IV.

Pastoor Emanuel Doening.

Pastoor Doening bezat, tot een graad van klare innigheid, de gave van evenwicht. Hij had zich geen wet voorgesteld, maar hij leefde ongedwongen volgens de eenige wet der natuur. Ik kan zeggen dat er tusschen het wezen van pastoor Doening en den groei van eene bloem alleen een verschil is van plan. Hij leefde naar het gebod van zijn menschelijk instinkt—zijn genie bestond echter hierin, dat dit instinkt van allen invloed was ontlast en als eene onfeilbare drijfveer werkte. Hij leefde in de waarheid van zijn leven. Hij beredeneerde noch zijn toestand in den tijd, noch de verhoudingen van de dingen rond hem. Zijne teedere macht van intuïtie was de uitslag van een inderdaad buitengemeen-helder gevoel. Weinige menschen bezitten die helderheid van aandoening en kunnen zonder twijfelen handelen naar zekere organische verordeningen, welke berusten op de geheime roerselen van het humaan instinkt. Bij pastoor Doening was gewoonlijk de rede een gevoel geworden. Zijne woorden waren, evenals zijne daden, de onverlegen uitdrukkingen of uitslagen van dit zeldzaam gevoel.

Het is noodig dat hier het bestaan en de ontwikkeling van een dergelijk gestel opgehelderd worde. Het is noodig en het is schoon de gronden aan te toonen, waarop rustend en werkzaam was dees uitzonderlijk emotioneel verschijnsel: een man getuige van zijne aldoor rhythmische gebaren en toch, in geeste, niet de bewuste dader er van. Hij zelf zag de diepte niet, waar borrelden, als ijsheldere fonteinen, zijne aandoeningen, noch en raakte de wijdte tot waar reikten de trillende draden van zijn gracelijk gevoel.


Hij werd geboren niet verre van Ronse, in dat heerlijke Zuid-Oostvlaanderen, waar het vruchtbare land zich tooit met de wispelturige sierlijkheid van heuvels en groene bergagen. Zijne ouders waren eigenaars van uitgestrekte gronden, gelegen langs de levendige Scheldevallei op bijna gelijken afstand van Ronse en Oudenaarde. De groote hoeve, waar hij werd opgebracht, was eenig en groot in het dal. Hare witte muren blonken als krijt in de groene verven van het landschap en haar breed gebrokkeld schaliedak glansde warm en zwaar, gelijk eene heete muts. De wolken aan den hemel voeren als reuzenadems boven dat rustige huis ....

De oude boer Doening was een zwijger. Van ’s morgens vroeg liep hij op ’t veld, tusschen het werkende volk, altijd op het onvermoeide veld, dat zweette of dampte of walmde van korenaren, of ver uitruste, uitgestrekt als eene doode, alles zoo naar den gang van het drijvende seizoen. Hij was zeer stijf in zijne manieren en streng in zijne zeden, en telkens als hij de groote kamer binnenstapte, waar moeder Doening met Victorien en Emanuel speelde of anderszins bezig was, vielen, gelijk een natte doek uit de zoldering, de stilte en de eerbied daar, die alom den kouden boer vergezelden, ’s Avonds zat hij denkend bij den haard. Hij rookte nooit. Hij zat stijf op een stoel, de knieën hoekig en recht naast elkander, de ellebogen tegen zijne zijden en de breede, kneukelige handen even overeen op zijn mageren schoot. Soms roerden zijne duimen. Maar stijf rechtop bleven zijn hooge hals, zijn beenderig hoofd, en roerloos staarden zijne oogen, strakke beteekenis van dit stugge peinzende boerenbeeld.

Emanuel’s moeder was geheel een daartegenovergesteld wezen. Hoe deed ze moeite, het lieve vrouwtje, om haar leutig gemoed en haar ruchtige liefde, in Doening’s bijzijn, te bedwingen! Ze had een klaar gezichtje, omkranst met een zijig grijs haar, en verlicht met al de blijdschap van hare gauwe blikken. Ze was niet groot. Ze placht te loopen rond den huize, al dansend gelijk een jong veulen. Wanneer ze toornig was—want aleens deden de meiden verkeerd in de keuken—neep ze, plots rood-wordend, hare oogen dicht, bleef zoo een poosje, precies te wege uit te barsten in schrikkelijke woede, en schoot uit in een lach. Dat was het karakteristiek teeken van dat levendig menschje, omdat ze, in alles, op die zelfde eigenaardige wijze, te handelen scheen. Ze had een gulden hart.

Victorien was ouder dan Emanuel. Hij was een groote blonde jongen, flink opgeschoten, met grove leden. Hij hield veel van het veldleven en hielp mede aan het akkerwerk. Emanuel kon dat voorbeeld, spijts de dringende wenken van vader Doening, niet volgen. Hij was teer-gebouwd, keek droomend langs de groote huiskamer, waar moeder huppelde met vlugge manieren. Hij droomde aan het venster. De verschillige werking van het vierkante hof was gebeurende onder het gaande licht van den verschilligen dag. De hennen pikkelden over den mesthoop. De haan lengde zich uit boven zijne sporen en schudde zijne veêren eer hij kraaien zou. De heerlijke mesthoop goud-glansde tegen de blauwe kalkmuren. De stalknecht luibeende, allinks en alrechts zich bukkend over klavergroen, of mooschend, met onlustige handen, in bruin-roode beethoopen en witgele rapen. Hij was een oud man en heette Vinus; tot zijn twaalfde jaar had Emanuel geen anderen vriend dan Vinus ....

Maar toen kwam op de hoeve Renildeken inwonen en de kleur der dagen was verwisseld. Renildeken was acht jaren oud, en ze droeg een spannend kleedje dat haar lijf nauw maakte als het kelkbuisje van sommige leliën, en hare armen rilden gelijk de wiegeling van eenzame halmen. Ze had heel kleine voetjes en een kopje van porselein. Na den dood van haar vader, Doening’s broeder, kwam ze nu op de vierkante hoeve wonen en dadelijk was Emanuel zeer ingenomen met haar. Van ’s morgens in den vroege waren ze saam. Ze liepen in den tuin, deden allerlei zottigheid, speelden met Poelie den hond en met Djolle, de geit. Daar was in den tuin een priëelken van glycienen. Vooraan gloeide een begoniaperk en van weerskanten geurde een dubbele syringastruik. Op een bankje zaten zij er nevenseen, beladen met de zoete donkerheid, die onder het roerende loover wemelde. Het loover roerde, de wind streek langs en over den tuin, er was een heerlijke golving in de lucht. Emanuel en Renildeken zwegen. Hare hand rustte op zijn knie, en ze keken naar het werkzaam gedoe van den wind en naar het spel van de hemelklaarte. Soms hadden ze een kort praatje over de wolken. Ze beeldden zich gaarne de verre ruimte in, waar varen de wolken als schepen met volle zeilen. Ze raakten getweeën de duizelige aandoening der eindeloosheid, terwijl de wijde wind boven het ruischend priëelken zoefde en toog. Renilde schoof dichter bij Emanuel aan. Haar verwonderd gezichtje blonk schoon uit boven haar nauw keurslijfje, want haar kleed was gelijk een keurslijfje zoo nauw. Heel rond waren hare oogen. Hare wimpers schaduwden eromme, en het was alsof een zacht poeier op hare bleeke wangen lag. Zoo zag ’t Emanuel, en hij voelde haar handje warm en wegend op zijnen knie drukken.

Soms, na een leutigen rit door den tuin, waren heure haarvlechten losgeschud. Dan vlocht hij het platte zijig haar weer tot strengen. Het was hem een ongemeene weldaad, dat hij zijn voorzichtige vingeren over haar broze kopke bewegen mocht, zoo in de vlakke zon, die de lokjes deed glimmen en krullen. De zon spetterde overal en de struiken waren, langs den grond, als vlammen van zonderlinge verve. De bijen gonsden. Een koppel witte vlinders wipten in de heete ruimte over malkander.

Het gebeurde ook dat de kwade regen hen binnenjoeg. Ze vonden een lieve schuilplaats bij Vinus in den stal. Ze roken er den zwaren geur der koeien, al zittend op een frisschen klaverhoop, en Vinus kwam, rechtover hen, op den harden rand van zijn beddebak leunen. Hij smoorde er en dampte langzaam. Een draadje was om den steel van zijne pijp gewonden. Binst dat de ruchtige regen neerspatte op ’t voorhof en klepperde op de dakpannen, vertelde hij wel eens een trage historie. Hij vertelde van Peer-Lapeu, of van Jaakske-met-ze-fluitje of van de Zeven Prinsessen van Mississippi. De koeien kauwden verduldig. Tusschenbeide draaide er eene haren grooten kop en keek met droomende oogen uit de half-duisternis en haar muil verging, zonder haast, van rechts naar links. Ze kluppelde met haren staart. De dakgoten geraakten boordevol en begonnen lawaai te maken op de vloerkareelen daarbuiten.

Wanneer echter de avond mooi was en de zon het ronde westen beschilderde, gingen Emanuel en Renildeken langs de Scheldeoevers wandelen. De Schelde was gelijk een violet lint met zilveren en gulden blikkering. Ze voer wijd-kronkelend door de platte meerschen. Tegen den hemel steeg bol, blauw en goedig, de struische Kluisberg en achteraan wapperde de pracht van het avondvuur. Ze kuierden nevens ’t water. De kikvorschen sprongen vóor hunne voeten uit het gras, en bij elken stap steeg een wolkje muggen en kleine vliegen en sprinkhanen rondom. De bleekroode kardamienen trilden tenden hunne hooge stengels.

—Nu denk ik aan de prinsessen, Mane, zei Renildeke, en in hare strakke oogen leefde inderdaad een beeld van droomende wonderlijkheid.

—O ja, antwoordde Emanuel, dat is omdat ge al die kasteelen ziet boven den Kluisberg.

Boven den Kluisberg hingen in roerlooze verscheidenheid de paarse en purperen en oranje wolken. Zij vormden er een verre water, waar opdook een eiland van goud. Schoon zichtbaar tusschen het teere loover steeg daar, met zijn verschillige koepels en talrijke torens, een hemelsch kasteel. Renildeken keek ernaar en zocht er de vensters, de deuren, de breede gaanderijen, en de fonteinen die voor de middelpoort opschoten in den vorm van een doorzichtigen waaier. Het eiland geleek op een uitmuntend park, en het gewas stond er liefelijk geschoren of gebeiteld in levend koper. De lanen lagen effen en klaar. Eene groote stilte versierde het landschap.

—Nu merkt ge toch, sprak Renildeken, dat alles wat Vinus ons verteld heeft, waar is.

Emanuel werd zeer ernstig en zei met een innig gevoel:

—Hoe zou het anders?

Hij drukte de kleine hand van Renildeken, die nevens hem stond in haar donker smal kleedje, heel luttel en gracelijk midden de sterk-groene weidevlakte ....

