Typische straat in Bagdad.

Typische straat in Bagdad.

Die drie groote quaesties omtrent Mesopotamië zullen veel invloed hebben op de toekomst van Mosoel. De eerste vraag betreft de scheepvaart op de Tigris van Bagdad tot Mosoel. Als die eens goed geregeld is, zal het met invoer en uitvoer in Moesel beter gaan. Ook de Bagdadspoorweg zal de beteekenis van Mosoel doen toenemen, want het Oosten zal erdoor in nauwere aanraking komen met het nabije Westen. En het belangrijkste punt in verband met de toekomst van Mosoel is de irrigatie van Mesopotamië, waardoor die heele uitgestrekte woestijn in een tuin zal kunnen worden veranderd. Men behoeft daartoe maar eenvoudig de oude, assyrische manier van besproeiing te doen herleven. Die methode bestond in het graven van kanalen door het land tusschen de rivieren Euphraat en Tigris. Kaarten van die kanalen kan men nog zien in het Britsch Museum en andere plaatsen. Die groote vaarten, gegraven in den bloeitijd van het Assyrische rijk, zijn nu dichtgeslibd, nadat ze vele eeuwen lang door de bewoners zijn gebruikt.

Layard zegt in zijn “Ontdekking van Nineveh”: “Herodotus beschrijft de buitengewone vruchtbaarheid van Assyrië en de overvloedige graanoogsten, waarbij het zaad twee- en driehonderdvoudig vrucht voortbracht en voegt erbij, dat in dien tijd de Assyriërs even afhankelijk waren van kunstmatige besproeiing als van de winterregens. “Zij maakten machines voor het ophalen van het water en hun stelsel van kanalen was even merkwaardig om de vindingrijkheid als om de hydraulische kennis, die eruit sprak”. Als het resultaat der besproeiing in die oude dagen twee- en driehonderdvoudige oogsten waren, zullen, als men er nu toe overgaat met de vermeerderde kennis van natuurwetenschap en de ruimere ervaring, de oogsten nog veel overvloediger zijn.

Men heeft berekend, dat acht millioen pond sterling voldoende zouden zijn, om alle oude kanalen van Mesopotamië te heropenen met de zekerheid, dat de aldus besproeide landen eindelooze voordeelen zouden opleveren.

Zoo God het wil, “ensha’ allah,” zal dit veelbesproken plan spoedig worden uitgevoerd, en Mesopotamië zal dan weer het land van koren en wijn worden, van brood en vruchten, olijfolie en honing.

Als men het heele vilayet Mosoel neemt, bedraagt de bevolking wel haast anderhalf millioen inwoners, en de stad Mosoel alleen moet een kleine zeventig duizend inwoners hebben. Er wonen allerlei nationaliteiten en stammen, die vaak hun eigenaardigheden hebben behouden en ook hun eigen taal spreken. In de stad zijn het meest Arabieren, van wie verreweg het grootste deel Mohammedanen zijn. Zij vormen natuurlijk het godsdienstig element van het volk en zijn tevens de veroveraars, wat ze nooit schijnen te vergeten. Op de markt, in de moskee en op straat laat de Mohammedaan altijd merken, dat hij de heer en meester is. Een Christen komt er altijd slecht af op de markt, want als hij bij een Mohammedaan koopt, mag hij de waren niet aanraken en moet altijd op goed vertrouwen handelen.

In alle moskeeën, die eenmaal christenkerken waren, preekt de mollah met ontbloot zwaard in de hand, opdat het volk zich herinnere, dat de mohammedaansche leer door het zwaard werd verbreid en, zoo noodig, op dezelfde manier moet worden gehandhaafd. Christenen en Joden doen op straat, alsof zij zich wel voor den Mohammedaan onzichtbaar wilden maken. De Mohammedanen doen hun macht gevoelen; maar toch hebben ze graag christenbedienden in huis, en in vele harems zijn de slavinnen, dat zijn de meisjes, die voor haar leven verkocht zijn, kinderen van christelijke ouders, die voor enkele ponden hun dochters hebben verkocht. En het tegenovergestelde is ook waar, namelijk dat christengezinnen dikwijls de voorkeur geven aan een mohammedaansch bediende.

Er zijn vijftien á twintig duizend Christenen in Mosoel, die hun bekeering al dateeren vanaf Sint Thomas; anderen kwamen uit Bagdad naar Mosoel ten tijde van het Kalifaat. Die Christenen zijn het geloof hunner vaderen trouw gebleven, vervolging en beproevingen ten spijt. Er zijn tegenwoordig in Mosoel veel verschillende secten van Christenen, Chaldeërs, Syriërs, Nestorianen, Jacobieten, Armeniërs en Grieken.

De schipbrug over de Tigris tusschen Mosoel en Nineveh.

De schipbrug over de Tigris tusschen Mosoel en Nineveh.

Een uitspanning, waar alle inwoners van Mosoel genoegen in vinden, is een jaarlijksch bezoek aan een warme zwavelbron. Die bron is zoowat twaalf mijlen van Mosoel verwijderd op den weg naar Bagdad en heet Hammam Ali. Een dorpje is om de bron heen ontstaan, maar kan in ’t minst niet voorzien in wat de duizenden bezoekers, die er in den vroegen zomer komen, noodig hebben. Om aan hun behoeften te gemoet te komen, heeft men er kramen of tenten neergezet, met droog gras gedekt, die door een familie gehuurd kunnen worden voor den tijd van haar bezoek. Twee jaar geleden had men uitgerekend, dat tien duizend menschen uit Mosoel daar tegelijkertijd logeerden, huizend in ruimten zonder eenig gerief en zonder eenige hygiënische voorziening, zoodat het niet behoefde te verwonderen, dat er veel ziekte heerschte en dat menigeen, die er genezing kwam zoeken, er den dood vond.

Verleden jaar waren weer zulk een groot aantal menschen te Hammam Ali bijeen, toen op een avond een half afgebrande lucifer achteloos werd weggeworpen met het gevolg, dat binnen weinige minuten een groot deel van de kramen in brand stonden. Er kwamen veel kinderen om en ook twee vrouwen. Den volgenden dag trokken velen weg uit het oord van de ramp. Wij waren toen in een huis, dat halfweg tusschen Mosoel en Hammam Ali lag, en zagen den optocht van vertrekkende bezoekers, een aanhoudenden stroom, die bleef vloeien van den morgen tot den avond. Maar na eenige dagen was de treurigheid vergeten, en de bezoekers begonnen weer terug te komen.

Op een keer zagen wij de beroemde badplaats. Het was laat in den avond, toen wij er kwamen, en we hadden geen tent. De dorpelingen boden ons vriendelijk het gebruik van het bad, de Hammam, aan voor den nacht; maar toen wij eens inspectie hadden gehouden, bedankten we voor het vriendelijk aanbod. De plaats was vochtig en vuil, en het rook er heel onaangenaam. Wij gaven er de voorkeur aan, den nacht door te brengen in een stal, ofschoon daar rattengaten te zien waren! Des morgens bracht ik een bezoek aan het bad, daar het een dag van vrouwenbaden was, en ik vond alles dicht bezet door vrouwen en kinderen. Het water was zeer warm, en ik verbaasde mij erover, hoe ze het konden uithouden, er zoo lang in te blijven. Enkelen zagen er dan ook uit, of ze gekookt waren. Gezonde vrouwen en kinderen baadden er in hetzelfde water als anderen, die aan allerlei kwalen en huidziekten leden. Maar ze waren allen gelukkig en tevreden, en ik kon de arme schepsels niet anders dan gelukkig achten om die afleiding in haar treurig en eentonig leven daar aan de oevers van de Tigris.

