V.

Pezza’s Politiek.

Ik wil u niets weigeren, juffrouw, sprak Rupert Sörge, terwijl hij in wijde tafelronde iedereens oogen voelde staren op hem; maar moet ik niet vreezen dat het leelijk uitzicht van mijn verhaal de keurigheid van uw gevoel moet storen? Het was inderdaad een afgrijselijk schouwspel. Ik had Ernest onwillens in dit avontuurtje medegesleept, waartoe mij zijne sombere stemming bewoog en zijne moedelooze zinnen. Ik hadde hem gaarne wat willen opknappen, en ik beeldde mij op dat oogenblik in, dat niets beter dan een mooi lichtwerk over een ruime kleurenweelde zijn gemoed zoude kunnen verlichten. Ik heb niet den tijd gehad mij daarvan te overtuigen. De schouwburg was éen laaie branding, waar wemelde het duizendkoppig menschengeweld. We zaten in eene logie, waar reeds een paar dames hadden plaats genomen. Toen zag ik mijnheer Peter ....

—Die dames? .... kwam bedektelijk Florjan Pacôme aantijgen.

—.... Kent gij wellicht, mijnheer Pacôme, onderbrak seffens Sörge; zij zagen er althans tamelijk verdacht uit. Toen, juffrouw, zag ik mijnheer Peter. Ik zag hem ineens, en het trof mij dat mijn eerste aandacht dien avond viel op hem. Ik herinner mij dat een vlugge angst mij overviel en dat mijne hand eenigszins beefde, wanneer ik haar, waarschuwend, op Ernest’s schouders lei. Ernest was rechtgesprongen en zocht nu zijn vriend op. Ik heb aan den overkant den mond van Ernest zien zeggen: “Simon!” en dan mijnheer Peter zien zijwaarts omkeeren, buigen,wegdonkeren achter het dansend volk. Ik wachtte. Ik weet niet wat mij ertoe dreef voortdurend naar de plaats te kijken, waar hij verdwenen was. Die plaats beheerschte het gansche theater en mijnheer Peter had ze gekozen om des te wijder de zaal te kunnen overblikken .... Nu zag ik iets vreemds. Eene groote vrouw in zwarten kapmantel kwam enkele meters van die plaats af neerstorten. Zij veroorzaakte aldus een oogenblikkelijk misbaar en alle oogen waren op haar gericht. Onderwijl had, met éen sprong, eene andere gansch eendere vrouw de plaats zelf van mijnheer Peter ingenomen. Evenals de eerste droeg ze een zwart-zijden mantel en een rood masker met kanten. Deze wierp, breed-armzwaaiend, een blikken doosje ver-uit over al die hoofden. Ik geloof dat ik de eenige was die haar zag ....

—Het zou mij zeer spijten, juffrouw, hernam hij met lager stemgeluid, als ik nu met het beeld van hetgeen toen gebeurde, iets teers in u ging bezeeren. Een schrikkelijke knettering brak los en deed de logie opschokken. De twee dames, vóor mij, vielen. Ik bleef overeind. Ik heb nochtans niet gezien hoe de ontploffing geschiedde. Ik zag het doosje draaien door de ruimte en—heb ik werktuigelijk mijne oogen gesloten?—ik voelde den schok, de vreeslijke davering, een harde breking van lucht en verven—.. niets meer. Ik stond overeind. De groote kristallen kroonluchter, als in een stormvlaag, woei uit en zijn klinkende schervels regenden duizend-tintelend omlaag. ’t Was daar eene halve roode donkerte. De belichting welke overbleef en van de scene heenglansde, was, docht me, rood, geel-rood. Het schijnt dat de estrade verbrand is geweest. Ik heb echter, op geen oogenblik de minste vlam gezien. Ik heb alles gezien. Geen brand. De dames waren, vóor mij, schielijk opgesprongen en wilden nu wegijlen. Zij waren als dieren, juffrouw. Hare oogen puilden uit onder hun wit voorhoofd. Hun haar lag ontvlochten. Ze stieten me op zij. Ik riep: Blijft! Ze hoorden me niet. Ik vatte ze allebei om het lijf en ving met haar eene korte pijnlijke worsteling aan. Ik geloof dat ik ze werkelijk onder mijn knie tegen den grond heb vastgevuist. Ze gilden, ze stampten, ze beten .... Zal ik u dat alles beschrijven? In de zaal zelf, in die schemerige holte daar, woelde wat ik hoop dat nooit meer mijn oog zal aanschouwen: De hel met haar brandende rompen, haar wringende armen, haar bang en lang-rekkend gehuil—maar eene hel in duisternis, een zwart vuur van jankende lijven, met, erover, een zonderling rooden gloed. De mannen en de vrouwen, ik onderscheidde ze niet, ze hadden eender geroep en eendere wanhoop .... Terwijl we hier thee nemen, juffrouw, en gij daar zit in uw zacht-mauve kleed, weten wij niet wat menschen zijn. Toen heb ik de menschen leeren kennen, de bloote menschen, de menschen die hun wet, hun eer, hun God vergeten hebben en niets meer zijn dan menschen. Toen heb ik ze zien vechten onder malkander. De sterkste liepen over de zwakke, betraden de zwakke, verpletten en verworgden de zwakke. De bombe zelf heeft er zeker geen twintig gekwetst—maar ze stierven daar, honderd en nog honderd, onder eigen geweld, vermoord. Wanneer ik mijn oogen dicht doe en over mijne ooren mijne handen leg, hoor ik zeer duidelijk die kreten zonder genade, dat razend geschreeuw, dat doodsrumoer in mijn hoofd—en zoo zie ik nog de monsterachtige woeling, waarboven koppen zich uitlengen, armen scharrelen in stuipen, en oogen (ik heb in de oranjeschemering oogen gezien), oogen die wild staren, die den dood kijken in het aangezicht.

Hij nam het theekopje dat Francine hem had voorgeschoven, en roerde stille het zilveren lepeltje erin. Alleen Simon Peter keek hem niet aan en tuurde droomend naar een hoekje van de zoldering.

—Zoo is, fluisterde vóor zich heen de traag-peinzende pastoor Doening, zoo is de gramschap van God.

Mijnheer du Bessy hing hijgend aan Sörge’s lippen.

—Wat, vroeg hij, hebt gij dan gedaan?

—Ik? zei Rupert glimlachend, wat zoude ik doen? Ik kon niets. Ik was onmachtig. Alleen die twee dames waren in mijn bereik en die heb ik gered. Ik ben met haar in de logie gebleven tot er niemand meer was, buiten de dooden, de stervenden en de klagende gekwetsten. Een reuk van verschroeid linnen en verbrand hout wolkte den schouwburg rond. Ik heb zeer beleefd de dames naar huis gezonden, nadat ik de sterkste van beiden, die in bezwijming lag, met den eenigen geur van mijn zakdoekje had tot bezinning gebracht ....

—Maar, deed Francine wonder-oogend, hoe bleeft ge zoo .... kalm .... zoo sterk?

—Ik was wel kalm, juffrouw, weerzon Sörge luchtig-pratend, maar waar haalt gij het, dat ik sterk zoude geweest zijn? Ik was in die afschuwelijke stuiving een machteloos inzichtje en eene nietigheid. Ik heb nochtans niet den schouwburg verlaten, eer ik gedaan had wat ik doen kon daar beneden.. Ik heb gekwetsten verzorgd. Ik heb de levenden van onder de dooden-stapeling verlost .... mag ik van dat verhaal verschoond blijven? Ik zag er eindelijk, met mijn soirée-rok, als een woeste beenhouwer uit, neem me niet kwalijk ....

—Hoe akelig was dat, zuchtte mevrouw Verlat peinzend, maar ge waart toch zeer sterk, mijnheer ....

—En, viel als een joepsteentje mijnheer du Bessy haar in de rede, zijt ge op geen oogenblik bang geweest? Ik meen, Sörge, de onwillekeurige bangheid, het instinkt dat angstig wordt ....

—Ja wel .... ja .... wel ....

Sörge sprak ineens langzaam. Hij had het theekopje op het ronde schenkblad neergezet en lag nu lang-uit over de leuning van zijn stoel. De hooge randen van zijn boordje hinderden hem onder zijn kin en hij overvingerde nu de tipjes, ze even van mekaar wegdrukkend, lichtelijk. Hij kruiste toen zijne handen saam om zijn opgeheven knie en glimlachte vreemd. Hij vervolgde in effen stemklank, eentonig:

—Niet, zooals gij zegt, het instinkt dat angstig wordt, mijn waarde du Bessy. Eene gewone en pijnlijke benauwdheid was ’t, iets dat men duidelijker zoude kunnen noemen: zorgen. Ik heb, inderdaad, éen oogenblik gevreesd dat Ernest in die helle was.

—Dat was billijk ook, mijmerde Simon Peter.

—Zeker. Maar mijn angst duurde één oogenblik slechts. Het is zeer verwonderlijk wat omging in mij. Ernest heeft u verteld hoe hij aan het gevaar ontkwam, hoe hij, al sprekend met mijnheer Peter, in het voorportaal van den schouwburg wat frissche nachtlucht was gaan scheppen, hoe hij de ontploffing hoorde en met het geweldige gedrang naar buiten werd gestooten. Weet gij wat echter—het is waarlijk gek genoeg!.. als een schicht door mijne hersens schoot? Ik beeldde mij in dat mijnheer Peter den dood had voelen over al die hoofden dreigen ....

—Hee! boertte Ernest, dat is dwaas!

—Gek, ja. Ik zeide het reeds. Ik had mijnheer Peter zien wegdonkeren, tamelijk ijlings, binnen ’t gewoel, met u, Ernest. En ik ried dat hij vluchtte, dat hij u om het lijf vatte, u zonder uitleg naar buiten dreef. Gij riept dat ge zoo niet weg kondt, dat ge niet alleen waart. Hij voerde vechtend u mede. Op het plein in veiligheid zijnde, bekende hij u zijn zonderling voorgevoel, en toen sprongt gij de trap op om .... mij te redden.... maar toen, te gelijk, brak uit, te vroeg, de dondering .... Mijn schrik duurde niet lang. Ik was zeker dat gij het gevaar ontkomen waart.

