In een bijzondere mate is de Minangkabauer ontvankelijk voor het nieuwe, wanneer de deugdelijkheid daarvan hem op overtuigende wijs wordt aangetoond. De algemeene houding van den Oosterling (bewesten Suez verandert dat als bekend) tegenover een nieuw denkbeeld is die van den welgestelden huisbewoner tegenover een inbreker: woedend verbarricadeert hij alle deuren van zijn verstand. Maar de menschen van Minangkabau—althans een gestadig toenemend getal onder hen, dat wel binnenkort de meerderheid zal worden—gaan een nieuw idee tegemoet als een bezoeker; en gaarne met welkom en eerbewijs. Duidelijker dan aan iets anders kan men dat zien aan den groei en de uitwerkingen van de kweekschool voor onderwijzers te Fort-de-Kock.
De instelling heeft al een lange geschiedenis. Meer dan een halve eeuw is het reeds geleden dat na het houden van een enquête, waarbij bleek, dat het Inlandsche onderwijs ter Westkust van Sumatra ten eenenmale onvoldoende was, de regeering overging tot het oprichten te Fort-de-Kock, van een normaalschool; uit die normaalschool is de tegenwoordige kweekschool voor Inlandsche onderwijzers voortgekomen.
De normaalschool leverde de resultaten niet op, die men er van had verwacht. Het lag voor een deel aan het gehalte der leerlingen die, vrijwel onvoorbereid, van hier en ginder kwamen; voor een deel aan het gehalte van de onderwijzers. Nieuwe onderwijskrachten als men van de school had gehoopt, bracht zij niet voort. De leerlingen werden ambtenaars—klerken, pakhuismeesters, vaccinateurs, opzichters bij de (toen nog van gouvernementswege gedreven) koffiecultuur. Een hervorming aan hoofd en leden was noodig. Zij geschiedde in ’73. De school werd uitsluitend bestemd voor opleiding van Inlandsche onderwijzers. Er kwamen Hollandsche onderwijzers aan het hoofd—een directeur en tweede onderwijzer, die beide de hoofdacte moesten hebben, een derde met hulp-acte, en verder deugdelijk geschoolde Inlandsche onderwijzers; en er werd een ruim program van studie opgemaakt, waarin de Hollandsche taal plaats had, en verder rekening werd gehouden met de behoeften van den Inlandschen dorpeling. Dadelijk stroomden de leerlingen toe: zelfs getrouwde mannen kwamen op de schoolbanken zitten om van dit heilzame nieuwe hun deel te ontvangen. Het werd al spoedig noodig de school uit te breiden. Een nieuw gebouw werd gezet, waarin vijftig inwonende leerlingen ieder een kamer hadden; daarop een externen-school op hetzelfde terrein, waar de leerlingen van de hoogste klas der kweekschool onderwijs gaven onder toezicht van de kweekschool-onderwijzers. Toen kwam de slechte tijd die aan het onderwijs hier als aan dat door heel Indië erge scha toegebracht. Een verkeerde zuinigheid beknibbelde op het volstrekt noodige. Van 1884 tot 1904 werd geen Hollandsch onderwezen: het gevolg een periode van stilstand in de volksontwikkeling. In 1904 echter werd het onderwijs in het Hollandsch weer ingevoerd, de cursustijd met twee jaar verlengd, het Europeesch personeel vermeerderd, en gelegenheid gegeven aan Inlandsche jongelui, die ambtenaar wilden worden, om deel te nemen aan het onderwijs; dit echter op eigen kosten, terwijl de aspirant-onderwijzers een toelage van ƒ 10.—(vroeger was het ƒ 15) van het gouvernement ontvingen. In getale kwamen nu de aspirant-ambtenaars; in getale, niettegenstaande die vermindering van de toelage met een vol derde, de aspirant-onderwijzers. Er moest weer bijgebouwd, tot er plaats was voor omtrent honderd inwonende leerlingen. En niettemin bleek nog altijd de ruimte onvoldoende. Dat is nog altijd zoo voortgaande. Ik had gelegenheid het te zien tijdens mijn verblijf in Fort-de-Kock. De weg voor de kweekschool was van den vroegen ochtend af druk van aspirant-leerlingen, gekomen voor het admissie-examen. En gekomen, van wie weet hoever, wie weet hoe! Er ligt nog maar weinig spoorlijn ter Westkust, de reizen moeten gedaan te paard, in karretjes, te voet. Het zijn alleen de meest welgestelden, uitteraard maar een zeer klein deel van al de opkomenden, die de reis per as betalen kunnen. Ook een paard is voor verreweg de meesten nog veel te duur. Zij gaan te voet—niet uren ver, maar dag-reizen ver, door de blakende zon, berg op, berg af, ravijnen neer en op, rivieren door. Zij eten wat in een blad gekookte rijst, die zij van huis meegenomen hebben, met wat toespijs misschien, hier en ginder voor een paar duiten gekocht bij een zoetelaar aan den weg. Zij slapen in het mannenhuis van het dorp, dat zij bij het vallen van den nacht nog juist bereikt hebben. Men moet zich dat alles goed voorstellen om te begrijpen, hoe sterk het verlangen is dat zulke dorpsjongens om het meerdere weten en het betere bestaan dat zij er kunnen winnen, drijft naar de “Sekola Radja” te Fort-de-Kock. Er werd me gezegd dat de bij het examen afgewezenen vaak uitbarsten in snikken. Zulk een droefheidsuiting is zeer, zeer zeldzaam bij een Inlander. De teleurstelling moet hem wel in het hart geraakt hebben als hij de klacht niet weerhouden kan.
