Tweede gedeelte.

I.

Het Ivoren Aapje.

Ruim twee jaren vóor den dood van mevrouw Chanteraine had zich een jonge Hongaar, zoon van een der rijkste aristokraten van Praag, op de Louizalaan gevestigd. Hij bewoonde er een groot huis, dat hij dadelijk met eene wonderlijke weelde liet opschikken, en hij sleet er een tamelijk los leven.

Hij heette Rupert Sörge. Hij was geen lichtmis, maar hij moest wel voor een lichtmis doorgaan, dewijl hij, in de oogen van een hoog volkje waarmede hij op verre afstanden in aanraking kwam, algelijk voor niets beters dan een lichtmis doorgaan kon. Hij had in de diplomatische wereld nog al veel betrekkingen, en het duurde niet lang eer hij in de voornaamste salons van de Leopoldswijk werd aangenomen. Hij voerde een uiterst fijne conversatie, sprak zeer vlot Fransch, Duitsch Engelsch, Italiaansch en tamelijk goed Nederlandsch. Hij deed het met een zonderlingen tongval, die, verre van zijn gesprek te ontsieren, het eene wiegende klankbevalligheid bijzette. Hij onderhield zijn vrienden genoeg om niet door hen vergeten te worden en te weinig om er eenige echte vriendschap te stichten. Hij had eigenlijk geen vrienden, en hij stelde zich overal zoo innemend aan dat men overal hoopte eens zijn vriend te worden. Zijn talent bestond hierin, dat hij door geen de minste roekeloosheid die hoop verijdelde en dat hij ze tegelijk steeds van hare verwezenlijking verwijderd hield. Men kon niet zeggen dat zijne handelingen excentrisch waren, maar zij hadden evenmin het uitzicht van eentonige bescheidenheid. Hij was niet schuchter en ook niet brutaal. Nochtans onthield men iets van hem dat, in eendere waarde, brutaal en schuchter was en dat het tegenovergestelde zoude zijn van deftigheid, ornament der middelmate. Hij was dan ook, in de meening van deftige lui, een lichtmis. Een deftig mensch wil opgemerkt worden. Dat zit in den aard zelf der deftigheid. Ondeftig, tot de allerberoerdste losbandigheid toe, heeten zij die deftigheid niet eeren. Rupert Sörge, die wel een lichtmis kon zijn, al was hij het niet, werd als een lichtmis aangezien, en, in die hoedanigheid, kon hij van veel beleefde lasten verschoond blijven, welke hij anderszins had moeten dragen—wat hij niet kon—of moeten weigeren, wat dan zooveel als een schandaal zoude wekken. De waarheid was dat men dien man niet kende (hetgeen in zekere kringen in het geheel niet aannemelijk is) en dat men op gemakkelijke wijze het vreemde gevoel wilde uitleggen van iets dat, binnen hem, ongeweten en niet te raden verborgen lag.

Na den dood van zijn vader, een Weener diplomaat, had Rupert Sörge, op twee-en-twintigjarigen leeftijd, Praag verlaten om te reizen. Zijne moeder had hij nooit gekend. Zij was, eenige dagen na zijne geboorte, gestorven, en hij wist van haar wat hem eeniglijk een ovaal medaljon-portret te kennen gaf. Hij droeg het medaljon, dat zeer klein was, met een gulden touwtje te allen tijde om zijn das gesnoerd, en hij nam het nooit zonder het even te doen openknippen. Met eene luie onverschilligheid, die bij zulke vrome gewoonte zonderling aandeed, blikte hij het schoone jeugdige gelaat van zijne moeder aan, en het scheen telkens dat, terwijl zijne trage oogen op hare beeltenis staarden, zijne gedachte verre van haar bedrijvig was.

Sörge, de vader, had een Boheemsch meisje gehuwd, dat zeer arm en vijf-en-twintig jaar jonger was dan hij. Den zoon, dien zij stervende hem schonk, leidde hij met groote zorgzaamheid op. Hij gaf hem talrijke en bekwame meesters; maar het bleek weldra dat de scherpe, zeer bijzonderlijke gevoeligheid van den jongen Rupert niet met de schranderste pedagogie te behandelen was en dat hij zich, als het ware geheel buiten het bereik van zijne opleiders, op eigen krachten ontwikkelde. Deze ontwikkeling wekte in hem vreemd-soortige vermogens en, toen zijn vader stierf, was hij alreeds de koele, ingetogen, onbegrepen “lichtmis” dien men, tien jaren later, in de clubs van de Louizalaan te Brussel aantreffen kon.

Die tien jaren, waarbinst hij zijn vaderland niet meer terugzag, bracht hij door in Rome, Parijs en een paar middellandsche badplaatsen. Overal werd hij voortreffelijk onthaald en overal liet hij den eigenaardigen indruk na van een “vriend,” welke altijd zoude eene verre kennis blijven.

Hij kwam zich, na de geheimzinnige verwisselingen van eene duel-geschiedenis, die tragisch was afgeloopen, uit Nizza te Brussel vestigen, in gezelschap van eene jonge vrouw. Een kort tijdje woonde zij bij hem in en huurde naderhand, onder eigen naam, een fraai hôtel dat, nabij het park van Tervuren, uitzicht gaf op een mooien tuin. Men noemde haar Milly d’Orval.

Rupert Sörge had Milly d’Orval in een Franschen bar te Weenen ontdekt. Ik geloof niet dat hem hare jeugd en hare ongemeene schoonheid genoeg troffen om de handelwijze te verschoonen, welke hij tegenover haar waarnam. Zij was toen geen zestien jaar oud. Hij redde haar voor de zedelijke verdelging die haar in het ontbindend bar-midden te wachten stond en deed het met eene gevoelswarmte, eene onstuimigheid, die weinig strookte met zijne gewone zinnelijke koelte. Hij nam haar mede naar Parijs, dan naar Nizza, eindelijk naar Brussel. Gedurende vier jaren beproefde hij op deze vrouw de verscheidene krachten van eene wonderbare opvoeding. Hij had haar uit den kleinen Weenschen poel opgeheven om haar van veel hooger in een veel dieperen poel te storten. Milly d’Orval had Rupert, na het eerste jaar, zoo lief, dat ze buiten hem niet meer denken, niet meer zijn kon. Hij speelde met haar. Hij gaf zich aan haar over, weliswaar zonder geweld, zonder eigen-verkrachting, maar tevens met eene zelf-beheersching, die dadelijk alle willende passie uitsloot. Onderwijl ging hij met eene sluwe wellustigheid de minste teekens van hare liefde na en, zooals men al meer en meer de koorden van eene harp zoude spannen om al scherper en gevaarlijker klanken te winnen, zoo wrong hij en neep en betokkelde al de snaren van hare bloote ziel. Zij was op een einde geheel en uitsluitend zijn goed, en, beter dan zijzelve, kende hij de veêren van haar doen en de roersels van hare instinkten.

Hij speelde met haar. Het mag wel het hoofdmerk heeten van deze uitstekende menschennatuur dat hij met alles en met iedereen “speelde.” Hij vorderde alzoo het gebruik van ongewone geneuchten. Nooit beoogde hij met dat spel een doel, een zelfzuchtigen uitslag, waartoe het aanleiding zoude geven, en nochtans bleef dit spel een middel, dat voerde naar een doel. Maar zijn eenig genot lag in het middel besloten, en zijn doel, dat hij dagelijks bereikte en dat zijn zekere leven was, woog hem vaak als de lading van een overweldigende wanhoop.

Milly d’Orval kon zich daarvan geen rekenschap geven. Zij was ganschelijk zijn eigendom, en, bezeten door hem, hield telkenmale op meer dan een willoos voorwerp te wezen, meer dan een deel, een lid, beroofd van eigen geweten en dat slechts bewegen zou naar het regelend inzicht van zijn eigenaar. Het was haar nauwelijks mogelijk, zelfs buiten zijn onmiddellijk bereik, hare vroegere zelfstandigheid te herwinnen.

