CELEBES

Makassar

Van Soerabaja naar Makassar is het nog geen twee etmalen stoomens; de laatste indrukken van de afvaart zijn nog levendig in de herinnering als de eerste van de aankomst al weer met de kracht van het tegenwoordige oogenblik hen overmachtigen. Eergisterenmiddag was het de drukte van het Oedjong-kwartier te Soerabaja: de nauwe straten en de schuifelende menschenvolte van de Chineesche wijk; de rivier, bont van beschilderde prauwen, waarlangs aan de eene zijde, pakhuizen, magazijnen, loodsen voorbij, de tram stoomt, aan de andere de spoortrein; dan de wijde zee, miskleurd een eind ver, door het uitspoelende grauw, goor en bruin der rivier, maar aan gene zij van een scherp getrokken grens, die met de golving op- en neergaat, doch nergens wijkt, plotseling fonkelend blauw; en her en der verspreid over dat tintelende watervlak, dat de donkere rompen spiegelt, en de schaduw en schittering der rookpluimen, een vloot van statige schepen, waar doorheen de haastende stoombarkas haar weg zoekt naar de boot der Paketvaart. Schemering daarna en nacht, een dag van enkel zee en lucht, weer donker; en dan, met zonsopgang, de naderende kust van Celebes, waar, als een wacht en voorpost, een klein lichtgeel eiland voor ligt, maar juist ruim genoeg voor een half dozijn bruine hutjes, tusschen laag geboomte verstoken, en een dunnen hoogen seinpaal. Recht vooruit, tegen den al feller wordenden zonneglans in, dommelt tusschen nevelig-groen geboomte met spitse donkere daken Makassar. Ontelbare visschersprauwen liggen op de ree, blinkende met hun vierkante schuins gestelde zeilen, die wachten op den wind. Reusachtig daartusschen steken groote stoomschepen op. Verscheiden liggen er al gemeerd aan de kade, een Engelsche stoomer naast een Chinees. De scherpe fluiten gillen, de machines bonzen en ratelen, van zwaaiend uitgerekte kranen-armen af dalen geweldige bonken van in kettingen saamgesnoerde balen en kisten naar de volgehoopte kade, waar de donkere koeliedrommen warrend dooreen bewegen tusschen de rij der schepen en de rij der loodsen, gapende open aan weerszij. Dat alles geeft een indruk van sterken groei, zoo plotseling begonnen, dat de gewende verhoudingen opeens en overal te klein zijn geworden. De schepen moeten vaak op elkander wachten om er een plaats aan de kade te krijgen, wordt mij verteld. Kooplieden en zeevolk wachten verlangend op de nieuwe haven.

Achter de aanlegplaats loopt een lange straat, die ook al ruimte te kort komt voor het gedrang. Dat gaat naar de kade links af: en recht uit naar de Chineesche wijk verderop, die met een rij smalle, diep inloopende huizen, half winkel, half pakhuis, gedrongen staat langs het strand. In het voorbijgaan ziet men door open achterpoorten den fellen glans van de zee en het rechtlijnig gewar van masten en takeltuig als achtergrond van een kantoor vol schrijvende klerken, een donkere ruimte, waar balen en kisten opgehoopt staan, een winkel, waar de menschen in- en uitloopen, of een naar de straat open huiskamer met spelende kinders op den vloer, rondom de moeder, die op- en neergaat met een kleintje op den arm.

De Maleische buurt ligt als een wederpart van de Chineesche aan gene zij van een ruim open plein ten westen van de aanlegplaats. Ook hier loopen huizen en erven tot vlak aan zee. ’s Morgens in de vroegte kan men de naakte kinders zóo uit de huisdeur, half in slaap nog, het water in zien loopen. De wijk is zorgvuldig aangelegd met een rechtlijnig rooster van straten en dwarssteegjes. En telkens, tusschen bruin van huisjes en groen van geboomte door, komt weer het zee-blauw blinken, en een groot schuins gestreken zeil scheert voorbij, of een prauwtje dat met zijn wijduitgeslagen vlerken en de reppende riemen der roeiers een wonderlijk waterdier lijkt, driftig op weg naar meer ruimte. De inlandsche wijk is veel minder vol, veel minder druk dan de Chineesche; maar bedrijvig toch ook, en verrassend door den zweem van orde, zindelijkheid en welvaren die over menschen en dingen ligt. Zij gaat van lieverlede langs een breede straat, aan het uiteinde waarvan, alweer, de zee blinkt, over in de buurt waar de Hollanders wonen: zoodat aan de ééne zijde nette inlandsche huizen staan met gevlochten wanden en bladeren dak, en aan de andere kalkwitte steenen Hollanderhuizen op ommuurde erven.

De Hollandsche stad van Makassar verschilt weinig van die van zooveel andere steden op Java of Sumatra; witte huizen, elk in zijn eigen tuin, aan weerskanten van wegen met zwaar geboomte beplant. Twee wijde pleinen geven iets ruims en luchtigs aan den aanleg. Het eene gaat tot aan het strand en heeft de fonkelingen en wijde verschieten van de reede tusschen de stammen van de oude tamarinde- en kanariboomen, die breed hun schaduwen spreiden. Aan de westelijke zijde van dit plein ligt het fort.

Het is de oude sterkte van de zeventiend’ eeuwsche kolonisten, die haar ouden naam nog draagt: Rotterdam. De geweldige muur staat ongeschonden. En daarboven uit komen spitse roode daken tusschen veel geboomte. Het is als een brokje van een oude Hollandsche stad midden in dit tropische landschap, onder dezen fellen tropischen hemel. In den hoogen breeden muur is een poort, die niet recht doorgaat, maar zoo is gebouwd, dat de weg een hoek maakt: om den toegang te beter te kunnen verdedigen, was dat. En die poort door komt men als in een afzonderlijk stadje. Rondom staan huizen: één groot en aanzienlijk, op zichzelf alleen; het huis van den commandant nu, het huis van den “koopman” vroeger; de anderen in een rij, met gelijke ramen en daar boven, gelijke kleine venstertjes onder het dak. In het midden staat de kerk. Het gebouw is nu kleeding-magazijn; maar de oude bouwtrant, de hooge vensters, de trap naar de poort, en tot zelfs het antieke smeedwerk van scharnieren en slot toe, doen het, alle verandering en nieuwigheid ten spijt, een kerk blijven. En die indruk blijft, zelfs als men binnengaat, en in plaats van bankenrijen, kasten ziet, en militairen inplaats van koster en kerkgangers.

Rondom, tusschen kerk en huizen, is een groene hof, vol schaduw, gras, aardige paadjes en gebloemte. Hier kan men wandelen, en, naar de oude muren en spitse daken opkijkende, een oogenblik gelooven in Haarlem te zijn, of in Naarden, ergens, tusschen de wallen en de stad.

Er is sprake van geweest de oude gebouwen af te breken: dat is gelukkig voorkomen. Al te mooi, en, in Indië althans, al te zeldzaam is zoo iets ouds. Al te zeldzaam en mooi vooral in zijn tegenstelling met die andere schoonheid van het nieuwe, in jonge kracht opkomend, dat hier gaat bloeien aan de haven. Nu pas beginnend zal het over een jaar of wat in volle fleur staan. En dan zullen Verleden en Heden te schooner zijn, het eene door het andere.

Door Paré Paré en Boni. De Meeren

Van Makassar naar Paré Paré, de opkomende haven, die de hoofdplaats is van het gewest Paré Paré, gaat de weg der schepen door den Spermunde Archipel. Mooiers is niet te bedenken dan deze vaart. Terwijl het schip zijn lange, gladde, schuins wegglanzende vorens trekt over de klare zee, waar de weerspiegeling van de hooge stapelwolken langs de kim blank door blauw brekend op en neer wiegelt, zwemt het door een geheelen zwerm heuvelige tot van den zoom van de zee toe groen overlooverde eiland-dorpen heen. Half op het strand, half in het water, staan op hooge palen de bruine visschershuisjes in een rij. Benden naakte kinderen spelen er om heen. De vloot van prauwen, smal en lang, op vlerken van breed-uitgebouwde bamboestammen evenwichtig schommelend, ligt her en der verstrooid, wachtend op den wind. Telkens verandert het zeelandschap, telkens andere eilandjes duiken op uit het flonkerige, van blank, groen, bruin en violet doorblonken en doorschaduwd blauw. Enkele staan alleen, als heuveltoppen; andere liggen dicht te zamen, donkergroene eilandjes, lichtgroene ondiepten, zandbanken, die wit, fijn grijs en goudig geel opschijnen door al dunner overgloring van water, dat popelt van verschietende kleuren. Dan weer wijken de eilandjes. En achter een breedte van diepere zee, die haar eigen donker azuur weer toont, rijzen hoog en ver, wazig blauw, de bergen van het Oostelijke vasteland. Hier in het opene varen de groote Makassaarsche handelsprauwen, hoog van boeg als een zeventiend’ eeuwsch galjoen, met volle zeilen voor den wakkerenden wind. Het scheepsvolk, Boegineezen met stoute gezichten, zonen van zeevaarders, die meteen zeeroovers waren op de wijde wateren tusschen Malakka en Nieuw-Guinea, zien onverschillig langs de groote stoomboot heen die hun vaartuig dicht voorbijstreeft.

De vaart duurt ongeveer een halven dag. Om acht uur de haven van Makassar uitgestoomd, gingen wij om drie ten anker voor Paré Paré.

