III.

Het schrijn met het gouden hartje.

Mijnheer du Bessy, die tamelijk vroeg en seffens na de lezing van zijn morgenkoerier was uitgeloopen, kwam in den middag zeer opgeruimd thuis. Hij zag er uit als iemand die een groot gevaar voorkomen heeft en nu zich lekker en veilig voelt. Hij ging zich in zijne kamer flink aankleeden en besteedde een dik uur aan zijn diner-toilet. Toen riep hij den ouden Ko en vroeg waar Fran en Ernest zaten.

Juffrouw Francine was kort na het déjeûner met het poneymandje vertrokken, en mijnheer Verlat, die, in den ochtend, vroeger dan mijnheer du Bessy het huis verlaten had, was nog niet terug. De oude Ko moest mijnheer du Bessy verwittigen, zoodra een van beiden zoude inkomen.

—Ouwe jongen, sprak de baronet met ronkende voornaamheid, daar is hier vandaag een familiefeestje, namelijk—en ik hoop dat mijnheer Verlat u wat den tafeldienst en zoo al meer betreft, de noodige orders zal gegeven hebben—het naamfeest van mevrouw. Zorg er voor dat, ook vanwege het dienstpersoneel, de avond met wat bloemen en een woordje of anderszins, gelijk het u vrijstaat, opgeluisterd wordt. Het moet blijken, Ko, dat gansch het huisgezin, inbegrepen de keuken en de stallen, de goedheid van mevrouw naar waarde weet te schatten .... Gij hebt, oolijke vriend, over uw wezen een glimlach als een heimelijken sluier hangen, dewelke mij aan de vool herinnert van de beroemde Isis, vereerd en aanbeden in den tempel van Saïs. Deze Isis werd in andere oorden vergoddelijkt onder de lichtere gedaanten van eene Cinthia, eene Eilithyia of eene Artemis. Zult gij den sluier oplichten, snaak?

—Daar is alreeds voor gezorgd, mijnheer. Gij moogt voor zulke dingen, mijnheer, ten alle tijde op Ko berusten.

Mijnheer du Bessy knikte voldaan, bloosde even en ging, naast de eetzaal, in het gezellige spreekkamertje zitten. De waarheid was dat mijnheer du Bessy niet eens aan Vere’s naamdag gedacht had en dat hij deze onachtzaamheid, die aan pastoor Doening niet ontsnapt was, op diens bescheiden aandringen gauw weer goed had gemaakt. Van pastoor Doening had hij een kort briefje ontvangen en hij was opgesprongen als door een bijangel gestoken. De geheele stad had hij op- en afgeloopen, een mooi geschenk gekocht en zijn eigen op geen oogenblik verweten dat hij eigenlijk aan eene beleefdheid, zooniet aan eenen plicht, was te kort gekomen. Hij voelde nu voor Vere eene liefde, een eerbied, die soms in heete aandoeningen opschoot naar zijn hoofd en in de hoekjes van zijne oogen kittelde. Feitelijk was hij het zich niet bewust, dat hij te weinig aan Vere dacht en uitsluitend aan de beminnelijkheid van eene blozende Henriëtte. Nu dacht hij aan Henriëtte in het geheel niet meer, en het mag gezegd dat deze uitstekende man geen hoofd had, waar te gelijk twee peinzende beelden konden leven, en geen hart dat tweevoudig bij verscheidene gevoeligheid kon slaan.

Hij zat vóor het ronde tafeltje en Francine, die kort daarop binnenkwam, vond hem in groote beslommeringen bezig met het opstellen van een feestmadrigal.

—Oomken, vroeg ze terwijl ze boog over hem en met frissche lippen een vluggen zoen op zijn voorhoofd lei, wat maakt ge dat u zoo zwijgend houdt?

Hij lachte luid en dook onder zijn arm het kleine blad, waar rekewijs de korte verzen vlekten. Hij beeldde zich in dat Francine, die hem van Vere’s naamdag niet gesproken had, voor hem en voor allen de bereiding van eene lieve verrassing verborgen hield. Hij wilde daarom geheimzinnig doen en het voorkomen hebben van een die de slimste en onverwachtste doening op touw stelt. Hij deed het met die gewone kinderlijke naïefheid, welke gansch zijne sluwheid was. Hij keek in de groene oogen van zijn nichtje en merkte er de groote verlegenheid, die trillend en schroomvallig erbinnen waterde.

—Luister, vertelde hij na een tijdje, we mogen er wel wat van aan mekaar toevertrouwen. Zullen we niet? Zeker zullen we dat. Wat zijt ge een schavuitig duikertje, kind! Wat zijt ge een duikertje om in te lijsten, zooals in die bleekroode lekstokken, die men ook paddestoelen of stampers noemt, en die ik in mijne kleine jeugd zoo dolgaarne mocht! Wel, wel! hoe hebt ge mij dat allemaal in ’t geniep kunnen schikken! Maar, sphinx, ik heb u doorgrond. Ik heb al dikwijls de blosjes beloerd, die het naarstig bedrijf van uwe paarlemoeren vingeren verkonden .... Knik niet, schud niet. Ik ken u. Ge zijt zooals de gulden Lucina, die nooit meer dan eene helft van haar glanzend wezen laat zien, maar algelijk niet beletten kan dat men de andere helft gaat gissen. Of misschien zijt gij het monsterachtige masker, dat de waarheid met een kunstmatigen schijn verbergt? .... Licht of verve, ik zie u, en ik ken u. Gij zijt een minzaam zusje en gij poetst, ter eere van eere, met het fluweel van uwe liefde het goud van uw hart. Zoo doen in stilte de vrome begijntjes: ze poetsen de gele kandelaars, wanneer de processie ommewandelt, en zingen alzoo de glorie van hun God .... Poets maar, snoezig begijntje, en wend u niet af van mij—want, in waarheid, gij duikt u te vergeefs: alreeds heeft de gloed van den klaren kandelaar u verraden.

Francine had zich neergezet rechtover hem. Ze blikte angstig op en wonderlijk trilden hare lange wimpers.

—Zie, zeide mijnheer du Bessy, het blad blootleggend waarop hij zijn kompliment wilde neerschrijven, hier ligt de helft van een madrigal, dat maar niet tot een geheel wil gedijen. Ik draag het aan die goede Vere op. Het zal bij haar, de inschikkelijkste aller vrouwen, met goede uitkomste, naar ik hoop, de lompheid inleiden van het geschenk dat dees oogenblik in de linkerlade van mijn secretaire ligt opgesloten en dat ik u niet zal laten zien, vooraleer ge mij met al uwe eigen verrassende kunstgrepen zult bekend maken.

Het ernstig gezichtje van Francine bleef nog een poosje onveranderd opstaren naar het jolig gezicht van mijnheer du Bessy. Toen zeeg het voorover op de tafel in hare beide handen en schokte lijdelijk opwaarts in snikken los.

Mijnheer du Bessy was zeer aangedaan. Hij vernam nu dat, evenmin als hij, Francine het naamfeest van Vere indachtig was geweest en dat ook zij een kiesch briefje van pastoor Doening had ontvangen. Mijnheer du Bessy werd uitermate beschaamd, en zijn geweten dat over het algemeen weinig streng was, schoot op met eene hevigheid, welke hem van kop tot teen deed schrikken. Hij overkwam die emotie tamelijk gauw, en Francine insgelijks was niet zóo diep getroffen dat ze langer dan een kort tijdje met haar leed moeite had. Vijf minuten later zaten beiden nevenseen te keuvelen. Mijnheer du Bessy bracht zijn madrigal tot een galant einde en Francine teekende op den omslag van Doening’s brief de schikking van de tafel, de stelling der bloemen en de plaatsing van de vierende familie. Naderhand liepen zij leutig de trap op, en mijnheer du Bessy die eerstens zijn geschenk had uitgehaald en het zelf in een vloed van woorden had geprezen, mocht nu de geschenken van Francine zien, waaromtrent hij, met de hulp van al de Olympische goden, lucht gaf aan eene geestdriftige en overdadige bewondering.

Onderwijl zat mevrouw Verlat bij de wieg van haar kind.

Het wichtje kwam niet goed op. Het lag klein en zwakjes in de kanten, sliep korte wijlen, om dan in pijnlijk gekreun weer troostloos zich uit te rekken. Het roerde zijne bevende vuistjes en pootelde wanhopig over de witte dekens. Het werd iedermaal blauw-rood en vroege rimpels gaven hem het uitzicht van een zonderlingen ouderdom. Vere omringde het met de zoetste zorgen, was nooit moe, nam het op en suste het in hare armen. Soms zweeg het tegen de warmte van hare borst, en telkens had zij dan het wijde gevoel dat de eindelooze kracht van het leven is en de bitterste moederlijkheid maakt tot een dankbaar genot.