—Welke redenen had gij toch om zoo te denken? vroeg Simon.

—Och, lachte Sörge, als ik redenen had om zoo te denken, ware het zeker dat gij er hadt om zóo te handelen. Het was een voorgevoel, beste heer, eeniglijk, zooals, bij u, dat .... andere, wat nochtans niet gebeurd is, kon een voorgevoel zijn ook .... Maar, en ik heb u verwittigd, wat ik ervan verteld heb, is te gek, juffrouw, is veel te gek om zelfs een grapje te zijn.

Mijnheer du Bessy moest hartelijk meelachen. Hij vond de gelegenheid goed om Sörge’s verhaal eenige mythologische vergelijkingen aan te passen. Hij deed het met de zwierigheid en de nauwgezette welsprekendheid waaraan hij nooit tekort schoot, en Sörge was hem dankbaar, omdat hij de werkelijke onbeschaafdheid van ’t gebeurde met zijn dichterlijke fantazie wilde verfraaien.

Nadat iedereen, knikkend, zich zeer met het liefelijk tusschenspel van mijnheer du Bessy ingenomen toonde, brak de tafelronde. Ernest ging met Francine en Sörge kuieren in het kleine salon en de veranda. Pastoor Doening bleef zitten naast mevrouw Verlat, en Pacôme zat met du Bessy en Peter aan den overkant van de theetafel.

—Ik geloof niet, sprak Pacôme, dat aanvallen zooals die welke in den schouwburg werd gepleegd, aanleiding kunnen geven tot eene politieke omwenteling. Het walgt der burgerij zich aan te sluiten bij eene volksbeweging, welke leiden moet naar eene verderflijke overrompeling van alle maatschappelijke gegevens. Wat baat zal deze moord geven?

—De angst, de nuttige angst, zei Peter, dat het kapitaal niet meer veilig rust, zoodra het misbruik maakt van ’s volks levende krachten.

—Men kan diskuteeren toch, zoude ik denken!

—Neen, Florjan. Men verzet geen geldkist met woorden. Zij moet worden in gevaar gebracht.

—Gij wilt toch niet stelen, Simon?

—Noemt gij het stelen? Dan, als ik iets zoude willen hebben, wil ik dat men ophoudt het volk te bestelen. Maar, waarlijk, er is hier van stelen noch her- noch anderzijds spraak. Er is spraak van een sociaal evenwicht dat, door den uitermatigen parasitairen aangroei van het kapitalisme, gebroken is en moet hersteld worden. Ik beken, hoezeer ik verlang dat het anders kon geschikt, dat tegenover het geweld men het geweld moet gebruiken. Het spijt me dat het onschuldige levens kost—maar wie is voor dat alles verantwoordelijk?

—Toch niet die onschuldigen zelf?

—Toch niet het volk, Florjan, dat radeloos zich opwerpt tegen de systematische uitbuiting door zijne dwingelanden! Den onschuldige treft men—te gelijk echter wankt de macht van den dwingeland. Kunstmatig is die macht, want zij berust op geen behoeften. De macht van een volk is het leven van dat volk, en onweerstaanbaar.

Mijnheer du Bessy glimlachte stil. Hier moet in het voorbijgaan gewezen worden op het heerlijk opgeruimd voorkomen van mijnheer du Bessy. Sinds eenigen tijd leefde hij in eene genoegelijke stemming, die nauwelijks door den dood van zijn kleinzoontje en de daaropvolgende lijdelijke moedeloosheid van Vere gestoord werd. Hij had in zijne lichtzinnige oogen het noodige gedaan om Vere op te beuren, hij had een avondje medegeweend met haar, hij had het grafje met oprechte en ongemengde aandoening bezocht en er op een morgen den wild-vromen Lazare heengeleid, hij had er een half-bevroren bloempje geplukt en het in een verborgen lade van zijn schrijfkast, tusschen gele briefomslagen, verkleurde linten en oud-geurige gedichtjes weggestopt .... dan had hij ineens alles weer vergeten en de zorgen van geduldigen troost ten opzichte van Vere aan Pastoor Doening overgelaten. Men kon hem bezwaarlijk een verwijt doen. Hij was zoo kinderlijk in al zijne handelingen, hij speelde met het minste onderwerp en het luttelste gerucht, en hij lachte maar, gulzig-pratend, zoodat dit nooit het leed van Vere of de aandachtige bezorgdheid van Doening krenken kon.

Florjan Pacôme alleen wist de oorzaak van du Bessy’s blijgeestigheid. Hij sprak er nooit van; en mijnheer du Bessy, die geen geweld deed om een geheim te houden, bleef in den waan dat men het hem niet ontstolen had. Hij maakte verzen, waarnaast, in zijne meening, het vurigste verlangen van een Dante een koeltje of lauw-water was. Zijne akrostieken, rondeelkens, stanzen en madrigalen moesten beschouwd worden als het puik van wat een beleefde en begeerlijke liefde geven kon. Hij had het plan opgezet van een wonderlijke “Ars amandi, of handleiding tot het aanwenden van keurige minnelisten.” Kortom, mijnheer du Bessy had het kuische hart van juffrouw Henriëtte ganschelijk veroverd. Hij had voor haar een mooi appartement gehuurd en noemde het “le nid des tourterelles.”

Mijnheer du Bessy was sindsdien aangekleed met een gezochte keurigheid, die weinig bij den natuurlijken ernst van zijnen ouderdom paste. Nooit was zijn haar met rijkelijker glans geverfd en nooit krulden zoo triomfelijk de tipjes van zijne zwarte knevels. Onder welke liefelijke bewerking had hij de rimpeling van zijn voorhoofd geborgen? Zijne wangen droegen een guitigen blos en zijne lippen hadden de natte helderheid van dauw-malsche morgen-pioenen. Hij sprak losjes:

—Gij zegt het aardig, Simon, maar ik geloof u niet. Ik kan tegelijkertijd hulde brengen aan de eerbaarheid van het gevoel dat u beïnvloedt, en de ijlzinnigheid laken waarmede gij u bij deze gelegenheid uitlaat. Gij heet heilig de rechten van het volk. Iemands rechten moeten uitgaan van zijn natuurlijke geaardheid. Wat doet gij eigenlijk? Aan het volk juist die rechten toekennen, waarvan het nooit een redelijk gebruik kan maken. De gelijkheid der standen is iets wat in geen eeuwen te bereiken is. Vraag in afwachting niet de gelijkheid der rechten. Gij houdt u op met utopieën en, wat spijtiger is, gij helpt mede aan eene maatschappelijke ontbinding, die op een chaos van broedermoorden uitloopen zal. Uw ideaal is een figuurlijke beeldstormerij.

Pastoor Doening luisterde goedig. Hij streelde, boven zijn zijden sluier, de satijnen knopjes van zijn habijt en hij look ten halve zijne oogen. Mijnheer du Bessy liet den indruk van zijn woorden binst eene korte stilte werkzaam worden. Hij hernam nadien:

—De demokratische beweging is, mijn beste Simon, regelrecht gericht tegen de ontwikkeling van eene fijnere en hoogere beschaving. Zult gij het dan nooit beseffen dat gij, Nieuw-europeeërs, met al uwen wetenschappelijken vooruitgang, het lang niet half zoover hebt gebracht als het Oud-Griekenland? Als iedereen vrij is, is het dan nog iemand? Gedraag u, vermits ge met uwe nieuwere stelsels op slot van rekening toch bankroet moet loopen, naar de wijsheid van het marmeren Hellas. Gedoog de overmacht der uitverkorenen en zie zonder gevoelerig medelijden de ondergeschiktheid der slaven aan. Of wilt gij, aan het hek van uwen tuin en met een keten aan uw hals, de plaats innemen van uw hond? Gij zult nooit zoo goed als hij de wacht houden, en hij zal nooit zoo meesterlijk de zweep zwaaien over uw rug, als gij het doen kunt over den zijnen. Neen, kerel, er moeten gedienden zijn en dienstvaardigen. Ik zeg niet dat het toeval uitmeten zal, wie gebruiken mag en wie gebruikt moet worden. Zeus’ inzichten voorzien daarin, en een slaaf zal tot vrijman groeien als hij voor slaaf niet meer deugt en de vrijheid met beleefde kunde besteden kan. In geen andere maatschappij dan in zulke zal het menschelijk geluk benaderd worden, want in geen andere bloeien de kunsten, die sieraden van een voornamelijk, blij-lichtend en fijn-geurig leven.

Mijnheer Pacôme gaf mijnheer du Bessy uitbundig gelijk en mevrouw Verlat glimlachte droevig. Simon Peter herkende gaarne dat dit ideaal zeer aantrekkelijk was, maar hij wilde op de eenige en weinig vertrouwbare “inzichten van Zeus” niet berusten.

—Zulke voorzienigheid, zei hij, is, zooals alle voorzienigheid van welken theosofischen aard ook, meestendeels onrechtvaardig.

Dat betwistte pastoor Doening. Hij had zijne brilglazen in zijn rood-zijden zakdoek klaar gewreven en zette nu, oolijk-kijkend, de gulden cirkels te paarde op zijn neus.