Dat is een breede rivier, die wedijveren kan met de Euphraat, waar zij in lengte voor moet onderdoen, maar niet in oudheid en historischen roem. Zij hebben beide het voorrecht, dat aan haar oevers de romantische plek moet hebben gelegen van het Paradijs van Adam en Eva. De tuin van Eden lag, volgens de overlevering in die streek, dichtbij de plaats, waar Tigris en Euphraat samenkomen. Wij gingen er voorbij op onze reis van Basra naar Bagdad; maar het land was overstroomd door de voorjaarsregens, dus kregen wij de Paradijsschoonheid niet te zien.

De Tigris kan, evenals de Euphraat, bogen op belangwekkende betrekkingen tot enkele van de oude koninkrijken onzer aarde. In de buurt bouwde het Assyrische rijk zijn prachtige, versterkte steden. Daniël verhaalt van vizioenen, die hij had aan hun oevers, Cyrus moet met zijn troepen erlangs zijn getrokken, Alexander versloeg de Meden en de Perzen in deze omgeving, terwijl in de vlakte van Nineveh de dynastie der Omayaden-khaliefen ten onder werd gebracht, om plaats te maken voor die der Abassiden.

Ten allen tijde is de Tigris een snelstroomende rivier; maar de snelheid wisselt af met de seizoenen. De grootste vaart heeft het water in het voorjaar, als de sneeuw op al de omringende bergen smelt en naar de rivier vloeit, zoodat de oevers onder water komen te staan en de snelheid groot is. In dien tijd is het mogelijk, over de rivier van Mosoel naar Bagdad te reizen in acht-en-veertig uren, terwijl het in den nazomer en herfst minstens tien of twaalf dagen duurt, eer die reis voltooid is. De loop heeft veel bochten en kronkelingen en is 1040 mijlen lang. De breedte is zeer ongelijk. Te Mosoel is ze even beneden de vierhonderd voet, te Bagdad omstreeks zeshonderd, en op een plek, waar een zijtak zich met den stroom vereenigt, is de breedte meer dan duizend voet.

De bronnen van de Tigris bevinden zich op een hoogte van ongeveer vijfduizend voet boven het zeeniveau, maar het grootste deel van het verval komt voor in den bovenloop, en als de rivier Mosoel heeft bereikt, is de hoogte boven de oppervlakte der zee nog maar 353 voet, en de verdere loop heeft een geleidelijke daling. Met heel weinig moeite zou de Tigris goed bevaarbaar kunnen worden gemaakt tot Mosoel, want de ergste bezwaren zijn rotsen in de rivier, die men wel met dynamiet of een andere springstof kan doen verdwijnen.

In den zomer en den herfst is het water zeer ondiep, en stoombooten zouden groote moeite hebben, om naar Mosoel te komen, doch eenig kundig ingenieurswerk zou de rivier bevaarbaar kunnen maken in alle jaargetijden. Toen een paar malen stoombooten Mosoel hebben aangedaan, wekte dat groote verbazing onder de bevolking. De laatste dertig jaren wordt er nu al in de stad over stoombooten gepraat, maar het blijft bij praten. Wij hoorden een jaar geleden, dat twee stoombooten gecharterd waren, om tusschen Mosoel en Bagdad dienst te doen, en er werd enkel gewacht op een firman van den Sultan, maar wij hebben ze tot nog toe niet zien verschijnen.

In afwachting van de stoombooten inwijding volgen de inboorlingen nog op de rivier dezelfde methoden, die al gangbaar waren in Abrahams tijd. Ze gebruiken een soort van vlot, dat voor passagiers en voor goederen dienst kan doen. Het bestaat uit een aantal geiten- of schapen vellen, opgeblazen en stevig aan elkaâr bevestigd, waar dwarse houten balken over zijn gelegd en stevig vastgebonden zijn. De huiden worden iederen dag nagezien en, zoo noodig, opgeblazen; er moet groote zorg worden gedragen, dat ze nat blijven, want als ze droog worden, barsten ze licht. Zoo’n vlot heeft als bemanning één of twee inboorlingen, die niets anders te doen hebben dan de “kelek” te besturen, dat het vlot in het midden van den stroom blijft, ver van gevaarlijke rotsen en banken. Voor dat doel wordt een ruwe roeiriem gebruikt, gemaakt van een boomtak, met palmbladen aan het eind, waar de riem breeder moet zijn. De kelek drijft met den stroom mee, en de passagiers amuseeren zich vaak met zingen en verhalen vertellen.

Als er een Europeaan mee reist, wordt er nog al eens voor hem een hutje opgezet. Een lichte opstelling latwerk, juist groot genoeg, dat er een reisbed en stoel kunnen staan, wordt met vilt bedekt of met waterdicht doek op het vlot gezet. Bij aankomst in Bagdad wordt het geheel verkocht voor zoowat de helft van den oorspronkelijken prijs. De eigenaar van de kelek verkoopt het houtwerk van zijn vlot, pakt zeer zorgvuldig zijn huiden in en gaat over land naar Mosoel terug, daar de stroom te sterk is, dan dat hij denzelfden weg, dien hij heen is gegaan, ook terug zou kunnen afleggen. Hij is nu klaar, om weer voor een nieuwen tocht een overeenkomst te sluiten. Bij goed weêr is zoo’n reis met een kelek een alleraangenaamste manier van verplaatsing, veel prettiger dan een karavaanreis te land. Men heeft niet die vervelende voorbereiding ’s avonds en ’s morgens. De eigenaar legt eenvoudig het vlot des avonds ergens vast, en zoodra het licht wordt, maakt hij zijn touwen los, en weg glijdt het vaartuig, terwijl de passagier rustig doorslaapt, onbewust van eenige beweging.

Maar, helaas, in den zomer is de rivier de speelplaats van eindelooze massa’s vliegen en muggen, zoodat men haast niet tot rust komt, bij dag noch bij nacht. En natuurlijk is bij een storm een kelek geen heel veilig schip.

De kooplieden uit Mosoel gebruiken deze vlotten, om hun waren naar Bagdad te vervoeren en naar andere plaatsen stroomaf. Na den oogst kan men dagelijks veel keleks uit Mosoel zien vertrekken, zwaar beladen met graan. Alle goederen, voor zuidelijker plaatsen bestemd, worden aldus vervoerd. Voor die groote handelsvlotten gebruikt men drie- à vierhonderd schapen- of geitenvellen, terwijl andere van vijftig tot tweehonderd zijn gemaakt, al naar gelang van de eischen van ’t vervoer. Een Europeaan, die alleen ging reizen, zou zoowat tusschen de honderdvijftig en tweehonderd huiden noodig hebben, om een tamelijk geriefelijk vlot te krijgen.

Inboorlingen bezigen vaak één enkele opgeblazen huid, om de rivier af te reizen en komen er wel eens mee tot Bagdad zelfs. Dat heeft onlangs een man in vier-en-twintig uren volbracht. Het is lang zoo gemakkelijk niet, als het lijkt, om op zoo’n huid in evenwicht te blijven; wij hebben het bij ’t baden vaak geprobeerd, maar vonden het verschrikkelijk moeilijk. De Arabieren gebruiken ze ook als veerbooten; ze nemen dan hun kleêren op het hoofd in een bundel bijeen en houden die zoo droog.

In een dorp bij Mosoel heb ik ook vrouwen zoo over de rivier zien gaan, soms met een kind op den rug en een grooten bundel waschgoed. De Arabieren, mannen, vrouwen en kinderen, zijn heelemaal thuis in de rivier; ze zwemmen als eenden en doen allerlei spelletjes in het water, alleraardigst, om uit de verte naar te kijken. Het lange, losse kleed houden de vrouwen dan wel aan en nemen den zoom van den rok in den mond, om er geen last van te hebben bij ’t zwemmen. Verleden jaar waren wij een poos gelogeerd in een kasteel dichtbij de rivier, zoowat een uur rijden van Mosoel. Toen we daar vertoefden, baadden wij bijna iederen dag, en een klein boschje, dat tot aan den oever van den stroom liep, was onze kleedkamer. Bovendien gaf de eigenaar van het kasteel aan de dorpelingen bericht, dat het boschje iederen middag vrouwenverblijf was, zoodat wij er volkomen vrij waren. Ik nam een arabische vrouw in dienst, om mij te leeren zwemmen, als mijn man verhinderd was. Zij kon zelf zwemmen als een visch, maar ze had er geen idee van, het aan iemand anders te leeren. Toch was ik de kunst meester geworden lang vóór het eind van onze vacantie. Ze liet mij een hand op haar schouder leggen en riep dan: “Sla nu uit!” daaruit bestond haar heele onderwijs uit dat eene woord: “Sla uit!”