Als hij haar, voor een tijdje, aan haarzelve overliet, bleef zij lange poozen uitgeput in volkomen levenloosheid lang-uit liggen, en zij kwam maar bij om op te branden in een versch verlangen naar nieuwe levenloosheid. Zij leefde niet door eigen leven. Zij was als een geplukte bloem, die bloeit in een kristallen vaas en zich niet den stam herinnert waarop zij wies, noch den grond waar hare wortels schoten. Zij was in haar minnaar vergroeid, en zij trilde of juichte of weende op een golving van zijn adem en een wenk van zijn gedachten.

Sörge wist wel dat dit een phase was van zijne zonderlinge betrekkingen tot haar, en dat zij zich zoude bewust worden, zoodra er maar een van de gespannen snaren brak. Hij vreesde het keerpunt niet. Hij wilde het mooi en geleidelijk aanbrengen, wilde haar rijp maken voor de mogelijke verandering en bereidde zich om er, met eene harmonische zinnelijkheid, van te genieten. Hij behandelde zeer omzichtig deze eigenaardige evolutie en trachtte haar voor alle ontsierende schokken, aanvallen en aarzelingen te vrijwaren.

Hij bracht haar dus van Nizza mede over naar Brussel en, kort na hare instelling nabij het park van Tervuren, begon zij blijken te geven van haren nieuwen ontwikkelingsstand. Haar drift, hare liefelijke passie was niet verminderd, maar zij ging nu bang worden dat daar een einde aan komen moest. Zulke zorgen waren de oorzaak dat zij uit den tooverigen dompeldroom allengerhand ontwaakte en stilaan het verloren geweten veroverde, waarmede zij de duurzaamheid van hare liefde in gebeurlijke omstandigheden handhaven zou.

Ze was het eigendom van Rupert. Thans beeldde zij zich in dat ook Rupert haar eigendom was en dat het geluk van bezeten te worden niet ging zonder het geluk van zelf eenderlijk te bezitten. Niemand, niets, geen toeval dreef haar er toe zich dit in te beelden. Het werd langzaam klaar in haar geest. Het was eene helderheid die uit de gronden van een rijpgeworden gevoel ontstond. Zoo doet de lente, op haar juisten tijd, de gerspijlen en de overige kruiden schieten.

Nu had Milly iets te verdedigen. Zij zoude het doen met al de schranderheid van het vrouwelijk vermogen, en zij had vertrouwen in de listen van haar geest even ganschelijk als in de standvastigheid van hare liefde. Zij nam zonder overgang en schijnbaar zonder uitzicht geheel andere levensmanieren aan. Hierin werd zij niet door Rupert gestoord, die haar gemeenlijk alle vrijheid gunde en zich, in deze nieuwe gelegenheid, wel houden zou haar in den weg te staan. Nauwkeurig beloerde hij haar, aandachtig volgde hij de duistere gangen van die menschelijke omwenteling op, en hij opende lui zijne armen over haar, ze geheel loslatende en wel wetende dat ze niet wegloopen zou.

Op een morgen boog zij over het bleek-bronzen aangezicht van Rupert, en het was alsof zij, langs zijne slapende oogen, wilde luisteren naar de gedachten, die nu zonder toezicht onder dat vlakke voorhoofd ommevoeren. Haar naakte arm raakte even, op zijne borst, de kanten frommeling van zijne hemdlobben. Ze blies ineens hard over zijne wangen en liet zich op zijnen schouder nedervallen.

—Ha! kreet ze smartelijk, Rup, ik sterf ....

Rupert opende zijne oogen. Zijn lichaam verroerde niet. Een korte trilling had rijzekens zijne lippen bewogen en nu kwam eene stilte, waarbinst hij de zachte roering van haren adem hoorde. Hij glimlachte en sloot zijne oogen opnieuw.

Nu kuste Milly hem gulzig, gebaarde dat er niets gebeurd was en, al vorderende, verwonderde zich dat hij niet weten wilde wat haar overvallen had. Toen vroeg ze:

—Zijt ge niet bezorgd om mij, Rup?

—Ik heb geen andere zorgen dan om onzentwil, om ons beiden, en de gansche wereld is ons.

—Ja .... deed ze aarzelend, maar vreest ge nooit dat ik u minder mocht liefhebben?

—Neen. Uw vraag is slecht gesteld, Milly.

—Zeker, ik voel het wel. Ik zoude ze moeten omkeeren .... en het oogenblik is voorbij, nu.

Ze spraken dan van wat anders. Rupert proefde, met een gretig genot, de nieuwigheid van dergelijke voorvalletjes. Hij woonde oplettend de angstige opstanding van deze moutere vrouw bij en hij had, tenden zijne fijne nagels, soms het gevoel van iemand die een gulden perzik openbreekt, den natten steen doet opspringen en tusschen zijne vingeren voorzichtig het kostelijke sap opvangt. Hij beroerde nooit de toestanden. Hij bewerkte ze niet met oolijke verwikkelingen. Hij liet ze worden en gebeuren.

De vervorming van Milly d’Orval was inderdaad verwonderlijk. Sinds haar vertrek uit Weenen had ze zich gauw ontlast van de al te vrije handelingen, waarnaar zij zich in de barkabinetjes had moeten schikken. Zij was eene beleefde dame geworden, en haar verblijf in Parijs en Nizza had ze doorgemaakt met eene hoofsche voornaamheid, eene stijve, onverschillige zielskoelte, waarnaast dan de driftige kreten harer passie voor Rupert er des te inniger uitzagen.

Nu dreef eene vreemde koorts haar naar de bars terug. Zij durfde de bars niet bezoeken als vroeger—uit kuischheid, maar zij wilde de barluchten inademen, om in de rookwalmen en de harde kleuren de onrust te bedwelmen die voortdurig door hare hersens joeg. Misschien hoopte zij dat Rupert er haar uithalen zou. Zij wilde, in elk geval, een daad begaan, die in haar huidige betrekkingen tot Rupert zou uitspatten als een steen op een effen vijvervlakte.

Eens dat zij met hem dineerde in het priëeltje van eene Tervurensche restauratie:

—Nieuws, Rup, zeide zij; ik heb mij een paar vriendinnetjes gemaakt.

—Zoo. Ge kunt me voorstellen.

—Als ze nu heel vertrouwbaar waren ....

—Pardon. Laat dan maar zijn.

Ze sprak er niet verder meer over. Maar daags nadien deelde ze hem in een stootenden vloed van korte woorden mede, dat er iets ondraaglijks in haar verhoudingen tot hem was binnengeslopen, dat ze zich zoo zielsalleen voelde en ze besloten had al die leegte te vullen.

—Ik moet mijne gedachten bijhouden, Rup, joeg ze voort; als ge van mij weggaat, als ik hier eenzaam zit en aldoor denk aan u, is mij dat denken eene angstigheid, die gansch de kamer doet spreken. Dan wordt ik moedeloos lui. Het is me, alsof ik niet meer recht staan kan. Dan wil ik recht staan, ik wil weer, als vroeger, lange uren vóor den spiegel staan en mij opschikken, mij mooi maken voor u .... En toch blijf ik maar zitten, en het foltert mij.

Hij keek haar aan met een nauwkeurigen blik, die geleidelijk de ontwikkeling opspeurde van hare bangheid. Haar hart lag bloot voor hem, en hij merkte er de onregelmatige aderslagen. Ze kuste hem koortsig en hijgde even.

—Ge moet mij helpen. Ik heb iets gedaan buiten u en gij moet mij zeggen of ik goeddeed. Zeg iets, Rup, verbied mij iets. Ge weet, ik heb mij ineens dat leven in Weenen herinnerd. Ik ben verleden week dat roode ding in de Bisschopstraat binnengeloopen en ik heb er gesoepeerd met twee van die halve wereld. Zij heeten Bella en Marjolene. Eergisteren heb ik ze bij me thuis ontvangen. Vertel mij wat dat allemaal beteekenen moet, Rup.

Hij lachte nu luid, fleerde met zijne vingeren in de lichte haarkrulletjes op haren hals en staarde wild in hare oogen. Ze bloosde en lachte mee.

Toen zei hij dat hij alles voortreffelijk vond, dat hij Marjolene en Bella wilde kennen, als ze ten minste mooi waren, en dat Milly gerust haren gang moest gaan.