De leerlingen komen uit alle gewesten van Sumatra; met de Minangkabauers vermengen zich Bataks van de Hoogvlakte, uit de Doesoens, uit de streek rondom het Toba-meer; bewoners van Nias en de kleine eilanden langs de kust; Mandhelingers; Atjehers. De laatsten komen niet uit eigen beweging: zij worden gezonden door de regeering, die begrijpelijkerwijs voor de eindelijke pacificatie van Atjeh meer verwacht van een goede opvoeding van het komende geslacht, dan van kogels en bajonetten. Zij zijn op de school een lastig element, hoovaardig tegenover andere Inlanders, stug tegenover de onderwijzers, met een zekere ostentatie vasthoudend aan nationale zeden, waarvan de strenge uiterlijke waarneming van godsdienstige plichten er een is. Er wordt over gedacht een apart gebouwtje voor hen te zetten op het erf der kweekschool, om botsingen te voorkomen. Over het geheel is de uitzending der Atjehers naar hier een zaak die veel geld kost. Maar hoeveel meer het ook nog mocht wezen, goedkooper dan oorlog voeren is het in alle geval, om van belangrijker voordeelen dan enkel-geldelijke nog te zwijgen. Als een bijzonder bewijs van de aantrekkingskracht der school—en tevens wijst het feit op een geheel nieuwe ontwikkeling in het volksbestaan, die, middellijk toch ook als een uitwerking van het school-onderwijs moet worden beschouwd—als een bijzonder bewijs van haar aantrekkingskracht mag het gelden, dat ook een meisje dezen laatsten cursus heeft gevolgd. Zij heeft nu juist een bijzonder goed examen afgelegd. Men stelle zich voor, hoe onverbiddelijk de matriarchale “adat” het aankomende meisje binnen haar moeders huis opsluit, en hoe vast het denkbeeld geworteld zit in Oosterlingenhersens dat een vrouw niet noodig heeft iets, wat ook, te leeren; en mete bij vergelijking de kracht der nieuwe idee over het gemoed van zulk een meisje en van haar ouders. Geen twijfel of op den weg, dien zij zoo moedig als eerste is ingeslagen, zullen haar zusters nu spoedig in menigte volgen.
Dat de kweekschool zulk een toeloop heeft is te begrijpen als men let op den aard van het onderwijs, en men mag wel zeggen, van de opvoeding die de leerlingen er krijgen. Want het is niets minder dan een werkelijke opvoeding. In hun eigen dorp hebben zij niets van dien aard gehad—in hun tehuis kan men niet zeggen, want althans de Minangkabausche man hééft geen thuis: hij groeit in het wilde op in het mannenhuis van zijn familie. En wat de overigen aangaat, een tehuis in onzen zin van het woord kennen ook zij niet: hoogstens een plek waar zij slapen en eten. Hier heeft ieder zijn eigen kamer en die moet hij zelf in orde en schoon houden. Dat is een heel ding voor hen, vooral voor jongens van deftigen huize, die altijd van kind af bediend en gehoorzaamd zijn, en werk met handen gedaan verachten. Maar de regel is onverbiddelijk. En het gelukkige resultaat, dat jongens die slordig, vuil en traag waren, toen ze kwamen, ordelijk en op hun omgeving als op zichzelf kieskeurig worden na eenige maanden verblijf op de school. Verder geeft het onderwijs hun wat zij in hun dorp kunnen gebruiken: het onderwijs in plantkunde komt hun te pas bij de sawah-bewerking, dat in de dierkunde voor hun vee. En tevens winnen zij daarbij voor zichzelven, want inplaats van de fantastische voorstellingen omtrent het menschelijk lichaam en gestel, die de Inlandsche overlevering hun heeft opgedrongen, en waardoor zij de voorbestemde slachtoffers worden van allerlei kwakzalverij en toovermiddeltjes, krijgen zij nu een begrip van bloedsomloop en spijsvertering, waarop zich een doelmatige gezondheidsleer laat opbouwen. De natuurkunde bewijst hun eenzelfden dienst tegenover het geloof aan allerlei wonderdadige krachten, die door middel van amuletten en spreuken over de machten der natuur te verkrijgen zouden zijn. En ten slotte helpt het onderwijs in de Maleische taal (het Riouwsch-Maleisch, in alle scholen van Nederlandsch-Indië onderwezen) hen over belemmerende dialect-verschillen heen naar een nationale taal. Het Hollandsch maakt hun den weg open naar wat zij ooit meer verlangen zullen van kennis.
Dat hij het belangrijke van zulke geestelijke aanwinsten inziet, en niet aarzelt vàn zich te werpen wat hem belemmert in het streven daarnaar—dat is de kenmerkende trek in het karakter van den Minangkabauer.
Tegenover de partij der vernieuwers van de inlandsche maatschappij op Sumatra staat die der behoudzuchtigen, hoewel in den laatsten tijd zeker verzwakt, nog altijd zeer sterk. De drijvende kracht zijn hier de Hadji’s, de hulptroepen, de aanhangers van den onveranderden matriarchalen adat.
Uiteraard zijn de twee eigenlijk vijanden. In het begin van de vorige eeuw heeft de partij der Moslimsche geestdrijvers, de Padri’s, de vreedzame adat-aanhangers te vuur en te zwaard bekrijgd, omdat zij weigerden het matriarchaat op te heffen en weigerden zich te onderwerpen aan de tucht der dweepers. Men weet hoe de vervolgden in hun wanhoop den Westerling, Engelschman en Hollander, te hulp riepen tegen de eigen landgenooten. En onder de asch van het gedwongen pais-en-vree houden smeult de haat der Hadji’s nog. Want het matriarchaat is den extreem-patriarchaal denkenden Moslim een doorn in het oog; en de adat-aanhanger wil van die oude wet geen tittel noch jota laten vallen. Maar dit groote geschil, zoo goed als kleinere, die de twee partijen in het kamp der behoudzucht verdeelen, vallen weg voor den vereenigenden invloed van den gemeenschappelijken haat tegen het nieuwe. Het Westersch-politieke woord verstaande in Oosterschen zin, zou men mogen spreken van een coalitie van adat en Islam.
