Te dien tijde was Brussel het brandpunt van eene geweldige ekonomische beweging. Daar gistte eene kiemende revolutie, ontstaan uit de eigenaardige verwikkelingen van den politieken toestand, en het is, voor het verder verloop van deze geschiedenis, noodzakelijk dat uitvoeriger hierop gewezen wordt.
Twintig lange jaren had de katholieke partij, dank zij eene merkwaardige inrichtingstucht, met de steenen kracht van eene overwegende en gehoorzame meerderheid het bewind kunnen behouden. De liberalen, die vroeger hadden geregeerd, stonden nu machteloos met een al te geestelijk, al te onpraktisch programma tegenover deze klerikale behoudheidskracht. Het werd hun weldra geheel onmogelijk, in eenige mate zelfs, op de zware, roerlooze massa der katholieke overmacht te reageeren, en zij zochten een steun in de opkomst van de sociaal-demokratische partij. Deze sociaal-demokratische partij, geleid door mannen van onbetwistbaar talent en niet-geringe wetenschappelijke waarde, had zich rasser in het stugge Walenland kunnen ontwikkelen dan in Vlaanderen, waar eene blinde vroomheid en een eeuwenzwaar godsdienstige beijvering de bevolking onder hare macht hield. Hare richtinge scheen echter zoo voortreffelijk en haar ideaal zoo nieuw, zoo breed, dat zij zich in alle standen al de ontevredenen, al de verlaagden en vernederden, de gebrekkigen en de onwetenden dadelijk aansloot. De sociaal-demokratische instelling berustte weldra op de werking van den Werkmansbond eenerzijds,—machtige vereeniging van Waalsche proletariërs, waarbij zich seffens de groote arbeiderskringen der Vlaamsche dokken en weversfabrieken kwamen voegen—en anderzijds op de meer verstandelijke, meer zich-zelf-bewuste medewerking der Joden. Nu ijverde ze hardnekkig om over het Vlaamsche land het geweten der verdrukte agrariërs in opstand te brengen.
De zonderlinge politische gebeurtenissen, welke ineens aanleiding gaven tot de revolutionaire gisting, ontstonden, zeer onlangs, uit den volgenden toestand: eene splitsing had eindelijk de massale eenheid der klerikale regeering verbroken, en op deze heerlijk-harmonieuze politische bewerktuiging kwam, uitbuitend en ontbindend, de “Unie der vooruitstrevende katholieken” aanwassen. De gevolgen hiervan waren onverwacht. Het liberale doktrinarisme, welke in dit feit niet ten onrechte de onmiddellijke zegepraal van de geweldige sociaal-demokratie raadde, verzaakte onverwijld zijn toevallig verbond met de proletariërs en sloot zich aan bij de behoudheidsgezinde katholieken, terwijl nu de overige min-opportunistische liberalen geen reden meer hadden om zich niet dadelijk en algeheel bij de sociaal-demokratie in te lijven. De ministeriëele klerikalen en de doktrinaire liberalen vormden nu wat men het centrum placht te noemen. Dit centrum, hetwelk, om de vredige volksomwenteling te keer te gaan, de meest achterlijke politische beweging inzette, verhaastte de revolutie.
De oude hoofdman der katholieken en de ziel van het centrum was de staatsminister Dissel. Mijnheer Dissel moest meer dan zeventig jaar oud zijn, maar hij zag er uit als een klein levendig en vlug mannetje van ver onder de zestig. Rond en kaal en gladgeschoren was zijn hoofd, waar, gelijk twee stalen schichtjes, roerden zijn grijze oogen. Zijn uitzicht was dat van een goedig en aandachtig mensch. Hij kon, zoo bijzonder innemend, zijn onrustig kopje almeteen laten neerbuigen, even schuins, zoodat het daar zoetjes en vlijtig te peinzen hing op zijn enge borst. Hij was de bewerker geweest der wonderlijke katholieke tucht, en hem was het te danken dat de behoudheidspartij tot hare groote macht kon geraken. Gedurende twintig jaren had zij de verschillende ministeries gevormd tot een verduldig alaam van zijn scherpen partijgeest. Hij zelf had nooit een portefeuille willen aannemen, maar hij was de eenige leader en het geheele ministerie zelf. Zonder hem werd niets aangedurfd en zijn wenk, in alles, gold als eene onverweerbare wet. Men kon hem een groot man noemen. Zijne inzichten echter bevorderden een breed-menschelijk en hoog-philozofisch ideaal, evenwijdig met de onmiddellijke voordeelen van een egoïstischen en partijdigen welstand. Hij was een godsdienstige fanatieker, geheel verbonden met de Roomsche kerk. Hij onderhandelde rechtstreeks met het Vatikaan, en de benoeming van Belgische bisschoppen en prelaten geschiedde naar zijn advies. Zijn beheer, dat daardoor zoo goed als uitsluitend ’s lands eenig beheer uitmaakte, berustte op de ongemeene handigheid van zijne vele en verscheiden intrigen. Niemand had vertrouwen in de middelen, welke hij tot de benadering van zijn doel aanwendde, maar iedereen meende toch dat zijn doel bereikt zou worden. Hij werd gevreesd door allen. Al had hij geen vrienden, talrijk waren zij die zich zijn vrienden noemden, omdat het wel te gissen was dat alle kansen aan zijn kant waren. Men wist niet recht goed hoe hij zulke ontzaglijke macht verworven had. Hij had ze verworven. Hij was waarlijk een machtig man, oppermachtig over alle anderen. Het volk trosselde bedelend om hem heen.
Mijnheer Dissel kon de liberale partij niet als een ernstigen hinderpaal aanzien. De sociaal-demokratie gaf hem meer zorgen. Hij voelde dat zulke inrichting de stevigheid van de zijne in gevaar kon brengen en dat hij al zijn knapheid zou noodig hebben om den aanval te keer te gaan. De leidsman der proletarische beweging was een Jood, genaamd Otten. Mijnheer Dissel meende te merken dat mijnheer Otten uitzonderlijke hoedanigheden bezat en alleszins een vijand was, waarmede men zou af te rekenen hebben. Nadat hij later de overtuiging had opgedaan dat mijnheer Otten geholpen werd door onbekende medewerkers, die bleken bedeeld te zijn met niet minder politisch vernuft dan mijnheer Otten zelf, besloot hij van dan af de sociaal-demokratische taktiek te storen.
Wat ook zijn plan was en hoe handig hij het had opgevat, het kwam te laat: de heerschzucht van den oud-minister Wolf van Dueren stond hem daar onverwachts in den weg en leidde plotseling zijne aandacht anderwaarts. Mijnheer Wolf van Dueren kon het mijnheer Dissel niet vergeven dat hij hem als minister had doen afdanken, en bereidde achterbaks de opkomst van de “vooruitstrevende katholieken.” Aldus kwam de splitsing, en mijnheer Dissel was verplicht zich het hoofd van het liberale doktrinarisme, mijnheer d’Ardoye, tot een bondgenoot te maken. Het centrum ontstond van zelf, en het docht iedereen dat hierdoor de opgang der sociaal-demokratie, voor een tijdje ten minste, zou geknakt wezen. De uitslag echter was dat de proletariërs, verontwaardigd door de onzedelijke toenadering van Dissel, den fanatieker, tot d’Ardoye, den vrijmetselaar, als onder een zweepslag opsprongen. Vrij geweldige meetingen werden overal gegeven en groote optochten ingericht. Door overmoed aangespoord of door angst gedreven, beantwoordde het centrum de rumoerige werkersbeweging met de stemming van brutale partijwetten en de stelselmatige verdaging van alle demokratische hervormingen. Zulke handelwijze, die het volk verkrachtte zonder het te temmen, zou tot noodlottige gevolgen leiden: na anderhalf jaar aanval en verweer was het blijkbaar dat de revolutie aanwoei.