—Gij zijt zoo echt kostbaar, fluisterde hij, terwijl hij de rilling naging welke, onder zijn warmen adem, over hare naakte schouders sidderde.

Milly d’Orval werd een habituée van de Old-curiosity-shop, het roode ding van de Bisschopstraat. Ze maakte er zich meer vriendinnetjes en richtte ten harent smulpartijtjes in, waar het puik van de hooge plezierclubs werd aangenomen. Telkens was Rupert aanwezig, telkens zag hij dat zij nieuwe vondsten deed om, na iedere vergadering, een nieuw uitzicht van hare zinnelijke pracht te doen opstralen in zijn aandachtig aanschijn.

Dit duurde een vollen winter te Brussel en een badseizoen te Oostende.

Toen ontmoette Sörge den schilder Florjan Pacôme en, kort daarop, Ernest Verlat.


Een paar weken na mevrouw Verlat’s bevalling, op een grauwen Novembermiddag, zat Takker, Sörge’s knecht, vóor het raam van een klein wachtkabinet te kijken naar de naakte kastanjelaars van de Louizalaan. Het regende en sneeuwde te gelijk. Takker had zijne vierkante vingers, alle tien, op het marmeren vensterblad geleid en duwde met zijn okeren voorhoofd tegen de koude ruiten.

Een zoevende wind schuifelde door de knoestige boomarmen. De laan lag eenzaam onder een violet-blauwe lucht, waar striemde, schuins-door, het zweepende onweer. Een groene tram rinkelde voorbij.

De kleine oogjes van Takker beloerden de tokkeling van den regen of blikten hooger-op naar een vlek van den lagen hemel, waar rolde een logge wolkenjacht. Zijn bolle kop was als die van een dier, hetwelk zoude rusten en lonken, oplettend en lui terzelfder tijd. Zijn platte neus en zijn dikke lippen roerden bijwijlen, gelijk een gevoelige snuit.

Hij wendde zich eindelijk om en ging mompelend vóor een rond tafeltje zitten.

Op de tafel stond eene groote doos. Hij ontsnoerde de strikjes en hief het deksel op. Eén voor éen nam hij, tusschen duim en wijsvinger, de kanten kinderkapjes, de zilveren rotelaars, de paarlemoeren lepeltjes, de porseleinen papkommetjes, al dat snoezig wichtjesgoed, dat daar lag en zoo teer, zoo broos leek onder zijne bruine handen. Hij grommelde gelijk een blijde hond en schaterde gulzig bij elke ontdekking van een nieuw kindergerief .... Toen werd hij opeens ernstig, zijne kleine oogjes werden grooter en een wonderbare melancholie kwam over zijn ruig aangezicht. Hij droomde. Hij hield nog een hemdje op, en het zakte nu, het plooide thoope en zijn elleboog rustte zwaar op den rand van de doos. Hij tuurde strak vóor zich uit, wijd-droomend—en wie weet ooit het zonnig beeld dat daar, in dat afschuwelijk hoofd, kwam opklaren?

De rammeling van een rijtuig op straat deed Takker schrikken. Hij sprong recht en begon in haaste alles weer behoorlijk te leggen en te schikken. Hij snoerde de strikjes vast, blies op het gladde deksel een onzichtbaar stof weg en wachtte.

Het rijtuig stond vóor de deur stil. De poortier had de deur geopend en het gekloef der paarden klonk nu hol-luidelijk tegen de muren van het voorportaal.

Er werd gescheld.

Takker nam de doos in zijn armen, trok er mede een groote eetzaal door en klom, tenden de vestibule, de breede trap op. Hij liep een hooge kamer binnen, waar vier balkoenvensters een bleeken vooravond lieten deemsteren. Hij zette de doos op een stoel en ging Rupert Sörge, die vóor het open vuur zich te warmen stond, van zijnen pelsmantel ontlasten.

—Zijn de bloemen bezorgd? vroeg hem Sörge in eene vreemde hard-luidende taal, en, nadat Takker al mompelend ja knikte:

—Wat is dat pak ginds?

Takker bracht hem de schoon-gesnoerde doos en de faktuur welke onder de strikjes vastzat.

—Bezorg dit eveneens, zei Sörge, met een kaartje van mij, aan het adres van mevrouw Verlat.—Hebt ge wat gedaan vandaag? Is Dissel bij Pezza geweest? Goed. Dank je. Geef me mijn thee en laat Geizan binnen.

Takker had aldoor ja geknikt. Hij schikte den mantel op zijn arm en de doos op zijn anderen, en slierde geluideloos over het tapijt de deur uit.

Rupert bleef vóor het krijschende vuur staan. Zijn voorhoofd rimpelde en hij fronste af en toe zijne zwarte wenkbrauwen. Het was hier stil. Het najaarsgewaai loeide bij vlagen door de kastanjelaars. De kamer werd blauw-duister. De wanden waren met een rood-geel brokaat behangen en niet éen lijst brak er de effen, diepe kleurgloeiing. Een marmeren kopie, op half-grootte, van de medicische Aphrodite rees op den schoorsteen en klaarde stil en licht. In het midden van het oranje vloertapijt, welk met nauw-zichtbare bloemvormen was beteekend, stond eene gladde ebbenhouten tafel en, er vóor, zat, tusschen zijne wijde leunarmen, een zwart-fluweelen zetel zonder koperknoppen. Juist daarboven breidde zich een wijde kroonluchter, welke met metalen festoenen aan de eiken zoldering hing. Stoelen van verscheiden grootte en verschillende ruglijn waren tegen de donkere lambrizeering op éene rij geplaatst. Over de ruiten-uit-éen-stuk die van dicht bij de zoldering tot op den grond in de balkoenramen pasten, vielen dubbele gordijnen— eene van doorzichtig vool en een andere, zijwaarts geschoven, van goud-bruin perkaal. De vesperdoezeling, die onder den wolkenhemel nu paars-donkerde, aaide er rustig en eendelijk.

Tot Takker op een zilveren schaal het broze theegerief opdiende, bleef Rupert Sörge vóor het roode vuur staan, roerde koortsig de tipjes van zijne schoenen in de haren van het geitevel, dat langs de koperen roeden van den haard uitlag.

Takker zette de theeschaal op het glimmend berd van de tafel, keek vragend op naar zijn meester en, op een kleinen wenk, vertrok. Eene witte angorakat kwam sierlijk en wellustig om Rupert’s beenen hoogruggen en fleeren. Ze spon zoetjes.

—Hee, Geizan, streelde Rupert fluisterend en binstwijl zich bukkend over haar; hee, mij-moênetje, Geizan, gij witte Geizan!

Hij ging zich in den fluweelen zetel zetten, en Geizan pluimstaartte langs zijne knieën en raakte zijne lauwe vingeren even met het koude tipje van haar neus. Hij plaatste een wit-porseleinen kopje, goud-berand, op de glanzing van de ebbenhouten tafel, zoodat de glimmende taslenden diep zich uitlengden in de blauwklare spiegeling. Hij schonk de thee, die krullend opringde en uitdampte als een adempje, onzichtbaar. Hij liet er twee suikerklontjes neerklinken, lepelde ze erin om en weer tot ze smolten, en, als de drank weer rustig onder de gouden randen lag, lei op de gele vlakte de droge petalen van eene aromaatbloem. Zachtjes geurde de lucht.

—Is Geizan fraai? Mij-moene-Geizan?

Zoo aaide hij, terwijl hij, boven Geizan’s aandachtig snuitje, een ronde honingbeschuit brak. Toen dronk hij traagzaam en ging languit achterover liggen in het fluweelen leunings-zwart. Hij bracht geluideloos zijne handen saam over een klein wit voorwerp en vingerde er langs, lijze en wellustig, en hij voelde de avond vorderen rondom hem.

Het was een ivoren aapje.