Als gezegd, de Islam-partij is de drijvende kracht. Van Mekka uit, waar een kolonie Javanen en Maleiers zich heeft gevormd, wordt de geest der dweepzucht aangevuurd. De pelgrims worden in die kolonie gastvrij ontvangen, in zaken van den godsdienst onderwezen, aangespoord tot het maken van propaganda. Als drijver keert naar Sumatra menigeen terug die als half-onverschillige naar Mekka ging. Ook de Maleische pers wordt in den dienst geprest van het Islamisme, of, beter gezegd misschien, het Pan-Islamisme. De oorlog dien Turkije tegen Italië voert wordt verheerlijkt als een “heilige oorlog.” Altijd is de overwinning aan de zijde der Geloovigen. Brochuretjes worden verspreid, die niet anders zijn dan schendschriften, om het Nederlandsch-Indisch gouvernement verdacht te maken. Zoo grof kan de laster niet zijn of hij vindt geloof. De toon van de manifestaties der “Ware Russische Mannen” tegen de voorstanders van liberale ideeën en tegen de Joden wordt in deze soort publicaties geëvenaard. De Islam-partijders grijpen het voor de hand liggende middel aan om den Inlander tegen het Westerlingen-bestuur op te zetten; zij beschuldigen het van afpersing en uitzuiging, en sporen het volk aan tot het weigeren van belastingopbrengst. Men heeft het kunnen zien in de laatste troebelen. Het ging niet om die belasting. Zij was zeer laag, men mag wel zeggen te laag, als men in aanmerking neemt de welgesteldheid van den Sumatraan, en de armoede van den Javaan, van wiens oneindig hoogere belasting-opbrengst de Sumatraan profiteert bij het voor handel en verkeer geschikt maken van zijn land. Zeer gemakkelijk hadden de bewoners der Westkust die geringe belasting kunnen opbrengen. Maar de eisch van het gouvernement was juist wat den geestdrijvers in hun kraam te pas kwam om het volk tegen het nieuwigheden-invoerend bestuur op te zetten. En zij behoefden niet eens hun moed in te spreken voor een gewapend verzet. Zij gaven hun volgelingen wat moed voordeelig verving: het geloof in hun onkwetsbaarheid. Koperen en beenen amuletten, bij hoopen door de vrome sluwaards verkocht, (en niet goedkoop ook), waren de denkbeeldige bescherming van de strijders der heilige zaak. In het witte gewaad, dat hen als medestanders der Padri’s, als “Witte Menschen” kenbaar maakte, trokken zij op tegen de soldaten, die zij slechts met de nagels even behoefden te schrammen, om hen dood neer te doen storten, terwijl kogels en bajonetten noch sabels zouden vermogen hunzelven ook maar het lichtste letsel toe te brengen. Zulk wondergeloof is zeker verzwakt geworden door de ontzettende nederlaag, die zij toen leden, en door o. a. het zonderlinge toeval, dat een der ergste stokebranden en raddraaiers, die zelf voorzichtiglijk buiten het gevaar zich had gehouden waarin hij zijn volgelingen joeg, dat die door een verdwaalden kogel neergeveld werd, waar hij schijnbaar veilig op zijn eigen erf stond, verre van het gevecht. Maar geheel te niet gedaan is het vertrouwen in spreuken en amuletten daarom niet. Men heeft het dezer dagen kunnen zien, toen een rijke Inlander, bezitter van pepertuinen, aangeslagen voor een belasting, waarvan hij het tienvoud gemakkelijk had kunnen betalen, zich weigerachtig toonde en het gouvernement tartte dwang op hem toe te passen: hij behoefde maar de hand uit te strekken tegen de politiemannen, om hen dood ter aarde te doen vallen, zulke krachtige tooverspreuken kende hij. De man heeft het er werkelijk op aan laten komen. Het zou interessant zijn te weten, wat hij later in de gevangenis gedacht heeft over die tooverspreuk. Waarschijnlijk: dat hij een of andere fout had gemaakt bij het opzeggen.
De Westerling, zelfs als hij jaren en jaren onder hen gewoond heeft en vriendschappelijk (voor zoover dat mogelijk is) met hen is omgegaan, zal altijd vreemd staan tegenover het gemoedsleven van den Oosterling, wiens wordingsgeschiedenis immers, als enkeling en als volks-deel, een van zijn eigene geheel verschillende en daarenboven hem slechts gebrekkig bekende is. De Westersche reiziger, wien niet dan enkele weken, of op zijn allergunstigst maanden, gegund zijn om een Oostersch land en volk waar te nemen, heeft geen keuze dan bij voorbaat van alle diepgaande beoordeelingen afzien. In het onderhavige geval zal ik, dit doende, echter wel het oordeel mogen weergeven, dat een zeer ontwikkeld inlander, een man op jaren reeds, van bezadigde denk-gewoonten en helder inzicht, tegenover mij uitsprak over de drijfveeren en de doeleinden der Islam-partijders. Het is waar, dat hij een overtuigd aanhanger der nieuwe denkbeelden is, en als zoodanig gevaar loopt de onpartijdigheid te verliezen tegenover hen die dat nieuwe bestrijden.