Het ultimatum van mijnheer Otten was overal nu, op duizenden plakkaten, te lezen: algemeen stemrecht—belasting op het kapitaal—iedereen soldaat—verplichtend onderwijs—taalgelijkheid. Maar de macht van mijnheer Dissel steunde op het bedorven functionarisme en het verslaafde leger, en het ultimatum van mijnheer Otten bleef voorloopig een wensch, van welken men niet kon zeggen dat hij ooit eens zou worden in aanmerking genomen. Onder dergelijke omstandigheden woei de revolutie aan.
De arbeidersbond besloot in Mei 19.. tot eene algemeene werkstaking. Die poging mislukte geheel en een tiental opstokers werden met gevang gestraft. In September van hetzelfde jaar brak een oproer los in de kolenmijnen van Mariemont. Veertien man werden gedood in een hevigen strijd met de gendarmen, en de hulp van het leger moest worden ingeroepen. Dit nog verliep zonder verdere politische gevolgen, en de winter ging in betrekkelijke stilte voorbij over het land. In de maand Februari deed mijnheer Dissel met den steun van het eensgezind centrum een verkiezingswet stemmen, die zonder omwegen de redelijkste rechten van de lagere volksklassen aan kant stiet en de Joodsche burgers zoo goed als buiten de natie plaatste. Deze ongenadige behandeling was, in den grond, eene grove fout: ze zette de vergramde minderheid tot daadzakelijke en wanhopige werking aan.
Geheime komiteiten kwamen tot stand. Het zou nu een strijd worden op leven en dood. Overal broeide in duisternis de gretige omwenteling. De nachten die kwamen over de steden en de dorpen, gloeiden van eene ongemeene koorts, en de lucht hing zwaar van wordende gebeurtenissen en naderend geweld. De revolutionaire vergaderingen werden met de meeste zorg en de grootste voorzichtigheid belegd. Alleen hoofdmannen van aanzienlijke groepen of dezer zeer omzichtig gekozen afgevaardigden liet men er toe, en, terwijl het nagenoeg zeker was dat de regeering iets van den gevaarlijken toestand vermoedde, vreesde men algeheel niet dat zij het gevaar mocht kennen vóor het onweerbaar in aantocht zou zijn.
Maar de scherpzinnige mijnheer Dissel was niet met zulke middelen te verblinden. De wijze, waarop hij de revolutie in hare wording trachtte te verijdelen en zich tegelijkertijd de “Unie der vooruitstrevende katholieken” tot een werktuig maakte, sluit zich rechtstreeks aan bij de ontwikkeling van dit verhaal.
Korten tijd na de splitsing van de klerikale partij, trad een jonge “unionist”1 naast mijnheer Wolf van Dueren op het voorplan. Het was een katholieke priester en heette Pezza. Zijn ouders waren Belg-geworden Italianen en hij zelf had zijne theologische studiën voleind in het Klein-Seminarie van Roeselaere. Hij had zich heel veel bezig gehouden met de Vlaamsche beweging en was een warm voorstander van de taalgelijkheid. Hij werd als onderpastoor benoemd te St. Gooriks-Waaigem, een klein dorpje nabij Deinze, en sleet er, met zijne zuster Lucia, een armoedig leventje, dat hij verdeelde onder de verschillende bezigheden van zijn herderlijk beroep en de studie van de Nederlandsche letterkunde. De parochianen praatten over hem als over een stillen jongen, die nooit uit zijn humeur geraakte, zeer spraakgierig was en vrij menschenschuw leek. Door onbekende invloeden geholpen slaagde hij erin de aandacht van het heerschend ministerie op hem te vestigen, en hij verliet al meteen de kleine pastorij van St. Gooriks-Waaigem om een post van boekbewaarder in de Bibliotheek van Burgondië te Brussel waar te nemen. Kort daarna sloot hij zich aan bij de scheuringsgroep Wolf van Dueren, welke juist in verzet was gekomen. Hij hield zich weldra, met niets anders dan met politiek bezig, nam zijn ontslag op de bibliotheek, was op alle meetings aanwezig, sprak overal klinkende redevoeringen uit, liep Vlaanderen als een kristelijke bode van nieuwe maren om en omme. De boeren hoorden voor het eerst het woord vrijheid uitspreken door een die er niet dadelijk op liet volgen: weg met de papen! Hij was zelf een paap. Hij werd beroemd. Hij werd de lieveling van die trage kloeke bevolking, welke zich nu ging vernederd voelen en onder zijne leiding hare rechten en haar geweten veroveren. Hij werd door de Vlaamsche landbouwers naar de Kamers gezonden en pleitte er, met een ongemeen vuur, voor de stoffelijke en geestelijke bevrijding van het Vlaamsche volk. Hij stelde zich aan als tegenvoeter van het anti-flamingantsch doktrinarisme en inzonderheid van mijnheer d’Ardoye die, op zichzelf, een tamelijk volledige verpersoonlijking was van zijn partij.
Toen eindelijk het oproer aan het zieden begon, werd pastoor Pezza onmiddellijk, als een onmisbaar element, bij het revolutionaire komiteit ingelijfd. Hij was er zeer werkzaam, toonde veel aanleg voor het instellen van duistere samenzweringen en scheen geestdriftig met de zaak ingenomen. Hij werd geheimschrijver benoemd, vergaderde met Otten en zijn vrienden, nam beslissingen op eigen hand voor het beste profijt van de proletarische beweging. Hij betrok in het komplot den majestatischen oud-minister Wolf van Dueren, die anders geen zin had in dergelijke avonturen en toch maar aannam, met de hoop dat de uitslag van dit alles de simpele halsrechting van mijnheer Dissel mocht zijn.
In Mei 19..2 stonden de zaken goed: vermoedelijk zou het geweld in den loop van den naasten winter uitbreken, misschien vóor of zeer kort na de algemeene verkiezingen. Den 30sten Mei werd een buitengoed van mijnheer d’Ardoye bijna geheel vernield en in lichterlaaie vlam gezet. Den 4den Juni vond men op den drempel van het huis van mijnheer Dissel een blikken kistje met een dampende wiek. Uit een chemisch onderzoek bleek dat het kistje eene vervaarlijke bom was en dat mijnheer Dissel aan een zeldzaam toeval zijn leven te danken had. Den 7den Juni werden mijnheer Otten en mijnheer Wolf van Dueren tijdens eene nachtelijke bijeenkomst met drie betaalde oproerstokers aangehouden. De dokumenten, welke men bij hen ten huize vond, bewezen op afdoende wijze dat zij tegen de grondwettelijke nationale instellingen samenzwoeren. Zij werden veroordeeld en in een cel gestoken. De unionisten verhieven pastoor Pezza tot hun hoofdman.
Men kan niet zeggen dat de veroordeeling van Wolf en Otten de algemeene gisting in het land verhaastte. Zij vertraagde ze ook niet, en het zomergetij ging om, en de ingetogen gramschap van het volk zwol en spande, barstensgereed. Sommige komiteiten braken nochthans af met het hoofdkomiteit, waar nu in alleenheerschappij pastoor Pezza fungeerde. Hiertoe werden zij achterbaks aangezet door Simon Peter, die in het Joodsche midden veel invloed en heel wat te zeggen had. De reden welke hij opgaf, berustte op de, naar zijne meening dubbelzinnige houding van Pezza dien hij een avonturier noemde en verklaarde niet langer te willen vertrouwen.
Simon Peter beschuldigde niet rechtstreeks pastoor Pezza; hij had overigens geen bewijzen vóor te leggen. Verraad spookte in de lucht. Hij had daarvan het klaar gevoel, en indien iemand Otten verraden had, dan moest men in Pezza’s omgeving gaan zoeken of Pezza zelf er voor aanzien. Pastoor Pezza werd beloerd, bespied—vruchteloos. Niets in zijn handel of wandel kon aanleiding geven tot het vermoeden, welk Simon Peter had opgevat en welk hij, naar hij beweerde, vooralsnog niet kon laten varen. De eerlijkheid van Simon Peter werd door niemand in twijfel getrokken; maar niemand evenwel kon ertoe besluiten de hand te leggen op een aanzienlijken bondgenoot, die feitelijk aan het hoofd stond van de revolutionaire beweging en alles te verwachten had van hare goede uitkomst.