De baai is bekoorlijk mooi. Tusschen den vasten wal, een ver vooruitspringende kaap, en een rij eilandjes, in langen zwaai zich strekkend, ingesloten, ligt zij, zoo vreedzaam als een groot meer, het strand, de huizen en de groene heuvels daarachter te spiegelen. Het plaatsje is in de lengte gebouwd, de lijn van het strand volgend, met een buurt inlandsche visschershuisjes, een Chineesche winkelstraat, een groep officierswoningen. Het assistent-residentshuis is pas voltooid, zoo nieuw nog, dat struiken of gras den tijd nog niet gehad hebben, het ruime erf rondom groen te maken. De weg die van den steiger er heen leidt is ook nieuw, ruig van nog ongebroken stukken koraalsteen. De handelsbeweging te Paré Paré is in den allerlaatsten tijd plotseling en sterk toegenomen, en een krachtige verdere ontwikkeling wordt in de naaste toekomst gehoopt. De zorgvuldig onderhouden zindelijkheid en ordelijkheid van het plaatsje en de nieuwe aanbouw van woningen en wegen geven een met die verwachtingen overeenstemmenden indruk van nieuw ontwakend leven.

Den tocht het binnenland in naar de groote meren van Sidenreng en Tempe begonnen wij den volgenden ochtend voor zonsopgang. Het landschap bleef liefelijk zoolang de baai in zicht bleef met haar wisselende verschieten, die wijder werden naarmate de weg al steiler klom. Toen verdween die glans en die wijdheid en aan weerszij schoof bruinachtig, even golvend veld aan, waar hier en ginder een mager boomgroepje op stond. Een paar weken geleden had het er hier zeker anders en fleuriger uitgezien; toen was alles goud van de rijpe rijst. Maar nu de kleur er af was, lag het land armelijk in de eentonige onbeduidendheid van zijn formatie ten toon: uren achtereen hetzelfde, zonder teekening of verschiet. Met dat al is de grond uitnemend vruchtbaar. Zelfs zooals ze nu zijn, gebrekkig gebouwd en geheel afhankelijk van den regen, die soms weken lang weggehouden wordt door een heeten drogen bergwind, brengen de velden een rijken rijstoogst op. En die kan verdubbeld, wanneer een goede irrigatie tot stand komt. In het Noorden van het groote eiland, aan de Tomini-bocht, is daarmee al een goed begin gemaakt; het gouvernement heeft daar als zijn helpers en als onderwijzers van het landbouwende volk Baliërs, die, om misdrijven tegen den adat uit hun land gebannen, in een kolonie op de Oostkust van Celebes leven, en hun vaderlandsche tradities overbrengen op den vreemden bodem. Naarmate de invloedskring van het goede voorbeeld verder zich uitbreidt, loopt over grootere breedten van rijstveld het leven-brengende water. Wie weet hoe spoedig al Celebes even groen, frisch en vruchtbaar is als Bali.

Voorloopig blijkt de bemoeienis van het bestuur uit den goeden staat van de wegen, en uit de volkomen veiligheid. Het is moeilijk voor wie hier vreedzaam langs den effen weg rijdt, zich voor te stellen, hoe kort geleden alles nog wildernis was en strijd. Dat de Celebes-expeditie, overigens, zoo snel afliep, schijnt wel grootendeels een gevolg van den slechten toestand, waarin het geringe volk verkeerde onder den druk van eene overheersching, in naam door zijn eigen vorsten en adel, in werkelijkheid door de Arabische geldschieters, die vorsten en adel in hun macht hadden, uitgeoefend. Kleine boeren, kleine kooplui, visschers, zeevolk, woudloopers konden het onder “de Compagnie” onmogelijk slechter en al heel licht beter krijgen dan zij het hadden onder hun eigen radja’s. Dat zij niet teleurgesteld zijn geworden, merkt men aan de wijze waarop zij, in het binnenland, reizende Hollanders bejegenen—zonder een zweem van angst of onderdanigheid, maar voorkomend en zelfs gastvrij.

De menschen, die wij langs den weg zagen, waren haast allen marktgangers, dragend hun waar. Van het binnenland naar de kust gaande, mannen en vrouwen die in manden van nog groen palmblad houtskool droegen, palm-suiker, gedroogde visch uit de meren, en visch-broedsel dat in de poelen en vijvertjes van de dorpen wordt uitgeplant. In de reusachtige kalebassen, die hier voor kruik en vat gebruikt worden, hadden zij palmwijn; en op den rug van geduldige lastpaardjes (“pateke” heeten ze), zakken rijst van hun velden en zakken zand en kalk uit hun groeven; het was goed te zien dat er gebouwd wordt op Celebes. De mannen die van de kust kwamen, droegen meest zout het binnenland in. De behoefte daaraan is nijpend. Gebrek aan zout is de oorzaak, zeggen deskundigen, van de huidziekte, die met haar wittige schilfers dit anders kloeke en welgebouwde volk mismaakt. Tot aan kleine kinderen toe is die akelige vaalheid te zien. Zij schijnen er overigens niet veel door te lijden. Het innerlijk-gezonde van het volksgestel komt uit in krachtigen gang en rechte houding, en zijn vroolijkheid in de felle kleuren van zijn kleedij, die paars tegen vuurrood, groen tegen geel, blauw tegen oranje blinkt in de zon.

Twee derden ongeveer van den weg heeft de reiziger achter zich, als hij het hoogste punt van den onmerkbaar stijgenden weg bereikt, en plotseling, verrassend schoon en stout, een wijd berglandschap ziet liggen. Een paar kilometer verder verandert al weer het aanzien van het land. Hier is toch een vlakte, waaruit, allerzonderlingst, enkele kegelvormige heuvels opsteken. Men krijgt den indruk of dat de toppen moeten zijn van een gebergte, waarvan valleien en hellingen verborgen liggen onder die als een waterspiegel effen vlakte, het bezinksel misschien van een binnenzee uit een verre geologische periode. Het meer van Sidenreng, zilverig langs den gezichteinder glanzend, ware dan het achterblijfsel dier zee, bij haar laatste ebbe in een verzakking van den bodem gevangen.... Met die zonderlinge kegelheuveltjes voor oogen, en over den weg verstrooid, stukken koraal en schelpen, die breken onder den stap van het paardje, komt men allicht tot zulke verbeeldingen.

Alakoeang, het gehucht waar wij halt wilden houden, ligt tegen den voet van twee steil-ronde heuveltjes aan, in een aardig nestje van groen, verkwikkend voor oogen die vijf uren achtereen niets dan kaal veld en zonneschijn hebben gezien. Wij bekortten, verlangend, den afstand door een voetpaadje te volgen, het steile van de laatste helling af, een paar ondiepe beken en plassen door, en over een ruig, grauw, met brokken overzaaid veld. Voor twaalven nog waren wij in de pasanggrahan. En door de wijde reten van bamboevloer en peloepoehwanden heen woei de koele wind ons in het gezicht, die er aankwam van over de Meeren.

Vlak tegenover de pasanggrahan van Alakoeang wordt, eens in de vijf dagen, pasar gehouden. Juist den avond voor pasardag waren wij er aangekomen. Het vroolijk gerucht dat nog voor zonsopgang alle hanen van het dorp aan het kraaien maakte, wekte ons in de vroegte. De toestanden hier zijn nog primitief; dat was aan den pasar zoo goed als aan de pasanggrahan te merken. De verkoopers zaten, met hun koopwaar op het matje rondom zich uitgestald, op den grond. Een enkele maar had, bij wijze van loods, vier bamboestijltjes met een schuins dakje van riet en blaren, tot berging van zichzelf en zijn waar. De stalletjes waren op zijn best twee-en-een-halven voet hoog. Men moest zich bukken om te zien wat er onder zat: en dat bleek dan te zijn een stapeltje opgevouwen sarongs—klaarblijkelijk Hollandsche import—een hoopje ijzerwerk, spijkers, kettingen, hangsloten, of een paar blikken petroleum, met misschien nog wat eetwaar of eenige aarden potten en kannen. Zoo armelijk als het geheele gedoente was, ging het toch vroolijk toe op den pasar. En de moeders hadden kans gezien om haar kleintjes met sieraad van zilver en verguld op te tooien. Elke kleine naaktlooper had een blinkende medaille op de borst en een blinkende medaille op den rug hangen, als middelpunt van gekruiste snoeren. Er waren alleraardigst bewerkte bij; de kinderen, in het geheel niet bang of verlegen, lieten hun sieraad en zichzelf gereedelijk bekijken, en de moeders stonden er glimlachend bij.

Van Alakoeang is het ongeveer een uur rijden naar Teteadji, het eerstvolgende dorp aan den landweg. Hier doet de onmiddellijke nabijheid van de meeren zich kond in de zwarte netten, die aan alle huizen hangen, en in stapels visch, drogende in de zon. Alleen vrouwen en kinders zagen wij binnen in het halfdonker der hoog op palen gebouwde woningen. Het mansvolk was met de booten uit.

De aanhoudende droogte, die het geheele land van de kust af tot hier toe vaal had geschroeid, had den waterspiegel tot ver beneden het gewone peil doen dalen, en land gemaakt waar anders water is; de blinkende zoom van het meer lag nu wel een twintig minuten rijdens ver van het oeverdorp af. Van hier gezien pas toont het landschap de ontzaggelijke grootte van zijn afmetingen. De heuvels en bergen, die den rand vormen der vallei, liggen onduidelijk, flauw paars en blauwachtig, langs den horizont. En onafzienbaar als een zee, glanst tot in de verten toe het meer, dat de middelste laagte der wijde inzinking overspreidt.