Tweemaal overdag kwam de dokter bij haar. Hij zei dat het kindje gauw flink zoude worden; hij betastte en beluisterde dat nietig lijfje, waarlangs het roze vleesch onvast en rauw te slodderen hing; hij knikte voldaan met zijn groot warm-levende hoofd en, daaronder, lag, gelijk een naakt diertje, het kind, haar zoete kindje langzaam en spartelend. Zij bekeek hem strak. Zij wantrouwde zijne woorden, wilde in zijne oogen de waarheid lezen die zij nergens raken kon, en hij vertrok met die waarheid die een geheim was geworden. Nochtans ondervroeg Vere hem nooit. Na ’t geen hij altijd zei van haar kind, voelde zij dat zij niets meer vragen kon. Hij kwam op gelijke uren terug, kwam soms in de lauwe kamer met, om zijn groot lichaam, de levendige frischheid van den buiten. Soms was hij rood en gloeiend, alsof hij gehold had, al roepend, over eene weeke winterweide. Steeds, hoe het haar ook docht dat hij een uitzicht had, bracht hij, boven het zieke wichtje, de onverschillige vormen van eene zware gezondheid die haar als een lompe ikzucht voorkwam.

Het kindje sukkelde.

Dikwijls sprak zij met Ernest erover. Hij vond ook dat het kindje niet sterk was; maar, zeide hij, andere kinderen meer zijn alzoo, en sommige, die later stevige kerels worden, zijn slapper en ziekelijker dan dit. Hij meende dat zij zich het geval te veel aantrok en dat, zekerlijk, het kind goed gebouwd was, dat het, na een tijdje, ineens en ganschelijk bovenop zoude geraken. Zij geloofde hem gaarne, en ze ging stille lachen over de wieg en sprak het wichtje toe met diepe innigheid.

Eens vroeg ze:

—Ernest, ge hebt toch ons kindje lief, niet waar?

Hij knikte gretig en kuste haar, en ze moest beloven dat ze nooit meer zulke akelige dingen wilde vragen. Ze geloofde hem; maar een andere maal scheen het haar dat hij in de kamer, evenals de dokter, eene ongevoelige gezondheid bracht. Zijn adem was koel en ruchtig, en een geur van landelijke winden walmde om hem. Zij wilde raden dat hij was uitgereden te paard. Hij vond dat ze geheel onzinnig was.

—Ik begrijp u waarlijk niet meer, sprak hij streelend, gij zegt bijtijden zulke rare woorden. Ik ben in geen drie dagen uitgereden, en vandaag ben ik niet eens uit den huize geweest. Hoe komt ge aan die zotte gissingen? Gisteren hebt ge mij gezegd dat mijn haar naar een verschen hooiopper rook ....

Zij was verlegen en ging tegen hem aanleunen. Vandaar blikte ze naar het kindje en, daar het sliep bevallig, liet zij eene stilte komen, waarbinnen het getik van het schouwhorloge als een trage regen neerdruppelde.

Zij kon zich zelf moeilijk rekenschap geven van de zonderlinge gevoelens die, dikwijls met eene scherpe raakheid, massale gestalten werden in de wereld van haren geest. Het beeld rees op in klare zelfstandigheid, en precies op de eenige zwelling van haar onrustig hart. Het beeld werd, uit een stuk als het ware, uit heur hart op, in haar geest geworpen, en zij verwonderde zich telkens zelf dat het daar stond met harde vormen, vlug en onbedriegelijk. Zij wilde zich gewennen aan het idee, dat dit alles buiten de werkelijkheid om gebeurde, en dat het ontastbare verzinsels waren, die redeloos ontstonden en bij den minsten toets zouden vergaan. Maar tegelijk voelde zij dat zijzelf niet méer bestond dan de figuren van hare angsten, van hare vertwijfeling en van haar leed. Zij beredeneerde dat niet verder. Wat, na alles, overbleef was eene lastige onzekerheid die soms den dokter in hare oogen tot een vijand maakte en Ernest tot een vreemdeling.

Op een morgen schreef ze aan haar vader dat zij hem gaarne eens wilde zien. Ze meende dat zij in zijne aanwezigheid rustiger zoude worden en hoopte dat zijn blik, zijn woord, zijn goedig gebaar het vertrouwen moest weergeven dat zij in haar eigen niet meer hebben kon. Dit was een ongelukkige inval. Lieven Lazare antwoordde haar per omgaanden bode dat hij zich zeer verheugde over den goeden staat van hare gezondheid en dat hij in zijne gebeden het wichtje herdacht, dat nu gauw weer goed kon opknappen. In zijn vreemden brief, die zeer keurig opgesteld was, deed hij tevens zijn voornemen kennen om maar liefst van alles en allen verwijderd te blijven, die in zijn geheugen “de dochter van vroeger” terugwekten.

—“Het zoude mij spijten,” schreef hij, “als gij mijn bezoek op dien droeven dag van Oktober, voor meer dan eene beleefdheid gingt aanzien, mij opgelegd door een onverwachtsche verwikkeling van zeldzame omstandigheden. Een daad heeft eene beteekenis als zij goed bedacht eenerzijds, en anderzijds goed begrepen wordt. Ik kan niet zeggen—en hieraan heb ik schuld—dat ik mijn daad goed bedacht heb. Mits haar te bedenken, zoude zij mij waarschijnlijk evengoed bij u gedreven hebben, maar zij ware dan begrijpelijker geweest in uwe oogen. Eergisteren is Johan Doxa mij komen overvallen. Hij ziet er zeer ellendig uit. Hij sprak me dadelijk van u. Toen heb ik hem gevraagd dat ik mocht verschoond blijven van alle zinspelingen of gebaren, welke mij herinneren konden aan iemand, die thans te vergeefs een hart wil herwinnen dat zij zelf voor altijd gebroken heeft. Verschoon mij eenderlijk, Veronika. Ik zeg niet dat ge mij een vreemdelinge zijt. Ik vrees echter dat gij het worden moet, zoodra ik u zal naderkomen.”

Vere had geweend.

Pastoor Doening, wien zij des anderen daags den brief overhandigde, troostte haar zoo goed als hij kon. Zulke handelwijze, zei hij, was wezenlijk merkwaardig.

—Van wege een ander man, mevrouw, zoude zij mij nochtans meer dan van dezen verwonderen. Hij is wild. De vele rampen van het leven hebben een ruig uitzicht gegeven aan dat edel en fijngevoelig wezen. Ik durf hem niet gelijk geven en wil allerminst eene weigering verontschuldigen, die mij in dees geval geheel misplaatst voorkomt. Maar zeker weet hij niet hoe misplaatst zij is. Het zal u, bij dezen brief, gedocht hebben dat uw vader zich den stap beklaagd, welken hij, op het eenig teeken van zijn hart, uwaarts gedaan heeft. Dàt doet hij niet. Maar hij is zeer beschaamd en hij meent dat men hem eene zwakheid zal verwijten, daar waar men alleen hem voor zijne goedheid dankbaar is. Zooals kinderen in de donkerte met zingen hunne vreeze paaien, zoo wil hij in eene schijnbare ongevoeligheid de sporen smoren van wat hij zijne zwakheid noemt. Geloof hem niet, of liever: geloof wat gij daar ziet van hem en raden kunt, en let niet op zijne woorden.

Zij beproefde het moedig. Met pastoor Doening kon zij vertrouwelijk omgaan en nooit kwam hij onverlangd. Zij begreep dat zij voor hem geen raadsel was, dat hij met de vezels van zijne fijne hersens de minste trillingen raakte die beefden over haar. Lang bleef ze zonder met hem over Ernest te spreken; maar omdat hij, met tastelijken willekeur, zich onthield ooit de eerste Ernest’s naam te noemen, voelde ze dat hij hare angstigheid inzag.

Op een avond, kort na de herstelling van haar kraambed, zat ze rechtover pastoor Doening rond den hoogen haard van de eetzaal. Francine had met Simon Peter een damesspel opgezet en mijnheer du Bessy was met Ernest naar den schouwburg.

—Pastoor, zei Vere, hebt ge, meer dan eens en elders ook dan hier, mijnheer Sörge gezien?

—Ik heb hem een paar malen elders ontmoet, mevrouw. Hier komt hij dikwijls.

—Ja, hij is een goede vriend van Ernest. Ernest houdt heel veel van hem. Vindt ge dat jammer?

