MOLUKKENREIS

Ambon

Uit verten van Noord en van Zuid komen flauwe bergen aangedreven, waas-blauw eerst, dan azuur, dan in gloor en schaduw van modelleering heerlijk groen. En de wijde baai, groot golvend, vereffent tusschen haar naderende oevers tot zij stil wordt als een geleidelijk uitvloeiend meer. Klaar tot in diepe verten van blauw toe glanst zij langs den zoom van de welig begroeide heuvels. Daar tegenaan, met een rij witte huizen langs het water en op een landspits, donker van geboomte, een grijzig fort, ligt Ambon. Aan den ingang haast van de havenstraat laten de groote schepen, heengevaren door een ontelbare vloot van prauwen en bruinzeilde visschersvaartuigjes, het anker vallen.

Een smalle pier, op gering verkeer maar berekend, langs een aan weerskanten bespoelden weg verlengd, die onder een poort doorgaat en tusschen pakhuizen heen, loopt naar de stad.

Hier, langs en bij de haven is haar drukste buurt—een paar lange straten, parallel, recht toe recht aan met dwarsstraatjes er tusschen, waarlangs winkels zijn en werkplaatsen, een enkel kantoor. Hier is ook de markt, drie lange donkere loodsen, waar, van de diepte uit, de glans doorheen schijnt van de baai en de donkerblauwe bergen van Leitimor. Dichtbij komen de visschers aan, en trekken hun prauwtjes op het strand. In de vroege morgen-uren vooral is het hier bont van menschen.

Het is het volk op straat aan te zien hoe sterk gemengd zijn afkomst is. De meesten hebben glanzig krulhaar, groote rechtstaande oogen, een krachtig bruine tint, waaraan vermenging met de Papoea’s te merken is, die vroeger, als slaven, bij menigten op het eiland leefden. Maar Javaansche en Chineesche kenmerken zijn ook bij de vleet te vinden, in gelige tint, in hooge jukbeenderen, in een wat schralen lichaamsbouw; en in het geheel niet zeldzaam het Arabische profiel, of trekken die zweemen naar het Westersche type, naar het gebogen Latijnsche of naar het rechtlijnige Germaansche. Zoowel mannen als vrouwen hebben een vrijen gang en blik, hun gezicht staat levendig, zij spreken met een heldere stem, waarin een klank te hooren is van zingen. Wat aan hun kleeding opvalt is het vele zwart.

Oorspronkelijk moet dit zwart volkseigen geweest zijn: evenals het donkere blauw van de Bataks misschien wel het behulp van menschen, die niet veel tijd willen besteden aan het wasschen van hun kleeren. Maar het is gaandeweg—en hoe dan ook—het teeken geworden, waaraan een bijzondere klasse zich liet kennen als in naam door godsdienst, inderdaad door bepaalde voorrechten verscheiden van het overblijvende deel der bevolking. Het zwart is nu de dracht van de Christenen, die, sedert de dagen van de Oost-Indische Compagnie, de bevoorrechten geweest zijn onder de inboorlingen en het nog zijn op dezen huidigen dag. In de stad Ambon—anders dan in de over het eiland verspreide dorpjes, de “negorijen”—zijn zij allen of bijna allen “burgers.” Hun geschiedenis begint met de zeventiende eeuw. De eerste Hollandsche bestuurders van Ambon hadden dit denkbeeld: van het eiland een Hollandsche volksplanting te maken. Rumphius geeft hun gedachtengang weer, als hij de overwegingen beschrijft, waarmee Cornelis Matelieff toezag, “hoe licht de Ambonees in ’t bosch zijn brood uit boom kapte, zijn wijn ook daaruit tapte, in de riviertjes een garnaaltje of vischje wist te vangen, dat hij met moeskruiden, die daar in ’t wild wiesen, in een pot van groene bamboe toegemaakt, met een gauwigheid wist te koken, en dat over een vuur, dat hij al mede voor de vuist door ’t wrijven van eenige houtjes tegen malkander wist te maken, en diergelijke mooie dingen meer, die beter voor een Hollanders oog dan voor zijn maag zijn.” De bedenking aan ’t slot is Rumphius’ kritiek. Matelieff en zijn geestverwanten dachten zoo niet. Zij geloofden aan enkel heil voor Hollanders op Ambon, dat Land van Kokanje, die Rijstebrij-berg—of Sago-berg dan, want dat “uit boom in bosch gekapte brood” was de sago—en zij gingen aan den slag om er Hollanders heemsch te maken, en tegelijkertijd Ambonneezen Hollandsch. Zóó moest het lukken!

De Hollanders hadden maar al te vaak tot nog toe een losbandig leven geleid, waarbij zij “niet anders als verachte slavinnen” tot gezelschap hadden: Matelieff ijverde voor het huwelijk met “een dochter des lands” en voor een behoorlijke opvoeding der kinderen, met catechisatie en onderwijs in lezen, schrijven, rekenen “en het zingen der psalmen.” De Inlandsche kinders moesten ook ter school. In het binnenland wilden de ouders daar niet graag aan, zij hielden de kleinen liever thuis als hun helpers bij het werk op den akker. De beroemdste van Matelieff’s opvolgers haalde hen over met “schoolvoeding”—een pond rijst per dag voor ieder kind dat kwam.

Wie der Compagnie echter goede diensten bewezen had, kreeg daarvoor een loon, dat hem geheel en al tot haar verknochten dienaar zou maken, tot een bijna-Hollander. Dat loon was het “burgerschap,” dat hem onthief van de verplichte lasten, waaronder de Ambonnees zoo ongelukkig gebukt ging: o. a. het telen van kruidnagels voor de Compagnie en het roeien, weken lang, van de zware corra-corra’s, waarin de Compagnies-dienaren uittrokken op den hongi-tocht, om de kruidnagel-bosschen in andere streken dan de door hen bepaalde, te vernielen. Als “burger” hield de Ambonnees op een “negorijman” te zijn: hij was een bondgenoot van de Compagnie, een Hollander op zijn Ambonsch. Hij was uit de klasse der overheerschten gehaald en gezet op een plaats tusschen haar en de heerschers in, en wel zoo dicht bij de heerschers, dat hij zich verbeelden kon een van de hunnen te wezen.

Hoe meer hij op hen geleek, hoe eerder hij aan die vereenzelviging gelooven kon. Om burger te worden behoefde hij wel geen christen te wezen. Maar als christen-burger was hij toch veel nader aan de begeerde gelijkheid dan als Mohammedaansch burger. Er kwamen véle christen-burgers. Van hen, en van degenen die later de klasse vermeerderden,—op het scheiden van de markt maakte o. a. het Engelsche tusschenbestuur “burgers” bij dozijnen tegelijk,—stammen de hedendaagsche burgers af, de menschen in het zwart, die men ’s ochtends op den pasar tegenkomt. Zij zijn uitermate trotsch op hun stand. Elke christen in Ambon acht zich méér dan elke Mohammedaan: elk “burger” acht zich véel meer dan elke “negorijman.” Maar iemand die christen en burger beide is—tusschen dien en welken anderen inlander ook, ligt een afstand onoverzienbaar: want hij is een zoo-goed-als-Hollander. Tusschen hem en zijn vurig bewonderd Westersch voorbeeld is maar éen rang: die van den Indo, den afstammeling van den met “een dochter des lands” getrouwden kolonist naar het hart van Matelieff en de zijnen. Het onderscheid is heden ten dage nog maar in éen ding te vinden: in den Hollandschen familienaam van den Indo. Dat is zoowat alles wat er van Matelieff’s toch zoo goed bedoelde plannen terecht is gekomen. De Indische natuur is sterk: zijn Hollandsche leer kon nog niet weten, hoezéer.

Het systeem van de O.-I. Compagnie, het is wèl bekend, heeft Ambon arm gemaakt. Door sommigen—Riedel bijvoorbeeld—is zelfs gezegd, dat het aan het eiland niet alleen zijn natuurlijke rijkdommen, maar twee derden van zijn bewoners ontnomen heeft. De schade was ook met den besten wil niet te herstellen, toen de Staat die taak beproefde. “Onbegrijpelijk ellendig en diep ongelukkig” vond immers van der Capellen de Molukken. Het was of den Inlanders de kracht ontbrak zelfs om de toegestoken hand te grijpen en zich te laten optrekken uit den armoe-kuil. Er is sedert veel gedaan, veel hersteld, ellende als in de jaren 1820 is er niet meer. Maar niettemin: op het rijke eiland is het volk arm.

