Goesti Djilantik

Hij is nog in leven.

In zijn zwaar ommuurde poeri te Karang Assem zit hij als een stille toeschouwer bij de dingen, waarvan hij zoo lang de krachtige bewerker en beweger is geweest. In de dagen van de Lombok-expeditie klonk zijn naam tot in de verste hoeken van Indië en van Nederland. Nu is die een leeg geluid geworden. In de overgroote meerderheid wordt geen gedachte meer wakker bij dien klank. De enkelen echter, bij wie hij een herinnering oproept, zeggen: “De verrader!” Die hem kennen, en het best weten hoe zijn gedrag geweest is in 1894 op Lombok en in 1906 te Karang Assem tegenover de Hollanders, in de jaren daartusschen tegenover zijn eigen volk, weten dat hij beter verdient dan smaad of vergetelheid. En als eens de geschiedenis hem herdenkt, zal zij hun eenparig oordeel moeten bekrachtigen en getuigen, dat Goesti Djilantik, door welke beweegredenen dan ook geleid, beiden, Nederland en Bali, het verlies van honderden menschenlevens heeft bespaard en dat het voor een niet gering deel zijn verdienste is, zoo het Balische volk gereedelijk en met goeden wil den weg is opgegaan, waarlangs het komen zal tot de zeer te wenschen ontwikkeling van zijn stoffelijke, verstandelijke en zedelijke krachten.

Goesti Djilantik, die de stedehouder van Karang Assem is geweest, eerst onder den vorst van Lombok, toen onder de Nederlandsch-Indische Regeering, is de afstammeling van een Hindoe-Javaansch geslacht, waarvan de stichter omstreeks de helft van de vijftiende eeuw naar Bali kwam om het eiland voor den vorst van Madjapahit te veroveren. Toen deze, voor den Islam vluchtend, van het vermeesterde eiland zijn nieuw rijk maakte, gaf hij zijn veldoverste Karang Assem land in leen. De afstammelingen van Gadja Mada vergenoegden zich niet lang met het vazallenschap. Zij stonden op tegen de opvolgers van hun leenheer, de vorsten van Kloengkoeng, ontnamen hun groote stukken van hun gebied, veroverden het omliggende land, en waren vorsten van Lombok geworden toen omtrent 1700 de Oost-Indische Compagnie in deze streken zich trachtte te vestigen. Het was een Karangassemer dien Valentijn noemt als “den Coninck van Baly;” en een Karangassemer ook was die radja van Boeleleng tot wien de O.-I. Compagnie het verzoek richtte haar het monopolie te gunnen van die zeer voordeelige trafiek, den slavenhandel. Nu begon in den levensloop van het oude geslacht een nieuwe periode: de tijd van het geweld was voorbij, de tijd van overleg en list was begonnen. De Karangassemers moesten zien hoe zij de positie, die zij op de oorspronkelijke inwoners van Bali eerst en op hun Hindoe-Javaansche stamgenooten later veroverd hadden, nu op hun beurt handhaafden tegenover den veroveraar uit het Westen, die weer sterker was dan zij. Zij deden het door beurtelings voor hem en voor hun landgenooten partij te kiezen, aldus de politiek beginnend die hun late nazaat Goesti Djilantik ten einde zou voeren. Na den val van de Compagnie volgden zij tegenover de Nederlandsch-Indische Regeering dezelfde gedragslijn. Zij behandelden haar als gelijke. Dat werd hun mogelijk niet alleen maar zelfs gemakkelijk gemaakt door de Regeering zelve. Het was in de Jan-Saliedagen van het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden. En toen daar een nieuwe kracht wakker werd, had die nog te zeer zich te weren tegen de overal haar belemmerende sleur binnen de eigen grenzen, dan dat zij in Indië, en nog wel in zulk een uithoek van Indië als Bali, de hand aan het werk had kunnen slaan. Het meeste wat op Bali verkregen werd was een contract met de vorsten der acht landschappen van het eiland; een contract waarmee de Nederlandsche Regeering een erkenning van haar oppergezag bedoelde, terwijl de Balische vorsten er niet anders dan een vriendschapsverbond in zagen,—bedrogen naar het wel schijnt, aangaande den zin van dien term souvereiniteit die in hunne taal niet over te zetten is: van Hoëvell althans verklaart dit in ronde woorden.1 Der Regeering eerste poging om haar “rechten” geldend te maken deed den oorlog losbarsten. De Karangassemers volgden hun oude taktiek van “jagen met de honden en loopen met den haas.” Maar ditmaal tevergeefs. Zij kwamen in het gedrang, moesten vluchten, en het hoofd van het geslacht verloor zijn rijk aan Nederland en zijn leven aan zijn eigen opstandige onderdanen. Karang Assem werd als loon voor bewezen diensten toegevoegd aan dat Lomboksche rijk dat vroeger van Karang Assem uit veroverd was, en waar nog een afstammeling uit het Karangassemsche vorstengeslacht regeerde. Deze zond twee van zijn neven—het waren broeders—als stedehouders naar het nieuwe wingewest. De twee broeders hadden een derden, zeer veel jongeren, zoon van een andere moeder, een kind nog toen zij, in ’49, naar Karang Assem gingen. Een en dertig jaar later kwam die broeder, een man van veertig nu, uit Lombok tot hen gevlucht uit vrees voor zijn leven. De vluchteling was Goesti Djilantik.

In de poeri levende van zijn oom, den radja van Lombok, had hij liefde opgevat voor een van diens dochters en de wederliefde van het meisje gewonnen. Nu was zij, als dochter van eene Ksatrya vrouw, de meerdere in kaste van Djilantik, wiens moeder tot de lagere kaste der Wessya behoorde en het huwelijk van een vrouw uit hoogere met een man uit lagere kaste is een misdrijf, waarop de Baliër-wet de doodstraf voor beiden stelt. De verhouding der twee werd ontdekt. Door overhaaste vlucht alleen kon Djilantik zijn leven redden, dat zijn vijanden, eene sterke partij in de poeri, eischten, ter voldoening aan de wet. De oude vorst was hem welgezind: misschien heeft die zijn vlucht begunstigd.