Hij had het uit zijn vestzak genomen, waar het altijd verscholen zat. Het was een aapje van geel ivoor, een ding om te betasten en dat de soepele vormen van vingerstreeling had verkregen. Men had het lichtelijk in het eironde, langronde ivoor uitgesneden en het was wonderlijk het beeld van een zittend aapje, dat zijne achterpooten neer zoude drukken op zijn borst. Het had geen staart. De lijnen waren vaag geteekend, stichtten wattige schaduwen, verrieden, gelijk onder een buitengewoon floers, de verscheidene dikten van dat vreemd aapjeslijf. Het was alsof eeuwen en nog eeuwen de hoeken ervan hadden afgerond, de beenderkneukels hadden zachtgesleten en met groote behendigheid alles hadden weggewreven, wat de werking van kriebelende vingeren mocht bezeeren daarrond. Nochtans was niets, in de minste deelen niets verwoest, en niets beneveld. Geen deeltje, geen ribbeboog, geen schedelbluts, geen merkbaar gewricht—hetgeen altegare in tastelijke vormen haast van dat oude aapje maakte eene levende werkelijkheid—niets was verminkt en niets was versleten. Het was geheel, het was volledig. Het leefde, al zittend, een leven dat den toets van levende handen lokte. Het was een mirakel van gevoeligheid.

Dit aapje kwam uit Takker’s vaderland. Al jaren bezat Sörge het, zoovele jaren als hij Takker bezat, en dat was vóor vaders dood. Hij kon zich van die ivoren streeling niet meer vrij maken en gebruikte ze nu, telkens als hij alléen zat, om aan een zinnelijke tastbehoefte te voldoen, die bij hem een wereld van beelden en een zeldzame beeldenverwisseling verwekte. Hij had alzoo de fijnheid van den tast verkregen, zooals een schilder de fijnheid van het gezicht en een toondichter de fijnheid van het gehoor bezit. En gelijk het gebeurt dat het zicht van harmonische kleuren bij den schilder en het beluisteren van kostbare akkoorden bij den toondichter de vorming bewerkt van gedachten en gedachtengroepen, zoo bracht bij Rupert Sörge de vingering over dit meesterlijk aapje de schepping teweeg van vreemd-geestelijke figuren.

Hij zat vóor het gladde tafelblad waarop, zooals een eenzame waterlelie op een vijverspiegel, het wit-porseleinen theekopje zijn glimmend kelkje deed gapen, en hij bestreelde den rug en het hoofd en den elleboog van den ivoren aap. Geizan had zich aan zijne voeten neergevleid en hij voelde de warmte van haar lijf opgaan langs zijn beenen.

De avond viel. De roode wanden somberden en de hooge balkoenvensters werden gelijk violette lichtdeuren.

Rupert, terwijl hij de geurlinten van den theedamp om zijn gelaat voelde kittelen en gelijkvormig zijn vingeren sleeren deed over de ivoren deining van hillen en dalen, overdacht den toestand van menschen en dingen rond hem. Dus deed hij gewoonlijk. In een soort van zonderlinge extase, zag hij de betrekkingen van alle wezens ondereen opklaren en hunne verhoudingen tot hem verhelderen. Hij zocht dan in de weelde van zijne overdadige gevoelsprikkeling de uitkomst van mogelijke handelingen, de rechtvaardiging van hinderlijke gebeurtenissen, de oolijke wijze om lastige bezwaren weg te ruimen.

Zoo droomde en verzon hij nu eenderlijk.

Hij dacht aan Milly d’Orval. Hij overkeek de ontwikkeling van zijn avontuur met haar, herzag de barkleuren van Weenen, de rijkelijke vleesch-overgave te Parijs en te Nizza, de zinnelijke omwenteling te Brussel, en nu .... hoe het nu toegaan moest, hoe zich dat nu peiselijk moest besluiten, hoe dat nu moest vanzelf eindigen.

Het moest eindigen, en het moest aangebracht worden met sluwe overgangsschakeeringen, gelijk een einde dat er, als vanzelf, bij hoort. Hij dacht aan Francine Verlat. Hij stelde zich eene behendige persoonsverwisseling voor; hij trachtte de voorzienigheid te doorgronden die het lot van die beide vrouwen zoude maken. Hij wilde zelf die voorzienigheid zijn. Wel was hij overtuigd dat hij Francine beminde, maar hij begeerde haar vooral, omdat zij thans eens der gegevens van een eigenaardig problema zoude worden. De oplossing van dit problema belangde hem niet. De wijze, waarop zich zulke oplossing moest ontwikkelen, trok hem aan en hij beproefde de verschillige phasen ervan vast te zetten in den tijd: dit morgen, dit overmorgen, dat ander zooveel later, en dan dat andere nog .... De tijd was hem een schaakbord; en de beelden van zijn lusten, de onderwerpen van zijn verlangens, de hinderpalen en kansen, al die figuren waaraan hij het besef van zijn eigen ellendig leven toetste, hij ving ermede een ontzaglijk koningsspel aan. Hij plaatste er de personen, die handelen zouden, als zoovele motieven, waarvan hij pogen moest de geheime drijfveer te zijn. Dáar Francine, en dáar Milly. Die eerste moest komen en die andere heengaan. Hij zag de krachten, waartegen hij met éene kracht zoude opwegen: de wilde liefde van Milly, de veelvormige zwakheid van Francine. Hij woog in zijne hersens de zwaarte van de storende nevenpions: eerstens en hoofdzakelijk den beeldhouwer Simon Peter, dan pastoor Doening, dan mevrouw Verlat, en misschien du Bessy, indien de omstandigheden in de war geraakten. Zijn eigen winstzet zoude Ernest Verlat zijn.

Hij bekeek de draaiing van al die dooreenloopende bewegingen en volgde aandachtig hun sporen op, die als eene klare teekening, zichtbaar werden op de veelvuldige vierkanten van de violette vensterruiten.


Er werd tot driemaal zachtjes op de deur geklopt. Geizan, de witte kat, hief rap haar kopje op, en Sörge, die half voorover boog, al duwend op een electrisch knopje, deed den wijden kroonluchter lichterlaaie schieten.

Takker bracht de tijding dat Milly d’Orval wachtte in het klein salon, naast de eetzaal.

Rupert vond haar daar in een donker gewaad en trillend van ingetogen woede.

—Rup, zeide ze stil, ik heb nu de zekerheid dat ge mij verlaten wilt.

Hij voelde dat ze eerst kalm moest worden. Hij nam hare hand in zijne zachte handen, en liet ze langzaam weer los. Ze viel moedeloos in de franjen van haar zwarte boa.

—Dat is onmogelijk, sprak hij kalm en aandoenlijk, ik weet immers dat het onmogelijk is. We kunnen daarover praten, als ge wilt.

—In drie dagen kreeg ik u niet te zien ....

—Dat is meer gebeurd, Milly.

—Ja. Ja toch. Maar al uwe behandelingen zijn me nu klaar geworden. Marjolene zei me het een en andere, en ik heb het overige geraden. Gij hebt me vrijwillig in de moddering teruggestooten, waar ge mij eens in Weenen hebt opgeraapt. Ik heb daar rijpelijk over nagedacht, Rup .... Ge ziet het: ik kom tot u als eene vreemdelinge, ik wil u niet doorzinnelijkheid overhalen. Ik heb alles bekeken met mijn verstand, Rup, en ik spreek nu tot uw verstand. Wij mogen malkander niet bedriegen noch bedwelmen. Daarom spreek ik tot uw verstand, als een vreemdelinge tot een vreemdeling. Wat ik weet en gis, maakt inderdaad twee vreemdelingen van ons. Gij wilt mij verlaten ....

—Nee, Milly, zoo niet te werk gaan, kind. Zet u daar .... Kom, zet u liefst nevens mij. Ge denkt dat ge zeer verstandig handelt en ge doet juist ongewoon brutaal en gevoelerig. Indien wij tot elkaar willen ernstig spreken, moeten wij dat beproeven in eene zelfde taal. Ge zijt inderdaad zeer opgewonden. Ge maakt u daardoor onbegrijpelijk en, bovendien, teenemaal niet geschikt om mij te begrijpen. Leg maar uw arm op mijn arm, en vertel mij eens voorzichtig wat ge van links en rechts, en van Marjolene bijvoorbeeld, vernomen hebt. We zullen dat dan samen onderzoeken. Of hebt ge waarlijk niets vernomen?