De schipbrug in de bevroren rivier. Het was 150 jaren geleden, dat de rivier voor ’t laatst geheel met ijs was overdekt.

De schipbrug in de bevroren rivier. Het was 150 jaren geleden, dat de rivier voor ’t laatst geheel met ijs was overdekt.

Als men erop let, wat er al zoo in de rivier drijft, is het geen aangename gedachte, dat de stroom onzen eenigen watervoorraad levert voor drinken en de huishouding en alles. Gaan we naar de plek waar de waterdragers ons water halen, dan wordt het er niet aangenamer op. Op die plaats wasschen honderden vrouwen de kleederen; mannen en jongens zijn er aan het zwemmen; paarden, muildieren en ezels genieten in het slib, terwijl er hoogstwaarschijnlijk een paar doode katten of honden ronddrijven. Alles verzamelt zich op die bevoorrechte plek. Het is dus zoo vreemd niet, dat ons water vaak op modder lijkt. Natuurlijk filtreeren wij ons drinkwater en koken het altijd ook nog vóór het gebruik. Het wordt van de rivier ons thuisgebracht in huiden op den rug van muildieren of ezels voor een bedrag van drie shillings en vier pence (twee gulden holl.) voor honderd huiden. Het lijkt gek, op die manier voor water te betalen, dat tegen betrekkelijk weinig onkosten gemakkelijk naar ieder huis kan worden aangevoerd door buizen uit de rivier, die zoo dicht in de buurt is. Een energiek wali in Damascus heeft dat gedaan weten te krijgen met benijdbaar goed resultaat.

De vischverkoopers zitten gewoonlijk te visschen op de brug. Meestal gebruiken ze een hengel, met als aas stukjes vleesch of brokjes meloen. Ook wordt er wel vergif gestrooid, om de visschen te dooden, die dan boven komen drijven en gemakkelijk kunnen worden gevangen. In den zomer is het gewaagd, om visch in den bazar te koopen en als ik er zeker van wil zijn, dat ik versche visch krijg, stuur ik een bediende naar de brug, en hij ziet de visch vangen, die hij mij thuis brengt. Natuurlijk vindt hij het niet prettig, in de zon te zitten wachten en gaat liever naar het koffiehuis vlak bij de rivier, om, als er een paar uur verloopen zijn, met leêge handen terug te komen met de boodschap: “Er was vandaag geen visch in de rivier.”

Rivieren zonder bruggen zijn een ware beproeving voor het geduld, als men op reis is. Het duurt zoo lang, eer alles overgezet is en de overvaart heeft meestal plaats aan het eind van een etappe, als men al vermoeid is en, ik moet het maar bekennen, niet in zijn beste humeur. Het wachten in de brandende zon, terwijl de booten worden gehaald, het vermoeiende marchandeeren en alle andere geduldsbeproevingen worden honderdmaal moeilijker te dragen, doordat men weet, dat daar aan den overkant de rustplaats is voor den verderen dag en den nacht, zóó dichtbij en toch zoo veraf! Als ge zoo zit aan den verkeerden kant van de rivier, is het moeilijk, kalm te blijven en in vrede met alle menschen. Wat wou ik graag net als de dieren maar naar de overzij zwemmen! Een klein bedrag moet men geven voor het transport van ieder dier, en dus geeft de muildierdrijver er vaak de voorkeur aan, zelf over te zwemmen en zijn dier mee te nemen. In den regel is er maar één veerboot; dus men moet zijn beurt afwachten, en daar ieder overtocht zoowat een uur duurt, wordt er soms veel van het geduld gevergd.

Mutrâv Paulus, bisschop van de syrische Roomsch-Katholieke kerk, te Mosoel.

Mutrâv Paulus, bisschop van de syrische Roomsch-Katholieke kerk, te Mosoel.

De veerboot is een groote platboomde schuit, anti-diluviaansch van voorkomen, en men verbaast zich erover, hoe ze het gewicht kan dragen, dat erop wordt geladen. Als een rijtuig moet worden overgezet, worden de paarden eerst uitgespannen; dan wordt het voertuig op de pont getild, en passagiers en paarden moeten maar staan, waar er ruimte is.

Zijt ge eenmaal aan den overkant, dan is ’t leed nog niet geleden, want als de tent zal worden opgeslagen, blijkt het, dat een van de palen achtergebleven is. Dus maar weer wachten. Of je denkt, dat een kopje thee den tijd zou kunnen verdrijven, en je bemerkt, dat de houtskool nog aan den overkant is. Er is niets te doen dan te wachten, tot alles er is, om te beginnen met toebereidselen voor de welverdiende rust.


Er is wel eens gezegd, dat er niet zoo heel veel schoonheid te zien is achter den sluier in Turksch-Arabië. Daar ben ik het niet mee eens, want ik heb heel mooie gezichten gezien onder de vrouwen uit Mosoel. Er zijn schoonheden voor elken smaak; de bekoorlijke blondine met lichtblauwe oogen en blond haar treft men aan, zoowel als de opvallende brunette, die met lachende, bruine oogen u van achter haar sluier aankijkt, oogen soms vol pathos als van een trouwen collie, die zijn meester heeft verloren.

Ik vind de grootste aantrekkelijkheid van de oostersche vrouwen haar oogen. Ik zie in mijn gedachten onder het schrijven typen vóór mij van gezichten, niet eens mooi in den gewonen zin van het woord, maar met oogen als wonderen, openbarend een ziel vol droefenis uit verlangen naar iets onbereikbaars, oogen, die u aan het schreien zouden kunnen brengen, zulk een verlangen naar liefde spreekt eruit. Een ander type is dat van de levendige, vroolijke soort, gewoonlijk te vinden onder jonge, ongetrouwde vrouwen. Het huwelijk heeft in het Oosten gewoonlijk de uitwerking, dat het alle opgewektheid van het gezicht en uit het leven verbant. Aardige, vriendelijke gezichtjes zijn er ook genoeg in Mosoel; ze zouden misschien niet mooi kunnen worden genoemd, maar lief zijn ze. Jammer, dat de schoonheid in het Oosten gewoonlijk zoo kort duurt; een vrouw van dertig is er totaal passée; maar toch ziet men wel oude dames in Mosoel, die er goed uitzien. Grijs en wit haar ontdekt men haast niet, want als dat begint te komen, gaan de vrouwen over tot henna en verven de haren ermee.

Mooie kinderen ziet men in Mosoel, donkere en blonde met blauwe oogen en krullend haar. Maar die laatste stijl van schoonheid wordt niet algemeen bewonderd. Als een kind krulhaar heeft, trachten de vrouwen op alle manieren de krul eruit te krijgen en vragen soms wel om medicijnen met dat doel. In den harem hooren de kinderen, helaas, veel verkeerde dingen, en jongens en meisjes groeien er op in een omgeving, die de onschuld der jeugd spoedig verjaagt en bederft. Wat heb ik vaak in een harem een gesprek trachten af te breken over dingen, waar men niet over spreekt, door de vrouwen attent te maken op jongens of meisjes, die met open ooren zaten te luisteren. Soms zwegen ze dan, maar vaak ook lachten ze en zeiden: “Wat kan dat schelen; ze weten er alles van!” Is het te verwonderen, dat die kinderen opgroeien met een verhard gemoed en een kranke ziel?

Ons huis in Nineveh.

Ons huis in Nineveh.