Uit den geheelen omtrek komt het volk hier visschen, en van het eene oeverdorp met zeilen en riemen varen naar het andere. Maar het meer is zoo wijd dat die menigten vaartuigjes er in verloren gaan. De eenzaamheid blijft ongestoord. In het riet langs de oevers en op de vele zandbanken nestelen duizenden vogels, die niet opvliegen, zelfs als de prauw vlak voorbijvaart; het is of zij de menschen niet eens bemerken, zoo zeker zijn zij hier in hun eigen rijk en recht. De roeiers van onze prauw joegen er een paar op met luid geroep en klappen in de handen. Zij zweefden een eindweegs voort, wielden, en streken weer neer, zoo dichtbij, dat de droppels van de opslaande schepriemen hen besproeiden. Meest in aantal en verscheidenheid waren de meeuwen,—groote roodbruine, zooals ook langs de zeekust vliegen, parelgrijze met paarlmoerachtige glansen langs de borst en de onderzijde der vleugels, en kleine, heel smalle, die zoo wit waren als schuim, en een langen, scherptrillenden kreet uitstieten, terwijl zij in wijde kringen zeilden. Hoog in de lucht hingen donkere roofvogels, die, als zij plotseling neerschoten op den bespieden visch, een ruischend gerucht maakten met hun groote, grauw-bruine vlerken. Er stonden witte reigers hoogpootig te blinken tusschen ’t riet. Langs de zandbanken waadden op ooievaars gelijkende vogels die, als pelikanen, een grooten zak tusschen snavel en hals hadden hangen. En overal, op het water, langs het zand, tusschen de biezen, schitterden prachtige waterhoentjes, met flikkerblauwe borst en een schelrooden kam op den kleinen helderoogden kop. Onze prauw zwom: de vogels zwommen: het ging alles in vrede en vriendschap.

We waren al een goed uur onderweg, toen wij de eerste visschersbooten tegenkwamen. Zij blonken ons met purperen zeilen tegemoet, die vierkant tusschen rechte staken gespannen stonden. Toen zij vlakbij waren, zagen wij dat die zeilen sarongs waren, zooals wij er op den pasar van Alakoeang en aan de voorbijgangers op den weg gezien hadden. Het scheen al te zonderling om het te gelooven, zelfs op eigener oogen getuigenis. Maar het inlandsche hoofd, dat de reis mede maakte, verzekerde dat het inderdaad sarongs waren die het varende volk hier voor zeilen gebruikt. Twee boven elkander uitgespannen vormen een windvanger, groot en sterk genoeg voor deze lichte scheepjes. Zoo gerieft dit volk zichzelf en zijn vaartuig met één en hetzelfde stuk goed, sarong vandaag, morgen zeil. Er waren een menigte prauwen op het meer, en óverschoon die schittering in de zon van purperen, rozenroode, oranje en vioolpaarse zeilen tusschen het blauwe water en de blauwe lucht.

Het meer van Sidènreng is met het meer van Tempe verbonden door een waterloop, rivier in den regentijd, beekje in de droge maanden. Er was ons gezegd dat het ditmaal geheel uitgedroogd was, en dat wij een paar uur door modder te baggeren zouden hebben, om van het eene meer naar het andere te komen. Maar er bleek nog juist zóóveel water te staan, als voor onze prauw voldoende was. Tusschen blauwige biezen en allerlei fijngebloemd watergewas wrikten de mannen het bootje voort. En we kwamen er anderen tegen, die wij voorbijgingen met wederzijdsch wijken en even dringen, zooals menschen zouden doen in een nauwe drukke straat. Al die prauwen vervoerden visch, versche en droge. Dat wist men al lang voordat men het zag. Vooral de droge visch—hoopen platte grauwe beesten, den dungetanden muil opgesperd als in een verstarden geeuw—was van verre al te merken. En dat niet alleen op de booten, maar spoedig ook al van den wal. Langs weerskanten van het modderige kanaal stonden hier, daar, overal, atap hutjes, waar visch lag te drogen in de zon. Op den vloer van het paal-huisje, op den grond er omheen, op de stellage van bamboestijlen en -horden er naast, overal lag visch. Mannen en vrouwen, die langs het smalle pad gingen, liepen gebukt onder lasten visch. Naakte kinders lagen te spelen tusschen hoopen visch. En het voedsel, dat driften waggelende kwekkende eenden onder zand, schelpen en wier te voorschijn haalden, was ook al visch.

Halverwege het meer van Tempe overgevaren, kwamen wij aan de plaats waar een deel van al dien overvloed van visch vandaan komt. Het is een lange, modderig-bruine ondiepte, met opstekende zandbanken hier en ginder, en tusschen grijsgroene biezeneilandjes een enkele poel dieper, klaarder water. Eenige visschersprauwen lagen er voor anker, roerloos boven het even-rimpelend spiegelbeeld van hun donkere kiel en roode en oranje zeilen. De mannen waadden rond in het ondiepe water, in elke hand een met de opening omlaag gekeerde korf, die zij onder het voortgaan, rechts en links om de beurt neerstieten tot op den bodem, waar, in de modder, de visch verscholen ligt. Voelen zij een spartelend bewegen in de mand, dan steken zij, door een opening in den omhooggekeerden bodem, den arm erin en grijpen hun vangst. De mand, die niet in een gevlochten rand maar in een krans van scherpe pinnen uitloopt, is gemakkelijk neer te duwen en gemakkelijk op te halen uit de weeke modder. Het is verwonderlijk om te zien hoe vlug de visschers ermee voortkomen, rechts, links, bij elken plonzenden stap door het water een stoot met de mand omlaag. Zoo vroeg als het nog was in den morgen, de wachtende prauwen lagen al half vol met visch.

Met netten ook wordt er gevischt op de meren. Wij kwamen een geheele reeks prauwen tegen, die de vangst al binnen hadden, en naar huis varend met volle zeilen, het zwartige vischtuig tusschen de masten gespreid droegen, om te drogen in den wind.

En vóór de dorpen langs den oever, wier zoetklinkende namen de roeiers ons noemen,—Alasaleyo Tjelingingi, Tempe—stond allerlei vischtuig uitgezet, fuiken van wonderlijk fatsoen, en staketsels, die, in bochten en slingers loopend, een waren doolhof vormen, waar de binnenzwemmende visch niet meer uit ontkomt.

De roeiers zeggen ons de namen van al dat vischtuig, de namen van de visch, die overal, met een plons en een flikkering, opspringt uit het water, de namen van de vogels, die, voorbijscherend, er op jagen. Zij lachen, als zij zien dat dat alles wordt opgeschreven en nog meer, als het hoofd hun verklaart, dat het in een courant komt te staan en dat menschen in Holland het lezen zullen! Ze zijn vroolijk. De roeitocht van zeven uren aan een stuk heeft hen niet moe gemaakt. Als in de Oostelijke verte de daken van Tempe zichtbaar worden, roept er een iets tot zijn kameraden. Meteen buigen tien lenige lichamen diep voorover, de korte schepriemen vallen en springen met een slag, waar het water in regenboog-doorgloorde buien van opstuift, de prauw schiet vogelvlug vooruit. De drie roeiers naast het roer, achter op de prauw, laten hun riemslag dwars tegen de maat van dien der anderen in vallen. Als een huppelende dans klinkt dat. Een van de roeiers begint te zingen, de anderen vallen in. De bruine daken komen nader, de oever duikt op en rijst, aan den Zuidelijken horizont worden hooge bergen al helderder. Uit het meer varen wij een rivier binnen. Het is de Walanaë, die rustig en breed het land invloeit. Op den hoogen oever ligt Tempe, dicht gedrongen met honderden bruine daken langs den bochtigen loop der rivier gevlijd. Een half uur achtereen zien wij die menigte van huizen. Al groeiende zijn twee groote dorpen elkander zoo dicht genaderd, dat zij den voorbijvarende één lijken. Wij dachten nog Tempe te zien, toen de roeiers hun riemen inhaalden, en terwijl zij de prauw tegen den wal lieten drijven, zeiden zij dat hier het doel van den tocht bereikt was, Singkang.

Singkang is wat men een provinciale hoofdplaats zou kunnen noemen: het centrum van het onderdistrict Singkang, dat, als een der rijkste, met verscheiden andere landschappen ressorteert onder de afdeeling Boni. Het dorp ziet er welvarend uit; de menschen dragen degelijke, soms zelfs zwierige kleedij, de paardjes, die het marktvolk in rijen langs den weg drijft, zijn doorvoed en verzorgd en stappen stevig onder hun last; op zindelijke erven staan wèl onderhouden, huizen die van goed materiaal gebouwd zijn. Nog een teeken van welvaart, het beste wel: het volk wil leeren. Pas is de nieuwe school vergroot geworden, en reeds blijkt ze alweer te klein. En niet alleen de jongens zijn het, neen, evengoed de meisjes, voor wie haar ouders onderwijs begeeren. Als uit deze laatste bijzonderheid op te maken valt, is het de handel, waaraan Singkang zijn voorspoed dankt. Een bevolking die hoofdzakelijk van den landbouw en van huis-industrie leeft, meent allicht dat zij met lezen, schrijven en rekenen niet van noode heeft. En als zij, min of meer gedwongen, haar jongens, die zij veel liever voor buffel-herders gebruikt, al naar de school laat gaan, dan houdt zij stellig en zeker haar meisjes toch thuis. Handelsvolk is wel wijzer.