De winter kwam aan. De verkiezingen naderden. Het land lag in koortsige verwachting en de vochtige najaarsflarden sleepten mottig erover.
Het eerste volksgeweld gebeurde in September, te Brussel.
’t Had, dien dag, al in de vroegte begonnen te miezel-regenen. Een druppelende grijze dikte wolkte over de stad, die ongemeen daaronder rumoerde. De lange huizenreken wasemden nattig weg, en het scheen wel of ze eindeloos boven de blinkende straten uitrezen. Vol roerend geverf klaarde de zeeverige lucht.
Gelijk een onrustig dier rumoerde de stad. Een angstige menigte donkerde allentwege, slierde langs de gevels, daalde van de hooge buurten naar de middellanen af. Ze kwamen in trage trossels grauwe gedaanten en de bleeke gezichten blonken eenderlijk en akelig nevenseen, terwijl ze blikten naar links en naar rechts al bijzende over de schouders en de ruggen. Daar was soms muziek bij. De klare kopers knetterden in den valen dag, en rythmisch daverden de holle trommen. Dan wiegden al die zwarte lijven op gelijke maat langs de waterglanzende kasseide en de witte voorhoofden schokten in kadens.
De regeering had sinds lang een ministeriëel besluit afgekondigd, waarbij verboden werd in ’t openbaar de roode vlag te hijschen. Al die duistere mannen, die zwart wentelden in den grauwen uchtend, droegen een roode dahlia op de borst of hadden zich een rooden lap om den hals gesnoerd. De roode vlekken gloeiden vaak zeer warm in de blauwe effenheid van het droomende kleurgezicht. De lage hemel druppelde traag.
Van overal kwamen de gonzende troepen. Zij kwamen als uit den nacht te voorschijn, en ze waren als de somber-aanzakkende davering van den dag. Groepen vermengden zich, en dubbele groepen sloten verder weer met dubbele groepen aan. Ze waren eindelijk een wemelende massa, die in de wijde middellanen zich thoope drong. Op de Beursplaats, waar insgelijks de donkere menschenstroom uit de lage stad al ronkende kwam aanspoelen, was ’t een dompige krioeling van koppen en wit-klarende gezichten, waarlangs een schelle kleur of een harde kreet soms als een schicht ging uitschieten. Het groote geelgrijze Beursgebouw somberde opwaarts achter een wuivende floers van regen, en mauve schaduwen gaapten tusschen de hooge gladde frontkolommen. Het woog daar, boven de beweeglijke menigte, als een geweldig pak natte verve binnen glimmende zuilen in een vierkant besloten.
Het raasde. ’t Slierde hier langzaam naar twee richtingen uiteen: dikke drommen lawaaiden noordwaarts, naar de statie; andere stuwden met trage gedrongenheid naar de Kapelleplaats op, alle kleine straatjes door, en kwamen aandaveren vóor het Volkshuis. Op het statieplein echter woelde de meeste drang, die met de aankomst van manifestanten uit de provincie voortdurig toenam. Het groote uitgangsportaal van het station was bewaakt door een dubbele brigade politieagenten die, vóór de breede drempelzuilen, eene wijde plaatsruimte open hielden. Nu stormden overhand, bij ’t inrijden van elken trein, de zwarte mannendrommen de trappen omlage en stuwden in de zwelgende menschengaping op het plein uiteen. Dan werd wederom de ledige plaatsruimte vóór ’t portaal door de politie vrijgedrongen. Het station was als een monster van steen, dat, bij gorgelende geuten, een krioelende ploege koppen en lijven uitspuwde in de stad.
De mannen waren stil. Ze kwamen meerendeels uit de noordergewesten, van omtrent Antwerpen en Limburg, of uit Vlaanderen vandaan. ’t Waren Kempische mijnwerkers en Vlaamsche agrariërs. Ze hadden bleeke vierkante voorhoofden, die uitglommen met een zonderlinge kracht in het natte spel van de mistige Septemberverven. Ze keken stoer en wild op naar voren, belast van binnen met een wil van wanhoop. Zij waren lijk kudden, die men drijft langs enge wegen en die nu ineens op de breede weidevlakte vrij zich smijten.
Maar ze waren zeer stil. Er kwam als een angst uit de holte van het stationsportaal. Enkele benden waren door een troep muzikanten vergezeld. De muzikanten speelden in de vochtigheid en de koperen knettermaten klopten met eendelijke woestheid over de donkere schouders heen.
Traag roerde heel die woeling van rakkers en dompelaars, wiegde gelijk een werking van golven over het plein, breidde zich uit en gleed, met pakjes bijeenloopers, langs de lanen, langzaam naar het Volkshuis op. Om het station zelf verminderde de drang nauwelijks.
Een tijdje vóor de aankomst van den express-trein uit Oostende, kwamen twee rijtuigen zich door de menigte een weg banen en stilstaan in den kring der politieagenten, vlak tegen de ledige portaaltrap. Simon Peter en mijnheer du Bessy sprongen uit het eerste rijtuig en liepen haastig de spoorhalle binnen. Op het perron stond mijnheer du Bessy te blazen, en wuifde met een blauw-zijden zakdoekje over zijn aangezicht.
—Simon, sprak hij, we hadden er een ander dagje kunnen voor uitkiezen.
—Och ja ....
—Dat moest gij toch vooruit weten, gij, die u ook aan die plebejerszaak vuil maakt. Gij had ons deze akelige koers langs zwarte lijven en het zicht op deze onzeggelijke mizerie kunnen sparen. Het zal straks een heele toer zijn om er met de dames en de reiskoffers door te geraken.
Hij snoof den reuk van zijn zakdoekje op, mompelde:
—Nu komt de express daardoor natuurlijk een hoop tijd over zijn uur .... Maar zeg eens, Simon, is dat toch waarlijk waar dat ge u met dat revolutionaire zooitje hebt laten inspannen? Wat meent ge? Dat alles is een misverstand. Gij kent het volk niet en het volk weet niet wat gij tot zijn voordeel bedoelt—en zoo slaat gijlie samen een verbond! Het volk, kerel, is een willekeurige som van grove instinkten. Men kan er wel over redeneeren en hare samenstelling met wetenschappelijke nauwkeurigheid bepalen—maar men kan het volk niet genadig zijn. Het ideaal van een volk is de volmaakste uitdrukking der middelmate, eenerzijds begrensd met den nood panem en anderzijds met de begeerte circenses. Daarrondom wilt gij nu gaan liegen, en in theoretische bewoording of bespiegelende dichterlijkheid omschrijft ge al dat lage gedoe. Ik vraag u: Wat meent ge toch? Wat maakt u het groote leven zoo gebrekkig, dat ge u met zulke alverterende ijdelheid bezighoudt? Denk er aan dat ge jeugdig zijt, mijn beste. Ik zoude u kunnen vertellen van den jongen Narcissus, zoon van Cephissus en Liriope, die gedurig naar zijn droomen tuurde en, evenals gij, nievers grooter genot vond dan het spektakel van zijn eigen gepeinzen. Zoo dichtte hij de ideale wereld, waarvan hij tegelijk schepper en verbruiker was. Dagen aan dagen lag hij in de bosschen van Thespiae in Beotië op den oever der stille vijvers, en hij boog met gretige liefde over het spiegelgladde watervlak. Hij zag zijn beeltenis in de klare afgronden, en hij blikte in zijn eigen oogen, en hij bewonderde de vlugge ideeën, welke overhand er uit schoten of zoetig opstreelden of lui-grijs wegschemerden in een rimpeling van het vijvervenster. Maar de wondere nimfe Chloë had hem lief, dezelfde van dewelke men leest, dat ze geboren was uit de paarlemoeren schelp van Aphrodité, moeder van Eroos. Hij zag niet naar de teedere Chloë om. Ook Myrtô, de blanke kleindochter van Zeus, verlangde naar hem. Ook Nausikaa, de dansende, die was gelijk een rozeblad in den wind van den uchtend, kloeg opdat hij haar bezitten zou. Ook andere nog. Zij waren allen liefelijke nimfen, die het lichte geluid zijn der luchten in de bosschen van Thespiae. De peinzende Narcissus boog over het gladde water, en hij hoorde de zuchten der liefde niet. Echo, de aandoenlijke, beminde hem, maar ze droogde uit in onvoldane liefde en, een harde rots geworden, bewaarde slechts hare stem. Toen, Simon, kwamen alle nimfen te zamen en ze zonden een bode uit naar Anteroos, den gekwetsten God der Wedermin, en deze werd zeer boos, zoodat Narcissus tot zijn straf in eene wiegende lischbloem veranderde. Dit gebeurde vóor den eersten aanval van de Cyclopen, welke vergeefs de bergen stapelden op de bergen om de Goden op den blauwen Olymp te bereiken.