Voor de kinderen der Mohammedanen is er geen hoop, als niet de moeders iets hebben leeren begrijpen van een reiner levensopvatting, en voor de vrouwen is er geen hoop, als de mannen blijven, zooals ze zijn. De sluier houdt de vrouwen gevangen voor het leven. Als wij enkele harems in Mosoel gaan zien, breng ik u niet naar plaatsen, waar gij over de gesprekken zoudt moeten blozen, maar daar, waar wij niets aanstootelijks zullen zien of hooren. Bij een naasten buurman van ons, een man, die in een groot huis woont en een hooge maatschappelijke positie in de stad bekleedt, treden we binnen door een poort en gaan naar een groote ontvangkamer, waar de heer des huizes ontvangt, maar waar wij met streng gesloten sluier doorheen stappen naar de deur van den harem. Die deur is altijd gesloten; als men klopt, wordt ze geopend door een vrouw of meisje, die dadelijk ons de hand of het kleed kust en ons dan brengt in tegenwoordigheid van de khatoen, de vrouw des huizes. In dit geval is de dame in het zwart gekleed, omdat ze nog niet zoo lang geleden weduwe was. Ze staat op van haar plaats tusschen de kussens op den grond en groet diep bij ons binnentreden; daarna heet ze ons welkom in haar huis en wijst ons plaatsen naast zich aan. Wij gaan zoo gemakkelijk mogelijk zitten met de beenen gekruist onder ons naar echt arabischen trant. Dan komt de schoondochter binnen, een zwak vrouwtje, en met haar een klein meisje, haar eenig kind. Ze is bedroefd, omdat ze geen jongen heeft en vreest, dat haar man daarom van haar zal willen scheiden. Na mijn vertrek uit Mosoel vernam ik, dat er voor die vrees reden bestond, want haar man heeft haar weggezonden en een andere vrouw in haar plaats genomen. De koffie werd door een der vele vrouwelijke bedienden gepresenteerd, en onze gastvrouw is er zeer verbaasd over, dat wij niet met haar een sigaret willen rooken. In denzelfden harem wonen vaak een dozijn vrouwen of meer, en dan is het wel eens moeilijk, de dames, vrouwen van broeders dikwijls, uit elkaâr te houden. De betrekkingen kunnen ingewikkeld zijn, en er waren verscheiden huizen, waar ik dikwijls kwam en toch nog niet de verschillende connecties van tantes en nichten enz. wist te onderscheiden.

Hier is weer een heel ander soort van harem. Mijn speciale vriendinnen in dit huis zijn twee jonge, nog niet getrouwde meisjes. Het zijn vroolijke, aardige wezentjes, die bij mijn binnentreden mij hartelijk omhelzen en mij demonstratief welkom heeten. Als ze mij verwachten, is er altijd een maaltijd voor mij gereed en als mijn bezoek niet vooraf is aangekondigd, moet er altijd een vrouw naar de naastbij gelegen soek of markt gaan, om wat lekkers te halen. Ze zijn niet rijk, en ik zeg altijd, dat ze ’t niet moeten doen, maar dat helpt niet. Ook hier zijn veel vrouwen, alle min of meer met elkaâr verwant. Als ik ze verwar, wat soms gebeurt, en de namen vergeten blijk te zijn, spijt ze dat en ze roepen uit: “Wat, heeft u mij vergeten?”—“Was ik de vorige week niet nog in het hospitaal?”—“Heb ik Die en Die niet bij u gebracht?” en zoo meer en zoo meer. Als ze mij eenmaal hebben ontmoet, meenen ze, dat ik alles van ze heb onthouden en dikwijls moet ik tot list mijn toevlucht nemen, om hun namen te hooren, zonder mijn eigen vergeetachtigheid te verraden.

Terwijl we zitten te praten, zijn de meisjes druk bezig met het haken van mutsjes, die in de soeks verkocht worden voor zoowat een shilling het dozijn, katoen inbegrepen. In andere wijken van de stad zal men de vrouwen bezig zien met het breien van sokken, en weer elders is het maken van sigaretten in de mode. Elke wijk schijnt zoowat haar eigen stijl van vrouwelijken huisarbeid te hebben en blijft daaraan vasthouden.

Ik bezoek niet alleen de harems in de steden; maar de harems brengen mij dikwijls een bezoek in ons huis. De armere vrouwen komen vrij binnen en weten, dat ze altijd welkom zijn. Wij hebben een aparte kamer voor vrouwelijke bezoekers, dat ze zich volkomen vrij zullen voelen van mannelijke bedienden, die mochten komen opdagen. De dames uit de hoogere standen komen niet zoo dikwijls, want het heet, dat hoe strenger ze zich bepalen tot den eigen harem, des te deftiger en gewichtiger zijn ze in de oogen van hun omgeving. Er woont een familie te Mosoel, die er trotsch op is, dat haar harem nooit in eenig huis een bezoek heeft gebracht. De dames waren er zoo streng in afzondering gehouden, dat ze nog maar pas in den laatsten tijd verlof hebben gekregen, om naar het bad, den hammam te gaan. Nadat ik kennis had gemaakt met de dames van dien harem, stelde ik er een eer in, de toestemming voor haar te erlangen, mij te mogen bezoeken. Ze hadden er niet veel hoop op, dat haar heeren en meesters zoo iets ongehoords zouden goedkeuren. Op een goeden dag echter vertelde mijn man aan den eigenaar van het huis, dat ik er grooten prijs op zou stellen als de dames van den harem mij een bezoek wilden brengen. Tot groote verbazing van iedereen gaf hij zijn toestemming, enkel verzoekend, dat het bezoek zoo stil mogelijk zou worden gehouden. De dames waren in één opwinding, en dagen van te voren spraken ze over den voorgenomen uitgang en maakten er toebereidselen voor. Op den vastgestelden dag moesten alle mannen zich uit de voeten maken. De dokter werd uit het huis verbannen voor den heelen namiddag; de mannelijke bedienden kregen vacantie, en alle deuren, waar toevallig een man door zou hebben kunnen binnenkomen, werden zorgvuldig gegrendeld.

Toen de tijd daar was, verscheen eerst een vrouwelijke bediende, om te hooren, of alles gereed was. Toen ze zich overtuigd had, dat er geen man in de nabijheid was of onverwacht zou hebben kunnen verschijnen, ging ze terug, om de dames te halen. Ze kwamen in alle glorie van zwart zijden mantels, die Judy, toen onze vrouwelijke hulp, zorgvuldig opvouwde. De beide oudere dames waren zeer eenvoudig gekleed in katoenen of stoffen japonnen; maar de jonge vrouw had zich laten dossen in een van haar bruidscostumes en zag er zeer bekoorlijk uit. Ze was toen nog maar zestien jaar en had al twee mooie kinderen, een jongen en een meisje. Ze vonden het allen zoo prettig, eens uit te gaan voor de eerste maal in haar leven. We aten eerst, als gebruikelijk, komkommers en watermeloenen, gevolgd door thee en koffie, engelsche biscuits en eigen gebakken koek. Dien laatste vonden ze lekker en ze vroegen, of ze er een stukje van mee mochten nemen, om de andere bewoonsters van den harem te laten proeven. Natuurlijk wilden ze graag het huis zien, en ’t was aardig, onder het gaan van kamer tot kamer haar opmerkingen te hooren.

Ons klein harmonium trok zeer de aandacht, en ze luisterden met de grootste attentie, toen ik een paar van onze oud-engelsche liederen speelde en zong, die ik in ’t Arabisch had vertaald. Een van de dames, die probeerde te spelen, begreep niet, waarom er geen geluid kwam voor haar, en toen ik de pedalen in beweging bracht, was ze dolblij, dat zij ook “muziek kon maken”. Hun vreugde leek heel veel op die van kleine kinderen, als ze een nieuw stuk speelgoed vinden. Ze bleven ongeveer drie uren en bij ’t weggaan beloofden ze, gauw terug te komen. Deze harem is een bijzonder gelukkige, ook al doordien er maar één getrouwde vrouw is; daar de beide oudere dames ongetrouwde zusters zijn van den man. Ze leven samen in vrede en eensgezindheid. Jammer, dat zoo iets uitzondering is, en dat in bijna alle harems haat en jaloezie een hoofdrol spelen.