—Ik weet het nog niet, sprak langzaam pastoor Doening, onderwijl diep in de oogen blikkend van mevrouw Verlat; Sörge is een jongmensch dat men zoo niet ineens doorgronden kan. Wat ik echter jammer noem, is de zoo goed als volkomen verwaarloozing van Simon. Ik geloof niet dat Ernest ooit een beter vriend treft dan Simon, en dan zie ik met leedwezen en eenigszins met verwondering dat de vriendschap voor mijnheer Sörge geleidelijk de verwaarloozing van Simon nasleept. Dat alles komt natuurlijk terecht, indien mijnheer Sörge een goede vriend is, en daaraan zult gij het merken, mevrouw.

—Gij spreekt mijnheer Sörge zelden aan ....

—Het is mijnentwege onrechtvaardig hem zóo zelden aan te spreken dat gij het opmerkt; maar ik heb waarlijk geen reden om hem vaker aan te spreken.

Zij zwegen dan eene lange poos en naderhand, alsof hare vraag daarmede in verband stond:

—Ernest, vroeg ze, zoude liever een dochtertje gehad hebben, dan het zoontje dat hij nu heeft, denkt ge niet?

—Hij heeft, mevrouw, een allerliefst zoontje, sprak pastoor Doening.

Hij stond lachend recht en ging, om er zich nogmaals van te overtuigen, over de wieg buigen, die nooit verre van Vere verwijderd was en nu, op een rieten vierpikkel, achter een hoog zijden scherm stond.

Hij knikte het slapend wichtje toe.

Sinds dien sprak Vere meer en duidelijker met den goeden pastoor. Telkens als hij bij haar was, voelde zij zich op veiliger plaatse. Zij dierf eindelijk rechtstreeks van hare onrust gewagen en liet soms zonder omwegen verstaan dat zij, wegens Ernest, in groote benauwdheid verkeerde. Ze had vele zorgen inderdaad. Nooit behandelde Ernest haar met ruwheid; maar de zachte vormen, waarmede hij zijne verhoudingen tot haar aankleedde, waren meer de uiterlijke teekens van eene verstandige onverschilligheid, dan de kiesche tooisels van eene aandachtige liefde. Zij begreep dat niet ganschelijk. Het spookte in haar, en versnipperde zich gelijk lichte flarden in een angstigen wind. Ze dierf zelf niet al die waaiende brokken bijeenrapen en den toestand in zijn volledigheid aanschouwen. Ze werd alras de medeplichtige van dat folterend spook.

Pastoor Doening deed niets dat den toestand, spijts haar zelve, kon doen opklaren. Hij spaarde haar met eene teederheid die hij putte in de schatten van zijn ouderdom. Niet zelden, terwijl hij met mevrouw Verlat sprak, dacht hij aan een meisje, broos als sommige doorzichtige waterbloemen, en nauw in haar smal keurslijfje geprangd. Hij zag achteraan de witte vierkanten van een zonnige hoeve of de veelvervige trilling van een zomerrijken tuin. Niet zelden dacht hij aan zijne moeder of aan het peinzende hoofd van Gezelle. Het waren allemaal motieven van een eender gevoel. Het waren de verscheiden beelden van zijne uitermatige liefde, en hij kon ze met rustigheid herzien als hij Vere bezag. Het gebeurde dan dat hij in zijn hart de innigheid vond, welke hij, als een vonkelend sieraad, om zijne minste woorden liet gloeien, en Vere, terwijl ze luisterde naar hem, voelde voor een tijdje de bangheid wijken en een weeke vrede haar hart omdoen.

De avond viel. Vere zat bij de wieg van haar kind. Uit de hooge vensterruiten en door de lichte teems van effen raamgordijnen zifte een blauwe schemering hare schuinsche lichten. Het wichtje was tamelijk rustig. Het sliep. Men hoorde, buiten, de geruchten van de straat zeer duidelijk opklinken. Het had heel den dag door gevroren en de lucht was klaar en hard gebleven. Men kon de klappende rinkeling van een tram van verre gewaar worden zóo duidelijk, als ware zij het eenig klinkend leven van de stad geweest. De hakken van een haastigen voetganger klopten tegen het trottoir. De trage waggeling van een bierwagen of de rappe guttawielen van een voornaam rijtuig rumoerden, elk met eigen belang en eigen helderheid, voorbij. Bijwijlen steeg het gesprek van kijvende menschen. Een ruiter voer over het aarden pad. De kloefslag dreunde dof en deed, zou men zeggen, iets roeren in huis. Verder, naar het Terkamerenbosch toe, huilde de sireen van een automobiel .... Al die geluiden, die tegare het geroezemoes van de vlijtige stad vormden, klaarden afzonderlijk op en klonken nooit zoo eigenmachtig als bij dezen kouden winterdag.

Een paarse poeiering kleurde allengskens den blauwen dag, en het begon in mauve naglansen te donkeren. Het donkerde fluks.

Te halfzes, binst dat Vere peinzend in de violette duisternis zat, werd voor het diner gescheld, gelijk op iederen dag; maar, vlugger dan op andere, kwam eene oude meid Vere’s plaats innemen nevens de stille wieg. Vere trad langzaam de trap af en wilde recht de eetzaal ingaan. In het voorportaal stond, met een groot pak, de oude Ko op haar te wachten. Zijn wit, houterig hoofd, hing fijn glimlachend over het groote pak. Het trof Vere dat dit levend hoofd zoo warm, zoo bevend van een lievend leven boven de vlakke kanten van het grijze pak uitscheen. Zij luisterde naar de stameling van de gelukwenschen die hij, in zijn naam en in name van het gansche dienstpersoneel, met diepen eerbied overbracht. Hij reikte onhandig het pak, hij die zoo handig alle pakken, gedurende zoolange jaren, had gereikt en aangenomen. Maar dit was “zijn” pak, en wat hij deed, viel zoo geheel buiten de gewoonlijke manieren van een strengen dienst dat hij onhandig werd en struikelde.

Vere had hem verschrikt aangehoord. Ze kon hem nauwelijks aanzien en werktuigelijk aanvaardde zij het groote geschenk. Haar naamfeest! .... Geen oogenblik had zij eraan gedacht en niets ook had haar daaraan doen denken. Ze drukte de beenderige hand van Ko en zei driemaal te reke dat zij het lief vond van hem en van de anderen allen. Ze kon waarlijk niets meer zeggen. Het overviel haar zoo schielijk en ze voelde zoo meteen de warme liefde die haar door gansch het huis tegenwoei ....

Op den drempel van de eetzaal sprong Francine haar om den hals en ontlastte haar van Ko’s zwaarwichtig pak. Ze leidde haar onder het lieve gejubel, dat haar eigen was, blij-lachend binnen. Vóor de tafel, die onder het vele licht der zilveren luchters wit-zilverig en kristal-tintelend uitglansde, stonden mijnheer du Bessy, Simon Peter en pastoor Doening op eene rij. Achter hen kleurden in dikke verftrossels de verscheiden bloemtuilen. Mijnheer du Bessy deed een stap naar voren en las een Fransch gedichtje, dat hij voor de gelegenheid verzonnen had. Hij las het, zooals alleen mijnheer du Bessy kon lezen, uitmuntend voor, en hij was, eer hij op het laatste vers stilhield, zoo aangedaan, dat hij haast het slotrijm miste. Hij kreeg van Vere twee klinkende zoenen en gaf haar dan over aan het stillere proza van Simon en den pastoor.

Vere knikte en bloosde. Nu moest ze al de geschenken bewonderen, het theeservies van Ko, de pluimen boa van Oomken, den mooien halsband van Francine, het marmeren kinderkopje van Peter en het heel lichte ronde schrijn dat er zoo geheimzinnig uitzag en dat Doening uit een vouw van zijn sluier nam. Iedereen deed met gretigheid het een en andere opmerken dat inzonderheid merkwaardig was. De boa van Oomken was een wonder, en de halsband van Francine, een reeks schakels van platte robijnen, moest niet onderdoen. Pastoor Doening deed het schrijn openspringen en een gouden hart lag daar, effen en nederig, op de zware zijde.

—Daar is geen ringetje aan, riep Francine; kan men het ook opendoen?

—Neen, zei pastoor Doening, het is een massief en vlak hartje; het kan niet opengaan in twee helften en het is niet geschikt om rond den hals of op de hand te hangen. Het is te klein ook. Het is zoo maar een klein, klein hartje .... om te bewaren in een schrijn.

Iedereen vond dit van zeer uitgelezen smaak.

—Mijn kopje daar, sprak Peter, is niet zeer gelijkend, vrees ik .... maar mijn model is ook zoo bitter jong, Vere, en ik ben zoo vreeselijk rap te werk gegaan.