De express kwam aan. De lokomotief naderde hijgend en pafte in de grauwe halle hare dikke damppluimen open. Simon liep schielijk naar den coupé, waar Ernest Verlat door het neergelaten raam al lachend uitkeek en vriendelijk wenkte. Mijnheer du Bessy stak zijn zakdoekje weg en trippelde zeer voornaam achteraan. De trein stond met een schokje stil.
—Hee! Oomken! wat zijt ge vet geworden!
Juffrouw Francine sprong, in éen wip, de portière uit en Simon Peter voorbij. Ze viel in mijnheer du Bessy’s armen en lachte, terwijl ze zeer ondeugend zijn mooie snor in de war bracht.
—Lieve, lieve dikkerd!
Toen merkte ze Simon, die mevrouw Verlat uit het rijtuig hielp, en ze bloosde meteen.
De oude Ko en Mariëtte waren ook van de reis. Ze droegen de pakjes en de kleine koffers. Mijnheer du Bessy verhaalde seffens van het “plebs-gewoel” op straat en dat de boel nu leelijk ineenzat, hetgeen allemaal te danken was aan de misdadige ophitsing van utopische volksleiders. Toen vroeg hij aan Vere, die stille toelachte, of ze binst het reisje veel geleden had, en toen zij verzekerd had dat ze zich zeer lekker voelde, verklaarde hij met uiterste distinktie, dat hij daaromtrent tamelijk bezorgd en nu vrij gelukkig was. Zij leunde, traag-stappend, op den arm van Ernest. Hij bad haar dat zij, om de trap af te gaan, ook zijn arm zoude tot steun nemen, en zij deed het zeer gaarne.
Juffrouw Francine was in druk gesprek met Simon. Wanneer zij op het plein het sombere volk zag wiegelen als een zee, bleef zij benauwd staan en legde haar handje in Simon’s breede hand. Toen spoedde zij zich om in het rijtuig te stijgen. Ko schikte de koffers boven op de kappe en kroop bij den koetsier. Ze keek nog even rond en blikte, al schrikkend, in het koperen gelaat van een vreemd man, wiens oogen met ongemeene scherpte op haar gevestigd waren. Simon bemerkte dat ze huiverde en vluggelings zich wegdook in een hoek van de koets. Terwijl ze voortreden—juffrouw Mariëtte zat rechtover hem met een hoop pakjes op haar schoot—vroeg hij aan juffrouw Francine of ze dien bruinen man kende. Ze zeide dat ze angstig was geworden en dat hij een leelijk gezicht had. Ze rilde:
—Ik hoop maar dat ik hem nooit ken, deed ze fluisterend.
Simon kende hem zeer goed. Hij verhaalde dat hij een vreemdeling was, een Indische slaaf. Hij kwam dikwijls in het Volkshuis en sprak nooit met iemand. Juffrouw Mariëtte keek zeer onverschillig uit langs het raam, en zag af en toe een bende manifestanten stil-koutend de straat opgaan.
Toen ze thuis kwamen, vonden ze in het salon, een heerlijken tuil orchideeën, met een kaartje van mijnheer Rupert Sörge aan het adres van juffrouw Francine Verlat.
In den namiddag, en spijts de herhaalde vermaningen van mijnheer du Bessy, vertrok Simon Peter met het inzicht om de avondzitting in het Volkshuis bij te wonen. Het volk was overdag zeer bedaard geweest, en de manifestatie liep als een vredige ommegang af. Te vespertijd werd de stad buitengewoon rumoerig. De herbergen waren stampvol en de menschen zouden gaan onlustig worden. Vanaf zes uren in den avond werd de ordedienst met militaire manschappen aangedikt, maar nievers nog was eene ernstige tusschenkomst der politie noodzakelijk geworden. Groepen Vlaanderaars liepen zingend de lage stad rond; andere dansten op de maat van een schokkend straatorkest; andere nog volgden arm aan arm een harmonika-speler en een triangelluider en riepen, zonder recht te weten wat dit te beduiden had, dat ze het ministerie met ooren en pooten zouden omvergooien. Een paar roekelooze Limburgers, die in twist waren geraakt, werden voor een tijdje in een hok van den Amigo gestoken.
Simon Peter stapte langzaam door. De dag was niet zoo mooi voor hem, als hij hem zich had ingebeeld. De thuiskomst van zijne vrienden was lauw geweest en het genot zeer beneden zijne verwachtingen. Francine was zeer lief met hem. Hij had echter gehoopt dat hare houding geheel anders zou zijn. Hij voelde dat in dit huis een groot misverstand gesponnen werd, en hij was bang dat hij dit eens tastelijk ontdekken zou. Hij dacht niet zonder ongemak aan de prachtige orchideeën, welke de kamer vervulden met eene mooie sierlijke angstigheid. En hij zag ook in zijn geest het koperen Indisch gelaat van Takker, den geheimzinnigen knecht van Rupert Sörge.
Toen glimlachte hij, terwijl hij merkte dat hij zelf alle zaken leelijk maakte en ze dan tot een vreeslijk spook opstapelde rond hem. Hij liep rapper door.
Op de Kapelleplaats en vóor het hooge Volkshuis was de ruischende menigte zoo dicht op elkaar gedrongen, dat men er nauwelijks en met alle moeite doorheen drummen kon. Op den gevel van het Volkshuis was, in een elektrisch-verlicht opschrift van vlammende ontzaglijke letters, de opsomming te lezen van al de rechten, welke door het volk werden geëischt. De kleurige klaarte stortte als de glansen van een fellen band op de roerende golving van de donkere menschenmassa; ze glom op de ruiten van de huizen aan den overkant en verfde, met roze en licht-gele straling, de ogivale vensters van de Kapellekerk.
In de groote zaal van het Volkshuis, waar ’t zoo druk was dat men noch binnen noch buiten meer kon, zag Simon Peter op den hoogen katheder de slanke gestalte van pastoor Pezza in zwarten rok oprijzen. Pastoor Pezza had een innemend gelaat en zijne oogen schitterden ongemeen. Breed en medesleepend waren de wijde gebaren van zijne lange duistere armen, waar zijne witte handen zeer voornamelijk uitblonken en sierlijke bewegingen teekenden in de ruimte. Zijne stem was vol, klankrijk en buigzaam. Hij deed ze zingen over de luisterende oogen van dat roezemoezend gepeupel en ze brachten, tegelijk met vuur en zoetigheid, de mare van de ganschelijke vrijheid, die in aantocht was. Hij sprak lang en scheen niet moe te kunnen worden. Wild gejuich en dof gestamp van voeten begroetten iederen raken zet van de redevoering.