Volgens hem is het geen vaderlandsliefde, noch overtuiging des harten die de Islam-partij drijft in hun heimelijk-gevoerden strijd tegen den Westerling. Hij gaf niet toe, dat die idee van “vaderland” eenige macht had over den Minangkabauer, voor wien de Atjeher, de Niasser, de Batak, om van den Javaan en den Bandjarees te zwijgen, vreemdelingen zijn,—niet zoo als de Westerling voor hem een vreemdeling is, wel is waar, maar toch: vreemdelingen. En evenmin geloofde hij aan waren godsdienst-ijver. Die immers zou zich moeten uiten in de rechtvaardigheid, de gastvrijheid, de barmhartigheid jegens den arme en hulpbehoevende, die de Koran den geloovige als plicht voorhoudt; terwijl integendeel deze geestdrijvers woekeraars, bedriegers en uitzuigers zijn. Naar zijn overtuiging was wat hen bezielde niet anders dan eigenbelang van het minstwaardige soort. Zij wilden macht om met die macht geld te winnen, het meest mogelijke geld van de meest mogelijke menschen. De duiten, die in de staatskas gestort worden en besteed aan wegenbouw, bruggen, scholen, dorps-rijstschuren, worden onttrokken aan de moskee-kas en aan hun eigen diepe zakken. Daarvandaan het ophitsen tegen dat “hùn” geld weghalende Westerlingen-bestuur. En te dien einde de politiek van volks-verdomming, door middel van het aankweeken van bijgeloof.
Als het krachtigste, misschien wel het eenige wapen in den strijd tegen dit soort Pan-Islamisme, prijzen velen de prediking van het Christendom. Maar hier schijnt twijfel geoorloofd. De ervaring heeft bewezen, dat het aannemen van de Christelijke leer niet hetzelfde is als het afzweren van bijgeloof: onverdachte getuigenis daaromtrent is te vinden in de jaarverslagen der verschillende zendingsgenootschappen. Ook kan het geval zich voor-doen—en inderdaad doet het zich zeer dikwijls voor—dat juist de meest intelligente en ook de van inborst en aanleg beste inlanders tot het Christendom zich niet voelen aangetrokken als het hun geboden wordt in de plaats van hun overgeërfden godsdienst. De eene theorie wordt tegenover de andere gesteld: zij geven de voortreffelijkheid van die eene boven de andere niet toe. Raden Adjeng Kartini, betreurder nagedachtenis, heeft in haar boek welsprekende uiting gegeven aan het gevoel der dusgezinden.
Maar hier op de westkust zien wij een ontwikkeling beginnen, die niet als bespiegeling tegenover bespiegeling, maar tegenover bespiegeling als daad en werkelijkheid staat.
Het voorbeeld van den Westerling heeft den Minangkabauer gebracht tot het besef, dat een beter leven zoowel mogelijk als wenschelijk is, dan hij tot nog toe in zijn dorp heeft geleefd. Behoeften zijn in hem wakker geworden, die hij vroeger niet kende. Een deugdelijk onderwijs heeft krachten in hem ontwikkeld, door het gebruik waarvan hij die behoeften zal kunnen bevredigen. De wisselwerking van toenemende begeerte en voldoening, waarvan de beschaving het resultaat is, is ook voor hem begonnen.
Wij zien dat de koffie-cultuur herleeft, die gestorven scheen, toen de hatelijke dwang tot planten en verkoopen werd afgenomen van het volk, en dat heuvels en steile berghellingen, vroeger een wildernis van alang-alang, nu zorgvuldig beplant staan met fleurige struiken-rijen; dat de sawah-bewerking, lang achterlijk, zoo goed is nu, dat uit Java overgekomen ambtenaren, verwonderd, niets te verbeteren vinden, daar alles wat zij dachten in te voeren hier al in gebruik is; dat vrouwen, aan den adat-dwang zich onttrekkend, op de hier en daar opgerichte kantscholen een nieuwe kunst komen leeren; dat meisjes met jongens tegelijk naar de school gaan en in het Hollandsch examen afleggen in vakken, hun vroeger niet eens bij name bekend; dat schooljongens sportclubs oprichten en muziekgezelschappen en gezamenlijk zich abonneeren op Hollandsche tijdschriften; wij zien dat het volk begrip van hygiëne begint te krijgen, dat de Inlandsche arts bij een zieke geroepen wordt inplaats van de doekoen met haar tooverkunstjes, en dat de pokken verdwijnen door de veldwinnende vaccinatie; dat, hoe zeldzaam ook nog, gezinnen zich beginnen te vormen van vader en moeder met de kinderen die zij te zamen opvoeden tot bruikbare leden der samenleving. Het is niet waarschijnlijk dat de Inlander, zoo ver den weg van het nieuwe al opgegaan en zooveel reeds daarbij gewonnen hebbend, tot prijsgave van zulke winst en terugkeer tot het oude zich zal laten dwingen, in naam van welke en onder hoe schoonen schijn vertoonde theorie dan ook. Hij behoeft slechts verder geholpen te worden op den ingeslagen weg, en de onwaarschijnlijkheid zal onmogelijkheid worden. Uitbreiding tot vele plaatsen van een onderwijs als dat te Fort-de-Kock wordt gegeven; credietinstellingen, die den kleinen ondernemer op de been helpen en houden; wegen, bruggen en spoorlijnen om den oogst van het boertje in de binnenlanden te brengen op de baan van het wereldverkeer; en de drijvers die, baatzuchtig of verdwaasd, met Koranteksten den haat tegen het nieuwe prediken, zullen prediken voor doovemans ooren.