Men heeft vaak beweerd en ook dikwijls terecht, dat de liefde geen rol speelt in het leven eener mohammedaansche vrouw, en toch hebben ze feitelijk veel behoefte aan aanhankelijkheid en zijn zelf ook beminnenswaardig. Als men haar liefde en vertrouwen heeft gewonnen, kan men daar altijd staat op maken. Het is dan wel een weemoedige gedachte, dat deze vrouwen zooveel moeten lijden en ontberen en dikwijls zoo wreed door de mannen worden behandeld. Medelijden en sympathie moet men ze toedragen. Bij de geboorte al zijn ze onwelkom, waar men zooveel liever een jongen heeft; dan blijven ze zonder liefderijke leiding en zonder onderwijs, worden als jong meisje en jonge vrouw achter den sluier verborgen gehouden, worden als echtgenoote niet bemind en als moeder niet geëerd, en als het bezwaarlijke leven voor haar ten einde loopt, zinken ze onbetreurd in het graf. Dit is in groote trekken het leven van een mohammedaansche vrouw.

Wat de huwelijksplechtigheden betreft, die maken een trouwpartij in Mosoel tot een zeer dure geschiedenis, vooral voor ouders, die drie of vier dochters hebben. Er volgt geen huwelijk, als niet de huwelijksgift aanwezig is van het noodige goud en juweelen en een schitterend uitzet. Daarom zal een man, die veel dochters heeft, al vroeg beginnen te sparen voor haar uitzet, en de moeders gaan vaak al vóór de verloving allerlei kleeding aanschaffen, dat ze maar beter aan de eischen van de trouwpartij kunnen voldoen, als die werkelijk plaats vindt.

Dan moet er niet enkel voor het uitzet worden gespaard, maar ook voor het onthaal van eenige honderden personen en gasten gedurende de zeven op het huwelijk volgende dagen. Een man van behoorlijken welstand in Mosoel vertelde mij eens, dat het huwelijk van zijn dochters hem voor ieder tweehonderd pond sterling kostte, en daar hij zeven dochters had, was de vereischte som niet gering. Als die man met een goed inkomen het moeilijk vond, het vereischte bijeen te brengen, hoeveel moeilijker moet het dan niet zijn voor diegenen, die geen vast inkomen hebben en die weinig verdienen. Een inlandsche christen, dien wij hoog waardeerden en van wien we veel hielden, had twee dochters. Beide waren verloofd en stonden op het punt, te gaan trouwen. Hij verdiende drie pond sterling per maand en had een vrouw en zes kinderen te onderhouden; hoe zou hij het geld voor de sieraden van zijn dochters bijeenbrengen? En als hij het niet deed, zouden de meisjes misschien nooit trouwen. Er was maar één manier, om de moeilijkheid op te lossen, dat was, geld te leenen tegen hoogen interest en zoo zichzelf aan banden te leggen voor een langen tijd, mogelijk voor zijn heele leven. Voorbeelden genoeg zijn er van dien aard, om aan te toonen, dat meisjes dure brokjes zijn in Mosoel, als men ze aan den man wil brengen. En dan de voorbereiding voor den gewichtigen dag!

De studeerkamer van Dr. Hume-Griffith in Mosoel.

De studeerkamer van Dr. Hume-Griffith in Mosoel.

Als een man besluit, een vrouw te nemen, of als zijn ouders voor hem de overtuiging krijgen, dat het hoog tijd wordt voor hun zoon, om te trouwen, worden er allerlei samensprekingen gehouden, en de vrouwen hebben er veel in te zeggen. Ze zijn nooit gelukkiger, dan wanneer ze een huwelijk in elkaâr kunnen zetten en vinden genoegen in het geheimzinnige, dat ermee samenhangt, want het mag nooit gebeuren, dat een liefhebbende moeder de hand van haar dierbaren zoon zou aanbieden aan de moeder van een mogelijke bruid en een weigering zou ontvangen. De schande daarvan zou te groot zijn; dus moeten de moeder en de andere vrouwelijke betrekkingen van den aanstaanden bruidegom zeer voorzichtig te werk gaan in de keus van het meisje en in het doen van het huwelijksaanzoek.

Voor het eigenlijke “vragen” aan de orde is, moet de weg geëffend worden door zijdelingsche wenken en vragen omtrent de gezondheid van het meisje, haar bekwaamheden en haar bruidsschat. Als alles naar wensch is, wordt een formeel aanzoek gedaan. Is men zoo ver, dan volgt zelden een weigering, en komt die toch, dan is het een groote beleediging.

Mohammedaansche vrouwen hebben mij wel eens gevraagd, haar een geschikt meisje aan te wijzen voor haar broeder of haar zoon. Als ik dan een paar meisjes noemde, die ik kende, waren de antwoorden bij voorbeeld: “O, maar die heeft een wit vlekje op het oog”, of “Die is te arm”, of “Zij heeft een slecht humeur”, of “Ze is niet mooi”. Haar begrip van schoonheid is dat van een bleek, vol gezicht zonder een zweem van kleur behalve de door kunst aangebrachte. Natuurlijk krijgt de man het meisje in ’t geheel niet te zien vóór den dag der verloving en bij strenge Mohammedanen niet vóór den trouwdag. Men moet soms medelijden hebben met arme bruidjes, die verbonden worden aan mannen, oud genoeg, om haar grootvaders te zijn of zelfs haar overgrootvader!

Als de trouwdag nadert, worden uitnoodigingen gezonden naar alle vrienden en betrekkingen voor bepaalde dagen van de feesten. Eerst komt de dag, waarop de bruid naar het bad gaat, een belangrijk moment, dat gevolgd wordt door een week van opwinding met dansen en zingen en feestvieren. Allen hebben er schik in, zelfs diegenen, die het hardst moeten werken, om alle maaltijden klaar te krijgen. De gasten blijven elken dag van ’s morgens tot ’s avonds. Drie maaltijden worden elken dag opgedischt. ’s Morgens een, die bestaat uit boter en brood, room, vruchten enz.; het middagmaal is stevig en bestaat uit vleesch, op verschillende manieren toebereid, rijst, kip en de groenten van het seizoen. Ook de avondmaaltijd is weer zwaar, en de gasten gaan hoogst voldaan naar huis.

Die heele week lang moet de bruid in de ontvangkamer zitten op een kussen, speciaal voor bruidjes vervaardigd, en neemt geen deel aan de feestelijkheden. Elken dag moet ze weer een andere zijden japon dragen, overladen vaak met goud en juweelen. Zij spreekt niet, als ze niet wordt toegesproken, en de gasten nemen niet veel notitie van haar, als ze den gebruikelijken begroetingskus hebben gegeven. Aan de maaltijden brengen de familieleden haar eten, dat haar moet worden gevoerd, want een bruid is, naar het heet, te aangedaan, om zelf te eten.

Als de feestdagen ten einde zijn, neemt de bruid haar plaats in, eigenlijk als “meid” van haar schoonmoeder. In een mohammedaansch huis wordt de jongste en laatste vrouw het eerste jaar van haar huwelijksleven de meid van allen en blijft dat, tot een jongere in den harem wordt opgenomen. Veel hangt af van het karakter der schoonmoeder, als men vraagt, hoe het lot van de haremvrouwen is. Als zij willen, kunnen ze het leven der jonge vrouwen bepaald ondragelijk maken, doch ook het tegendeel.