Hij sprak over de liefderijke leer van Kristus, hij sprak over de oorspronkelijke gelijkheid, hij sprak over opstand en zegepraal. ’t Gejubel van het opgejaagd volk rolde door de zaal, en ronkte verder op de straat en over de Kapelleplaats als een ver onweder uit.
Toen pastoor Pezza den katheder verliet, was de geestdrift een wilde koorts geworden. Pastoor Pezza werd over de hoofden getild en buitenshuis onder algemeen gekrijt weggedragen. Men riep:
—Ons Recht! Ons Recht!
Het stemgedruisch daverde in den avond en lengde zich als een vreeslijk geloei uit. Men dacht eraan, met alle geweld en in dichte drommen, het paleis van den Koning te bestormen. Het lawaai werd onstuimig.
—Ons Recht! Ons Recht! Ons Recht!
Toen werd, boven dat wringend lijvengedrang, een groote roode vlag uitgestoken. De sterke klaarte, die van den gevel van het Volkshuis nederpletste, vlekte er gelijk een vloeiend bloed. Een hoog gejuich barstte almeteen los en donderde alle zijstraten omme. Duizenden armen waren opgeheven en duizenden voorhoofden blikten onder het elektrisch licht opwaarts naar de spokige vlag. En ’t schokte alweer zonder ruste:
—Ons Recht! Ons Recht!
Allen wilden nu oprukken, allen duwden en stuwden vooruit, en langzaam kroop dat geweldige duizendvoudige monster naar voren. Politiebrigaden werden uit den weg gedreven en het was duidelijk dat het volk voor geen hinderpaal wijken zou.
Op de vierkante plaats van den Grooten Zavel wachtten, met geladen geweer, een honderdtal soldaten. De kapitein riep dat men de roode vlag intrekken zou. Het razende monster donderde:
—Ons Recht!
Tot driemaal riep de kapitein dat de vlag weg moest en de stoet ontbonden, of dat hij schieten zou. Niemand hoorde daar iets van. Het monster riep tegen, in eenvormig geronk en voortkruipend met zware lenden, riep immer maar:
—Ons Recht!
En de vlag, de duister-roode, klapperde in den avond. Twintig soldaten schoten. ’t Was een enkele, korte knal. Het monster zweeg. De kapitein riep:
—Haalt de vlag neer!
De voorste mannen aarzelden; ze bleven staan, ze begrepen wel dat er na deze laatste vermaning iets vreeslijks moest gebeuren. Ze weken halvelings, schoven naar links en rechts, maar daarachter wilde men vooruit en het monster, na een poosje, wrong zich trage naar voren. Het daverde ginds alweer:
—Ons Recht! Ons Recht!
De vlag bleef pal.
Toen barstte een tweede harde schot en tien mannen vielen. Nu aarzelde voor goed het koppige monster, de wiegende stemdavering was gebroken en men hoorde de gewonden klagen. Het monster week. Een paar revolverschoten klonken nog, de vlag streek omlage.
Met de wijkende massa moest Simon Peter medewijken. Hij werd allerzijds gestooten en zette het eindelijk, evenals al de andere, op een loopje. Hij stond ten laatste, haast geheel alleen op het Fontainassplein. Het sloeg half-éen op de Rijke-Klarenkerk. Alle herbergen waren gesloten en de Anspachlaan was leeg.
Simon Peter voelde zijn hart haastig kloppen en een onverwachtsch geluk maakte zijne slapen heet. Hij had het nu van dichterbij gezien, hij had pastoor Pezza de revolutie hooren prediken, hij had hem zien staan aan het hoofd van het volk en, onder het dreigend geweer der soldaten, zien oprukken metterdaad. Nu wist hij zeker dat Pezza vertrouwbaar was en dat hij hem ten onrechte had aangeklaagd.
Vlug stappend trok Simon Peter opwaarts. Hij deed even, langs de Lakenstraat, een omweg, en kwam op het stille Begijnhof, waar, in een wit effen huis, pastoor Pezza woonde. Hij was te wege den schelknop te vatten en wilde weten hoe het oproer was afgeloopen, wanneer hij, vlak vóor het huis, aan den overkant, een man op een drempelsteen zag zitten. Hij herkende seffens Takker, keerde zich schielijk om en liep Pezza’s deur voorbij.
Het was Takker inderdaad. Hij zat zeer kalm op den drempelsteen. Hij had pastoor Pezza tot hier gevolgd, had hem zien binnengaan, had een tijd lang staan wachten, platgedrongen tegen een donkeren huisgevel. Toen was zeer voorzichtig uit de Begijnhofkerk een kleine man gekomen, had bij Pezza heimelijk aangeklopt en mocht dadelijk ontvangen worden.
Takker wist volkomen dat deze kleine man mijnheer Dissel was.
Het atelier van Florjan Pacôme stond achteraan in een grooten tuin, op de Defré-laan te Ukkel. Het was zeer praktisch aangelegd, groot, luchtig en aardig gestoffeerd. Pacôme, die er van hield dat men hem voor een fijn-zinnelijk artist zoude aanzien, had het op alle plaatsen met een hoop lieve boudoir-dingetjes bezet—ivoren beeldjes, doorzichtig porselein, zijden shawls en Indisch koper, ’t blikkerde en kleurde alom in gewilde wanorde en ’t maakte eene stemming van zoete vrouwelijkheid.
Lichte gordijnen hingen vóór de hooge ramen. Florjan Pacôme schilderde vooral de wulpsche pikantigheid van bar-juffers en had in dat bijzonder vak eenige beroemdheid verworven. Men kocht zijne kunst om het gewaagde van het onderwerp. Hij was te verstandig om dit niet op te merken en hij schikte zich zeer gewillig daarin. Zijn doel was: rijk te worden. Het genre van zijne schilderijen, hetwelk de koopbaarheid ervan vermeerderde, zou niet weinig medehelpen tot de benadering van dit ideaal. Hij verkocht wat hij wilde. Hij stond vóor het middenraam, leunend tegen het marmeren vensterblad. Zijn palet, bestekt met de vele borstels, hing aan zijn linkerhand.
—Henriëtte, zegde hij, ge moet u absoluut wat beter houden. Ik geraak nooit tot een eind met dat doek. Daar lig ik nu meer dan drie weken over te zweeten en ’t wil niet vooruit. Ge hebt de pose niet beet. Ge maakt u moe en mij razend.
Hij sprak zonder drift. Hij bleef loom en lui aanleunen tegen de houten raamlijst. Zijn aangezicht roerde noch kleurde, en de woorden vielen rekewijs en traag alover zijne puntige kin, in de stille ruimte. Henriëtte, een blond model, stond halfnaakt op een lage tafel. Hare handen waren om haar nek saamgebracht, ze neeg even haar hoofd en haar rechterheup bultte rozig onder een zijig floers te voorschijn. Ze was niet leelijk, al lag over haar goud-blozend gelaat eene uitdrukking van grove gemeenheid. Ze was groot.
Ze antwoordde niet op wat de lamme Pacôme gezegd had. Ze bewaarde kommerloos hare vorige houding, onbeweeglijk en eenderlijk. Een kleine adem van de lucht slierde zacht langs het lichte floers. Pacôme ging voort met pezeweven:
—’t Kan mij niet verdommen hoe ’t in zijn verf zal zitten. Zottigheid. D’r moet een beeld uit geworden, en dat ligt aan u. Ik kan uw beenen toch in mijn handen niet houden en, als gij u niet soepel wilt dragen, heb ik er niks aan. ’t Is nu al kwart over vieren ..
Hij keek naar zijn zakuurwerk. Hij had een plat achttiendeeuwsch zakuurwerk, zeer schoon met gouden roosjes besneden, en versierd, op de cijferplaat, met oranje en zwarte sterrenbeelden rond een rotsroode zon. Hij ging seffens vóor zijn doek staan en begon vlijtig te borstelen. Na een tijdje sprak hij:
—Te zessen moet ik bij de Verlats op dîner zijn .... Apropos, hoe zijn uwe zaken met het baronnetje?