Europeesche moet men wel zeggen: in dit bijzondere geval heeft de algemeene Indische gewoonte van tegenover het Inlandsche element niet het Hollandsche te stellen maar het “Europeesche,” een goede reden van bestaan: de ondernemers op de Westkust van Sumatra zijn, inderdaad, burgers van vele landen van Europa. Op mijn-ondernemingen zijn het vooral Duitschers en Engelschen: begrijpelijk genoeg, daar die in hun geboorteland door practijk zoowel als door theorie den mijnbouw leeren kennen. Op landbouw-ondernemingen zijn de Hollanders in de meerderheid: waarin misschien de uitwerking gezien mag van de eeuwenoude scholing en de sedert een twintig jaar met nieuwe kracht oplevende practijk van ons volk in zaken van akkerbouw en boomteelt. Beide soorten van ondernemingen liggen, in deze streek, verre van de centra van bevolking, het binnenland in, de “rimboe” als men hier zegt: bij een vergelijking van de Westkust van Sumatra met de Oostkust, of met Java, is dat wel het eerste dat als een kenmerkend verschil treft. De reden is een historische. Evenals op Java en op de Oostkust heet op de Westkust de onbebouwde grond het eigendom van den souverein, de souverein die vroeger de vorst en tegenwoordig de Nederlandsche Staat is. Maar anders dan op Java, waar sedert eeuwen al vorsten-tirannie den boer zijn rechten had ontnomen, of op Oost-Sumatra, waar een dungezaaide bevolking den moerassigen en zwaar met woud overgroeiden bodem braak liet liggen, kwam op de Westkust de koloniseerende staat tegenover den inboorling te staan. Hier waren de menschen vrij en stout: en de grond vruchtbaar. De theorie van den Staatseigendom van alle woeste gronden is in hoofdzaak theorie gebleven; en een theorie waarvan de Minangkabauer weinig weet en nog minder zich aantrekt. De woeste grond is, in zijn oordeel, zijn eigendom. Hangende nadere regelingen van de zaak heeft een voorzichtig beleid moeilijkheden ontweken door alleen in de “rimboe,” ver van alle dorpen en alle mogelijke en bedenkbare aanspraken van Inlanders, grond in pacht te geven aan Westersche ondernemers.
Het Karbouwengat bij Fort de Kock.
Foto–Nieuwenhuijs.
De wildernis in dus, liep de weg, dien van Fort-de-Kock uit ik volgde naar een nieuw begonnen thee-onderneming in het gebergte.
Het eerste gedeelte van dien weg is zoo voortreffelijk aangelegd, dat een automobiel er met volle vaart over rijden kan zonder ergens te horten of te stooten. In effen snelheid glijdt het prachtige landschap voorbij, hellingen, heuvels, steilten van rechtrijzend gebergte, plotseling uit wijkend woud de diepte van een ravijn, waar de koelte en de eigenaardige reuk van water over gesteente bruisend uit opstijgt. Soms wordt de weg zoo smal tusschen steilte en afgrond dat uit de auto de inzittende recht de diepte in blikt aan den eenen kant en aan den anderen haast met de hand de aard-orchideeën meent te kunnen plukken, die, in trossen afhangen van den bergmuur. Dan wordt, in lange slingers dalend, de weg weer breed, en heuvels wijken en blijven achter, een vlakte gaat open waar de bergen wijd en ver omheen staan. Hier was, voor ons, het eindpunt van den automobielweg. Den volgenden ochtend zouden wij te paard verder gaan langs een smal steil pad, het bergbosch door.
Er kwam bezoek in de pasanggrahan, waar wij voor den nacht waren afgestapt. Wij hoorden verhalen omtrent het leven in de streek. Het is er nog vrij eenzaam en wild. Dicht bij de pasanggrahan hebben de tijgers hun pad van de met alang alang begroeide berghelling naar de vlakte: een grooten boom aan den landweg hoorden wij den “tijgerboom” noemen, hij staat op het punt waar het pad van de tijgers den weg van de menschen kruist. Na donker gaat niemand onvergezeld en ongewapend daar langs. Men hoort veel van geiten en kalveren, van volwassen buffels zelfs, die door een tijger zijn meegesleept uit de kraal: en soms ook van menschen, ’s nachts aangevallen midden in het dorp. Niettemin waren de Inlanders er niet toe te bewegen geweest een val te bouwen op den “wissel” van de tijgers—het vaste pad dat zij houden: in zulk een val moet een geit opgesloten, die met haar angstig geblaat het roofdier lokt: en zij vonden het “jammer van de geit.” Een ambtenaar van het binnenlandsch bestuur maakte aan het uitstellen en uitvluchten zoeken een eind, door een geit cadeau te doen aan het dorp; waarop het bouwen van de val en de vangst van een tijger volgden. Hij maakte zich echter geen illusies omtrent een bekeering van de dorpelingen tot redelijker ideeën. Als de tijger gevangen was, dan kwam het niet door de val met de blatende geit er in, maar door het Lot, dat den tijger dien nacht en die plek had voorbeschikt tot sterven. “Het was het uur van zijn dood.” Het fatalisme van den Islam? Neen: het fatalisme van den natuurmensch—zwak te midden van geweldige machten levend, dat onder anderen in het Islamietisch geloof een leerstellige uitdrukking heeft gevonden.
Den volgenden ochtend met het aanlichten van den dag stegen wij te paard. Het stortregende. Maar eenmaal in het woud voelden wij daar maar weinig meer van. Alleen was het pad dikwijls moeilijk voor de geduldig zwoegende hitjes; met uitglijden en struikelen worstelden zij tegen de stroomende steilten op, waar stortbeek was geworden wat gister nog voetpad was. Tegen den middag bereikten wij den bergpas; en kort daarna, bij helderen zonneschijn, de onderneming.