Maar ’s winters, bij hard weder, bleven ze in de warme huiskamer. Ze waren er meestal alleen met moeder Doening, want vader en Victorien hadden hun werk in de schuren en stal. Moeder Doening liep, als naar gewoonte, lachend of pruttelend over en weer, en ze maakte veel gedruisch bij de ronkende kachel, onder de potten en de pannen. In den namiddag stond de machtige ketel op ’t vuur en werd de koedrank gekookt. De sterke geur van ontdooiende beeten en bladersap walmde om den huize. Emanuel zat met zijn nichtje bij ’t venster, waar blauwde de flauwe winterdag. Als het sneeuwde, tuurden ze naar den gang der waggelende vlokken, en alles op de hoeve werd wit en licht en doodstil. Andertijds las Emanuel voor uit een groot boek, dat verhaalde van het leven der Heiligen. Hij had eene zachte stem, en ze klonk eigenaardig in de keuken, geheel afgezonderd van moeders rumoerig bedrijf. Renildeken hoorde niets dan deze lieve stem, die het leven der Heiligen uitbeeldde in den droeven wintertijd. Ze zat op de bank en leunde met haar porseleinen hoofdje tegen het raamberd, juist in de witte plooien van de venstergordijn. Hare witte handen lagen saamgevouwen op haren schoot, licht als een asem of een geur. Soms schoot een zenuwrukje door hare leden en dan roerde haar nauw lijfje gansch: dat was eene zonderlinge gewoonte bij haar. Wanneer Emanuel onder ’t lezen even opkeek, trof hij den peinzenden blik van hare ronde oogen die, als een dubbel lichtsignaal, waren op hem gevest. Dan glimlachte ze, en het waren gulden uren ....

Zoo, al naar den gang van den tijd, groeiden ze op. De schoolmeester van het dorp kwam hun leering geven in de taalkunde en het rekenen en de geschiedenis. Emanuel was zeventien jaar oud geworden. Vader Doening riep hem in het koude salet en vroeg hem wat hij zinnens was te doen in de toekomst. Van deze onderhandeling met zijn vader heeft Pastoor Doening altijd eene zeer scherpe herinnering bewaard, omdat het de eerste aanval was, dien zijne heerlijke kinder-illuzie te verduren had.

Hij voelde, onder de koude blikken van zijn vader, plots een schokkend leed. Moest hij iets doen in de toekomst, dat niet de voortzetting was van hetgeen hij nu deed en in het verleden dag aan dag gedaan had?

—Ge wordt nu een jonkman, sprak boer Doening; er kan geen kwestie zijn van langer hier om te kuieren met sprookjesboeken en meisjesgekheid. Het kan mij niet schelen wat er van u gewordt, maar droomen in luiheid mag niet. Uw broer Victorien zal voor de boerderij zorgen. Daar moet iets van een anderen aard verzonnen worden voor u. Ik heb er met moeder al over nagedacht. Moeder is in die soort van zaken nog al oolijk. Zij meent dat het u best zou staan, als ge priester wierdt.

Het viel Emanuel zeer hard. Hij dacht aan Renildeken, aan al de mooie dagen die hij doorbracht met haar. Hij zag ze in haar smal kleedje en zag hare zoete wangen, die bepoeierd schenen met een geurig meel van zeldzame bloemen. Heur bleek-glanzend haar lag plat en in twee rechte strengen gevlochten. Hij vroeg aan vader Doening wat deze met Renildeken zou doen.

—Wel drommels, jongen, viel Doening uit, waar bekommert ge u mede? Renildeken blijft bij ons. Ze heeft geld en zal later wel een jongen boer vinden uit de streek. Ondertusschen zal de schoolmeester haar nog maar wat onderwijs geven. Dat komt alles wel in orde. Het staat met u lang zoo genadig niet.

O! neen, dacht Emanuel, het staat met mij zoo genadig niet. Ik heb zoo langen tijd aan mijn ongeluk gesponnen en de ellende van mijn toekomst voorbereid. En hij voelde het massale noodlot, zooals dat in het Heiligenboek beschreven staat. Vluchtig zag hij de oude letters en de zware prenten, en speurde hij den reuk die uit de malsche bladzijden opstoof.

—Vader, sprak hij, ik zal er binst deze week over nadenken.

Hij dacht er inderdaad van den morgen tot den avond over na, en ’s nachts insgelijks, behalve binst de weinige uren, welke hij slapend sleet. Al die diepe mijmering bracht hem eindelijk tot de zekerheid, dat hij het buiten Renildeken’s aanwezigheid niet lang uithouden zou. Hij vluchtte haar om zijn gedachte zelfstandig te maken; doch hij voelde zich immer inniger met haar verbonden dan toen hij haar verlaten had. Ze merkte het ongemak dat hem kwelde, en op haar peinzend gezichtje lag, gelijk een nieuw en delikaat gepoeier, de zoetigheid van haar medelijden.

Eens zat ze alleen en heel bleek op de gladde bank van het priëelken. Emanuel slenterde langs daar en hij was waarlijk verschrikt, omdat zij er zoo treurig uitzag. Hij vatte seffens haar handje, dat killig was en daar rustte op haar zwart kleedje gelijk een koude manestraal.

—Rene, zijt ge ziek?

Ze wachtte, eer ze hem antwoord gaf. Al de geluiden van den tuin tikkelden uitermate duidelijk op in de lucht binst deze korte stilte—en niet het minst de schokkende tjirreling van een koninksken, dat in de linker syringa zat. Toen sprak ze:

—Ik weet het niet, Mane; maar het is me helder geworden, waarom ge sinds dagen zoo vreemd te moede zijt. Ik heb geraden dat ge verhuizen moet ....

Hij keek haar aan. Het trof hem dat ze verhuizen zei. Hoe akelig juist, hoe scherp-waar klonk dat woord! Verhuizen, dat is in een ander huis gaan, een ander nest ievers maken, en het oude hangt ledig, terwijl de wind en het onweder het aanvallen langs allen kant. Het schoone leven dat hij met Renildeken gesleten had, schoot met levende kleuren door zijn geest. Hij werd week en aangedaan. Hij voelde haar killig handje, en zijn tranen rolden ....

Toen begon hij het geval uit te leggen. Ze luisterde en sprak geen woord. Haar gewoonlijk zenuwrukje snokte door al hare leden. Ze knikte. Ze tuurde alover den tuin, waar de zon losbandig bezig was. Poelie, de hond, lag lang uitgestrekt bij het hek en hapte soms naar een lastigen horzel. Het koninksken wipte al meteen in den rechter syringastruik.

Nadat Emanuel alles verklaard had, zei ze:

—Mane, ge moet een priester worden, ge moet een heilige worden, zooals die velen uit het oude boek.

Ze weende niet. Ze was een oud vrouwtje, heel nauw-gespannen in haar keurslijfje, heel klein en broos, met een kopje van doorzichtig porselein en oogen vol met verduldige ervaring ...


Wanneer dus Renildeken aan hare vlugge ziekte gestorven was, verliet Emanuel de witte hoeve en sloot zich op in het Seminarie. Hij werd priester, doceerde een tijd de theologie te Leuven, en, na den dood van zijne ouders, maakte gebruik van het niet geringe vermogen dat zij hem achterlieten, om te Brussel een zindelijk huis op te trekken en er stille, door het rumoerige stadsleven heen, zijne fijne emotiviteit te oefenen. Hij had geen bezigheid: hij ontwikkelde met eene instinktmatige zorgvuldigheid de machten van gevoel, welke hij in zijne kindsheid had vergaard. Hij bebouwde dat aandoenlijk eigendom en legde er zich met onbewust vernuft op toe om het kostbare zaad, dat God in hem had neergelegd, tot vruchten van liefde te doen gedijen.

Het huis dat hij te Brussel bezat, was een der fraaiste van de Hamerstraat. De wijk was buitengewoon rustig. Eene burgerlijke voornaamheid maakte er de lucht eenvormig-grijs en benevelde, met een toonlooze deftigheid, de verschillige stadsluchten. Van de effen huisgevels, waar de vensters als beloken oogen schenen te slapen, viel de grijze kilte op den grijzen steenweg neder. De deuren stonden glanzend in hunne versche verve en de loerspiegeltjes die tallenkant naast de ramen uitstaken, waren het eenig teeken van de bedrijvigheid der bewoners. Het was eene doode straat en, gelijk wolken, stoof er de nagalm van het ronkende leven dat, ginder tenden, op de breede lanen woelde.

Pastoor Doening had deze wijk gekozen omdat hij ze, op haar uiterlijk beschouwd, vereenzelvigd voelde met de stemming, waarin hij, zooals een spinne te midden van hare web, schoonspinnend te leven zat. Hij voelde zich hier eenzaam en zelfstandig. Zijn huis was met sobriëteit aangelegd, maar het droeg niet die magere strengheid, die in vele pastorijen zoo killig aandoet. Het was helder, innig, geheel modern in zijn bewerking, en ’t had een uitzicht van mooi bedaren. In de breede kamer, waar hij meerendeels zat en die met gele gordijnen van de luchtige tuinveranda gescheiden was, had hij eene mahoniehouten bibliotheek geplaatst en al de overige meubileering, die keurig en eenvoudig was, had hij in halve ronde om den wijden open haard geschikt. Op het schouwblad stond een marmeren borstbeeld van Guido Gezelle. Er boven hing een oud tafereel van Giorgione, de Heilige Magdalena bij het Kruis.

Lange uren zat hier pastoor Doening. Hij deed veel aan Vlaamsche literatuur en toetste de troebele opkomst der Vlaamsche letteren aan de fijne kritiek van zijn onfeilbare zinnen. Hij had een kultus voor Gezelle, dien hij als een Europeesch genie aanzag en een der zuiverste dichters van de XIXe eeuw noemde. Hij had op het kollegie Gezelle gekend en hij wist de strijdende machten die, in hun worstelend geharrewar, den groot-menschelijken Westvlaming gedurende zoovele jaren tot zwijgen hadden gedwongen. Ze waren een tijdlang vrienden geweest, en deze vriendschap had niet weinig bijgedragen tot de organische ontwikkeling van Doening’s gevoeligheid. Toen Gezelle stierf, bleef hij lang denken aan den witten dood van Renildeken; want met Gezelle verloor hij, op een andere schaal van zijne kultuur, het eender iets dat hij met Renildeken verloren had.

Hij ging gaarne om met de menschen. Als hij zijne ivoren eenzaamheid verliet, wandelde hij op de Louizalaan onder de menschen. Hij had de menschen lief, de onbekende menschen die wandelen of loopen en lijden of vroolijk zijn. Hij keek ze vluggelings in het aangezicht, kwam in rappe voeling met allen, bewaarde van allen een beeld van kleuren of lijnen. Hij lachte op de kinderen die ommendom de blanke schorten der meiden speelden. Ruiters reden hem voorbij. Automobielen en mooie gespannen gleden haastig over het makadam. Een verloren hondje snoof, onder de boomen, de lucht op. Pastoor Doening ging, kort-stappend en alles beloerend, en hij had een groot genot aan het zicht der bonte dametoiletten, die de laan zoo heerlijk levend maakten onder de gouden zon. Hij had nooit een stok mede. Hij droeg gemeenlijk in zijne linkerhand een paar zwarte handschoenen van zeer zachte zijde, en hij deed ze wiegen of stillekens slaan tegen zijn kleed. Zijn rechterhand was altijd vrij. Hij vingerde ermede langs de kleine satijnen knoopjes op zijn borst, juist boven de platte plooien van zijn sluier. Zijn hoofd was even gebogen en klein waren de randen van zijn hoed. Zijn haar was niet gansch wit, maar het zilverde op de krullen van losse lokken zeer kostbaar.