Diezelfde gewoonte van dagen achtereen feestvieren treft men ook aan bij begrafenissen. De gasten, die komen klagen, zitten den heelen dag in ernstig zwijgen; maar hun rouw staat hun eetlust niet in den weg, want ze genieten het goede in die dagen van droefheid ten volle. Na den dood komen dadelijk de klaagvrouwen binnen, een ambtelijke groep, die midden tusschen de verwanten en gasten zit en niet anders doet dan zich opwinden tot een nagemaakte smart met een ijver, dat men denkt, ze van uitputting flauw te zullen zien vallen. Ze rukken aan haar kleeding, slaan op haar knieën, trekken zich aan de haren, tot ze half krankzinnig lijken. Het is een weerzinwekkend gezicht.

Maar om van den dood over te gaan tot het leven, als er een kind in Mosoel wordt geboren, is de eerste zorg van de ouders, zoowel in mohammedaansche als in christelijke gezinnen, het kind te beschermen tegen den noodlottigen invloed van het Booze Oog. De gewoonte is, een galnoot aan een draad te rijgen en die den zuigeling om den hals te hangen. Mohammedanen naaien een Koranspreuk in een zakje en bevestigen dat om den arm van het kind of op het mutsje. Het gebruik van het dragen van amuletten, om het Booze Oog te ontwijken komt veel voor en is diep geworteld in de zeden van het volk in Mosoel.

Perzische manier van irrigatie, waarbij een os de velden besproeid door het ophijschen van een emmer, die zichzelf leegt in een vooraf gemaakte goot.

Perzische manier van irrigatie, waarbij een os de velden besproeid door het ophijschen van een emmer, die zichzelf leegt in een vooraf gemaakte goot.

Het kussen van de hand is een aantrekkelijke gewoonte. Kinderen leeren dat al, voordat ze kunnen praten of loopen. Bedienden zijn altijd haastig met het kussen van uw handen, nadat ze iets zeer vervelends of ergerlijks hebben gedaan. Ze grijpen uw hand en kussen die, voor je nog recht weet, wat ze gaan doen. Op die manier meenen ze de vergiffenis al te hebben gewonnen, eer de schuld bekend is. Ik ben er nu slimmer op geworden, en wil liever eerst hooren, wat er gebeurd is, eer ik ze in staat stel, mijn hand te kussen. Het is ook een teeken van dankbaarheid.

Wie een bakshisch of een geschenk ontvangt, is altijd bereid, de hand van den gever te kussen. Onder het rijden door de stad is het mij soms gebeurd, dat mijn hand gevat en gekust werd door een voorbijganger, die als patiënt in het ziekenhuis had gelegen en zijn dankbaarheid op die manier wilde toonen. Een man moet al groote genegenheid en innige dankbaarheid voelen, om de hand van een vrouw te kussen; dus als dat eens gebeurde, voelde ik mij inderdaad zeer vereerd.

Een vreemde, maar niet onaangename gewoonte in Mosoel is die, om bladen met een volledigen maaltijd erop, gekookt en netjes voorgediend, te zenden aan vreemdelingen, die pas zijn aangekomen, of aan iemand, die na lange afwezigheid thuis komt. Wij kenden dat gebruik niet, toen wij pas in Mosoel kwamen; dus waren we hoogst verbaasd, toen tegen zonsondergang van onzen tweeden dag twee of drie mannen op het erf kwamen met groote bladen op het hoofd. Ze verklaarden, dat hun meester, een mohammedaansch koopman, dezen maaltijd had gezonden met veel groeten en goede wenschen. Het was een dîner, groot genoeg voor wel twintig menschen. Wij brachten bij ons samen wie we maar konden vinden, assistenten, catechisanten en anderen, die ons vriendelijk met de verhuizing hadden geholpen. Op het binnenplein lieten we een paar perzische tapijten leggen en zaten daar aan, met veel genoegen onzen eersten echt arabischen maaltijd in Mosoel gebruikend.

Als iemand de stad verlaat of op reis gaat, sturen de menschen bladen met lekkernijen, koekjes en snoeperij, die gemakkelijk kan worden meegenomen op reis. Toen wij Mosoel verlieten, kregen we een heele boel van die bladen, zooveel zelfs, dat aan het slot van onze veertiendaagsche woestijnreis, we nog vrijwat van al die goede gaven over hadden. Er waren lekkernijen bij van gestampte amandels, met suiker vermengd, dus een soort van noga en andere van heerlijk deeg met honig ertusschen.

Hier moet ik ook even vertellen van de broodbaksters. Het is onder een groot deel van het volk de gewoonte, eens in de maand maar brood te bakken in voldoende hoeveelheid, om al dien tijd te strekken. De bakdag is een feit van beteekenis en geen pretje in de huishouding. Het begint al kort na middernacht, als de vrouw komt, die het deeg bereidt en klaar zet voor het rijzen. Dien heelen dag moet iedere vrouw van het gezin zich beschikbaar stellen, om hulp te verleenen. De een moet het deeg tot kleine koekjes vormen; een ander begint ze uit te rollen en schuift ze dan naar haar buurvrouw, die een kleinere rol in de hand heeft, tot die het uitgerolde deeg weer aan iemand anders overdraagt voor een laatste rolling.

Als dat gebeurd is, blijkt het deeg bijna zoo dun als postpapier en zoo groot als de houten hoepel van een kind. Dan kan het worden gebakken. De brandstof, gebruikt voor de verhitting van den oven, die gestookt wordt tot de vereischte hitte bereikt is, bestaat uit gehakt stroo en geitenmest. De groote, dunne broodplaten worden dan tegen de wanden van den oven gepleisterd en weggenomen, als ze een keurigen graad van bruinheid hebben gekregen. Het brood is heel lekker, als het versch en bros is; als het oudbakken is, weekt men het gewoonlijk eerst in water, eer het op tafel wordt gebracht.

Wij bakken ons brood niet op die manier. Ik probeerde het een keer voor de inwonende patiënten van het hospitaal, maar vond, dat het veel te veel tijd kostte. Het dagelijks bakken is veel geschikter, als er dagelijks een dertig of veertig menschen gevoed moeten worden.

Een groep perzische meisjes.

Een groep perzische meisjes.

De bewoners van Mosoel zijn over het algemeen een eenvoudig slag van menschen. Zij zijn gemakkelijk te vermaken; men wint licht hun hart; maar ze winden zich ook spoedig op tot drift. Meestal zijn ze goedgehumeurd en geduldig en, in aanmerking nemend, hoezeer bij hun opvoeding de lessen in zelfbeheersching worden verwaarloosd, moet men erkennen, dat ze minder voet geven aan hun hartstochten, dan men zou verwachten.

Ze hebben veel maatschappelijke verplichtingen en zijn gezellig van aard, houden ervan, verhalen te vertellen en ernaar te luisteren onder het drinken van koffie en het rooken van een pijp. Ongelukkig drinken ze niet alleen koffie, en al die gezelligheid leidt tot drankgebruik. Arak vooral wordt veel gedronken, zoowel door Christenen als door Mohammedanen. Het is een sterk vocht, dat in Mosoel wordt bereid door Christenen en Joden en door hen aan de Mohammedanen wordt verkocht. Geen feest of welke plechtigheid ook kan er zijn, of er moet arak bij. Bij huwelijken, begrafenissen, maaltijden wordt dat vuurwater geschonken. Het spijt mij te moeten zeggen, dat de vrouwen ook drinken, maar lang niet zoo algemeen als de mannen.

Natuurlijk wordt het als groote zonde beschouwd voor een Mohammedaan, om wijn of sterken drank te gebruiken, daar beide in den Koran verboden zijn; maar hun liefde voor den arak is in veel gevallen sterker dan die voor den Koran. Een Mohammedaansche in Mosoel vertelde mij onlangs, dat ze niet dacht, dat er één Mohammedaan in Mosoel was, die niet nu en dan wijn of arak dronk. Ik hoop, dat zij overdreef; maar de neiging, om zich voor de drinkgewoonte niet te schamen en er met minder bezwaar toe over te gaan, wordt steeds algemeener. Het is een droevige gedachte, dat de Christenen in de stad de vervaardigers en verkoopers zijn van wijnen en sterke dranken, en dat zij verantwoordelijk zijn voor het gebruik in Mosoel.

