Het schip gaat naar de Humboldts-baai van ruim tot reeling vol opkoopers van vogelhuiden en ruilwaar. Achter den wand van zeildoek, die het haast ledige dek van de eerste klasse afgrenst van de derde, is het een enkele gepakte, gestuwde, opgetaste massa van lichamen, liggende, gehurkt, weggedoken tusschen pakken, vaten, kisten, boven op hoopen zakken geklommen, aanhangende tegen stapels planken aan. ’s Avonds schijnt het electrische licht op roerlooze rijen, zoo dicht en vast aaneengevoegd als de planken van het dek zelf. Beneden, in de kajuit van de tweede klasse, waar het licht op valt van den koekoek, zitten langs alle tafels, geen plaats onbezet, Chineezen, den dag door bezig met papieren en boeken. En de gangen langs de laadkuilen en de hutten van de scheepsofficieren zijn versperd met kisten, waaromheen altijd een schuifelend gedrang is van Chineezen en Ternatanen. De Chineesche handelaars gaan als opkoopers van vogelhuiden, de Ternataansche en Amboneesche “jagers” als opkoopers van de arbeidskracht waardoor die huiden uit het binnenland van Noord Nieuw-Guinea aan de kust gebracht worden. Van de eigenlijke jagers, de Papoea’s, is de naam overgegaan op hen. De organisatie van het bedrijf is déze, langs afdalende reeks. Bovenaan staat een of ander groot handelslichaam, een Chineesche kongsie, of een Europeesche vennootschap, met verbindingen naar de wereldmarkt. Onder de groote firma staan de Chineesche opkoopers, in een massa zelve weer samengesteld uit grootere en kleinere, waarvan de enkele grootere koopen van de vele kleinere. Onder de Chineesche opkoopers staan de jagers, Ternatanen, Boegi’s, Amboneezen, Cerammers, volk van Geser. Onder de jagers staan de Papoea’s. Een enkele maal onderhandelt een groote firma rechtstreeks met de jagers, maar de verre afstand tusschen de steden waar zij hun kantoren en hun agenten hebben, en de woonplaatsen van de jagers, her en der door den archipel verspreid, maakt dat dit niet anders dan bij uitzondering kan gebeuren.
De firma, of anders de grootere onder de opkoopers, verschaffen het toebehoor voor de jacht, de jachtakte, “licentie” heet ze hier, en het geweer met ammunitie, aan de jagers. Verder geven ze hun een voorschot van om en bij de vijftig gulden, (het middel van bestaan voor hun achterblijvende gezinnen gedurende hun afwezigheid), het geld voor de reis, en de waar, waarvoor een Papoea op de jacht naar vogels gezonden kan worden: dat wil zeggen: rood katoen, kralen, neusstangen, halskettingen, armbanden, spiegeltjes, pruimtabak en vooral messen. De verdienste van den jager moet komen van het aantal vogels, dat hij, boven een van te voren vastgesteld aantal, en na verrekening van het voorschot in geld en waren, aan de firma levert tegen een bepaalden prijs, soms de locale marktprijs. Hij gaat dus op eigen risico “de Papoe in.” Hier zoekt hij de werkelijke jagers, de mannen uit het binnenland. Terwijl, als hij een Ternataan is, en ook Amboneezen doen dit wel, hij zelf ook “als geweer” het bosch in gaat.
De Papoea neemt niet anders mee voor een veertien dagen of drie weken woud-loopen dan een pak sago, gedroogde visch, tabak, een mes en zijn jachtgereedschap. Het mes—een gewoon Hollandsch keukenmes kan men hem zien gebruiken, zoo een met een dik rood-geverfd houten heft, en ook zwaardere kapmessen, als Maleiers altijd hanteeren—is voor de meeste binnenlanders nog iets nieuws en kostbaars, van de hoogste waarde op zulk een tocht door het bosch, waarbij ze vroeger niet dan hun naakte handen als hulp hadden tegen versperrend gewas. Zij gaan nu dáárheen waar een “speelboom” staat, d. w. z. een boom, waarin de Paradijshaantjes neerstrijken om met opgeheven vleugels en wijd-gespreide bossen van sierpluimen te pronken voor de hennetjes. Dikwijls staan zulke boomen niet ver van een Papoeagehucht; maar dan zijn ze allicht vast eigendom. En ook een midden in de eenzaamheid staande boom kan al bezit zijn; dat wordt aangewezen door een “verbods-teeken,” een tak met een blad er op gestoken, bij den stam. Wie zulk een “verbod” schond, zou zeker door een doodelijke ziekte of door ongeluk in zijn gezin getroffen worden.
Er wordt dus gezocht tot een speelboom is gevonden waarop nog niemand rechten heeft. De Papoea gaat op de loer liggen, en wacht zijn kans. Bij voorkeur zal hij op den grooten “gelen Paradijsvogel” schieten, die van onder zijn purperig-bruine vleugels een schitterend oranje pluimenbos opsteekt, van wel twee voet lang. Of anders op den effen zwarten, die bij elke beweging glansen van groen, rood en paars laat opschijnen uit het zwarte fluweel van zijn gevederte; of op den kleineren (dien Franschen Petit Emeraude noemen) die pluimen heeft, niet oranje, maar stroogeel, met witte spitsjes; dat zijn er al mee van de meest waardevolle. Hij moet zorgen den vogel zóó te raken dat geen bloed de vederen besmeurt: de vlekken die niet weer weg te nemen zijn, maken hem waardeloos. Dan worden vleugels en pooten afgesneden en het afgestroopte huidje op een platte houten pen opgespleten en gedroogd. Heeft hij er genoeg, dan brengt hij zijn buit naar den jager, voor rood en blauw katoen, kettingen, armbanden en neus-stangen. En het handels-artikel geworden bruilofts-kleed der vogels gaat van den jager naar den opkooper, van den opkooper naar de groote firma op Ternate, Makassar, Soerabaja, Batavia, van de groote firma naar den “veeren-fabrikant” te Londen of te Parijs, van den veeren-fabrikant, die het in een nieuw fatsoen heeft gebracht, naar de modiste, van de modiste naar de elegante vrouw, bij wier zijde, bont en juweelen een hoed met Paradijsvogel-pluimen behoort. En de lap rood katoen, de neus-stangen en de tabak van den Papoe doen in laatste gedaantewisseling zich voor als een chèque van een vijfhonderd gulden.
Voor het begin van het proces, waardoor die metamorphose tot stand komt, gaat nu dit schip vol menschen “naar de Papoe,” allen in gespannen verwachting naar hun deel van vermenigvuldigende waarden, dat voor elk grooter is naarmate hij verder van den arbeid aan den oorsprong af staat. De Chineesche opkoopers zijn bezorgd omtrent het hunne, sedert bekend geworden is dat een groote Europeesche firma van de achttienhonderd uitgegeven licenties er meer dan tweehonderd verworven heeft.
Een Chineesche groothandelaar, eerste-klasse passagier, die vorig seizoen driehonderd corges (pakken van twintig stuks) huiden naar Makassar heeft verkocht voor ƒ 650 de corge, houdt veel overleg met zijn landgenooten, ernstig kijkend. Beneden in de gangen, om het luik heen, tusschen bossen pisangs, manden vol orchideeën, rissen witte kakatoea’s en purper-blauw-geel-groene lorries, op het voordek van het schip, rondom de winch, bij het ankergat, tusschen de stapels der opgerolde trossen, worden al door kisten open gemaakt met kralen, glazen armbanden en celluloïde neusstangen—Oostenrijksch fabrikaat, dat de schelpen-ringen en de varkensslagtanden van vroeger gaat vervangen. Handel aan boord is verboden, al die kisten hoorden in het ruim. Maar geen nog zoo scherp toezicht ziet door de listen heen, waarmee Ternataansche en Chineesche jagers koopwaar voor bagage bij zich houden. En het meest wat onophoudelijke waakzaamheid vermag is een uiterlijke orde en regel handhaven onder dien onderling wantrouwenden en afgunstigen troep, die van uit de verte al loert op de Paradijsvogels en de Papoea’s.
Het eerste station van de booten op Noord Nieuw-Guinea is tegenover Sorong op het eilandje Doom—niet veel meer dan een groene heuvel met op den kruin een grooten boom, onder den lommer waarvan binnenkort het huis van een bestuursambtenaar zal staan. Hier kwamen de eerste Papoea’s aan boord en de eerste Paradijsvogel. Van den vogel was niet veel te zien: hij was “aangehaald,” als contrabande in beslag genomen, wijl geschoten in het seizoen waarin de jacht verboden is, en zat stevig ingepakt in bruin papier. Aan de Papoea’s viel des te meer te bekijken; zij hadden niets aan dan een lendedoek van dunne bruine stof, die boombast bleek te wezen. Het taaie groeisel wordt in water geweekt, van het allergrofste ontdaan en zoo lang geklopt, tot het niet dikker of stijver meer is dan gewoon katoenen weefsel. Het zat om de leest der mannen heen zoo glad als een sarong.
De vier, voor al de anderen aan boord geklommen, waren gekomen om zich als jagers aan te bieden, en tegelijk matjes te verkoopen daar in de streek gemaakt,—aardige dingen van sagobladstelen, met levendige kleuren beschilderd. Aan hun manieren—ze rookten sigaretten en namen, als iets waaraan ze al lang gewend waren, een glas vruchtensap aan—was het te zien, dat zij al vaak met Westerlingen te doen hadden gehad. Het waren slanke, krachtig gebouwde menschen, bronsbruin, met een geweldigen bos heel fijn gekroesd haar, dat er uitzag of het zou veeren als er op gedrukt werd, en waarin ze allerlei versiersels hadden gestoken: lange naalden van gesneden hout, beenen pennen, een veertje. Zij hadden opgewekte gezichten met een helderen blik in de groote glanzend zwarte oogen, en een forschen arendsneus. Het geheel zou mooi geweest zijn, zonder den breeden, groven mond, waarin iets dierlijks was. Het waren waarschijnlijk geen Papoea’s van zuiver ras. De heele kuststreek heeft een sterk gemengde bevolking; handelaars van Geser, Ceram laoet, de Zuidkust van Ceram, Boegineezen, Tidoreezen, Ternatanen hebben van oudsher overal hier gevaren, zoo ver als het gebied—hoezeer dan ook maar schijngebied,—van de Moluksche vorsten reikte. Misschien dat de vermenging met meer ontwikkelde rassen een oorzaak is van hun gereede aanpassing aan nieuwtijdsche handelsgebruiken. Zij stonden met opkoopers en jagers zakelijk te onderhandelen. Ten slotte gingen zij naar het kuildek en richtten zich in voor de reis. Een die zijn sigaret wilde opsteken maakte vuur door twee bamboe-latjes vlug tegen elkander te wrijven. Het antieke gebaar riep daar midden op de stoomboot een vizioen op van pas half-menschelijk leven.