Het eerste waaraan de aanwezigheid en arbeid van menschen waren waar te nemen, waren de groote, leege plekken van kaalgekapte hellingen, als holen en gaten in het ruige zwartgroen van het oerwoud. Tienduizenden stammen, van loof en takken ontdaan, naakt uitgeschud, liggen strak en bleekgrijs over den grond. Loof en rijs zijn verbrand in vuren, die de wind mijlen ver over de hellingen heeft geblazen. De zware takken zijn omlaag gestooten in de ravijnen en de opbruisende bergbeken. De stammen blijven liggen waar zij gevallen zijn, om met wind en weer de lange jaren door te vermolmen tot teel-aarde, goed voor de jonge thee. Het is niet mogelijk anders; de versche herinnering aan den tocht door het bergwoud leert het ons, ook zonder de verklaring van den planter. Maar daar die gevelde wouden te zien vermolmen, en dan te denken aan de Deli Spoor, die door den nood gedwongen plannen overweegt om het hout voor haar dwarsliggers uit Rusland te laten komen—dat geeft iemand toch een zonderling gevoel. Wegen, bruggen, bruggen, wegen, van de Westkust naar de Oostkust over moeras, ravijn en gebergte heen, wanneer zal er geld genoeg wezen om die te maken? Het begin van het wegennet is er: en dat juist doet zoo haken naar de voltooiing. Want met zulk begin begint van allerlei mee, dat zònder niet gekomen zou zijn en dat voor zijn ontwikkeling juist op die voltooiing wacht. Als, bijvoorbeeld, de onderneming, die wij nu bezagen.
De gerooide hellingen langs, waaroverheen van den verren woudrand af de bijlslagen van houthakkers klonken, en waar hier en ginder uit hoopen rijs een vuurtje glom, bleek in den zonneschijn, onder rechtopgaanden blauwen rook, gingen wij, het pad volgende, langs een koelte-ademend ravijn. Toen kwamen wij daar waar het ontginningswerk al eerder begonnen was en de bewerking van den grond al gaande. Zooals de rijstbouwer een helling aanlegt voor zijn sawah, zoo had de planter de heuvels gefatsoeneerd voor zijn thee: in smalle terrassen. Het geheele beloop van voet, helling en kruin stond geteekend in evenwijdige lijnen, juist zooals dat in rijststreken te zien is. Evenwel met een onderscheid: het rijstterras heeft een kleinen dam als zoom, die het water vasthoudt op de planten; het theeterras daarentegen een geul, een “vang-goot,” die, nog versterkt door een heg van struikgewas, de aarde moet opvangen en tegenhouden, door de slagregens losgespoeld van de helling. Een menigte koelievolk was aan het graven van terrassen en vanggoten: mansvolk alles. Maar verderop arbeidden vrouwen. Op een geterrasseerde helling waren zij bezig plantgaten voor de thee te steken, volgens een maat, die zij aan een met knoopen gemerkt touw en een bamboelat bij zich droegen, en met een verrassende behendigheid en vlugheid pasten langs den grond: het geknoopte touw voor den afstand van de plantgaten langs de golvende terrassen, de lat voor den afstand van de gatenrijen in de breedte der aardstrook.
Weer een eind verder zagen wij de heuvels geheel en al groen. Daar stond—al krachtig opgeschoten—datgene wat in de plaats was gekomen van het oer-woud, en waarvoor al die arbeid van kappen, rooien, branden, graven en meten de voorbereiding was geweest: de jonge thee. Het fijne frissche loof, teer-tintelend in de zon, was als water zoo koel tegen de oogen, zooals het daar doorschijnend lag te gloren te midden van het zwartige oerwoud-groen.
Het huis van den planter stond op een heuveltje, midden in dien nieuwen tuin. De planter had het zelf, met zijn eigen werkvolk, van het hout dat rondom groeide, gebouwd; en de kleur, de glans en de zachte geur van het woud hingen nog aan dak en wanden. Het was maar klein: en de planter dacht aan den bouw van een grooter en geriefelijker. Maar daarmede, als met zooveel anders op de jonge onderneming, moest nog gewacht op ontwikkelingen, die eerst de toekomst brengen kon. Terwijl wij thee dronken op het smalle bordesje, tusschen opgangs-trap en huisdeur, en fotografieën bezagen van thee-tuinen op Java, om tot een voorstelling te komen van wat de heuvels rondom ons zouden zijn over eenige jaren, verhaalde de planter ons van zijn werk en zijn verwachtingen.
De eerste thee die op Java gezaaid werd—dat was in 1826—was uit China afkomstig. Maar die soort wordt sedert lang al niet meer gekweekt. De “Chineesche thee” van tegenwoordig is meestal oogst uit inlander-tuintjes, grof blad, dat met allerlei sterk geurende bloemen welriekend gemaakt en op onzindelijke en gebrekkige wijs bereid is. Verpakking in Chineesch papier moet aan de herkomst uit China doen gelooven. De goede thee, die op Java wordt gekweekt, is de Assamsche soort. Als de stammetjes drie voet hoog zijn, begint de pluk; als ze de vijf voet hebben bereikt, worden zij geknot tot struiken. Het uitsnijden van den stam dwingt het boompje tot het maken van een menigte zijtakken. Op gelijke hoogte gesnoeid, vormen die een groot “snijvlak,” waarvan altijd door weer hoeveelheden jong uitloopend blad te plukken zijn. Dit is het werk uitsluitend van vrouwen: het vereischt een lichte, behoedzame hand. De bereiding van het geplukte blad, het drogen, dat technisch “flensen” heet, en het oprollen der bladeren tot de kleine staafjes zooals de thee-verbruiker die kent, gaat tegenwoordig geheel machinaal: ook de thee heeft de algemeene ontwikkeling medegemaakt, die handenarbeid door het zindelijker, nauwkeuriger en sneller, weshalve goedkooper, werk van de machine vervangt. En evenals de techniek de bereiding, bevordert het wetenschappelijk onderzoek de teelt van de thee. De experimenten door de gebroeders Bosscha in het laboratorium en op de proefvelden van de onderneming Malabar gedaan, komen den planters van heel Java ten goede. Het is alweer dezelfde ontwikkeling, als die zoovele andere Indische cultures hebben doorgemaakt: van overlevering of probeeren in het wilde, naar wetenschappelijk onderzoek en methode. Tezelfder tijd is er naar het verbeterde product een steeds grooter vraag gekomen. De teelt breidt zich uit: nieuwe landen gaan meedoen, onder andere Sumatra. Hoe bij uitstek geschikt het koele klimaat en de rijke woudbodem van de Westkust voor het gedijen der thee zijn, zagen wij aan den forschen groei en het welige loof van den jongen aanplant rondom.