Hij bezocht families van burgerlijken rang. Overal werd hij met gretigheid onthaald, want zijn taal was vloeiend en zingend, en hij koesterde zoo eigenaardige gepeinzen. Hij had eene wondere manier om de aandacht te boeien, en iedereen zweeg terwijl hij sprak. Hij sprak met goesting en nogal veel, meestal over kunst en politiek. Hij was niet buitengewoon diepzinnig en zaakrijk in zijne woorden. Hij was een maker van stemmingen en hij tokkelde met zijne rake volzinnetjes op het weeke gevoel van het gezelschap. In enkele huisgezinnen stond te allen tijde zijn bord op de tafel. Hij maakte van die gunst geen misbruik en deed liefst na het dîner zijn intrede. Het docht hem dat de menschen, na het eten, een malscher terrein waren voor de oefeningen van zijne bijzondere welsprekendheid. Bij de Chanteraine’s echter zag men hem zeer dikwijls middagmalen. Hij had veel gehouden van mevrouw Chanteraine, omdat hij veel hield van zwakke en lijdende zielen, en hij was een groot vriend van mijnheer du Bessy en van Simon Peter, omdat hij zijn vrienden zocht onder de praatziekste even graag als onder de diepzinnigste mannen. Om de twee dagen deed hij zijn spelletje schaak met mijnheer du Bessy, en hij schepte een pittig genoegen in de mythologische zinspelingen van den ouden baronet en in zijne vrijzinnige opvattingetjes van liefde en politiek. Ze waren het nooit over eenig onderwerp eens, maar geen van beiden zou die liefelijke oneenigheid tot een ongemak drijven. In dezen handel met mijnheer du Bessy vond pastoor Doening eene rustige verpoozing na den geestelijken arbeid overdag. Hij vond er ook het genot van het nuttelooze, wanneer het nuttelooze een vorm wordt van den luxus. Juist dat ijdel en sierlijk gepraat streelde hem als een zonderlinge luiheid, die zooals eene zacht-duizelige geur is of zooals een teer-grijze half-tint. Hij leunde languit in den lagen zetel, zag het helle licht vlekken en glanzen op du Bessy’s hoofd en volgde onwillekeurig de vorming van zijne pantheïstische beelden. Francine zong bij het klavier. De gulden friezen boven den wand blonken gelijk metallische linten. Een marmeren klok met onyx-zuilen roerde op den schoorsteen zijn korten slinger rap.

Boven zijne liefde tot de menschen reikte zijne bewondering voor mevrouw Verlat. Hij kon lange kijken naar heur en voelde dat zij groot was in hare gebaren. Hij bewonderde de effenheid van haar gemoed, waarlangs zij eene verdraagzame teederheid van gewaarwordingen en gevoelsdaden uitweefde. Zoo spreidde zij over al haar doen en denken, gelijk langzame voolen, de langmoedige trezoren van haar hart. Pastoor Doening had ten opzichte van mevrouw Chanteraine eene gemakkelijker genegenheid in zich opgewekt. Meer ingewikkeld was, jegens Vere, zijne gevoelige houding. Sommige oogenblikken ervan herinnerden hem aan eene vreemde ernstigheid, die Renildeken in den laatsten tijd van haar witte leven vertoond had. Andere riepen hem het hobbelige voorhoofd van Gezelle vóor den geest, in de dagen van passie en verslagenheid. Hij dacht er dikwijls aan en hij was bang dat, al indringende langs dien sentimenteelen weg, hij eens de klare waarheid zou raken, die een ontgoocheling moest zijn.

Op een schoonen Junidag kwam mijnheer du Bessy bezoek brengen aan pastoor Doening. De oude Doka nam seffens het schaakbord en zette de thee, als naar gewoonte. Het was, sinds de begrafenis van mevrouw Chanteraine, de tweede maal dat zij bijeenzaten. Ernest en Vere en Francine waren weggevlucht in een stille villa aan zee om er, bij ’t gedruisch van het machtig water, van lieverlede te bedaren. Mijnheer du Bessy was met de kinderen niet meegegaan en te Brussel gebleven, deels omdat hij de zee niet verdragen kon, deels om den troost van de woelige stad niet te missen. Na een maand schreef hij aan Doening om de vroegere partijtjes maar weer aan te pakken; en nu zat hij bij den haard, vóor het donkere speeltafeltje waar de witte en zwarte pions opstaken als de boomtronken van een winterlandschap. De gele gordijn was vóor de veranda weggeschoven en de sterke zon viel met geweld binnen. Ze drong echter niet tot op den schoorsteen. Haar verste tipje blekte tegen den koperen kandelaar, die met een hooge witte kaars op den hoek van de schrijftafel stond.

Mijnheer du Bessy was weer de oude luchtige mijnheer du Bessy. Zijn haar lag zwart en glimmend van ’t blanketsel, in eene rechte streep tot in zijn nek, van waar het, naar beide kanten schoon opgekamd, tot ten halve over zijne ooren, in den vorm van een krulletje kwam liggen. Zijne snor was hard en vol. Zijn rouwpak deed de blanke scherpte van zijn hoog halsboordje uitschijnen. Hij had losse, sierlijke gebaren.

—Mijn waarde vriend, zei hij met voorname stem-effekten en eene deftigheid die, als ’t ware, tot het gewicht behoorde van zijne woorden, denk niet dat ik mij, voor de beoordeeling van de hedendaagsche politiek, meer dan het noodig is, mijne eenigszins aristokratische afstamming herinner, of dat ik mij zou laten meesleepen in een gewarrel van kleine hatelijkheidjes; ik bekijk en begrijp en bestatig. Het zicht der moderne stroomingen maakt op mij een ongunstigen indruk, en ik weet niet welke lafheid mij belet te verklaren dat ik de afschaffing der slavernij betreur. Let wel, ik denk op dit oogenblik aan de serven, de onvrijen en de patriciërs, zooals zij een voortreffelijke maatschappelijke combinatie vormden, onder de eigenaardige leiding der olympische goden. De menschen van dezen tijd missen inspiratie. Zij loopen op hol, langs de bedriegelijke wegen van hunne redeneering. Zij kunnen niets opofferen en willen aan alles een voedsel geven. De Spartanen dachten anders daarover. Maar welke zijn dan toch ónze uitslagen? Het is nog niet zoolang geleden dat het hartje der wereld de zegevierende opkomst van een tiers-état bewonderde. Wij zijn nu getuigen van de kletterende inbreuk der proletariërs, een vierden staat, zal ik maar zeggen. Morgen heeft deze ook zijn zatte bekomste, en dan rijst een vijfde staat, de geweldige massa van zieken en gebrekkigen, achterlingen, idioten, dwergen en gedrochtelijken. En zoo, mijn goede pastoor Doening, wordt al talrijker de staat der onvolledigen, de staat die aan het gebeuren is, al talrijker en talrijker, naarmate de redeneering hooger holt. Dat noemt gij vooruitgang. Maar zeg mij, bid ik u: wie gaat in zulke omstandigheden vooruit? Tegenover éen die vooruitgaat, zijn er duizend die achterblijven, en gaat hij, eenling, verder voort, al tien duizend blijven achter. Verstaat ge dat? O! het schrikkelijk zicht van den staat der achterblijvers, als die het ook eens al te gelijk voelen dat ze honger hebben en d’r bovenop moeten!

Mijnheer du Bessy keek zonder aandacht op het schaakbord naar de witte koningin en den zwaren koning en deed een zwakken zet. Hij hernam dadelijk:

—Spreek mij niet anders en oolijker van ekonomische wetten, die berusten op de koude ervaring der dingen. Ik zeg het u: uwe volksemancipatie gaat bankroet! Gij meent dat ge de menschheid vooruithelpt, en gij maakt achterlingen! Ik zeg en ik zeg het u, mijn beste vriend: zelfs de wetenschappelijke vooruitgang kan niet opwegen tegen het vreeslijke feit, dat zij al grooter en grooter meerderheid achter laat in den dompel. En moet die meerderheid eens regeeren? .... Ge glimlacht. Inderdaad, het is om mee te lachen. Ik neem uw paard, mijnheer, en zet uw koning schaak!

—Dat is erger, zei pastoor Doening dubbend, terwijl zijne vingeren over de satijnen knoopjes van zijn kleed kriebelden en hij stille schartte, met zijn linkerhand, over zijne kin. Het spel stond ineens slecht voor hem. Hij begon heel nauwkeurig over het spel na te denken. De oude Doka slofte een oogenblik in de veranda. De zon lag er roerloos.

—Nu, sprak mijnheer du Bessy al draaiend met zijne duimen, we mogen het wel bekennen. Europa is rot, en ik verlang met ongeduld naar de deugdelijke aftakeling die wij vanwege een geïnspireerd ras te verwachten hebben. Dat komt wellicht nog vroeger dan ge meent. In afwachting is het me leed dat een brave jongen, zooals Simon, zich de zaak zoo nuchter aantrekt. Wat bedoelt hij daarmee? En wat gaat hij zich wegsmijten in een revolutionaire beweging, waar hij zijn beste vermogens verteert? Want het zal u niet ontsnapt zijn dat Simon Peter zeer erg met de Joodsche onlusten ingenomen is en er uitziet alsof hij in geheime kringen oproer stookt. Ik vrees dat hij nooit in de gratie der goden herkomt, de dwaze, die zijn schoone jaren verlauwt in zottigheid, terwijl de liefde en haar lusten optrekken, onvoldaan. Hij lijkt wel op dien armen Lieven Lazare, welke oud geworden is te midden van zijn steenen princiepen, en daar nu ligt gelijk een zuur hoopken droog mos. Ha! ha! dat is de bekende straf van Anteroos, den wrokkigen God der wedermin, die, zooals ge wel weet, gevierd wordt met allerlei liefelijkheid in Thespiae, aan den voet van den Helicon.

De blauwe theekopjes stonden op een bleek schenkbord met den ronden buik van den tinnen theepot. De zilveren suikerschaal was van zeer zuiver Japanneesch fabrikaat, fijn bewerkt in de teekening der versiersels en in de uitvoering van de verschillige metaaltinten. Mijnheer du Bessy dronk een slokje en pastoor Doening, nadat hij den leelijken zet behendig op het schaakbord beantwoord had, sprak:

—Ik ken, geloof ik, dezen Lieven Lazare beter dan gij hem kent, du Bessy. Het is een zeer goed man, maar hij is onstuimig en eenzijdig in zijne liefde. Ik kan u van hem menige aardige historie vertellen, waarvan niet de minst mooie betrekking hebben tot uwe lichtzinnige ekonomische bespiegelingen en juist slaan op wat gij daar van steenen princiepen zegt. Mijnheer Lazare is een katholiek uit éen stuk, zooals gij een pantheïst zijt uit honderd versmeten brokkelingen. De stugheid van den eenen is even onredelijk als de mozaïekgeest van den anderen. Begrijp goed dat ik u niet tegenover malkander plaats. Mijne vergelijking berust op eene wending van woorden, die mij aangenaam is en welke gij me moet vergeven. Ik vrees niet dat gij eens tot den grond van uw wezenlijken aard terugkeert, want gij zijt een kristen en gelooft in den eenigen God. Ik ken den pleizierigen draai van uwe gepeinzen. Zij zijn zooals de kermismolen en zij hebben een spel van blikkertjes en zilveren franjen, en al de paardjes dragen een flinke kleur. Daarom komen de kinderen errond staan, neem het mij niet kwalijk. Maar ik wilde u over mijnheer Lazare spreken. Gelooft gij niet met mij, dat het nu tijd wordt om den koppigen man met zijne dochter te verzoenen?