De Papoeas van deze streek hebben opgewekte gezichten met een helderen blik in de groote glanzige oogen en een forschen arendsneus. Geheele zwermen eilanders kwamen ons in prauwen tegemoet.
Te Manokwarie, de hoofdplaats van het gewest, die maar een dag stoomens van Sorong verwijderd is, kregen wij Papoea’s te zien van, op het oog, hetzelfde ras, maar die een anderen ontwikkelingsgang gevolgd hadden dan de Sorongsche. Zij waren Christenen, en droegen kleeren. Er kwamen er een groote menigte aan boord om het gezin van een zendeling te verwelkomen. En later op den dag was het op den steiger een ware oploop om het wonderdier te zien, door de familie medegebracht: een paard. Er zijn op Nieuw-Guinea noch paarden, noch runderen. Kort geleden heeft de zendeling er runderen ingevoerd, die goed gedijen. Dit paard was nu wéer een nieuw wonder. De vrouwen vooral waren er over uit. De mannen, van wie de meesten al eens met de prauw, of misschien zelfs wel met de stoomboot naar den Maleischen Archipel waren geweest, hielden zich bedaarder.
Om de Geelvinkbaai heen, langs de kust en op de vele kleine eilanden liggen een menigte Papoeadorpen, op palen gebouwd, half op zand, half in water bij ebbe, rondom in zee als de vloed opkomt. De boot doet er verscheiden aan: als eerste, Roon. Het eilandje ligt tusschen de Geelvinkbaai en de Baai van Wandamen, als de eigenlijke spits van een ver vooruitspringende kaap die de twee scheidt. Vlak in het Zuiden, aan de overzij van de smalle straat die het afsnijdt van het vasteland, staan donkerblauw en prachtig hooge bergen; de wijde Geelvinkbaai, onafzienbaar als een zee, ligt, uitgegoten naar Oost en Noord, met zwermen eilandjes overstrooid. Aan het strand staat het Papoea-gehucht op zijn bruine palen, in twee groepjes van lange laag-gedakte hutten. Het witte zand blikkert fel er tusschen. Prachtige kleuren hebben de ondiepten rondom: allerlei groen, van het lichtste, zon-doorblonkene tot een dof en ondoorschijnend malakiet, dooraderd met wittige schuimstrepen, paars in breede banen daarlangs. Als een regenboog uit het blauw van de lucht glanst die groen-en-paarse zoom uit het blauwe water. Zoo rechtop uit de zee, dat de wortels, blootgespoeld, hangen in de branding, klimt een woud langs de steile helling. Veel laurierboomen groeien er in. De lucht om de hutjes is bitter van den fijn-prikkeligen geur. Over de wankele brugjes, die van de woningen naar den woudzoom gaan, loopen, rank-rechtop, donkere menschen. Er dobbert een prauw hier en daar, aan een paal gebonden.
Op de Zuidkust van Japen—het langgerekte eiland, dat in het Noorden de Geelvinkbaai halverwege sluit,—ligt Ansoes, waar de vogeljagers heengaan om den prachtigen geel-gepluimden Paradijsvogel. In de diepte van een zuiver ronde baai ligt het gehucht lang uitgebouwd, over de breedte van het gladde, klare water. In het Oosten is de bouw begonnen: daar zijn de hutjes al oud. Naar het Westen toe worden zij al nieuwer. Daar is de steiger, daar is de lange rij Chineesche winkeltjes, waar,—als een trottoir—een brug van drie planken langs loopt: wankelliggende stammen worden het op het eind; een ijl leuninkje staat er onzeker tegen aan. Een geheele vloot prauwen, aan één kant maar gevlerkt en met een geweldig matten zeil op, dobbert rondom den steiger. Een naakte jongen, met een snoer schelpen om den hals, flikkerwit in de zon tegen zijn goudachtig bruin, roeit zijn hollen boomstam vol orchideeën naar de stoomboot.
Pom ligt op de Noordkust van Japen. Als een reusachtige school schildpadden drijft het dorp, elke schildpad een lange bruine woning met een gladden ronden rug van een dak. Wel een twee honderd voet lang is zulk een woning. Naast en achter elkander liggen ze daar. Als wij er tusschen komen, in onze prauw, zijn we midden in een groot waterdorp. We varen een waterstraat af, een waterplein op, watersteegjes door, her en der. Achter de flonkering van water, die groen en zonneblank door een woud van zwartige palen speelt, achter de lange, gedoken dakenruggen, is een lage oever, groen van woud. Allerlei klaar gekwinkeleer klinkt er uit, schelle vogelkeeltjes, waardoorheen de groote stem van de kroonduif roept; zoo zonderling, dat het lijkt of uit de verte een diep-inzettende scheepssirene schalt. Dwars over de baai vliegen kaketoes, donker tegen het felle blauw van den hemel, met een doorschijnend gloorrandje langs de bocht van de scherpgespitste vleugels, en de randen van den staart als een waaier gespreid. Weinig menschen zijn maar in het dorp. Vanochtend in het eerste licht hebben wij in een lange “vrouwen-prauw” een menigte vrouwen zien wegroeien om de oostelijke kaap, naar de bosschen, waar zij den dag door damar zullen zoeken. De mannen zijn allen op de stoomboot, bij de Chineezen en de Ternatanen, met hun kisten vol moois. Wij klimmen een huis binnen, waar een meisje van een jaar of twaalf, op den vloer-rand gezeten, met voeten afbengelend boven het water, haastig opspringt, en vlucht, zonder zelfs om te kijken naar ons geroep. We hebben den voet nog niet op de los gelegde stammen van den ingang—het watergroen flikkert er doorheen—of we zien haar, een eind ver weg al, over het water heenschieten, in haar smalle prauw.
We bezien het huis, waarin zeker meer dan honderd menschen te zamen leven. De ingang is, klaarblijkelijk, gemeenschappelijk terrein. Aan een paal hangt een geweldige schildpad-schaal, waarin langs den rand vierkante gaten zijn uitgebroken: om het vleesch, zegt de Ternataan, die onze gids en tolk is. De beenige, scherp-getande zaag van een zaagvisch leunt tegen den wand tusschen een rommel vischtuig: schepnetten, werpnetten, drietandige speren, waarmee de visch geharpoeneerd wordt, een boog en bundels visch-pijltjes, die aangespitste nerven van sagoblad zijn. Een bonk sagomeel, in bladeren gewikkeld, hangt aan een stijl. Op den grond ligt een groot stuk zware boomschors, waarin half verkoolde stukken hout nog gloeien—de haard, waarboven het gevluchte meisje zeker juist wat sago had willen roosteren en een stuk schildpadvleesch.
Achter deze vóór-ruimte liggen de afzonderlijke kamers, elk door een gezin bewoond, aan weerskanten van een gang die door het geheele huis heen loopt. Dit gedeelte, de eigenlijke woning, is met zorg afgewerkt. De gang heeft een vloer van vastgevoegde planken, de deuren sluiten in den langen houten wand. Ze zijn alle dicht nu, de gezinnen zijn uit. Dat zullen zij overdag wel meest altijd wezen, de vader op de jacht of op de zee, de moeder met de kleinste kinders in het bosch om damar te zoeken of in de tuinen aan het werk, die tegen de heuvels aan met omkappen van een enkelen boom en in brand steken van gras en struikgewas ten ruwste gemaakt zijn, de groote kinders op het strand, bezig met het zoeken van schelpdieren en krabben. En dan hindert het ook niet veel dat zoo’n “éénkamerswoning” een hokje is van niet meer dan een voet of tien in het vierkant, en zoo laag, onder de schuinte van het dak, dat de bewoners er maar juist in kunnen staan. Zij zijn er alleen wanneer zij er niets van merken—als zij slapen.
Kaap d’Urville is de Oostelijke grens van de Geelvink-baai: hier begint de oceaan. Het water lijkt effen. En toch schommelt het schip. Het voelt de groote golvingen van de Stille Zuidzee.
Langs deze kust en op de eilandjes, die in een ver vooruitgeschoven rij erlangs liggen, wonen de Papoea telandjang, de naakte Papoea’s.
Geheele zwermen eilanders kwamen ons in prauwen tegemoet.
Toen wij Wakdé naderden, kwam een geheele zwerm ons in prauwen tegemoet. Ze droegen niets dan, van het snoer rond hun middel afhangend, een lapje bont katoen, en aan hals en armen een aantal ringen, banden en kettingen van kralen en schelpen. In hun armbanden hadden sommigen een bundel dracaena-bladeren gestoken. Zij waren getatoueerd, sommigen met een teekening van donkerblauwe lijnen, stippels en plekken, die een mooi patroon vormden over borst, buik en dijen, aan de polsen ook en op den rug; anderen met een dergelijk patroon, waarvan de lijnen bestonden uit litteekens van breedingekorven sneden. Zij hadden roode klei in hun haar gekneed, zoodat het in een krans van strakke rosachtige pieken om hun voorhoofd heen stond. En hun gezicht was met zwarte verf zóó beschilderd, dat het leek of zij een masker droegen. De meesten hadden het zitten tot over den neus, maar er waren er, die het scheef over één oog droegen—het voorhoofd zwart, den neuswortel en één oog zwart, één jukbeen zwart, de rest van het gezicht natuurlijk-bruin. En sommigen hadden, wat bijna nòg zonderlinger stond, als het ware een sluier van zwart halverwege over het gezicht laten zakken, enkel maar lijnen, recht en gegolfd, met zwarte stippeltjes er tusschen. (Of die soms dames met voiles van gemoesde tulle gezien hadden?) Sommigen hadden een hoed op, hoewel zij overigens zorgvuldig naakt waren gebleven. Zij kwamen er aanroeien in prauwen, die uitgeholde boomstammen waren, met een opening zoo nauw, dat de roeier tusschen de naar binnen gebogen randen alleen tot de knieën toe de beenen kon passen, en zàt boven op de prauw. De bootjes waren vroolijk beschilderd met roode en zwarte sterren en versierd met beeldhouwwerk, forsch gefatsoeneerde koppen van kakatoes of van schildpadden, vooruitstekende op den steven. Van het strand van Wakdé af kwamen zij in zulke menigten, dat de zee tusschen het schip en den wal een wemelend plein geleek.
Het dorp ligt tegen een achtergrond van woud en van palmen-aanplanting. Langs het strand, als een aanspoelsel uit de branding der wereldzee van verre beschavingen, loopt een ordelijke straat, waarlangs nieuwe huizen staan, in aanbouw nog vele, genummerd in de rij. Daarachter, met hutjes van gaba-gaba en atap, begint het eigenlijke Wakdé, het Papoea-dorp.
Het middelpunt van Wakdé is een tempel aan de voorouders en de geesten gewijd.