—Spreek niet zoo van de voorzienigheid, zei hij zacht, spreek niet zoo van de regeling der eeuwige rythmen. Die is, mijne vrienden, in de handen van God. Maar zei ik het u niet alreeds, du Bessy, want wij hebben over dat alles ergens gekeven? Het volk is wanhopig omdat het machteloos is, en machteloos omdat het zijn God verzaakt. Het meent dat het in zichzelf vertrouwen kan en dàt is zijn waanzin. Er is geen vertrouwen dat kracht bijzet—buiten het vertrouwen in God. Waarom zegt gij dit niet aan uw blinde volk? Het volk is ontevreden, het zet zich uit, het roept dat het rechten wil .... en het begrijpt niet eens de beteekenis van de rechten, welke gij hem belooft en welke, in uwe oogen, zijne oproerige beweging wettigt. Blindheid, Simon, blindheid. Geef aan dat volk zijn God terug. Het zal in God gelooven en met ongeziene hevigheid oprukken voor zijn geloof. Let wel hierop: een volk zonder geloof is een volk zonder idealen, en is een volk dat dus niet meer strijden kan. Gelooft gij dat een volk ooit “voor zijn brood” gestreden heeft? Dat deed het in geen tijd. Het streed voor een beteren stand, het streed voor idealen. Gij hebt het geloof in God noodig gehad om de beschaving te winnen, waarvan gij nu gebruik maakt om God te negeeren. De nacht van een volk begint met de schemering van zijn God—wil dit inzien, gij die vrijwillig uw ondergang bewerkt.

Sörge was bijgekomen en vroeg verlof om eene zoo ernstige bespreking met de lichtheid van iets zonderings te storen.

—Juffrouw Francine, zei hij terstond, vraagt mij of een Hongaar het menschelijk leven voor zoo heilig houdt als dit doet een man uit het Noorden. Ik antwoord haar daarop dat de heiligheid van het leven niet boven een heiligen dood kan gewaardeerd worden. Wilt gij haar dat eens uitleggen, pastoor Doening?

—En waarom zoudt gij zelf het niet doen?

—Wel, aarzelde hij met eene geveinsde verlegenheid, ik vrees waarlijk dat een Hongaar van mijn slag het met te geringe overtuiging zal doen.

—Heerlijk! riep geestdriftig de ineens rechtstaande du Bessy uit, laat ons zulke zaken onbesproken laten. Ik zou er niet eens een argument voor vinden. Ik meen dat het leven zoo weinig heilig is dat er in geen geval een heilige dood aan te passen is. Zulke mouw hoort niet bij zulk een jakje, en ik houd den dood simpellijk voor de absolute ontkenning van wat wij, levend, zijn. Zoo mijn leven heilig was, denk ik, bij Eroos! dat ik gaarne en gauw zoude willen sterven.

—Ge begrijpt Sörge verkeerd, Oomken, lachte Ernest.

—Dan spijt het me dat hij zich zoo slecht heeft uitgedrukt.

Francine wilde nu van geen verdere uitleggingen hieromtrent meer weten. Ze ging vóor Simon Peter staan en legde hare beide handjes op zijn schouders.

—Mijn brave Simon, aaide ze, wat ziet gij er treurig uit! Willen wij saam—zoo met ons tweetjes—eens prenten zien? .... Ik heb van mijnheer Sörge eenig-mooie prenten gekregen .... Wacht maar!

Ze wipte weg, zag daar de droeve Vere zitten, kuste haar in het voorbijjoepen, en bleef dan ineens op den drempel van het salon peinzend stille staan. Ze wendde zich om, en bloosde onder de blikken van allen die haar zwijgend en in aandoenlijke bewondering hadden nagegaan.

—Hée-ee! klank-klingelde haar stem, ik weet wat beters! We gaan allemaal saam blindemannetje spelen! Willen we?

Daar viel niet te weigeren. Sörge en Ernest verschoven de tafel en mijnheer du Bessy moest een getal uitdenken. Hij dacht het getal zeventien uit, toevallig het nummer van juffrouw Henriëtte’s kamer in de Gretrystraat, en Francine telde al de spelers, hertelde ze tot ze op zeventien het blindemannetje aanwees. Vere zou blindemannetje zijn.

—Herdoens! willigde Francine in, dat gaat niet. Vere moet met pastoor Doening bij den haard zitten. Dat doen die twee liever, en ik zal in Vere’s plaats blindemannetje loopen. Oomken, doe mij den doek om.

Ze werd geblinddoekt. Oomken stopte hare groote groene oogen achter de dikke plooiing van een blauw-getafeld sluiertje. Nog heerlijker straalde, buiten de mededinging van die licht-dragende kijkers, het goud van haar opgestapeld haar.

Ze bleef een tijdje staan, roerloos, klein-schoklachend en even buigend naar voren. De mauve vouwen van haar moeselienen kleed vielen juist onder de gele klaarte van het vijfarmig hanglicht tuilvormig op den vloer. Ze stak hare handen uit, vingerde zoetjes in de leêgte, en deed een stap.

—Mij niet misleiden, hoor! riep ze blij; als ik val of bots, wordt ge allen gestraft .... God! wat is het donker!

Ze trad voorzichtig, tastte wijd en rond, kwam aan tegen den muur en tokkelde fijn-voelerig over het wandbehangsel. Ze schaterde het uit, draaide zich om, punt-voette op de franjen van een sofa. Ze zilverde kinderlijk:

—Maar waar zijt gij? Waar ben ik dan?

En, daar niemand antwoordde en elk geluideloos van vóor hare armen wegschoof over het tapijt:

—Ge moet spreken, kloeg ze, ik kan toch nooit een van u treffen als ik hem op de stem niet navolgen kan! .... Ik word wezenlijk bang in dezen nacht .... Ho! wie is dat?

Ze had iemand bij de mouw gevat. Ze deed nu hare vingeren loopen over zijne schouders, over zijn rug; ze betastte zijn boordje, raakte lichtelijk zijn haar, omlijnde met haar duim de randen van zijn oor. Ze gebood blij-zingend:

—Sta geheel lang-uit recht, dat ik uwe lengte meet. Waarom wendt ge altijd uw gezicht af?

Ze hief haren arm op en mat hem. Ze wilde nu zijne hand hebben en ze overjeukte haar met hare zachte nageltjes.

—Gij zijt niet mijnheer Pacôme, sprak ze, en Oomken ook niet!

Iedereen dacht aan de eindelooze handen van Florjan Pacôme en aan de drie ringen die op het pinkje van mijnheer du Bessy karbonkelden. Niemand sprak, en pastoor Doening kon niet nalaten een slim en verwarrend kuchje te slaken.

—Niet hoesten, pastoor, berispte Francine; ik weet wel dat ge mij van het goede spoor afleiden wilt.

Ze betastte opnieuw hare vangst, voelde dat het gelaat gedurig hare vingeren ontvluchtte, maakte zich lastig en trippelde zenuwachtig op de tipjes van hare schoenen. Ze taakte naderhand, weer stil en zorgvuldig, de jasknoppen, de schakeltjes van de horlogeketting, ontplooide het zakdoekje dat uit een zijtasch opstak.

—Nu, juichte ze triomfelijk, nu ken ik u! Ge zijt Simon!

Ze bevrijdde rap hare oogen en zag Sörge vóor haar staan. Ze kreeg eene hooge kleur en iedereen begon luidop te lachen. Ze was erg beschaamd, werd kwaad.

—Ik speel niet meer met u, zeide ze, ge hebt mij bedrogen. Ge waart wel Simon, lieg maar niet. Ge hebt ineens de plaats van Simon ingenomen.

Ze keerde zich meesmuilend naar Vere, die haar goedig aanzag en stille haar hoofd schudde.

—Niet waar, Vere? Ik had toch niet mijnheer Sörge vast? Ik had Simon ....

En stille voort schudde Vere haar hoofd.

Op dat oogenblik kwam de oude Ko een heer aanmelden, die dringend met mijnheer Peter spreken moest. Dat bracht een subiete afleiding. Wie was die heer? Ko wist het niet. Hij had eeniglijk gezegd dat hij seffens mijnheer Peter zien wilde en dat het eene zeer gewichtige zaak gold. Nog twee heeren stonden vóor de deur.

Simon Peter ging in het klein nevensaletje, waar hij het ontijdig en zonderling bezoek ontvangen zou. Onderwijl wilde Francine toch het spel doorzetten. Ernest ried echter aan dat men, tot Simon terug was, zwijgend en aandachtig moest zijn. Francine zette zich op de lage sofa. Ze was nog niet van hare verwondering bekomen en blikte naar Sörge, die tegen de hooge venstergordijn aanleunde. Het was op dit oogenblik zoo stil dat men, daarbuiten, eene plotselijke windvlaag hoorde aanzoeven. Meteen knetterde een natte hageling hard tegen de ruiten.

—Hee! is dat regenen? vroeg Francine.

Ze zag dat Sörge, in eene vlugge mijmering verzonken, niet eens opkeek en dat zijne hand iets zoetekens bestreelde dat nauw zichtbaar opbultte in den binnenzak van zijn rok. Toen werd de deur van het kleine saletje opengeduwd en daar stond, bleek en zwart-gebaard, een wilde, haast onherkenbare Simon. Zoo zag ze het leed bliksemen in zijn oogen dat ze werktuigelijk opsprong en heesch fluisterde, naar hem gaande:

—Simon! ....

Hij sloot een wijl zijne oogen.

—Men houdt mij aan, sprak hij, ik ben verraden.

Hij kwam iedereen de hand drukken. Zijn hals was lang, zijn voorhoofd ontzaglijk geworden. Hij kuste de vingeren van Vere, dierf nauwelijks die van Francine met zijne lippen raken. Vreemd ging hij Sörge in de oogen zien. Hij groette. Niemand sprak. De deur viel zwaar op zijne hielen dicht.

—O God! .... o God! huiverde Francine.

’t Was of zij voelde dat zij hem nooit meer zoude weerzien. Ze keek ontzet naar den grooten traan, die op hare hand lag en om wiens ronde randen het gele luchterlicht ontelbare starretjes liet spelen.

VI.

Het Blindemannetje.

De winter was niet onbarmhartig geweest. Het had wat gesneeuwd en tamelijk hard gevroren. Nu, langs een natte Maart en een waaierige Aprilmaand, ging het seizoen uitregenen en weggrauwen, en in de lucht kwam reeds de speling leuteren van levendige klaarten. Maar toch wilde ’t geen lente worden en, alhoewel lichter, voer uit het westen en het noorden een lage wolkenjacht alover de stad.