In elk geval, hij liet het toe, dat zijn beide stedehouders in Karang Assem den vluchteling opnamen en hem als “poenggawa” het bestuur gaven over een deel van hun gebied. Tien jaar later stierf de eene der twee stedehouders. Toen stelde de radja Goesti Djilantik in zijn plaats aan. Bij den kort daarop gevolgden dood van den tweeden maakte hij hem zelfs tot eenig stedehouder van Karang Assem.

Djilantik betoonde zich een wijs en rechtvaardig bestuurder. Anders dan vroeger zijn oudere broeder, dien het volk “Doeniet” noemde, nam hij de belangen van den kleinen man ter harte. Hij vergde geen zware heerendiensten; hij perste geen arbeid noch opbrengst van de velden af; hij was geen wedder bij hanengevechten; meisjes en vrouwen waren veilig in zijn gebied,—een zeldzaam iets in een land, waar maagdenroof niet voor misdrijf geldt, en waar, in sommige streken, de bevolking er toe gekomen is, haar dochters het gezicht te mismaken met sneden over de wangen, om hen te vrijwaren voor het lot, naar de poeri van den vorst te worden gesleept. Het volk van Karang Assem werd Djilantik’s vriend.

Die vlieger gaat mooi op!

Die vlieger gaat mooi op!

Fotogr. Gründler.

Zijn naaste bloedverwanten echter waren zijn vijanden. Zijn benoeming tot stedehouder had de rechten gekrenkt van de nakomelingen zijner beide oudere broeders. En in zijn grenzenlooze eerzucht had Djilantik den meest rechthebbende, den oudsten zoon van zijn broeder Poetoe, uit zijn weg geruimd door wat niet anders genoemd kan worden dan een zedelijke sluipmoord. De jonge man had zich schuldig gemaakt—als indertijd Djilantik zelf—aan kastevermenging. Zelf een Wessya zijnde—alle vorsten van Bali (met uitzondering slechts van die van Kloengkoeng, Bangli en Gianjar) behooren tot deze laagste der drie kasten, die gaandeweg de eigenlijke vorstenkaste, de Ksatrya, verdrongen heeft—had hij de liefde verworven van een Brahmanen-dochter. Zijn eigen vader liet hem, met het meisje te zamen, krissen. Maar die hem daartoe had overreed en aangezet, was Djilantik. Het is mogelijk de vrees voor weerwraak geweest, die Djilantik, met prijsgeving van de toch zoo brandend begeerde en met zoodanige middelen verkregen macht van het stedehouderschap, Bali deed verlaten, toen de oude radja van Lombok, zijn oom, hem een poenggawa-schap op zijn eiland aanbood, als loon voor de hulp, door Djilantik hem bewezen in een oorlog tegen de oproerige Sasaks.

Daar begonnen de dingen, die den radja in botsing moesten brengen met de regeering. Djilantik kwam te staan waar sedert anderhalve eeuw zijn vaderen telkens gestaan hadden—tusschen landgenoot en vreemden overheerscher in het nauw. Hij deed als zij gedaan hadden, en als ten slotte toch ook natuurlijk is dat een zwakkere doet: hij trachtte tusschen beiden door te glippen. Den poenggawa’s, die tot den oorlog dreven—want de machtige edelen waren de strijdlustigen, niet het volk, noch de oude radja, die stokdoof en zoo goed als verlamd, zelfs tot de gedachte aan vechten niet in staat meer was—den poenggawa’s ried hij te wachten tot na het lijkverbrandingsfeest van zijn broeder, den ouden stedehouder van Karang Assem, die het vorige jaar was gestorven. Den Nederlandschen ambtenaar en bevelhebber der troepen verklaarde hij, dat geen oorlog te vreezen was: hij hoopte werkelijk dien met uitstellen, paaien en nogmaals uitstellen te kunnen voorkomen. Dat is zijn “verraad” geweest. Voor rechtvaardigheid is het woord te hard, al moet erkend, dat zijn houding geen volkomen eerlijke was. Dit echter is wel te onthouden: hij verzette zich tegen de oorlogspartij uit alle macht; hij verklaarde bij het eerste schot dat viel, met zijn twaalfhonderd Baliërs Lombok te zullen verlaten, en volvoerde dat voornemen; hij weigerde het radja-schap, dat nog op het allerlaatste oogenblik de poenggawa’s hem aanboden, om hem tot blijven en deelneming aan hun strijd te bewegen. Natuurlijk niet uit “trouw aan het gouvernement,” maar omdat zijn helder verstand hem de vergeefschheid toonde van den strijd tegen Westersche wapenen. Zooals hij het den poenggawa’s had voorgehouden: “Wanneer het ei wil vechten tegen den steen, wie verliest dan?”—Te Karang Assem loerden zijn neven, Poetoe en K’toet, op hem. Hij vluchtte naar het gebergte. Toen bleek de vriendschap van zijn volk. Gewapenden waren opgeroepen om “een vijand van de vorsten” dood of levend terug te brengen: maar zij wisten niet, dat die vijand Djilantik was. Toen het hun gezegd werd, stieten de mannen hun lansen met de spits in den grond, ten teeken van hun weigering om hem te bevechten. De neven werden tot vergiffenis vragen en onderwerping gedwongen.

Tien jaar later kwam de beurt die Lombok had gehad aan Bali: het Nederlandsch gezag, dat tot nog toe een naam geweest was, werd een werkelijkheid. Weder was het toen Djilantik die tusschen “het ei” en “den steen” zijn handen hield. Zonder hem had zijn neef Poetoe, de onverzoenlijke vreemdelingen-vijand, Karang Assem medegesleept in een met Bangli en Kloengkoeng gezamenlijk te voeren oorlog tegen Nederland. De wijze, waarop Djilantik dat voorkwam, was weer dezelfde die hij op Lombok had gevolgd: ter wille van het goede doel zoowel vriend als vreemde misleiden. Tegenover de Nederlandsche ambtenaren ontkende hij, dat eenige beweging gaande was; tegenover de poenggawa’s eischte hij uitstel, met belofte van latere vrijheid tot handelen. Een groot godsdienstig feest, waarvoor al sedert drie jaren de vorstelijke familie zich voorbereidde, was het gereede voorwendsel. Het uitstel dat hij dus won was er een van een half jaar. De regeering maakte zich den tijd te nutte. Haar oorlogsschepen en troepen kwamen aan drie dagen voor het feest, waarop tienduizend gewapende mannen, tempel-gangers in schijn, oorlogvoerders inderdaad, met Poetoe aan het hoofd, verschenen zouden zijn. Djilantik’s taktiek had verschrikkelijkheden voorkomen.