Ze keek hem zonderling aan, poogde verre in zijne oogen te dringen, zag er niets dan een diepe klaarte en eene wijde rustigheid. Seffens herkwam dan de angst, waarmede zij hier binnen was gekomen, en de toorn, welken zij zelf onder den drang van eigen woorden opwekte.

—Ik heb vernomen dat ge zoudt trouwen, Rup.

Ze beet op haar lippen om niet in tranen los te barsten of niet in gramschap uit te schieten. Ze hoorde de vredige stem van Rupert.

—Ik heb, niet waar, Milly, ik heb u nooit laten veronderstellen dat ik niet eens trouwen zou. Ik geloof wel degelijk dat ik zal trouwen. Als ik het zal willen doen, en als ik weten zal met wie, laat ik u dat wel hooren. Wat zijn uwe zorgen? Indien ik nu trouwen moest, weet ik dat ik noodeloos een meisje zou ongelukkig maken, want gij hebt mij nog lief en ik mocht het onwillens laten blijken. Ik ben echter niet zoo onredelijk een redelijk huwelijk van de hand te wijzen, zoolang gij mijne minnares zijt. Onze verhouding kan, na dat huwelijk, dezelfde blijven. Wat hapert daaraan? Gij zult u toch niet door eene blinde en profijtlooze jaloerschheid laten op het dwaalspoor brengen, naar ik hoop? .... Maar ik wil niet trouwen, let wel op, Milly, ik wil niet, zoo gij daarmede geen vrede hebt.

—Ik heb er geen vrede mede, Rup.

—Best. Ik vermoed dat gij het al jammer vindt .... mij zoo roekeloos dezen avond te hebben overvallen .... niet? Wij verstaan malkander immers zeer goed. Maar ik zit me hier af te vragen wie men u als mijne verloofde heeft aangeduid. Laat me even raden. Is het meisje rijk en bevallig?

—Scherts niet ....

—Is ze jong? Ja, ze is jong. Trek uw arm niet zoo schielijk weg, arme lieve Milly. Ik lees in uwe gedachten: ze is rijk, bevallig en jong. Is zij niet de zuster van een mijner Brusselsche vrienden? Jawel, Milly, dat is zij waarlijk. Zij heet Francine Verlat. Indien Marjolene u dit heeft toevertrouwd, wensch ik haar geluk met dat nieuwtje. Ik vind het zeer aardig, geloof me .... En gij hebt dat zoo dadelijk ingezwolgen? Zeg, hebt ge dat zoo nuchtertjes ingeslikt?

—Die Verlat is mooi ....

—Zekerlijk. Zij is blond en groen als het goud van den uchtend over de weide, o gij zwarte nacht, die mijne dierbare geheimen houdt!

Hij nam hare hand en drukte behendig hare onrustige vingeren. Al hare drift weekte uit in eene kloppende hitte, die in blosjes op hare wangen kleuren kwam. Ze wendde hare oogen van hem af en blikte op de bonte arabesken van het tapijt. Toen werd ze zwak en droevig.

—Marjolene heeft me dat allemaal al lachende verteld, Rupert. Zij zeide het me, omdat ze wel wist dat ze mij daarmede zeer deed. Ik heb ook gelachen. Maar thuis heb ik dat overdacht. Ik heb het langs alle kanten in mijn geest rondgedraaid en het langs alle kanten gepast aan de vele gevalletjes van ons samenzijn. Ik wachtte tot ge zelf komen zoudt. En ge kwaamt niet. Het is nu drie dagen geleden .... Al dien tijd heb ik gegist en geraden. Ik heb ons leven te Parijs en te Nizza vergeleken bij ons leven hier. Het is inderdaad een ander leven geworden. Welk was uw inzicht als ge mij vrij de Old-curiosity-shop liet ingaan? Ge hebt mij in eene neiging aangemoedigd en gij zaagt wat er van geworden moest, terwijl ik niet zien kon wat ik deed. Gij hadt een doel ....

—Ik heb nooit “doelen” ....

—Maar het kwam nu toch algelijk uit dat ge een doel hadt. Ge hebt gehoopt dat, in dát ongezonde midden, de banden zouden rotten, die mij bonden aan u. Gij waart niet haastig, gij wildet den tijd laten begaan. Ik stel me voor dat ge den Hemel hebt gedankt toen ik u van dat roode ding ben komen vertellen. Ik maakte zelf de webbe, welke gij te vergeefs zocht te spinnen. Gij behoefdet nu maar te wachten .... Onderwijl wordt gij den vriend van mijnheer Verlat. Gij, die niemands vriend wilt zijn, waarom zijt gij zijn vriend geworden?

—Ik vrees hem .... om uwentwil. Ik heb liever een vijand aan mijn zijde, dan een op een boogscheut van mij af, en verborgen.

—Voor mij hoeft gij niet bang te zijn. Hij zal de eerste niet zijn, die zich om mij gelegen liet en naar de deur werd verwezen.

—Ik vrees hem .... uitzonderlijk.

—Ik wou het gaarne hopen, Rup, maar ik kan niet. De waarheid is dat gij andere belangen hebt, en welke andere zijn er, die dan geen betrekking hebben op Verlat’s zuster? Gij hoort het nu, en gij kunt mij niet ompraten. Verzin niets meer. Laat mij onbedrogen deze plaats verlaten.

Hare hand rustte nog in Rupert’s hand. Zijne vingeren speelden om een ovale turkoois die binnen een diamanten ring op haren duim lag. Hij bleef een tijdje zwijgend zitten en hoorde daarbinst een harden regen en een vlugge onweersbui tegen de ramen slaan. Toen schelde hij en zeide aan Takker dat men een rijtuig zou inspannen.

—Milly, sprak hij als de gordijn van het salon op den rug van Takker was neergevallen, ge loopt met uwe redeneeringen op hol, en met uwe gevolgtrekkingen niet minder. Ik heb immers geen belang in het feit dat ik u bedriegen zou. Als ik u bedriegen wil, als ik u wil afschepen, is dit een zeker teeken dat ik u niet meer liefheb. Ik zoude u seffens dat teeken geven —want wat doet gij met mij, als ik u niet meer liefheb? Ik wil geen valsche toestanden stichten. Ik wil de omstandigheden ontwarren, welke gij zoo ijverig in de war helpt. Ik doe het om ons beider bestwil. Het meisje, waarmede Marjolene mij verloofd heeft, zoude zeker eene goede vrouw zijn voor mij. Begrijp wat ik hiermede bedoel, Milly. Zij zoude een geschikte vrouw zijn. Daaruit besluit Marjolene dat zij mijne vrouw worden zal. Ik heb er niet eens aan gedacht dat zij mijne vrouw zoude worden. Wel dat zij daarvoor geschikt is. Ik bewerk noch van verre, noch van nabij dit huwelijk, en ik heb gegronde redenen om te denken dat er nooit een huwelijk van komt. Maar ik wil uit uwen geest alle verdere muizenissen roeien en ik wil niet dat gij uwe vermoedens voedstert met de mogelijkheid of de waarschijnlijkheid van dat huwelijk. Daarom herhaal ik: dat huwelijk is niet onmogelijk. Ook andere huwelijken zijn mogelijk, en dit éene is niet waarschijnlijker dan al de andere. Gewen u echter aan de gebeurlijkheid van ’t zij eender hetwelke.

—Gij spreekt zoo dubbelzinnig ....

—Geloof dat niet. Ik zeg: gewen u daaraan; hetgeen niet beduid dat ik trouwen zal zelfs tegen uwen wil in ....

—Gij speelt met mij, Rupert.

—Ik trouw niet vóor ge me verlaat.

—Vóor ik, uit eigen beweging, u verlaat, Rup, zegt ge dat?

—Ja wel. Niet vóor gij me, uit eigen beweging, verlaat. Dat is toch helder.

Ze keek gretig in zijne oogen, en zag er weer niets dan eene diepe klaarte en eene wijde rustigheid. Eene natte aandoening stiet aan tegen hare trillende wimpers en klopte hoorbaar in hare slapen. Ze fluisterde, dankbaar:

—Dat doe ik nooit ....