—Halfbakken. De oude is weinig roekeloos.
—Hee! Hij is een aardige vent toch, een echt type van den kleinen adel, en zijn neef is tamelijk rijk. Wat verlangt ge in Gods name dan meer?
—Een beetje spoed, Flor.
—De belichting op uw schouder is geheel verkeerd geworden. Buig meer naar voren, meid. Zoo.
Hij hernam onverschillig:
—Spoed, zegt ge? Ik herhaal het u, en denk daaraan: de neef en het nichtje zitten in de boter.
—En ik op het takje onderwijl. Ik dank ervoor.
—Nu, ik kan ’t bezwaarlijk helpen. Ge moet geduld hebben ook! Geduld, dat is patiëntie, mijn kind, eene heerlijke deugd .... Foert! ik geef het op.
Hij wierp het palet in zijn kleurbakje en liep naar de gulden toilettafel, waar hij zijne handen waschte en zijn lang-kroezelend haar recht in zijn vouwen schikte langs een platte middelstreep. Hij bood Henriëtte een sigaretje en stak er zelf een aan. Even zetten beiden zich vóor een groen-houten speelbankje en begonnen te kaarten.
Een gele lap van de schuinsche Septemberzon lag op het okergrauwe Perzische tapijt, juist op een ornament van driehoekjes en lotusbloemen. Rood en bruin-rood gloeide daar het verscheiden ornament, en zijne heete kleuren waren hier een werkzaam middelpunt in de dramatische toedracht van alle andere kleuren. De wanden schemerden teer-groen uit, waarlangs zeer zacht het oude goud van schilderijlijsten streelen kwam. Een zich uitrekkend plaasterbeeld van de Victoria van Samothrace bleekte in doezeling van blauw-wit en licht-mauve op, vlak tegen de zware gloeiing van een purperen portière. Vooraan was het sombere speelbankje met de paarse fluweelen deken. Het kastanjebruin vest van Florjan Pacôme donkerde vrij gewichtig naast de teedere tinten-modulatie van Henriëtte’s naakte schouders en haar roos-doorzichtig peplum. Haar zwaar-blonde haar lag zilverig in heur amberkleurigen hals, en hare bloote armen wiegden in de poeierige klaarte, welke uit den roodgelen zonnelap van het tapijt evenwijdig opmiezelde.
Pacôme stak en herstak tusschen zijn lange magere handen, die, als vijfpootige spinnekobben, langzaam erover vingerden, de kaarten. Zijn beenderig hoofd, geheel omkruld met droge lokken, hing boven het spel gelijk een zonderlinge wolk.
—Hoor eens, Jetteken, zeide hij, daar mag geen sprake zijn van du Bessy over boord te gooien. Dat in géen geval. Wij hebben den kerel noodig.
—Gij hebt den kerel noodig, Flor.
—Wij. Wij zekerlijk, Henriëtte. Wat, duivel, is u vandaag overvallen—er is geen rechten kant aan te vinden! Ge zijt onredelijk.
Hij vloekte zonder toorn, zonder stem-opgang. Zijne woorden lagen nevenseen op een gelijke rote van klanken. Hij scharrelde traagzaam de kaarten op een hoop.
—Pak af, sprak hij.
Hare kleine hand wuifde even over het paarse speeldoek. Een groene smaragd straalde op haar kleinen vinger.
—Ik heb geen geluk, zuchtte zij.
Florjan Pacôme glimlachte en keek daarna Henriëtte in de oogen. Zijn blik was oolijk en grijs. Een kleine roode puist kleurde op zijne linkerwang.
—Het geluk, mijn liefje, is een uitvloeisel van de menschen. Het is een tooverwoord, waarmede zij de oorzaken van hun vreugd omhangen. Wat hebt gij te melden?
—Niets .... een klein punt ....
—Ik meld acht en veertig en vier heeren. Dat maakt negentien. Koeken-aas uit, is twintig. Ja, Jette, de menschen verbergen aldus alle oorzaken, welke zij zelf bewerken, onder vreemde benamingen. Zoo zijn daar het geluk en zijn tegenvoeter het ongeluk; zoo zijn daar het noodlot, de voorzienigheid, het toeval en meer andere, alle afgoden der menschen. Zij zijn de zonderlingste speelkens van onzen geest. Wij gebruiken ze gaarne, om er, in de naakte waarheid, niet al te mizerabel uit te zien. Wel! wel! en zijt ge ongelukkig?
Henriëtte keerde zich noesch om op haar stoel, wierp hare laatste kaarten neer en, nadat ze hare beenen over elkaar had gekruist, omvatte met beide handen haar opstekende knie. Ze vertelde gelaten en eentonig dat niets meeviel. Het duurde nu al jaren, van hare eerste vrijagie af. Overal teleurgesteld. Ze had kunnen eene eerlijke vrouw worden, mijnheer! Maar ’t werkte alles tegen: de officier, die haar hebben moest, stierf; de geneesheer, die om hare hand dong, werd naar Perzië gestuurd; de groot-handelaar, die haar in zijn gunst had opgenomen, bleef zonder reden achterwege; de juwelier, die wat oud was, doch rijk genoeg, ging onverwachts bankroet .... Ze zei:
—De eenige man, dien ik ooit bemind heb en hartstochtelijk bemin, kijkt niet om naar me; en dat malle ding du Bessy, van wien ik in mijne armoede eenige verzachting zou mogen verwachten, wil maar met geen vast voorstel aankomen. Er hangt een vloek over mij.
—De vloek van Lucia Pezza.
—Lach niet daarmee, Flor. Dat wijf is een zwarte heks. Ze komt me ’s nachts plagen. Ze schrijft me leelijke briefjes. Ze dreigt en ze verwenscht, en hare macht is verbazend. Ze heeft ook Pezza in hare macht.
—Herbegin die flauwe historie niet, alsjeblieft. Daar zijn we nu eens over en overzat van. Als gij Pezza waarlijk liefhadt, en als Pezza u waarlijk zoo aanbad, dan zou geen heks of geen zuster ter wereld u uit mekaar kunnen houden. Maar gijlie hebt, godorie! geen wil, gijlie zijt melkpap, gijlie geeft alles over aan de dienstvaardigheid van de kans, of van het toeval, of van de voorzienigheid.... Kom, zeg niet dat ge “ongelukkig” zijt!
Hij sprak zoo effen-lui. Die man kon peiselijk de driftigste woorden voorleggen, elk schoon op zijn beurt, nevenseen, kalm, stillekens, alsof hij éen vóor éen daar broze eieren telde.
De kleine telefoonschel klonk. Er hing een kleine mikrofoon tusschen de twee hooge vensters aan den muur. Hij communiceerde met Pacôme’s huis, dat vooraan in den tuin stond, tegen de Defrélaan, en werd gebruikt om den schilder te verwittigen als er bezoek was. Er was bezoek van mijnheer den baron du Bessy.
Mijnheer du Bessy kwam, dadelijk na de aankondiging, heel zwierig binnenloopen. Hij was zeer opgeruimd en lachte gulzig, terwijl hij met liefelijke elegance de vriendelijkste dingen zei. Hij verklaarde dat hij den Goden dankbaar was voor de aangename verrassing, welke hem hier te beurt viel, en kuste de handen van Henriëtte binstdien. Hij wierp zijn rotting op een sofa en trok langzaam zijne handschoenen uit. Een witte krysantheem schaterde op zijne borst naast het tipje van een groen zakdoekje, dat daar even uitstak.
Mijnheer du Bessy had een hooge kleur. Zijn snor en zijn kinnebaardje waren glanzend zwart én een laagje geurig poeier, versch door den kapper aangezet, streelde als een fijn dons over zijn kaken. Hij deed zijne stem ongewoon-luchtig op en neder zingen:
—Mijnheer Pacôme, ik kwam u afhalen. Ik meende dat ik u niet in zulk heerlijk gezelschap zou treffen. Ik ben zeer dankbaar. Of kom ik misschien ongelegen?