Er is echter ter Westkust een moeielijkheid, elders onbekend: zij ligt in den eisch van vrouwenarbeid in verband met het matriarchaat. De vrouw van deze streek is onder het matriarchale stelsel over het algemeen wèl genoeg verzorgd, gevoed, gekleed, gehuisvest, om te kunnen leven, zonder arbeid om loon. En degenen, die dat toch niet kunnen, vinden zulken arbeid op het erf van dorpsgenooten en zoeken niet verder. De theeplanter moet dus lokken met de allergunstigste voorwaarden van loon, arbeidstijd, huisvesting en gelegenheid tot aanschaffing van kleeding en verder behoef van de best mogelijke soort tegen den laagst mogelijken prijs. Maar als hij er al in slaagt op die wijze een voldoend aantal vrouwen te winnen voor een begin van exploitatie, dan zal hij niettemin bedacht moeten blijven op de mogelijkheid, hun aantal te vermeerderen naarmate van zijn vermeerderenden oogst. De onderneming heeft twee vrouwelijke arbeiders noodig tegen één mannelijken. Handhaven zich, ongewijzigd, de oude toestanden, dan moet hij arbeidsters gaan zoeken op Java. Veranderen zij, dan kan hij ze ook op Sumatra vinden; maar in welken getale, dat zal, onder andere, van den aard en het tempo dier veranderingen afhangen.
Niet de natuur is het, maar de maatschappij, die voornamelijk de ontwikkeling van de thee-cultuur ter Westkust van Sumatra zal bepalen.
De groote aardplooi, die, van Malakka tot Amerika over den Maleischen archipel en Japan loopend, de oppervlakte van het land tot gebergten vervormt, houdt in het andesiet-gesteente, waaruit hij op Sumatra bestaat, groote hoeveelheden goud- en zilvererts vast. Dat hebben van oudsher de inboorlingen geweten, en van hen leerden het immigranten en veroveraars. De goudmijnen, die nu Redjang Lebong, Lebong Soelit, Simau heeten, zijn voor eeuwen al, door Maleiers eerst, toen door Hindoes geëxploiteerd: Salida, zuidelijk van Painan, bij Padang, is een oude mijn van de O. I. Compagnie, die bij haar komst de Inlandsche gouddelvers daar reeds aan den arbeid vond. De methoden van exploitatie waren natuurlijk primitief, en het gewonnen goud en zilver, waarvan het grootste deel gevonden werd in het zand van de bergstroompjes, maar een uiterst gering gedeelte van de hoeveelheden, in de scheuren en barsten van het vaste gesteente beklemd. De werkwijzen van den nieuwen tijd pas, toepassing van wat sedert het eind der achttiende eeuw de nieuwe wetenschap omtrent den bouw der aarde had ontdekt, konden in hun schuilplaats de kostbare ertsen vinden en bemachtigen. De oude mijnen, veelal sedert lang al weer verlaten, werden met dynamiet, met kracht van water, stoom, electriciteit, opengebroken en doorboord, in de richtingen die de speurende geologen hadden aangewezen. En in het hart van de wildernis, waar zelfs nog geen inboorlingen ooit zich hadden gewaagd, werden er nieuwe ontdekt. Anderhalve dagreis ver van de theeplantage in het oerwoud ligt een van de rijkste dier nieuw-ontdekte goudmijnen; een Duitsch geoloog vond haar in 1909.
Er was al lang naar gezocht, door hem en door anderen. Zij allen gingen af op twee stukjes gouderts die een Inlander had gevonden: want de oude traditie van het goud-zoeken is nog levend onder het volk, en jagers en woudloopers hebben er verwonderlijk goed slag van het erts op te sporen. Een Engelsch geoloog ging de wildernis in, bracht eenige maanden met zoeken door en kwam tot de slotsom, dat de brokjes toevalligerwijs op de vindplaats gekomen moesten zijn en dat er geen goud-ader liep door het gesteente van die streek. Hij was een deskundige, die naam had gemaakt door nasporingen in Australië: de maatschappij die hem uitgezonden had hield zich aan zijn verklaring. Niet de Duitsche geoloog. En nu bleek weer, wat zoo dikwijls al gebleken is bij een vergelijk van Duitsche en Engelsche methodes, resultaten van Duitsch en Engelsch onderwijs: de Duitsche, die wetenschappelijk is bereikte het doel, waar de Engelsche, die empirisch is had gefaald. De Duitscher hield zich aan zijn gedachte, die verder zag dan zijn oogen konden zien. Hij bleef aan het zoeken; maanden niet, maar jaren hield hij vol. En ten laatste vond hij. Een bekend geoloog, hoogleeraar aan een Duitsche universiteit, won in Duitschland belangstelling en vertrouwen voor de zaak. Een maatschappij werd gevormd, grootendeels met Duitsch, maar ook wel met Hollandsch kapitaal. In Juli 1909 kwam een Duitsch mijn-ingenieur met een geheelen staf van geschoolde krachten. En in Mei 1910 reed de eerste buffelkar door het woud en over de bergen langs een effen weg tot aan de plek toe waar het huis van den ingenieur werd gebouwd. Een heirleger arbeiders was aan het werk op de onderneming, om langs de steile hellingen, op de spitse toppen plaats te maken voor wegen en voor woningen. En terwijl de eerste houten huisjes in elkaar getimmerd werden, vorderden de ingenieurs met den arbeid aan de mijn. De eene was bezig met den bouw van dammen, kanalen, bassins, om het water van de rivier en de vele bronnetjes en beken der berghellingen te sturen naar de plek waar zijn druk of zijn snelheid zou omgezet worden in arbeid. Een tweede bracht de electrische installatie tot stand, die overal nacht en donkerheden met witte helderheid zou doorstralen, het gesproken woord langs metalen draden dragen over ravijnen en bergtoppen, en de lucht vangen en samenpersen tot de drijvende kracht, die vèr in het binnenste van den berg de groote boor duwen zou door het gesteente. Een derde brak met dynamiet gangen open in de helling, met balken en stutten geschoord tegen den druk van den berg en met een ijzeren weg bevloerd voor den rit van de zware wagens, die het erts zouden vervoeren. En in het kleine laboratorium op den heuveltop, primitief ingericht, wat de geriefelijkheid van den werker, maar in alles volkomen wat den eisch van het werk betreft, was een vierde bezig met het onderzoek van het erts, dat, verbrijzeld en boven felwitte vlammen gesmolten, het goud en zilver losliet uit hun verbinding met waardelooze stoffen. Het bleek rijk. Het geel-blinkende spitsje aan den kegel, die uit den puntig-toeloopenden smeltkroes te voorschijn kwam, toonde een aanzienlijker hoeveelheid edel metaal in het erts dan indertijd voldoende was om het vreemde kapitaal te lokken naar de mijnen van Transvaal. De zes jaren zoekens van den Duitschen geoloog waren verantwoord.
