak niet, bewoog zijne handen niet, bleef rustig. Geen minste geluid ging over straat, en het huis, waar zij daar stille waren, luisterde.
Toen stond hij recht. Hij ging over haar leunen, omvatte haar in zijne armen, dwong haar op te kijken naar hem. In heure haren fluisterde hij:
—Ik ben gekomen .... Hebt gij me niet seffens gevoeld? De tijd dwingt nu. Ik kwam u halen. Ik kóm u halen. Spoed u! ....
Zijne lippen raakten bijna haren mond. Ze werd duizelig. Ze wilde wegvluchten uit zijne zoete handen. Haar hart sprong op in die éene gedachte:
—En .... en Fr—