Middelpunt er van is een tempel; aan de geesten en de voorouders toegewijd. Het is een gaba-gaba gebouw van het allereenvoudigste fatsoen onder een hoog en puntig met bladeren bespreid dak. De geheele gevel is beschilderd, reep voor reep, met doorloopende patronen van rood en zwart, elke reep weer anders, zoodat het geheel een samenstel wordt van verticale strepen. Een trapje, met gebeeldhouwde leuningen en op de posten twee hurkende figuren, klimt naar de deuropening, waardoorheen een inkijk is van ledige schemering. De tempel moet nog maar kort geleden opgericht zijn, het rood en zwart is versch op de sagopalm-stengels der wanden. Maar toch begint hij al te vervallen; het bladerenspreidsel van het dak hangt in flarden, de trap leunt scheef tegen den ingang. En rondom is een wildernis van breed-bladerige planten opgeschoten, waartegen gewaarschuwd wordt als tegen een nest van slangen. Er is geen zendingspost op Wakdé. Vanzelf moeten dus onder deze Papoea’s de voorstellingen in verval zijn geraakt, die kort geleden nog krachtig genoeg waren om zich te uiten in tempelbouw.
Rondom, en naar het strand van den achterwal heen, liggen, onregelmatig verspreid, de hutten van het dorp: bruine paalwoninkjes, met ladders naar den ingang, die opgetrokken kunnen worden. De bouw van alle is dezelfde, dezelfde ook als die van den tempel, recht op en neer, wanden van sagopalm-stengels en een dak van sagopalm-blad. Precies in het midden van den gevel is de hoogste van drie openingen, deuren en vensters tegelijk, op gelijke afstanden waarvan de twee andere zijn aangebracht. De verdeeling van het binnenhuis komt te zien: een vrij groote middenruimte, doorloopend van voor- naar achtergevel, en aan weerszij, afgeschoten, donker, veilig, kleinere ruimten, waar, onduidelijk, een rommel van voorraad gereedschap, rijs en vischnetten te ontwaren is, en waaruit gezichten te voorschijn kijken van vrouwen en kinders. De vrouwen zijn, met een goren lap om de lenden, maar weinig meer bekleed dan de mannen, en, als zij, met snoeren van kralen en schelpen omhangen, houten pennen door een warrigen haarbos gestoken. Allen, jonge als oude, hebben lippen vuurrood van de sirih, en een pruim achter de kiezen, waar de wang in een scheeven bult over uitstaat; de kalk voor de sirih-pruim dragen zij bij zich in een soort fleschjes, die kleine uitgeholde pompoenen zijn, alleraardigst met een zwarte teekening versierd. Een enkele heeft een dergelijke teekening op de borst getatoueerd. In vergelijking met de mannen zijn het schrale, armelijke wezens, wien ontbering aan is te zien en arbeid vèr boven hun krachten. Zelfs de jongsten, die een kind aan de borst houden, zien er oud uit. Klaarblijkelijk zijn zij het, die al het akkerwerk doen, terwijl de mannen zwerven en jagen.
Het oude Papoea-gehucht staat op een zandbank maar juist boven het water uit.
Het station dat op Wakdé volgt is het laatste in de rij. Hollandia, aan de Humboldtsbaai, eindpunt der Noord-Nieuw-Guinea reis. De boot laat het anker vallen voor een drukke kleine handelsplaats aan de monding van een rivier. Dicht gerijd staan langs beide oevers de huisjes, de stroom is als een dobberende markt. Bij de aanlegplaats staan loodsen en een pakhuis; Chineezen met gouden ketting van knoopsgat naar borstzak van hun khaki jas controleeren het binnenbrengen uit de laadprauw van kisten, waarop namen van Europeesche steden en fabrikanten staan.
Aan de overzij van de baai, enkele minuten roeiens ver, ligt het oude Papoea-gehucht op een zandbank maar juist boven het water uit. Er staan hutten op als hooge, hoekige bijenkorven, op palen, dicht aaneengedrongen op de smalle plek. Reusachtige schildpadschalen, aan palen gehangen, drogen in de zon; de stank slaat den naderende over het water tegen. De gezichten van de naakte, war-harige, vervuilde wezens, die in een zwijgenden troep hem tegemoet zien, zijn een afweer, nog erger haast dan de stank. Denkende aan wat verhaald wordt van hun stompzinnige wreedheid, dingen die ongeloofelijk lijken en onmogelijk, begint hij nú te gelooven daaraan.
Te Sorong al begon het; hier in de Humboldtsbaai, in dat bedrijvige dorp, waar de boot haar laatste vracht ontlaadt, is het nog; en nergens, op de geheele lange reis was het er niet—het Chineesche winkelbedrijf. Niet ééne was er van al de vele aanlegplaatsen,—Saonek, Manokwarie, Roon, de Wooibaai, Ansoes, Pom, Mokmer, Wakdé,—of langs het strand stond een wal van Chineesche toko’s, splinternieuw alle, sommige niet eens af nog; en Chineezen stonden te wachten op de ladingen gaba-gaba, planken, dakzink, atap in reepen, die langs het laadbord de vlet in gleden, en op de Chineesche timmerlui, uit Ambon en Menado meegekomen om, voor een dagloon van ƒ 3, beginnend met den eersten dag van uitreis en eindigend met den laatsten van de terugreis, over een anderhalve maand te beginnen, van al dat materiaal weer Chineesche winkels te maken.
De kust is, in wording, één Chineesche winkelstraat, honderd-en-vijftig geografische mijlen lang in de vogelvlucht gemeten, met voor zichtbare klanten een troep spiernaakte, een stuk gedroogde visch kauwende Papoea’s. De reiziger ziet er naar, verbaasd, tot hij, instee van de oogen, de herinnering te hulp neemt. Die begint aan een lange geschiedenis.
Het is wèl bekend hoe het land van de Paradijsvogels niet dan half bij toeval, half bij dwang Nederlandsch koloniaal gebied is geworden—bij toeval een exploitatieland van de Oost Indische Compagnie, die er weinig voordeel van heeft gehaald, bij dwang der omstandigheden en annexatie, bij stukken en brokken, een bezit van den staat, die de desolate erfenis aanvaarden moest en later, tegen wil en dank meest, verdedigen tegen andere gegadigden.
In den bloeitijd van de O. I. C. waren “de Papoesche Eilanden” nog onbekend land voor haar, al wist zij, dat de Molukkenvorsten daarvandaan groote rijkdommen haalden, en dat Portugeezen zich daar hadden gevestigd en Spanjaarden. Een gerucht dat er goud te vinden zou wezen, prikkelde den ondernemingslust.
Er werd een schip gezonden naar de Zuidwestkust, om te zien wat er aan was van het op Ceram gehoorde omtrent den rijkdom dier streek, en een contract werd gemaakt met den Sultan van Batjan, die daar vage rechten had. Tien jaar later eerst kwamen de schepen der Compagnie op de Noordkust, geheel bij toeval, gedurende een tocht, ondernomen om een anderen weg naar Indië te vinden, dan die bij octrooi haar was toegestaan. De kust en eenige der dichtbij gelegen eilanden werden onderzocht, maar er leek weinig te halen, zooals op heel Nieuw-Guinea, waar van goud niets gevonden was, en de muskaatnoten—een in het wild groeiende soort—van veel minder hoedanigheid bleken, dan die op Banda geteeld werden, terwijl er voor den pluk geen handen te vinden waren, en het volk kwaadaardig slag was, verraderlijk en moordzuchtig. Ook bleek de kust gevaarlijk te bezeilen. De regeering verbood ten slotte den handel. En dat hij hervat werd, kwam door denzelfden dwang, die, onder geheel veranderde omstandigheden, anderhalve eeuw later de formeele annexatie te weeg zoude brengen, alle aarzelende voorzichtigheid, en zuinigheid óok, ten spijt: door den dreigenden binnenval van den vreemdeling. De Compagnie, die zich wilde verweren “met de wapenen die God ons gegeven heeft,” als bij een andere gelegenheid een van haar doortastende pioniers verlof vroeg te doen, kreeg ongelijk van de hooge regeering bij het gevankelijk opbrengen van den Engelschen ontdekkingsreiziger William Dampier naar Ambon. Zóo hardhandig ging het niet. De tijd van betoogen en onderhandelen begon, contracten werden vertoond, met Moluksche vorsten gesloten, met sultans van Batjan, Tidore, Ternate. Het was niet anders dan een schijngezag dat zij op Nieuw-Guinea uitoefenden, en hun eenige functie: het innen van schatting en het rooven van slaven. Maar een ander gezag was er zelfs ook niet in schijn, en ook de Engelschen wisten gedurende het interim niet beter te doen om eenigermate rust te krijgen in het land, dan de potentaten van Tidore en Ternate, met elkander erfelijk in een krijg, die ook in Nieuw-Guinea werd uitgevochten, te bewegen tot vredesluiting. Toen daarop Nieuw-Guinea mèt den Oost-Indischen archipel terug kwam aan Nederland, erkenden opeenvolgende regeeringen, soms zwijgend, soms uitdrukkelijk, het recht van den Sultan van Tidore, dat eindelijk zelfs uitgebreid werd, over gebied, trouwens, waar het Nederlandsche gezag zich nog nooit had doen gelden. Het leek veiliger de verantwoordelijkheid voor wat daar gebeurde over te laten aan anderen, nu men de middelen eenmaal niet bezat om het zelf te beletten: zeeroof, slavenhalen, moord en doodslag.
Dat alles was het gevolg van Moluksche regeersystemen, maar Westersche handelsontwikkelingen hadden het ergste nog verergerd met den invoer—ter sluiks—van jenever, opium en vuurwapenen; dit laatste om de Paradijsvogeljacht.