Dat het niet lijdt onder die armoe—lijden wat een Westerling lijden noemt althans—dat het daarbij vroolijk is zelfs, en kan lachen, zingen en dansen zooals het—zoo allerliefst!—doet, komt omdat het toch zijn dak en zijn dagelijksch genoeg aan eten en aan drinken heeft. Van den sago-boom, die wild in het bosch groeit, krijgt het de bouwstof voor zijn huis en de bouwstof voor zijn lichaam. De geweldige bladstelen zijn zijn planken, de gevouwen bladeren zijn dak, het merg van den stam is zijn brood. Er is niet zooveel sago meer op Amboina als vroeger; waaraan misschien de zorgeloosheid van den Ambonner schuld is—Rumphius, die hulpvaardig zich met hen bemoeide, klaagt daarover—en zeker het systeem van de Compagnie, die den grond van het eiland en de krachten van het volk in beslag nam voor de kruidnagelteelt. Maar véél is er toch nog, en wat er tekort komt, dat wordt ruimschoots aangevuld door de aanplantingen en de dorpsbosschen van Ceram, waar de Ambonneezen het gaan halen. Een stam kost daar gemiddeld ƒ 2.50.

De sagopalm groeit vanzelf: weliger wel bij goede verzorging, die hem lucht en ruimte geeft, en knagende insecten van hem afhoudt, maar toch ook zonder dat, en rondom den stam komt meer jonge opslag dan voedsel en plaats voor opgroeien kan vinden. Hij groeit tot zijn tijd van bloeien is gekomen. Als de geweldige bloemtros, die uit zijn hart opschiet, zaad gaat zetten, begint hij te verwelken en is na eenige maanden dood. Voor dien tijd is het merg volkomen gerijpt. De inlander, die, tegen den stam tikkend, aan het geluid heeft gehoord dat dit zoo is, kapt den boom om, hakt er de bladeren af en neemt een lang stuk schors weg, zoodat het merg ontbloot wordt. Dat gaat hij er nu uithalen. Hij heeft dan een stuk bamboe, met een kantig steentje in het ondereind geklemd, of enkel maar toegespitst. Daarmee, als met een hamer en beitel tegelijk, klopt hij het merg los van tusschen de houtige vezels die er doorheenloopen. Aan het ondereind van den stam, dien hij glooiend heeft gestut, is een grove lap gebonden, een stuk weefsel van den boom zelf afgehaald, bij wijze van zeef. Daartegenaan spoelt hij met gudsen water, langs den trog van den uitgeholden stam gezonden, het losgeklopte merg. Vezels en splinters blijven vóór de primitieve zeef, het meeldragende water loopt er door, komt terecht in een zinkbak, van de groote bladscheede van den boom gemaakt, en bezinkt. Als het meel gedroogd is, kan het, zóó in een aarden oventje gestrooid, dat in vierkante hokken is verdeeld, tot broodjes gevormd en gebakken worden: die blijven maandenlang goed. Uit een goed uitgegroeiden boom—een van dertig voet lang en een voet of vijf in omtrek—is tusschen negenhonderd en duizend pond sago te halen. Dat kan een man in een dag of vier vijf doen. En in evenveel tijd kan een vrouw er broodjes van bakken van een half pond elk: ze heeft niet anders te doen dan haar aarden oventje te vullen met meel en het heet te laten worden boven een houtskool-vuur. In enkele minuten is alles klaar. Nu worden voor een goed dagrantsoen vijf sago-broodjes gerekend. Dus met de achttienhonderd uit zulk een stam is onze vriend een jaar lang voorzien.

Hij zal er natuurlijk wat bij moeten hebben: visch. Ook die is niet moeilijk te krijgen. Als hij een “negorijman” is, heeft hij recht van visschen op bepaalde plekken langs de kust, waar hij zijn lange staketsels uitzet om met vloed de visch te vangen en haar tegen te houden in het verloopend getij; en hij kan gaan schelpen en krabben zoeken op de riffen en de zandbanken. Heeft hij als “burger” zijn negorijrechten verloren, dan is het nog zoo slim niet: de heele zee is vol visch! Wie omlaag kijkt over de verschansing van de stoomboot kan ze zien zwemmen op de ankerplaats: prachtige dieren, rozerood en purper sommige, en sommige paarlemoer en regenboogkleurig, en zwart-en-groen, en bruin met paarse stippen. Ze springen spelend uit het water op in zoo dichte scholen, dat de plons van het neervallen doet gelooven aan het overboord slaan van lading. En om de pier heen is het soms een gedrang van kleine vischjes als een massieve bank van beesten. Wie er zijn hengel in uitgooit,—een touwtje met een kromme speld doet het al, er hoeft niet eens een aas aan—die haalt op. En in Februari, Maart, April komt ook nog de “Kaor,” de overstelpende massa van zeewormen, waar de heele baai wit van ziet, en die men maar voor het opscheppen heeft. Wat water om het steenharde sagobrood in te weeken, of anders wat sagomeel tot een stijfselachtige pap gekookt, een zaadje Spaansche peper, een ui en eenige druppels citroensap bij de visch: en het smakelijk maal is gereed.

Om er een waar feest van te maken, is alleen nog maar een slok sagoeweer noodig. Daar komen elken ochtend de dorpelingen mee naar stad; bij dozijnen komt men ze tegen omtrent den pasar. De vrouwen dragen de groote kruiken—die niet anders zijn dan uitgeholde kalebassen—op het hoofd, de mannen hebben er twee bengelen aan het bamboejuk, dat piepend wipt over hun schouders. Zonder veel kosten is de drank gemaakt: een snede in den rijpenden bloesemtros van een arenpalm, een bamboegeleding gehangen aan den opgebonden steel, en in den schalm vol zoetig nat een wortel gelegd die het bitter maakt terwijl het gaat gisten: daarmee zijn de productiekosten voldaan, zoodat de verkoopprijs goed kan wezen, wat hij is: een schijntje. Voor enkele duiten heeft de kooper sagoeweer te over om er nog vroolijker van te worden dan hij van gelukkige nature al is. Als hij nu nog ’s avonds een feestje hebben kan—en dat kan hij allicht: een fluitspeler, wat iedere Ambonnees is, eenige vroolijke meisjes, die er in overvloed zijn, en de gastvrijheid van een kennis, die nooit tevergeefs wordt verzocht, en daar is de danspartij al aan den gang—als hij nu ook ’s avonds nog zijn feestje heeft, dan zijn al zijn wenschen vervuld.

Gelukkig. Maar nog veel meer helaas. Want nu hij met zoo geringe inspanning alles kan krijgen wat hij behoeft, laat hij het ook daarbij blijven en hij komt niet toe aan die wisselwerking van elkander aldoor opdrijvende begeerte en inspanning die de voorwaarde van alle ontwikkeling is. Hij kan goed onderwijs krijgen; hij neemt het zoolang het moet, en laat het liggen zoo spoedig als het kan. Hij wordt geen ambachtsman, dat is hem veel te lastig, dat laat hij over aan den Chinees. Niet voor niets heeten de straten in de havenbuurt van Ambon, waar de winkels en werkplaatsen zijn, “Chineesche straten.” Hij wil geen handel drijven. Dat is hem veel te zorgelijk. Het is de moeite waard eens te gaan kijken op den pasar. Er zijn daar drie loodsen, twee voor “inlanders,” een voor “vreemde Oosterlingen.” In de loods der vreemde Oosterlingen, d. w. z. der Chineezen, Arabieren en Klingaleezen, liggen manufacturen te koop, ijzer- en koperwerk, conserven, glas, porselein; de Chinees, de Arabier, de Kling zit achter zijn waar met zijn kasboek op zijn knieën en zijn oogen op den gaanden en komenden man.