Hij lachte gul en opende breed zijne kloeke rechtschapen handen. Vere’s krachten braken, toen ze, naast zijn zwarten stoeren kop, het broze doorschijnend steenen kopje zag.

—Ho, fluisterde ze vreemd, goede Simon, het is mijn pover kind! ....

Ze voelde de hitte van tranen opgaan in hare oogen, maar ze deed een groot geweld en lachte al hare vrienden tegen, en over haar lach perelde tot driemaal een snel lichtje dat van hare wimpers viel.

Men bracht haar op hare plaats aan tafel. Ze bekeek vragend pastoor Doening en ze werd zeer bang, als hij stilzwijgend zijn hoofd onder hare blikken boog. Nooit was ze scherper ongelukkig geweest dan nu, in de aaiing van al die vriendschap. Zij zat nevens mijnheer du Bessy en Peter kwam, rechts, eene plaats innemen, die open was gebleven; toen zei pastoor Doening dat hij nog iets bij had.

—Ik heb, sprak hij, nog iets bij van blijvende waarde, eene heerlijke madonna in miniatuurschildering. Zij is vervaardigd en geschonken door iemand die mij een hoop dwaze redenen heeft opgegeven, waarbij hij zich onwillens verplichtte op dit feestje afwezig te zijn. Hij heeft het fijne prentje in een oud medaljon van zijne overleden vrouw gelascht en, herkennende dat men den naamdag van zijne dochter viert, wil hij (Doening nam uit een ander plooi van zijn sluier een ander schrijn) haar het medaljon schenken.

Vere liet het mooie juweel om de tafel overhand gaan; en banger werd ze binstwijl; en rechts had, zonder een woord en voorgoed, Peter de ledige plaats ingenomen. Het eetmaal werd opgediend. Bijna te gelijk bracht Ko een telegram voor mevrouw Verlat. Ze scheurde het zenuwachtig, keek het vluggelings in en reikte het aan Oomken over, die het luidop voorlas. Ernest meldde dat hij verhinderd was de viering bij te wonen, dat hij pas laat in den avond kon aankomen en dat hij ondertusschen Vere zeer hartelijk gelukwenschte met haar feest.

Pastoor Doening dacht: “Hij heeft mijn brief te laat ontvangen;” maar mijnheer du Bessy, die nu geheel vergeten had dat, zonder de gelukkige verwittiging van een kiesch morgenbiljet, hij evenmin als Ernest aanwezig ware geweest, liet in een verstaanbaar geknor zijn misnoegen kennen.

Het maal liep goed van stapel. Francine was bijzonder vriendelijk; Simon, die anders nooit sprak, werd het praten niet moede en pastoor Doening had meermaals zetten van eene fraaie geestigheid. Oomken geraakte even boven zijn wijn, maar het deed niet hinderlijk aan, en de nimfen, tritonen en saters kregen daardoor in al zijne gekke redevoeringen overvloedig hun bekomste.

Vere leefde zonderling in die gulle stemming. Zij deed haar best om alles en iedereen met een blijde hartelijkheid te bejegenen. Men had het wiegje in het spreekvertrek, naast de eetzaal gezet, en soms liep zij daar eens binnen, verwijlde er een tijdje en, als ze weer kwam, hoopte ze telkens dat Ernest daar plots aan tafel zoude zitten .... Hij zat er nooit. Bij het dessert moesten nu al de dienstlui onder geleide van Ko voorkomen. Zij dronken een glas champagne en deden bescheid met mevrouw, en hunne gezichten waren gelijk vette zonnen onder den oranjen luchterglans.

Dan zonk stiller het feestje. De tafel werd opgeruimd, en mijnheer du Bessy die het wat zwaar op de tong kreeg, kroop zonder verlof naar zijn bed. Simon en Francine zaten vóor het speelbord en Pastoor Doening sprak, zooals naar gewoonte, bij den hoogen haard die kreesch, gemoedelijk met Vere. Nog altijd wachtte men op Ernest. Wat hadde zij al niet gedaan om hem nu bij zich te hebben, om hem nu te zien, te voelen nevens haar, te voelen dat hij mededeed aan de vreugd van het huis! Hoe fier hadde zij over zijne geschenken gesproken, en hoe gulzig hadde zij de liefde bewonderd die daarbinst van zijne oogen in gloeiende geuten zoude neerstorten op haar! .... En ze wachtte. En pastoor Doening wachtte. En van over het speelbord, ginds, belonkte men haar.

Eindelijk gaf zij zelve het teeken van het afscheid. Het was een stil, haast droevig afscheid. De bloemen in de rilde vazen, waren week geworden, en neigden hun slappen kelk. Het groote huis stond stil binnen den nacht. Op een vreemden blik van Doening en terwijl zij zijne hand drukte:

—Neen, mijn vriend, fluisterde ze, ik voel me niet alleen. Ik zal nooit alleen zijn, zoolang ik mijn kindje houd ....


Dat kindje hield ze niet. Het stierf, ruim twee weken later, op een witten sneeuwdag, en de struische dokter zei, al blazend, dat het gelukkig was.

IV.

Een Nieuwjaarsnacht te Brussel.

Op nieuwjaarsvooravond—het kon iets na tien uren zijn—ging Ernest Verlat bij Rupert Sörge aanschellen. Hij werd in het kleine salon geleid, waar Sörge hem dadelijk kwam opzoeken en stil-lachend hem de hand reikte.

—Hee, zei hij, ik wanhoopte waarlijk dat ge komen zoudt! Ik vind het wel vriendelijk van u, Ernest; maar moet ik niet vreezen dat ge weinig zin hebt in het nachttoertje dat we onder ons afgesproken zijn te doen? .... Ge ziet er zoo somber uit.

Ernest had, telkens hij vóor Sörge stond, het onaangenaam gevoel van iemand die zich gewend heeft aan een streng toezicht over zijne minste gebaren en die nu gebaart met aarzeling en toeziet met onzekerheid. Ik durf niet zeggen dat hij, in aanwezigheid van zijn kieschen en nauwkeurigen vriend, zich natuurlijk overgaf en nu met eene oprechtheid te werk ging, die hem van al zijne gewone peuterige omzichtigheid ontblootte. Hij deed wat hem mogelijk was om eene houding te bewaren die op zichzelf een leugen was, maar die hem in Sörge’s oogen het voorkomen moest geven van een zelfstandig en sterk-gewapend man. Hij voelde dat het hem iedermaal mislukte, dat het eerste woord van Sörge op hem afkwam als een rake aanval, die gansch de stelling van zijn kunstmatig uitzicht overrompelde, en dat hij alsdan weerloos of verslagen stond. Hij dierf zijn eigen niet bekennen dat Sörge hem te sterk was. Hij wist echter dat hij hem niets verbergen kon en, dewijl hij juist in alles zoo ingewikkelde pogingen deed om ’t binnenst wezen van zichzelf aan anderen te verbergen, werd hij onverbiddelijk aangetrokken op de plaats waar, tegen alle moeite in, niets te verbergen was.

Dat was de meesterschap van Sörge, en, al was Ernest er angstig voor, hij wilde ze belijden.

Dien avond taakte hij, alreeds bij zijn lachenden groet, Sörge’s scherpen blik in zijn geweten. Sörge had gezeid dat hij er “zoo somber” uitzag, en Ernest wist genoeg dat hij er in ’t geheel niet somber uitzag. Maar hij hadde het moeten zijn. Hoe gretig wilde hij thans zijn wezen onder een somber masker dekken! .. Sörge, zoo voelde hij seffens, had geraden dat hij het wilde, en gezien dat hij het niet kon.

—Ge ziet er zoo somber uit.

Dat was toegeven dat Ernest zich feitelijk had weten te verbergen, en deze inschikkelijke beleefdheid gold alsof hij zeggen wou:

—Gij hebt een hoop redenen om bij me te komen met een somber gezicht. Het spijt me dat gij er zoo luchtig uitziet. Maar ga uw gang maar—ik merk het niet eens.