De knaap heeft het witte gewaad der biddenden aangelegd om in den tempel te gaan offeren.

De knaap heeft het witte gewaad der biddenden aangelegd om in den tempel te gaan offeren.

Het moet den ouden man zwaar gevallen zijn; maar toen de vestiging van het Nederlandsche gezag op Karang Assem een eind maakte aan zijn levenslangen droom, de herwinning van het radjaschap, heeft hij bij het voldongen feit zich neergelegd, en den nieuwen staat van zaken zonder voorbehoud aanvaard. Meer dan dat. Toen hij er eenmaal van overtuigd was geworden, doordat hij met zijn eigen oogen het zag, dat de Westersche beschaving hemzelven en zijn volk verder zou brengen dan zij ooit op hun eigen wegen konden komen; dat bruggen over rivieren en ravijnen, wegen van het gebergte uit naar de zee, rijtuigen en paarden (er waren er geen hier, onder Hollandsch bestuur pas reed het eerste karretje over de eerste brug), dat stoomschepen, telegraaf en telefoon nuttige dingen waren, toen heeft hij zijn uiterste best gedaan om die aan Karang Assem te verschaffen. Toen hij aan zichzelven de uitwerking had leeren kennen van kinine en begrepen had wat hygiënische voorzorgen vermogen tegen velerlei ziekten, die onder dit ongeloofelijk-vuile en zorgelooze volk heerschen, heeft hij op een vaderlijk-listige manier zijn Karangassemers, wantrouwig en weerbarstig als zij waren, voor het geloof in Westersche wetenschap gewonnen. Zijn neef Bagoes, te wiens behoeve hij van het stedehouderschap afstand deed, heeft hij diezelfde denkbeelden ingeprent. En voor het opkomende geslacht gezorgd door den bouw uit zijn eigen middelen, met ruime hand verstrekt, van een school.

Hij is vier-en-zeventig nu: maar oud naar het lichaam alleen: zijn geest is zoo krachtig en frisch als die van een jongen man. In het hol-wangige en door het verlies van de tanden klein geworden gezicht, waaromheen het haar, dat glad naar achter gekamd tot in den nek afhangt, een gitzwarten glans heeft, staan de donkere oogen vurig, bijna fel. Hij maakt levendige gebaren onder het spreken, als een echte Baliër, dien geen adat tot vormelijkheid kan bedwingen. Wat hij zegt, zegt hij met een zekere drift, alsof hij met zijn geheele persoonlijkheid voor zijn opinie instaat. En hij vraagt—vraagt veel—met de tot in bijzonderheden doordringende volharding en op de systematische wijze van wie iets nieuws volkomen begrijpen wil om het in zijn beschouwing van de menschen en het leven organisch te kunnen opnemen. Een antwoord neemt hij niet voetstoots aan: maar bewaart het tot hij het op zijn waarachtigheid heeft beproefd door vergelijking met het antwoord op dezelfde vragen door een anderen zegsman gegeven. Zelfs als hij zich een telefoon-toestel of een ontsmettingsmethode laat uitleggen, gaat hij op die wijze te werk; het Oosterlingen-wantrouwen blijft wakker, ook waar het niet behoeft.

De beide malen dat ik gelegenheid kreeg hem te zien en te spreken, en het gesprek te volgen, dat hij, geruimen tijd achtereen en over verschillende onderwerpen, met anderen voerde, kreeg ik den indruk van een buitengewone persoonlijkheid. Wat zijn bestuur en voorbeeld op Bali tot stand hebben gebracht, zal, ten volle, pas de toekomst toonen.


1 W. R. van Hoëvell. Reis over Java, Madura en Bali in het midden van 1847. Deel III blz. 45 en vlg.

Bali als het land van Goden en Geesten

In de voorstelling van den Baliër is zijn eiland het Land der Goden: en hij heeft het van hen in bruikleen. Zooals op Java de vorst de souverein van den grond is, zoo is het hier de godheid. Haar geldt de hulde en de dienst van alle menschelijke bewoners van het land. Haar raad wordt ingewonnen, haar hulp afgesmeekt, haar wordt dank betuigd, vergiffenis gevraagd, verontschuldigingen aangeboden, onder alle omstandigheden van het leven. De Baliër gaat met haar om als met een onzichtbaren doch alom tegenwoordigen en al-machtigen vorst, uit wiens handen hij alles heeft ontvangen wat hij bezit, en wien hij daarvoor dank, rekenschap en dienst schuldig is.

In de theorie is deze zijn godsdienst een der ontelbaar vele vormen van het Hindoeïsme op Bali; immers vond het Javaansche Hindoeïsme een veilige wijkplaats toen het voor den Islam vluchtte die Java vermeesterd had. Maar een andere godsdienst leefde in de harten der Baliërs, toen de Javanen hier kwamen: het antieke Polynesische Heidendom. En onder den nieuwen invloed van het veroverende en hooger beschaafde volk bleef het oude zich handhaven, zooals, onder den vloed van zoet water aan een rivier-uitmonding in de zee het zilte blijft, en de groei van koralen en zee-anemonen diep in de donkerte. De machten door de oorspronkelijke Baliërs geëerd, de zon, de zee, de lucht, het water van meren en rivieren, de geheime kracht die het veld vruchtbaar maakt en de kudde, die allen worden, soms onder den naam van Hindoe-godheden, soms ook onder hun eigenen nog, tot op dezen dag toe, geëerd en gediend op het eiland. Het is een toestand zooals het Westen in de middeleeuwen kende, toen onder het officieele Christendom de oude Heidengoden een maar half hen verbergende wijkplaats hadden gevonden, en aan Maria offers werden gebracht zooals Freya er verlangde, en op Kerstmis met groote vuren en het slachten van vee het Winterfeest der sedert eeuwen al vergeten voorvaderen werd gevierd.