Op zichzelf was deze geen nieuwigheid uit het Westen. Het is bekend, onder anderen uit Wallace’s boek, hoe op het laatst van de zestiende eeuw al Portugeezen, Hollanders en Engelschen dien handel gaande vonden in de Molukken. “Godenvogels” noemden de Maleiers om hun schoonheid de schitterende diertjes, wat de Portugeezen, met een verchristelijking van het denkbeeld vertaalden als “Paradijsvogels.” Jan Huygen van Linschoten zag er, op die reis waarvan hij zijn beroemd verhaal zou doen. Als het anno 1598 aan een schrijver paste, gaf hij den “Godenvogel” een latijnschen naam en verhaalde van de “Avis paradisea.” En het Hollandsche “paradijsvogel” ontstond, dat andere volkeren ieder in de eigen taal overnamen en waaraan de fantastische dierkunde van den tijd de voorstelling vastmaakte van een vogel zonder pooten, die nergens nestelde noch neerstreek, maar op uitgebreide pluimen dreef in den zonneschijn. Er waren immers ook nooit anders dan verminkte huidjes naar Europa gekomen. Trouwens, in de Molukken zelven werd niet anders gezien: de vogels waren handels-artikel, enkel om de pluimen. Dat de Papoea’s ze als schatting opbrachten aan den radja van Ternate ziet men onder anderen ook uit het Noefoorsche sprookje, tegenwoordig nog verteld, van hoe de Paradijsvogels in een prauw naar Ternate voeren, om schatting te brengen aan den Sultan. De handel in de huiden was dus een oorspronkelijk-inlandsche. Maar hij veranderde toch van karakter, hij werd wereldhandel, door de navraag uit het Westen in den nieuwen tijd. Wallace zag het begin van die verandering, en voorspelde erge gevolgen voor de vogels. De allerergste kwamen voor de menschen. Concurrentie onder moord en doodslag, vuurwapenen onder de wilden, de jenever als ruilmiddel. Van de Merauke rivier in het Zuid-Westen af tot aan de Hollandiabaai in het Noord-Oosten werd de kust van Nieuw-Guinea een hel. Beccari en Mikloecho Maclay schreven op en lieten het aan de wereld lezen wat zij met eigen oogen gezien hadden. Er ging een schreeuw op over de “koloniale mogendheid” die zulke dingen duldde. Gevaar begon te dreigen van allen kant. Australische avonturiers, die op de Zuid-Westkust kwamen om wilde muskaatnoten—de prijs was een voorlaad-geweer van ƒ 10 voor een mand met ƒ 100 waarde aan noten—trachtten van Papoea-hoofden het land te koopen dat de koloniale regeering, voor complicaties beducht, hen geweigerd had. De Berlijnsche conferentie van 84, ter regeling van internationale koloniale belangen bijeengeroepen, gaf een definitie van koloniaal bezit die de Nederlandsche autoriteit over het gebied der Molukkenvorsten in Nieuw-Guinea tot een hachelijke quaestie maakte. Engeland beklaagde zich over invallen van Papoesche rooverbenden, Nederlandsche onderdanen in naam, in Britsch Nieuw-Guinea. Toen was het geen wil meer maar een moet. De schaduwen der Molukkenvorsten gleden weg van het land en ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur stapten aan wal. Als laatste herinnering misschien aan vroegere toestanden werd Zuid-West Nieuw-Guinea een afdeeling van het gewest Ambon, Noord Nieuw-Guinea een afdeeling van Ternate. De regeering zat in de Papoesche prauw: zij roeide met de riemen die er in lagen—schepriemen, voor Westerlingen-handen de deugdelijkste niet. De Paradijsvogel-handel was er een van. Er werd geprobeerd uit het onvermengde kwaad een vermengd goed te maken. Het licentiestelsel moest aan het land het allernoodigste geld verschaffen om een begin van organisatie en beschaving te brengen. Om het allerergste gespuis te weren werd de bepaling gemaakt, dat niemand tot de aanvrage van een jacht-acte zou toegelaten worden dan wie op de kust als handelaar met een winkel gevestigd was.
Een poging werd nog gedaan ten gunste van een Nederlandsche maatschappij, om de jacht tot monopolie te maken. De voorstanders voerden als reden aan, dat exploitatie door een Nederlandsch handelshuis het best zou beantwoorden aan de bedoeling der wet, namelijk van den handel een middel tot beschaving van den Papoea te maken. De tegenstanders wezen op het gevaarlijke van het monopolie-stelsel en de behoefte van Nieuw-Guinea aan de ontwikkeling, die concurrentie mede kan brengen. Een buitenlandsche firma verzette zich heftig tegen bevoorrechting van het Nederlandsche kapitaal. De zaak werd in de Tweede Kamer besproken en het voorstel verworpen. Allen, die wilden, begonnen den wedstrijd. De overweldigende meerderheid waren Chineezen, bouwers van winkels en winkeltjes in soorten, van de keurige toko’s in Manokwarie af, als een Europeanen-huis gebouwd en vol Europeeschen import, tot de gaba-gaba-doos met gegolfd zinken deksel toe, waarin op Pom of Wakdé de speculant in vogelhuiden neergehurkt zit, tusschen een zak rijst en een baal rood katoen. En zoo ontstond en staat—voor zoolang de Parijsche mode het zal beschikken—die Chineesche winkelwijk, die met de zee voor straat van 131° tot 141° Oosterlengte langs den evenaar loopt.
De hoop is, dat daarlangs de beschaving binnen zal komen in Nieuw-Guinea.
Het eerste station op de reis naar Zuidwest Nieuw-Guinea is Kokas, een klein plaatsje aan de Zuidkust van de Maccluer Baai, spiksplinternieuw blinkend met twee groepen houten, met zink gedakte huisjes ter weerszij van een heuvel, die op de kruin het huis van den bestuursambtenaar draagt. Zuidwaarts kaap Fatagar om, en het Oosten in, gaat dan de vaart naar Fakfak.
De vestiging ligt prachtig tegen de steilte aan van een rotsachtige baai, die door een eilandje van de zee is afgedamd. Het gesteente van de rots is lichtgrijs, wit bijna. Struikgewas en allerlei slingerplanten hangen er met hun rijk groen langs, het klaarblauwe water kaatst groen en wit licht overblauwd terug. Op een smal strookje fel-wit zand staat een buurt Chineesche winkels. De Papoea-hutjes zijn tegen de hoogte aangebouwd. Er loopt een steil pad langs, dat, boven, over de kruin van de rots weer naar beneden duikt. Daar ligt het eigenlijke dorp langs een ondiepen inham van de zee—hutjes op palen, die bij ebbe boven zwarte modder staan. Doode stammen, naakt en bleek, met allerlei wrak en nameloos aanspoelsel tusschen de starre takken, steken uit de zwartigheid op, waarin kinders rondwaden op den zoek naar krabben en schelpgedierte. De mannen en vrouwen van het dorp dragen een dunnen schijn van kleeding. Fakfak is, in den korten tijd, sedert de vestiging van het Nederlandsch gezag verstreken, een centrum geworden van inlandschen handel: paradijsvogelhuiden komen hierheen uit het oostelijke binnenland, massooi,—de sterk-geurende schors waaruit in Europa de basis gewonnen wordt voor allerlei reukwerk—damar uit de bosschen, en schelpen uit de strandzee langs Kaimana. Er wonen veel Moluksche handelaars rondom, die een missigit hebben op het eilandje voor de baai, Serang. Vandaar die schijn van kleedij.
Fakfak ligt tegen de steilte aan van een rotsachtige baai.
De binnenlanders, die met hun vogelhuiden en massooi naar Fakfak komen, loopen naakt, ten hoogste enkelen met een lap katoen, van voren afhangende van het vezelsnoer rond hun middel. Den dag voor onze aankomst was er juist een bende van veertig binnengebracht: als gijzelaars voor stamgenooten, die op een raaktocht waren gegaan en een aantal koppen gesneld hadden. De omweg over onschuldigen heen is de kortste, de eenige dikwijls om een Papoeaschen schuldige te bereiken. Het volk zelf gaat dien weg bij voorkeur. “Als wij den boom willen vellen, die naast ons huis staat, dan hakken wij er een om, een eindweegs verder in de rij. De vallende velt den naaste, tot de laatste dengene velt dien wij eigenlijk meenen.” Nooit velt een Papoea den “eigenlijk gemeenden” man, die sterker is dan hijzelf. Neen! Hij kiest een derde, die te eenenmale vreemd is aan de vijandschap en haar oorzaak, doch sterk genoeg om die vijandschap uit te vechten, ware het zijn eigen zaak. Door de opzettelijke beleediging wordt de zaak nu tot de zijne gemaakt, en meteen hem uitgelegd, met wien hij ze uit moet vechten. Hij gaat heen en raakt den “eigenlijk gemeende.” Zoo komt de zaak in orde. Het gebeurt wel dat de over-te-brengen beleediging hem zelven zóó treft, dat hij ze niet meer overbrengen kàn. Een man, die een moord te wreken heeft en den moordenaar niet aandurft, zal den derde dooden, en zijn stam van de bedoeling in kennis stellen. Dan gaat de sterkste van den stam er op uit, in de plaats van den verslagene, en doodt den oorspronkelijken moordenaar. De moord op den tusschenpersoon wordt niet als misdaad gerekend, noch als eenige reden van haat of vijandschap. Geheel met den Papoeaschen gedachtengang strookte dus die gevangenneming van veertig man, die aan den sneltocht niet medegedaan hadden. Nu zouden hun bloedverwanten natuurlijk zorgen de koppensnellers te vinden, en hen ter berechting te brengen naar Fakfak.
De binnenlanders loopen naakt; enkelen hebben een lap katoen van voren afhangen van het snoer rondom hun middel.
De laatste flarden van wildemans-romantiek, waarmede westersche onwetendheid den koppensneller omhangt, vallen van hem af, wanneer men hem in zijn eigen land ziet, en de wijze verneemt waarop hij te werk gaat. Er is geen zweem van wilden moed in, het is door-en-door arglistig, wreed en jammerlijk laf. Op de Noordkust is het vijandschap, die tot dien sluipmoord aanzet; hier op de Westkust zijn het met den godsdienst verband houdende voorstellingen. Aan een nieuwgeboren kind kan niet een willekeurige naam gegeven worden; het moet de naam zijn, door eenig mensch op dat oogenblik levende gedragen, en die naam kan hem niet anders afgenomen dan met zijn leven tegelijk. In den donker besluipt de bende snellers het dorp, waar zij den meesten buit en den minsten tegenweer denken te vinden, en verschuilen zich langs de wegen die naar het veld gaan of in het woud. Die met het aanlichten van den dag daarlangs komen, worden, van de hinderlaag uit, met pijlen en speren doorschoten, in den rug. Man, vrouw of kind, dat is eender. De moordenaar vergt den gewonde zijn naam af, terwijl hij hem den hals van de schouders zaagt met een bamboelatje, dat, zoo dikwijls het afstompt, wordt gescherpt op den rand van een schelp. Het duurt lang. Een plotselinge ruk trekt, ten laatste, de wervelstreng doormidden. Het geheele binnenland is nog het rijk van den koppensneller. Geen ander afdoend middel is te vinden tegen den gruwel dan ijzeren dwang, dwang met de wapenen. Het verstand is er nog niet, waarop een beroep gedaan zou kunnen worden, het gevoel is er nog niet, dat gaande gemaakt zou moeten worden, om den eigen wil te bewegen tot het betere. Het slechte moet eerst onmogelijk gemaakt worden. Hoe? met een paar dozijn gewapende politie-manschappen voor een land zoo groot als half-Borneo!