Mijnheer du Bessy, al spelend met zijn lepeltje op den rand van het theebord, was van meening dat dit, voor zijn part, gebeuren mocht.

—Ik had gewenscht, wedervoer pastoor Doening, dat gij mijn voorstel gretiger aannemen zoudt, mijn beste du Bessy. Gij weet dat Lazare op zijn kamertje in eigenzinnigheid zijn hart opvreet, en dat mevrouw Verlat zeer lijdend is. Het ware een goede daad. Mijn vriend, ik heb dezen ouden man in deze kamer op een avond zien binnenkomen en het zal mij bijblijven zoolang ik leef. Het regende tamelijk. Hij droeg een grijze overjas en de regen perelde erover. Zijn vilten hoed was malsch en zwaar. Zoo kwam hij. De avond kleurde hard-blauw in de veranda en ik herinner me goed, dat de kandelaar, die altijd daar op den hoek van mijn schrijftafel staat, dien avond op uitstekende wijze te glimmen stond. Ik heb Lazare zien huilen als een wild dier. Hij stiet met zijne vuisten tegen zijn kalen kop, hijgde en jamerde, en de druppels vielen gelijk rappe perels langs de plooien van zijn grijze overjas. Daar buiten regende het inderdaad en ik kon de vlaag hooren pletsen op het steenen voorpleintje van den tuin. Dat was de dag, waarop zijne dochter hem verlaten had. Sindsdien is hij als een gewonde leeuw. Hij woont in de Steenstraat op de derde verdieping van een oud huis en schrijft er voort zijne oproerige boeken. Nader hem met geen hulp. Hij haat al de menschen en gebruikt gruwelijke woorden om het uit te roepen. Geef hem geen geld. Doe hem geen onrecht, want hij wantrouwt u allen. Maar kunnen wij hem zijne dochter niet wedergeven?

De belangstelling van mijnheer du Bessy was algauw opgewekt en hij trad het plan van pastoor Doening geestdriftig bij. Alles gebeurde bij hem met onverwachte schokjes. Zijne eerste onverschilligheid was nu eene ijverige belangstelling geworden. Er werd dus dadelijk besloten dat mijnheer du Bessy, des anderen daags, bij Lieven Lazare zou gaan aankloppen om hem tot de gewenschte toenadering aan te sporen.

Nog heel warm door zijn edelmoedig voornemen verliet mijnheer du Bessy het huis van pastoor Doening en trok, vóór hij middagmalen zou, de lage stad in. Hij zette zich, aan de terras van een groot koffiehuis op de Anspachlaan, in een rieten zetel en bestelde een glas port. Er was veel volk te been en de zon speelde schuins langs de roerende massa’s van menschen en rijtuigen.

—Het is, dacht mijnheer du Bessy, eene mooie zending. Ik ben verheugd dat ik een zoo lieven dienst aan onze goede Vere bewijzen kan, en het doet mij, jegens den ouden Lazare, ook deugd. Jammer dat de man zoo brutaal-katholiek is.

Zoo dacht hij en dronk, met kleine slokjes, den rooden port. Hij lonkte naar de dames die in hun versche zomertoilet voorbijliepen. Enkele hadden een karmijn-rooden hoed met purperen bloemen. Andere droegen witte kapelienen licht-beladen met gele en moeren druiven. Ze liepen, zich even schorsend, op hunne hooge hakken voorbij.

—De mode, dacht mijnheer du Bessy, zal dees jaar naar eene zeer zeldzame bordeaux-kleur overgaan. Ik kan daar een paar lijnen in mijn dagboek over schrijven.

Wanneer zijn glas ten halve ledig was, vroeg hij een blad papier en een bode. Hij nam zijn gouden potlood, dat aan zijn horlogeketting hing, en stelde een lang telegram op, voor Simon Peter. Hij verzocht hem om zonder uitstel eens bij mijnheer Lieven Lazare binnen te loopen en den ouden man over eene algeheele verzoening te polsen. Ik berust met gansch mijn hart op u, schreef hij, om, met de hulp der Goden, dat zaakje in orde te brengen.

Toen dronk hij, tot op den bodem, zijn glas ledig en ging uitzien naar het dîner.


Pastoor Doening, van zijn kant, at in de veranda een pastei met ossenvleesch en een geurig duifje. Tot laat in den avond zat hij te werken. De studeerkamer was rustig. Het witte hoofd van Gezelle heerschte er stille en volmachtig, en pastoor Doening boog over de blanke boeken zijn zilverig haar, waarlangs het gaslicht blikkerde.

Het was niet verre van middernacht, als hij zijn bril neerlegde en opstond om slapen te gaan. Hij stak de hooge kaars aan en trad langzaam de trap op. Hij zette den kandelaar op het marmeren blad van de kleine toilettafel en bleef een tijd te midden van de kamer staan. Zoo deed hij gemeenlijk. Hij herzag in zijn geest het werk en de daden van den vervlogen dag, en dacht daarna aan de dierbare wezens, die zijn leven vervulden met hunne beelden van liefde. Zijn smal bed stond rond en gezellig onder de klare bedekking. Een zwarte vacht lag ervoor. Een portret van vader Doening en moeder hing aan den wand erboven. In een hoek van de kamer stond op een kleinen eiken altaar een koperen Kristusbeeld. Pastoor Doening dacht aan Vere, de dochter van Lieven Lazare, en hij dacht aan den dooden dichter, en hij dacht aan Renildeken. Hij had dien avond een zeer klaar zicht van Renildeken. Hij zag ze heel klein en nauw aan gindschen groenen boord der Schelde staan, in de wijde groene meerschen. De Schelde was als een zilveren lint met violette ondertinten. Het westen straalde geel en oranje om den struischen kop van den Kluisberg en de hemel was bebouwd met een wonderbaar kasteel van goud en opaal. In haar spannend kleedje stond daar Renildeken. Haar plat-zijig haar lag glanzend op haar porseleinen hoofdje. Ze keek vreemd en goedig ....

Dan ging pastoor Doening naar den eiken altaar, waar het koperen beeld zijn vlammende armen reikte, en knielde op het lage bankje, dat vooraan stond.

Het was een ongelijk bankje op vier lompe pikkels. De plank was glad van ouderdom; want hoe lange was het al niet geleden, dat Emanuel er zat, onder de glyciene van het priëelken, naast Renildeken, die droomend haar licht handje op zijn knie lei, als een asem of een geur ....?

V.

Mijnheer Lieven Lazare, Pamfletschrijver, en Mijnheer Johan Doxa, Gothieker.

De Steenstraat komt uit op de Henegouwlaan en de Koolmarkt, in het centrum van de lage stad. Ze is zeer smal en de kasseide hobbelt er, zoodat de kleine trottoirs hier en daar met trappen zijn gebroken. Ze is vuil en grijs overdag en erbarmlijk verlicht in den avond. De gevels hangen voorover, alsof ze wat te vertellen hadden aan de huizen van den overkant. Een arm volkje neringdoeners woont er—schoenlappers, fruit- en groentevrouwen, strijksters en herbergiers.

Daar woonde ook mijnheer Lieven Lazare. Hij had twee kamers gehuurd op de derde verdieping van een oud huis, juist onder het dak. Op de tweede verdieping huisde een kleermaker met zijne twee zoons, waarvan de eene geheel onnoozel was en de andere half-kreupel. Op de eerste leefde eene gepensioneerde dame met drie zwarte hondjes. Zij kweekte ook konijnen en verpestte de trap met een zuren dierenreuk. Beneden was de huurmeester, een klein-winkelier, die achter zijne vierkante ruiten een veelsoortig visschersgerief verkocht. De huurmeester duldde geen huurders met kleine kinderen; maar hijzelf nestte in het achterhuis met negen springlevende jongens, waarvan de oudste binnen een half-jaar zijne eerste kommunie zou doen. Hij heette mijnheer Josse. Te oordeelen naar de bijzondere lijvigheid van madame Josse, was het duidelijk, dat hij zich niet aan het negende schreeuwerken zinnens was te houden. Het leek een wonderlijk huis, als ge u wilt herinneren, dat de gepensioneerde dame van ’t eerste een kweekerij voor konijnen hield, hetgeen door mijnheer Josse veroorloofd werd.

De kamers van Lieven Lazare waren zeer naakt, vooral de kleine slaapkamer die langs een schuinsch dakvenster uitzicht gaf op de ongezonde achterbuurt. Er stond een ijzeren bed, een tafel met een schotel, een waterkan, een stuk zeep op een speelkaart, een kam en een tandenborsteltje. Twee stoelen leunden tegen den muur, waar, in een grove lijst, het beeld hing van den heiligen Franciscus van Assise. Het tinnen wijwatervaatje was aan de lijst van de deur genageld.

De andere kamer was grooter, luchtiger en, evenals de slaapkamer, met witte kalk bestreken. Hier werkte mijnheer Lazare. De tafel was vol met dagbladen, boeken, kohieren en brieven. Hier zat hij gewoonlijk in een lagen zetel, zijn breeden rug gebogen over het tafelberd, zijn ellebogen breed uitgezet en zijn kaalronde hoofd naar voren, wroetend in de vele papieren. Het was een groot man met bol gelaat, een klein neusje en een dikke grijze snor daaronder. Hij had een helderblauwen blik. Dien morgen snuffelde hij over de tafel, waar de Junizon alles overhoop gooide met haar jeugdig licht. Na een tijdje rechtte hij zenuwachtig zijn zwaar lijf, wierp zijne pen op den vloer en begon zeer knorrig zijne harde knevels om te draaien. Hij had mooie witte handen, niet groot, een beetje poezelig.

—Verrekt! riep hij uit, laat ze stikken in hun schande! Waar bemors ik mijn geest mee, o God!

Hij stond op en ging naar het venster, dat breed was en verguld met al het zonnegeweld. Hij kon van daar een randje zien van de straat en de hoofden der menschen die er voorbijliepen. Een zware wagen waggelde over de steenen. Het koffiekopje, dat op een stoel stond, rinkelde. Hij keerde zich verwonderd om en zag het witte kopje op den stoel staan. Een grove boterham lag er nevens. Hij glimlachte droef, ging weer neerzitten en schoof den stoel bij zich. Hij at, maar de koffie was koud en het brood bezwaard met harde korsten.

—Dieven, mompelde hij.

Toen werd er tweemaal op de deur geklopt.