De groote schoone tempels zijn gewijd aan de Hindoe-goden; Siwa wordt genoemd als de opperste van alle goden; de drie Hindoe-kasten, die der Brahmanen aan het hoofd, doen het Kaoela-volk, de Soedra-kaste, waartoe zij, de overwinnende Javanen, het oorspronkelijke Baliër-volk verlaagd hebben, bukken voor hun gezag; dooden worden verbrand en hun asch in zee of in een immers naar de zee stroomende, rivier geworpen, naar de zede der Hindoes. Maar niettemin meent de Baliër als hij Siwa zegt, de zon of de lucht, met Brahma het vuur, met Wisjnoe het water; niettemin heeft zich onder de Soedra’s een afzonderlijke klasse gehandhaafd, afstammelingen waarschijnlijk van aloude aanvoerders-geslachten, die in een zekere mate deel hebben aan de voorrechten der triwangsa, zelfs aan het priesterlijke der Brahmanen-kaste; en er waren nog voor betrekkelijk korten tijd geheele dorpen op het eiland die hun dooden in het bosch neerlegden, en het wijwater der Brahmaansche priesters weigerden. Dit ook is klaarblijkelijk een revanche van den ouden godsdienst, dat niet de goden, maar de geesten, de “boeta’s” in de eerste plaats, ontzien en geëerd worden. Als hun aanbidders en “landgenooten” zijn deze oude Heidensche goden tot een lageren rang neder gedwongen door den veroverenden Hindoe; monsters en reuzen heeten zij nu inplaats van goden. En zij moeten, “in effigie” voor de poort gezeten der tempels, het verblijf van hun overwinnaars bewaken als het Kaoela-volk de poeri van vorst en edelman. Maar met dat al hebben zij zich gehandhaafd in de harten, en niet van het Kaoelavolk alleen, maar van het kwansuis Hindoesche Javanendom even goed, en dat wel zoo krachtig, dat eerst de booze geest wordt gevleid en verzoend, voor de goede god wordt aangebeden.

De mannen die op het godsdienstige feest zullen dansen zijn allerprachtigst gekleed.

De mannen die op het godsdienstige feest zullen dansen zijn allerprachtigst gekleed.

Fotogr. Gründler.

Want als boos stelt de Baliër zich alle geesten voor: misschien wel omdat zij verdrongen zijn uit hun eigen land en rechten? Hij probeert hen te paaien. Dat kost niet veel geld of moeite: een geestenhand is gauw gevuld! Een paar koperen duiten als men heel vrijgevig wil zijn, een kliekje eten, anders desnoods een paar bloemen, aardig op een blad geschikt, dat is al genoeg voor den dagelijkschen dienst. Natuurlijk bij groote gelegenheden komt er meer aan te pas. Als iemand ziek is, bijvoorbeeld, wat immers altijd de schuld is van een boozen geest, dan begrijpt een ieder, dat die geest al in een bijzonder booze bui verkeeren moet en dat er dus iets bijzonders gedaan moet worden om hem weer in zijn humeur te brengen, zoodat hij toelaat, dat de zieke beter wordt. Daarom worden bij epidemieën groote godsdienstige feesten gevierd, waarop de booze geest wordt voorgesteld onder de gedaante van een reusachtigen, rood-en-goud-geklauwden tijger, wiens woede bedaart door het gezang en den dans van prachtig gekleede kinderen. Hier in het Badoengsche, bijvoorbeeld, waar ik nu sedert eenigen tijd ben, heerschte verleden jaar de cholera. Toen gaf de poenggawa van Mengwi, die buitengewoon gezien is, omdat men hem voor zeer geleerd in geheime wetenschappen en eigenlijk voor een toovenaar houdt, zulk een feest: de tijger was een tijger, zooals hij bij zulk een voornaam heer past: hij had een gouden kop en een gouden staart, en zijn geheele lichaam was bedekt met pauweveeren. De dansers die voor hem dansten, de wierook die werd ontstoken, de instrumenten waarop muziek werd gemaakt, het was alles van het allerprachtigste. Tegen zooveel beleefdheden was de booze luim van den cholera-geest niet bestand. Het bestuur, dat rivieren en leidingen had doen desinfecteeren, zag dat het zich die moeite had kunnen besparen. Dadelijk na het feest te Mengwi nam de cholera af en na een korten tijd was er in heel Badoeng geen zieke meer. Zulke “verzoenings-feesten” hebben echter nooit meer dan een tijdelijke uitwerking. Het is noodig, daarom, de geesten in den waan te brengen van tijd tot tijd, dat er in het geheel geen menschen meer zijn op Bali, aan wie zij hun toorn en wrok kunnen koelen, dan blijven zij vanzelf weg. Voor een poosje althans. Dan wel is waar komen zij toch weer terug. Maar de Balische geestenleer ignoreert zulke kleinigheden. Een maal in het jaar daarom wordt de groote plechtigheid van het “Eenzaam Maken” gehouden. Met vreeselijk getier, geschreeuw, gegalm, met slaan op gongs en op houtblokken worden alle geesten uit hun schuilhoeken opgejaagd en mettervlucht de lucht ingedreven. Dan trekken de Baliërs zich terug in hun huizen en sluiten de dorpspoorten. Vier-en-twintig uren lang mag niemand zich op den weg vertoonen, mag geen licht schijnen, geen vuur branden, moet het geheele eiland verlaten lijken en leeg. Werken op de sawah, koopen en verkoopen op de markt, blijven gedurende verscheidene dagen nog verboden. Het gebruik, dat den nieuw opkomenden handel van den Pasar belemmerde, is voor deze streek onschadelijk gemaakt door een vaderlijke list van het bestuur; de Balische geesten, heeft het verklaard, hebben het alleen op Balische menschen voorzien; op Europeanen, op Chineezen, Arabieren en al het overige “Islam-volk,” slaan zij geen acht. Zijn er dus slechts geen Baliërs op den weg dan geldt voor de geesten Bali als ledig en verlaten, en zij vliegen ver weg van dat woeste land. Met die uitlegging hebben de Baliërs volkomen genoegen genomen. Nu blijven zij in hun huizen terwijl de handel zijn ongestoorden gang gaat, en beide partijen zijn tevreden. Het zal overigens misschien zoo lang niet meer duren of ook Baliërs—zij krijgen bij den dag meer belang en rechtstreeksch aandeel in den al levendiger wordenden handel—zullen er iets op vinden om mede te profiteeren van deze schikking met de geesten.