Voor wie gevangen werden was de straf vroeger dwangarbeid in ballingschap. Het bleek, in de praktijk, de doodstraf. De Papoea verdroeg, met zijn lichaam, de rijstvoeding van Celebes of Sumatra niet, met zijn gemoed niet het heimwee; hij stierf al na korten tijd. Nu is van de straf de ballingschap afgenomen: koppensnellers doen hun dwangarbeid, werkende aan de wegen, die door hun eigen land worden aangelegd: te Fakfak, te Merauke, te Manokwarie. En nu gebeurt het gelukkige. De onmogelijkheid, waarin ze zijn gekomen om den ouden moorddrang te volgen, het geregelde leven, de zekerheid van elken dag genoeg te zullen eten en drinken, elken nacht tegen dauw en kilte dek genoeg te zullen hebben, de veiligheid, ongekend tot nog toe door hen die nooit konden weten waar hun plotselinge vijand vandaan zou komen, noch zelfs wie hij was, de vaste arbeid eindelijk, te zamen met vele gelijken, doen het menschelijke ontkiemen in wat eerst maar een wezen van het woud en de wildernis was. Als de eerste schrik en wantrouwige haat geweken zijn, begint hij te beseffen dat het toch beter zóó is, toch beter, zelfs onder dwang, met goedwilligen samen te wezen, zelf goedwillig, dan, in volle vrijheid, een vijand onder vijanden. Langzaam aan wordt ook de dwang minder hard te verdragen. Hij gaat wennen aan den arbeid. Als zijn tijd om is, hebben zich behoeften en gewoonten in hem gevormd, waaruit een nieuwe levenswijze kan ontstaan; hij is voor het betere vatbaar geworden. Het besef van die verandering drukt hij, op zijne wijze, uit, als hij verlof vraagt om het bruine dwang-arbeiders-pak te mogen behouden, dat hij, zóó gekleed, gekenteekend voor “goed-vriend van de Kompenie” in zijn bergdorp moge terugkeeren. Het verzoek wordt vaak gedaan.
In de oorlogsdracht die niet meer gedragen mag, Papoeas van Adaoet.
Het is een al oude manier van de Papoea’s in het binnenland, “beschaving” te gaan halen bij de stammen langs de kust, tot wie zij opzien als tot hun meerderen en beteren. Die menschen, die immers geleerd hadden van vreemdelingen uit rijkere landen, van Chineezen, Arabieren, Cerammers, Boegis, wisten en hadden van allerlei, waarvan de binnenlanders nog nooit vernomen hadden. Zij aten beter voedsel, zij gebruikten beter werktuigen, hun leven was gemakkelijker. Graag kwamen zij daarom naar de kust met hun troepen buitgemaakte slaven, hun massooi, hun paradijsvogelhuiden en hun damar. En zij trachtten zooveel mogelijk van hun eigen vrouwen te doen trouwen met mannen op de kust, en zooveel mogelijk vrouwen van de kust mee te krijgen naar hun eigen dorpen, om door verwantschap zoowel als door handelsverkeer de verbintenis nauwer te maken van hun wildernissen met de kust. De nieuwe manier, waarbij ouders in het binnenland bewogen worden, hun dochters voor een paar jaar naar Fakfak te laten gaan, als huisgenoot van een “goeroe”—een inlandschen schoolonderwijzer, Ambonees of man uit de Minahassa meest—, of anders als pleegkind in het gezin van een met het gouvernement bevriend hoofd, komt hun daarom niet als iets vreemds voor, niet als een Westersche nieuwigheid, die men wantrouwen moet. De meisjes komen gaarne en blijven gaarne, en nemen, als ze teruggaan, onder andere de gewoonte van zich te wasschen mee.
Zij van hùn kant, de ontslagen dwangarbeiders van den hùnnen, brengen zoo nieuwe mogelijkheden het binnenland in. Zij willen wel, de Papoea’s: alléén: zij moeten eerst geholpen worden om te willen.
Dat voor zulk helpen toch zooveel geld noodig is!
En dat de helpers zoo weinig maar hebben!
Mannen kwamen aan boord, naakt van hoofd tot voeten, met gezichten zwart en fel-rood geverfd, door hun neusvleugels scherpe lange slagtanden gestoken, en aan den arm bossen stinkende stukken huid van een wild zwijn. Zij liepen met een lichten, sterken gang, hun voeten veerden als zij den grond aanraakten. Een trotsch jong dier loopt zoo, lichtweg den boschgrond slaande met zijn hoeven. Zij waren als dieren schoon, het was de blik van een dier die uit de zwarte oogen kwam, half-wild, half-schuw. Zij droegen wapens: een hoogen boog, pijlen, een speer; zij hadden sieraden aan: een ring uit de wrong van een schelp geslepen om den pols, snoeren van schelpen en hondetanden om den hals; en van hun haar, dat, met roode klei doorkneed, als een breede krans hun om het voorhoofd stond, waren achter aan den schedel lange vlechten gestrengeld, bont van ingevoegde stengels en bladerreepen. Zelfs de wapens en het sieraad namen dat dierlijke niet weg; aan hen leek het een natuurlijk-gegroeid verweer als klauwen, scheurende tanden, horens, een natuurlijk gegroeid siersel als manen en prachtige kleuren van vacht. Die menschelijke dieren waren Kaja Kaja’s, Papoea’s, inheemsch in de van giftige moerassen walmende streek die wel “Duivelsland” is genoemd: “the Devil’s own country.” Hun eigenlijke naam is Marinda. Maar den eersten keer, dat zij, niet als vijanden op een stoomboot afgeroeid kwamen, schreeuwden zij uit de verte dat woord Kaya Kaya, dat “goede vrienden” beduidt: het is hun sedert onder Westerlingen voor naam gebleven.
Zij; en de Toegeri, de “messendragers,” om wier invallen op Engelsch gebied te keeren Merauke gebouwd werd twaalf jaar geleden; de moordzuchtige woestelingen langs de Digoel; noordelijk de kust op, zij die langs de Golf van Maccluer wonen, menschenjagers van oudsher, en nog zoo lang geleden niet menscheneters, kinder-roovers, slavenhaalders, koppensnellers; als dieren woest en als dieren vervolgers en vervolgden tegelijk, hebben zij sedert eeuwen in dit verschrikkelijke land geleefd.
De sterke stammen op de bergen joegen de zwakkeren: de zwakkeren vluchtten, telkens opgejaagd, telkens weer verder. Zij kwamen aan de kust, tusschen de moerassen. Daar besprongen de vreemdelingen hen, de Ceramsche en Boegineesche zeeroovers. Zij kropen weg in de bosschen, langs de monding van de groote rivieren, zij kregen de vergiftige moeraskoortsen, zij hongerden bij het bittere armzalige voedsel, hun bloed verarmde, hun huid werd ziek, hun gedachte was niet anders meer dan hoe zich te verbergen, hoe zich te verweren, zij werden bang en boosaardig. Nog vinden de exploratie-detachementen die de groote rivieren opgaan, in hun nestelplaatsen troepen van zulke wezens zitten, die bouwen in het geboomte. Anderen waren gelukkiger, zij sloegen de vijanden af, of werden bondgenooten met hen. Zij hielpen hen slavenhalen, zij gingen het bosch in en schoten Paradijsvogels, die zij den vreemdelingen verkochten. Er kwamen er vele, al meer van al verder gelegen landen, na de Cerammers en de Boegies en de mannen van Ternate en Tidore, kwamen Chineezen en Arabieren. En toen kwamen er van landen nòg verder af, toen kwamen de blanken. Ook zij wilden slaven in de allereerste plaats, ook zij Paradijsvogels, reukhout, hars, schelpen, parels. Maar zij brachten iets wat nog nooit door iemand vroeger gebracht was in ruil; jenever en vuurwapenen. Toen werd het nog veel erger onder de Papoea’s dan het al was. Het allerergste werd nog erger. Die eerste blanken voor wier nagelbosschen op Banda de slaven gehaald werden inplaats van het volk dat zij uitgemoord hadden op het eiland, hadden hen om hun gezicht en gedaante monsters genoemd, morsige varkens, een beestachtige natie; nu werden zij het naar het gemoed. De Kaja-Kaja’s zijn hun afstammelingen, geworden wat zij worden moesten.
Er ligt een Kaja-Kaja gehucht in de buurt van Merauke, een klein uur gaans verder langs het strand. De weg er heen gaat door een klapper-aanplanting, waarvan de “copra-ruilers,” hier op de Zuidkust wat op de Noordkust de “jagers” zijn, den oogst komen ophalen. Een regelmatig rooster van rechte slooten over het geheele terrein heen getrokken, zóó dat de stortvloeden van den natten moesson een snelle afwatering vinden naar de zee, ligt daar als een bewijs van wat het volk van het gehucht met zijn weinig ontwikkeld verstand bedenken en met zijn gebrekkige werktuigen—als een aangepunte stok, in steê van een spade gebruikt, een werktuig heeten mag—uitvoeren kan.
Het gehucht ligt open en bloot tusschen den boschrand en het strand van de zee, zonder eenige afsluiting, haag, hek noch heining. Het is niet anders dan een paar dozijn hutten, zoo armzalig, scheef geduwd door den zeewind, verzakt in het zand, vervallend, aan flarden, dat het een hoop bladers en takken lijkt door den storm bijeengewerveld uit het knakkende bosch, eer dan menschelijk bouwsel. Er is een zekere orde in te zien, toch. Een staketsel scheidt het in tweeën. De helft naar het strand toe is het vrouwen-verblijf; de helft naar het bosch toe het kamp van de mannen.