Het leven van mijnheer Lieven Lazare was de voortdurige herhaling van dezelfde hoop en dezelfde zorgen. Hij had altijd de armoede gevlucht en was er nooit in gelukt. Daarom haatte hij de menschen. Hij haatte de menschen om hunne betrekkingen tot wat hij noemde “het gouden kalf.” Met een hart dat naar rijkdom schreide, bezong hij de kristelijke weelde der armoede. Hij had een zeer mooien roman geschreven, waar hij de zoetheid van de armoede tot een deel van Gods genade verhief. Zijn echt persoonlijk werk was een ruwe geesel-arbeid en hij gaf bijtende pamfletten uit tegen al wie bezat en vergaarde. Hij voerde, ten dienste hiervan, eene heerlijke taal. Zijn proza was hard, klaar, ijzig, zeer voortreffelijk gedokumenteerd. Deze arme man was een geleerde theoloog en een schelder. “Mijn leven is te kort om elkendeen zijn stamp te geven,” schreef hij, en dat meende hij werkelijk. Om zulk een toestand ineens begrijpelijk te maken, moet ik wijzen op de vele verbitteringen, die hij alreeds in zijne vroege jeugd te verduren had. Hij was van aard eenigszins eerzuchtig. Hij bewonderde de pracht die met geld is te bereiken, en de macht die steunt op het geld. Zijn brandende liefde vond geen uitweg in de armoede, waar hij zijne hopen verteerde. Hij wilde groot zijn en mild. Hij had de passie der aalmoes.

Hij werd bedrogen. Zijne makkers bedrogen hem en hij was te eerlijk om het hen niet, als een zweepslag, in het aangezicht te slingeren. Hij beminde, op twintigjarigen leeftijd, een vrouw die hem bedroog. Hij wierp ze, uit eene hoogte van acht meters, door het venster op de straat. Hij was te gevoelig om den minsten aanval niet dadelijk te merken, en niet lenig genoeg om hem, als ongemerkt, te laten voorbijgaan.

Met een dergelijk karakter moest hij seffens buiten de algemeene orde gesmeten worden. Dat gebeurde. Nadat hij zich bij alle katholieke dagbladen en tijdschriften als redakteur had aangeboden en bij alle, door de schuld van zijn onbewimpelde handelingen, van de hand werd gewezen, keerde hij zich met vreeselijke woede tegen allen tegelijk. Het werd zoo erg dat de rijke priesters die hem weleens toeschoten in nood, voorgoed hunne deur en hun beurs gesloten hielden. Ook tegen die richtte hij zijne toornige schriften.

“Kijk nu, schreef hij ergens, naar dees dorre land, waar de stank nog walmt van de vluchtende honden. Dat noemen zij de aarde van God! Hier hebben zij Gods woord gepreekt! O, zal God in zijne lankmoedigheid, tot koude asch het vuur laten vallen, dat Gods Zoon op zijn hart heeft gedragen? Of wil hij, in zijne geheime gepeinzen, de toekomst vrijwaren voor de kinderen der lasteraars? Ze stikken in de onwetendheid van God. Gods woord sterft als het hun tongen raakt, en daar ligt nu, als een modder, de doode Mare, die eens blakende liefde was. Dat heb ik twintig jaar lang gekondigd, doch wat baat mijn krijtende ellende in deze woestenij van ontbinding? Ik heb gedacht dat er nog eene kerk was, dat er nog een priester was, dat er nog een getuigenis was van God. IJdele hoop! Alle aardsche toevlucht is onmogelijk en het lijkt alsof God rilt in mij, vol verachting, verlangend om ook die laatste vesting te verlaten .... Mijn God, uw wil geschiede, en uw voornemen is beminnelijk! Uw altaar wordt bezoedeld met al de smerigheid der vleezige zatheid. Uw heilige naam raakt de gekankerde tanden van ketterij en ontucht, en zie! de handen van de verlaagde priesterschap veinzen in de pestlucht het goddelijk gebaar van Uwe zegening! Zal het duren? En is het U zoet dat ik, van op het bloote stroo der armoede, met mijn kleine woorden Uwen geweldigen toorn hun in het aangezicht slinger?—O God! Uwe inzichten zijn verborgen en Uwe blikken hebt Gij van ons afgewend! Wees mij genadig ....”

Er bleven hem eindelijk maar drie vrienden meer over: Pastoor Doening, Simon Peter, de beeldhouwer, en de schilder Johan Doxa.

Deze Johan Doxa was een klein dik ventje met een ronden kroezelkop en malsche putjes in zijne kaken. Men kon er al niet meer van zeggen dan dat hij goedig was, niet zeer vernuftig, zwak en oprecht. Deze gezamenlijke hoedanigheden maakten van hem een dompelaar, niet bestand tegen de luttele aanvalletjes van het gewone leven, een schamelen menschenschuwe en, op slot van rekening, dan toch nog een gelukkigen jongen. Hij was het altijd geweest, van kindsbeen af. Al was hij op school de zondenbok en er onvermijdelijk aangewezen om alle muilperen, die zoo maar uit lol in de lucht omklonken, met een lachje en een schokje langs een van zijne bolle waggelkaken op te vangen, toch leefde hij uit puur genot, vet wordend en heerlijk-lui. Hij was, op twintigjarigen leeftijd, een oude, trage Johan Doxa met een dikken kinderkop, grijze cirkeloogen en blonde krullen in zijn nek. Hij schilderde. Hij schilderde portretten op kleine doeken, werkte maanden en maanden daaraan, likte en overlikte de gladde olieverf en hield niet op voor dat alle detailleering haarfijn was nagebootst en rot gepenseeld. Hij bekwam, op die manier, uitslagen die niet zonder verdienste waren; maar hij bleef, dank zij deze langzame bewerking, een zeer arm kunstenaar. Lieven Lazare was uitermate met Doxa’s schilderijen ingenomen en hij verklaarde, na enkele weken, dat Johan Doxa zijn eenige en waardige vriend was. In zijn boek “Ploerten” schreef hij hieromtrent:

“Hij (Johan Doxa) kon een groot kunstenaar worden, maar wat moest mij dat schelen, als ik alleen dát aan hem hebben zou? Hij was een katholiek. Daarom had ik hem lief en daarom bewonderde ik hem als eenen broeder. Had God hem op mijn weg geplaatst in de regeling van Zijne allerzoetste voorzienigheid? Niets gebeurt buiten de wenken van God en ik dankte Hem, omdat het Hem behaagd had mijne eenzaamheid met eene onverwachte vriendschap te troosten. Ik bezat dus een vriend. Het docht mij dat hij, alover de vele jaren van ketterij en laster, rechtstreeks uit de kinderlijke middeleeuwen naar mij gekomen was. Inderdaad, hij was een kind. Hij lachte stil als ik hem dat zei, en zijne oogen herinnerden mij aan de zaligheid der cherubijnen. Hij toonde, wanneer hij schilderde, het geduld van een gothieker. Hij was arm, evenals ik, en ik gaf hem eten.”

Te dien tijde bewoonde Lieven Lazare, in de Kathelijnewijk, een zeer ongezonde kamer, welke hij zes maanden nadien “om wille der monsterachtige schraapzuchtigheid van een éenoogigen huismeester” verliet. Dit gebeurde in 1883. Lieven Lazare had, éen jaar daarvóor, een zeer minzaam meisje ontmoet en was er nu mede getrouwd. De schrikkelijke armoede, waaruit het schrijven van een paar boeken en het opstellen van een tiental pamfletten hen niet vermocht te redden, ontbond de groote liefde niet, die het vunzige kamertje van de Kathelijnewijk ophelderde. Lieven Lazare beminde hartstochtelijk zijne vrouw en vond dat ze met alle kristelijke gratiën te gelijk versierd ging. Dit was ongeveer de waarheid, want geene vrouw heeft ooit zoo ganschelijk en zoo belangloos haar echtgenoot aanbeden, en geen man ter wereld was ooit maar half zoo grillig-desperaat, zoo klagend-toornig, zoo ingewikkeld en moeielijk van humeur tegenover haar. Ze stierf in het kraambed en liet Lazare een rood kindeken na, dat hij Veronika noemde, naar den wensch van de lieve doode.

Veronika werd geboren te Dilbeek en Johan Doxa was haar peter bij de doopvont. In “Ploerten” vind ik de volgende aardige bladzijde:

“Johan was stralend van eene vreemde vreugde, die zijn aangezicht met eene onbegrijpelijke klaarte belichtte. Hij had twee putjes in zijne kaken en zijne oogen waren niet zoo hel-grijs meer, maar beladen met eene sombere en diepe gloeiing, welke mij meer dan eens ontstelde, dien heugelijken dag. Het was duidelijk dat de Inzichten van den Goddelijken Wil hem bezighielden, gelijk een wonderlijk alaam, voor Gods lusten. Dit denkbeeld overstelpte mij, en ik drukte geestdriftig Johan’s hand. In de kerk echter steeg mijne aandoening tot barstens toe, als een zonderling onweder, in al mijne leden op. De moeder van Johan, die ik met vroomheid gedenk in mijne gebeden, hield het kind boven de vont. De priester naderde met Gods Woord, en Johan stond, zwijgend en innig, als Gods Woord zelve—.. O mijn kind! o begunstigde, die onder zulke heerlijke omstandigheden den Eersten Troost hebt ontvangen, wat zal ik doen voor u, wanneer het den Hemel belieft mij in den roes van mijne zonden en de bitterheid van mijne armoede te verlaten? .... Maar wat zal er geworden van u, indien uwe doode moeder, ginder hooge, niet met de zoete wenken van haar hart uwen onzekeren wandel begeleidt langs deze aarde van ellende!”

Veronika groeide op. Ze werd een lief meisje, zacht, gedienstig en minzaam. De strenge zorgen van haar vader omsloten haar in de regels van een fanatiek-katholieke opvoeding, waarnaar zij zich, in den beginne geleidelijk, gehoorzaam wist te schikken. Ze was inderdaad eene uitmuntende natuur, uitzonderlijk begaafd en, naarmate ze opschoot en flink werd, steeg ze boven het overdreven en wilde geweld van vaders opvattingen.

Ondertusschen was Johan Doxa ook getrouwd. Hij had zich overgegeven aan eene middelmatige vrouw uit het volk, weduwe van een politieagent. Dit gebeurde op zeer geheimzinnige wijze en was de oorzaak der eerste ruzie, die tusschen hem en Lieven Lazare ontstond. Johan, die zich geheel als eene kreatuur van Lazare beschouwde, had den moed niet om aan zijn vriend de toestemming tot dat huwelijk te vragen en durfde nog minder tot de simpele verklaring overgaan, dat hij, zelfs zonder die toestemming, zinnens was “er een eind aan te maken.” Een eind aan wat? Dat wist hij niet, maar hij werd, jegens Lazare, zeer verlegen omdat hij ’t doen moest. Het huwelijk was, in zijn idee, iets dat men doen moet, iets waartoe men gedwongen is. De vrouw van den politieagent woonde in het huis, waar hij een zolderkamertje met een duivenkot gehuurd had, nummer 82 op de Papenvest. Hijzelf gebruikte het duivenkot niet. Hij had het aan den politieagent afgestaan, die er, om zijn pleizier, dakzitters in kweekte. Johan hoorde gaarne, terwijl hij over de fijn gestreken kleuren van een afgebeuld doek gebogen zat, het zachte getroetel der duiven of hun ruischenden vleugelslag, als ze, langs den witten kijker, hun vlucht namen over het grauw-roode spel van pannen en schoorsteenen. Maar de politieagent stierf schielijk, hetgeen Johan zeer betreurde, want hij ging reeds op een vriendschappelijken voet met hem om1. Men bracht den armen man op eene berrie naar huis. Zijne vrouw die niet leelijk was en Juliëtte heette, werd wanhopig en viel over zijn roerloos lijk aan het weenen.