Opmerkelijk is het, hoe bijgeloovig de menschen in Mosoel zijn. Onze meid Judy is ook een vrouwtje, vol van bijgeloovige denkbeelden. Toen wij in Mosoel woonden, kreeg ik het treurige bericht van den dood van mijn vader. Toen ik mijn smart liet blijken was de arme Judy dood ongelukkig, omdat ik bij te diepe of te zeer aan den dag gelegde droefheid God wel eens kon tarten, om ook mijn man weg te nemen. Daar er veel primitiefs is in de kleermakerskunst van Mosoel, wou ik sommige stukken zwart laten verven. Judy wou daar niet van hooren en zei, dat alleen weduwen zwarte kleeren moesten dragen, en dat ik, als ik zwart ging dragen voor mijn vader, zeker ongeluk over mijn man zou brengen.

Een ander voorbeeld van haar bijgeloof. Ze zou er zich wel voor wachten, over onze voeten te stappen! Op zomeravonden zaten wij in onze veranda, die nog al smal was, en als we bij toeval onze voeten zetten op een voetkussen vóór ons, bleef er weinig plaats over, om te passeeren. Ik kon eerst niet begrijpen, waarom Judy nooit daarlangs ging, als ze aan dien kant de kamer moest ingaan, tot ze mij eens vertelde, dat zij, als ze over onze voeten stapte, gevaar liep, ons leven af te snijden, en dat het, als wij stierven, dan haar schuld zou zijn.

Het is verbazend, hoe dom bijgeloovig ook de menschen van de hoogere standen zijn. De vrouw van een zeer rijken christelijken koopman in Mosoel had een kind, dat hevig aan de oogen leed. Zij bracht den jongen naar het hospitaal; maar toen ze merkte, dat de behandeling hem pijn deed en aan het schreien bracht, hield ze hem thuis. Wij hoorden later, dat ze een griezelig middel had toegepast, door bijgeloof voorgeschreven. Er werd een schaap gekocht en geslacht, en het kind moest met het hoofd midden in het doode dier gaan liggen en het er een kwartier houden. Kan men zich iets weerzinwekkenders voorstellen? En toch zijn dit rijke en op den voorgrond tredende leden van de gezellige wereld in Mosoel, die werkelijk geloofden, op die manier de oogen van hun kind te genezen. Onnoodig te zeggen, dat de gewenschte uitwerking uitbleef, en maanden later brachten ze het kind weer. Door de ervaring wijzer geworden, lieten ze den dokter zijn gang gaan met het gevolg, dat na twee maanden van dagelijksche behandeling de oogen totaal genezen waren.

Ik weet niet, wat het voordeel is van het dooden van een schaap of een geit, maar in Mosoel doet men het bij allerlei gelegenheden. Bij onze terugkomst van Beiroet, toen we drie maanden uit waren geweest, werd een levende geit ons tegemoet gezonden in de woestijn, en toen wij uit het rijtuig stapten, werd het arme beest vlak vóór onze oogen doodgestoken. In Perzië was het zelfs bij de Armeniërs gewoonte, bij een huwelijk een schaap te dooden juist als bruid en bruidegom over den drempel van hun nieuwe woning gingen. Het werd niet als gelukkig beschouwd, indien de bruid niet juist haar voet had gezet in het bloed. Ik geloof, dat in Mosoel ook bij trouwpartijen op deze manier een schaap wordt geslacht, maar ik heb het nooit bijgewoond.

Als een vrouw graag moeder wil worden, zijn er allerlei bijgeloovige methoden, waar ze haar toevlucht toe kan nemen; maar de meest algemeene is die van Sjeik Matti. Dat is een klooster, dat een twaalf uur rijdens van Mosoel verwijderd is op een eenzaam gelegen berg. De vrouw doet een pelgrimtocht naar die plaats, en men zegt haar dan, dat zij een nacht moet doorbrengen in de eenzame kapel daarboven. In haar slaap zal een engel het gebouw bezoeken, en als haar gebed zal worden verhoord, zal hij een appel bij haar hoofd leggen. Wil de engel bijzonder vriendelijk en welwillend zijn voor de vrouw, dan zal hij twee of zelfs drie appels neerleggen, en het aantal appels zal aanduiden, hoeveel kinderen haar zullen worden geschonken. Vreemd genoeg, hebben die engelenbezoeken nooit plaats, als er niet een zeer voldoend aantal bakschisch is gegeven, om ze uit te lokken!

Er zijn ook een massa bijgeloovigheden aangaande medische behandeling van ziekten en ongelukken, maar die verdwijnen tegenwoordig snel, nu de menschen de europeesche behandeling beter leeren kennen. Door ervaring leeren ze, hoeveel beter de engelsche methode is dan de hunne. Zoo bij voorbeeld was het algemeen de gewoonte van koortslijders, naar den mollah te gaan, die zijn handen op het hoofd van den zieke placht te leggen onder het lezen van eenige Koranverzen. Als de koorts niet dadelijk week, wel, dan was dat de schuld van de koorts, niet van den mollah. Ik meen wel, dat koortspatiënten beginnen te begrijpen, dat engelsche medicijnen meer helpen dan handopleggingen van den mollah.

Als iemand door een dollen hond is gebeten, wat, het aantal straathonden in aanmerking genomen, niet dikwijls gebeurt, gaat hij dadelijk naar den sjeik, die hem een tegengif zal geven. Dit bestaat in een dadel, waar de steen uit is genomen, en waar de sjeik twee- of driemaal in heeft gespuwd, om de opening te vullen, waar de pit heeft gelegen. Heeft de gebetene die vrucht opgegeten, dan behoeft hij niet meer bang te zijn voor het krijgen van hydrophobie.

Droomen en vizoenen hebben grooten invloed op den oosterschen geest. De menschen gelooven stellig, dat God daardoor dikwijls tot zijn kinderen spreekt en ze gebruikt als waarschuwing voor dreigend gevaar of als een stem, die leering geeft. Kort geleden kwam een mohammedaansche vrouw in het hospitaal, lijdende aan dubbel cataract. Ze was al vele jaren blind geweest en verlangde naar een operatie. Ze zei, dat, als ze maar genoeg kon zien, om het erf aan te vegen, dat ze dan wel in haar onderhoud kon voorzien. De dokter onderzocht haar oogen en deelde de vrouw mede, dat hij niet voor het resultaat kon instaan, omdat haar oogen niet gezond waren. Maar daar ze totaal blind was, kon men het probeeren, en misschien zou ze zooveel kunnen onderscheiden, dat ze zich alleen kon redden. Dus werd ze in het hospitaal opgenomen, om op geschikten tijd te worden geopereerd. Het was een hartelijke, gevoelige vrouw met veel intuïtief waarnemingsvermogen. Als ik de deur van haar zaal maar naderde, riep ze reeds, vóór ik nog een woord had gezegd: “Daar is mijn khatoen!” Soms sloop ik stil binnen, om eens te zien, of ze zou merken, dat ik in het vertrek was. Dat deed ze bijna altijd en als ze opzat in bed, luisterde ze gespannen, of ze mij hoorde en zei dan tot een van de andere zieken: “Is de khatoen niet hier?” Voelde ze dan mijn hand, dan greep ze die en zei: “Ik wist het; ik voelde het hier!” Daarbij wees ze op haar hart. Zij was zoo opgewonden, dat mijn man bang was, haar de een of andere dwaasheid te zien doen òf vóór de operatie òf erna. Hij waarschuwde haar, dat, als ze zich niet rustiger hield, ze haar oogen wel heelemaal kon verliezen; maar bij het naderen van den gewichtigen dag werd ze al zenuwachtiger. Op een morgen echter vonden wij haar heel kalm en ze haastte zich, ons de reden van haar rustigen gemoedstoestand mee te deelen. In den nacht had ze een vizioen gehad, dat al haar vrees had weggenomen en haar geloovig vertrouwen had geschonken.