—Misschien, Milly! ....(hij stond recht en kuste haar vluggelings). Wacht uw rijtuig vóor de poort? Laat het oprukken, en stijg in het mijne. Ik zal u naar huis voeren. Hoe wonderlijk, Milly, gij zijt nu wezenlijk een heerlijk beeld van twijfel en achterdocht, en uwe zwarte haren zijn de duistere hemels der toekomst ....

Hij lachte en praatte zeer opgeruimd voort. Hij bracht haar thuis, in de dreef van Tervuren, en reed nadien de stad weer in. Op de Begijnhofplaats deed hij stilstaan en sprong uit het rijtuig. Hij streelde een ivoren aapje onder de pelsen voering van zijn breeden mantel, eenvormig in zijne linkerhand.

II.

Pastoor Pezza.

Men zoude bezwaarlijk den jongen strijdlustigen pastoor Pezza herkend hebben in den bleeken man, welke, dien zelfden dag bij valavond, op zijne schemerige studeerkamer in groote vertwijfeling te beven zat. Het was pastoor Pezza inderdaad. Niet meer de bruisende hartstochtelijke, warm-preekende Pezza, niet de mannelijke Pezza, die het volk in vervoering bracht en het hoofd was van het woelende volk—thans een bange, huiverige Pezza, de prooi geworden van angstigen zelfstrijd.

Hij zat waarlijk voor elk gerucht dat binnen of buiten de kamer opklonk, te schrikken. Hij keek alle oogenblikken naar zijn zakuurwerk, draaide het dan werktuigelijk op of vingerde zenuwachtig om de lichte schakels van zijn zilveren ketting. Een grijs geharrewar roerde onstuimig in zijne hersens; en hij kon niet denken, hij kon noch stille noch koppig de effenheid van geleidelijk denken herkrijgen binnen dat hoofd, hetwelk nu, als eene vreemde kast, den hollenden draf van benauwde beelden omsloot.

Hij beproefde naderhand een langen brief te overzien, dien hij op de schrijftafel, in vieren geplooid, had neergelegd. Het witte vel trilde tusschen zijne vingeren, de woorden dansten, krulden over elkander, werden soms ineens weggevaagd.

Lucia, zijne zuster, kwam binnen en legde voorzichtig een wit-houten kistje op een lagen stoel onder het venster. Zij ging naast haar broeder staan en raakte lichtelijk met hare handen zijne onrustige schouders. Ze bleef een langen tijd alzoo, zonder spreken buigend over hem; hij had den brief laten neervallen en staarde nu droomend in de deemsterende leêgte. Aan den wand, waar het late licht even nog de grauw-roode bladeren van de behangselbloemen deed opgloeien, hing een duister Kristbeeld en spreidde in eeuwig gebaar zijne rechte armen. Deze kamer zag er armoedig uit, en de foltering van Pezza spookte er alom en gaf aan alle voorwerpen hier een uitzicht van bange wanhoop. Zoo gebeurde het dat het duister Kristbeeld eindelijk en eeuwig daar leefde met, als in de tochten van vreeslijke hemelen, de heet-opgloeiende bloemen van een klein muurpapier.

Lucia liet hare hand neeraaien tot op Pezza’s hand.

—Dissel, fluisterde ze, heeft het kistje laten brengen ...

Ze drukte op zijne vingeren, toetste de siddering die door zijn lichaam joeg. Hij voelde tegen zijne slaap de kitteling van haren adem.

—Nu, niet waar? vezelde ze al zoekend, met de hare, zijne vreesachtige oogen, nu gaat ge moedig zijn en optreden als een man.

Hij schudde zijn hoofd en boog het, zoodat zijne scherpe kin kwam rusten op zijne borst.

—Ik ben ellendig, Lucia; ik ben benauwd voor u en voor allen; ik ben niets meer .... O! ik ben geen man, Lucia, ik ben geen man! ....

Eene diepe rimpel trok zijn kaken in een pijnlijk masker neerwaarts en zijne wenkbrauwen wrongen thoope. Zijne hand lag onder de kalme drukking van Lucia’s hand, en hij had nu de impressie dat hij ze nooit vrij zoude krijgen. Wezenlijk deed zijn geest een groote poging om zijn arm uit te zwaaien en om zijn rug te rechten buiten het bereik van Lucia’s stille prangen. Hij neep zijne oogen toe en deed die geweldige poging .... Hij roerde echter niet. Zijne hand bleef onder de kleine hand, die zacht was. Zijn rug droeg den ronden elleboog, die rustig warmde.

—Luister, sprak Lucia, ik zal u bijstaan. Ik heb u immers altijd bijgestaan. We moeten nu den grooten slag leveren. Na dezen strijd zijn we geen slaaf meer ... Zullen wij hem opgeven na al de andere strijden, en als die juist de laatste is?

—Gij hebt mij tot slaaf gemaakt.

—Wat al gedaan is, wordt niet in het uiterste oogenblik met eene lafheid weer goed gemaakt. Gij hebt te veel reeds aangenomen om dit, op een einde, te weigeren.

—Ik heb niets gedaan, niets zelf gedaan. Gij hebt mij in de armen van Dissel geworpen; gij hebt me, mede met hem, tot een slaaf gemaakt. Genoeg nu, Lucia. Ik ga niet verder meer. Ik zweer het u, ik ben moe, ik ben uitgeput, ik kan niet verder meer. Dagelijks wordt ge schrikkelijker, Lucia. Dagelijks eischt ge al meer van mij. Vergeef me, Lucia, gij zijt me .... een monster geworden.

Vredig, effen bleef het gelaat van Lucia. Ze richtte zich op, ging langzaam de tafel om en stond, recht over Pezza, hem aan te kijken. Toen sprak ze langzaam, zonder één gebaar, zonder ééne opwerping van hare streelende, gedempte stem.

—Wat zijt ge zwak, broer, en hoe miskent ge mij, die uwe beste kracht ben! Waarlijk, ik hoopte dat gij eens opstaan zoudt en dat ik de aanleiding kon zijn, die uwe struischheid moest wekken. Gij blijft het kind dat struikelt, zoodra het den steun van moeders wenken mist .... Komaan, jongen, ik zal u niet verlaten. Heb ik u slecht geraden toen ik u zei dat, voor de heerschzucht der armen, de politiek de eenige toevlucht is? Gij hebt mij in dien tijd toch willen gelooven en gij hebt, gretiger dan ik het mij inbeeldde, aanvaard wat ik u heb aangeboden zonder gretigheid. Later heb ik u de inzichten van Dissel moeten uitleggen, en het is gelukkig dat ge mij hebt willen begrijpen, want Dissel zoude u verplet hebben zooals hij anderen heeft verplet. Maar, Goddank, nu zijt gij Dissel’s onmisbaar bondgenoot. Gij hebt het goedgevonden. Heeft Dissel ooit gehoopt dat gij het zóó ver zoudt brengen? Ik geloof het niet. Voelt gij niet dat die man u een zegepraal heeft helpen behalen, waar hij nu pas de volle beteekenis van snapt? Voelt ge niet dat Dissel, van wien gij totnogtoe alleen een werktuig waart, thans inziet dat het alaam hem te zwaar is geworden en vreest dat hij het niet hanteeren kan? Uwe betrekkingen met Dissel zullen binnenkort opgelost worden—gij moet maar zorgen dat de oplossing in uw voordeel uitvalt. Hier kan dan geen sprake zijn van “niet kunnen” of “niet willen;” gij zijt niet, gij alleen, de gebeurende handeling. Gij zijt een werkzaam deel van die handeling, dewelke hare kracht heeft uitgeput, niet eeniglijk uit u, maar uit ingewikkelde en ijverige omstandigheden. De handeling is uitgegaan van u, maar is nadien gaan zwellen en groeien in andere en verscheidene en bijkomende krachten. Noem mij een monster en laat ik aannemen dat ge mij voor een monster houdt, wat baat het? Gij kunt niet beletten dat de handeling zich ontwikkelt. Gij kunt niet een steen weerhouden, dien gij in de lucht hebt opgeworpen. Gij moet willens of onwillens de handeling beleven. Het onwillens doen is uw verleden verzaken; geloof me, drijf door. Gij wint er ten minste bij dat ge niets verliest ....