De revolutionaire beweging was, na den aanval in den Muntschouwburg, een zonderlingen weg opgegaan. Met Simon Peter werden zes der belangrijkste geheime leiders aangehouden en uit een debat, hetwelk in de Kamers op buitengewoon rekwest van den Koning door het Ministerie werd ingeleid, bleek dat de Centrum-politiek van mijnheer Dissel voortaan overwegend zoude zijn. De stemming van vertrouwen, die bij deze gelegenheid werd uitgebracht, stelde alle opstokerijen der Unionisten voor lang aan de kaak en verzekerde aan de mannen van de behoudsgezindheid eene meerderheid waarvan de Regeering nu naar beliefte kon gebruik maken. Feitelijk en voorloopig althans was de oproertendenz geknakt. De aanhouding van zeven hoofden der volkspartij had de hevige bestormers van het steenen conservatisme met verbazing geslagen en tevens, bij de gegoede burgerij, het gevaar doen inzien van een roekelooze beweging, die het land in den warboel der anarchie zoude storten.

Wat echter op alle geesten den geweldigsten indruk had gemaakt, was, kort na de opsluiting van Simon Peter en zijne politieke vrienden, de plotselinge en spoorlooze verdwijning van pastoor Pezza, aanvoerder van de tegenpartij.

Vreemd, inderdaad, was de wijze waarop dit geschiedde, en de gebeurtenis dreigde, op een gegeven oogenblik van haar verloop, de zegepraal van mijnheer Dissel in opspraak te brengen. Had mijnheer Dissel zich aan de mogelijkheid van Pezza’s verdwijning niet verwacht of had hij haar slecht berekend?

Reeds driemaal had hij pastoor Pezza dringend ontboden. Eindelijk kwam Lucia Pezza’s zuster.

—Mijn broeder, had ze gezeid, kort en scherpsprekend en met, in hare oogen, een zwarten blik, welke haar ingetogen drift verried, mijn broeder is in geen vier dagen meer thuis geweest. Het laatst dat ik hem zag, moest hij u gaan opzoeken. Dàt heeft hij zeker gedaan. Hij had geld noodig. Hij is vertrokken en keerde niet terug. Nu baten hier leugens noch omwegen, en ik wil u wel zeggen dat Pezza, die gij een willoos tuig in uwe handen hebt gewaand, een tuig was, mijnheer, in mijne handen. Met Pezza weg te ruimen, begraaft gij niet het geheim dat hem gemaakt heeft tot uw bondgenoot, en evenmin ontwijkt gij alzoo het gevaar dat gij, in de verdere ontwikkeling van Pezza’s politiek, hebt voelen aankomen. Ik ben, mijnheer, voor u, ik eeniglijk, dat geheim en dat gevaar te zamen. Zeg mij wat ge met mijn broer gedaan hebt.

Mijnheer Dissel had, van op het eerste zicht, begrepen dat hij met de grootste voorzichtigheid moest te werk gaan. Zijn onderhoud met Lucia Pezza duurde anderhalf uur en ’s avonds werd, van wege de Regeering, aan alle dagbladen bericht gezonden en op alle hoeken van het land afgekondigd dat bij ministeriëel besluit eene som van vijf en twintig duizend frank zoude worden ter hand gesteld aan al wie, omtrent pastoor Pezza’s schielijke verdwijning, eene belangrijke inlichting geven kon. Dadelijk werd de politie uitgezonden, en mijnheer Dissel verwaarloosde geen maatregel, die mocht bijhelpen om het spoor van den jongen volksleider op te zoeken.

Hij werd niettemin, vanwege een sociaal-demokraat, in volle zitting der Kamers beschuldigd dat hij Pezza, spijts alle parlementaire gebruiken, in een kerker opgesloten had. Toen eischte hij zelf, dat de vergadering eene kommissie aanstelde, die men met het onderzoek der feiten zoude gelasten en die verdere volmacht zoude hebben om pastoor Pezza langs alle wegen op te zoeken. De kommissie werd uit leden van de linkerzijde saamgesteld.

Pastoor Pezza werd niet gevonden.

Men liep het land om en door, men drong in alle gevangenissen, men hing overal plakkaten met Pezza’s portret, men zond brigaden uit in den vreemde .... en weken verliepen, en men vond pastoor Pezza niet. Lucia was met wilden ijver aan den gang, zonk alle avonden in schrikkelijke vertwijfeling neer en rees alle morgens op in versche, zweepende, woeste koorts.

Een enkel getuigenis van betrekkelijke waarde werd ingewonnen. Henriëtte had Pezza, twee uren nadat hij zijn huis verlaten had, in een regenvlaag en onder de kap van een automobiel over de Noordlaan zien voorbijjagen. Een man zat nevens hem in het rijtuig; maar het schemerde reeds en zoo ijlend was hunne vaart, dat zij van dezen man niets opgeven kon dan een zeer onvolledige beschrijving. Op de honderden vragen die Lucia wanhopig haar stelde, wist ze alleen te antwoorden dat Pezza zeer bleek was en dat zijn reisgezel die de koets leidde, er jong uitzag, mager, sterk, en roerloos vooruitblikte. Van de automobiel zelf wist ze geen bijzonderheid, die haar van ’t zij eender welk ander automobiel kon onderscheiden.

Twee maanden gingen om. Mijnheer Dissel ondertusschen toonde zich omtrent de zaak zeer bezorgd, stelde zich gedurig met de onderzoeks-kommissie in betrekking en liet geen gelegenheid voorbijgaan om bewijzen te geven van zijn groote belangstelling in wat het lot van Pezza mocht zijn. In den grond was hij over den algemeenen toestand zeer tevreden en, al liet hij het zelfs niet bij zijn vrienden blijken, hij hoopte dat de toestand onveranderd blijven zou. Alleen Lucia meende de geheimen van den schranderen staatsman te doorgronden en wilde raden wat omging in dat wit-blauwe, gladde, voorzichtige hoofd. Ze doorgrondde en ze ried. Ze zei echter niets. Soms lag ze ’s nachts in de donkerte te staren, voelde ineens de onmacht van hare inzichten tegenover de stille effenheid van Dissel’s macht, rolde dan radeloos in hare sargiën thoope en beet in het kussen dat geluideloos bleef. Telkens was ze zeker dat Dissel, die Pezza vreesde, Pezza doen verdwijnen had, en telkens folterde ze zich met de zekerheid dat, nu ’t zoo lang duurde, zij ’t nooit bewijzen kon ....

’s Morgens was ze weer te been, stijf en koppig, gestaald in hare zenuwen en gesteund door nieuwe hoop.

Met de aanhouding van Simon Peter was aanvankelijk veel in Verlat’s huis veranderd.

Francine was ziek geworden. Ze moest in haar bed blijven liggen en ze ijlde dikwijls. Ze was zoo’n licht vogeltje en zoo licht geraakt. Ze eischte dat men seffens Simon uit het gevang zou laten, en dan moest Vere haar vertellen wat Simon bedreven had, wat er verder met hem zou gebeuren en hoe groot de kerker was, waar men hem—zij meende wel veertig voet diep onder de aarde—opgesloten had. Vere wilde haar bedaren:

—Wat zijt ge toch onredelijk, liefje! Eer een maand verstreken is, hebben we weer dien goeden Simon bij ons. Hij heeft immers niets misdaan, hoegenaamd niets! Hij is te goed, hij heeft zich met eene verdachte zaak laten inschepen, hij weet niet wat slecht is .... Zij nu maar rustig.

—Ho! ho! En is dat daar altijd donker waar hij is? En zijn daar ratten?

—Onzin! Waar toch haalt ge die akelige beelden? Hij is geen gewoon gevangene, hij is geen dief, geen moordenaar. Hij beschikt over eene ruime kamer, geloof me.

—En ziet hij het licht en de wolken? Ach! mijn zoete Vere, ik geloof u niet, ik geloof u waarlijk niet .... Ge maakt het allemaal schoon om mijnentwille ... en ik ben angstig, angstig, en dat maakt mij dan nog angstiger .... Geef mij uwe hand.

Ze legde haar klein hoofdje, als in een gouden nis, in hare wondere haren. Ze sloot halvelings hare oogen, en hare lange wimpers die overeenkwamen, teekenden daar een dubbelen bronzen schaduwboog. Even trilden hare lippen.

—En, schoot ze plots weer op, zal men zijn baard niet geheel afknippen? Jawel, jawel; en men heeft zijne handen gebonden, ge zult het mij vergeefs verbergen .... En daar is zooveel, zóoveel, lieve Vere, dat hij noodig heeft! Bedenk eens .... O God! en ik heb hem zoo lief, zoo lief! ....

Vere had haar handje in hare beide handen genomen en ze boog glimlachend over haar.

—Zoo lief, Fran? Zoo echt en innig .... ja? Hij verdient het wel, en hij wacht geduldig .... Als hij ’t nu wist, Fran, als hij ’t nu zóo hoorde, gelijk gij het daar zegt, de zwartste nacht werd hem een hemel van zonne! ....

—Waarom? Moet ik hem dan niet liefhebben, en dacht hij dat ik hem niet liefhad? Wat wachtte hij dan? .... Ik kon ’t toch maar weten nu, als men hem wegrukt, nu ja, dat ik hem liefheb boven alles .... Maar ik wist het niet.

—Dat hij u liefhad, wist ge toch?

—Hij? Doet hij dat zeker? Wat vraagt ge mij allemaal, Vere? Hoe zou ik dat weten?

—Hoe wisten wij ’t dan? Het was toch zichtbaar, zou ik denken! Pastoor Doening en Ernest wisten het ook. Wij wachtten eigenlijk allen naar u, en er moest zoo iets gebeuren om u het praten te leeren .... Hoelang zouden wij anders nog gewacht hebben? Ge zijt een duikertje ....

—Neen, neen, zuchtte ze zacht, ik ben zoo ongelukkig! ....