In haar droom was het, of ze in de woestijn liep, waar ze een mollah ontmoette, die haar uitschold en haar vervloekte. Toen ze wilde vluchten, zag ze een gestalte naar haar toe komen, die zij wist, dat Onze Heer Jezus was, den Levende, zooals hij in ’t Arabisch heet. Hij sprak vriendelijk tot de vrouw en vroeg haar, waarom ze weende. Zij antwoordde den Heer, dat de mollah hard tegen haar was geweest. In haar droom zag ze toen, hoewel ze blind was, dat de Heer zich tot den mollah wendde en hem berispte, omdat hij de vrouw gehinderd had, en tot de verbaasde vrouw sprak hij: “Ween niet, mijn dochter, want de engelsche dokter zal u binnen weinige dagen het gezicht teruggeven.” Toen verliet Hij haar. Zij ontwaakte vast overtuigd, dat dit een bijzondere openbaring van God was door Jezus, onzen Heer, om haar te verzekeren, dat ze het gezicht terug zou krijgen. Van dat oogenblik af was ze volkomen rustig en bleef dat al den tijd van haar verblijf in het hospitaal.

Den dag vóór de operatie werd ze weer gewaarschuwd, dat ze misschien niet beter zou worden, maar ze glimlachte en zei: “Morgen kan ik zien!” Haar vertrouwen werd niet beschaamd, daar de operatie goed gelukte, en na twee of drie weken kon ze vertrekken met één volkomen ziend oog, terwijl het andere later werd geopereerd.

Eens reisde mijn man met de post of tsjappa van Yezd naar Kerman, toen hij op een avond tot zijn grooten schrik bemerkte, dat hij zijn gouden horloge en ketting had verloren. Aan beide was hij zeer gehecht om de eraan verbonden herinneringen, dus speet het hem erg, dat hij ze moest missen. Dienzelfden avond ontmoette hij een anderen Engelschman, die naar Yezd terugkeerde. Hij deelde hem zijn verlies mee en vroeg hem, onderweg te willen informeeren, terwijl hij een belooning uitloofde voor ieder, die hem het verlorene terugbracht. Zijn vriend beloofde, te doen wat hij kon en riep toen zijn bediende, wien hij het geval vertelde, hem radend, goed op te letten op ieder, dien ze onderweg mochten zien. De bediende was een slimme baas. Den volgenden morgen ontmoetten ze een kameelkaravaan op den weg naar Kerman, en de bediende stapte op den drijver toe met de woorden:

“Gij, edele broeder, mocht uw goedheid nooit verminderen; mijn slaap is dezen nacht gestoord geworden door droomen van u.”

“Estakfarullah!” (God verhoede het) zegt de kameeldrijver. “Waarom werd mijns heeren slaap gestoord door droomen over mij, die een onwaardige ben?”

“Ja, ik zag in mijn slaap u bukken en iets oprapen.”

“Dan was uw droom verkeerd,” zei de kameeldrijver snel, “want ik heb niets opgeraapt.”

“Zie, in mijn droom,” ging de slimme bediende voort, “zag ik, dat het ding, hetwelk door u werd opgeraapt, niet veel waarde had en maar een goedkoop iets is, waar ge geen voordeel van zult hebben.”

Toen de kameeldrijver bedrukt keek, ging de bediende voort: “Maar de eigenaar van dat waardelooze ding zou het zeer gaarne terugvinden, daar het, ofschoon het geen waarde in geld vertegenwoordigt, hem zeer lief is als een aandenken.”

“Maar ik zei u,” herhaalde de kameeldrijver, “dat ik niets heb opgeraapt.”

“In mijn droom,” vervolgde de knecht, zonder op de herhaalde ontkenning van den drijver te letten, “zag ik u kijken naar het waardelooze voorwerp in uw hand en het toen wegstoppen in uw ala (jas).”

“Nee, nee,” riep de drijver, “ik heb niets opgeraapt.”

“Dus als je mij wilt aanwijzen, waar het is, kan ik je van het waardelooze voorwerp wel afhelpen.”

Na nog wat heen en weer praten haalde de kameeldrijver het horloge en den ketting van mijn man te voorschijn en kreeg daarvoor een kleine fooi. De bediende was heel tevreden over den loop van zaken en over zijn eigen slimheid en dacht met welbehagen aan de uitgeloofde belooning van vijf tomans, dat is een pond sterling. De kameeldrijver bekende later, dat hij er zoo van geschrikt was, te hooren, dat zijn daden in een droom aan dien man waren geopenbaard, dat hij voor geen geld van de wereld het horloge had willen houden.

Onnoodig te zeggen, dat de droom maar een gefingeerde was, een bedenksel, om invloed te krijgen op den bijgeloovigen geest van den kameeldrijver.

In Mosoel vertelde het hoofd der Seyeds eens aan den dokter een geschiedenis van een merkwaardigen droom. Het ging aldus. Twee mannen bezochten eens een mollah, om hem een vraag te stellen over een punt, dat hen lang had beziggehouden. De oorzaak van hun verschil van meening was de volgende. Als ze naar hun werk gingen iederen dag, gingen die mannen een ladder voorbij, die tegen den muur stond. Een van hen beiden vermeed het altijd, eronder langs te gaan, opdat de ladder niet zou vallen en hem dooden, terwijl de ander zei: “Nee, ik loop niet weg voor het gevaar, want wat Allah heeft besloten, geschiedt. Als het geschreven is, dat ik door de ladder moet sterven, zal dat gebeuren.” Nadat de beide vrienden veel tijd hadden zoek gebracht met die netelige vraag, besloten ze de zaak den mollah voor te leggen en zijn beslissing in te roepen. De mollah liet beiden uitspreken; maar zei toen, dat zulk een moeilijk vraagstuk veel overweging vereischte. Hij bepaalde een dag, waarop ze terug moesten komen en zijn uitspraak zouden vernemen. Na hun vertrek viel de mollah in slaap, en in zijn slaap droomde hij. In den droom zag hij een schoonen knaap, den zoon van een koning, aan wien hij zeer gehecht was. Later ontmoette hij een vreemdeling, die hem zeide, dat hij, de mollah, den dood zou veroorzaken van den jongen, dien hij zoo liefhad. De mollah, ten hoogste verontwaardigd, wierp het denkbeeld ver van zich, en zei, dat hij den knaap veel te lief had, om hem eenig kwaad te doen. “En toch,” zei de vreemdeling, “zal het geschieden, want Allah heeft besloten, dat de jongen door u zijn lot moet ondergaan, en wat geschreven staat, staat geschreven.”

De oude mollah keerde naar zijn huis terug in droevig gepeins, maar vast besloten, dat hij niets zou ondernemen, dat op eenige wijze den prins kon schaden. Weer in den droom ontving de mollah een oproeping, om bij den jongen prins te komen. Zich de woorden van den vreemdeling te binnen brengend, nam hij niets met zich, dat op eenige wijze den jongen kwaad kon doen, niets dan als eenige gift een appel. De jongen ontving den mollah in zijn mooie woning op een eiland, en de beiden hadden een prettig onderhoud te zamen.

Eer hij afscheid nam, gaf de oude man met uitgestoken hand een appel aan den knaap, die de vrucht gretig aannam en haar dadelijk wilde gaan opeten. De mollah nam een pennemesje uit zijn binnenzak, schilde den appel en gaf dien op de punt van het mesje aan den jongen prins. Deze greep toe, maar bij het aannemen drong de punt van het mesje in den vinger van den knaap met het gevolg, dat er bloedvergiftiging bij kwam, en dat de bloeiende knaap na korten tijd dood terneerlag. De mollah weende luid, en onder het schreien werd hij wakker. Met een nederig hart en in een neerslachtige stemming gaf hij zich gewonnen en prees Allah.