In Tempeldracht.

In Tempeldracht.

Juist de mooiste tempels worden ontsierd door die optooiïng met porceleinen borden.

Juist de mooiste tempels worden ontsierd door die optooiïng met porceleinen borden.

Wat de goden betreft, die zijn goed en eischen geen offers ter verzoening, maar offers van hulde en dankbaarheid alleen. Die worden hun dan ook met genoegen gebracht. Geen erf of men ziet bloemen liggen in de “godenhuisjes” en een van bladreepen gevlochten versiersel voor de nis, naast de poort, van den “taksoe,” den dienenden geest die als bemiddelaar optreedt tusschen menschen en goden; geen dag in het jaar of men ziet offeraars, feestelijk gekleed en sierlijke schalen vruchten en bloemen dragend, op weg naar de tempels. Er zijn er ten minste drie in elk, zelfs het kleinste, gehucht: de dorps-tempel, om zoo te zeggen het geestelijke gemeentehuis, waar alle openbare zaken behandeld worden, en tevens feesten gevierd en gasten—goden zoowel als menschen van elders—geherbergd; de tempel op of bij de begraafplaats, waar de dooden de verbranding wachten, aan de doodengodin Doerga gewijd: de tempel aan het strand, ver gelegen soms van het dorp, maar niettemin aan dat dorp behoorend, waar de goden der zee worden geëerd. Op grootere plaatsen wordt dat getal van drie een veelvoud van drie. Te Singaradja bijvoorbeeld, te Karang Assem en hier te Badoeng1 zijn er tempels meer dan buurten en wijken. Zij vertoonen alle hetzelfde type: dat van het Balische erf in het groot en in het mooi. Rondom loopt een muur, bij de “armere” tempeltjes van klei, bij de “rijkere” tempels van steen; twee poorten, een op het Zuiden, een op het Westen, staan daarin open: uit den voorhof, waarheen zij toegang geven, leidt een derde poort tot het heiligste binnengedeelte, dat door een versierden muur, een soort steenen scherm, vlak achter die poort gebouwd, wordt beschut tegen den blik van voorbijgangers, juist zóo als de Baliër zijn huiselijkheid tegen den blik van den vreemde-op-de-straat beschut. In dat binnenste gedeelte staan de woningen van de goden, van de mindere, de Dewa’s, en van de hoogere, de Batara’s, die sierlijk zijn al naarmate de huizen van hun aanbidders dat ook zijn; soms enkel maar van bamboevlechtsel en in de zon gedroogden steen; soms gemetseld, en versierd met beeldhouwwerk, door steenen monsters bewaakt, gedragen op beschilderde en vergulde pijlers, en van deuren voorzien, een en al fijn gestoken werk, kleur en goud. De Chineesche invloed, die veel moois en ook veel leelijks op Bali heeft teweeggebracht, is hier een erg storend element; juist de mooiste tempels worden ontsierd door een optooiïng met porcelein. Het is begonnen, waarschijnlijk, met Chineesche borden en schotels, die althans op zich zelven mooi toonen, hoe leelijk dan ook als toevoegsel aan architectuur. Op het oogenblik echter zit allerlei grof goed in tempelmuren gemetseld; tot boeren-aardewerk van Regout toe, zooals het volk van de Gooistreek het koopt op de Hilversumsche markt, heb ik hier in het Badoengsche en in Mengwi gevonden. De soldaten van de expedities van 1906 hebben hier en daar, alle discipline ten spijt, geprobeerd de borden die hun de mooiste leken, uit het metselwerk te lichten, en in die poging alles doen barsten en breken. Nu, leelijker dan het was, kon het niet worden. Het is verdrietig om te zien; zelfs de prachtige Meradjan Kesiman, een vorstelijke familie-tempel, is geschonden door al die witte en bonte ronde plekken, als door een afschuwelijken uitslag. Er is een inspanning der gedachte noodig om, zelfs in de herinnering, daarover heen te komen.

In den tempel van Batoer, aan den voet van den zwarten vulcaan, worden goden-verheerlijkende feesten gevierd, met gamelan-muziek en wapendans.

In den tempel van Batoer, aan den voet van den zwarten vulcaan, worden goden-verheerlijkende feesten gevierd, met gamelan-muziek en wapendans.

Fotogr. Gründler.

Naar die vele tempels, Balisch gebouwd, Chineesch versierd, door Hindoe-goden bewoond, gaan dag aan dag de honderden. De godsdienstige feesten van het Bali-jaar zijn ontelbaar; bij alle belangrijke familiegebeurtenissen wordt er een gevierd; evenzoo voor “den verjaardag” van het vee, van de wapens, van de vruchtboomen en tuinen, van de kunst van het lezen en schrijven. Ik had een geleerden Goesti op bezoek, onlangs, toevallig juist op “den verjaardag van het letterschrift,” die mij dat denkbeeld poogde duidelijk te maken. “Dit,” zei hij, en lei zijn van ringen flonkerende hand op een brief, “dit noemt u letters: maar het is een Godin! en deze dag is de dag, waarop zij, voor eeuwen “uit haar moeder kwam.” Daarom vieren wij haar heden met optochten, en niemand mag van morgen- tot avondschemering lezen of schrijven.” Daarbij keek hij naar mijn pen of hij zeggen wou “het is u ook geraden dat maar te laten vandaag.”—Behalve al deze algemeene feestdagen heeft elk dorp er nog bijzondere voor zijn eigen bijzondere goden—de bijzondere goden, in wie de oude beschermgeesten van den Heidentijd zoo licht te herkennen zijn. Zoodat van de 420 dagen van het Balische jaar er weinig zijn, of geen misschien, zonder den glans van een godenverheerlijkend feest; een optocht soms, met galm van gongs en bamboekokers; op andere keeren een dans van dessa-maagden en jonge mannen, of van kinders in de dracht van krijgslieden en prinsessen; een tocht naar het zeestrand om een wonderdadig beeld te baden; een pelgrimsgang, alle de tempels van een landschap rond, waarbij de meegedragen goden elkander bezoeken; en, altijd, een vroolijk maal aan de offeranden den goden aangeboden, waarvan de hemellingen den geur alleen tot zich nemen, de substantie overlatend aan hun aanbidders.