Zij stond, rilde en stijf, rechtover Pezza, tegen de avond-blauwe vensterklaarte. Hare zwarte kleeding spande om haar lichaam en teekende zeer nauwkeurig hare harde heupen en lenden, de krachtige hoekigheid van hare schouders en, als iets dat wonderlijk bij dat mannelijk voorkomen aandeed, de sierlijke buiging van hare zacht-vrouwelijke armen. Bleek schemerde haar aangezicht. Geen schaduw verried er de welving der oogen of het leven van den mond.

—Maar, wedervoer ze na eene korte stilte, ik zeg het u: dit is de laatste phase van den strijd. Als die afgeloopen is, zijt gij Dissel’s slachtoffer of is Dissel het uwe. De eenige kans van Dissel is in zijn hoop besloten dat gij zijne inzichten niet kent. Zulke hoop is rechtvaardig, broer, en zulke kans is een zekere, wanneer ik nu bedenk dat gij feitelijk Dissel’s inzichten niet kent. Loof den hemel dat een monster zich tot uwe beschikking stelt om die inzichten te onthullen en hunne sluwheid te verijdelen.

Zij had uit een bruin-houten rookservies een lucifersdoosje genomen. Ze lengde zich nu geheel uit, hief traag hare handen omhoog en stak binnen den bronzen luchter, die laag boven de schrijftafel hing, het licht aan. Pezza zuchtte, ontlast van de bangheid, welke in de donkerheid waarde. Hij blikte vluggelings rond de kamer die met een gele klaarte beverfd was, en bleef nadien op een glazen inktpot turen, waar het gulden licht, gulzig opgenomen, stergewijs uiteen tikkelde. De muren waren plots smaller geworden en kwamen zich gezellig om het kleurige leven van den luchter scharen, terwijl de heldere blauwigheid der vensters was uitgestorven. Tegen den grauw-rooden bloemenwand, die nu een vrij gemeen uitzicht had, wijdarmde het Kristbeeld, klein en nuchter en onverschillig. Lucia hernam eenderlijk:

—Bepeins wat, voor Dissel, de waarde van een bondgenootschap met u is. Hij wil de opkomende demokratie in haren groei breken. Gij zijt, met zijne hulp, aan het hoofd van het rijzende volk. Gij moet hem helpen om de beweging te smoren, welke hij zelf verplicht is geweest tijdelijk aan te wakkeren. Hij betaalt u en zet u aan het hoofd. Wat eischt hij in weerdienst? Dat gij hem al de andere leiders zult overleveren. Vandaag heeft hij u de bombe gestuurd, die gij met nieuwjaarsnacht binst het feest in den muntsschouwburg zult werpen. Al de daders van den aanval, al de zoogenaamde opstokers, al de oproerlingen, al de samenzweerders zullen aangehouden worden—en gij zult ze toonen, zult ze overgeven, zult ze verraden. Dàt moet uw rol zijn. U alleen, zegt Dissel, zou men sparen .... Zeer wel. Gij zijt nu eenmaal met verraden begonnen. Wat belet u ook dit verraad aan te gaan? Uw eenige vriend is immers Dissel en, als Dissel ophoudt uw vriend te zijn, wat zijt gij nog? Veronderstel dat Dissel dezen avond zijne politie loslaat op u. Veronderstel dat men in deze kamer dezen brief, het geheele aanvalsprogramma, door een naamloozen Dissel geschreven, en deze bombe vindt, wat dan? Neen, jongen, Dissel moet uw vriend blijven.

Zij zag dat hij strak de lichtspeling om den glazen inktpot bekeek en ze lei er hare witte hand op.

—Maar let op! Gij zijt meer dan een bondgenoot van Dissel geworden en dit kunnen wij hem niet verbergen. Gij zijt eindelijk, tegenover Dissel, eene macht. Zoo oolijk is hij wel dat hij die macht wil gebruiken. Misschien ook vermoedt hij dat gij haar nog niet bewust zijt, en zoo meent hij ze aan te wenden met meer zekerheid. Maar als hij ze niet langer noodig heeft—ik zeg meer: als zij hem schadelijk kan wezen en, moet zij nutteloos worden, dan zal zij schadelijk zijn—zal uw bondgenoot dan geen vijand blijken? Twijfel niet daaraan. Zoodra al de leiders, die hij vreest, uit den weg geruimd zijn, dan moet gij insgelijks verdwijnen. Welnu, ik heb een plan .... Schud niet alweer uw hoofd. Ik spreek tot dat hoofd, ik ben de geest van dat zwakke hoofd, broer. Uw eenige wil is niet-willen. Moet ik, om uw leven bedrijvig te maken, bewijzen dat het bedreigd is en in groot gevaar verkeert? Wil ten minste wat ik wil, want niet-willen is, in dees geval, een zekere dood. Gij kunt niet gered worden, indien ge niet, de eerste, den bond verbreekt, dien gij aangesloten hebt, en niet seffens den ondergang bewerkt van uw bondgenoot. Mijn plan brengt u in veiligheid en geeft u het gezag, den rijkdom en de glorie. Uwe laksheid levert u, als een gemakkelijke prooi, over aan den haat van uwe vijanden en de wraak van uwe vrienden.

—Gij moet, sprak ze stiller, terwijl ze, even leunend tegen de schrijftafel, voorover boog, voorloopig doen wat Dissel zegt en het programma volgen dat hij heeft opgesteld, maar gij moet alle sporen van uwe handelingen, de minste ook, doen verdwijnen. Ik zal er zelf voor zorgen dat niets hier in huis, geen brief of geen teeken, ooit te ontdekken valt. Gij richt dus de samenzwering in die op de ontploffing van eene bombe in den muntsschouwburg moet uitvallen; gij geeft daaromtrent allerhande inlichtingen aan Dissel en gij laat hem volkomen in den waan dat gij het met hem wel meent. In geen geval levert gij hem de namen der geheime leiders. Hoogstens kunt gij eenige valsche broeders verraden—ik bedoel diegenen welke u zouden kunnen in den weg staan of welke even heerschzuchtig zijn als gij. Ondertusschen verbreedt gij den omvang van de oproerige beweging. Daar moeten meer bomben zijn, broer. De aanval in den Muntschouwburg is lokwerk, waarmede gij Dissel’s omzichtigheid verleidt, en welker veroorloofde gelegenheid gij waarnemen kunt om meer en ernstiger aanvallen op touw te zetten. Doe het ministerie springen, dat kunt gij! Maar doe het dienzelfden nieuwjaarsnacht, want later is het bewezen dat Dissel u niet meer vertrouwen of niet meer gebruiken kan. Gij zult weten waar Dissel zich op den loer verborgen houdt. Dissel moet ge hebben, levend of anderszins.

Lucia ging weer stille de tafel om en kwam, gelijk te voren, nevens haar broeder staan. Ze wilde haren arm om Pezza’s schouder leggen, en ze boog reeds over hem, om hem in een zacht gevlei van uiterste woordengedoezel te overhalen.

Pezza, als onder een veêrschok, sprong recht. Hij was lang, en recht vielen de vouwen van zijn zwarten priestersrok.

—Houd af! riep hij, gij zult mij niet verder krijgen, Lucia. Straks voel ik dat ik u even haten als vreezen kan .... Het is genoeg alzoo. Wat gedaan is, gij zegt het, helaas! is nooit uit te wisschen; maar daarom verder gaan, nog verder, nog ploeteren in bedrog en kapot zakken in wroeging, nog meer verraad, nog meer vuiligheid? Lucia, neen, ik wil niet, ik wil niet, ik ben dood eer ik nog wil, want ik kan niet meer willen! ..