Nu merkte Lieven Lazare dat Johan Doxa er sinds eenigen tijd zeer neerslachtig uitzag. Hij ondervroeg hem daaromtrent. Johan lachte even, schuw en angstig, sprak niet, kuchte en speekte. Op een morgen besloot Lazare zijn vriend eens forsig aan te pakken en kost wat kost van hem te vernemen wat hem zoo zwaar op het hart lag. Hij verliet de kamers, die hij voor een tijdje in de Broekstraat bewoonde, en begaf zich naar de Papenvest. Hij kende het huis, al was hij er maar eens binnengeloopen, sedert lang. Hij klom de steile trap op, struikelde over een hoop kinderen, die er speelden, rook den viezen geur die alom walmde. Hij kwam vóor het lage deurtje van de zolderkamer, en klopte. Hij klopte eene tweede maal. Hij riep Johan door het sleutelgat.

“Ik hoorde2 nu duidelijk een roezemoezend bedgescharrel en Johan’s gedempte stem. Ga weg, loop weg, smeekte Johan dof, kruip in de kast, kruip in het duivenkot .... o Heere! hoort ge dan niet, Lazare staat vóor de deur! .... Ik stond versteend. De twijfel knelde mij als een stalen gesp en ik voelde mij ineens precies door God zelf verlaten. Johan was daarbinnen, overgegeven aan de gemeenste der zonden, want niets, meer dan de onkuischheid, verlaagt den mensch in het aangezicht van God. Ik hoorde het spottend gegichel van eene vrouw. Ik schreeuwde: Doe open! Een vreeselijke klank droeg mijn woord en ik herkende mijn eigen stem niet. Toen—dewijl hij bang was, niet zonder reden—deed hij open, en ik zag hem, tegen den muur gedrongen, zijn vuile buik als een mestzak daar hangend, onder het scheefgetrokken hemd. Ik zag de roste haarpijlkens stekelig rechtstaan op zijne bloote dikke beenen en tegelijk zijn ronden kop, bleekglimmend van laffen angst. Op het bed lag zij. Zij was zeer onverlegen, en hare naakte armen lengden zich op het hoofdkussen in hare donkere haren, en hare keel was wit en lang, gelijk eene baan van melk. De duiven, achter de berden, deden een zoet geruisch. Ik sprak niet in den beginne. Ik wachtte naar de schrikkelijke vermaledijding, die de Hemel mij zou ingeven. Ik hief mijne hand op en werd gewaar dat ik ging losbarsten in tranen. God vernedert mij uitermate, dacht ik. Zijn naam is gebenedijd.”

Het bleek seffens dat Johan Doxa zich aan geen de minste misdaad had vergrepen. Hij was wettig en kerkelijk getrouwd. Hij had dat zoo stillekens gedaan, en zijne neerslachtigheid, die daarop volgde, had geen andere oorzaak, dan dat hij ’t over zijne tong niet kon krijgen om het aan Lieven te bekennen.

Lieven bleef langen tijd zonder nog naar Johan te willen omzien. Zijn boek krioelt van profetische vloeken naar het adres van den “verloren vriend, welke zijn goddelijk instinkt heeft overgegeven aan al de hoererijen van zijn zwakheid.” Zijn dochtertje die vóor dien tijd met mijnheer Doxa speelde gelijk met een verduldig kind, mocht zijn naam niet meer uitspreken, en Lieven jammerde maar door, met een Elias’ passie, over de bitterheid van “den kelk met eindeloozen bodem, kostbare tastelijkheid van Gods wil.” Daar kwamen dagen van diepe armoede, dagen vol met den last van leven, dagen zonder lust en zonder troost. Er moest worden geld gebedeld om brood te koopen. De beenhouwer gaf geen krediet meer en de wereld scheen, op den drempel van het kamertje, dichtgemuurd. Lieven schold, in donderende brieven, de menschen uit die hem eertijds hadden de hand gereikt en hem nu, moe van geven tegen ondankbaarheid, een stuk van honderd frank weigeren dierven. Aan een jongeren dichter, die hem ter inzage zijne verzen zond, schreef hij:

“Ik ben zonder moed. Gij zegt dat ge mij zeer bewondert, en gij stuurt mij een manuskript. Wanneer zullen zij een daad doen zij, die mij een groot man noemen? Vergeef mij dat ik mijn brief ongefrankeerd aan de post toevertrouw. Mijne laatste centen heb ik dezen morgen in de klauwen van een kalen bakker gelaten. Ik heb er een droog pasteitje met krenten voor gekregen, dat mij door mijn dochtertje Veronika werd gevraagd. Zij vroeg het, mijnheer, met een bevend stemmetje, hetwelk gij niet kent en mij buiten alle mate aandoet. Ik heb geen schaamte dat ik u dat schrijven moet. Ik ben zonder moed. Ik roep het u en allen, nog en nogmaals, zooals ik het al sinds twintig jaren doe. Maar het behaagt God, mij in Zijne nabijheid te behouden, want niemand helpt mij uit dezen staat van mizerie. Ja, mijnheer, God buigt zich, op deze stonde, boven mijne schouders en ik voel zijn adem van liefde, en ik ben, in waarheid, zeer verwijderd van u. Zijne besluiten zijn allerbeminnelijkst. Wat moet ik hier bijvoegen? Ik ken u niet. Ik wacht tot ge iets doet, dat u mij kenbaar maakt.

Op een kersmisdag ging hij met Veronika bij Johan Doxa. De ontmoeting was eigenaardig. Lieven was koud en voornaam. Hij werd zeer liefelijk ontvangen en mevrouw Doxa deed haar best om er minzaam uit te zien. Ze scheen ganschelijk te hebben vergeten dat mijnheer Lazare’s vroegere behandeling wel zeer beleedigend was geweest en wilde zelfs nu niet merken dat zijne houding vrij stijf en hoogmoedig leek. Mijnheer Lazare inderdaad stelde zich dees bezoek voor als een verplichten stap in de modder en hij spreidde om geheel zijn wezen en staatsie een minachtend medelijden ten toon, dat duidelijk beteekenen wilde: “Zie, nu kom ik hier, gedreven door God, als een zendeling, die dankbaar het kruis draagt van vernedering en gehoorzaamheid.” Hij stond op den drempel. Zijn groot lichaam schaduwde breed en massaal in het klare deurgat, en hij zei, kijkende naar Doxa:

—Welnu, Doxa?

De profetische klank zijner stem trof Doxa uitermate. Deze zat bij het venster, naast eene wit-houten tafel en vóor een klein doek, dat hij verduldig aan het beschilderen was. Zijn rond palet was bestekeld met eene menigte puntige penseelen en op het tafelbord hief een porseleinen koffiekan haren lekkeren buik in het zilveren winterlicht. Zijn mond werd ineens droog en zijn keel raspig. Hij glimlachte nuchter en dwaas-verwonderd, terwijl zijn kop boven de koffiekan bollig uitstak. De kan was vet in haar witte verve.

Nadat mevrouw Doxa een flesch met cognac had opgehaald en seffens de geurige grogjes deed dampen, sprak Lieven Lazare die zich nederzette bij het vuur:

—Ik ben dus, Johan Doxa, bij u gekomen, met het inzicht van den Eersten Persoon. Ik heb alles doodgewrongen wat in mijn lijf van passie zich opwierp tegen deze vreemde toenadering. Wees er mij niet dankbaar om. Ik ben het middel, terwijl het doel, dat van daarhooge is aangewezen, mij onbekend blijft. Het moet u verwonderen dat God zich verwaardigen wil te neigen over u? Het is de waarheid, noch min noch meer. Het woord dat ik voer, is een stoffelijke gedaante van Zijne barmhartigheid, want Hij zal zich uwer ontfermen. Wees bedaard. Spreek niet. Roep niet. Wij zijn blind als de bedelaars van de parabel. Het oog van God straalt, onzichtbaar, boven ons, door alle tijden der Eeuwigheid.

Mijnheer Doxa blikte benauwd naar mijnheer Lazare. Even bibberden de fijne penseeltjes langs het ronde palet. Tegen de blanke vensterklaarte krulden zijne bleeke lokken en zijn hoofd was als dat van een engelachtig kind, dat naar een vreeslijk sprookje luistert. Spreken of roepen, daar was bij hem geen kwestie van; maar nu geloofde hij het toch, terwijl Lieven hem tot bedaren aanzette. Moest hij roepen? Holderdebolder klepperden dooreen in zijn bange hersens de kleine verwarde gepeinzen, die hij, gelijk sprinkhanen, opjoeg.

—Johan Doxa, zei Lieven Lazare, ontdoe u van den ouden man. Ontdoe u van de besmetting der zonde. Werp u, naakt en schreiend, in de meren van berouw, die ik u toon, den Hemel zij dank! Ik merk dat ge het beeld van Kristus op dit bonte doek wilt konterfeiten en dat geen vrome aandoening uwe vleezige hand geleidt. O arbeid niet in de duisternis; buig niet uw voorhoofd over de zwarte schimmen van uwe menschenverbeelding; kijk op, en schud uw beladen lichaam. Ik zeg het u: gij zijt zwaar van smerigheid.

Mevrouw Doxa was van meening dat hierop moest geantwoord worden. Ze zette hare vuisten in hare heupen en ging te midden van de kamer staan. Men moest zich zoo toch niet laten uitschelden. En dan nog in uw eigen huis! Nee, dat was kras. Johan Doxa keek wanhopig naar zijne vrouw, en beurtelings naar Lieven Lazare. Er viel een schoone stilte, waarbinst de prettige koffiekan haar glimmenden buik stille deed waggelen. Mevrouw Doxa plofte door deze fijne stilte, gelijk een okernoot door een spinneweb. Ze kwetterde hare verontwaardiging uit en hare lippen werden nat, karmijnrood en rap-roerend.

—Neen, mevrouw, wedervoer mijnheer Lazare afwerend, op dit terrein zal ik u niet volgen. Wees niet toornig, bid ik u. Alleen de klank mijner stem is mij eigen—de woorden, mevrouw, zijn van God.

Hij dronk eene helft van zijn walmend grogje, likte langzaam over zijne dikke knevels en zette het glas, met een tikje, op het steenen blad van de schouw. Veronika zat nevens hem op een lagen stoel. Ze droeg een donker kleedje dat in rechte plooien openvouwde op hare knieën, en een wit-pelsen manteltje dat ze had achterover geleid, op den rug van den stoel. Ze scheen niet te hooren wat rond haar gebeurde. Ze tuurde droomend naar de kachel die half-rood stond en die ronkte bijwijlen, vol geheimen. Bij den aschbak lag een klein oud hondje. Hij lag in een ronde mande, op een stuk gebloemd fluweel, en zijn grijsmuiltje rustte over den rieten rand.

—Johan, sprak mijnheer Lazare, ik ben niet gekomen met, in mijne handen, de warme herinnering van onze vroegere vriendschap. Ik ben gekomen met de Goddelijke inspiratie. Ik ben arm. Ik draag in mij de gratie der armoede. Ginder ligt het pak dat ik heb medegebracht, en hier is Veronika.