In de loods voor Inlanders—en vooral er omheen, waar een randje schaduw is en toch niet betaald hoeft te worden voor standplaats!—liggen sago-broodjes, visch, eendeneieren, vruchten (altijd onrijp, want de vijf, zes duiten voor djamboe en pisang zijn vandaag noodig en dus kan niet gewacht tot overmorgen, als er tien of twaalf voor gegeven zou worden) bij tijd en wijle ook eenige ongelukkige kippen, bij de pooten tot een tros aaneengebonden en de snavels amechtig open, zóó mager, dat de gewrichtshoeken door het gevederte heen te zien komen: en de eigenaars, zielstevreden, hurken op een kluitje met mogelijke klanten bijeen rondom een komfoor, waarboven gedroogde visch geroosterd wordt; zoovelen als hun mond niet vol hebben, praten allemaal tegelijk.

Zij behoéven niet te werken.

Nu doen zij het ook niet.

Véél liever lui dan moe!

De vreemde Oosterlingen worden menschen. De Ambonnees blijft tot zijn dood toe een kind.

Eén behoefte is er weliswaar, die den al-te-weinig behoevenden Ambonnees prikkelt: die aan rang en aanzien in de maatschappij. Maar ongelukkig kan ook dááraan zonder inspanning voldaan worden; en dat dit zoo is, komt voort uit het systeem door de Compagnie ingevoerd en tot op dezen huidigen dag gehandhaafd, van den godsdienst te maken tot een klasse-onderscheiding. Het aangeboren klasse-gevoel ook van den weinig en zelfs in het geheel niet beschaafden Oosterling—het is te vinden immers onder Boegineezen en Batakkers—dat in den Ambonnees nog even levendig is als het van oudsher was, vindt een ruimen uitweg in het Christendom.

’s Zondags in de kerk: daar kan men het waarnemen. De vrouwen van de “burgerij” komen in haar mooie kleeren: de eene in een zonderlinge stijf geplooide japonrok, waaroverheen de geborduurde kabaja, de andere in sarong en kabaja en met muiltjes aan die aan de punt zijn opgewipt, een derde met een kapsel door vijf zilveren haarspelden vastgehecht als bijzondere tooi, terwijl een vierde er maar drie draagt en een vijfde geen ander verschil toont met de dagelijksche dracht van zwart katoen dan een wit zakdoekje in de hand bij het gezangboek gevouwen. Dat zijn geen toevalligheden noch kleinigheden; dat zijn klasse-onderscheidingen. Er zijn vijf klassen van burgers, en hun vrouwen toonen het onderscheid in bijzonderheden van hun dracht.

Wee dergene, die het wagen zou om in opgewipte muiltjes naar de kerk te gaan als zij geen recht had dan op platte, of die vijf zilveren naalden in haar “kondeh” zou willen steken, terwijl haar stand er haar maar drie gunde! Het is nog niet lang geleden dat, bij opklimming in stand door huwelijk (afdaling kwam niet voor) de hulpprediker er aan te pas moest komen om de bruid in haar nieuw klasse-gewaad in te zegenen, vóór zij naar de kerk ging, en haar te vermanen tot het betrachten der “deugden aan dien hoogeren stand voegende.” Die ceremonie is afgeschaft. Maar van het gevoel is niets verdwenen.

De wet zelve wakkert het aan. Het leger heeft soldaten noodig en de Ambonnees met zijn wild Alfoerenbloed is een uitstekend soldaat. Elke Ambonnees. Maar de wet maakt een onderscheid: de christen-Ambonnees is de beste. Om dat duidelijk te maken geeft zij den Christen ƒ 200 als handgeld, terwijl de Mohammedaan maar ƒ 60 krijgt. En behandelt zij den Mohammedaanschen soldaat in het hospitaal als inlander, samen met Javanen, en den Christen-soldaat als Europeaan, samen met Hollanders. De Christen-Ambonnees is “gelijkgesteld,” hem “competeeren” dingen waarop de Europeaan recht heeft en de inlander niet.

Natuurlijk zijn de gevolgen allerbedroevendst. Natuurlijk wordt een geregelde knoei-handel gedreven met namen en doop-ceelen (bad-briefje is de inlanderterm, letterlijk vertaald), waardoor Mohammedanen ƒ 200 handgeld trachten in te palmen inplaats van ƒ 60, en zijn aanklachten, onderzoek vanwege de justitie en veroordeelingen tot gevangenisstraf wegens vervalsching van staat aan de orde van den dag. Natuurlijk loopen de Christen-negorijen leeg van krachtige mannen, en blijven er niet dan grijsaards, mismaakten en lepra-lijders over als (mogelijke) beoefenaars van een ambacht. Natuurlijk komt het aan het Christendom allerminst ten goede, wanneer eerzucht en geldzucht tot beweegredenen worden gemaakt voor het toetreden tot de gemeente der Christenen.

Maar tot op dezen dag toe is het zóo. En de naar “rang” begeerige Ambonnees bevredigt zijn verlangen door zoo vroeg mogelijk lidmaat van de kerk te worden en bij alle mogelijke gelegenheden te pronken met zijn hoedanigheid van “Christen.”

Men moet zich, overigens, bij dat woord niet al te veel voorstellen van hetgeen er gewoonlijk onder begrepen wordt. De Ambonnees is wel heel precies op het bijkomstige en absoluut onbeduidende in de letter van de leer: maar in hoofdzaken, naar den geest, is hij laksch en laat zich zoo wat gaan op zijn oude fetisjisten-natuur.

Dit werd mij verteld omtrent het een en het ander door een inwoner van Ambon, die er vele jaren geweest was en in een betrekking waardoor hij de beste gelegenheid had tot beoordeeling van zulke dingen: de Ambonsche Christen wil zijn Bijbel lezen in een bepaalde vertaling, die van Leydekker. Er zijn er later betere gemaakt, maar voor hem is de beteekenis van den tekst onafscheidelijk vast aan enkele, bepaalde uitdrukkingen van Leydekker, in de betere vertalingen door andere vervangen. Nu die fouten er aan ontbreken, wil hij den nieuwen Bijbel niet. In het doopsformulier is het woord “zoon” vertaald door “mannelijk kind:” dát is in het Maleisch de wijze waarop “zoon” en “dochter” onderscheiden wordt, “mannelijk kind” en “vrouwelijk kind;” een afzonderlijk woord voor zoon en voor dochter bestaat niet. Een jonge predikant die vond dat zulk een uitdrukkelijke bijvoeging van het “mannelijk” waar geen gedachte aan vrouwelijk mogelijk was, hier zoo min behoefde als in het dagelijksch leven, waar ze in zulk een geval ook achterwege blijft, liet bij een doop dat “mannelijk” weg en sprak alleen van “kind.” Er volgde een dusdanige commotie in de gemeente, door geen verklaringen of vermaningen van een ouderen leeraar tot bedaren te brengen, dat overplaatsing van den jongen man noodig werd. Aan een eed daarentegen hecht de letter-vereerder zoo hooge waarde niet. Als hij door middel dáarvan absolute zekerheid zal geven omtrent belofte of verklaring dan moet de eed gedaan op een of ander heilig voorwerp: bij voorbeeld bij de geldkist in de kerk, waarin de giften aan de armen geworpen worden.

Twee Christenen hebben ruzie. Matulessi ziet over de borst van Sopamena een gouden horlogeketting glanzen, dien hij den dag te voren aan Mantulameten heeft geleend. “Dat is mijn ketting—hoe kom je daaraan?”—“In het geheel niet! dat is mijn eigen ketting!” Hevige ruzie. Matulessi krijgt zijn wederpartij de kerk in en naar de geldkist, grist hem den ketting af en maakt ze vast aan de kist. “Als ze van jou is, haal ze er dan maar af.” Dat durfde Sopamena niet. Want dan zou hij door den bliksem getroffen of door een slang gestoken of door een krokodil verslonden zijn geworden. Dat geloof zat zoo vast in hem als ooit in een zijner verre voor-vaderen, die bij den heiligen steen in het bosch moest zweren en uit vrees voor geestenwraak meineed meed.