In het koepeltje hangt de koelkoel, het holle houtblok, dat dreunend geslagen uit mijlenverren omtrek al het volk oproept.

In het koepeltje hangt de koelkoel, het holle houtblok, dat dreunend geslagen uit mijlenverren omtrek al het volk oproept.

En dat, offers en eerbewijs, is alles wat die goede goden den menschen afvragen; het is maar voor de leus, als, een heel enkele maal, eens wordt gerept van zedelijke verplichtingen. De goden-zelven nemen het onder elkander óók zoo nauw niet, als ieder wel weet, die de heilige verhalen kent. Een hulde-betoon dat op zichzelf een genoegen is; meer vergen zij niet. En in ruil daarvoor geven de milden een gelukkig bestaan op Bali en de eeuwige zaligheid in een hemel, die een verheerlijkt Bali is.

Wat kan tegenover zooveel aangenaams, eenige andere godsdienst stellen?

En wat wonder als niet één er in geslaagd is in eenigen getale belijders te winnen op Bali?


1 De eigenlijke naam van de door Hollanders dikwijls Dèn Pasar genoemde plaats.

Het verleden op Bali en de toekomst

Aan den grooten weg van Dèn Pasar naar Mengwi, tegenover het schoone met Ganeça-beelden versierde torenkoepeltje van den “koelkoel” het holle houtblok, dat dreunend geslagen, uit mijlenverren omtrek al het volk oproept, daar ligt, modderig van nooit wegzakkende plassen en ruig overgroeid, de ledige plek waar eenmaal de poeri stond van den Radja van Pametjoetan; en de plaats is nog aan te wijzen van de poort, waaruit de vorst met al de zijnen, vrouwen, kinderen, bloedverwanten, volgelingen en slaven, dien vreeselijken uitval deed, den dood tegemoet, waarbij wie niet viel door de kogels van den vijand, stierf onder de lanssteken van den vriend, en vrouwen en kinderen elkander afmaakten met de kris. Aan deze en gene der vele tempels van den omtrek der stad is de schade nog te zien, door baldadigheid hier, bij ongelukkig toeval ginder, toegebracht aan muren en beelden. Men hoort nu en dan van leden der oude vorstenhuizen van Bandoeng, van Tabanan, van Gianjar en Bangli, die in ballingschap leven op Lombok, en geregeld bezocht worden door hun getrouwen. En men ziet een enkele maal in den dichten drom der toeschouwers bij een hanengevecht of een of andere wayang-vertooning, mannen die het litteeken dragen van een kogelwond of een lanssteek, en die, soms, ontvlucht zijn uit den massamoord van 1906, en soms de door ambulance en artsen uit den zieltogenden hoop geredden. Een ledige plek, verminkte tempelmuren, litteekens: dat zijn de eenige zichtbare herinneringen aan den grooten ommekeer die het verleden van Bali scheidt van zijn heden en zijn toekomst. In de gedachte van het volk is er, indien dat kan, nog minder van overgebleven. “De Baliërs denken alleen aan hun eigen belangen. Om hun vorsten denken zij niet!” Een Wessya, die met mij sprak over vroeger en nu, zeide dat met een zekere bitterheid. Hij sprak als edelman: de tijd van de vorsten was ook zijn en zijner gelijken tijd. Maar diezelfde woorden zouden op een anderen toon geklonken hebben uit den mond van een Kaoela. En als het geringe volk de vorsten vergeten is, dan komt dat, omdat het in de gelukkige natuur van den Baliër ligt het kwade spoedig te vergeten; van hun vorsten hebben zij zelden, indien al ooit, iets anders dan kwaad ondervonden. Goesti Djilantik van Karang Asem is een uitzondering; een alleenstaande mag wel gezegd; de overige Balische vorsten waren wat overal en altijd alleenheerschers zijn geweest: dwingelanden. Zij en hun volgelingen leefden van het kleine volk; en zij ontzagen het noch in zijn arbeid, noch in zijn eigendom, noch zelfs in zijn lijf en leven. Zij hadden honderd manieren voor éen om het bezit van den Kaoela tot het hunne te maken: belastingen en heffingen tot in het oneindige; vonnissen voor lichte overtredingen, waarvan verbeurdverklaring van veld, huis, vee en alle overig bezit het gevolg was; naasting van de erfenis van hen, die zonder zoons of allernaasten mannelijken bloedverwant overleden; willekeurige grensveranderingen, waardoor de sawah van een Kaoela plotseling de sawah van den vorst of van een zijner bloedverwanten of edelen werd. Het volk kon nog van geluk spreken als zijn radja enkel maar hebzuchtig was, en niet tevens wellustig en wreed. Er waren streken, waar de mannen hun vrouwen en dochters met kerven over het gezicht mismaakten, opdat de Radja hen niet zou doen oplichten