In het midden daarvan staat het feesthuis, een vierkant van palen met een dak er op. De palen zijn hier en daar versierd met grof rood en zwart schilderwerk, het dak met een afhangende franje van verdord klapperblad. Het eigenlijke sieraad echter ontbreekt: menschenhoofden. De rijen schedels die hier vroeger hingen, liggen nu te Merauke en de vervanging door versche is, sedert een paar jaar, ondoenlijk gebleken. De mannen van het dorp houden hier den gezamenlijken maaltijd als zij met een buit van kangaroe of wild zwijn zijn teruggekomen uit het woud; hier ook hun drinkgelagen. Niet van jenever: de invoer van alcohol is, als die van geweren en kruit, verboden, en hier in de nabijheid van Merauke waarschijnlijk ook zoo goed als onmogelijk. Maar op vele plaatsen, in den Maleischen archipel zoowel als op Nieuw-Guinea, groeien in het wild planten wier sap bedwelmt. Hier is het de “wati,” een kruidachtig struikje waar alle bosschen vol van zijn; het groeit tot aan de hutten van het gehucht toe. Uit de bitter-geurige bladeren en stengels komt een sap dat eerst vroolijk, dan half-dol, dan bewusteloos maakt. Het wordt er uit geperst door kauwen, wat, met het opvangen van het sap, het werk van de vrouwen is. Den avond voor onze komst was er, waarschijnlijk, een feest in de loods geweest. Wij vonden er een man op den grond liggen, bewusteloos-dronken. Anders was er niemand. De overigen waren naar de boot—“een schip-vol rijst is aangekomen!”, was in de vroegte al geroepen; of naar het hospitaal van de missionarissen van het Heilig Hart, met de een of andere wond, bij ontnuchtering gewaar geworden; of mogelijk naar de tuinen, waarin de broeders trachten hen ketellah obi en allerlei groenten te doen verbouwen; of—meer waarschijnlijk—op de jacht. In het vrouwendorp was eenige beweging. De meesten ook van hen waren weg, zij werkten in de tuinen of zij vischten op de zee. Maar er waren er toch een paar achtergebleven met eenige jongens en meisjes van een jaar of tien, en één kleintje, van misschien drie—het eenige kind in het geheele gehucht, als wij van onzen gids hoorden. Het vrouwendorp zag er nog ellendiger uit—als het kan—dan het mannendorp. Een lange loods met één wand, die naar de zee was gekeerd, en een rij ten ruwste van de takken ontdane stammen, met de schors er nog aan, als pijlers om aan den anderen kant het schuins afhangende bladerdak te stutten, was de gezamenlijke woning van een aantal vrouwen-en-kindergezinnen. Op de breede bank, bed en tafel tegelijk, langs de geheele lengte van de loods loopend, waren de plaatsen afgedeeld door hoopjes van elks bezittingen—een mat, bamboe-schalmen om water in te dragen, een van bladreepen gevlochten zak, een vezelen net, een paar klappernoten. De etens-voorraad van het dorp hing aan de palen—klompen steenhard sagomeel in bladers gepakt, rissen gedroogde visch, een stuk vleesch, dat in den rook zwart was geworden. In een hoek lag een zieke—verlamd, als we hoorden, sedert jaren. Her en der liepen, knorrend, zwarte varkens, die wroetten in allerlei afval van klapperschalen, vischgraten en leege schelpen. Aan den ingang van een afzonderlijk krot zat een vrouw met een biggetje op den schoot, dat zij koesterde of het een kind was. De vrouwen waren, als de mannen, geheel naakt. Als sieraad hadden ook zij een tatouage van litteekens. Die worden, als de huwbare leeftijd intreedt, met scherpe schelpen aangebracht, en verduidelijkt door inwrijving van de wonden met asch, wat het spoedige sluiten belet en breede litteekens doet ontstaan. Zooals die versiering met litteekens het onderscheid was tusschen kind en meisje, zoo was een ellendig-vervallen voorkomen het onderscheid tusschen meisje en vrouw. Waren zij jong, waren zij oud, die getrouwde vrouwen, moeder een enkele, de anderen alle kinderloos? Het was niet te zeggen. Allen waren zij mager, holoogd, suf, vuil. Allen ook hadden zij litteekens, àndere nog en wreedere dan die voor sieraad ingekorvene. Van vrouwelijke gedaante was niets meer over dan wat sterker was gebleken dan afbeuling, mishandelingen en afzichtelijke ziekten. Aan verscheidene onder hen was in het hospitaal van de missie het haast verloren leven teruggegeven. Waartoe eigenlijk? Voor de vermeerdering van welk nut, welke vreugde, welke liefelijkheid ter wereld? Als ooit omtrent barmhartige hulp zulk een vraag gedaan mocht, dan mocht het hier. En als ooit, ook door wie een afkeer heeft van dwang, naar dwang verlangd mag worden, om den wille van het eigen best van den gedwongene, dan mag dat hier in Merauke.
Tusschen de woestelingen van de Hollandia Baai en het zieke volk van Merauke staan de Geelvinkbaaiers als een ander slag menschen. Bij de oppervlakkigste beschouwing valt het op. Of zij minder geleden hebben van slavenjagers in een oud, of van handelaars in vogelhuiden en copra-ruilers in een jonger verleden; of zij oorspronkelijk van beter ras zijn of met beter zich hebben vermengd; of zij meer voordeel hebben gehad van Westerschen invloed—welke de oorzaken ook mogen wezen, de toestand is zóó, dat zij in alle opzichten het beste er aan toe zijn van al de kustbewonende Papoea’s in het Nederlandsch gebied. Sommige onderzoekers houden het er voor, dat zij vroeger op een veel hoogeren trap van beschaving gestaan hebben. Materieele overblijfselen van die beschaving zijn wel is waar tot nog toe niet gevonden: maar zij gelooven er geestelijke te kunnen aantoonen in hun taal en hun godsdienst.1 De taal, het Noefoorsch, dat van de Oostkust van Halmaheira tot het eiland Japen in de Geelvink-Baai wordt gesproken, kent woordvorming door een soort reduplicatie; de godsdienst heeft nog een verdwijnend spoor van monotheïsme; een gebed tot een oppersten God wordt nog hier en daar uitgesproken.—Overigens zijn de Geelvinkbaaiers zoo goed als Marindineezen en “Naakte Papoea’s” echte wilden, die van letter- en cijferschrift noch munt weten, geen eigenlijke werktuigen kennen en maar bitter weinig van landbouw, en leven van jacht en visscherij; terwijl zij, even goed als die anderen, koppensnellers zijn. Het onderscheid zit meer in een toch zachtere zede, een frisscher lichaamsgesteldheid en een vroolijker karakter.
Het voorvaderlijke bedrijf, waar ook de Noefoor nog met hart en ziel aan is gehecht, is de jacht; zijn visscherij is eigenlijk óók jacht. Zooals hij met een speer naar een kangoeroe of naar een wild zwijn werpt, zoo werpt hij ook met een speer naar schildpadden of naar visschen. Geen van allen zijn het gevaarlijke dieren, waarop hij jaagt; er zijn er geen in Nieuw-Guinea met uitzondering alleen van het wilde zwijn, dat hij ook dikwijls probeert te dooden met een springlans: een scherp gepunte stok, door een strik zóó gebogen, dat als het dier in den strik geraakt, de lans, uitschietend, hem in het lichaam treft. Het komt misschien door die afwezigheid van gevaar en van de noodzaak bijgevolg, om vastberadenheid en moed te ontwikkelen, dat de Papoea nogal laf is. Zijn vechten gaat meest met den mond. En de koppensneller valt van achteren aan.
Aan landbouw is hij moeilijk te krijgen, niettegenstaande alle pogingen van de zending op Zuid- en Noordkust en van het binnenlandsch bestuur. Hij doet, als het niet anders kan, het allergrofste werk in de tuinen: het kappen van een boom, het uithalen van wortels of steenbrokken; voor het overige laat hij zijn vrouw zorgen als, nog niet zoo lang geleden, zijn slaaf.
Tot voor korten tijd hield de geheele kust slaven. Dikwijls waren dat gevangenen uit de oorlogjes, die ieder dorp altijd door tegen zijn buur-dorpen voerde; dikwijls ook waren zij als kinderen van hun bloedverwanten voor slaaf gekocht; met weezen was zulk een verkoop en aankoop iets algemeens. Bij den dood van den vader ontlastte de familie zich op die wijze van de kinderen, voor wie zij anders had moeten zorgen.
Op de hoofdplaats zelf van het district, den zetel van het bestuur, is zoo iets pas gebeurd, wat eerst na lang onderzoek aan het licht kwam. Een Papoea was ’s nachts op koeskoes2 gaan jagen. In het donker zijn speer werpend naar de plek waar hij iets hoorde ritselen, trof hij doodelijk een kind. De familie was een machtige, die een jaar of wat geleden zeker leven voor leven genomen zou hebben. Zij voegde zich nu naar de nieuwe wet en verklaarde genoegen te willen nemen met een geldboete. Er werd niets meer van de zaak gehoord en zij scheen geschikt, toen het uitkwam, dat de boete die inderdaad was betaald, niet geld was, maar een kind, dat aan de familie van het vermoorde was gegeven voor slaaf. Het bleek uit een bergdorp gehaald en het kind van een weduwe. Om den last van de opvoeding niet te dragen (men hoort hier véél van dien last, maar ziet er niets en begrijpt er nog minder van), hadden de bloedverwanten van den overleden vader het jongetje toen maar voor slaaf verkocht, terwijl zij de moeder opnieuw uithuwelijkten. Het bevel om het kind terug te geven aan de moeder en in zijn plaats geld aan te nemen, verwekte een hevige ontevredenheid en bedreiging met opstand. Ten slotte echter schikte de beleedigde familie zich, en het kind kwam bij de moeder terug.
Overigens, de slavernij was van oudsher al geen harde hier. De slaven werden als leden van het gezin beschouwd, in den dagelijkschen omgang. Daarvandaan dat de taak van hun bevrijding een zoo te eenenmale ondankbare was. In de Noefoorsche sprookjes, door Van Hasselt verzameld en vertaald, heeft men een aardig spiegelbeeld van het leven, dat heeren en slaven te zamen leidden. Altijd, als een kleine jongen gaat visschen in zijn prauw, is zijn slaafje bij hem, als zijn vrindje en kameraad. Ernstige vragen bespreekt een meester met zijn ouden slaaf en neemt zijn raad wel aan ook. Een vrouw zit bekommerd over het lange wegblijven van haar man, die op een verre reis is; haar slavin komt binnenloopen. “Wees niet langer bedroefd, hij is terug, onze heer! Ik heb zijn prauw gezien in de verte!” Aan alle feesten van het gezin hebben de slaven deel. En met zijn meester gaat de slaaf op jacht, als een paar vroolijke makkers.
Het is aan het dorp van den Noefoor goed te zien, dat hij een jager is, een zwerver, een eenzelvig mensch die geen nòg zoo geringen dwang of regel kan velen: er is geen muur of greppel of haag of wat voor soort omheining dan ook om zulk een gehucht. De hutten staan her en der, zoo en wáar als de bouwer heeft goed gevonden ze te zetten. Niet anders is het met zijn bestuur. Eigenlijk is er geen, behalve daar waar invloeden van buiten af hebben ingewerkt. Alléen aan zijn familiehoofd bewijst hij een zekere mate van eerbied en volgzaamheid. Hij houdt zich ook bij dat hoofd wanneer hij in het dorp van een ander geslacht gaat wonen. De familie-organisatie, de oudste, is de alleén sterke, die door latere, zwakkere, (uitheemsch van oorsprong), heenbreekt. Het volk is nog niet gekomen tot een meer omvattend verband; het heeft de soort arbeid die daartoe opvoedt, nog niet verricht. Aan zijn familie-hoofd brengt de Noefoor ook nu en dan schatting: niet dikwijls en niet veel; maar toch: schatting. Aan het “vreemde” dorpshoofd niet. Toen de nieuw-ingevoerde belastingen geïnd zouden worden door de dorpshoofden, die het bestuur bij de organisatie van Noord-Nieuw-Guinea had aangesteld, bleek dàt de moeielijkheid. “Wij willen ons zweet niet aan vreemden geven!” Wie ooit een Papoea in zijn doen en laten,—in zijn láten vooral,—heeft waargenomen, zal dat Papoeasche “ons zweet” verhollandschen met “het zweet van onze vrouwen.” Maar de bedoeling is duidelijk genoeg: zij willen dat het zweet in de familie blijft.