Ze zeeg weer achterover en hare vingeren in Vere’s handen werden zwak, roerloos. Twee tranen lagen een tijdje in de tipjes van hare oogen, dikten stralend op en rolden dan, met schokjes, over hare wangen om ineens, langs haren hals, in de kanten van haar wit nachtjakje weg te biggelen. Zoo overviel haar dikwijls de rust. Ze bleef lang staren naar de zoldering.

—Mijnheer Sörge, zei Vere, heeft beloofd dat hij wel een middel zou vinden om een van ons bij Simon binnen te leiden. Daar mag anders niemand bij. De politieke belangen van de Regeering laten niet toe dat een van de zeven gevangenen bezoek ontvangt .... Er zijn zeven gevangenen en Simon is het minst van allen beladen. Mijnheer Sörge heeft aanzienlijke betrekkingen in de diplomatische wereld, en beweert dat hij het wachtwoord wel breken zal. Hij is zeer invloedrijk .... Ge kunt ook eens bij Simon gaan, dan.

—Ja.

Ze sprak zeer flauw en mijmerde voort, onachtzaam luisterend. Toen richtte ze zich half overeind, leunde met haren elleboog op het hoofdkussen en streek langzaam de zware vlechten weg, die over hare slapen vielen en op hare wenkbrauwen wogen. Ze blikte lui naar het tafeltje dat niet ver van haar bed stond, en waar een heerlijke rozentuil zijn broze kronen in een frisch gedoezel van wit en geel-wit en roos-wit liet kleuren. Even schoot een luchtig leven over hare groene oogen.

—Weer bloemen? vroeg ze.

Hare lippen bleven zacht-open op het woord. Ze waren nat en kraalvervig, en eene glimmende pereling van tanden glimlachte ertusschen. Ze bewonderde kinderlijk den tuil.

—Ja, knikte Vere, verheugd dat Francine haar ongeluk bij een trossel rozen vergat; en weer heel mooie bloemen .... en weer van mijnheer Sörge ook.

—Ik dank hem zeer.

Ze vroeg om er een te houden in hare handen. Ze raakte de killige blaadjes en liet den geur lang opgaan in haar hoofd. Dan stak ze de roos op Vere’s borst, werd zeer bedrijvig, koos het beste plekje om ze er vast op te spelden, en deed zoo opgeruimd, als zij ooit eenig spel in haar leventje gespeeld had. Ze kuste Vere. Ze vingerde over een knoopje van Vere’s mouw.

—Hoor eens, fluisterde ze naderhand, neerblikkend en blozend, weet ge nog wat ik u gezeid heb .... van Simon ....? Ik wil niet, dat ge er met iemand over praat, ook niet met Ernest .... met niemand .... Wilt ge? Ik zal ’t zelf zeggen. Beloof mij dat ....

Vere lachte en schudde haar hoofd. Ze tikte over Francine’s kin, noemde haar een oolijk lieverdje en gaf haar meer andere namen, waarbij moest verstaan worden dat Francine een behaagziek, ondeugend en beminnelijk meisje was.

—Ik beloof het u, sprak ze, en ze wisselde tweevoudig den kus, dien ze om te beloven, gekregen had.

Francine lag vier weken te bed en moest dan nog drie weken in hare kamer blijven. Ze werd stilaan het spelend, wispelturig en minzaam kind van vroeger. Alle dagen liet Sörge bloemen brengen voor haar en vragen hoe zij ’t stelde. Einde April kwam zij voor de eerste maal in het salon. Zij was niet veranderd.

Het gebeurde omtrent dien tijd dat Sörge de toelating verkreeg om, gedurende tien minuten en in het bijzijn van een cipier, twee personen bij Simon Peter binnen te leiden. Ernest dankte zijn vriend, en Francine deed ook haar best om hare erkentelijkheid te toonen, waarin zij slaagde met het grootste gemak. Er werd geloot om te weten wie met haar zoude medegaan. Het goede lot viel op Pastoor Doening.

Ze vertrokken vroeg in den morgen, met waaiweer. Aan alle hoeken der straten zag men rokken omvlaggelen en hoeden opgaan in de lucht, daar wentelen en cirkelen en dan loodrecht neerstekken tegen de steenen. De wind hoorde men zoo even boven de huizen, roefelen over de daken en schuifelend klagen in de telefoondraden. Hier en daar ontsloot hij een vensterluik, botste tegen een deur en deed de slotklink springen. De menschen liepen gebogen. De straatbengels hadden veel pret. Papiertjes vlogen ....

—He-wel! zei zoetjes Pastoor Doening, wat zult ge zooal vertellen, mijn kind?

—Wat? vroeg Francine verwonderd, van alles! Dat ik genezen ben. Dat wij geen rijtuig genomen hebben, omdat ik zoo dolgaarne in den wind dril. Dat hij nu maar gauw moet vrij zijn ....

—Zeker .... zeker.... dat is veel, ging dubbend de grijze pastoor, maar hebt ge hem niet zoo iets heel bijzonders .... ja, wat wil ik geven als voorbeeld? Ik weet natuurlijk niet wat ge zoudt kunnen te zeggen hebben. Dat weet gij beter. Let wel, we hebben geen minuut over de tien, geen sekonde! We moeten den tijd goed gebruiken.

Francine was ook van dezelfde meening; maar ze begreep niet recht goed wat de pastoor bedoelde met dat “iets heel bijzonders.” Misschien begreep ze ’t te goed, want zij dierf niet aandringen en liet aan het toeval over den tijd te schikken en hare woorden te regelen. Pastoor Doening was tevreden dat hij haar geestje aandachtig had gemaakt.

Ze werden seffens binnen de gevangenis toegelaten. Een heer leidde hen in eene spreekkamer, en daar wachtten ze een tijdje. Simon kwam. De heer bleef staan in het deurgat.

—Dag, Simon! klonk seffens het blijde stemmetje van Francine.

Hij deed een stap, en men zag dat een groot pak lijden oplichtte boven zijne borst, omhoog wegdampte en zijn lichaam bevrijdde. Hij werd rood en zijne oogen glinsterden. Zwijgend stak hij zijne beide handen uit.

—Dag, Simon! klonk lager de heesche stem van Doening.

Simon lachte gul, zenuwachtig, schudde rap zijn kop om in zijne keel iets los te krijgen, dat hem hinderlijk was en zijn stem smoorde. Hij drukte de kleine hand van Doening en het heel kleine handje van Francine. Die vier handen beefden daar.

—Ik dierf, stamelde Simon, het niet hopen dat ik u zien zou ....

Pastoor Doening vertelde dat mijnheer Sörge voor de toelating gezorgd had, en dat hij er nog een zou bekomen voor Donaat en Cordule, de ouders van Simon. Het trof Simon zeer dat hij dit geluk aan Sörge te danken had.

Hij keek Francine aan. Nooit had hij haar zoo aangekeken, nooit had hij het gewaagd, en nu nog meende hij dat hij het niet wagen zou; maar hij was bedwelmd en al wat hij sinds jaren in het diepste van zijn hart heimlijk had vastgekerkerd, ’t sprong nu met één vuurwip op in de glansen van zijne oogen. Pastoor Doening wendde zich even af, om, met een vreemde en onverwachtsche aandacht, het bronzen vatsel van het vensterraam te bewonderen.

—Beste Simon, zuchtte Francine geroerd, wat beklaag ik u, wat ben ik bang voor u!

—Doe dat niet. Ik zie u. Hoe rustig zal ik nu dat zicht bewaren!

—Zeker? Ik ben er waarlijk blij om. Wij spreken gedurig over u. Sörge zegt dat hij u vrij zal krijgen.

—Zegt Sörge dat? .... Waarom zegt hij dat? ....

—Hij heeft veel invloed. Wilt ge een bloempje hebben van me? Dit ....

Het bleek roosje dat ze op de kraag van haar mantel had gestoken, reikte ze hem. Onderwijl vertelde ze hoe het huis, van na zijn vertrek, in rep en roer stond, hoe zij zoo langen tijd was ziek geweest, en hoe zij nooit opgehouden had aan hem te denken. Simon fluisterde:

—Aan mij? Aan mij? .... Weet gij, Fran, de waarde van uwe woorden?

—Zwijg stil, malle jongen! .... (ze bloosde, hare vingeren trilden vlug). Hoe zoude ik dat niet weten?

Toen boog hij zich en bracht lang die vingertjes aan zijne bevende lippen.

Daar de grauwe heer die roerloos op den drempel wachtte, nu teeken deed op het ronde plaatje van zijn horloge, namen pastoor Doening en Francine afscheid van Simon Peter. Zij lieten hem in het spreekkamertje, waar hij, recht-op en strakkijkend, hen met eene wilde en te gelijk aandoenlijke gretigheid nalachte. Daar was in dien lach een wereld van liefde, van hoop, van onmacht en vertwijfeling ....

Francine kwam opgeruimd thuis.

—Goede pastoor, had ze onderwege gevraagd, docht het u dat, gelijk gij ’t vroegt, ik iets bijzonders heb weten te zeggen?

—Het dunkt mij, het dunkt mij! knikte pastoor Doening fluks en dankbaar.

—Ho! .... En wat was het?

Pastoor Doening keek schielijk op, schrikte. Ze sprak zoo kinderlijk-verwonderd, liet den vollen daghemel klaren in hare groene oogen, pink-wimperde geheel verbaasd. En pastoor Doening:

—Wat het was? Vraagt ge wat het was? deed hij.

—Ik vrees dat ik het zelf wel weet .... maar zegt gij ’t algelijk ....

—Heeft hij u niet naar de waarde van uwe woorden gevraagd? En hebt gij de beteekenis ervan niet nader bepaald? Laat ons voorzichtig zijn, kind, laat ons uitermate voorzichtig zijn.

—Ja .... voorzichtig .... Vertel er dan niets van aan Ernest, noch aan Vere .... Mag ik dat hopen?

Pastoor Doening, meteen gerustgesteld, schuddebolde goedig, wenkte met zijne slimme oogjes een opvallend gedacht toe, dat hij jegens een grillig en hartelijk meisje niet uitdrukken wilde, en beloofde dat hij zwijgen zou als een graf.