Met Sörge slaagde Verlat er nooit in “zijn gang maar te gaan.” Hij volgde Sörge’s gangen. Het geestelijke proces van zulk een schijnbaar-vreemde handelwijze is licht begrijpelijk. Verlat, zal ik zeggen, was een zwakkeling die het klaar besef van zijne zwakheid had. Dit was al wat hij tegen zijne zwakheid vermocht: ze kennen. Het was waar dat zijn gansche leven éen leugen was geweest; maar die leugen, die eigenlijk niets meer dan de zorgzame aankleeding van zijne zwakheid was, vloeide voort uit de aandacht waarmede hij voortdurig beproefde, in het aanschijn der menschen, zijne gevoelens zoo vormrijk mogelijk te belichamen. Nooit bij hem rees een gevoel in eenklank met het uitzicht dat hij er aan gaf, omdat dit uitzicht steeds de uitslag was van eene voorafgaande cerebrale behandeling. Zijn gevoel—zoo mag ik het noemen—was de inspiratie die de bewerking van zijn geest ging bezielen en dan, naderhand, aanleiding gaf tot een literairen uitslag waarnaar hij zich uiterlijk gedroeg. Men zal willen inzien dat op een dergelijk gevoel het koude en rappe waarnemingsvermogen van Sörge een beslisten invloed uitoefenen moest. Verlat’s wezen, in gepeinzen en manieren, veranderde er niet onder, maar het werd erdoor gefolterd en verward. Die verwarring hechtte hem aan Sörge, die hare oorzaak was. Sörge behandelde hem overigens met een smaakvolle en nauwgezette zachtheid en stichtte nooit, door te groote scherpheid of te bijtende scherts, een voorwendsel dat Verlat aanwenden kon om zich, in een opwelling van gekrenkte eigenliefde, aan de dwingende overmacht van zijn vriend te ontrukken. Hij hield Sörge voor een duivelachtigen kunstenaar—wat misschien wel waar was—maar hij meende dat hij niet loog wanneer hij hem, in de aanwezigheid van Vere of Peter, een “übermensch” noemde.

Hij drukte, met gewilde lichtheid, de hand van Sörge en antwoordde:

—Ik geloof niet dat ik somber ben, Rupert. Ik voel dat ik van huis weg moet, dat ik buiten het bereik van Vere’s lijdzaamheid mij eens opfrisschen moet. Ik ben dus gekomen, zoo simpellijk als ik kan.

—Gij hebt gelijk, sprak Sörge terwijl hij met eene lieve zorgeloosheid zijn wit dasje wat dichter snoerde en in éen vingertoets de briljantspeld door den knoop stak, ge moet al die doode dingen, al die neerdrukkende dingen van uw schouders schudden. Laat ons zooveel mogelijk leven en zoo weinig mogelijk met de menschen. Weet gij wat onze zwaarste vijand is, Ernest?

—Spreek alsof ik het niet wist.

—Het verleden. En wie houdt het zakkend verleden op? Wij niet ....

—Praat maar.

—De menschen.

Hij stond in fijn-snedigen soirée-rok ruggelings vóor den spiegel, waar Ernest zijn glad-geleid en even lokkend haar blauw-donker zag glanzen. Nu lachte hij met, over zijn gebogen aangezicht, de gemoedelijke uitdrukking van iemand die het niet ernstig meent. Ondertusschen had hij toch gezeid wat hij zeggen wilde, en aldus met éen greep de atmosfeer gesticht, waarbinnen Ernest beïnvloed en gevangen zat.

Op het laatste oogenblik besloten ze het rijtuig, dat door Takker’s zorgen ingespannen was, niet te gebruiken en ze vertrokken te voet, warm in de voering van hun mantel geduffeld. Ze stapten onder de doode kastanjelaars, wier knoestig gebeente wijdarmde in de groen-gele flikkering van de gaslantaarns.

De Louizalaan was eenzaam. Soms zoefde er een elektrische tram voorbij, die om zijn ijlende klaarte de stille schaduwen van den nacht verplaatste en, al jagende, een stralende gaping boorde door de donkerheid. De huizen stonden, zacht verlicht, voornaam en statig. Een droomende waker doolde langs de vlakke gevels.

—We hebben het weder niet tegen, Ernest, sprak Sörge in den opgetrokken pels van zijn kraag; het vriest lekker.

—Een echte lucht om lampions op te steken en zottigheid te doen.

Ze kwamen aan de Poelaertplaats van waar ze de lage stad zagen flikkeren en dampen. Ze voelden in het voorbijgaan nevens en over hen de ontzaglijke massa van het Gerechtshof opsomberen. Ze bleven een tijdje vóor de ijzeren leuning staan van waar zij een breed uitzicht hadden over de mooiste helft van Brussel. Brussel lag in een blauwig gesmeur, dat in paarse en oranje lichtvlagen opwalmde en niet hoog boven het duister getas van daken uitstierf in de groen-blauwe helderheid van de wintermaan. Geen wolk was aan den hemel. De maan hing in een diep-kleurigen koepel vlak over het rookende verfleven der stad. Op de hoogste dakvensters kwam ze glinsterruiten .... ’t was een toets, een lichtelijk gefleer, een stilte van licht op die vonkelende stadsademing; maar ’t verschroeide in het algemeen vuurgeblaas en ’t verging in de golvende branding.

—Daar moeten we nu in, droomde Ernest, ge krijgt er een krieseling van .... men zou zeggen een menschenoven, en, luister, men hoort door mekaar de doffe harten beuken ....

—Al die harten zien beuken in ons aanschijn .... fluisterde Rupert; komaan, kerel, we storten in de wellust van deze hel!

Ze liepen langs de zijgende gaanderijen die bezij den rechtergevel van het Justitiepaleis afhellen trapsgewijs. Ze drongen door de halve duisternis der smalle steegjes van de Kapellewijk en nu waren ze binnen het volle stadsrumoer. Al de kroegen, kavitjes en kabberdoezen der Hoogstraat waren open en onder de lage lichten krioelde een bleek gepeupel van willokseters en kwakzuipers, vaartkapoenen en gauwdieven, wijventoekkers en makrellen, oude stumpers en jonge wurmen aldooreen. Harmonikagezoef hijgde op danskadens achter de gasbekladde ruiten of, uit een breede poort van balzalen, gutsten de knettergeuten van een balkend orgelorkest. Groepen scharrelden scheef-loopend over de straat. Een jacht scheldende meisjes vluchtte vóor de greep van een jongensbende uiteen.

Op het Kapelleplein waar, zoo ineens en altijd, het lawaai verstilde, rees stille de grijze kerk.

—Voelt ge dat? lachte Sörge; die kerk staat hier als het portret van een eerste-kommuniekantje op het marmerblad van een hoerelavabo.

Ze stapten rap door. In de Steenpoort, waar de omgang minder druk is en het verkeer van beter allooi, zagen ze de witte schorten van de krabben- en karikollenventers, en de hooge eierpaanders, welke leurende vrouwen van herberg tot herberg over hunnen ronden buik deden wippelen. Op den hoek van de Beiersteeg stond, als naar gewoonte, een oud mannetje met blikken stoof waar aardappels geurden, en met, in zijn linkerarm, een mandje vol sprot op cirkelvormige lagen. De Korenmarkt was rustig, eenzaam. Hel-kleurig vierkantte daar de uitstalling van een verkensslachter, een pasteibakker en een tabakswinkelier. De klaarte spetterde uit op de grijze kasseide. Weliger leefde de nauwe Hoedenmakersstraat. De huizen van de eene zijde verlichtten verscheidenlijk de gevels aan den overkant, en een drummend volk drong veelstemmig naar de Groote Markt op. De Groote Markt leek van hier een fornuis waar onzichtbare vlammen zouden laaien.

—Loopen we daardoor? vroeg Rupert.

—Om te zien. Voort maar.

Te midden van de wijde plaats en onder eene ronde kiosktent die de schatering van drie elektrische bollampen neer joeg, zag men de mouw van den kapelmeester op mate heen en weder zwaaien; maar de orkestgalmen overvloeiden nauwelijks het gaande volksgeraas. De gele lichtfestoenen die bij wijze van illuminatie in dubbele slingers rond de markt rankten, deden op duizenden menschenhoofden de tinteling dansen van hunne bevende pitjes.

Daarboven en ommendom rezen de heerlijke korporatie-huizen met hunne rijke versieringen en de gebrokkelde schaduwing van vensterbogen en balkoenen. Hooger uit, in de groene pracht van de maanbeglansde gewelven, stille in zijne onverschillige transen besloten en met de rust van eeuwen langs zijn steenen kantwerk om, heerschte de heerlijke stadhuistoren.

Sörge en Verlat maakten, al achter de Broodhalle, een korten omweg en geraakten over de Kiekenmarkt op de Anspachlaan. Hier was de grootsteedsche doening, het rammelend geharrewar van rijtuigen en ’t snorrend geroer van trams, het verschillig geschater van oranje en wit-blauwig en roze terrasgekleur, en het gonzen van Weenerdamen- en Tjekken-symfonieën. Warm en dampend gloeiden binnenwaarts de koffiehuizen. Geen winkel was gesloten. De groote bazar liet gapen al zijn vuurschietende deurmonden, en overal, al beide kanten en tot aan het Statieplein tenden de Noordlaan, was ’t éen blakende rij van ijverige ruiten. Hier voelde men sterkelijk de koorts, welke klopte in het hart zelf van de stad en zich uitzette allerzijds, langs alle nevenstraten. Op de hoogste huizen brandde in roode vlamletters de roep van advertenties en theaterreklaam.