De voorbeelden zouden te vermenigvuldigen zijn, ook met zulke die uitwerkingen veel minder onschadelijk van de antieke gedachtengangen aantoonen: het braak laten liggen van een akker bijvoorbeeld, of het staken van een onderneming, hoe noodig ook, ter wille van een slecht voorteeken, een muis over den weg, het gekras van een bepaalden vogel in de boomen. Het ongemak en het gebrek zelfs daaruit ontstaan wordt als iets onvermijdelijks verdragen. Wie dat niet wilde doen, wie tegen de waarschuwing in ging en den toorn van de geesten trotseerde, zou het immers bekoopen met den dood! Daar helpt geen redeneeren tegen.

Het lijkt echter of er verandering op komst is, of de Ambonnees begint wakker te worden uit den eeuwenlangen dommel. Er zijn er onder de jonge mannen en onder de jonge vrouwen ook, en de weinigen worden met den dag meer, die niet langer tevreden zijn met het plantenleven van vroeger, die het er op wagen willen met hun krachten. Inplaats van soldaat te worden, probeeren die in den handel te komen of in administratieve betrekkingen bij de scheepvaart. Er komen jonge Ambonneezen plaatsing zoeken bij de Koninklijke Paketvaart, bijvoorbeeld, met de verklaring, dat het hun niet om het salaris te doen is, maar om de gelegenheid zich te oefenen in geregeld administratief werk. Er zijn ook wel Ambonneezen onder het scheepsvolk, die zich oefenen in het schrijven, sedert de schooldagen weer afgewend of heelemaal verleerd. Die vroeger het leeren voor het schoolmeesterschap voor hoogste ambitie hadden, verlangen nu naar middelbaar onderwijs of zelfs naar studie aan een universiteit. Tehupejori heeft navolgers gevonden op het moedig betreden pad. En meisjes die haar oudere zusters zien knutselen met veeren en was om er bouquetten van te maken en als Ambonsche curiositeiten te koop te bieden aan toeristen, gaan zelven den gang naar de kweekschool, leeren zuiver Hollandsch spreken inplaats van het brabbel-Maleisch met verdraaide Portugeesche woorden wonderlijk vermengd, dat het taal-eigen van Ambon is, en doen een goed examen als onderwijzeres. Zij worden geplaatst aan inlandsche scholen, op Amboina en de Oeliase—de eilanden Haroekoe, Saparoea, Noesa Laoet,—en voldoen daar, schijnt het, zeer goed.

Het is alles nog, weliswaar, maar een begin. Maar dat er een begin is, hoe klein van beweging dan ook, is iets gewichtigs en verheugelijks. Men mag nu toch gelooven aan een toekomst voor de oude Molukkenstad, waar tot heden toe alles het verleden is.

Banda

De boot, die in den laten namiddag het anker licht uit de baai van Ambon, komt met het krieken van den dag de uiterste eilandjes voorbij van de wijd uitgestrooide Banda-groep, en de engte binnen tusschen den eiland-vulkaan, Goenoeng Api en Banda Neira, groen van woud.

De hooge rookpluim boven den krater vangt het eerste licht en begint te gloren in blank en rozerood, als de hooge vederwolkjes aan de lucht. De schemerende engte gaat open, de onvergelijkelijk schoone baai straalt op binnen haar krans van eilanden. Het Oostersche licht maakt den naakten bruinen vulkaan klaar rood, dat de ribbels en diepe groeven, die van den kraterrand af spreidend omlaag loopen, vol glans schieten en de zuivere spits doorschijnend staat als een vlam. Al meer goud gaat spelen door het steil opstijgende groen van Banda Lontar, dat in langen halfboog den zuideroever bouwt der baai. Met spreidende flardenkruinen komen de palmbosschen aan den voet uit den morgendommel te voorschijn en tusschen de nakende halmachtige stammen het bruin van inlanderhutjes; de kanari-wouden, die tegen de hoogten op staan, worden in glans en donkerte zwevende gouden koepels. Als nu de heele hemel daglicht wordt komt van onder de purpertinten, die over kabbelende golfjes heen wegglijden, het diepe blauw van de baai op, blauw dat is als blauw vuur. Een liggende laaie gloeit het water. De weerspiegeling van de glooiende oevers giet groen en bruin in dat felle blauw, en er loopt een witte flikkering langs de randen, waar de golving aanbruist tegen een zaaisel van rotsblokken. De diepte waarin het schip zijn anker laat vallen is de krater van een ontzaglijken vulkaan, waar de zee in binnenstroomde toen kruin en wanden instortten voor het geweld der laatste verscheurende uitbarsting. Of van de diepe vuren de gloed nòg schijnt door golven van land en water, door de bergen heen en de baai, zoo fel zijn alle kleuren.

Het stadje ligt aan den lagen oever van Banda Neira, met grauwige gescheurde van loover overhangen tuinmuurtjes uit het water op, bruine daken en een enkel rood er tusschen onder lage boomkruinen, en aan gene zij van de steenen trap, waar altijd prauwen liggen te dobberen, een ankerplaats voor de vloot der visschers. De douane-loods is vlak voor aan den steiger; tusschen hoopen zakken en opgestapelde kisten en vaten heen gaat de kortste weg naar de stad.

Men loopt er als in een droom, die altijd maar weer verwarrend over nieuw begint en te loor gaat: zóó is hier het leven stil blijven staan. De straten zijn zonder menschen, zonder geluid. Groote huizen staan er langs, zwaar gebouwd tegen den schok van de aardbevingen; de voorgalerij is met marmer bevloerd, en er is iets sierlijks aan de pilaren en aan het houtwerk van de deuren; aan de poort in den hoogen tuinmuur een verdwijnende zweem van ornament. Maar het is alles verlaten, leeg, dood. Een troepje naakte inlandsche kinderen spelend bij den put, een vrouwtje dat een verschoten sarong uithangt over een lijn, door het groen van een verwilderden tuin gespannen, lijken de eenige bewoners. Het is haast verwonderlijk voorbij de gesloten gevels aan een huis te komen, dat door open deuren en vensters leven naar buiten laat. Sedert de laatste daling van de noten- en foelie-prijzen, dus sedert een goede twintig jaar, is dat zoo. Het herstel is langzaam aan beginnende, nu. Er komen weer noten en foelie aan den boom, de Paketvaartstoomers dragen ze weg naar de schepen die op Amsterdam varen. Daar is de markt beter geworden. En op het eiland zijn de methoden van den nieuwen tijd in de plaats gekomen voor de sleur van vroeger, toen het allemaal maar op goed geluk ging en de planters violen lieten zorgen.

Zooals het gaat op buitenplaatsjes, waar de aankomst van de boot de gebeurtenis is een of twee keer in de maand, kregen wij bezoek aan boord. Die verhalen toen van oud-ingezetenen, over den ouden tijd! Eerst: de vrijlating van de slaven, voor wie de muren om de oude erven zoo hoog gemaakt waren, indertijd. Nu mochten ze de poort uit! Ze stonden klaar, gepakt en gezakt, man, vrouw en kind, te wachten op den slag van twaalven in den nacht van Oud op Nieuw, die hen vrij maakte. En er waren rijke planters, die hout hakten en water haalden op 1 Januari, terwijl hun vrouwen rijst stampten onder het afdakje in den tuin. Toen de goede jaren kort voor 1870. Het begon te gaan, zóo zóo, met het vrije arbeidersvolk en de gestraften, die de plaats hadden ingenomen van de slaven. De prijzen stegen in Europa, en met een plotselingen sprong na den slag van Magenta, toen Keizerin Eugénie voor haar lievelingskleur dat bloedige rood koos, door cynische vleierij naar het slagveld genoemd, dat enkel uit foelie bereid kon worden. Tot ƒ 300 ging de prijs van den pikol omhoog!—Waar moest men heen met al het geld! De fantasie van de planters vloog niet hoog. Hoe zou zij? Ze hadden in hun jeugd, voor alle onderwijs, lezen, schrijven en rekenen, les gehad van gepasporteerde soldaten, aan den wal gezette stuurlui, een tijd lang zelfs van een ondermeester, die geen Hollandsch verstond; en als jonge mannen en vrouwen waren zij het eiland nooit afgekomen en hadden de slaven tot makkers gehad op het erf van hun arm-geworden ouders. Zij konden niet anders verzinnen dan wat zij gezien hadden: Bandasche dingen. De een liet zijn binnengalerij bevloeren met rijksdaalders, de ander stak op een feest zijn sigaar aan met een bankje van ƒ 25, een derde verzon een schip vol ijs uit Noorwegen te laten komen om de champagne te koelen voor een bruiloft, de vierde ging niet anders meer dan met muziek voorop, heel Banda als gast en een sleep van dragers met manden vol lekker eten en drinken achterna zijn perken “inspecteeren,” en een vijfde kreeg een plotseling verlangen naar het gekwaak van Hollandsche kikkers, waarvan hij een grootvader had hooren vertellen, en bestelde een lading uit Holland, die in een reusachtigen bak aankwam, glimmend groen en kwakend dat het dek er van dreunde. Ja! dat waren nog eens jolige jaren! De oude heeren die er van vertelden eindigden met een zucht en staarden hoofdschuddend voor zich heen. Te bedenken dat de foelie, die ƒ 300 gedaan had nog maar met moeite ƒ 170 haalt, en de noten, waarvoor ƒ 150 de gewone prijs was, nù op zijn best ƒ 25!