Mijnheer Pacôme verzekerde dat hij zich geheel ter vrije beschikking aan mijnheer du Bessy overgaf, dat hij de eer, welke mijnheer du Bessy hem bewees, zeer op prijs stelde en dat hij slechts enkele minuten verlof vroeg om gauw zijn rok aan te trekken. Mijnheer Pacôme, die met een schrandere behendigheid de ijdelheid der menschen aan zijne eigen ijdelheid meten kon, ging met mijnheer du Bessy op een voet van groote hoffelijkheid om. Hij had al gauw bemerkt dat dit zeer in den smaak viel. Hij groette beleefd, half-glimlachend, en gleed zachtjes, langs de trap van eene met blauw fluweel beschaduwde veranda, naar den tuin af.
Mijnheer du Bessy bleef een oogenblik zwijgend en onbeweeglijk staan in de volkomen stilte, die nu de zwoele lucht van het atelier belaadde. Dan trad hij rap naar voren, opende zijne armen en fluisterde met voortreffelijke innigheid:
—Henriëtte! Henriëtte!
Hij zag dat ze niet opkeek, dat ze leunde over het lage speelbankje en met hare rappe vingeren de bonte kaarten roerde. Haar brons-blonde haar lag weelderig in dikke vlechten opeengewonden haast op hare mooie schouders. Hij zag haar knie schoonvormig glanzen door de plooien van haar zijden peplum. Ze keek niet op inderdaad. Maar mijnheer du Bessy merkte wel dat eene zware aandoening hare borst deed zwellen en zinken. Hare borst was gelijk een stille storm vol dreigende gebeurtenissen.
Mijnheer du Bessy legde zijne hand op haren arm en ze rilde. Hij nam haren arm en voelde de zoetigheid van haren naakten arm gansch. De klaarte van den weggaanden dag doezelde goudspinnend in de ruimte alom, en de zonnelap had zich lang uitgerokken over het tapijt, overteemst met een licht-violette schaduw. Toen neeg mijnheer du Bessy over Henriëtte, en de slimme geur, die om haar hoofd walmde, schoot op in zijn hoofd. Langzaam hief ze haar gelaat naar hem toe. Hare natte oogen pinkten. Hare lippen waren rood, half-beloken, en een geperel van tanden speelde ertusschen.
De goede mijnheer du Bessy was geheel week geworden. Ze kuste hem. Ze toonde zich ineens opgeruimd en knipte met haar wijsvinger over zijn neus. Ze verzekerde dat zij ’t al een heelen tijd in haar binnenste gevoeld had dat hij komen zou. Ze had dezen morgen een bult gezien op de Graanmarkt en, rond den middag, een bruinen pater. Ze dacht juist aan Freddy en was nu zeker dat ze Freddy ontmoeten zou. Viel dat niet allemaal precies uit? O, ze dacht van den uchtend tot den avond aan Freddy!
Hij wandelde over en weer het atelier rond en was tamelijk met zijn eigen ingenomen.
Nadat Florjan Pacôme teruggekomen was en eene sigaar, welke hem mijnheer du Bessy aanbood, had aangestoken, moest Henriëtte in het toiletkamertje dat achter een groot Sineesch lichtscherm was ingericht, zich aankleeden. Mijnheer du Bessy had inmiddels een en ander over kunst aan te merken. Hij deed het met de gewone voornaamheid, die hij placht over al zijne woorden gelijk een goddelijken mantel te spreiden.
—Och ja, mijnheer Pacôme, sprak hij, men is over zulke onderwerpen nooit uitgepraat. Een ieder houdt er een eigen theorietje op na. Men heeft gevonden dat de kunst voor God was, daartegenover dat ze voor haar eigen was. Hoe onwerkelijk is dat alles! Ga, zal ik u vragen, wat dieper de zaak inzien. Een man teekent op een houten plankje een rondeken (dit is een hoofd), en vlak daaronder een grooter rondeken (dit is een lijf), en twee stokjes bovenaan (dit zijn armen), en nog twee wat lager (dit zijn beenen), en hij toont u: dit is een mensch. Gij zult het niet ontkennen, want het is tastelijk de waarheid en in zichtbare vormen een mensch. Aldus heeft die man het beeld mensch, dat in zijn kop zit, uitgedrukt en gij hebt hem begrepen. Hij heeft u het beeld medegedeeld. Zijn doel was: het beeld mede te deelen. Is die man een kunstenaar? Geenszins. Het geteekend beeld is niet de finale uitslag van zijn streven. De finale uitslag van zijn streven is: het beeld mede te deelen. Welnu, hij zal een kunstenaar zijn als de finale uitslag het beeld is eeniglijk.
Hij stond tegen de gele gordijn van het venster en zijne magere gestalte donkerde op in de uiterste klaarte van den avond. Hij boog zich en puntte met zijn vinger naar Florjan Pacôme.
—Let wel, bid ik u, dat hij, in dit geval, het beeld daar zal neerteekenen noch tot glorie van God, noch tot stichting van het volk, noch tot een offerande aan de schoonheid. Hij zal zonder zorgen zijn, vermits hij niets mededeelt. Hij maakt het beeld ter wille van het genot, dat voor hem in de verwezenlijking van het beeld gesloten ligt. Hij vindt hierin het zelfde genot, dat het kind vindt in het stukslaan van zijn popje: hij leeft in zijne verbeelding.
—Hij wil toch dat anderen dat genot medevoelen, mijnheer du Bessy.
—In het geheel niet, mijnheer Pacôme. Het spijt mij waarlijk te hooren dat gij u bekommert om het genot van de velen, die gretig uwe schilderijen koopen. Het genot medevoelen, zegt gij? Maar, mijnheer Pacôme, dit genot ligt niet in het zien, in het tasten van het verwezenlijkt beeld, het ligt juist in de verwezenlijking van het beeld! Het ligt geheel in de inspiratie, dewelke is het besef van het leven der verbeelding, en in de verwezenlijking van het beeld, dewelke is de proefondervindelijke uitwerking van dit zeldzaam besef.
Mijnheer du Bessy keek met een galante buiging om naar het Sineesche lichtscherm, waarnaast, in vaardige stadskleedij, Henriëtte verschenen was.
—Mijnheer Pacôme, zei hij terwijl zijne stem lager zonk en een toon sloeg van genegen toegeeflijkheid, ik wilde u alleen maar doen uitschijnen dat de kunst geen doelen heeft, waarnaar het volbrachte kunstwerk leiden moet—dat haar eenig doel het volbrachte kunstwerk zelf is. Zoodat een kunstenaar, die zijn werk aan het publiek opdraagt, vooraf zeggen zal, als hij ten minste beschaafd is en fijngevoelig: “Indien u dit werk ongenietbaar is, vergeef mij het genot, dat ik aan de beelding beleefd heb.”
Er werd besloten dat Henriëtte het rijtuigje zou gebruiken en naar huis zou worden gevoerd. Mijnheer du Bessy en Florjan Pacôme zouden de tram nemen en hun best doen om bijtijds nog op mevrouw Verlat’s dîner te zijn. Zij namen afscheid vóor het hek van den tuin. Henriëtte drukte lang de hand van mijnheer du Bessy en gaf een paar kneepjes in zijn duim. Ze wipte in het tweewielig paandertje en riep:—Dââg!
Haar hoed kleurde in de avondschemering. Zij had op haar hoed een groote witte pluim, die licht ommewuifde en onrustig onder het windje te vlaggelen begon. De poney schoot te viervoete weg.
Het was het eerste dîner dat mevrouw Verlat, op aandringen van haar man, met den aanvang van den halven-rouw in haar nieuwe woonst gaf. Zij deed het ongaarne. Zij hield niet van dat soort openbare uitstallingen. Zij wilde liefst in kleinen kring leven, innig rond den huiselijken haard, en verschoond blijven van alle recepties en bezoeken. Zij verkeerde buitendien in een toestand, die eene zorgzame rust vergde, en zij probeerde Ernest van zijn voornemen te doen afzien.