De familie zoo hoog waardeerend, is de Papoea natuurlijk ook zeer trotsch op geboorte en bloedverwantschap. Zijn hoogste roem is te behooren tot een geslacht van vrijen, die van ouder tot ouder vrijen geweest zijn en met slaven noch hun afstammelingen zich vermengd hebben. Fier zal een “edelman” zeggen: “Ik heb geen droppel lood in mijn bloed, het is alles puur zilver en goud!” Een familiehoofd wordt enkel uit zulk een geslacht gekozen. Een oudste zoon—daaraan verandert de meest vriendschappelijke verhouding niets—mag nooit met een slavin trouwen.
In dorpsvergaderingen zal een man, die “lood in zijn bloed heeft,” bescheiden moeten zijn. Bij een op den voorgrond plaatsen van zijn opinie krijgt hij allicht te hooren, dat meepraten aan een afstammeling van slaven niet betaamt. Eén uitzondering alleen is op dien regel: wanneer een kinderloos paar een slavenkind aanneemt voor eigen. Dat gebeurt met een curieuze ceremonie, die zweemt naar het ritueel van den Christelijken doop: uit een schaal, waarin een of ander gouden voorwerp ligt, wordt “goudwater” over het slavenkind gesprenkeld, terwijl het een nieuwen naam krijgt. Zoo wordt de smet van zijn lage afkomst van hem afgewasschen en hij opgenomen in de nieuwe familie-gemeenschap. Niemand durft hem later slaafsche geboorte verwijten: hij is de erfgenaam van den “adel” zijner pleegouders.3
Er is, officieel, geen slavernij meer tegenwoordig; maar met de instelling kunnen niet tegelijk de gevoelens, die uit haar zijn opgegroeid, afgeschaft worden. De vrije Papoea, die de zoon van vrijen is, minacht den vrijen Papoea, die de zoon is van onvrijen. Dat is op een verbijsterende wijze aan den dag gekomen bij de invoering van het onderwijs. Op de scholen gingen de pleegkinderen van de zending, weesjes, geroofde kinderen, slaven-kinderen ook. En dat maakte, dat de hoofden de hunne er van weghielden in het begin. “Waar het kind van een slaaf onderwezen wordt, daar kunnen ònze kinderen niet onderwezen worden.”
Klassegevoel als een belemmering voor de beschaving onder wilden, dat is iets waar men, als Europeaan, niet vanzelf op verdacht zou zijn.
Bij het zwervende leven dat van oudsher de Papoea geleid heeft, komt de verzorging van het gezin geheel en al, de kostwinning bijna geheel en al neder op de thuis blijvende, op de vrouw. Zij is het die den last draagt waarover hij zoo kan klagen. Zij werkt in de tuinen, ze plant de groenten en de maïs, ze draagt op haar rug de zware vracht van den oogst naar huis; langs het strand en op de koraalriffen zoekt zij schelpdieren en krabben, ’s avonds kan men haar tegenkomen met een walmig bamboe-toortsje, bukkend langs den rand van het strandbosch om de slakken te zoeken waarmee als aas gehengeld wordt. Te Fakfak gaat zij met de prauw de zee in, en schiet met pijl en boog op de visch. De verkenningstroepen, die het binnenland achter de Humboldtsbaai in gingen, zagen in het Sentani-meer vrouwen naar visch duiken, als watervogels drijvend met de armen over een bamboe, dien ze loslieten als zij in de diepte een visch zagen. Is er damar te halen in de streek, fossiele, die opgegraven wordt uit den alouden woudgrond, of levende die van de stammen kan geschraapt, dan zijn het de vrouwen die hem gaan halen, in prauwen die zij zelven roeien. Natuurlijk zorgen zij voor het eten, en voor het vuur waarop het gekookt wordt, en voor de brandstof voor dat vuur. In Fakfak zorgen zij zelfs voor den bouw van het huis: dak-dekken is daar vrouwenwerk. Als vanzelf spreekt is ook de verzorging van de kinderen haar taak; zooals de Papoea het uitdrukt: “Zij zijn er om voor onze kinderen te zorgen.” En waar kleeren van boombast gedragen worden zijn zij het die den bast moeten weeken en dun kloppen. (Weven echter doen zij niet. Zij hebben den stap nog niet gedaan die van knoopen tot weven leidt: de uitvinding van het werktuig, om den arbeid te verrichten, voor de menschelijke hand te fijn. De geweven kleeren die de Papoea’s beginnen te dragen, zijn import, meest Europeesche, door de vogelhuiden-opkoopers het land ingebracht.)
Voor den Papoea is het dus zaak te trouwen, dat er behoorlijk voor hem gezorgd en gewerkt wordt wanneer hij er op uitgaat, de kangoeroe’s en de wilde varkens achterna, of de Paradijsvogels of de visschen. En omdat vrouwen schaarsch zijn—alle berichten stemmen overeen op dit punt van de groote minderheid in getallen van de vrouwen onder de Papoea’s—moet hij, of zijn familie, bij de pinken zijn om er bijtijds een te krijgen.
Allerwonderlijkst komen hier de verwarde dooreengroeisels te zien van ouder en nieuwer in het volksbestaan van den Papoea; overblijfsels uit den tijd dat hij nog in een stamverband geleefd moet hebben, en de jongelingen van den eenen stam hun vrouw gingen rooven uit den anderen, zitten dooreengestrengeld en verknoopt met manieren en berekeningen, zooals hij er geleerd kan hebben van de huidenhandelaars uit den ouden tijd, uitgeslapen Ternataansch en Ceramsch volk. De voorvaderlijke wijs van huwelijksluiting is de schaking; en zij geldt nòg. Maar de algemeen-gebruikelijke is een schikking tusschen twee families, die wèl beschouwd niet anders is dan een koop en verkoop van de wederzijdsche kinderen, waarbij de voorwaarden van betaling en levering allernauwkeurigst zijn bepaald. Daar vrouwen een artikel zijn, meer gevraagd dan aangeboden, zorgt de bruigoms-familie vroeg er bij te zijn. Kinderverlovingen komen véel voor. “We leggen de prauw maar vast voor anker, anders mocht ze eens wegdrijven,” zegt de voorzienige bruigoms-familie dan. Van het oogenblik af dat de twee gezinnen het éens zijn geworden, wat niet gebeurt dan na een schijnvertooning van onwil door de familie der “bruid,” beginnen zij over en weer met het bijeenbrengen van den bruidschat, die voor een gedeelte later aan het jonge paar komt om er hun huishouden mee op te zetten en voor de rest een wederzijdsch geschenk van de twee families aan elkander is. De giften gaan van de eene familie naar de andere gelijk op, en er wordt met de grootste zorg door elk der twee gewaakt dat niets meer gegeven worde dan terugontvangen. Het boekhouden gaat bij middel van stokjes, die in bundeltjes bijeen worden gebonden. Dìt beteekent: een visch gegeven; dàt: een bos pisang; dit andere weer: geholpen met sagokloppen, of meegeroeid in de boot; want ook diensten en handreikingen worden beschouwd als betaling, toegebracht aan den bruidschat. Vandaar groote moeilijkheden, als de zaak ten slotte toch niet doorgaat, omdat een der twee, volwassen, plotseling een eigen wil toont en een ander kiest, als in den laatsten tijd nog al eens, en zelfs hoe langer hoe meer, voorkomt. In dat geval moet de gecompliceerde rekening uiteengehaald met vergelijking van stokjes en bundeltjes, en een “schande-prijs” betaald worden—want ook de aangedane beleediging kan in materieele waarde worden omgezet—aan de teleurgestelde familie.
Dit is alles zoo zakelijk mogelijk. Maar door de handelsgewoonte heen komt plotseling de oude zede weer te voorschijn in het verbod aan verloofden, hoe jong ook, om elkander te ontmoeten; in het gebod aan den jongen, om zich voor alle leden van zijn meisjes familie te verschuilen, wáár hij er ook een tegenkomt; en in de wijze waarop het trouwen van het aan-elkander-gekochte paar wordt gevierd, met de dramatische vertooning van een roof en daarvoor genomen weerwraak. Als had de bruidegom hun bloedverwante geroofd, gaan de jonge mannen uit de familie van het meisje in een dreigende bende naar zijn huis—of wat op dien dag daarvoor geldt—en breken het uit weerwraak tot den grond toe af, door met stokken ernaar te gooien, dat geen spaander aan den anderen blijft. De bruigom verschijnt op den splinterhoop en biedt, als boete, aan ieder der beleedigden een geschenk, dat tegenwoordig bestaat uit een mes—een gewoon Hollandsch keukenmes met rood houten heft is het gewilde soort. Die uitgave moet de bruigomsfamilie zich getroosten, en zij loopt dikwijls hoog genoeg op. Het gebeurt wel, dat een paar honderd wrekers van maagdenroof een huis komen afbreken. Maar de kosten van wederopbouw heeft de familie althans niet. Het huis is ook maar een voorstelling, een theaterhuis, om het zoo uit te drukken, geheel waardeloos en van te voren voor de vernieling aangewezen. Het is dan, òf een geheel vervallen krot, òf een huis, verlaten omdat daarin iemand gestorven is (wanneer een huis verlaten móet worden); òf, ook wel, een nieuw, dat niet betrokken mocht om dat er, in den eersten nacht toen de bouwer er voor proef ging slapen, gekraak in is vernomen, wat de aanwezigheid kenbaar maakt van een boozen geest. Van zulke waardelooze huizen zijn er altijd genoeg in elk dorp. Zoo wordt de schade, die de wildeman zou willen aanrichten, vernuftiglijk door den koopman ondervangen. En ’t is eere gewaard en kosten gespaard bij het bruilofts-drama.
De affaire wordt voortgezet: het jonge paar betrekt met het toegewezene deel van den familiebruidschat een kamertje in het huis van de bruidegoms-ouders. Van nu af is alle voordeel aan den kant van deze laatsten. Zij hebben een zoo goed als niet betaalde werkkracht in huis gekregen. Zij wordt behoorlijk uitgebuit. Zelfs het moederschap wordt beschouwd als een dienst aan den man en zijn familie. De moeder-zelve heeft geen rechten op haar kinderen: enkel plichten tegenover hen als tegenover het eigendom van haar man en zijn familie, wier eigendom zij zelve is. “Wij trouwen om kinderen te hebben, en de vrouwen zijn er om voor onze kinderen te zorgen.” Zoo neemt de Papoea de verhouding op. Als het ongeluk wil dat tijdens afwezigheid van den vader een kind ziek wordt en sterft, dan zal hij dat zeker met een mishandeling wreken aan de schuldige moeder die zijn eigendom heeft verwaarloosd.