en naar zijn poeri sleepen. Het is nog maar kort geleden, dat de stedehouders van Gianjar en Bangli bij verdrag met de Nederlandsch-Indische regeering afstand deden van het recht weduwen en dochters van zonder zoon overleden erflaters als slavinnen te nemen, evenals verstooten vrouwen door den man als slavin aangeboden. Het is bekend, hoe in 1903 de zoon van den pas overleden radja van Tabanan twee van zijns vaders vrouwen tot den “vrijwilligen” vuurdood op diens brandstapel dwong. Minder bekend, misschien, van welken aard de straffen waren waarmede de vorsten overtredingen der adat-wet of, evengoed, persoonlijke “beleedigingen” wreekten. Diezelfde Wessya, die zoo verontwaardigd sprak over de ontrouw van het Baliërvolk aan hun vorsten, verhaalde mij afschuwelijke bijzonderheden van terechtstellingen waarvan hij ooggetuige was geweest, nog in 1905—ik zal ze den lezer besparen. En het volk van Karang Asem spreekt nog met haat en vrees van den vorstenzoon K’toet, Goesti Djilantik’s neef en doodsvijand, den zwaarlijvigen, vadsigen doe-niet, die zijn genoegen vond in folteren. Het is te begrijpen, dat het volk van Zuid-Bali, toen het, eindelijk, tot een botsing kwam tusschen de regeering en de inlandsche vorsten, die vorsten hun eigene zaak alleen liet uitvechten, en zich aan den vreemden overwinnaar gewillig onderwierp. Zij konden het nooit slechter krijgen dan zij het hadden; beter al heel licht. De uitzondering die Tabanan maakte, toen na de gevangenneming en den zelfmoord van den vorst en zijn zoon, een opstand uitbrak onder de aanvoering van eene zijner dochters, was een uitzondering alleen in schijn. De Radja-dochter gedroeg zich als een door de Godheid bezielde. Een dergelijk geval heeft zich nu pas in het Kloengkoengsche voorgedaan, op kleine schaal. Door een beroep op zijn godsdienstige gevoelens is de Baliër altijd te winnen. Maar zelfs toen lieten de meesten het bij offers en wierook, die zij aan de prinses en hare volgelingen aanboden als aan goden. Toen het op vechten aankwam, vluchtte het grootste getal ook van hen die haar gevolgd waren. De opstand was voorbij nog eer hij goed begonnen was, en de prinses, die vóor het eerste treffen al een toevlucht had gezocht in het gebergte, werd verlaten zelfs door haar bloedverwanten, die haar als Radja hadden beloofd te huldigen. De weinige gewonden zochten vertrouwelijk de ambulance op, om zich te laten verbinden, en de leiders boden, zonder eenige vrees, hun onderwerping aan bij de regeering: zij hadden aan de Godheid gehoorzaamd door te willen vechten; nu zij het verloren hadden, waren zij wel tevreden weer naar huis te mogen gaan. Het doorslaande bewijs van de eigenlijke gezindheid van den kleinen man in Bali werd het volgende jaar, 1908, gegeven door de bevolking van Gianjar: een optocht van eenige honderden kwam naar Dèn Pasar met het verzoek om uitbreiding van het rechtstreeksche bestuur over Gianjar. Hun verzoek werd niet ingewilligd: maar, langs een omweg verkregen zij toch wat zij verlangden, zekerheid van eigendom en leven. De eenigszins ingewikkelde toestand was deze: de vroegere Radja van Gianjar, de toenmalige stedehouder, was wel gewillig tot toegeven aan de rechtmatige eischen van het volk, maar hij dorst niet te handelen, uit angst voor een overmachtigen vazal, den Tjokorda van Oeboet. Die was, en is nog, een der rijksten, zoo niet de allerrijkste van Bali; door zijn schatten aan goud en juweelen, door zijn uitgestrekt grondbezit en door de menigte van zijn heerendienstplichtigen, schuldenaars, en volgelingen, vrijwillige en gedwongene van alle slag, had hij de werkelijke macht in handen, waarvan de Radja alleen maar den schijn bezat. En hij gebruikte die macht om een ommekeer van zaken te beletten, die hem er van berooven zou. De optocht der honderden naar Dèn Pasar echter was hem een waarschuwing. Hij besloot dreigende gevaren te voorkomen. En om niet de mindere te worden van andere rijksgrooten, bood hij de regeering zijn hulp aan bij het invoeren van nieuwe wetten en bepalingen, die hun aller macht evenzeer beperkten als zij het zijn eigene deden. Zoo heeft hij dus Gianjar van zichzelven bevrijd. Er is nu, in de practijk, geen noemenswaardig verschil meer tusschen den toestand van het volk van Gianjar onder het bestuur van den stedehouder, en dien van het volk in de rechtstreeks bestuurde landschappen.