Ernest drong verder aan. Er werd eindelijk besloten dat Vere alleen de beste vrienden uitnoodigen zou en geene dames zou vragen.
De tafel was in het kleine salon gedekt en van de groote zaal, waar, op haar praalbed mevrouw Chanteraine ten toon gelegen had, werd geen gebruik gemaakt. Naast dit salon was een lieve kamer, geheel met Indisch goed versierd, en achteraan, de rookplaats. Toen mijnheer du Bessy met mijnheer Florjan Pacôme zijn intrede deed, waren daar reeds pastoor Doening en Simon Peter aan den praat. Mevrouw Verlat, in grijs-zijden huistoilet, dat in los-ruischende plooien neerhing, ontving ze met een gullen lach en een vriendelijk woord. Ze kuste mijnheer du Bessy en drukte de hand van mijnheer Pacôme.
Juffrouw Francine schikte een mooien bloemtuil op de eettafel. Ze droeg een wit-moesselienen kleed, allerzijds bezet met paars-blauwe linten. In haar gouden haar stak een bleeke roos. Ze boog, zich uitstrekkend, over de klare tafel, waar het felle kandelaberlicht met verschillig getintel blikkerde langs de borden, de roemers en het uitstralend zilverwerk. Ze kwam seffens Oomken groeten, die zich ongemeen geestig aanstelde, en ze vroeg aan mijnheer Pacôme wanneer zij nu eens zijn atelier mocht zien. Ze bood den heeren, op een schaal met kantjes, een glas port aan.
Juist op dat oogenblik werd mijnheer Johan Doxa aangemeld. Hij trad, scheef-schuivend en blozend, het Indisch kamertje binnen en hij begon in het gele licht te pinkoogen. Onder den kroonluchter bleef hij beteuterd staan. Zijn bolle wangen glansden. De bleeke krullekens, welke als een doorzichtige krans zijn glimmenden schedel omwolkten, waren nat en trilden. Zijne tien vingeren duwden op zijn buik de randen van zijn hoogen hoed.
Mevrouw Verlat liep naar hem toe en ze dankte hem dat hij gekomen was. Hij knikte vreemd en schuchter, en zijne blikken haperden over de zijde van Vere’s kleed, vol ongemak en bewondering. Ze nam zijn hoed uit zijne handen en klopte vriendelijk op zijne schouders. Ze was zelve zeer aangedaan. Hoe lang was het al niet geleden dat zij dezen goeden vriend gezien had?
Ze vatte hem bij zijne mouw en duwde hem zacht naar voren. Ze stelde hem vóor aan iedereen en ze was fier over hem. Hare oogen straalden. Juffrouw Francine bracht hem een glaasje wijn en hij beefde, terwijl hij dronk. Hij dacht er niet aan te spreken; hij hield zich voortdurig naast Vere en zijne kinderlijke houding toonde zoo genoeg dat hij gelukkig was, en dat er geen woorden bij hoorden.
Toen moest hij gaan neerzitten en mevrouw Verlat wilde weten al wat er met hem gebeurd was. Maar hij lonkte en glimlachte en zei dat alles goed was, alles lekkertjes-goed was, en zijne ronde oogen staarden tallenkant. Het was soms alsof hij, ineens Vere aanziende, zeggen wou:
—Wel djeezekens! .... en zijt gij Vere?
Hij keek naar zijne vette handen die, wit poezelig, op zijne knieën lagen. Hij herkende zijn eigen niet recht goed. Hij keek naar het tipje van zijn frak. Hij had een frak te huur gehaald en hij vond ’t nu zoo zonderling. Dit was toch Vere? Waarom was hij Johan niet? Hij dronk nog een glaasje wijn.
Daarbinst stond mijnheer du Bessy te redeneeren, sprekend met Peter en pastoor Doening en Pacôme tegelijk. Hij was bijzonder in zijn humeur en had alweer wat aardigs te vertellen omtrent de politische gebeurtenissen. Hij deed het met de voortreffelijkste zwierigheid in een wondere gamme van verwisselende stemschakeeringen.
—Die Pezza, mijne heeren, sprak hij, moet waarlijk een knap man zijn, en ik verwonder mij erover dat hij nog niet in den kerker zit. Maar wellicht weet de autokraat Dissel dat Pezza eer een slijtende dan eene aktieve beweging heeft in gang gezet, en laat hij hem begaan, omdat hij, zooals ik, overtuigd is van de volkomen ijdelheid van Pezza’s pogingen. Inderdaad de stelling van Pezza berust op de leering van Kristus en het fondament van zijn gansche bedrijf is het geloof in God. Om met Pezza mee te gaan moet gij u reeds aanzien als afhankelijk van Gods besluiten. Gij zijt niet een vrij man, gij zijt een willoos alaam van God, gij zijt een ondergeschikt tuig van Gods inzichten. God is uw wil, God wil u goed, gij wilt over allen de heerschappij van uw God. Dit stelsel is uitstekend voor jonge volkeren en kan Jong-Amerika bijvoorbeeld tot grootsche daden aanzetten. Maar wij zijn oud en door de wellusten der wetenschap bedorven. Vergeet dat niet: wij gelooven in niets, wij willen beproeven en ervaren. De systematische kunde van den geest heeft van ons de heete geestdrift verwijderd. Het geloof is bij ons een teeken van onwetendheid. Wij vermogen niet meer de som van onze ekonomische eischen om te zetten in een allegorisch beeld, hetwelk wij naderhand blindelings vertrouwen. Wij zijn het kinderlijk begrip van zulke heerlijke synthesis onmachtig geworden, en wij zouden God niet uitvinden, als hij niet reeds bestond. Pezza, mijne heeren, teert op verouderde wetten. God, de God van het Kristendom, die Europa in leven heeft geroepen, is niet langer meer het leven van ons volk. Het licht om Hem is uitgegaan, en Hij is nu macht der duisternissen. Haal het volk uit den nacht, waarin het thans gedompeld ligt, en het zal zijn God niet meer herkennen.
Pastoor Doening hief zijn gelen portroemer in het midden van de groep, zoodat de verscheiden klaarte van den kroonluchter kwam tikkelen sterregewijs binnen de gulden gloeiing van den wijn. Oolijk blikkerden zijne vinnige oogjes, en er viel een korte stilte, waarbinst men juffrouw Francine een klapje hoorde slaan op de bolle wang van mijnheer Johan Doxa. Ze was er om zeer verlegen, want iedereen keek naar heur en merkte het simpele wezen, waarmede Doxa het lieve klapje ontving.
Het sloeg zeven uur op de groote Louis-XVI-klok van het salon. Mevrouw Verlat stond recht en wilde uitzien naar de tafelmeid: maar de oude Ko, in zwarte livrei, kwam in het deurgat staan en meldde met gebroken stem mijnheer Rupert Sörge aan. De naam viel juist na den laatsten klokslag en alle gezichten keerden omme naar het donkere portaal, alsof daar iets ongemeens moest verschijnen.
Mijnheer Sörge was een schoon man. Lui gloeiden zijne oogen in zijn zon-gebrand aangezicht en rood blonken zijne lippen onder zijn fijn blauw-zwarte snor. Hij trad met Ernest Verlat op, groette rap en licht het geheele gezelschap en kwam buigen vóor de dames. Een ongemak stoorde even de mooi-belichte lucht, totdat iedereen zich aan tafel begaf en daar wat klein rumoer veroorzaakte.
Mijnheer du Bessy maakte van de gelegenheid gebruik, daagde langs een nieuw spel van buigzame volzinnen op met een versch onderwerp, dat hem sinds een paar minuten op het hart lag. De bloemtuil van juffrouw Francine kleurde zacht en sierlijk in eene zwaar kristallen vaas, tusschen drie rilde kandelaars van zilver.