Dit belet hem niet het recht van den eigenaar uit te oefenen, om zich van een bezit, dat hem bezwaarlijk valt, te ontdoen. Wanneer hij vindt, dat het huisgezin te talrijk wordt, zoodat hij wel eens voor de noodzaak kon komen te staan “hard te moeten werken om allen te voeden,” en wanneer “de last van het kinderen grootbrengen” hem dan te zwaar lijkt voor zijn zwakke krachten, mag hij een kind ter dood brengen. In de Hollandiabaai moet dit véél voorkomen. En er wordt zelfs gezegd, dat uit angst voor den toorn van den man, rampzalige moeders zelven hun pas-geborenen vermoorden. Langs de Geelvinkbaai, waar de toestanden in alles gunstiger zijn en de zeden ook zachter, hoort men niet dan zelden van kindermoord.
Bij de nieuwe huwelijkswetgeving voor Christenen afgekondigd, worden de vrije keuze van jongen man en jong meisje tegenover familie-dwang, en de rechten van de moeder op haar kind gevrijwaard. Om dit laatste is zij door de mannen met grooten onwil vernomen. Maar al mokkende en dreigende schikken zij zich toch, zooals zij mokkend en dreigend zich geschikt hebben in het verbod van slaven halen en het verbod van koppensnellen. En misschien hebben de verstandigsten het al ingezien, dat ook deze nieuwe beperking van hun “rechten” ten slotte een bevordering van hun welzijn is.
In den strijd dien koopman en wildeman, voeren om het hart van den Papoea, is de koopman aan de winnende hand; hoezéér, dat komt te zien in de Papoeasche opvattingen omtrent recht en rechtvaardigheid. De wildeman laat zijn schorren schreeuw nog hooren: wond voor wond, bloed voor bloed, leven voor leven! Maar de koopman dringt al verder door met zijn nuchtere beschouwing, dat ten slotte toch niemand veel heeft aan bloed en dat eigen bate beter is dan vijands schâ, en een ronde boete wèl zoo veel goed maakt als een afgezaagd hoofd. Hij heeft het gedaan gekregen dat het denkbeeld: geleden onrecht om te zetten in voordeel, werd toegepast op een heele reeks vergrijpen, van de ernstigste tot de lichtste. Voor het verbreken van trouw, hetzij voor het huwelijk of er na: boete. Voor een wond in drift geslagen: boete. Voor een leeggeroofd veld: boete. Voor een onbeleefdheid: boete. Van “vergeten en vergeven” geen quaestie; er wordt niets doorgehaald in de rekeningcourant die iedereen met iedereen anders heeft, de vriend met den vriend zelfs, de broeder met den broeder, de man met de vrouw. Maar van “nadragen” ook geen quaestie: er wordt niets dubbel opgeschreven. Aan den eenen kant van het kasboek de beleediging; aan den anderen de boete; en volgens vast tarief—een tarief zonder veel vijven en zessen,—waarop niets wordt afgedongen en waarbij ook niets wordt overvraagd. Wie ruzie heeft gemaakt en weer vrede wil hebben, komt aandragen met zijn boete. Nu, dan krijgt hij ook vrede. Alles is in orde.
Tot deze eerste halte op den weg uit het oerwoud naar de stad nog in verten achter den horizont verborgen, de halte waar al zoovele volkeren, als nu in de steden wonen, hun legerplaats gehad hebben, is de Papoea uit eigen krachten gekomen. Maar daar staat hij nu en kan niet verder, omdat de wildeman hem met zijn rooddruipende vuisten vastgegrepen houdt, schreeuwend om “leven voor leven.” Voor doodslag neemt hij nog geen boete aan, wanneer hij niet gedwongen wordt.
Pas nu, hier aan de Geelvink-baai, dicht bij de hoofdplaats Manokwarie, zijn twee voorvallen gebeurd waaruit ook de buitenstaander, wiens waarneming niet anders dan oppervlakkig zijn kan, een begrip kan winnen omtrent de kracht die dat idee nog in den Papoea heeft. De gevallen zijn te merkwaardiger om de rol die het geestelijke er in speelt. Dit is het eerste. Een man van Andy wenscht te trouwen met een weduwe uit zijn dorp. Het familiehoofd geeft toestemming, onder voorwaarde dat de geest van den overleden echtgenoot verzoend wordt door een menschenoffer. Gewillig gaat de vrijer heen, ziet een vrouw aan het strand die schelpen zoekt en slaat haar dood. Haar familie eischt leven voor leven. Maar daar Andy een dorp is, sterker dan het hunne, verzinnen zij een list tegen een ander waarmee zij bevriend zijn, lokken acht mannen in een hinderlaag en vermoorden hen. Nu is het de zaak van dat dorp om het met Andy uit te vechten: en de reeks van sluipmoorden uit wraak en weerwraak kon tot in het oneindige voortgezet worden als “de Kompenie” het niet stuitte. Het oorspronkelijk-beleedigde dorp kan daar buiten blijven: aan zijn verplichting is voldaan, het heeft leven voor leven genomen. Het waren onschuldige levens. Dat doet er niet toe.
Dit is het tweede geval. Een deputatie mannen uit een kustdorp komt bij het bestuurshoofd behoorlijk verlof vragen tot doodslag. Er is een man in hun dorp gestorven die toch nog niet oud was: dus is hij gedood door toovenarij. Een droom, door den vriend van den doode gedroomd terwijl hij in het open graf naast het lijk sliep, heeft den moordenaar kenbaar gemaakt. Nu komen de bloedverwanten om zijn hoofd. De verbittering was groot, toen zij in plaats van het gevraagde verlof den raad kregen op hun beurt den toovenaar te betooveren tot de dood er op volgde. (Wat in ’t voorbijgaan opgemerkt, wel lijkt te bewijzen dat zij toch zoo steevast niet meer waren in het geloof aan de kracht der toovenarij; en voor alle zekerheid maar liever een aangescherpte bamboe-lat namen.) Zonder de vrees voor “de Kompenie” hadden de bloedwrekers triomfen gevierd langs de Geelvink-baai. Zooals het nu is hebben zij het bij morren moeten laten. Misschien duurt het morren niet eens lang. Er zijn er altijd wel enkele onder de malcontenten die, niettegenstaande alle tegenstribbelen, ten slotte toch eigenlijk wel geholpen willen worden om los te komen uit den greep van den wildeman. Anders zouden wij het niet zoo dikwijls hooren en zien, dat Papoea’s hulp en raad komen vragen bij den Westerling en dat ambtenaren, zendelingen van beide gezindten en leiders van verkenningstroepen die het wilde binnenland ingaan, met vreugde worden binnengehaald in de dorpen.
De sombere fantasie waaruit het geloof aan toovenarij is opgegroeid, het koppensnellen om aan een kind een naam te kunnen geven, en de verwordingsellende op de Zuidwestkust, heeft een tegenhanger in een allerliefelijkste: tegenover den zwarten schrik van het oerwoud, zijn geuren, zijn vogelgezang en zijn schijnsel van zon en maan. Veel er van is al—helaas, maar hoe kan het anders?—verdwijnende. Alleen bij overlevering weten wij nog van den maneschijndans der vrouwen en hun gezang als de mannen verre zijn op hun reis. “Deze maan die wij zien is dezelfde die onze mannen zien, ginder in de verte.”4 En hoeveel moet er al verloren zijn gegaan waarvan wij niets weten!
Maar veel is toch nog over. Op dezen dag nog halen de Noefooren van de Geelvink-baai den jongeling die zijn eerste reis naar “het Buitenland” heeft gedaan, naar het eiland in het Rijk der Vier Radja’s, Salwatti, bij zijn terugkomst in met het aloude gezang van den held, terugkeerende met het takje thijm in de hand, de plant die enkel op Salwatti groeit; en zij hangen aan de triomfbogen waardoor zij hem heen leiden, afbeeldingen van de maan, vriendelijke gezellin der zwervenden. Nog dansen de vroolijke jonge meisjes den bamboe-dans, waarbij jonge mannen twee op den grond liggende bamboestangen op de maat van koorgezang tegen elkander slaan, en de danseres haar vlugge voeten rept daartusschen en daarnaast, dat niet een enkele slag haar enkels treft. Nog worden de oude sprookjes verhaald van den reus Uri, den oolijken bedrieger, lievelingsheld van den Papoea, van den stoutmoedigen Boeginees die in het onderaardsche hol den monsterlijken duizendpoot aandurfde om zijn twee oogen van louter goud; van de blondlokkige schoone in de Tritonschelp, en den jongen held die haar vond, en won voor vrouw; van den verwachten Leider van alle Papoea’s, die toovermacht verkreeg van de Avondster toen hij haar ving in zijn klapperboom waar zij aan den koker vol zoet bloemensap nipte.5 Op dezen eigen dag nog viert de stam der Marindineezen het Majo-feest, in dans, gebaar en plechtigheid de geschiedenis voorstellend van het volk, zoo als het in nog dierlijke gedaante aan de groote moeder van alle leven, de Zee, ontstegen, van dieren, elementen en geesten vriendschap en hulpbetoon ontving ter mensch-wording.6 Nog zingen op feestnachten de mannen van de Zuidkust vierstemmige gezangen in koren van honderden, te zamen gezeten aan het strand van de ster-lichte zee. De eilanders die te Wakdee aan boord van ons schip kwamen en er een tifa vonden staan, grepen de groote trom en begonnen op de maat van haar diep-dreunende slagen een dans van de jacht, met de buiging naar den grond die het spoor zoekt van den kasuaris, en met den snellen armzwaai die den vluchtenden vogel vèr heen de speer na zendt.
Dans, feestelijk koorgezang, sprookje dat natuurmacht herschept tot mensch, ons eigen ras kende ze in dien verren tijd toen het nog een kind was zooals nu het Papoea-ras een kind is. Wij waren eens wat zij nu zijn.
Op vele plaatsen in Indië komt den Westerling die gedachte tegen, bij de waarneming van veler rassen gebruiken en gedragingen. En het wordt hem dan te moede soms of hij in stede van ruimten te doorreizen, tijd heeft doorreisd, voor mijlen, eeuwen. En of verschil in leeftijd de verklaring ware van alle ander verschil tusschen blanke rassen en bruine.
Het broederlijk gevoel verwelkomt die gedachte, Zij brengt zulke zekerheid van, over alle tegenwoordige dingen heen, in de toekomst, een allerschoonst geluk.
1 M. Müller leidt deze stelling uit de taal af; uit den godsdienst van Hasselt, wiens vertaling van Noefoorsche sprookjes hier al meermaals is aangehaald, en van wien ook afkomstig zijn de hieronder volgende mededeelingen omtrent het gezinsleven, den godsdienst en de feesten der Noefooren.
2 Een klein nacht-dier, een buidel-drager.
3 Mondelinge mededeeling van v. Hasselt, zendeling te Manokwarie.
4 Volgens mondelinge mededeelingen van Van Hasselt, zendeling te Manokwarie.
5 Noefoorsche sprookjes, vertaald door Van Hasselt.
6 Jos Viegen, M. S. O. pastoor te Merauke in het tijdschrift v.h. Kon. Ned. Aard. Genootschap, 15 Maart 1912.