Wij gingen een van de oude notenperken zien. Het was als een wandeling in een overheerlijk mooi park. De noteboom is teeder, men moet hem beschutten tegen geweld van wind en regenbuien en tegen de schroeiende zon; daarom worden in de perken kanari-boomen geplant, die hoog groeiend en breed, wolken beschermend loover uitbreiden boven de notemuskaatplantage. Frisch staan in de doorschijnende schaduw, tintelig van zonneplekken, de lichtgroene boompjes. Zij hebben een mooi fatsoen, kegelvormig is om den rechten gladden stam de luchtige bouw van het gebladerte geschikt. De bloesem is onaanzienlijk: een kleine geel-groene kelk, op eenige passen afstand niet te onderkennen van het blad. Maar hij geeft een heerlijken, kruidig-zoeten geur, dezelfde in het veel zachtere en vollere, die uit de foelie komt. De noten hangen dik. De rijpe, zoo groot als een abrikoos en naar die vrucht ook wat zweemend door den langwerpig ronden vorm, de diepe groeve overlangs en het rijke geel der schil, maken een mooie schittering in de donkerte van schaduw en dicht loof. De grond ligt bezaaid met de overrijpe vruchten die opengebarsten zijn langs de groef. Zwart en rood tusschen helder geel komt het binnenste te zien, de glimmend zwarte pit, die heel en al ingesponnen zit in een fijn vertakt groeisel van felroode foelie. Al die vroolijke kleuren verschieten en vergaan bij de bereiding van de noot. De glanzige schil gaat van de pit af als zij boven den rook is gedroogd tot zij, ineengekrompen, rammelt in het omhulsel; bestoven bruin komt zij ten laatste te voorschijn uit het kalkwater. En de foelie op vlakke wannen uitgespreid, waar de zon het felste schijnt, wordt eerst geel en dan verlept ros-bruin. Wij zagen dat op het erf van de oude planterswoning. Zij ligt tusschen kanari- en muskaatnotenboomen, op de kruin van den heuvel, waar het perk tegen op is geplant, en waar, in de schaduw, grafzerken schemeren van haast een eeuw her. Rondom den van bloemen bonten tuin staan de loodsen en schuren en het pakhuis, dat vroeger een woonhuis was, en waar op twee gedenkplaten het jaar en de dag gegrift staan van geweldige aardbevingen, toen dak en muren instortten en het huis van de grondslagen af nieuw werd opgebouwd. Door de blauwige donkerte van de droogschuur, waar op een zolder van sagobladstengels de noten lagen te drogen, bewogen halfnaakte mannen, wonderlijk belicht door de schijnsels van vijf groote knetterende en smokende vuren, die zij deden opvlammen met sissend neerploffende wildhout-blokken. Een oude man zat gehurkt noten te schiften met zeven van verschillende grofte. En van de loods achter hem naar den tuin gingen vrouwen heen en weer met wannen vol foelie, die van verre schitterde in den zonneschijn.

De eigenaar van het perk, een Arabier, die behalve planter, ook parelvisscher is en handelaar in al de ontelbare voortbrengselen van de eilanden en de zeeën tusschen Ceram en Nieuw-Guinea, heeft een museum, waarin hij kijkers bereidwillig rondleidt. Als alle toeristen doen, gingen ook wij er heen. We zagen er een parel waarvoor ƒ 20.000 was geboden en paradijsvogels in een groote volière samen met de groene boschduif, lansen en schilden uit “de Papoe,” prachtig oud Chineesch en Japansch porselein, wortelhout uit Ceram en ebbenhout van Boeroe, geel schildpad, vlinders, zeldzame schelpen en koraalgewassen. En kregen al kijkend, vragend en luisterend het begin van een voorstelling omtrent den rijkdom der Molukken.

Ceram

Varende rondom Ceram, krijgt men van het groote eiland—het grootste van de Molukken is het—den indruk dat het éen enkele lange berg is, steil op uit zee, met scheuren in de flanken, ingereten en diep uitgespoeld door de regenrivieren die met een vaart van de toppen afgeschoten komen, en met, langs den voet, kleine, groene vlakten om de monding van de heftige korte stroomen heen.

Het is zwaar bewoud. Van zee uit gezien zijn de bosschen als een donkere wolk tegen wanden aan en over hoogten heen. In dat zwartige groen glanst soms een lichtere plek, dat is alang-alang, het hooge gras van de wildernis, waar een man te paard in verdwijnt. Waar het woud gekapt is, schiet het op, fijn groen eerst, dan gelig als het begint te verdorren in de Oostmoesson-zon, dan wit als zilver van bloesempluimen. De inlanders steken het in brand om de herten er uit op te jagen, die voedsel en schuilplaats tegelijk zoeken in de halmendichtheid. Dan is een poos lang de kale plek zwart; en de eerste regen maakt alles wéer fijn groen.

De steile kust heeft hier en daar zachte glooiingen; groen, komen ze van de vertragende helling afgegleden, met een blinkend witten smallen zandzoom langs het fonkelende blauw van het water. In de diepte van de baai liggen eenige huisjes, er staat een loods waar lading wacht op de boot. Het karakter van al die havendorpjes is vrijwel hetzelfde; Piroe aan de Zuidkust, het eerste dat de schepen aanloopen; op de Noordkust Wahai; om de Oost terug naar de Zuidkust, Teloeti, Amahei; het zijn alle oude Alfoerendorpjes met een splinternieuwen schijn van Nederlandschen regelmaat en zindelijkheid er over heen, die uitgaat van de civielgezaghebbers-woning op den achtergrond. De huisjes zijn nieuw, de gaba-gaba van de wanden glanst nog, en ze zijn langs de rooilijn opgezet aan weerskanten van een rechten breeden weg, met een goed onderhouden afrastering er langs.

Achter dien ringmuur van ordelijke dorpen ligt het binnenland van Ceram woest. Wat men de kust langs reizende daarvan gewaar wordt, is niet veel meer dan een enkele troep Alfoeren, halfnaakt uit hun bergen naar het strand gekomen om handel te drijven. Zij komen met boschproducten, rottan, dammar, groote knobbels wortelhout; met huiden en horens van herten, en willen Europeesch product mee terug nemen.

De Alfoeren brengen boschproducten op de boot, rottan, dammar en groote knobbels wortelhout.

De Alfoeren brengen boschproducten op de boot, rottan, dammar en groote knobbels wortelhout.