De pasanggrahan van Singkang ligt op den steilen oever der rivier. Van de achtergalerij uit heeft men, over het smalle tuintje heen, het uitzicht op de veerpont die daar heen en weer zwaait over het breede sterk-stuwende water. Op pasardagen,—en pasar is het in Singkang tweemaal in de vijfdaagsche week,—krijgt men hier een indruk van de levendigheid van het handelsverkeer der streek. Voor zonsopgang al begint het gedrang aan de pont, van dragende menschen en bepakte paardjes. Daar komen ze aan, met rijst, met visch, met maïs, met vruchten en groenten, met geweven goed, met kalk, met atap. De slaperige veerman, dien zij wakker geroepen hebben, is nog niet te voorschijn gekomen uit zijn deur, of zij hebben, dringend en schikkend, hun plaats al gewonnen op den bamboehorden-vloer, die over twee tot prauwenfatsoen uitgeholde boomstammen is vastgemaakt. En de pont is nog niet halverwege den stroom, of een nieuwe menigte is al weer saamgeloopen aan den voet der oeverhelling. Wie tegen een uur of acht naar den pasar gaat, kan daar eenige duizenden menschen bijeenzien. Het gemiddelde aantal wordt mij genoemd als van zeven tot acht duizend. De pasarrechten, door den vorst van het district gepacht, maken een aanzienlijk deel uit van zijn inkomsten. Als de pogingen slagen, die het gouvernement doet, ter invoering van betere landbouw-methoden, vooral als een irrigatiestelsel tot stand komt, dat de rijstopbrengst van de streek eenige malen verveelvuldigen zal, zullen handel en verdienste in een nog snellere en meerdere mate toenemen dan zij deze allerlaatste jaren reeds deden.

Celebes is van oudsher een land van handelaren geweest. Lang voordat de Compagnie er kwam, hadden Makassaren en Boegineezen rijkdommen gewonnen in een handel, die over tusschenstations heen, verbindingen gehad moet hebben tot met China toe: getuige de hoeveelheden “schoon porselijn” die Rumphius in zijn “Ambonse Historie” telkens weer opnoemt onder den buit, door expedities der Compagnie in Celebes behaald. Maar die handel was van een avontuurlijke soort, en de handelsman bijwijlen roover, en dikwijls genoeg ook weer beroofde. Zoolang hij op zee was moest hij zijn waar en zichzelf zien te weren tegen “het kwaadaardig gebroedsel” van Ternate en Ceram, handelaars-piraten, als hijzelf. En aan land was het nog wel zoo erg: daar loerde op hem zijn eigen radja met zijn aanhang, tegen wie geen snelheid van schepriemen en zeilen en geen scherpte van forsch gezwaaid zwaard hem helpen konden. De vorst, of de edelman, of erger nog dan een van beiden, de Arabische geldschieter, die den een als den ander in zijn macht had, trad zijn huis binnen, zag er iets wat hem beviel, nam het. Hij durfde niet kikken. Hij moest nog blij toe zijn om wat ze hem wel wilden laten. Tegenover den edelman en den vorst had de gemeene man geen rechten. In het binnenland van Celebes heeft die toestand zich gehandhaafd tot in dezen tegenwoordigen tijd toe. Het nieuwe régime pas, dat niet alleen in naam, maar ook inderdaad het Nederlandsche gezag in de plaats van dat der inlandsche vorsten stelde, heeft er een eind aan gemaakt. En van dien keer der zaken dateert de opkomst en bij den dag in ongestoorde ontwikkeling rijkere bloei van den inlandschen handel, waardoor het geheele dorpsleven veranderende is.

In bonte kleedij, wuivenden sluier en aureool van langgesteelde gulden bloemen om haar beschilderd voorhoofd, dansten de meisjes een langzamen rondedans.

In bonte kleedij, wuivenden sluier en aureool van langgesteelde gulden bloemen om haar beschilderd voorhoofd, dansten de meisjes een langzamen rondedans.

Een einde gemaakt heeft het Nederlandsche bestuur ook aan de slavernij: “met één pennestreek.” En men zou verwachten dat de uitwerking van dit verbod een nog diepergaande zijn moest, en die nog grootere en snellere veranderingen in de inlandsche maatschappij teweeg moest brengen. Op dit oogenblik echter—hoewel het in de toekomst stellig veranderen zal,—is dat niet het geval. De opheffing der slavernij heeft de slaven zelven vrijwel onverschillig gelaten. Op den pasar van Singkang hadden wij een ontmoeting, die ons van die onverschilligheid een merkwaardig staaltje gaf. Er was daar een gezelschap danseressen, onder geleide van een oude vrouw. Terwijl de meisjes in haar bonte kleedij, wuivende sluiers en aureool van vergulde bloemen op lange stelen rondom haar beschilderd voorhoofd trillende, een langzamen rondedans dansten, zong de oude een lang, eentonig lied, naar de maat waarvan zij haar schreden schikten. Toen zij zweeg, hielden zij op en verbraken den kring. De oude kwam naar voren en nam het geld van de toeschouwers in ontvangst, dat zij wegstak in haar slendang. De meisjes keken er zelfs niet naar, onverschillig, als omtrent iets dat hen niet aanging. Wij hoorden dat zij ook werkelijk geen het minste belang hadden bij de opbrengst van hun arbeid. Zij waren het eigendom der oude vrouw, die hen, jong, van hun ouders had gekocht, hen onderwezen had in dansen en zingen, hen voedde en kleedde, en zich het geld, dat zij verdienden met haar vertooningen, toeëigende. Het bleek een erkende instelling te zijn, en een door het geheele binnenland verspreide. Het gebeurt wel dat zulk een meisje een minnaar vindt en trouwen wil: dan moet de vrijer haar loskoopen van haar meesteres. Het gebeurt ook wel dat er een wegloopt, omdat zij het eeuwig rondzwervende en toch eng-gebonden leven niet langer harden kan misschien, of misschien ook omdat de man, die haar trouwen wil, geen geld genoeg heeft om haar vrijheid te koopen. Dan wordt er jacht op haar gemaakt en de gevangene teruggegeven aan haar meesteres. Natuurlijk: als het geval voor den ambtenaar van het Binnenlandsch Bestuur werd gebracht, was het oogenblik van klagen en het oogenblik van recht en vrijheid krijgen, één. Dat weten zij ook, allen: de ouders die het kind “afstaan voor geld,” de oude vrouw die hen exploiteert, de meisjes zelven. En niettemin gaan de eenen voort met onrecht doen in volkomen gerustheid, en de anderen met onrecht lijden in volkomen gelatenheid. Vraagt men: waarom dan toch?, dan is het antwoord: “Wij zijn het altijd zoo gewend geweest.”

Dat was het antwoord dat wij kregen op de markt te Singkang; en dat is het antwoord dat ambtenaars van het B. B. krijgen, wanneer zij “slaven” trachten uit te leggen dat zij niet langer slaven zijn, en vrij om te gaan waarheen, te leven zooals en te doen wat zij willen. De “slaven” hooren de verklaring aan, hoffelijk en zwijgend, naar inlander-manier. Maar bij zich-zelven denken zij: “Dat is weer zulk een nieuwigheid van de Blanda’s waaraan geen verstandig mensch zich zal storen. Ik ben een slaaf geweest. Mijn vader en moeder zijn slaven geweest. Mijn grootouders en overgrootouders, en al mijn voorouders voor zoover iemand het kan nagaan zijn slaven geweest. Mijn kinderen zullen ook slaven zijn. Als nu de Companie beveelt dat dat anders moet worden, wordt het daarom anders? De Companie kan wel bevelen dat wij inlanders allen een blanke huid moeten hebben voortaan. Maar wij blijven bruin! Laat de Companie maar zeggen dat wij voortaan vrij zullen zijn! Wij blijven slaven.”

Een enkele heeft de openhartigheid het ronduit te zeggen. En dan valt den “bevrijder” de repliek moeilijk.

“Slavernij” in het Hollandsch en “slavernij” in het Makassaarsch of Boegineesch of Ternataansch of welke andere talen meer in Celebes en in de Molukken gesproken worden, is niet hetzelfde. Zelfs voor gekochte of geroofde slaven was de meester maar zelden hard: en de slaaf op zijn erf geboren, als kind van ouders die zijner ouders slaven geweest waren, was een lid van zijn gezin. De slaaf diende hem, zeker. Maar ook vele van zijn arme bloedverwanten dienden hem. Bepaalde grenzen omsloten de verplichtingen van den slaaf; daarbuiten had hij ook rechten. Dat ging zoover, dat een slaaf eigen bezit kon hebben en inderdaad dikwijls had. Zoodat het voor den Westerling onbegrijpelijke geval zich voordeed, dat de slaaf rijk was, en de meester arm. En dan was het juist de slavernij, die den rijken slaaf beschermde, daar waar de vrije man onbeschermd bleef. De radja of de “edelman” die een vrijen koopman plunderde, wachtte zich wel den koopman aan te tasten, die, als slaaf, onder de bescherming van een anderen grooten heer stond. Terwijl die groote heer zelf zijn slaaf ontzag, gedeeltelijk omdat de adat dat voorschreef en gedeeltelijk omdat hij hem als een huisgenoot genegen was. Dat de verhouding al sedert eeuwen zoo geweest moet zijn, blijkt uit een verhaal, dat Rumphius doet omtrent “den Koninck van Ternate, Hamsa” en Hamsa’s slaaf “den ouden roover Djouw Loehoe.” Hamsa had den roover, dien hij op last der Compagnie gevangen had genomen, weer losgelaten en op de toornige vraag waarom, niet anders geantwoord dan “dat dezelve zijn slaaf was, denwelke hij telkens weder konde krijgen als hij begeerde.” Toen de gouverneur-generaal hem aan zijn woord hield en eischte dat hij Djouw Loehoe zou te voorschijn doen komen uit de sterkte, waar hij zich in allerijl verschanst had, bleek de ware toestand. “Djouw Loehoe wist den Koning niets ter wille, latende hem aanzeggen dat hij wel bekende Zijn Hoogheids slaaf te wezen, maar dat hij voor die reis niet konde afkomen, vreezende dat hij hem mede in onze handen mocht leveren.” De Koning vertrok dan met een langen neus.” Waar van zoo oudsher de verhouding van slaaf tot meester een zoodanige was, is het ten slotte zoo verwonderlijk niet, dat de Westerling daarin nog geen verandering teweeg heeft kunnen brengen.