Verlat die van het loopen wat warm was geworden en zich tusschen de hooge hotelgevels gaarne thuis waande, kreeg nu lust om te soepeeren, en Sörge die ’t om te eten veel te vroeg achtte, stelde voor eerst in de Grill-room met een port bescheid te doen. Zoo deden zij.

—Ernest, zeide Rupert, toen ze daar in een hoekje tusschen hun opgehangen mantels zaten en reeds op het groen-houten tafelblad de gulden roemers glommen, als ge zoo in ’t rumoer zijt van stuwende menschen en de klopping raakt van al die borsten, voelt ge u dan niet zijn een eenling van die kudde en walgt het u niet die eenling te zijn? .... Kijk, daar groet ons juffrouw Titine. Zij is erg in haar voordeel veranderd, juffrouw Titine, en ze heeft nu een genre over zich, waarbij ik gerust zeggen kan dat ze van haar dikken huidenvetter af is. Ze ruift en ze verpluimt zeer aardig .... Kudde, Ernest, de geest van de kudde .... Telkens werpt zich die walg op in mij.

—Neen, niet precies dát. Maar .... daar hangt, sinds ik van uw huis weg ben, iets zonderlings over mij. Het is mij .... of mij iets te wachten staat .... of mij iets bedreigt, waaraan ik nu niet meer ontsnappen kan ....

—Zijt ge verliefd?

—Pro-ost! ’k Zal liefst zwijgen. Ge flapt met uw scherts, eer ik gesproken heb, mijnen mond dicht.

Ernest bloosde licht en Sörge die nu zijne linkerhand in zijn borstzak gestoken had, streelde er langzaam een eirond ivoorken. Juffrouw Titine in grijs-satijnen soirée-kostuum zat naast twee kale heeren, waarvan de eene met haar wit-laken overmantel belast was. Hij had hem over zijn arm en zijn schouder gehangen en was zoo blijven zitten. Zijn glanzend bollig hoofd wiegelde klein-lachend erboven. De Grill-room was tamelijk stil. Twee heerengroepjes praatten fluisterend onder mekaar.

—Gekheid, sprak Rupert, die nu almeteen vreemd-ernstig was geworden en wiens stem met zonderlinge klankentraagheid luidde; ik dacht niet aan u. Ik dacht aan mij. Ik dacht zoo .... dat ik wel wou verliefd zijn, hoe tijdelijk ook ....

—Is uw leven eentonig?

—Juist. Het is eentonig. Ik houd anders wel van eentonigheid .... wanneer ze mooi is als een zomernacht en diepzinnig als een zeehorizont. Maar .... gij kent Milly niet.

Hij keek, bij zijn laatste woord, plots Ernest in de oogen. Zijn blik was fijn en puntig, niet vorschend echter en niet hinderlijk. Onder dien blik meende Ernest tegelijk dat zijne ziel bloot lag. Hij werd verlegen en trachtte zijne verlegenheid onder den vorm van eene brutale onverschilligheid te bergen. Hij hoestte.

—Ik heb honger, sprak hij.

Doch, niet lettend op deze onkiesche behandeling van een ellendige schaamte:

—Ik wou wel, wedervoer Sörge, dat gij haar kennen mocht. Ik geloof dat ze mij vrij hartelijk liefheeft, bijaldat ze er al veel met den kop moet toedragen, waar ze met het hart te kort schiet. Als wij haar straks ontmoeten, moet gij zeer terughoudend zijn. Het is de eenige manier haar te leeren kennen. En vooral: verwonder u, in hare aanwezigheid, over mijne houding niet .... God! hoe storend is toch die roode gaga-kop boven den witten mantel van juffrouw Titine!

—Inderdaad.

De kelner schoof hun zware mantels op tot over hun boordje en haast tegen den rand van hun zijden hoed. De deur slierde over de dikke tapijten onhoorbaar dicht op hunne hielen, en ’t geroezemoes der stad kwam weer ronken om hunne hoofden. In een rijtuig, dat vóor hen doorreed, zagen ze onder de flauwe blikkering van de koetslantaarns twee gemaskerde vrouwen zitten. Het geel en het blauwe satijn van hunne ontkraagde keurslijven roerde in gebrokkelde glansen dooreen. Het zicht daarvan bracht Ernest’s gedacht op het feest in den Muntschouwburg. Hij vroeg of het afgesproken bleef dat ze zouden naar dat feest gaan.

—Mij kan ’t niet schelen, zei Rupert, daar is anders wel een en ander te zien, namelijk de gebaren en de kleuren van dat alles. Waarom aarzelt ge nu?

—Ik aarzel niet. Ik ben lui. En dan .... dat iets wat daar spookt boven mij .... Lach maar.

Hij had veel deugd aan dat “lach maar.” Het scheen hem dat hij met dat woordje ineens de overhand had of, in een wip, aan den grijp van Sörge ontsnapte. Hij hief zijn gezicht, dat eenigszins bleek was, op en stiet, bij wijze van peinzende onachtzaamheid, zijne kin naar voren. Zijne schouders bultten een beetje.

—Als ik op dat oogenblik wilde lachen, sprak Rupert langzaam en weer met den zonderlingen klankval, welken hij soms aanwendde, zoude het allerminst met uwe spoken zijn, en veeleer met uwe werkelijkheid. In mij spookt ook ergens wat, dat misschien—het is een gevoel zonder uitleg—eene oorzaak is van uwe spoken. Maar, kerel, nu denk ik waarlijk dat we .... hongerig zijn!

Ze kwamen in de Bisschopstraat en stonden vòor de dubbele roode venstergloeiing van de Old-curiosity-shop. Ernest stiet de deur open. Eene zachte muziek ruischte binnen en waaide lichtelijk aan.

Deze shop was eene merkwaardige gelegenheid. Zij was bij uitstek het soepee-huis voor wat men aldaar “de demi-monde” noemde, en, als het waar is dat “eerlijke” dames nooit den drempel overschreden, algelijk trof men er haast enkel “eerlijke” heeren. De Curiosity-shop was de modetaveern waar zich de rijke jonkheid en de wellustelingen vereenden, en zij had juist eene zoo groote aantrekkelijkheid omdat zij de ondeftigste inzichten met dat deftigst fatsoen aankleedde. De shop was eene uitgelezen stille plaats. Men kon er bezwaarlijk een dagblad lezen of een whistje spelen, maar men hield er voortreffelijk de bank. Men at er ook zeer keurig. Madame Morganès, de shop-patrones, beweerde dat de Belle-vue geen beter tafel kon zetten dan zij het deed, en dat haar kelder al navenant bezet was. Daar werd nooit iets op afgedongen en de keuken zoowel als de kelder werden op eender waarde geprezen. Mevrouw Morganès was dan ook met de klandizie begunstigd van de meest bekende salet-juffers en de meest vergulde heerschappen. De spelende adel, de notabelen der vierschaar, de pronkstukken der politiek en de hooghalzen van het leger, ’t kwam er al saam, ’t keuvelde er met de meiden, ’t twistte er over de champagnekurken, ’t ging er, in de doezelige nevenkamertjes vrijen, duelleeren of kaartenleggen. De shop was niet de gemeene bar, waar men afschuwelijke “tisane” zabbert, vuile mopjes verkoopt, zijn dasje verliest en op damesbediening vertrouwt, maar zij was ook niet de strenge restauratie, waar men, al vergeeft men er in late uurtjes eene lichtheid, wijde hoeden en naakte schouders schuwt. Dronkaards werden niet toegelaten: men goot den wijn over de tafels ....

Madame Morganès, die eene dikke Bordeleesche was, had de taveerne op zeer eigenaardige manier en met fijnen smaak ingericht. ’t Had wat gekost, zeide ze dikwijls, en ik geloof het zeker. ’t Was nu een echt kunstjuweeltje en het heette zeer passend “the Old-curiosity-shop.”