Het eiland wordt gezegd rijk te zijn. De Westersche ondernemer begint de exploitatie. Op de Noordkust wordt naar petroleum geboord, op de Zuidkust heeft een Moluksche vennootschap den boschaankap begonnen; een Australische firma, wie, lang geleden al, een streek land in concessie is gegeven, ook in het Zuidelijke binnenland, is een paar jaar geleden den klapperaanplant in het groot begonnen. Er groeit prachtig hout in de Ceramsche wouden, wit ebbenhout, kajoe-koening, dat citroengeel ziet en waar ook kleurstof uit wordt gemaakt, lingoa, een rood-gevlamde mahonie-soort, salamoeli, dat op notenhout lijkt, en nu het wortelhout plotseling zoo in de mode is gekomen, wordt ook van die knobbelige uitwassen voor groote waarden uit het woud gehaald. Kajoepoeti, waar de bekende sterk geurende olie uit wordt gestookt, die hoe langer hoe meer voor medicijn gebruikt wordt in Europa, groeit hier ook veel. En de klapper schijnt al even goed te willen als de sago-palm, waarvan er geheele wouden zijn. Elk dorp aan de Oostkust heeft zijn bosschen—aanplantingen kan men het haast niet noemen, want de boom maakt zooveel opslag, dat inplaats van planten eer kappen noodig zou zijn, zoodat de eigenaars zich in den regel de moeite niet geven om de jonge spruiten in te boeten; en behalve daar groeit de sago nog wild in het bosch ook. De menschen van Ambon komen met heele dorpen tegelijk over in hun prauwen om sago te “kloppen.” Ze blijven een veertien daag of drie weken en hebben dan een provisie, waar ze niet alleen met vrouw en kinders van eten kunnen, een jaar lang, maar ook nog genoeg overhouden om te verkoopen op de markt.

Op het algemeen type van kustdorpen maken twee een uitzondering: Kilimoeri en Geser, op kleine eilandjes tegenover elkander gelegen aan den voet van het steile kalkgebergte der Oostkust. Die twee zijn door en door, wel niet Alfoersch maar toch Inlandsch; er is geen zweem van het Westersche element aan te bekennen. Het zijn overoude handelsplaatsen. Terwijl in het Ceramsche binnenland de Alfoeren, “de wilde berg-boeren,” zooals Rumphius ze noemt, koppensnellers-tochten hielden, terwijl zij als roofvogels neerschietend uit hun horsten van dorpen op het hakkelige gebergte, den guerillakrijg tegen de Compagnie zoo verwoed en hardnekkig voerden, dat de Ambonsche gouverneurs ten laatste in arren moede het opgaven, besluitend hen te laten voor wat zij waren en “geen Compagnie’s soldaten meer aan die lompe nesten te verspillen;” terwijl dus de binnenlanders vochten, verdienden de strand-Cerammers geld. Zij waren kooplui, zij moesten eenigermate geregelde toestanden hebben. De orde die de expedities van de laatste jaren gewapenderhand in Ceram moesten brengen was hier al van oudsher thuis.

Kilimoeri is de oudste van de twee rijke handelsdorpen: Geser is, naar de volksoverlevering wil, gesticht door inwoners van Kilimoeri, die in een burgerstrijd het verloren hadden. Zij leggen hun naam uit als beteekenende “de uitgewekenen.”

Wat slag van volk het eigenlijk is, zou moeilijk te zeggen vallen. De heele Zuidkust van Ceram is door gemengd volk bewoond, veel Ternataners, Javanen, Chineezen, Papoea’s ook, hebben zich daar in den loop der tijden gevestigd, als handelaars soms, als schippers die heen en weer voeren tusschen de eilanden en Nieuw Guinea; als slaven ook zijn zij er heen gebracht. Het was er zoo bont, vroeger, dat de dorpen elkanders taal niet verstonden, en een derde noodig hadden voor het verkeer. Op Geser is het samenstel nog meer ingewikkeld schijnt het. De plaats is al van oudsher een verzamelpunt voor de meest verscheiden rassen uit de verst uiteengelegen streken. Maar de taal, door het handelsbelang ingevoerd en staande gehouden, is het gewone Maleisch.

Geser is een “atol,” het laatste uit deze groep van koralen-eilanden: volgens sommige geologen althans, terwijl anderen het ontkennen: een verschil van meening dat wel verklaard is uit een verschil in de definitie door de eenen en door de anderen van dien term “atol” gegeven. Hoe dan ook, het doet zich voor als een groen-begroeide ring rondom een middelpunt van water. Het binnenste van het eilandje is een zilt meer, dat langs een rivierachtig kanaal volvloeit uit en weer leegvloeit in de zee, naarmate de vloed opkomt of het getij verloopt in ebbe. Rond alom groeit kreupelbosch: een gewas dat lijkt op griend, en met kleine onaanzienlijke bloesempjes heel zoet geurt. Dat wademt wonderlijk door de lucht van zeewater, koraal, schelpen en wier heen die uit het meer opslaat. En wonderlijk is het, over de schelpen op den bodem van het klare water de schaduw te zien glijden van de boschduiven, als zij af- en aanvliegen naar de waringin-boomen vol rijpzoete vruchtjes aan genen kant van het kreupelbosch.

Het dorp is langs de bochten van het strand gebouwd. Men kan de kracht van het vertier zien aan de wijze waarop nieuwe buurten opkomen en oude vernieuwd worden, zoodat midden tusschen grauwe, verweerde huisjes er staan waarvan de planken nog wit zijn. Aan den zoom van de oude buurt begint een prachtig-breede laan, die uitloopt op een verschiet van zee en donkerblauwe kustbergen. Aan weerszij, in de schaduw, liggen heilige graven, waar de koopvaarders een offer komen brengen, als ze op handelsreis gaan: om zeker te zijn van goede verdienste en behouden thuiskomst. Die hier begraven liggen, zijn vrome hadji’s. Zij zijn, in naam, Mohamedanen, het volk van Geser; maar dat belet hen niet op deze hadji-graven de offers te brengen van het heidendom, hun voorvaderen sirih en betel aan te bieden, in ruil voor hun hulp bij de voorgenomen zaak, en de geesten van de zee en den storm allerlei te beloven, als zij hun schip met vrede willen laten. Daarna gaan zij ook wel naar de moskee. Maar niet te dikwijls, zou men zeggen. Het kleine gebouwtje, dat bij de graven staat, is zoo vervallen, stoffig en vuil, als enkel een zelden of nooit bezocht huis wezen kan.

Het is misschien ook niet noodig, daar nòg eens te gaan bidden. De geesten en de voorouders zorgen, in ruil voor al die pinang, wezenlijk heel goed. Anders zouden de menschen van Geser, man, vrouw en nakend klein kind, niet zoo veel goud en zilver kunnen dragen als ze doen.

Van Boeroe tot Ternate

De eigenlijke Molukken, historisch gesproken, zijn de eilanden, in een keten langs de Westkust van Halmaheira gelegen: Ternate, Tidore, Batjan, Makjan, Motir: de zee van deze streek heet nòg de Molukken-zee. Dat Ambon en de eilanden daaromheen later dien naam kregen, houdt misschien wel verband met het overbrengen van het voornaamste Molukken-product, den kruidnagel, van de Molukken naar Ambon, en met de daaropvolgende beperking van dien boom tot Ambon alléén door het extirpatiestelsel; in de taal van den handel en dus van de wijde wereld kwam daardoor Ambon in de plaats van de eigenlijke Moluksche eilanden.

Het is overheerlijk mooi varen in deze streek. Het eene rotsige en wuivend-groene eiland na het andere duikt op uit het flikkerende blauw van de zee. In een statige rij rijzen de vulkanen, vèr-blauw, met een blink van wit gewolkte om den kruin. Al-door verschieten, in opglans en wegdonkering, klare kleuren: het azuur van de zee waar de zonneschijn overheen huppelt in zwermen van stippelvonkjes, wordt fijn groen over ondiepten, pauwe-glanzig boven de fel-witte zandstrook die langs den voet van de eilandjes opschijnt. De weerspiegeling van de toppen en van de groote gloeiend-witte wolken, hoog rondom den horizon, door den golfslag gebroken tot een lange reeks van glansbeeldjes, ligt in rechte banen van wit en van groen over het blauw. Wazig in de verte, dommelblauw, of naar het paarse zweemend soms, worden de eilandbergen al klaarder en krachtiger, naarmate zij het schip tegemoet varen, tot zij, dichtbij, geweldig hoog, staan als een steil woud of als een naakte bruine vulkaankegel. In dageraad en zonsondergang vlamt alles van purper.