Pampanoea en Watampone

Op den weg naar de golf van Boni en Badjoa, dat de schepen der Paketvaart aandoen, is Pampanoea het op Singkang volgende station. De zachtjes krakende en kabbelende veerpont brengt den reiziger naar de overzij der Walanaë, en een landweg op die door een vruchtbare zorgvuldig bebouwde streek loopt. Zij is dicht bevolkt. Groepjes hutten, het al groeiende begin van gehuchten, staan overal tusschen de akkers langs den weg. De heerschende bouwtrant is hier dezelfde als op Makassar: het huis dat van bamboe-reepen gevlochten is, staat manshoog op palen. De voorzijde heeft drie langwerpig hooge vierkante openingen als vensters, die dikwijls hetzij met gebeeldhouwde stijltjes, hetzij met gordijnen zijn versierd, wat een Westersch-properen en gezelligen glimp geeft aan het geheel. Aardig komen de gezichten der bewoners te voorschijn binnen die omlijsting, wanneer zij den voorbijrijdenden reiziger nakijken. Wij zagen twee van zulke huizen in aanbouw. Van het eene stonden de gevel, vensters en alles voltooid, tegen het bloeiende citroen-boschje van het erf geleund, te wachten op het gereed komen van de zijwanden en den achtergevel. Het huisgezin was bezig die te vlechten, met hun allen op den grond gehurkt rondom een rooster van platgeslagen en gespleten bamboelatten, dat zij dichtten met behendig doorgestoken reepen. Voor den avond zouden zij wel klaar zijn, leek het, en de vier wanden, aan de randen samengehecht met een windsel van rottan, dat tegelijk stevigheid en versiering geeft, vastgemaakt hebben aan de bamboestijlen en op den houten vloer. En den volgenden dag kon dan het dak er op, waarvoor de bedekking,—droog blad van den arenpalm tot strooken saamgevlochten,—op den pasar van Singkang was gekocht. En de buren, gekomen om te helpen aan den bouw, zouden met het gezin de inwijding der nieuwe woning vieren bij een maaltijd waarvoor ieder een portie spijzen had meegebracht. Het andere huis, waaraan wij de bouwers bezig zagen was een al bewoond, dat vergroot werd. De verbouwing had geen verhuizing noodig gemaakt. De wijdere wanden en het hoogere dak waren om en over het oude huisje heen gezet; klein, donker en dicht zat het binnen in de ijle overhuiving. In het bruine tinteldonker achter de deur-opening kwam het huisgezin te zien, dat in zijn snellen groei het stulpje zoo naar alle kanten uiteen had geduwd: zeker een dozijn kinders, dicht om de moeder en een dampenden pot rijst heengedrongen. Ieder kreeg zijn portie op een stuk pisangblad bij wijze van een bord. Het allerkleinste werd gevoerd met balletjes samengeknede rijst, die de moeder hem met den duim achter in de keel duwde, onbekommerd om zijn gehuil: een schreeuw, een prop, een schreeuw, een prop, om de beurt. Terwijl dus beneden in het oude huis gegeten en gevoerd werd, werd gewerkt boven in het nieuwe; onder de handen van den schrijlings over den nok gezeten huisvader vorderde het dak.

Wij bereikten Pampanoea even voor den middag. Na Singkang met zijn bedrijvig gewoel langs de rivier en op den pasar, en zijn dicht aaneengedrongen huizen, lijkt dit Pampanoea, dat de officieele hoofdplaats van de streek en een garnizoensplaats is, al heel klein en stil. Strategische redenen hebben de keuze van het gouvernement bepaald: Pampanoena is van meér punten uit en gemakkelijker te bereiken dan Singkang, waarheen de hoofdweg de in ontelbare bochten slingerende rivier is. Als garnizoens-plaats heeft het dorpje een “ver-Hollandscht” voorkomen; breede, rechte, goed onderhouden wegen en een aardig park, waaromheen de huizen der officieren gelegen zijn. Het inlandsche dorp, van deze omgeving uit niet te zien, heeft ook iets Hollandsch: in zooverre namelijk, als het ordelijk en zindelijk is. Aan het eigen goedvinden van de bewoners overgelaten is een inlandsch gehucht dat zelden of nooit. Het materiaal waarvan de huisjes zijn gebouwd is van het lichtste: het heeft veel te verduren van het klimaat, in de lange stormachtige regentijden: reparatie is altijd door noodig. En dat is iets waartoe een Oosterling zichzelven niet gauw of graag brengt. Of het om een wonderwerk van architectuur als een Balischen tempel gaat, of om een boerenhutje hier in het binnenland van Celebes, dat is hetzelfde. Wat eenmaal vervalt dat laten zij liefst verder vervallen. De Baliërs hebben het zelfs verstaan aan deze hun trage nalatigheid een glimp van godsdienst te geven: de goden willen niet dat het vervallende hersteld worde. Het moet vervallen tot het niet meer is. En dan moet de ledige plaats ingenomen door het nieuwe. Makassaren en Boegineezen, Moslims, houden zulke bespiegelingen niet. Maar hun practijk is dezelfde. Men kan huizen zien van welgestelde gezinnen waar het dak in flarden van afhangt. Een vergelijking van gehuchten als Alakoeang of Teteadji in de afgelegen meren-streek met Singkang of Paré Paré of Pampanoea, standplaatsen van ambtenaren van het B. B., maakt de verandering duidelijk die Westersch toezicht in Oostersche toestanden te weeg brengt.

Althans in woning-toestanden; in andere opzichten blijken sleur en vooroordeel dikwijls nog te sterk. Bijvoorbeeld in dat van hygiëne. De inlander heeft daarvan geen begrip. Getuige de manier waarop een moeder haar kokhalzend kind volstopt met voedsel—en met wàt voor voedsel soms! “Als mijn kind niet eet, sterft mijn kind.” Als al slikkende “mijn kind” tòch sterft—en ach! in getale sterven de kleinen in inlandsche dorpen!—dan is het de “wil van Toean Allah” geweest. Evenzoo is het de wil van Toean Allah wanneer in tijden van epidemie vele honderden menschen sterven, die uit stinkende slooten en poelen drinken; of wanneer zeere oogen met een slip van gore kleedij afgewischt, dof worden en blind; of als huidziekten en wonden, aan het toeval overgelaten, een mensch den dood aandoen. “Zeker was het zijn uur om te sterven.” In geheele streken van Celebes zijn de pokken epidemisch. Het bestuur heeft de vaccine-campagne er tegen begonnen. Maar nu het volk er toe te krijgen dat het aan die om zijnentwille begonnen campagne meedoet! Alweer: het is de wil van Toean Allah volgens welken een mensch de pokken krijgt of niet krijgt: en aan dien wil verandert geen medicijn iets. Soms hoort men nog een andere reden opgeven voor dien algemeenen onwil. Om der zonderlingheid wille dient zij vermeld, zij het dan ook al onder voorbehoud. Velen gelooven, zegt men, dat wie eenmaal de pokken heeft gehad in dit leven, in het volgende er van verschoond zal blijven. Daarom vinden zij het zaak de ziekte te hebben, en wie zoo ongelukkig is niet vanzelf haar te krijgen, gaat naar een fortuinlijker buurman en haalt een beetje besmetting. Het moet geen geringe voldoening zijn in een tijdelijk geschonden gezicht den waarborg van eeuwige schoonheid te bezitten!—Meenen zij het werkelijk zoo? Men hoort het, en men leest het zelfs in officieele mededeelingen. Maar het blijft altijd uitermate moeilijk te weten te komen of zoo iets een persoonlijke opvatting is, of eene misschien tijdelijk of toevallig in een bepaalde streek heerschende, waar de een of andere dweepzieke fantast vat gekregen heeft op de kinderlijke gemoederen, dan wel of het werkelijk een algemeen vastgehouden overtuiging is. De Oosterling is, om redenen voor hem voldoende, zeer gesloten tegenover den Westerschen overheerscher. En ook wie met al den ijver en de belangstelling die uit oprechte sympathie voortkomen zijn leven gadeslaat, zal zich moeten neerleggen bij het besef, dat hij niet dan in zeer zeldzame gevallen meer dan den buitenkant er van te zien krijgt.

De verbinding van het binnenland met de golf van Boni gaat langs de rivier, die bij Singkang de Walanaë heet en verderop twee, driemaal van naam verandert, bij het opnemen van andere stroomen. De mail, die de booten der Paketvaart te Badjoa afgeven, wordt in een sloep aan wal gehaald en met een stoombarkasje het binnenland in gebracht. De menschen wachten op die barkas als een kleine honderd jaar geleden, klein-stedelingen door heel Europa wachtten op de post-koets. En wie kan, schikt zijn reizen naar de vaarbeurten van het bootje, liever dan over de moeilijke wegen een tocht te ondernemen. Ook wij deden dat.

Van het midden van haar breeden vloed uit, die goor en dik van opwolkende modderwervelingen langs de flanken der barkas stuwde, zagen wij de rivier laag in haar bedding liggen. Slijkerig zwart langs den zoom van het water, grauw omkorst hoogerop, hingen ontbloote wortels van boomen en struweel. In den nacht nog, klaarblijkelijk, was het water onder het toch al buitengewoon lage peil verder gezakt. Het trof te meer te hooren, hoe kortgeleden nog diezelfde trage slinkende stroom den geheelen omtrek langs zijn beide oevers onder water had gezet, en de opkomende maïs-velden der dorpelingen had doen verrotten in een vloed die drie maanden achtereen bleef staan. Een bleeke streep langs de stammen van den steilen oever was er van achtergebleven als een peil-merk der natuur zelve. En een ander merk zou de zoeker kunnen vinden in leeg geworden huisjes en verzwakte lichamen. Zulke schommelingen tusschen verdorring en watersnood zijn niet zeldzaam in deze streek, waar weken achtereen soms een heete van kalkdeeltjes doorstoven wind van de verschroeide hoogvlakte overheen blaast, en in den regentijd de bergen, als een dijk in de luchtzee staande, den Westmoesson tegenhouden, waarop de zware regenwolken komen aangezeild.