Hij nam zijn hoofd in beide handen en snikte droog. Lucia bezag hem zonder onrust. Ze liet hem uitklagen en hij deed het geweldig, driftig, gelijk een radeloos dier dat men in een nauw hok zoude opsluiten. Hij vloekte en verwenschte en kwam naderhand in het aanschijn van het onbeweeglijk Kristbeeld jammerend zijn groote wanhoop weenen. Hij dierf niet opblikken naar zijne zuster. Hij wist dat ze roerloos daar stond, dat haar gelaat onveranderlijk bleef, dat geen ongemeen vuur in hare oogen schoot en dat geen vezel van dat schaduwend vrouwenlijf trilde. Wanneer haar beeld op die manier opkwam in zijn geest, overviel hem eene wilde woede. Zijne handen wrong hij op zijn hoofd tot bevende vuisten dicht en een purperen gloed benevelde ijlings zijne blikken. Hij deed dan een stap, wankelde op dien eenen, geraakte niet verder. Eene plotselijke loomheid kwam wegen in zijne armen en hij begon als een vod op zijne beenen te slodderen. Hij was af. Hij gaf zich overwonnen. Hij werd rood en zweetend, en het was van schaamte dat hij nu te hakkelen stond.

Lucia, alsof er niets gebeurd was, sprak:

—Ik zeg dat ge Dissel moet hebben. De gelegenheid is nu schoon en gunstig genoeg. Gij zijt het hoofd van het volk. Ge zult het blijven. Wat zoudt gij afstand doen van eene macht, die gij zoo goed als zelf verworven hebt? Maar, onthoud het, broer: afstand doen van die macht is lakei blijven, en zie! gij voelt het even goed als ik, daar dreigt reeds de willekeur van uw meester! Gij hebt het zwaarste veroverd, gij zijt verloren indien gij het luttelste niet aandurft.

Hijgend ging Pezza neerzitten. Hij hief voor het eerst zijn gefolterd aangezicht op naar het vredige aangezicht van Lucia, en vroeg, verlegen, of “dit het luttelste was.”

Lucia naderde hem weer.

—Wat u te doen rest, is eenlijk het volk te volgen dat gij vooruit gedreven hebt. Vooruit zal toch het volk. Blijf niet achterwege. Blijf aan het hoofd van dat volk. Ik vermoed dat wij het stilaan ééns worden. Denkt gij niet?

Hij knikte flauw. Hij veegde met zijn zakdoek het zweet af, dat op zijn voorhoofd parelde. Hij snoot zich met een luidelijk gerucht. Hij haperde nog ergens ..

—Ik wil bij u blijven, stotterde hij, ik peins over al die dingen te gelijk. Maar kan Dissel dat allemaal niet te weten komen? Veronderstel .... och, wat zal ik weer veronderstellen? .... wacht even, Lucia.

Ze boog eindelijk over hem en drukte stille, innig, wonderlijk met hare streelende armen op zijne armen, om zijne schouders en lager over zijn rug. Stijf bukte haar struisch, houtig lichaam, en haar hals bleef eene harde kolom met, als een steen daarboven, de doffe zwaarte van heur blauw-zwart haar. Maar tooverig spreidden hare zoete soepele armen een lauwe aaiing langs geheel zijn zieke lijf.

—Wij hebben den tijd, fluisterde ze heimelijk, en zult ge dan nooit op mij vertrouwen?

Ze glimlacht niet, maar de lichte buiging van hare stem klonk als een gulden glimlach, als een geluid van eindelooze goedheid. Pezza voelde den liefelijken klank van den onzichtbaren glimlach en hij werd rustig. Hij zei:

—Ge hebt gelijk.

—O ja! ....

Dit was de eenige jubeling, welke haar ontsnapte. Langzaam richtte zij zich op, lengde uit naar de lamp, draaide voorzichtig de vlam lager, die onderwijl opgeflapperd was en met een zwarte tong het porseleinen schermhoedje overlikte.


Zich nu ganschelijk overgevend aan de dringende werkzaamheid, welke hem gewoonlijk na dergelijke strijden bemeesterde, begon Pezza, nadat zijne zuster hem verlaten had, alles in zijne werkkamer om te draaien. Alle boeken, alle papieren moesten onderzocht worden. Hij maakte ordelijke pakjes van sommige dokumenten, stelde zorgzame lijsten op van de gewichtigste onder hen, doorzocht en besnuffelde alle laden van het bureel.

Zoo was hij—een zwak man, dien men moet opwinden, en die dan met wonderbaren ijver te werk gaat. Hij dacht aan niets meer dat hem storen kon. Voor een tijd was weer het verleden uit zijne gepeinzen gewischt en ganschelijk had hem de koorts van het levend heden in beslag genomen. Straks zou hij eene vergadering van geheime volksleiders voorzitten en hij zoude het doen met de zwierige knapheid, de schrandere bevoegdheid en den schoonen ernst van een geslepen politieker en een talentvol redenaar.

Eene kleine dienstmeid kwam melden dat een heer aan de deur stond en zeer aandrong om seffens binnengeleid te worden.

—Hoe heet hij? vroeg Pezza, terwijl hij eene rij boeken altegaar binnen de planken van eene enge boekenkast sloot.

Hij toonde zich nu uitermate opgeruimd. Hij liet de dienstmeid niet uitspreken en, werkend aan eene nieuwe vracht, zei dat hij den heer ontvangen zou.

Het was een vreemdeling, in wijden pelsen mantel. Hij groette korrekt. Pastoor Pezza vingerde het stof van zijne handen weg en boog rustig. Hij schoof een stoel bij en ging zelf in den zetel zitten, vóor de schrijftafel. De vreemdeling bleef rechtstaan.

—Mijn bezoek, mijnheer Pezza, zei hij, belangt mij zóo weinig dat ik het onnoodig acht u mijn naam te noemen. Wat ik u te vertellen heb, heb ik, als een vreemdeling, vernomen en wil ik u als een vreemdeling toevertrouwen. Ik gis het belang voor u van het nieuws dat ik u breng, al kan het mij niet schelen welk gebruik gij ervan zult maken. Met betrekking tot het hoofd van de politieke volksbeweging, en ik weet dat gij dit hoofd zijt, heeft mijn bezoek eene gewichtigheid welke u niet ontsnappen zal. Iemand, mijnheer Pezza, meent te weten dat gij door mijnheer Dissel zijt omgekocht en dat gij het verraad van alle volksleiders voorbereidt.

Pezza bleef kalm en goedig-oplettend. Hij stond echter recht en verzocht den vreemden heer het bezoek als ongedaan te willen beschouwen, ten minste als hij niets van meerdere ernstigheid te vertellen had.

—Ik kan mij inbeelden, mijnheer, wedervoer de vreemdeling, dat een dergelijk gerucht u onverlet laat, maar de bron ervan hoop ik dat ge met meer belangstelling zult vernemen. Laat mij ongezegd de reden voorbijloopen, die mij dwingt u den man te noemen, welke u voor een verrader houdt. Ik heb die reden en tevens eene andere om u de eerste te verzwijgen. Een volksleider zelf is hij die u verdenkt, en zijn naam is Simon Peter. Gij kent hem.

—Waarlijk, zei zeer aandachtig pastoor Pezza, gij verwondert mij. En wat zegt Simon Peter dat hij weet van mij?

—Dat gij, tot viermaal, minister Dissel in uw huis hebt ontvangen, dat gij zijn knecht zijt en de ergste vijand van het volk.

—Grappig, mijnheer.

—Was mijn bezoek noodeloos?

—Geheel noodeloos, mijnheer. Zulke tijden zijn immers voorbij, mijnheer, en de politiek van een modern land berust, Goddank! op steviger gronden. Gij lijkt mij een Oosterling en niet zeer met deze noordelijke gewesten vertrouwd te zijn, neem het mij niet kwalijk. Het spijt me ook dat ge u niet bekend maakt, mijnheer. Ik zoude gaarne u meer ervan vertellen. Wat gij mij— met de beste inzichten, en daar dank ik u voor—gezegd hebt, is een aardig, een alleraardigst mopje.

Onder meer liefelijk gesnap deed hij den vreemden heer uitgeleide, schelde de meid en groette minzaam. Toen liep hij bij Lucia en begon, op hare borst, te schreien als een kind.