Het was namelijk een antikwariswinkel, maar dan van een antikwaris, die geen koopman en een kunstenaar zoude zijn. Het algemeen uitzicht van de shop was rood. De muren waren met een diep-rood leder behangen, en de balken van de eikenhouten zoldering had een Lucasschilder met ornamenten versierd van rood goud. Het koper van de vier ouderwetsche kroonluchters, die veelarmig boven de twaalf ongelijke tafeltjes hingen, was met een roodachtig roest overblekt, waarlangs de hellere glansen van een door den tijd gepoetst metaal lichtelijk uitglommen. De belichting was mild, oranje-zacht en ongemeen warm. Zij deed zeer behendig de mooie potjes, kandelaars, schotels en kristallen opgloeien, die, heel rond en om, op berdjes en hangende schonken stonden, en zij stichtte achterwaarts een heimelijk spel van paars-roode schaduwen. Overal, op den toog, op de tafels, op de schouw, die breed en rijk-gebeiteld was, op de vensterbladen, overal waar ’t zich schikken kon, trof men een vaasje van Sineesch porselein, een Sèvres-beeldje, een bronzen asch-teel, een Delftsch paardje, een schaal van vloeiend Venetiaansch water. Een soepel Damas-weefsel, rood-bebloemd en wijd-vouwig, hing in twee rechte doeken vóor de dubbele vensters, en boven de zwart-marmeren schoorsteenkap plooide aardig een kort gordijntje van oud-oostersch brokaat.

De toog, die onder een arduinen boog stond, was als een outer, en daar troonde de ontzaglijke Madame Morganès met haar reuzenschouders en haar Lilliputtersgezicht. Ze roerde niet vandaar. Anatole, de pompier, die de indruk maakte van een ros schaap was gedurig werkzaam rond haar, haalde de flesschen en schikte de roemers op de tinten schenkborden. Zijne ooren lepelden over zijne smalle slapen.

Voór den toog stond, in scharlaken livree, de “chasseur,” een jongetje met een oolijk ziekelijk hoofd en puntige oogjes. Hij had een vicieus loersnuitje, bedruppeld met grauwe sproeten, en vochtige matte handen die hij voortdurend in zijn beide broekzakken dook. Men noemde hem Jujube. Hij was gelast met het ontvangen van boodschappen. De dames vooral zonden hem op loopjes en hij kreeg een flinke fooi. Hij was goed bekend bij den apotheker van de Nieuwstraat en bij den banketbakker aan den overkant.

Behalve de halfdozijn kelners, die allen uitstekend gestyleerd waren en het wezenlijk dienstpersoneel uitmaakten, was daar nog een heerlijke neger. Zijn zwarte kop bolde kleurrijk boven de drievoudige knoppenrij, die op zijn groene frak blikkerde, en zijne witte kousen teekenden, onder de kniegesp van zijn korte broek, de spierige bobbeling van zijn harde kuiten. Dat was Dumdie, een reus en, naar men vezelde, de tijdelijke hartsridder van Madame Morganès. Hij stond altijd bij de deur, hield ze dicht voor onaangename gasten en, in het aanschijn van voorname klanten, lachte buigend al zijn blanke tanden bloot.

Hij lachte dus, als Ernest binnentrad, en lachte nog als hij Sörge herkende. Hij liet zachtjes de deur toeflappen, en ging haastig een stoel zijwaarts schuiven die den weg verhinderde naar het hoekje, waarheen Ernest gebaarde zich te willen richten.

De shop had het op dees uur niet erg druk. Een tiental heeren zaten links en rechts bij groepjes of alleen. Kort daarop echter kwam meer volk en voornamelijk dames, die zwierig hun zijden rokken deden ruischen en hun mantels lieten vallen in de armen van een knecht. Het ruizelend geluid van praatjes stichtte in de oranje lichtlucht een zoete gonzing, waarlangs de niet storende muziek van een strijkkwartet aangename vormen teekende.

Sörge en Verlat groetten, ontdeden zich van hoed en mantel, en, al zich neerzettend, trokken langzaam hunne handschoenen uit. Ze bestelden dadelijk hun eetmaal, hetgeen niet zoo gauw afliep, want Sörge was zeer moeilijk gestemd en wilde de keuze van zijn spijzen met uiterste gezochtheid regelen. Ze dronken een lichten wijn.

—Docht u niet, vroeg Rupert, dat de stad er zoo feestzinnig uitzag? Ik wil zeggen dat er nu, na het oproer van Kerstdag, geen speur van onlusten te merken is. Wat zou dat beduiden? De stad is opgeruimd gelijk een kermismaagd .... Maar vertel me eens, zit Peter nog altijd in die duistere komiteiten?

Ernest brak op zijn wit bord de karmozijne lenden van eene ingelegde tomaat. Hij knikte onverschillig.

—Ik geloof, hernam Rupert, dat die jongen zeer onzinnig een noodeloos gevaar loopt. Waar toch bemoeit hij zich mede? Zijn er in de massa gelukzoekers en middelmatige avonturiers, die woelen op den bodem van onze maatschappij, dan niet genoeg politiekers te vinden en moet hij het luxusalaam, waarmede hem het toeval bedeeld heeft, aan de behandeling besteden van een laf en dierlijk volk? Misschien paait hij er zijn zucht naar grootsche bewegingen en forsige plastiek .... maar men zal mij eer wijsmaken dat hij er eene vreemde onrustigheid wil stillen, die hem, naar het hart, tot een demokraat maakt en tot een tribuun naar den geest.

—Hij is een knap kunstenaar ook.

—Dat bedoel ik juist. Hij is maar een knap kunstenaar. Waarom leeft hij niet eeniglijk in zijne verbeelding? Daar kan hij zich ten minste naar eigen wil gedragen. De werkelijkheid, Ernest, let wel op, daar is hij niet voor opgewassen.

—Gij wilt zeggen dat hij een droomer is?

—Neen. Een ijdele droomer wel. Ik wil zeggen dat hij de groote vormen van de werkelijkheid niet snapt en dat hij zich niet bewegen kan naar den gang van hare geheime roerselen. Ik wil dus zeggen dat hij de werkelijkheid niet beheerscht. Hij is onwerkelijk. Hij is ijdel.

—Onrustig, hebt ge beweerd. Dat doet zeldzaam aan, ik verzeker u.

—Onrustig inderdaad: onrustigheid die de sparteling is der bijzondere onmacht, waarvan ik u gesproken heb en waarop hij zijne onduidelijke idealen heeft gevest. Ik kan mij voorstellen dat wat hij de liefde noemt voor zijn volk, eene soort van kwakzalverij is waarmede hij zijn eigen fopt en waaraan het volk gelooft. Ik ben verplicht Peter te verongelijken, daar waar ik een Pezza goedkeur. Pezza die een twijfelaar en een lafbek is, vertrouw ik meer, omdat hij zich in een enkelvoudig geestesperk beweegt, uitsluitend en zonder achterdocht.

—Ik wil niet aannemen dat Peter niet oprecht is, Rupert.

—Dat hoeft ge evenmin als ik. Hij fopt—ik zei het toch?—hij fopt zijn eigen met een goed inzicht en, tegenover ons, is hij de oprechtste jongen van de wereld.

Ze aten traagzaam. Jujube had tusschen hen en nevens het roode schermpje dat over het kaarslicht hing, een vaas geplaatst met gele chrysanthemen.

—En zie! wedervoer Sörge, het zou mij niet verwonderen als hij in dat avontuurtje bezweek. Hebt gij mij niet gezeid dat hij Pezza wantrouwde? Pezza zal het reeds gemerkt hebben en hij zal Pezza’s eerste slachtoffer zijn. Wat dan? We kunnen hem niet redden .... maar ....

—Ik geloof u niet.

—.... we kunnen Pezza straffen.

—Ik geloof u waarlijk niet, Rupert. Ge ziet het te zwart in.

Sörge deed vóor hem in de ruimte, boven den bloementuil, een wuivend gebaar, en lachte naderhand zeer hartelijk. Men bracht druiven en perziken.

Te halftwaalf deed de groene Dumdie de deur open voor Milly d’Orval en Roy-Dour, bijgenaamd Marjolene. Ze traden binnen arm aan arm en zij waren een voortreffelijk verschijnsel. Milly droeg een gouden kleed geheel betikkeld met koperen blikkertjes en overvoold met broze Italiaansche kant. Op hare schouders hing een tienstaartig marterbont. Haar witte hoed, met fluweelen dahliapurper om de randen, wiegde over heur dikke haarvlechten en deed een purperen pastel-schaduw blozen langs hare wangen. De fijne tint van Roy-Dour’s wijden mantel gloeide rijpelijk daarnevens. Het was eene uitgezochte bordeaux-kleur, als verteederd in de volle klaarte van een licht karmijn.

Ernest en Rupert stonden recht en ontlasten haar van hun pelsen en kapelienen. Roy-Dour legde op het witte ammelaken, dichtbij de violette zwaarte van een druiventros, de gouden beurs, welke zij altijd bij zich had en overal in hare hand droeg. Milly zette zich zwijgend neder.

—Ik wensch u, sprak Sörge, voorover buigend naar Marjoleen, geluk met uw kostuum. Het is prachtig.