De kronkelige rivier kan de plotselinge vloeden niet verzwelgen noch snel genoeg afvoeren. Regularisatie is allerdringendst behoef. Maar ook hier weer is het—waar moet het geld, waar moeten de arbeiders met het hoofd en de arbeiders met de handen vandaan gehaald?

Voorshands wordt er gewerkt aan nieuwe wegen en het is een lust om te zien hoe die vorderen, een lust om te zien ook dat het volk, in heerendienst opgeroepen, er aan werkt zooals menschen werken die weten hun eigen belang te dienen. Zij hebben het ervaren, dat zij langs een ordentelijken weg gauwer vooruitkomen, meer kunnen verdragen en vervoeren van huis naar pasar, meer kunnen verdienen dus met minder moeite, dan langs de ruige paadjes over stok en steen, door poelen en kreupelhout, waarmee zij vroeger zich tevreden stelden. Zoo iets stellen de geboren handelslui die zij zijn, op den rechten prijs. Hetzelfde geldt voor den aanleg van telegraaf- en telefoonlijnen. Zij kenden in het begin het gebruik er niet van. En toen kwam het voor dat zij, in alle onschuld, de leidingen doorsneden, om van dat mooie, blinkende metaaldraad arm- en enkelbanden voor hun kinders te maken. De leiding was, in hun idee, “een wegwijzer voor de Companie” en wèl zonde en jammer daarvoor metaal te gebruiken, terwijl het toch met rottan precies even goed ging: waarom zij, eerlijk, overal waar zij draad wegnamen, er rottan voor in de plaats inlaschten. Maar sedert een invloedrijk hoofd, half verdwaasd van blijden schrik, de stem van een ver verwijderden vriend door de telefoon te hooren kreeg, en aan al zijn volgelingen het wonder mee ervaren liet, heeft dat opgehouden. Op zijn hoogst wordt een heel enkelen keer door dezen of genen, wien vaderliefde en schoonheidszin al te sterk worden, een heel klein eindje gediefd van het draad dat de palen aan hun stut verbonden houdt.

Bij een van de vele kleine gehuchten die als lafenis zoekende kudden langs den oever zich neergelegd hebben, verlieten wij den stroom en zochten een eind ver langs den nieuwen en voor onze oogen groeienden, daarna langs den ouden, vervallenden weg, de richting naar de grot van Mampoe. Er was ons gezegd, dat het gezicht daarvan alléén al loon genoeg was voor meer tijd en moeite dan de reis door Paré Paré en Boni kost. Zoozeer gespannen bleek onze verwachting toch nog kleiner dan de werkelijkheid. Iets zoo fantastisch-schoons als dit binnen-bergsche gebouw van blanke zalen, hoog als het schip van een kathedraal en gedragen op zuilen waarlangs het afdruipend gesteente als tapijten, als vaandels, als prachtig gewonden kransen en festoenen hangt, vermag de verbeelding niet zich voor te stellen.

De ingang is weinig bemerkbaar, verscholen als hij ligt onder de overhangende helling van den berg en al het dichte groen dat daar weeldert in den zonneschijn. Achter de lage, lange poort ligt al een drempel steenachtige grond, waar nog het daglicht helder schijnt, en schaduwtjes van hangende ranken luchtig liggen. Daarachter, opeens, zinkt de vloer omlaag, rijst de welving omhoog, wijken de wanden in schemering. Een duisternis in de verte is de neerglijdende ingang tot een nog wijdere spelonk. Klein bewegen de lichtjes er door heen van de in bossen saamgebonden dorre palmtakken, waarmede als met smeulende flambouwen de inlandsche gidsen voorgaan. Als zij de toortsen met een zwaai doen ontvlammen, staat een ruimte belicht wit als versch ivoor: een zuiver-witte koepel langs vijf zuiver-witte zuilengroepen opgegroeid uit een wittig-grijzen grond. Geen zweem van kleur, geen verste echo van verstervend geluid breekt de witheid en de stilte. Achter de machtigste der veelvuldig samengestelde, opwaarts strevende, neerwaarts vlietende zuilenbundels ligt de uitgang onzichtbaar.

De smalle gang klimt, herwint den half-dag van de voorste grot, kronkelt door hoekig versperde nauwten naar daarboven en daarachter gelegenen. In de eene valt de zonneschijn door de bres, die een geweldige aardstorting heeft gemaakt in de flank van den berg. Een jonge boom groeit slank door de opening omhoog. Luchtwortels hangen er in af van een waringin, die ergens, buiten staat. Tot een andere hebben regen en plantengroei een weg gevonden langs verborgen scheuren. Als een wonderlijke hemel, waaraan de regenboog schijnt, staat het wittige verwulft gestreept met breede banden groen, bruin, oranje en rood. Er is een derde, een vierde, een vijfde, waar het op den grond afgedropen steen-vocht tot vormen zich heeft geschikt, die het leven in de natuur daarbuiten nabootsen. Daar ligt—de Inlandsche gidsen houden hun takken-flambouwen hoog om het vlammenschijnsel er over te doen spelen—“de gestrande prauw,” wier stuurman in zorgelijk nadenken op de plecht zit, het hoofd op de rechterhand. De “krokodil en de schildpad” kruipen naar het zwarte hol toe, dat de oever lijkt van een ondergrondsche rivier. Een kudde herten is versteend in de houding van doodelijk-beangste vlucht voor den jagenden ruiter en zijn honden. En het rijstveld wordt aangewezen op een brokkelige steilte, waar een reusachtige schoof donker tegen het licht staat van de daarachter gelegen instorting. En “het graf van den Radja,” die op de jacht hierheen verdoold, den weg terug niet meer kon vinden, en het hoofd op de steenen neerleggend, zich overgaf aan den eeuwigen slaap. Zijn Raden ajoe is hier, die hem ging zoeken; en de geheele stoet van vrouwen, die haar volgde. Maar achter die zalen van een roerloos gedrang van steenen gestalten vol, liggen andere ruimten, ledig geheel en al. Door het wittige zand, dat den vloer fijn bestrooit, valt een van verre gekomen licht, blauwachtig als het schijnsel van de maan. En in weder andere hangen aan de wanden zonderlinge klompen, zwart tegen grauw, en een voortdurend geruisch vervult de lucht, dat doet denken aan het schurende spoelen van een rivier over steenachtigen grond. Hier is het kil. Telkens waaien lichte vlagen koude. En men begrijpt niet waar vandaan, in deze van alle zijden besloten spelonk, tot de fakkeldragers, hun toorts in een snellen cirkel zwaaiend, het licht opwerpen tot aan de welving, waar, in een zwarte werveling, tienduizenden vleermuizen warrelen, die de lucht wannen met hun reppende vlerken.

De doolhof van zalen en gangen met zijn wonderlijke versteenigen heeft in de verbeelding van het volk een weerspiegeling geworpen van legenden, even wonderlijk als verward. Het bleek ons dat zij gaarne die vertellen. Geheel anders dan de eene deed de ander het. Hun stemmen mompelden en morden in de bedompte lucht, terwijl zij elkander tegensprekend in de rede vielen. Maar de meesten hielden toch vast aan het verhaal van den Radja en zijn gemalin, die voor vele honderden jaren, door een boozen geest in gestalte van een jachthond verlokt, deze grot binnengekomen waren en na lang dwalen versteend. En wij bemerkten, in het heengaan, dat bij “het graf van den Radja”—den kring kleinere steenen die een groot, langwerpig blok omringt—eenige vruchten neergelegd waren als offer.

Na de duisternis, de koelte, het zwijgen, kwam ons toen het zonnige landschap en het groepje huisjes waar vrouwen aan het rijst-stampen waren, vreemd voor. En gedachten over de legende van den jager en zijn liefste reden met ons mee langs den dagelijkschen weg naar Watampone.

Watampone, een garnizoensplaats nu en een druk handeldrijvend inlandsch dorp, is de oude residentie der vorsten van Boni. Reliquieën uit hun glorie-tijd worden als in een soort museum bewaard in een huisje van hout en atap, tot het complex van het vroegere vorstelijk verblijf behoorend, en de nawerkingen van het oude regime zijn nog sterk in de inlandsche maatschappij.