In het Badoengsche beter nog dan elders, kan men zien hoe goed reeds nu en met den dag nog hoeveel beter wordend, die nieuwe toestand is.

Het bestuur is begonnen met het eerst-noodige: goede wegen en bruggen. Daar heeft eerst, natuurlijk, het volk veel tegen gehad: het is zwaar werk wegen te bouwen in de tropen: de diensten die zij, zonder betaling voor den vorst verrichtten, waren lang zoo zwaar niet geweest als deze nieuwe heerendiensten. Maar ten slotte kwam de ervaring die hun leerde dat zij met deze nieuwe heerendiensten ook hun eigen belangen hadden gediend. De cijfers van in- en uitvoer uit de voornaamste haven van Zuid-Bali, Benoa in Badoeng, zijn welsprekend. Een vergelijking van die over 1908 met die over 1911 toont dat de invoer méér dan verdubbeld, de uitvoer bijna verdubbeld is: invoer 1908 voor een waarde van ƒ 646,280; 1911 voor ƒ 1,455,164; uitvoer 1908 voor ƒ 1,141,781; 1911 voor ƒ 2,179,209. Het verschil kon nog sterker zijn als niet oude sleur nog een groot gedeelte van den uitvoer, die van vee vooral, voortdreef langs de gewende hoewel slechte wegen naar de havens in Noord en West. Maar waarschijnlijk zal die gewoonte vanzelf wel uitsterven; te eer nu de nieuwe haven er komt te Serangan tegenover Benoa (eergister werd het Regeeringsbesluit bekend, dat den bouw toestaat) zoodat ook de al grootendeels gebouwde weg van Dèn Pasar naar zee, waarmee gewacht werd tot er zekerheid zou zijn omtrent de haven, nu voltooid zal worden. Vroeger was de handel voornamelijk het bedrijf van vreemde Oosterlingen, Chineezen vooral, die hier woonden als in de handelssteden van middeleeuwsch Europa de Joden, rijk, geminacht en altijd bedreigd met afpersing. Nu zal ook de Baliër zijn deel daaraan krijgen. Het begint al met de copra; in het Karangassemsche zag ik een kelapatuin die zijn eigenaar ƒ 4000 winst opbrengt in ’t jaar; de bewoner van een onaanzienlijk huisje hier te Dèn Pasar zeide mij gemiddeld ƒ 13 per dag te verdienen met den verkoop van copra. Van regeeringswege worden inlichtingen verstrekt omtrent de beste wijze van bereiding. Er zal nog veel meer verdiend worden als de Baliër zijn vruchten den tijd tot rijpen laat, en enkel in de zon inplaats van op het vuur droogt. Het strenge toezicht op den veestapel en het verbod van uitvoer van de beste exemplaren, vroeger roekeloos aan Chineesche en Europeesche opkoopers afgestaan, hebben ook den veerijkdom vermeerderd. En de bemoeienis met den akkerbouw, den rijstoogst. Sedert de vaccinatie is ingevoerd, zijn de pokken verminderd, vroeger hier endemisch, zóó, dat het volk den tijd rekende naar de periodisch terugkeerende hevige uitbarstingen van de ziekte. De dwang tot althans een eerste begin van zindelijkheid werkt gunstig op den algemeenen gezondheidstoestand. Die voordeelen, die de menschen elken dag in de beurs en aan den lijve ondervinden hebben hen gaandeweg verzoend ook met wat hun in het begin hard viel. De heerendiensten trouwens zijn hier niet zwaar. Als er in de weinige jaren sedert de vestiging van het Nederlandsch gezag al zoo zeer veel is verricht op Bali, meer dan in één van de Buitenbezittingen, dan komt dat door de veelheid der handen, die het werk licht maakte. De heerendienstplichtigen komen niet meer dan 40 dagen in het jaar uit: maar zij tellen bij duizenden. Zuid-Bali heeft een bevolking van gemiddeld 175 zielen op de vierkante mijl: 600,000 ruim in het geheel. Evenmin als de belasting in arbeid, drukt de belasting in geld hen zwaar: de landrente over het geheele zuiden van het eiland bedraagt niet meer dan ruim een half millioen. Eene andere belasting wordt in Zuid-Bali van inboorlingen niet geheven.

Het beschavingswerk is, natuurlijk, nog pas in zijn begin. Het wegennet, moet uitgebreid over het geheele eiland: er moet gezorgd voor voldoende, zuiver drinkwater; voor middelen van verkeer, sneller dan de Balische “grobak;” voor uitbreiding van telegraaf en telefoon; voor scholen—de weinige die er reeds zijn, kunnen de aantallen van onderwijs begeerenden niet bergen—; voor geneeskundige hulp, die altijd door verlangd wordt door veel meer zieken dan geholpen kunnen worden. Zeker moet ook, op den duur, rechtsgelijkheid verkregen: de triwangsa, die over het algemeen niet meer dan 5 pct. van de geheele bevolking uitmaakt, geniet, ondanks alle sedert kort ingevoerde beperkingen, toch nog altijd groote voorrechten boven het Kaoela-volk, dat langzamerhand ongeduldig wordt onder dien door niets meer gemotiveerden toestand. Daarmee zou tegelijk de hardheid vervallen, waarmede kastevermenging wordt gestraft, zelfs nu nog, nu het Hollandsche bestuur de doodstraf van vroeger heeft vervangen door verbanning. En zoo is er nog veel begeerlijks, dat de Baliër het recht heeft van den Hollander te verwachten, om niet eens—als iets dat vanzelf spreekt—te noemen den plicht om den inboorling te beschermen tegen mogelijke verdrukking door de overmacht van het Europeesche kapitaal, als het zich eenmaal hier gevestigd zal hebben. Niemand kan ook de schoonheid aanschouwen van de Balische kunst in architectuur, tooneel en dingen van dagelijksch gebruik, zonder den wensch, dat alles beschermd moge blijven tegen ongunstige invloeden uit het Westen. Met die bescherming is gelukkig al een begin gemaakt: van den assistent-resident van Badoeng is een plan uitgegaan—en door alle poenggawa’s van het rechtstreeks bestuurde gebied zoo goed als door de “zelfbesturen” is het met instemming aanvaard—om te Dèn Pasar een museum te stichten, een complex van gebouwen, dat een model van Balische architectuur en een schatkamer tevens zal zijn van Balische kunst. Elk landschap zal er zijn eigen gebouw hebben, in zijn eigen trant opgetrokken, waarin zijn eigenaardige stijl in voorwerpen van dagelijksch gebruik een uiting vindt en de voortbrengselen van zijn nijverheid tentoongesteld worden. Het zal geen doode verzameling wezen van allerlei en nog wat. De tempel, die erbij behoort, zal open staan, als elke poera; en het groote bad, de “pantjoeran,” wordt ingericht voor dagelijksch gebruik. De opbrengst van het voor verkoop tentoongestelde zal dienen voor onderhoud van het museum, waarvoor men vreemdelingenbezoek mag verwachten, zoodra wegen voltooid en een nu nog zoo goed als ten eenenmale ontbrekende gelegenheid tot verblijf tot stand gebracht zal zijn. En dat aldoor aanschouwde en door vreemden bewonderde voorbeeld van zijn eigen kunst zal, zoo mag men hopen, helpen om den Baliër te beschermen tegen navolging van uitheemsche wansmakelijkheden.

Dit alles is zeer te hopen en zeer goed te bereiken ook: in het geheel geen onbenaderbaar ideaal. Maar er voor noodig is, behalve inzicht en goede wil, kracht: een kracht, die oneindig grooter moet worden dan zij nu nog is, om werkelijk iets blijvends tot stand te kunnen brengen. Er zijn hier mannen noodig en vrouwen ook, die hart hebben voor het werk der beschaving, het schoonste, dat de Westerling in het oude Oosten volbrengen kan, en het éénige dat zijn verovering en zijn tijdelijk bezit van des Oosterlings land rechtvaardigt.

Mochten zij toch, en spoedig, komen!