Roy-Dour liet over zich komen de verlegenheid van iemand die tegen niet veel bewondering bestand is, en ze maakte van de gelegenheid gebruik om in een lachje tusschen hare rood-natte lippen een rij tanden te laten zien, welke er als kostbare parels vonkten. Roy-Dour was het ware type van de schoone vrouw, groot, statig, sierlijk en frisch. Ze hoefde niet te spreken om zich te doen gelden, en het was iedereens gevoelen dat ze, met spreken, veel van den bedwelmenden indruk in gevaar bracht, die, met zwijgen, van haar uitging. Zwart was heur haar en zwart-gloeiend hare oogen. Hare schouders hadden de volte van een abrikoos en een amberschijn aaide om hare armen. Haar mond was koel als water en kleurig als een sterke wijn. Madame Morganès placht te zeggen:

—C’est un Phidias!

Maar dan kreeg ze telkens een vreemd antwoord, waaruit men verstaan kon dat Roy-Dour blijkbaar veeleer in een “carré” van de Marollen dan in de blauwe schaduw van Athene’s tempel het licht had gezien.

Men dronk koffie. Het praatje dat men er over de desserttafel bijhield, was tamelijk saai en lastig. Sörge had het met Marjolene over het huwelijk, en het onderwerp was voor haar een slibberig slierbaantje, waar zij telkens van afgleed. Milly mengde zich tusschenbeide in het gesprek en brak verder Verlat’s blikken die onophoudelijk en dringend op haar kwamen wegen. Ze sprak hem eindelijk aan, en liet verstaan dat ze zijne aandacht merkte en zijne belangstelling derven kon. Hij was zeer beleefd, zeer meester van zijn woorden. Hij dwong op zijn gelaat eene effenheid van uitdrukking waarover Sörge zich op dat oogenblik uitermate verwonderde, en hij deed zeer bescheiden doorschijnen dat wat zij voor eene belangstelling nam, diende als eene eerbiedige nieuwsgierigheid te worden opgenomen. Ze keek hem strak en toornig aan, maar ze beukte seffens tegen de driftlooze vlakheid van zijn bleek gelaat.

Wat onderwijl in Ernest omging, was zonderling. De bewondering welke hem Sörge inboezemde, had hij ineens op Sörge’s minnares overgebracht. De weerkaatsing ervan deed hem echter geheel anders tegenover Rupert staan. Bij Rupert voelde hij zich onrustig en onvast. Bij Milly voelde hij zich daadvaardig en schier vermetel worden. En toch was zijne bewondering voor Milly slechts een verplaatste bewondering voor Rupert. Hij verlangde niet het vleesch van die vrouw, maar hij zoude willen sterven voor hare liefde. Hij luisterde naar het langzaam strijkkwartet, hetwelk in den vorm van een Boheemsche serenade langs zijn gepeinzen een leven opwekte van wild-vrij-zijn en diep aangloeiende passie.

Als Sörge de gramschap zag die in Milly’s oogen was opgeschoten, zei hij luidop:

—Ik, Marjolene, indien ik ooit trouw—en dat zal ik doen—denk dan gerust dat ik verlaten ben.

Milly bloosde fel en lachte nadien vriendelijk in Verlat’s oogen. Ze wilde ook zijn steun aanvaarden, toen, omtrent middernacht, besloten werd naar het bal van den Muntschouwburg te gaan. Vóor de deur van de shop en terwijl nog, met klink in hand, de beleefde Dumdie op den drempel stond te groenen, zond ze haar rijtuig naar huis en wilde ze, aan Ernest’s arm, te voet op naar het feest. Terloops zag ze Jujube een halve Rijnflesch in de handen stoppen van een stijf-zwijgenden politieagent.

Op het plein vóor den schouwburg was ’t een dooreenwarrelende klabettering van huurkoetsen, die alle langs de zuilenrij doorwielden en in het voorportaal al die bonte maskeradepoppen uitwierpen. Op de breede ingangstrap drong een kleurig volk, dat raasde en schouderstuwend roerde. Het elektrisch licht dat van overal neergutste, pletste groen-wit open op de krieuweling van het blauw en rood en geel en warrelend lijvengedoe.

Sörge en Verlat geraakten met hunne dames in de balkoenloge waarheen een zwart-gerokte kelner hen leidde. Het was, van hier, een onvergetelijk zicht. Duizend verkleedde en vermomde dames, een zee van verven, vlakken en stippelingen, lichtbeweging van zijde en satijn,—daar lag, in die gaping van vuur, het spartelend monster en de vreugde van dat monster. Zijn adem golfde op de maat van een schrikkelijke muziek. Woeste jacht van rompen en van armen, wild gehijg van ongedurige borsten, dreunend geweld van dronken hartedrift .... en al dat verlangen, al die zondige begeerten, al die hitte die opsloeg boven ’t schaterend kleurgewemel en in de hooge laaiing van het wijde luchterlicht! Daar gisten het vleesch en de menschenangst samen. Het orkest stiet door al ’t gebeuk van een dierlijk cake-walk-rythme. De kopers stekten de harde kadens.

Ernest zat nevens Milly. Zij had hem haar bont op de knieën geleid en wuifde zachtjes met een lichten waaier. Zij keek aandachtig toe. Hij vroeg haar of ze ’t prettig vond, en ze knikte genegen. Soms wees ze naar een clown, naar de sprongen van een harlekijn en de verschillige troniën van rijke hansworsten en poesjenellen. Hoeden van lachende heeren werden onder schalksche meisjesvuisten platgeduwd, afgenomen, in breeden zwaai boven de woeling opgesmeten. De zijden hoeden, al stijgend boogsgewijs binnen de gulden ruimte, namen langs hun gebrokkelde randen een lijzen glans op of een metallische flikkering. De zaal rumoerde. Het was een eindeloos, een onbekende klacht.

—Kijk! fluisterde Sörge, even ontzet, ginder staat Peter....

Peter stond tegen een zijpilaar van de gaanderij en, zijn zwart hoofd boven alle kleuren uitstekend, blikte zoekend rond. Ernest zag de onrust van dat hoofd, en ineens beefde duidelijk om hem de zonderlinge gichtigheid welke hij, den avond door, in Sörge’s bijzijn had gevoeld.

—Hij zoekt, Rupert, zeide hij, redeloos bleek wordend. Zoude hij óns opzoeken?

Verlat was gelijk een die op heeterdaad van logen betrapt wordt en tevergeefs een oogenblikkelijk heil in nieuw verraad wil vinden. Hij vroeg verlof en verliet zeer aangedaan de loge. Hij liep de gangen door en baande zich, vóor het buffet, een weg naar de gaanderijen van den overkant. Overal, vóor nette tafels, zaten de dronken lichtmissen en meiden, die van warmte en ongemak hun masker hadden afgenomen. Tegen de lage gewelven sprongen, links en rechts, de blinkende champagnekurken, en hier walmde een geur van wijn en patchouli.

—Simon! ....

Hij sprong op, vatte Ernest in beide armen, wilde met hem wegijlen naar de groote trap. Hij luisterde niet naar Ernest’s verwarde vragen, hijgde aldoor:

—Hier niet! Hier niet, in Godsname! Het is vreeslijk, wat ik u zeggen moet .... Buiten, loop, maar loop dan toch!

—Ik ben niet alleen .... ik mag zoo niet ....

—Neen! neen! Ge moet mee met mij, even mee, tot buiten .... God! het is al over den tijd!

Hij stiet hem naar voren, drong door de zat-zingende maskerade. Hij liet Ernest niet los. Bij het voorportaal stonden twee groote vrouwen in een zwart zijden kapelienmantel waaronder een rood mombakkes loerde. Toen Peter buiten was, gingen ze de trap op.

—Maar, stamelde Verlat, wat wilt ge? Ge jaagt mij den dood op het lijf. Wat is er gebeurd?

—Ik red u, ik red u van den dood, hakkelde Peter dankbaar-blozend; daarbinnen, het is afschuwelijk Ernest, daarbinnen wordt een bombe geworpen!

Uit de Nieuwstraat, die stil en eenzaam was geworden, kwam een kloefkleppend eskadron gendarmen oprijden. De maan hing hoog boven de stad en belichtte roerloos het grijze Muntplein.

Ernest had geschrikt. Het beeld van Milly sidderde door zijne hersens en hij wipte uit de armen van Simon vooruit. IJlend ging hij beuken tegen de glazen theaterdeur. Maar daar, plots, bleef hij staan, week vol afgrijzen en bracht zijn handen over zijn aangezicht.

Een dondering daverde door het steenen gebouw, schokte over den grond en eindde in een luiden knal. Gelijk een bange wind die zoude aanloeien, steeg nu een vreemde waaiing van lange menschenkreten.