Francine bleef, de dagen die daarop volgden, blijgeestig en toonde zich jegens iedereen ongemeen vriendelijk. Met Mariëtte, haar kamenier, deed ze alle ochtends een voetwandelingetje in de stedelijke warande of reed in de open kales door de lanen van het Terkamerbosch. Ze vond een soms uitbundige pret in ’t naloeren der oplevende natuur. Ze wist, achter den kiosk van ’t Park, een naakten lilasstruik, waar ze telkens den groei van vette botten ging bespeuren. Ze telde ze, ried de kleine blaadjes, die allengerhand zichtbaar werden, hun tipjes lieten uitpunten en geleidelijk hun best deden om buiten de bruin-glimmende sluts te springen.

Ze zag, in het woud, hoe eene lichte kleur in het fijne getwijg der breede boomkruinen begon te spelen en hoe de schuinsche en tusschenpoozende zon erlangs zilveren kwam. Eens stapte ze uit het rijtuig om, in het jonge groen van een barm, een eenzaam madeliefje te plukken. Andermaal deed ze de paarden hard loopen en voelde wellustig de waaiing van de frissche lucht over haar voorhoofd strijken.

Toevallig, op een morgen, ontmoette ze een ruiter die, niet verre van den vijver, naar haar toe zijn paard de sporen gaf. Ze zag hem naderen. Hij reed sierlijk, als vastgeregen aan den zadel. Het water dat achter zijn bruin-schaduwende gestalte vlak uitklaarde, rilde zijig, staalstippelend onder het rusteloos koeltje en over de violette glansen van het waterdiep.

Het was mijnheer Sörge. Hij groette op afstand en hield even zijn paard stil. Ze boog langzaam haar hoofd en reed door. Een lange pooze bleef ze in mijmering verzonken, niet luisterend naar wat Mariëtte haar vertelde onderwijl; toen vroeg ze plots:

—Hoe was weer de kleur van dat dasje?

—Wiens dasje, juffrouw?

—Om den Hemel, Mariëtte! viel ze uit, met éen blik lastig en lachend, waar zijn toch uwe gedachten?

Mariëtte wilde wel medelachen en ze deed het ook, terwijl op hare lippen lag de vraag “waar eigenlijk de gedachten van de juffrouw verwijlden.” Het oogenblik daarna:

—Me dunkt, sprak Francine zeer ernstig, dat mijnheer Sörge wel een anderen weg kon kiezen. Hadt gij hem van verre herkend?

—Neen, juffrouw.

—Ik .... ook niet .... Mariëtte .... Ko! nu weer wat hollen, alsjeblieft!

En ze kreeg, met een zonneklets, te gelijk den wind vlak in het aangezicht.

Francine had, gelijk vroeger, haar leventje ingericht. Haar beste vriend, meende ze, was mijnheer du Bessy. Met hem kon ze de winkels afloopen, een uurtje in den tuin van het Vauxhall zitten, en tateren, iets waarnaar hij niet luisterde, of niet luisteren naar iets wat hij zei. Ze vonden zich allebei goed te zaam en ze handelden allebei elk op zijn eentje. Mijnheer du Bessy was nooit verwonderd als zij, bij een concert, ineens voor den afloop van een muziekstuk opstond en weg wilde. Zij, van haar kant, kon seffens vergeten dat hij een verlangen uitdrukte, hetwelk hij na een kort wijlken zeer goedkoop met een andere begeerte verwisselde. Zij praatte over een lintje en hij, als antwoord, over een manchetspeld. Ze verstonden malkander vrij goed.

—Het leven, placht mijnheer du Bessy te zeggen, is eene opvolging van oogenblikken, waarvan men het eene niet kan loslaten eer het andere gekomen is, maar waarvan men het eene ook niet volhouden kan als het andere reeds aan de beurt is.

Hij bedoelde daarmede dat zijn leven, juist door de verscheidenheid van al zijne oogenblikken, zoo wonderbaar kon aandoen. Hij gaf dit uit als een orakel en allerminst als eene verontschuldiging voor zijne lichtzinnigheid. Francine, die binstdien haar hoofdje met wat anders bezig hield, gaf hem volkomen gelijk.

Mijnheer du Bessy had het ook bijtijden over de liefde en, al merkte hij het niet, hier trof hij bij zijn nichtje een dankbaarder gehoor en een vluggere aandacht. Hij zei dikwijls:

—De liefde, beste Fran, is sterker dan de jeugd. Zij is de dwingeland van de jeugd en, let wel op! zij maakt een oud man tot een jongeling.

—Zou zij u tot een jongeling kunnen maken? vroeg nuchter en lichtelijk Francine.

—Dat zou ik denken! riep mijnheer du Bessy, dat kan ze, geloof me!

—En wat zal ze maken van mij, Oomken?

—Van u? Wel, dat ben ik eens erg benieuwd te zien .... wat zij van u maken zal! Misschien, gelijk bij al de andere, een ding waar men niet wijs uit raakt, een ding vol logentjes, vol listen, vol wreedheid, vol tranen .... een onmenschelijk ding.

—Waarlijk? .... Een òn-menschelijk ding—zeg maar een foltering!

—Nee. Mis!.... Een speelgoed, waar men zich aan zal bezeeren.

Francine moest telkens met Oomkens zottigheden hartelijk lachen, doch Mariëtte vond haar dan ’s avonds, op hare kamer, schreiend van onbegrepen wee.

In den beginne van Mei kwam Rupert Sörge met de goede tijding dat ook de ouders van Simon Peter bij hun zoon zouden toegelaten worden. Hij bleef dien dag mee soepeeren en was aan tafel zeer opwekkend en zeer kiesch. Francine, integendeel, kon eene groote verslagenheid niet bergen. Na het eetmaal wilde ze over Simon praten. Hare stem faalde en tranen schoten haar in de oogen. Sörge merkte het dadelijk op en ging met Ernest in de veranda eene sigaar opsteken.

—Vere! Vere! kloeg Francine, terwijl ze over de leuning van haar stoel hare handen op Vere’s schouder lei, ik word weer zoo angstig! Ik denk weer aan zulke akelige dingen—weer aan die donkerheid in Simon’s kerker, en aan die tralievensters .... Ach! we moeten hem allemaal zoo innig, innig liefhebben .... we mogen hem toch nooit verlaten, niet waar?

—Maar, beste kind, wie spreekt van verlaten?

—Ik voel dat .... soms .... Het is zoo pijnlijk ....

Die weeke aanval was gauw over, en Francine was naderhand weer goed geluimd, haast vroolijk. Op een voorstel van Sörge, welk hij zeer beleefd met inzicht op Francine’s teergevoeligheid motiveerde, werd besloten dat hij zelf met haar, ’s anderen daags in den morgen, de ouders van Simon Peter zou gaan verwittigen. Francine had, in een rappen bloedsoploop willen weigeren. Ze bedwong die ongemanierde beweging, die echter aan Sörge niet ontsnapte, en stemde gaarne toe. Een blosje gloeide onder hare oogen. Zij ging met koorts naar bed.

Heerlijk was die ochtend. Hij kwam met zonnevingeren tokkelen tegen de hooge ruiten van Francine’s kamer en joepte geluideloos, als een poesjenel van doorzichtige kleuren, binnen alom. Hij had over Francine’s bed, tot op haren schouder, zijne hemelklare hand geleid en dreef ze zachtjes, zachtjes hooger. Hij taakte haren blooten hals, waar matelijk opsloeg de malsche aderslag, raakte nadien hare kin, kroop verder op en verfde met een wonderbaar karmijn hare half-ontloken lippen. Hij ging op twee tanden tikkelen en deed er iets roeren, als paarlemoer en zilver. Dan wipte hij over het tipje van haar neus .... Francine rustte, ademde stil, voelde de speling niet van die traagopschuivende hand. Maar nu, als eindelijk het licht hare wimpers trof, opende ze fluks en wijd hare oogen, keek verward rond, droeg, één wijlken, den lichten zonneduim op de groene trilling van hare blikken. Het was dag!

Aan Mariëtte, die haar aankleeden kwam, vroeg ze gulzig, hare longen opdikkend:

—Zou het toch volop Lente worden?

Zij hoorde op de daken en in de geel wordende olmen der laan een vroolijk gepeupel van musschen tjilpen. Mariëtte, binst dat ze Francine’s hoofd omvingerde en de gulden haarstapeling met drie écaillespelden doorstak, hield haar aan den praat.

—Als juffrouw nu maar niet zoo koortsig wordt als gisteren. Juffrouw ziet er goed uit vandaag.

—Ja? Is het zeker? Ik zal dat bleek-grijze rijkostuum aantrekken, Mariëtte.

Ze had pleizier in alles wat omging en kleurde rond haar, hield zich op met den vorm van een strikje, zoolang tot het gesnoerd was naar haar zin. Ze was geduldig, beter: ze deed gaarne al wat ze deed, maakte zich niet lastig om eene vergissing of een onhandigheid.

In de eetzaal nam ze haar ontbijt in gezelschap van mijnheer du Bessy, en ze lachte en ze schaterde nooit meer dan dien morgen. Omtrent tien uren werd ze onrustig. Ze luisterden naar Oomken niet, lag in een zetel en volgde, lang-blikkend en onachtzaam tevens, de vaart van wentelende stofkens in een schuinsche zonnestreep. Terwijl het tien uur sloeg, hinderde ze zich aan het trage geklep van de klok, en seffens vroeg ze, verward:

—Is het al niet later dan op dat vervelend horloge?

Oomken wilde met eene aardige bespiegeling opduiken, betrekkelijk de zeer ordelijke levenswijze van den god Kronos; maar hij werd onderbroken door het getrippel van een paard vóor de deur en de intrede van Ko, die mijnheer Sörge kwam aanmelden.

—Ko, vroeg Francine scherp, is Joep gezadeld?

—Ik weet het niet, juffrouw, ik heb althans geen orders ontvangen .... Ik wil zien ....