De “rijks-sieradiën van Boni” werden ons vertoond door den bewaker, een oudachtig man, die in gelaat, gebaren, spraak en houding, in zonderlinge vermenging, tegelijk iets priesterlijks had en iets slaafs. Voor hij de zware kisten opende, ontstak hij een reuk-offer van “doepa” in een bronzen komfoortje, dat een gerimpeld oud vrouwtje, stellig ook een slavin vroeger in het vorstelijk gezin, hem bukkend en hurkend bracht. Toen nam hij, met ceremonieuzen omslag, de schatten uit hun schrijn. Daar kwamen eerst kostbare wapens te voorschijn, zwaarden, als die Balische edelen in hun familie-schat bewaren, met “pamor” ingelegd staal, geborgen in een gouden scheede, prachtig gedreven en met robijnen en diamanten versierd. Toen werden zijden vaandels ontvouwen, beschilderd en geborduurd. Het eene was de vlag, die gouverneur-generaal Speelman namens de Oost-Indische Compagnie aan den Bonischen bondgenoot vereerde: op de breede, witte zij, licht vergeeld van ouderdom en in de vouwen gebroken, staat een met volle zeilen en wapperende driekleur varend Hollandsch schip geschilderd, tusschen zon en maan, die, als reuzen verbeeld, elkander de hand reiken, terwijl een rondom loopende zinspreuk verklaart dat Boni en de Edele Compagnie vereend zullen blijven zoolang als zon en maan zullen schijnen. Twee saamgeklonken ijzeren ringen, door inlegsel van goud sierlijk gemaakt, verzinnebeelden verder dat verbond,—duidelijker dan in de bedoeling van den gever gelegen kan hebben: inderdaad, het goud is voor de Edele Compagnie geweest, en het ijzer voor Boni! Een gouden keten, geweldig zwaar en dik, van het soort dat Rumphius bedoeld moet hebben, als hij schreef van “gouden slangen,” gevormd door schakels niet, maar door gróote schubben, toont hoe de Compagnie haar bondgenoot dankte voor hulp met de wapenen. Zij werd aan den Vorst van Palakka vereerd, na zijn gelukkige veldtochten in West-Sumatra en in Noord-Celebes, in 1672. En de scalp van den vorst, de lange, grove zwarte haren los er langs zwierend, wordt als allerkostbaarste reliquie vertoond, zorgvuldig gespannen over een houten schedel. Er is sprake van geweest de “rijkssieradiën van Boni” over te brengen naar Batavia, waar zeker het vele goud en edelgesteente veiliger zou wezen dan hier. Maar men heeft ze in Watampone gelaten, met ommezicht naar de gevoelens der bevolking. Het blijkt immers uit de offers van wierook, bloemen en vruchten, geregeld nedergelegd in de grafkoepels der sultans, een eindweegs buiten het dorp, hoezeer zij nog steeds gehecht is aan de nagedachtenis van haar oude vorsten. Men zou met recht mogen vragen, waarom dan toch? Veel goeds heeft zij waarlijk van hen niet ervaren! Maar datgene wat de dessaman op het sultansgraf komt eeren, is zeker niet deze of gene Aroe, van wiens daden, goed of kwaad, hij immers niets weet; maar, eerder, een vage voorstelling van eigen land en stam vereenzelvigd met de reeks zijner heerschers.

Van den laatsten, die door den Boni-oorlog—(als men met zulk een groot woord éen enkel gevecht mag noemen)—uit gezag, huis en land verdreven werd, hoort men spreken als van een goedaardigen zwakkeling, geheel versuft door opium-schuiven. Zijn eenig genoegen—en eenige bezigheid tevens—was het visschen. Het beheer of wanbeheer over zijn land liet hij over aan de “anak aroeng” (de afstammelingen der vorstelijke familie en de edelen), en aan de Arabische geldschieters, die die anak-aroeng, en hem zelven ook, in hun macht hadden, als geldschieters niet alleen, maar ook als bloedverwanten; want de Arabieren, slimme politici, waren veelal met vrouwen uit de heerschende families getrouwd. Het nieuwe bestuur heeft nu een eind gemaakt aan wat men “de wettige macht van den adel” zou kunnen noemen. Niet langer kan een anak-aroeng het paard van een dorpeling verbeurd verklaren, omdat het onder zijn huis door is geloopen, of de karbouw van den dorpeling, omdat die langs den rand van zijn veld heeft gegraasd. En hij zal het ook niet meer wagen een rijstveld van den kleinen man te laten afoogsten of uit het huis van een Boegineeschen handelsman te halen wat hem belieft. Maar de macht en het aanzien, door oude traditie hem verleend, heeft de adel ook onder het nieuwe regime behouden. Gewillig buigt de geringe man daarvoor. Het is zelfs niet zeldzaam dat hij gehoorzaamt, wanneer een anak-aroeng hem een bevel geeft, voor zijn eigen welzijn gevaarlijk; een bevel, bijvoorbeeld, tot moord. Eenige maanden geleden werd in een dorp, aan de Noordkust van de Golf van Boni gelegen, een afschuwelijke moord gepleegd; bij het gerechtelijk onderzoek verklaarden de daders op bevel van een anak-aroeng gehandeld te hebben. In de gevangenis van een ander dorp in deze streek zag ik zelf twee vrouwen, die te zamen een oud paar hadden geworgd. Het paar stond in het dorp bekend voor gifmengers. De radja had bevolen hen te dooden. De twee vrouwen hadden het gedaan. De zaak was nog niet ten volle onderzocht en bewezen: maar er werd, in dezer voege, over gesproken als over iets dat volkomen vast stond en aan allen bekend was. Niemand scheen er iets afkeurenswaardigs in te vinden. De twee vrouwen hadden kalme, zachte gezichten. Toen ik ze zag in de gevangenis, waren ze bezig met hun beiden een klein meisje, het kind van de jongste der twee, te voeren. Het zat op het matje tusschen de twee in. En de oudere vrouw zag het zoo vriendelijk aan als de moeder zelve. Het zal wel onvermijdelijk wezen dat zij gestraft worden voor moord. Maar even onvermijdelijk zal hun gelaten afkeuring van het vonnis zijn. Zij hebben immers niet anders gedaan dan wat zij meenden te moeten doen: gehoorzaamd aan hun meerdere.

De adel onderhoudt het denkbeeld van die meerderheid in het volk en in zichzelf door de handhaving van een uiterst strenge kasten-wet. De geboorte bepaalt uitsluitend de waarde van den mensch. Omdat hij de zoon was, niet van zijns vaders gemalin, met hem in rang en afstamming gelijk, maar van een bij-vrouw, uit geringere familie voortgekomen, werd de laatste Radja minder dan zijn voorgangers geëerd. De dochter van een aanzienlijk geslacht huwt niet met den zoon uit een minder edel. Liever blijft zij ongetrouwd, zoozeer dat tegen alle Oostersche denkbeelden en zeden ingaat. Er zijn verscheiden “prinsessen” op Celebes, dochters van regeerende vorsten of regeerende vorstinnen (want ook vrouwen regeeren hier) die om die reden niet trouwen.

De jonge man van goeden huize heeft, van de eerste jongelingsjaren af al, een niet-officieele vrouw. Als kind is zij zijn dienend speelnootje geweest; zijn slavinnetje zou zij kort geleden nog geheeten hebben. Op zijn dertiende of veertiende jaar is zij door zijn moeder hem als vrouw gegeven. Gaat hij later een huwelijk aan met een vrouw van zijn eigen stand, dan moet hij de laag-geborene verwijderen: een vrouw van adellijken stand behoeft geen bijvrouw te dulden. Zóózeer heeft het standsbegrip zelfs de Mohammedaansche zede gewijzigd, die toch voor onaantastbaar geldt. Nog meer. Ook het huwelijk tusschen gelijken in rang blijft door die gelijkheid beheerscht en van haar afhankelijk, zooals het op haar gebaseerd is. Een vermindering in aanzien van de ouders brengt vermindering in aanzien van de dochter teweeg: zij is niet langer haars mans gelijke, zij heeft niet langer haar adellijke voorrechten; hij kan, om zijn eigen rang en voorrecht te handhaven, haar verstooten. Het gebeurt herhaaldelijk, naar mij verzekerd wordt, dat een schoonzoon zich dus losmaakt van aan lager wal geraakte schoonouders, om het even wat de oorzaak van den achteruitgang zij, eigen schuld of ongeluk.

Het natuurlijk gevoel blijkt, dat spreekt vanzelf, dikwijls sterker dan al dat kunstmatige. Een man weigert zijn laag-geboren liefste te verstooten om de wille van de aanzienlijke vrouw, die zijn ouders hem bevelen te trouwen. Een jonkman en een jong meisje willen zich niet laten dwingen door de conventie, die op grond van verschil in stand hun vereeniging verbiedt, en vluchten te zamen.

Elk geval van dien aard maakt een steen los uit het oude gebouw van feodale instellingen. En het schijnt wel dat in den laatsten tijd zij al veelvuldiger worden: de rebellen weten immers dat het Westerlingenbestuur hen beschermen zal tegen de vergelding, die onder het oude regime stellig hen getroffen hebben zou. Gelieven zoeken hulp en toevlucht bij den “toewan petor” (als, met een echt-inlandsche vervorming van het oud-Portugeesche “fettor” de controleur wordt genoemd) zooals Romeo en Julia het deden bij den vromen klooster-broeder—vertegenwoordigers, de een en de ander, van een gezag boven familietwisten of stands-verschil verheven.

Maar, hoewel in aantal toenemend, blijven zulke gevallen toch uitzonderingen. De regel is: de traditie. Traditie houdt de vereering levendig voor den vorst, den onder Nederlandsch gezag “regeerende” of den uit alle macht ontzette en buiten de landpalen verbannene. Traditie houdt de voorrechten hoog van den adel. Traditie beheerscht huwelijk en gezinsleven. En er zal nog heel wat water door de Walanaë loopen, voor dat verandert.