Uit de Ceram-streek komende, vaart het schip eerst naar Boeroe. Daar voor is het water bijwijlen licht-groen, als boven een rif, boven de menigte van kwallen, millioenen en millioenen doorschijnige schijven van beesten, vademen hoog boven elkander drijvend, een halve mijl ver. De oever en de recht opgaande heuvelwand schemeren, grijzig-gestreept van kajoepoetih stammen: op de hoogte staan de magere boomen, met hun als berken blanke, ranke stammen en hun héél hoog gedragen ijle kruin, scherp geteekend tegen het luchteblauw. Als het koel wordt, strijkt de wind een kruidige geur af van het gebladerte. De haven, waar het schip binnenvalt, is een schoone, wijde baai, waar twee dorpjes tegenover elkander liggen, Kajeli en Namalea. Achter de huisjes van Kajeli om gaat een steil brokkelpad naar de kruin van den heuvel, dun begroeid met knie-hoog kajoepoetih-gewas, waar hier en ginder, mager, recht de hoogte in met zijn doorzichtige kruin, een volwassen boom tusschen staat. Van den top af is de geheele baai te zien, met Namalea, kleintjes bruin, aan den voet van bleek-groene heuvels. De twee groote bergspitsen tegen de lucht, een hoogere, een lagere, zijn de Moeder en de Dochter.

Na Boeroe is een tijd lang open zee. En dan, Obi voorbij, komt het eerste Molukken-eiland Batjan, dat een en al klapperbosch is. En dan begint de trotsche reeks van de vulkanen: Makjan met zijn geknotten top; Motir, zuiver toegespitst als een pyramide. Mareh, dat lager ligt, met een afdruilenden slier van wolken langs zijn diep-geribde flanken, en dan prachtigst van allen, de trotsche piek van Tidoor. Daarachter komt, flauw en fijn, de piek van Ternate te zien.

De stad ligt op den Oostelijken oever van het eilandje tegen den voet van den altijd rookenden vulkaan aangebouwd, de huizen maar even te zien in dicht boomengroen. De straat langs de haven heeft maar een enkele rij huizen, en aan de overzij een reeks prachtige boomen tegen den glans van de baai met de zeilende schepen; zij is altijd druk van volk. Op boot-dagen rijden de karretjes, met hun kleine ruige hitten, in een onafgebroken reeks, propvol Chineezen en kleurige Arabieren, en het gewoel rondom de goederenloods en over de pier duurt van dagworden tot donker. Achter dien rand van rumoer ligt de binnenstad stil met wijde wegen, waarlangs de erven vol bloemen zijn en de ouderwetsch-lage huizen orchideeën hebben hangen tusschen de pilarenrij. De straten hebben namen die aan oude tijden doen denken: Fiscaal-straat, Weeshuisstraat, Lijnbaanstraat. Aan de Noordelijke grens staat het vroeg zeventiend’eeuwsche Fort Oranje, dat Cornelis Matelieff de Jonge bouwde tegen den Spanjool.

De Sultan van Ternate, die de Hollanders er in haalde om hem tegen Portugeezen en Spanjaarden te helpen, was een machtig-rijke potentaat. Francis Drake, die, een goede twintig jaar voor de komst van Van Waerwijck hem bezocht, stond versteld van de pracht die hij ten toon spreidde. “De koning,” schreef hij in zijn bericht (Wallace heeft het voor zijn Malay Archipelago overgenomen uit de verzameling van Hakluyt), “de koning liet boven zijn hoofd een prachtigen troonhemel dragen met gedreven gouden sieraden, en had een wacht van twaalf speerdragers. Van het middel tot de voeten was hij in de kostbaarste gouden kleederen gehuld. In zijn kapsel waren onderscheiden ringen van gouddraad, ongeveer een duim breed, keurig ingevlochten, zoodat zij een fraaie en vorstelijke vertooning maakten, eenigermate gelijkende op een kroon. Hij had een keten van goud met zeer groote schalmen tweemaal om den hals gewonden, zijn linkerhand was getooid met een diamant, een smaragd, een robijn en een turkoois, en aan zijn rechterhand droeg hij twee ringen, waarvan de eene met een zeer grooten en zuiveren turkoois, de ander met een aantal kleine diamanten prijkte.1

Al die rijkdom kwam enkel en alleen van de kruidnagelen. De Heeren Zeventien wisten wèl waarom zij in hun instructie aan J. P. Koen schreven: “de eilanden van Banda ende Molucques zijn het principale wit waarnaar wij schieten.” Dat schieten heeft Ternate, althans zijn vorsten, ànders getroffen dan het ongelukkige Banda en anders dan Ambon ook. Banda werd uitgemoord, omdat het volk van den handel in notemuskaat ook met anderen dan de zuinig-betalende Compagnie niet verkoos af te laten. De Ambonneezen, hoofden als kampong-volk, werden uit hun bergen naar het strand gehaald, aan het teelen gezet van den nieuw-ingevoerden kruidnagelboom en met slagen naar de prauwen gedreven, die zij roeien moesten op de verfoeide extirpatietochten langs de eilanden. De Ternataansche Sultan, hun oppermachtig gebieder echter kreeg zoóveel geld, dat hij zonder spijt zijn monopolie overgaf aan de Compagnie: twaalfduizend rijksdaalders in het jaar wat wel met acht of tien vermenigvuldigd mag, om overeen te komen met de tegenwoordige waarde van geld. Hij profiteerde trouwens ook nog op andere manieren van de Compagnie. Hij was Heer van de Papoesche eilanden en van groote streken op de kust van Nieuw Guinea, waar een artikel gehaald werd, al even voordeelig in den handel als de kruidnagel: slaven. En het was juist de Compagnie, die door de gestadige vraag naar slaven, met wie zij op het uitgemoorde Banda de notenperken bewerkte en op Ambon het ontbrekende kwartsvolk aanvulde, de prijs van slaven uit de Papoe deed stijgen. Zoo wiesch de Compagnie’s hand de Sultan’s hand en beide werden schoon—zoo niet in den zin van rein, dan toch in dien van fraai: blinkend van het goud!

Hoezeer de Sultans gesteld waren op de vriendschap met de heeren van de Compagnie, blijkt wel hieruit, dat er troonopvolgers vernoemd zijn naar gouverneurs-generaal: Prins Zwaardekroon: het klinkt!—al is misschien de fraaiigheid van “Prins Mossel” en “Prins van der Parra” een gedwongene geweest, later. En voor bewijs daarvoor dat, van den weeromstuit, het volk de Hollanders al evenzeer ging bewonderen, mag de overlevering gelden die de Sultans van Ternate, Tidore, Djilolo en Batjan tot afstammelingen maakt van een hemelnimf en een Hollander. Het aardige verhaal, dat door allerlei bijzonderheden aan de sage van den Nibelungenheld en de Zwanen-jonkvrouwen doet denken, is in het oud-Ternataansche gebied verspreid tot op de Noordkust van Nieuw-Guinea toe, waar de Papoea’s het elkander vertellen in het Noefoorsch.2

De kostbaarste van alle Indische houtsoorten, ebbenhout wordt hier gekapt.

De kostbaarste van alle Indische houtsoorten, ebbenhout wordt hier gekapt.

Het oude fort staat nog op Ternate, met zijn dikke wallen, die de kruidnagelhaalders en hun schatten beschermden tegen Spanjaard en Portugees. Maar wat op dezen dag de welvaart zoo vol de Ternatanenhuizen doet binnenvloeien, dat is niet de kruidnagel meer: dat is het gevederte van den Paradijsvogel. De booten die naar Nieuw-Guinea varen, zijn elk jaar in Maart en weer in Augustus, vol Ternatanen, die als “jagers” gaan en met een riem vol geld terugkeeren.