Francine schoot uit in eene korte, pijnlijke woede, waaronder Ko en Oomken beiden even verbaasd stonden en aangedaan.

—Gij hebt wèl orders ontvangen. Joep moest vóor tien uren klaar zijn.

Ko vertrok en Francine stampvoette. Mijnheer du Bessy, die in Ko’s bedrukt gezicht wel zag dat de oude man geen schuld had, wilde hem bij zijn toornig nichtje vergoelijken, begon eene ingewikkelde uitlegging, waaruit blijken moest dat er wel orders gegeven doch geen ontvangen waren. Francine barstte los in een luiden lach, werd geheel rood en beval aan Oomken dat hij haar seffens kussen moest. Hij deed het gewillig, toen juist Rupert Sörge de deur openstak. Sörge boog, wachtte.

—Kom binnen, verzocht Francine minzaam; hier hebt ge Oomken, die ondeugend is.

Ze werd naderhand weer zwijgend en ernstig, tot ze al lang te paard was gestegen en onder de doorzichtige olmen om de stad voer over de lanen.

De Meizon was overal bedrijvig, wierp in haar blikkerend licht de lang-blauwe schaduwen van de boomstammen uit en spetterde op de witte gevels, op de zwarte glazuurkappen van rijtuigen en op de groene lenden van glansvensterende trams. Het dooreenloopend volk roerde in haar kleurenspel. Francine en Sörge reden zijde aan zijde op kleinen draf.

—Naar uw beliefte, juffrouw, sprak Sörge, kunnen wij langs de Louizalaan omloopen. De weg is wat langer, maar wij hebben aarden grond langs daar en het ritje kan, wat mij betreft, niet lang genoeg zijn.

Francine hadde willen zeggen dat zij niet van komplimenten hield, vooral niet op de wandeling, en dat overigens Simon’s ouders nooit te gauw het blijde nieuws konden weten. Ze voelde een grooten drang om iets te breken in de nauwgezette en strenge beleefdheid, welke Sörge, gelijk een benauwd floers, weefde om haar. Strak keek ze vóor zich uit, verdiepte dat vreemde gevoel, zocht, binnen de zonderlinge verwarring van hare gedachten, het middel, het woord dat zij bij wijze van een aanval of eene verdediging aanwenden kon. En ze antwoordde:

—Geleid mij. Ik zal u rustig volgen.

Dan, seffens, was ze kwaad dat ze zoo geantwoord had. Sörge sprak, met eene zwierigheid en eene stembevalligheid, welke zeer eigenaardig uitschenen bij sommige verdraaiingen van zijne uitspraak, over lichte en verscheidenlijke zaken. Hij wist met den toets van een raak gezegde een verf of een klank te taken, een beweging of eene roerloosheid. Telkens weigerde Francine op te kijken en telkens keek zij op, benieuwd, begeerlijk of getroffen. Hij vermoeide eindelijk hare koppigheid en toen werd ze werkelijk angstig. Voor de eerste maal sinds ze van huis wegwaren, keek ze hem aan. Met een stillen helderen blik ontmoette hij hare groene oogen.

—Ik doe mijn best, sprak hij, na een stilte die den klop duurde van een vierdubbel paardgekloef, om u niet toornig te maken.

—Hoe zoudt gij mij toornig maken, mijnheer Sörge? lachte ze.

—Om niet in toorn, bedoel ik, te laten overslaan iets dat woelt in u, juffrouw.

—Ik geloof dat ge zeer scherpzinnig zijt .... Waan u echter niet onfeilbaar. Wat woelt in mij?

De draf deed matelijk haar lichaam naar voren wiegen. Ze hield niet op Sörge van terzijde te bezien. Hij mende los. Zijne hand lag op de gladde maan van zijn paard.

—Ik hoopte niet dat ik zou toegelaten worden het u te zeggen, juffrouw Francine ....

—Doe niet wat ge niet hoopt te doen.

—Inderdaad. Ik ben uw dienaar.

Een oogenblik meende zij dat hare bangheid in heeten blos ging uitgloeien over haar gelaat. Ze wendde haar aangezicht af, boog zich, klopte op den hals van Joep, haar wit paard, zag binstdien de grijze zandbaan wegijlen, achterwaarts in een gulden zongesnipper.

Vóor het huis van den ouden Peter wachtte Takker in bruine groomlivrei. Ze stapten af en gaven hem de teugels. Ze werden ingeleid door de meid Sabine, die aanstonds met groot misbaar en luidruchtige blijdschap de komst van juffrouw Francine bejegende. Ze groette, met hare handen keer op keer plakbreed over hare heupen te slaan. Eene roode vettigheid glom op haar breede wezen, en ze brak de glansen ervan in de overdadige rimpeling van een boerenlach. Dit alles ging gepaard met woorden van vereering en dankbaarheid, waaruit men te gelijk besluiten kon dat Francine eene hooge dame en bovendien een lid van Sabine’s familie was. Ze stiet de deur van een salonnetje open, schikte nog even de stoelen, draaide de gordijnen op, die gedurig deze kamer in eene dompige donkerte hielden, en drilde, onder meer betuiging van eerbied en vriendschappelijkheid, langs het voorportaal weg.

Het docht Francine dat hier de lucht zoo koud was en de dag zoo levenloos. Drie keeren had zij de ouders van Simon in dit huis bezocht, en nu, de vierde maal, herkende zij het huis niet meer. Ze keek beteuterd rond. Hoe armzalig kwam haar de zwaar-burgerlijke meubileering voor, hoe smaakloos de wandversiering, hoe lomp de schouwklok, de kandelaars en den koperen kroonluchter. Ze had vroeger nooit gemerkt dat de kamer kleurloos verlicht was en duffig rook. Thans krenkte heel dit renteniersgedoe een paart van haar gevoel en schoot meteen de vochtigheid van muren haar in den neus. Sörge vroeg:

—Verbleef hier mijnheer Peter, uw vriend?

Ze haastte zich met een antwoord dat, in hare bedoeling, Simon voor de afschuwelijke inrichting van het ouderlijk huis moest verontschuldigen. Ze deed het gretig, in een vloed van woorden, en ze paaide alzoo binnen haar dat iets, wat van in den morgen Sörge er zien woelen had. Ze riep, tegen Sörge en tegen haarzelve, den lof uit van Simon en prees uitbundig zijne fijne manieren, zijn smaak, zijn kunstzin, zijne goedheid.

Als ze erover uitgepraat was, had ze de schijnbare rustigheid van iemand die meent, al is hij ’t nooit zeker, dat men hem niets meer verwijten kan.

De oude heer Peter en zijne vrouw kwamen arm aan arm binnen. Ze waren allebei klein, Donaat mager en gebogen, Cordule lijvig en thoopegezakt. Men kon niet zeggen dat Simon op een van beiden trok; maar hij had, naar den bouw van het hoofd te oordeelen, de stevigheid van zijn vader en, als men mevrouw Peter in de oogen blikte, de geduldige lijdzaamheid van zijne moeder. Deze twee hadden al de hoop van hun leven op hun kind gesteld. Ze waren tamelijk gegoed, leefden stil, vergaarden, op ’t einde van elk jaar, het spaarpotje van den man en het spaarpotje van de gade, want Donaat bestierde zijne renten met geslepen vooruitzicht en Cordule regelde hare keuken met huishoudelijke zuinigheid. ’t Zou al geld zijn voor hun zoon. Ze waren gelukkig. Simon bezocht de akademie, werd naar Parijs en naar Rome gezonden, behaalde op tentoonstellingen hooge onderscheidingen en zou gauw een beroemd man worden. Hij was het licht van hunne oogen en de warmte van hun hart. Hij had zijne ouders lief. Zij, ze hadden hem niet voelen groeien; ze waren nog bezorgd om zijne gezondheid, zijne hopen en zijne teleurstellingen, zijn omgang in de wereld. Ze konden hem niet meer op hunnen schoot nemen en wiegen in hunne armen, maar ze wilden het alle oogenblikken doen. Hij was hun boven het hoofd gegroeid, maar hij was, onder hun hart, hun klein klein kindeken gebleven. Ze hadden het zich nooit kunnen inbeelden dat hij eens trouwen zou, zich buiten hun dak een eigen nest maken of, in dees oude huis, plaats ruimen voor een vreemd kind. Zij dachten niet daaraan en zij wisten niet dat Simon er aan kon denken. Ze hadden een zoeten, geleidelijken ouderdom.

Dan, plots, was dat ongeluk gekomen—de zoon van tusschen hen weggerukt! ’t Zou een slag zijn zonder genade. Donaat kromde lager naar den grond en Cordule zonk dieper ineen. Ze begrepen niet de beteekenis van wat men een politieke misdaad noemde. Vere had het hen op de gunstigste manier uitgelegd en pastoor Doening, die sindsdien dagelijks kwam, troostte hen met de verzekering dat Simon gauw weer vrij zou komen. Ze teerden sukkelig op die verwachting. Mijnheer Lazare had hun ook een bezoek gebracht, maar nadat hij, met de beste inzichten, was uitgevaren tegen de maatschappij en Simon had aangetoond als een werktuig in Gods handen om heel den rotten boel ’t onderst boven te zetten, waren zij droeviger dan ooit. Dien avond hadden ze, naast malkander, over malkanders handen geweend ....

Nu kwamen ze, arm aan arm, op den drempel voor. Francine ging naar hen toe, klopte zachtekens op hunne schouders, en vond een hoop lieve woorden om hen op het goede nieuws voor te bereiden. Ze bracht hen vóor Sörge.

—Dit is mijnheer Sörge, een vriend van Simon en van Ernest. Hij heeft al veel gedaan voor Simon en hij zal nog meer doen. Hij zegt dat hij ons in kort Simon zal teruggeven. Hij kan veel. Ik weet niet hoe dat komt. En nu heeft hij al iets voor u beproefd .... en hij is geslaagd ook. Zoudt ge hem niet dankbaar zijn als hij u, voor een klein halfuurtje maar, bij Simon binnenliet? Dat heeft hij verkregen.