Hij wees naar een bruin-papieren pak, dat hij achter de deur neergeleid had.

—Ik heb dit pak medegebracht. Het is àl mijn goed, Johan. Het bevat enkele handschriften en een beetje linnen. De rest is weg, verkocht, gestolen—mijne kostbare boeken, mijne prenten en zeldzame houtsneden, mijne kleederen, de geheele meubileering .... enfin .... ik ben beroofd van de wereldsche bezittingen en alles is ijl rondom mij. Het is mij ingegeven dat ik bij u komen zou. Zoo ben ik dan gekomen, niet omdat gij zoudt deernis hebben met mij, maar omdat gij u zoudt bekeeren, naar mijn voorbeeld en naar Gods wil.

Mijnheer Doxa was waarlijk gelukkig, toen, in den namiddag, de zaak op een volle verzoening afliep. Mijnheer Lazare en zijne dochter bleven elf dagen inwonen bij Doxa, die weldra aan het spelen was met Veronika zooals voorheen. Hij vertelde haar wondere sprookjes, welke hij vóor de vuist verzon, de lange winteravonden langs. Hij ging met haar dagelijks de konijnen bezoeken die hij, in zijne slaapkamer, op het duivenkot kweekte. Van duiven had hij geen verstand. ’s Morgens ging hij uit wandelen en Veronika vergezelde hem iedermaal. Zij kuierden door het park, bleven bij de breede waterkommen verwijlen, liepen tusschenbeide het muzeum eens binnen, waar ’t lekker warm was en soms zoo eenig-stil en gezellig. Hij droeg een kort winterjasje dat op zijn ronden buik spande, en zijne smalle broekpijpen slodderden op zijne grauwe rijgsnoeren thoop. Hij lachte altijd, werkte nooit, had het schilderijdoek achter de kast gestoken en zijne borstels zoo maar in een waterbak gedoopt.

Op een middag was hij met Veronika in de versche sneeuw gaan daggeren, de breede Tervurenlaan op. De kille wind had in hun wangen gebeten en ze kwamen rood en glinster-oogend thuis. Ze vonden mijnheer Lazare op den drempel. Hij was aangekleed en droeg zijn bruin-papieren pak met een rood-en-grijs touwtje aan de linkerhand. Doxa vernam dat zijne vrouw zich “als een prij” gedragen had en dat Lazare, op staanden voet en voor eeuwig, het huis verliet.

—Dit gebeurde op een sneeuwdag3. Ik nam Veronika bij de hand, en het arme kind begon stil te weenen. Ik merkte ook dat Johan Doxa in schijn zeer droevig was. Hij sprak niet, boog het hoofd. Het weer was klaar. De schuinsche zon speelde hoog in de lucht. Ik had mijne manuskripten en mijn linnen in een bruin pakpapier gewonden, en ’k hoorde den zenuwachtigen stap van mevrouw Doxa om en weer de houten kamer kloppen. Nadat ik mij tegenover Johan Doxa verklaard had en, als onvoldoende verontschuldiging, zijne schuchtere bewering “dat zijne vrouw waarschijnlijk zwanger ging en raar deed” ontvangen had met een schouderophalen, nam ik dus Veronika bij de hand en trad de trap af. Ik haastte mij niet. Ik wilde hem ten minste den tijd laten tot bezinnen. Ik hoopte, in mijne goedheid, dat deze man, eindelijk door God getaakt, mij zou achternasnellen, mij met een raak woord of een smeekend gebaar tot den vrede zou terugbrengen .... Neen, hij bleef daar hooge bij den drempel. Hij zweeg. Hij roerde niet. Buiten was de winter bezig. Waar moest ik nu gaan, met dat povere kind, o mijn God! Ik had geen geld, geen uitkomst. Die vent, dien ik mijn vriend waande, had mij de deur uitgesmeten ....

De avonturen die daarop volgden, waren àl droefheid en ellende. Het was in dien hachelijken tijd pastoor Doening, die hem eindelijk uit den nood redde. Lieven Lazare betrok een klein huisje te Evere, dat mijnheer Doening voor hem gehuurd had en leefde er een langen tijd. Daar was het dat hij zijne dochter tot vrouw zag opgroeien en hij dien heerlijken roman schreef: “Een Keerpunt.” Het leek alsof hij zich aan geen pamfletten meer vergrammen zou. Die toestand veranderde echter na de komst van Simon Peter, den Jood, tegen wien hij op theologisch en ekonomisch gebied met beroerde geestdrift diskuteerde. Lange stonden zaten ze te zaam in het priëelken van den tuin te praten en te twisten, maar, hoe zonderling ook, de ijver van Lazare ging nooit tot toorn over. Hij kon met Peter niet hatelijk doen en, na de hevigste woorden, voelde hij toch zeer innig de deugdelijke warmte van Peter’s aanwezigheid en was hij telkens treurig, als Peter het Eversche huisje verliet. Hij was minder ingenomen met Ernest Verlat, die, na een tijdje, de wekelijksche wandeling naar Evere mededeed.

Ernest Verlat sprak niet veel met hem. Hij zat gewoonlijk in het zonnig voorkamertje, waar er een breede Vlaamsche schouw was, geheel met tinnen potten en aarden teelen bezet. Hij zat onder het violette schouwkleed, sprak met Veronika die, bij het vensterlicht juist tegen de getafelde venstergordijntjes, borduurde ....


Lieven Lazare had den gladden rand van zijn koffietas met zijn duim geraakt, toen er op de deur van het zolderkamertje geklopt werd. Eer hij zich omkeerde, had Simon Peter reeds de klink gedraaid en stond hij, goedig-glimlachend, in de zwarte deurgaping.

—Nu, ouwe kerel!

Ze drukten malkander stevig de hand en Simon legde zijn strooien hoed op de tafel neder.

Hij trok langzaam zijne handschoenen uit en streek met zijne struische vingeren, die zeer wit waren en spierig, over den zwarten glans van zijn baard. Mijnheer Lazare ging rechtover hem zitten, kruiste zijne beenen, maakte ’t zijn eigen seffens gezellig. Hij trommelde zacht op den rug van een dik boek. Naderhand boog hij zich om een sigaar op te nemen uit den lederen koker, dien Simon hem overreikte. Simon zei:

—Het is niet, omdat ik haastig ben, dat ik met de deur in huis wil vallen, mijn vriend. Ik ben niet haastig om weg te zijn van hier, maar ik haast mij u een boodschap te brengen, die ik van harte heb aanvaard. Ik heb ze met gretigheid aanvaard, Lieven, en ge zult dit wel willen bezien als een teeken van mijn genegenheid voor u .... en de uwe ....

—Ik ben alleen, weet ge toch, gromde mijnheer Lazare.

Hij had de sigaar aangestoken en pafte breede wolken in de lucht. Ze krulden vettig en traag, wuifden heerlijk open, schoven in de zonnelagen, die dweers door de ruimte hingen. Wattige walmen bleven haperen in zijne snor.

—We moeten vandaag kalm blijven en aandachtig, wedervoer Simon. Het helpt niet als ge vijandig naar mijne woorden loert en mijne inzichten verwaarloost. Men heeft u gekrenkt; maar uw gezag blijft ongeschonden, vermits men alles vergoeden wil .... Neen, Lieven, val nu om Gods wil niet uit tegen ons. Het is zoo ellendig en onnoodig.

—Waarom zegt ge “ons?”

—Laat me uitspreken. Ik zeg “ons” met reden. Ik begrijp u erbij insgelijks. Wat wilt ge hier zitten als een gewond dier, u zelf opknagend met uw haat tegen alle menschen? Kom, man. Werp af dat misanthropisch Nessuskleed. Ge stikt immers daaronder .... en ge hebt een dochter die u liefheeft! Ze vraagt naar u. Uwe plaats is ginder aangeteekend. Uw zetel staat bij den haard. Doe nu een natuurlijke daad. Hier gelden geen princiepen.

Mijnheer Lazare had geglimlacht. Hij luisterde verduldig, knipte zenuwachtig met de punt van zijn pinknagel de asch van zijn sigaar, deed zijn pantoffel wippelen op den top van zijn teen. Hij zweeg nog, als reeds Simon ophield met spreken. ’t Was of hij zich aan meer verwachtte en positie had genomen om meer te hooren. Hij keek nu in eens op, blikte vragend: “Uit?” en bracht toen zijne beide handen overeen op zijne knie.

—Daar schuilt veel, mijnheer, zei hij in uwe weinige woorden. Het blijkt dat ik thans verplicht ben uw geheugen wat op te frisschen. Ik walg dat ik het doen moet. Over die zaak hebben wij ’t nog nooit gehad, omdat gij ’t niet geraadzaam hebt gevonden voor uw vriend Verlat in de bres te springen. Nu doet ge ’t voor uw vriends vrouw. Dat is eene andere stelling. Ze is echter even zot. Het zal u misschien verwonderen dat ik de onzeggelijke lafheid mijner dochter heb aangenomen als een bijzondere en uitgelezen gifte van God. Het heeft God behaagd mij op die manier nog meer aan Hem te hechten. Hiermede heeft Hij mij niet gekastijd, maar Hij heeft mij bewezen dat niets op de wereld mij mag onoplettend maken of verkoelen in mijn liefde tot Hem. Het is bijna een mirakel, mijnheer; want ik beminde mijn kind zooals de menschen zeggen dat zij hunne kinderen totterdood beminnen. Ik wil u dit Goddelijk verschijnsel van naderbij aantoonen.

Hij hief zijne sigaar op armslengte boven het tafelberd, zag de kleine krulling van de uiterste dampwalmen al trillend opwiegelen. Hij liet ze nadien stille neervallen op een wit schrijfblad, waar de doovende asch uiteenstoof en vlekte. Hij bekeek dan mijnheer Peter in het aangezicht, en zijne ronde neusvleugeltjes, welke zeer fijn waren en doorzichtig, roerden een oogenblik. Hij zuchtte en sprak:

—Gij kent mij niet, Simon. Ik heb dus tevergeefs al die boeken geschreven en al deze rimpels gesneden in mijn voorhoofd? Het is jammer, inderdaad. O kerel, wat een strijd van jaren en jaren werd er gestreden in mij—God eenerzijds, en anderzijds de Duivel! Verbeeld u mij als kind. Verbeeld u een kind zonder ouders, opgeleid door een zwakke grootmoeder, die mij op vijftien-jarigen ouderdom alleen op deze wereld achterliet. Geld? Ik had een handvol geld! Ik had een handvol geld! Zij hebben ’t mij afgetruggeld, natuurlijk. Heeft iemand, een enkel iemand maar, ingezien de ontzaglijke kracht welke opgroeide in mij, die gratie uit den Hooge? Het was waarlijk een wonderbare gratie, die mijne woorden tot vlammen van liefde blaken deden. Mijne schoonheid kunt ge niet jeugd heeten noch eenvoud noch onschuld. Mijne schoonheid lag in het vuur van mijn vleesch, hetwelk, door een wonder van heiligheid, tot gistenden geest gedijde. Begrijp dat goed. Ik was niet grondelijk bewust van mijn macht. Evenmin kent de schelle pioen den gloed van hare kleuren. Ik was de drager van iets. Voelt ge, mijnheer, dat dit het geheim is van mijn rampzalig leven? Ik was de drager. Het ware kinderachtig hierop dieper aan te dringen—het ligt bloot en klaar dat mij eene zending is toevertrouwd. Ik zelf kon dàt niet weten—maar gij, gij allen die ooren hebt en oogen, gij, tot wie ik als een spektakel gezonden werd, uit angst en uit lafheid hebt gij niet willen zien en niet willen luisteren. Hemel! het ontbrak mij nochtans niet aan woorden noch aan daden! Ik was een jongeling, mijnheer, zooals alleen een is, die gemerkt gaat met Gods vinger en beladen met Zijn wil. Ik was groot, struisch, helder en moedig. Nadat ik twee jaren, als leergast, bij een boekbinder had vertoefd, verliet ik dezen farizeeër, die zich mestte met mijn zweet. Ik was kort daarna echter verplicht bij hem terug te komen, want de bloedhond had heel de stad opgejaagd tegen mij en alle werk bij een ander meester werd mij geweigerd. De boekbinder betaalde mij een loon van twee en dertig stuivers in de week. Hij heette Ignaas Vierendeels en was een klein mannetje met een gladden kop, een grauwen bril, een paarlemoeren snuifdoos en korte broeken met gespen. Al liet hij mij weinig vrijen tijd over, ik slaagde er in één boek te lezen op de tien, die ik binden moest. Ik las Fransche en Engelsche romans en enkele Nederlandsche bundels, die mij, om hunne stijfheid en onnatuurlijke techniek, zeer ongenietbaar leken. Ik las de boeken van den goddelijken Pascal en de slijmerige prullaria van het onding Renan; ik las Thackeray en Dickens, die te handig zijn om boven het peil van een soort commercieële kunst te stijgen; en ik las Victor Hugo, dien kafmolen, en Emile Zola, dat varkensjong. Gij weet wat ik thans over de letterkunde denk. Als boekbindersgast heb ik oordeelen geveld, die ik na zoolange jaren niet heb moeten wijzigen. Op een uchtend, een zondag na de vroegmis, kocht ik een pen en een koker, en op omslagpapier probeerde ik het, zelf wat te schrijven. Ik schreef een voortreffelijk artikel over de armzalige balletkunst van den troglodiet Leconte de Lisle, en later een kritisch essay naar aanleiding van de protestantische uitboezemingen van een Hollandschen wijsneus. Beide studiën werden in alle tijdschriften geweigerd. Hoe raar! toen juist besloot ik mijn krachten uitsluitend aan de letteren te wijden. Mijn schriften werden met lachbuien, misprijzen of onverschilligheid bejegend, en ik begon een leven van onzeggelijke mizerie. Maar ik was gezonden als een toonbeeld, om alle leed, alle schande te schorsen. Ik duldde honger, koude, oneer, vernedering. Eene vrouw die ik liefhad, bedroog mij met een letterkundigen blikslager, en ik werd rechterlijk vervolgd omdat ik ze, tot haar straf, uit het venster gooide. De dagblad-eigenaars en de hooge geestelijkheid vonden dat ik te “brutaal” was. Ik heb éen voor éen de sympathie van allen verloren, omdat ik te “brutaal” was. Men liet mij, ter ontbinding, ploeteren in mijn schrikkelijke armoede; maar ik bleef “brutaal.” Ik bleef naïef de waarheid zeggen. De waarheid, helaas! mijnheer! Ik zei de waarheid omtrent alles en aan iedereen, en ik bekreunde mij nooit om de gevolgen. Dit is, zal u wel toeschijnen, heel uw wezen blootstellen aan alle mogelijke vernietigingsalaam. Ik verdomde ’t. Ik stelde me vast voor, altijd onhandig, mateloos en onvoorzichtig te zijn, en ik zou, allentwege te werk gaan met eene eindelooze, gloeiende, vrije overdadigheid! Ik heb zeer veel geleden, mijn waarde Simon....

Mijnheer Lazare teekende met zijn duim een halven cirkel in de ruimte, langs een golvend gebaar dat zijn wensch beduidde, om al die jaren met een schrap van zijn hand weg te vagen. Zijne wimpers zegen langzaam als een vool, over zijn vurigen blik. Hij sprak, na een poosje:

—Door al die mottigheid van mijn leven en door de misten van mijn zoekend gedacht, straalt, gelijk een dag-vol-zon, het gelaat en het hart van mijne tweede vrouw. Wanneer ik denk aan haar, zijn vol licht mijne duisterende oogen. God, om mij moed in te geven, heeft mij een zicht willen toonen van de Hemelsche Gewesten, en hij schonk mij den blik van mijne vrouw. Om echter het geweten van mijn zendelingsplichten te scherpen en mijn ijver niet in luiheid van geluk te laten vertragen, overlaadde Hij die tijdelijke klaarte met de schaduw van Zijne onverbiddelijke hand. Zijne inzichten zijn zooals de schaduwen van het Onbegrepen Woord en Zijne hand is gebenedijd. Mijne vrouw stierf op een vrijdag, even na Laetare-tijd. Wij woonden toen te Dilbeek, een dorp vol vooroordeelen in een struisch landschap van het kloekste Brabant. Daar lag een tuintje met rozenperken en kleine wegelkens vóor ons huis. Juist blonk er een lieve Junimorgen, bepereld met zilveren dauw en omdaan met lichte floersen opalen licht. De venstergordijn was klein en geel, gespikkeld met paarse ringen, en het hing sierlijk gevouwen tegen de blikkerende vlakte van de dag-blanke ruit. Blij klopte er de zon. Het was vroeg en frisch daarbuiten, maar in de kamer, die lauw was en zwaar, haperde de trage nacht. Ik draaide het lamplicht omlaag, en de zon viel levend binnen, blauw en gulden. Kort daarop stierf mijne vrouw. Het laatste vaarwel dat, zwijgend en wonderlijk, uit hare oogen mijwaarts blonk, was reeds beschenen met een voorglans van Gods heimelijke glorie. Toen voelde ik me plots zoo alleen en eendelijk zijn. Toen keek ik naar het kind. Toen weende en bad ik. Het kind lag roze en rustig op hare borst, zijn handjes uiteen en omhoog, gelijk twee kleine wanhopen naar den hemel gericht ....

—Ge beziet me ernstig, mijnheer, hernam Lieven Lazare, wellicht toetst ge aan een teeken van mijne woorden den Goddelijken oorsprong van mijne rampen? O! gij kent mij niet geheel, want in u schuilt een deel van den Vijand, dien ik met scheldende waarheid bevecht. Allen die mij liefhebben, zullen mij kennen, en zij zullen de uitverkoren vrienden zijn van God. Maar ik wil probeeren mijn doen begrijpelijk te maken bij u .... Ik bleef dus, na den dood van mijne vrouw, alleen met het kind. Het was een lief en minzaam kind, en het werd weldra de schat en het eenig stoffelijk genot van mijn leven. Verbeeld u nu wat ik al voor mijn dochtertje te dragen had. Stel u voor dat ik haar, spijts de ongelooflijke tegenkantingen van eene bedorven kerk en de principiëele hardvochtigheid der zoogenaamde vrijdenkers, tot een meisje van kristelijke, zegge menschelijke waarde wist op te leiden! Onuitsprekelijk mirakel! Waar thans Lesbos en Sodoma met openbare hondschheid worden bezongen en het Gulden Kalf majestatisch, op een zonderlinge berrie van platte harten, gedragen wordt door al de Joodsche mestbuiken en bloedzuigers—waar het dogma der Logen omkleed is, als met een arlekijnspak, met Gods Woord, daar heb ik, mijnheer, doen rijzen de zuivere klaarte van zulk vrouwenfiguur .... Veronika! Veronika, mijnheer, ja. Maar ziet ge ten minste, in de donkerheid van uwe verbeelding, iets dat lijkt op de afgrijselijke hinderpalen, welke mij hebben in den weg gestaan? Ziet ge iets van die vuiligheid en iets van mijn moed?

Mijnheer Lazare stond recht. Zijn breede gestalte steeg somber tegen den witten kalkmuur en zijn gelaat blonk uit met kracht. Van op de lagere huisverdieping klonk, boven het gewone straatlawaai, een langzame mannenstem. Ze was niet fraai, noch helder. Ze droeg, als uit eene holte, de eentonigheid van een traag lied en ze deed waarlijk vreemd, gelijk een die zal gaan huilen in een najaarswind. Mijnheer Lazare bracht stil zijn linkerhand over zijn voorhoofd, terwijl de andere, zeer bleek, op den bruinen rug van zijn stoel rustte. Hij zeide:

—Laat toe dat ik niet met versche woorden de herinnering aan mijn laatst ongeluk verlevendige. Veronika is me ontstolen en zij is nu zooals hare moeder: zij heeft me een uiterst vaarwel toegestuurd. God heeft niet gewild dat ook dit vaarwel belicht werd met het goud van Zijne gratie: Hij heeft geboden dat het uit de modder van menschen tot mij komen zou. Zijn gebod is allergenadigst, en ik ben Zijne zorgen onwaardig. Spreek mij nu nooit meer van die akelige dingen, Simon. Ik heb niets te vergeven en niemand te vonnissen. Ik ben het werktuig van God, en mijne dochter is dood.

Op dit oogenblik boog Simon Peter voorover, als eene voorbereiding om hierop antwoord te geven. Zijn baard veranderde ineens van kleur, wijl een straal van de Julizon juist zijn donkere glansen taakte. Maar mijnheer Lazare weerde met een beslist gebaar van zijne beide handen den stillen aanval af.

—Neen, Simon, sprak hij een beetje korzelig, dring niet aan. Het ware spijtig, wanneer ik iets bij dit alles moest toevoegen, en den toon overschrijden misschien, die past bij onze aangename vriendschap. Wat ik u verteld heb, moet voldoende zijn om u te laten raden wat ik liefst verzwijgen wil. Ik houd mij, voor de rest, aan deze verklaring die onherroepelijk is: mijne dochter is dood in lijve en ziele—en ik ben slechts een onbeschaafd werktuig van den aandachtigen God, die werkzaam is door alle eeuwen der eeuwen.

Daar de holle stem op de lagere verdieping nu met versche klankbuien opschoot, begon hij te lachen, kwam op Simon af en vatte hem bij de schouders. Een traan blikkerde op zijne wimpers.

—Jongen, lachte hij luchtig, het weer zal veranderen. Als die kleermakerszoon aan het zingen gaat, is het zeker dat het regenen zal. Morgen valt er water.

Inderdaad, op de tweede verdieping woonde de kleermaker. Zijn oudste zoon, die onnoozel was, had een vreemd en instinktmatig gevoel der weersverwisselingen. Dan zong hij wilde, langzame wijzen, zooals, naar men verhaalt, sommige fijngesnaarde en zinrijke dieren doen, welke leven in verre gewesten, onder den vrijen hemel en het woeste gewas.


1 Zie over den aard van die relatie mijn klein verhaal: “Johan Doxa, Gothieker.”

2 “Ploerten,” blz. 79.

3 Blz. 130 van Lazare’s “Het boek van Job” waar het geval incidenteel verhaald wordt.—De cursiveering is van mij.