Op dit oogenblik is de onderneming, hoewel nog niet in alle onderdeden voltooid, krachtig in werking. Inplaats van die eerste buffelkarren is het nu een geweldige vracht-automobiel, die, langs den nieuw aangelegden weg, met dozijnen bruggen, kloven en rivier-ravijnen overspannend, en in geleidelijke stijging heenslingerend over de steilten, de groote kisten met machinerieën aanvoert van het naastbijgelegen spoorwegstation. Een zaag, door waterkracht gedreven, verdeelt de zware stammen, die de buffelspannen in kettingen komen aansleepen uit het oerwoud, in planken tot op een millimeter precies gelijk in dikte. Het erts, dat al bij hoopen geborgen ligt in bewaarplaatsen terzijde van altijd weer nieuw gemaakte gangen, uitgebroken in den berg, zal niet in Europa maar op de onderneming zelf verwerkt worden: en daarvoor wordt nu tegen een hooge helling aan het groote gebouw van rotsblokken ineengevoegd, waar de hamerende, verbrijzelende en fijn-schiftende machines komen te staan. In de reusachtige kisten, waar namen van Duitsche fabrieken op staan, liggen die al te wachten. En bouwmeesters en opzichters drijven aan tot haast, want bij den dag groeien de hoopen erts. En telkens worden nieuwe lagen gevonden. Het gunstige toeval deed er mij getuige van zijn hoe een nieuwe ader ontbloot werd, een bijzonder rijke. Wij hadden een geruimen tijd al geloopen door de mijn, ieder met zijn mijnlampje in de hand. Op den zwarten grond glinsterden rails, donkere waterplassen, hoopen steengruis, een stuk gereedschap hier en ginder. Wij bukten onder balken door, langs een pijpleiding of een electrischen draad. Uit zijgangen kwam een waarschuwend sein, en, met al luider wordend geratel, een reeks ertskarren; de donkere gezichten van de koelies, hurkend tusschen de brokken, glansden voorbijrijdend op in het lantaarnschijnsel. En terwijl dat voortgleed langs den mijnwand, maakte het al de teere, fijne kleuren wakker, die daar zoo lang in donker van grond geslapen hadden: zuiver wit, zacht grijs, paars en een bloemig-helder en vroolijk licht-rood. De erts-aderen liepen zwartig daar doorheen, met plotselinge scherpe flikkeringen. Opeens bleef onze gids staan. Wij hoorden uitroepen, zagen verraste gezichten, een blanke hand tastte in de opening, waarvan juist een bruine hand de boor wegtrok. In het Hollandsch en in het Duitsch door elkander klonk de tijding ons tegen van de rijke vondst.
De inlander, die de groote boor hanteerde, keek als al de anderen naar het schitterende brok erts in de hand van den hoofd-ingenieur. Wat er op dat oogenblik door zijn hoofd ging?
Misschien niets dan een vluchtige verbazing. “Wah! zooveel goud en zilver in den grond!” En een oogenblik later zet hij de boor weer tegen den mijnwand, en voelt de sterke schudding van samengeperste lucht tegen draaiend staal en van staal tegen gesteente, en denkt, àls hij al aan iets denkt, aan het eind van zijn werkdag, aan de uitbetaling van het loon op “Hari Besar” en aan het dobbelspel, heimelijk ’s nachts bij den rondreizenden croupier, wiens komst op de onderneming de koelies elkander toegefluisterd hebben.
Maar misschien denkt hij toch ook aan iets anders. Misschien denkt hij er over, welk een onderscheid het maakt, of een mensch oude gewoonte en de getuigenis van zijn zinnen volgt, of dat hij te rade gaat met het onderzoekende verstand: die Westerlingen met hun vele boeken en hun machines vinden immers schatten, waar hij en zijns gelijken nooit meer vonden dan kleinigheden! En misschien wordt er dan iets in hem wakker als het begin van een begeerte naar weten.
Het is maar een misschien. Maar wie gezien heeft, hoe zulk een koelie, vroeger daglooner misschien op een gebrekkig bebouwden Javaanschen bergakker, of visscher in een prauw, die aan een schrapenden hadji hoort, of woudlooper, in de moerasbosschen van Borneo djeloetoeng zoekend,—hoe zulk een stomp voortvegeteerend mensch na enkele weken op een onderneming al weet om te gaan met gecompliceerde machines, die gelooft dat het “misschien” een goede kans heeft op den duur een “waarschijnlijk” te worden.