Het gebukt hoofd van Donaat schoot levend op, begon dwaas te glimlachen en de kin die getrild had, viel in een schokje op den knoop van zijn hoog-zwarte das. Hij blikte zijwaarts naar Cordule, die rood stond en sprakeloos. Hij blikte naar de rolling van tranen die éen vóor éen over hare wangen wippelden, en naar de hoop die onder de tranen scheen. Hij knikte toen, zwijgend, kuchend, hevig bewogen.

—Ik ben zeer gelukkig, zei Francine nauwelijks hoorbaar, zeer gelukkig .... dat ik u dit geluk brengen kan.

Zij zag Donaat’s hand bibberend uit de zwarte mouw van zijn jas reiken naar een stoel en dezen naderschuiven bij Sörge. Zij zag de wankelende Cordule hare twee korte, dikke armpjes gebruiken om een zetel te verschuiven. Naderhand moest Sabine eene flesch madera opdienen en een schaal met beschuiten. Ze deden gevieren bescheid. De oudjes zegden niets, knikten wel, hoestten stillekens. ’t Was eeniglijk Francine die den praat aan den gang hield, en ze werd koortsig onder de begeerte om het goed te doen en overvloedig. Het docht haar dat zij iets jegens Simon’s ouders misdaan had en het met praten vergoeden kon.

Toen op het einde Sörge merkte dat ze uitgeput was en zoude gaan breken onder de spanning, gaf hij behendiglijk aanleiding tot een beleefd afscheid. Donaat en Cordule kwamen met Sabine uitgeleide doen tot op den drempel en sloten de deur niet vóor Francine en Sörge te paard waren gestegen. Francine lachte hen toe, zag hunne oogjes in de deurreet wegschaduwen en, eer Takker de teugels losliet, de dikke gordijnen achter de vensterruiten nederkomen. Wild joeg ze haar paard vooruit.

Ze reden goed door, zwijgend als in den beginne. De zon zat hooger, sloeg kortere, blauwere schaduwen over de lanen. De kloeven klonken hard.

—Die oudjes, sprak Sörge, beklaag ik zeer. Wat met dien armen Peter gebeurt, is waarlijk ellendig. Ik herinner me dat ik Ernest van dat alles verwittigd heb.

—Hoe! mijnheer Sörge, riep Francine, wist ge wat er toegaan moest?

—Ik wist niets, niets, maar ik vermoedde het al. Ik heb geraden—het spijt me dat ik het zoo goed kon—dat Peter een slachtoffer zou worden van Pezza. Dit blijkt wel zoo uit te vallen, want de verdwijning van Pezza is een geveinsde vlucht en die moedige priester zal wel ergens opduiken, wanneer er nergens gevaar meer is. Zoudt ge mijne pogingen zeer op prijs stellen, als ik er in gelukte Peter vrij te maken?

—Hoe vraagt gij me dat? .... Ik heb u mijne genegenheid voor Simon niet verborgen.

—Zeker niet .... Maar zou ik er uw vriend om kunnen worden?

—Ik wil u dankbaar zijn.

—Ik zal het, zonder die aalmoes, ook doen, juffrouw, wees gerust.

Ze zwegen. Een bende kinderen die van school kwamen, liepen in de middagzon. Sommige hadden een rooden doek om den hals, een paar meisjes droegen een wit schort.

’t Was, al voorbijdravend, een verscheiden en aardig gewemel van kleuren en dan, meteens roerloos, in het vlakke licht, al die ronde gezichtjes, door de zon bekletst, opgericht naar de stuiving der twee paarden.

—Nu voel ik, dacht Francine zonderling bekommerd, nu, bij al wat roert in de lucht .... dat er iets veranderd is, dat iets een anderen vorm aanneemt ....

Dit bewustzijn kwam ophelderen in haar, in een gespat van klaarte en op het zicht van een der gele kinderkopjes. Het benevelde stilaan en de klop van den draf hersloeg in stukjes als die verbrokkelende doening.

Sörge vroeg of ze den terugtocht langs het Bosch dierf ondernemen. Ze knikte onachtzaam. Ze was ook bang voor wat er na het ritje gebeuren zou. Ze wilde niet thuis alleen zijn, vooral niet zonder Sörge. Maar verder, toen de stilte van het woud spookte tusschen de groen-blauwe tronken en de dag hier onbeweeglijk te laaien hing, verlangde ze om dadelijk bij Vere te zijn. Ze zei het met korten stemklank. Ze keek strak vóor zich uit.

—Ik zal, sprak Sörge heimelijk, de wandeling voor u prettiger maken, als ik u beter kennen zal.

—Ge kent mij genoeg ....

—Maar waarom wilt gij mij zoo weinig kennen?

—Ik vrees .... dat ik u wel ken, mijnheer.

Sörge lachte. Zoo klein-schokkend, zoo ver-vandaan, zoo kiesch ook klonk die lach, dat Francine verwonderd naar hem opblikte. Onwillekeurig had ze den breidel gespannen en Joep, terwijl hij zijn kop opsloeg, bleef palstaan. Te gelijk, drie stappen verder, stond het paard van Sörge.

In de stilte rinkelde het kettinkje van den toom en ziedde een geblaas van heete muilen. Rupert legde zijn rechterhand achteraan op den tip van den zadel, wendde zijne schouders half om, zag, onder het bruin tokje en de gouden haarstrengen, het blozend gelaat van Francine kwaad-uitkijken naar eene verklaring. Hij zei:

—Kent ge mij nú beter dan op dien avond, weet ge wel? .... Ge hadt een doek op uwe groene oogen en ik herinner me dat uw licht-mauve kleed in plooien heenstraalde als een regen van licht. Ge hadt me onder uwe handen, en over mijne handen heb ik de zoekende tastjes van uwe vingeren gevoeld. Toen hebt ge mij gemeten—aan wat? Niet aan uw geest, want dan haddet gij mij geraden .... Niet aan uw hart ook .... helaas? Wat was dat eene eigenaardige vergissing, juffrouw!

—We speelden toen .... Het was een spel, mijnheer Sörge.

—En nu?

Het werd haar alsof de lucht aan het beven ging, en ze voelde zich klein, klein ineendringen, tot ze een nietig dingsken was, vol schuchtere gehoorzaamheid. Ze ademde rap, onregelmatig, beet op hare lippen. Ze gaf zich over:

—Ge hebt gelijk, stamelde ze, ik ben niet sterk genoeg, Rupert .... Wees mij genadig.

Hij dwong zijn paard tot twee sprongen achterwaarts, reikte langzaam zijne hand en ontving er, gelijk een bloo vogeltje dat zich vangen laat, de hare.

—Ik dank u.

Het was al wat hij zei, en nadien, tot ze thuis aanreden, zwegen ze.


’s Avonds, toen pastoor Doening naar zijne gewoonte zich bij Vere onder het hooge schouwkleed had neergezet en Ernest met Oomken de eetzaal verlieten, liep Francine naar Vere toe, knielde vóor haar en begon in haren schoot te weenen. Hoe ook zachtjes pastoor Doening op haren schouder klopte en Vere haar vriendelijk en paaiend aansprak, toch weende ze lang, liet haar ranke lichaam in toenemend gesnik opschokken en wilde haar gezichtje niet van over hare armen lichten.

De eerste schoone lenteavond zwoelde binnen huis. De deur op de verandah stond open. Men hoorde het lijze leven van den tuin en de druppeling van de springfontein. Pastoor Doening schudde bedenkelijk zijn buigend hoofd.

—Bedaar, bedaar, streelde hij, wat moet dat nu beduiden?

Ze bedaarde eindelijk. Ze richtte zich traagzaam op, keek benauwd Vere en Doening in de oogen.

—Welnu, liefje? Wat hebt ge toch voor? Ge zijt moe, ge zijt moe ....

Toen vertelde zij ’t in een vluggen vloed. Moe? Neen, neen. Valsch en bedriegelijk was ze. En ze wist wel dat men het haar nooit vergeven zou. Maar ze had het goed gemeend, dàt moest men toegeven. Ze deed niets uit kwaadaardigheid. Het was haarzelf overvallen, het had haar bedwelmd, het had om haar een net gespannen van stalen twijn en ze kon niet vrij meer, thans zag ze ’t zelf goed in. En Simon had ze waarlijk liefgehad; en inniger had ze Simon lief, want ze had hem verongelijkt.

—Ge hebt dat niet goed begrepen, gij tweeën, praatte ze radeloos, ik heb Simon lief, lief. Waarom kijkt ge mij zoo vreemd aan? Ik houd immers niet op Simon lief te hebben. Ho! als ik denk dat hij nu ginder te peinzen zit, terwijl gij meent dat ik hem niet meer liefheb! Verstaat mij! Verstaat mij dan toch eindelijk!

Ze was heesch en slikte moeielijk. Tranen liepen voortdurend over hare wangen. Ze werd klagend:

—Ge wilt mij straffen met mij niet te verstaan. Ge wilt wreed zijn. Gij beiden, ge waart blijde als ge mijn geheim wist. Het was geen geheim. Het is geen geheim dat ik Simon liefheb. Het geheim dat ge weten moest, dat is het andere, dat is hetgene ik niet meer houden kan. Het is maar een logen, omdat gij ’t niet willen begrijpen hebt. Het is geen logen voor mij. Ik heb niet gelogen. Ik was zwak, ik heb toegelaten dat gij allemaal uw eigen bedroogt. Dat is mijn valschheid .... Druk mij dicht tegen u aan, verlaat mij nu niet, want ik heb u niets verborgen, niets, dat niet .... dat niet ook voor mij verborgen was.

Pastoor Doening en Vere zaten verslagen. Ze legden in een zelfde beweging hunne hand op Francine’s voorhoofd, deden haar opkijken, lachten stille en droevig in hare oogen.

Daarbuiten druppelde een watertuiltje binnen den zoeten Meinacht.

—En wat zult ge nu doen? vroeg aarzelend de oude pastoor.

—Trouwen .... met mijnheer Sörge.