Als veelal in streken met nog maar gebrekkig ontwikkeld verkeer, vindt men ook in het binnenland van Paré Paré en van Boni dicht bij elkander gelegen plaatsjes elk met zijn eigen bijzonderheden op zichzelf staan: wat het eene voor gewoonte heeft is in het andere uitzondering, wat het eene maakt is in het andere niet te krijg. Pampanoea en Watampone zijn maar ettelijke uren gaans van elkander verwijderd, maar elk van de twee heeft zijn eigen industrie, in het ander onbekend. In Pampanoea is het vlechtwerk van fijn slag. De vrouwen maken daar allersierlijkste mandjes—men zou ze om het fatsoen beter schaaltjes met overgestulpten deksel noemen—soms van bladerreepen, die zij eerst verven, en die zij, in hun sprekende kleuren, weten te schikken tot allerlei aardige patronen; en soms (dat is de kostbaarste soort) van de goudgele glanzende en buigzame stengels eener orchidee. Stapels van dat aardige goedje kan men op den pasar daar vinden. Vraag er naar in Watampone: “dat maken de menschen hier niet.” Daarentegen maken ze heel mooi aardewerk: lampjes, komforen en koelkruiken van velerlei fatsoen en versiersel; zelfs het grofste, dat op den pasar bij hoopen opgestapeld staat, en voor een paar duiten het stuk wordt verkocht, is aardig om te zien. Onder het fijnere, waarvoor zuiverder klei wordt gebruikt, die bij het bakken een bijzonder mooie warm-roode kleur krijgt, zijn ware pronkstukjes van primitieve kunst. Men zou deze naïeve ceramiek, evenals het vlechtwerk van Pampanoea, wijder bekend en gewaardeerd wenschen, ware het niet dat dan het gevaar zou kunnen ontstaan, dat overal dreigt waar kunstwerk handelswaar wordt: dat om de wille van de winst de kunstenaar zijn waar vervormt naar den minder goeden smaak van den kooper. Aan het batik- en koperwerk van Java kan men het zien hoe noodlottig Westersche navraag wordt voor Oostersche kunstnijverheid.

De pasar van Watampone, waar wij het mooie aardewerk vonden, werd geheel beheerscht en geregeerd door een statigen, zwierig gekleeden Arabier. Hij toonde ons de markt of het zijn eigen huis en erf was, hij maakte met ons “le tour du propriétaire.” Alles week voor hem op zij. Hij had, hoorden wij, de pasar-rechten gepacht. Te Singkang was het eenige huis, dat een zinken dak had en hoog daarmee uitblonk boven al die bruine atap-nokjes, ons van verre al gewezen als het huis van een Arabier. En we hadden gehoord van de feesten waarmee hij een volle maand lang het huwelijk van een zijner dochters zou vieren. Klaarblijkelijk hebben de Arabieren een goed deel herwonnen van wat zij al verloren hadden gegeven, toen zij voor de naderende troepen Boni ontruimden, nu vier jaar geleden.

Hun bondgenooten van toen, de anak-aroeng, hebben zich niet zoo goed weten te schikken naar de veranderde omstandigheden. Met den val van den Radja—hij, arme sukkel, zucht nog altijd dat hij den oorlog met “de Compagnie” niet gewild heeft, hij vroeg niet anders dan in rust en pais zijn opium te mogen schuiven en zijn vischje te vangen,—met den val van den Radja viel hun geheele staat. Het gouvernement volgt een politiek van conciliatie tegenover de vroegere machthebbers: jaargelden en decoraties aan de vorsten, benoemingen tot aanzienlijke ambten aan de anak-aroeng. Maar het getal van zulke ambten is beperkt, de oudste zoons komen als eersten in aanmerking, de jongeren moeten zichzelven zien te redden. Dat kunnen (of willen) zij maar zelden; zij zijn nu eenmaal gewend aan het zoete niets-doen en lui-lekker-leven van den kraton, gewend aan het verzorgd, gevoed en gediend worden door slaven. Als de familie hen niet onderhoudt—en families zijn nog al eens weigerachtig!—rest hun niet anders dan stelen: werken natuurlijk buiten quaestie zijnde. En nu ook die tijden al weer voorbij zijn, toen het stelen in grooten stijl mogelijk was, op zee in snelle roofschepen, of te land onder zulk een vaandel als Speelman aan Aroe Palakka vereerde, doen zij het bescheiden in het klein: als veedieven. De besturende en rechtsprekende ambtenaren hier in de streek hebben meer dan met iets anders last en werk met klachten van dorpelingen over vee-diefstal. En slag op slag zijn het jongere zoons uit anak-aroeng families, die als aanvoerders der dievenbenden ontdekt worden. Het geringe volk, zoo gedwee het in andere opzichten tegenover den adel zich houdt, verdedigt zijn rechten op het stuk van het bezit. De wetenschap, dat het een anak-aroeng is, die zijn span buffels heeft weggehaald uit het veld, of van zijn vetste koe niet meer dan de horens en de hoeven heeft achtergelaten in een boschje even buiten het dorp, weerhoudt den dorpeling niet van een klacht bij den “toean pettor.”

Hij zou zeker beter kunnen doen dan klagen: hij zou kunnen voorkomen. Het ligt voor een goed deel aan hemzelven dat hij bestolen wordt. Nergens wordt zoo slecht als hier in de streek voor de veiligheid van het bezit gezorgd. Het vee wordt ’s nachts niet naar het dorp teruggedreven en opgesloten in stal of kraal: het blijft buiten, in kampen, die, op zijn best, met een muur van los opeenliggende steenen omheind zijn. Op zijn hoogst tegen de wilde varkens is dat een afsluiting. Er is gepoogd het volk tot doelmatiger verzorging van zijn eigendom te brengen; vergeefsche moeite. Naar hun voorgeven is er geen plaats op de erven voor een stal, geen plaats in het dorp voor een kraal, geen tijd om beter afsluiting te maken, geen mogelijkheid om op gezamenlijke kosten een waker aan te stellen. Inplaats van overreding is bevel geprobeerd: het hielp zoolang als de bevelende op de plaats bleef, maar geen dag langer. Verdween hij, dan verdween de dwang, en verheugd keerde alles terug tot de zoete vrijheid om zorgeloos te zijn. Het is misschien een van de vele slechte gevolgen van het Oostersch-feodale stelsel, nog zoo kort geleden hier het heerschende, dat dit volk niet tot gemeenschappelijk overleg en samenwerking te krijgen is, overal scheidingen van rang en stand gevoelende. In dat geval kan het nieuwe regime verbetering brengen, ook hierin. Hoe spoedig al, of over hoe lang eerst, dat zal, onder andere, afhangen van het tempo waarin de middelen van verkeer zich ontwikkelen. In het binnenland is daarvan nog maar het allereerste begin aanwezig.

Watampone met zijn overkoepelde sultansgraven, zijn rijkssieradiën en feodale tradities, met zijn krachtig opkomend nieuw leven ook, dat onzeker nog naar nieuwe ruimte zoekt, is maar een uur rijdens ver van Badjoa, het havendorpje aan de Golf. De reiziger doet evenwel wijs als hij veel meer dan dien theoretisch-noodigen tijd er voor neemt om naar de boot te komen. Bij laag-water moet hij een halven kilometer ver over slib geschoven, aan gene zijde van dat breede slijkstrand eerst kan hij uit de smalle prauw, die een dozijn inlanders voortduwen, overstappen in de zeilboot, die hem de volle zee inbrengt, en langszij den Paketvaart-stoomer. Ons ging het zoo. Omdat de telefoon-verbinding tusschen Paloppo en Watampone verstoord was (en werkelijk toch nergens draad gestolen!), zoodat wij niet te weten konden komen hoe laat de boot de vorige haven op haar koers verlaten had en wanneer zij dus te Badjoa kon zijn, waren we daarenboven nòg een uur vroeger dan wegens de ebbe noodig geweest zou zijn op weg gegaan. Het dorpshoofd, dat ons te Badjoa opwachtte, een dikke jonge kerel, bijzonder kruiïg gekleed in een zwart jasje met blinkende knoopen en een rozerood-en-wit geruiten sarong, sierlijk opgewipt over zijn ter zijde uitstekenden kris, ried voor alle zekerheid den tocht over het slijk maar dadelijk te beginnen, en op zee het oogenblik af te wachten waarop de rookpluim der stoomboot aan den horizont opging. Aan den voet van den steiger lag de vlerkprauw al te wachten, en de twintig heerendienstplichtigen waren ter plaatse, die haar over het slibstrand zouden trekken: zij ging namelijk om de mail voor het binnenland van boord te halen. Als op de Walanaë zouden ook op het slijkstrand wij weer passagiers met de post zijn.

De twintig mannen grepen de vlerken aan, waarmee de uitgeholde boomstam straks op het water zijn evenwicht zou houden. Zij schoven en trokken, met hooge stemmen elkander toeroepend, terwijl zij tot halverwege de knieën voortplonsden door het groenachtig grijze zeeslib. Rondom, hier, daar, ginder, waren menschen en vogels aan het krabben-zoeken. Geheele scharen meeuwen trippelden over het slijk, reigers stonden op lange pooten, naakte kinderen liepen er tusschen door, die hun hand in blootgekomen gaten staken en er een spartelende klauwende krab uit te voorschijn trokken. Wij zagen de verschrikte beesten wegvluchten voor het schuddende naderen der prauw, dwars wegscharrelend uit den verontrusten schuilhoek.

Een goed half uur lang duurde de zonderlinge tocht. Toen spoelden de eerste golven tegen de prauw. Eenige van de koelies liepen het water in, spoelden slijk en zweet af en sprongen druipend nat in het vaartuigje, dat zij met korte riemslagen roeiden naar de wachtende zeilprauw. Die had al veel volk aan boord, kooplui met balen, zakken en kisten en visschers met hun versche vangst. Door een opening in de bamboehorde, die het dek vormde, kwam af en toe een jongen te zien, met gebogen rug bewegend in het donker en het zwalpende nat daar beneden. Alles wachtte op de boot. De sergeant, die de post ging halen, ontdekte als eerste haar blauwe rookwolk aan de kim. Een half uur later voeren wij op de “Spilbergen.” En de deinzende kust van Boni begon te verflauwen, werd onduidelijk tusschen lucht en zee, en verdween uit zicht.