Om betere redenen dan in den Compagniestijd naar den uitslag van nagel- en notenoogst, wordt nu in Ternataansche streken gewacht naar wat de vogeljacht opbrengt: de pacht, door het gouvernement geheven, is méér dan noodig om het gewest eindelijk en ten laatste—na vierhonderd jaar van onverschilligheid eerst en onmacht later—eenigermate op orde te brengen. Ternate is wel een welvarende en welgeregelde stad: maar in de binnenlanden van het groote eiland, aan den rand waarvan zij drijft, in het binnenland van Halmaheira is de toestand een àndere. Het is pas drie jaar geleden, dat officieel werd geconstateerd hoe het alleen in naam georganiseerd was, en genomen maatregelen niet anders waren noch kónden zijn dan halve, voor voorloopig gebruik zelfs onvoldoende. Op het groote eiland—zonder Ternate en Hiri is het te besturen gebied grooter dan de Padangsche Bovenlanden, of Bali en Lombok te zamen, of Bantam, Batavia en Krawang bij elkaar,—zijn maar enkele Hollandsche ambtenaren geplaatst met eenige Indo’s en Ambonneezen als bestuursassistenten tot hulp. Het prestige van den Ternataanschen Sultan is er nog overweldigend. De middelen van verkeer zijn uitermate gebrekkig voor zoover ze niet geheel en al ontbreken. Wat dat zeggen wil zal een ieder begrijpen, die bedenkt wat, in het algemeen, de aard van absolute vorsten en de lijdzaamheid van weinig-ontwikkelde volkeren is, en hóe absoluut en lang-gevestigd al het gezag van de Ternataansche sultans. Een voorbeeld, hoe het kort geleden nog maar,—in de jaren ’80—toeging op Sanana. Sanana is de hoofdplaats van Soela Besi, een eilandje dat (op den weg der Paketvaartbooten), tusschen Boeroe en de Obi-groep ligt. Het hoort onder het sultanaat Ternate en is dicht bevolkt.

Het eiland is vruchtbaar: er groeit (op droge velden) rijst, er zijn klapperboomen in menigte en rijk dragende sago-palm, het mooie roode lingoa-hout komt voor in de bosschen, en ebbenhout, kostbaarste van alle Indische houtsoorten, wordt ook gekapt; er is rotan te halen uit het woud, en was van wilde bijen; en uit de zee wordt schildpad opgediept; en bijwijlen drijft in de omringende engten amber, dat zijn dubbel gewicht aan zilver waard is: een stuk van de beste soort, de donkerbruine, van 3 à 4 pond, brengt omtrent ƒ 4000 op. Van dit alles wordt schatting opgebracht aan den Sultan, wat in de praktijk wil zeggen: aan de gemachtigden, etc. etc. van den Sultan.

Sedert de dagen van den grootvader van den tegenwoordigen Sultan nu, waren de Arabieren de handelaars, en, als zoodanig, de eigenlijke heerschers op Soela Besi. Zij kwamen er al die kostelijke producten halen en betaalden wel eens met duiten en anders met katoen. Voor een vrouwenkabaja is de maat 3 el, en de waarde daarvan ƒ O.75. Nu. De Arabieren kwamen hout, was, rijst, copra, klapperolie, schildpad en lola-schelpen koopen voor kabaja-stukken, geprijsd op ƒ 3.

Met de rotan kwamen duiten er bij te pas, want de rotan wordt niet anders aangebracht dan door volk uit het wilde bosch-binnenland en dat heeft voor zich of zijn vrouwen zoo geen kabaja’s noodig. Saïd Alhadar,—dat was de Arabier die contract voor rotan had met den Sultan,—ging daarom koperen duiten op den grond uittellen, tegenover de neergelegde stengels rotan. De stengels moesten hem, natuurlijk, aan het strand, waar de prauwen ze maar voor het inladen hadden, geleverd worden. En, natuurlijk moesten ze ook behoorlijk geschild en schoongemaakt zijn, want dat te doen is een heele arbeid, die tijd, moeite en krachten kost. En dan moesten de stengels goed dik zijn, en afgekapt op een maat van drie vadem. Voor zulk een stengel wou hij dan 1 duit geven, of voor een pikol van zulke stengels 100 duiten, dat is ƒ O.83 in Nederlandsche munt berekend. En zulk een pikol verkocht Saïd Alhadar voor ƒ 4.50 of ook wel eens ƒ 5. Wat Saïd Alhadar bijzonder goed beviel en ook wel bekwam; maar der bevolking minder. En als Saïd Alhadar met den rotan, deden andere zonen van Hadramaut met de was, of het schildpad, of het ebbenhout, of de rijst. En ook dién edelen van Hadramaut beviel dit goed en bekwam het wèl; maar ook der bevolking, die met hèn handelde, bekwam en beviel het maar slecht. Hoe echter zou iemand gewaagd hebben zich tegen de Arabieren te verzetten, die gemachtigden en lasthebbers en vrienden immers waren van den Heer, die glanst gelijk de Zon, den Sultan van Ternate?

Dat duurde, totdat in 1909 een resident van Ternate op dienstreis Soela Besi bezocht, en een onderhoud had met Arabieren op Sanana en met den Sultan in zijn hoofdstad. Waarna kabaja-stukken van ƒ 3 verdwenen zijn, en rotan-stengels van drie vaam lengte met 1½ cent betaald worden en door den kooper uit het bosch gehaald en schoongemaakt door hem. In vele andere dingen ook is velerlei veranderd, en de veranderingen zijn den Arabieren maar zeer matig bevallen en bekomen, maar der bevolking daarentegen uitstekend. Wat Saïd Alhadar aangaat, die is, eenigen tijd later, plotseling weggeroeid van Sanana, en sedert nooit weer aan komen roeien. Van het waarom weet de toenmalige posthouder het nadere misschien wel.

Er zijn vele Saïd Alhadars op Halmaheira. Er moesten ook vele posthouders zijn, om van civiel-gezaghebbers en controleurs, en eigenlijk misschien zelfs wel, assistent-residenten niet te spreken, wanneer overal op Halmaheira het zoo goed zou gaan als het nu op Sanana gaat. Maar het geld (volgens Heinrich Heine, het vervloekte geld), dat men niet heeft?

Daaraan nu zal, onder andere, de pacht op de paradijsvogels helpen. Verleden jaar was de binnenkomende som bijna een halve ton—precies gezegd ƒ 45.000. Daarvoor kan heel wat binnenlandsch-bestuurd worden. En er wordt voor de toekomst nog meer gehoopt. Want Ternataansche jagers vermeerderen en dames worden al doller en doller op paradijsvogelveeren voor hun hoed.

Er is gewaarschuwd, dat paradijsvogels spoedig in allen ernst paradijs-bewoners zullen zijn als het zoo voortgaat. Maar die het weten kunnen, stellen gerust. De Paradijshaan—de hennen zijn maar stemmig-bruine diertjes—krijgt zijn siervederen pas op zijn vierde jaar, terwijl hij verder na het eerste al in alle opzichten volwassen is. Dus kan het nooit meer dan een, betrekkelijk gering, gedeelte van de menigte zijn, waarop elk seizoen geschoten wordt. En de landstreek, waar de jagers op buit uitgaan, is een nog veel geringer deel van het ontzaglijke Nederlandsch Nieuw-Guinea-gebied.

Een standpunt van humaniteit—en dat tegenover zóó prachtige diertjes!—zou gemakkelijker te verdedigen wezen, als het niet zoo ernstige belangen van menschen gold. Er zijn ook Engelschen, die verklaren, dat het Britsche gouvernement zich daarop heeft geplaatst met het verbod van jacht op paradijsvogels in Britsch Nieuw-Guinea. Maar daarentegen zijn er weer niet-Engelschen, die een heel andere reden aannemen voor het verbod dan dierenliefde. Op paradijsvogels moet geschoten met geweren en geweren ziet de Britsche regeering nu eenmaal niet graag in de handen van haar Papoesche beschermelingen—wezenlijk, niet dan uiterst ongaarne. Dus dan kunnen er, vanzelf, geen paradijsvogels (onder andere) worden geschoten. Zoodat het veel eenvoudiger is bij het einde te beginnen en te zeggen: In Britsch Nieuw-Guinea is de vogeljacht verboden: zooals ook is geschied.

Die de zaak zoo uitleggen, doen tegelijk opmerken dat van de in Nederlandsch Guinea geschoten vogels een overgroot deel den weg naar Engeland opgaat, naar de groote Londensche markt.

En zoo is dan de hoed van een Londensche elegante de laatste nestelplaats van een vogel, die anders allicht terecht zou komen in den schelpen bovenarmband of in den takkebos-breeden stijfgekroesden ragebol van een spiernakenden Papoea, als hij met zijn beste paar wildezwijn-slagtanden door de doorboorde neusvleugels geschoven, gaat dansen op een koppensnellersfeest.


1 Vertaling van Veth “Insulinde.”

2 Zie Van Hasselt: Noefoorsche Sprookjes.