Hoofdstuk VI.

Goud, en hoe zij dat leerden gebruiken.

Eindelijk werkten de tijd en de omstandigheden samen, om de eilandbewoners tot een oplossing van hun moeilijkheden te brengen. Een man, die op een goeden dag eens door een ravijn wandelde, raapte daar een stuk schitterend metaal op. Hoewel het blijkbaar langen tijd in het zand had gelegen, en daardoor voortdurend was blootgesteld aan de atmospheer, terwijl het water het bespoelde en tegen de rotsen schuurde, had het een opvallenden glans en kleur en hoemeer men het opwreef, hoe mooier het werd. Dit kleine stukje metaal, dat later “goud” werd genoemd, nam de man mee naar huis voor zijn vrouw, die er zoo mee in haar schik was, dat zij het aan een ketting om haar hals hing als sieraad. Natuurlijk wekte het mooie voorwerp den naijver op van alle ander vrouwen tegelijk met den wensch om ook zooiets te bezitten; verschillende menschen gingen zoeken in het ravijn en meerdere korrels werden ontdekt. Bij een nauwkeurig onderzoek van het nieuwe metaal bleek bovendien, dat het nog vele andere merkwaardige eigenschappen bezat behalve glans. Men ontdekte, dat het gemakkelijk gesmolten en gegoten kon worden, en dat het ook zonder hitte zeer goed vervormd kon worden door persing en hamerslagen, en dat het, eenmaal gegoten, vervormd of geperst, blijvend den vorm of indruk behield, die men er aan had gegeven. Verder, dat men het tot de fijnste draden kon uitspinnen en in de dunste plaatjes en blaadjes kon hameren, en dat men het kon buigen en kneeden zooveel men wilde, zonder dat het brak; dat het onmiddellijk van kleur veranderde, zoodra men het maar even vermengde met een ander soort stof, zoodat de kleur een haast onfeilbaar middel bleek te om zijn zuiverheid te toetsen1; dat vuur, water, lucht en bijna alle inwerkingen, die verderfelijk zijn voor andere stoffen, er weinig of geen invloed op hadden, dat een klein stuk, afgezien van omvang en gewicht, precies dezelfde eigenschappen bezat als een groot stuk, en dat, wanneer men een groot stuk verdeelde in een groot aantal kleinere, deze laatste op hun beurt gemakkelijk en zonder dat er iets verloren ging, weer tot een geheel vereenigd konden worden. Natuurlijk maakte de ontdekking van al deze merkwaardige eigenschappen in één stof vereenigd het metaal zelf nog eens zoo nuttig en waardevol in de oogen der eilandbewoners en hun wensch om ervan te bezitten werd steeds grooter. In plaats van het in ruwen staat te dragen als versiersel, werd het omgesmeed in ringen, armbanden, kettingen, etc. Het bleek bijna onmisbaar te zijn voor een groot aantal mechanische en chemische doeleinden, en tenslotte steeg de algemeene bewondering voor het goud en het verlangen er naar tot zulk een hoogte, dat het voor velen in waarheid bijna een voorwerp van aanbidding werd.

Als iemand een heiden was, dan meende hij den God, dien hij aanbad, niet beter te kunnen eeren dan door hem een beeld uit goud te vervaardigen; als hij een Christen was, koos hij goud voor de fabricatie van zijn symbolische vaten en ornamenten, omdat het van alle stoffen de zuiverste, duurzaamste en kostbaarste was. Als een regeering of een volk de daden van een nationalen held of staatsman wilde herdenken, stempelde het hun beeltenissen op gouden medailles; als er een gevleugeld woord verkondigd werd, dat als leefregel de algemeene goedkeuring wegdroeg, werd het een “gouden spreuk” genoemd; als een wet of voorschrift waardig geacht werd om door alle tijden heen in de herinnering van een volk bewaard te blijven, werd het in gouden letters vereeuwigd, terwijl voor redevoeringen, profetiën en gedichten ditzelfde metaal een nooit uitgeputte bron vormde voor de mooiste vergelijkingen en figuurlijke omschrijvingen. In het kort: van het oogenblik af, dat het voor den eersten maal ontdekt werd, is het goud in alle landen voor rijken en armen, voor nederigen en machtigen, wilden en beschaafden, onwetenden en geleerden, van alle stoffen bij uitstek die geweest, welke door de meeste menschen het allermeest begeerd werd; degene, waarvoor zij, onder de meeste omstandigheden, al hun overige stoffelijke bezittingen wilden geven; en om het te verkrijgen, zijn zij zelfs bereid geweest om afstand te doen van onstoffelijke dingen van grootere waarde,—eer, geloof, zedelijkheid, gezondheid, ja, het leven zelf.

Toen het goud zoodoende het voorwerp van ieders begeerten werd op het eiland en het ruilbaar werd voor ieder ander ding, verkreeg het weldra van zelf een overal geldende koopkracht en werd het vanaf dat oogenblik geld.

Deze koopkracht stond in het begin nog volstrekt niet vast en was ook geenszins bestendig. Zoolang er slechts een kleine hoeveelheid goud was, was zijn koopkracht groot, maar toen de hoeveelheid, die aan de rotsen onttrokken of uit het zand gewasschen werd, aangroeide en den dorst van het volk er naar meer en meer verzadigde verminderde zijn koopkracht of waarde; en als de voorraad grooter was geweest en de vraag beperkt was gebleven tot binnen de grenzen van het eiland, dan zou zijn waarde op den duur ongetwijfeld niet grooter zijn geweest dan die van koper of ijzer of zelfs niet eens zoo groot. Maar, merkwaardig genoeg, bleef die groote toevloed niet aanhouden. De voorraad, die men in het begin en zonder veel moeite had verkregen, bleek ontstaan te zijn door een eeuwenlange verweering en bespoeling der rotsen; en toen, zooals weldra gebeurde, de gemakkelijk bereikbare voorraden aan de oppervlakte uitgeput raakten, werden de omstandigheden, die den toevloed van het goud bepaalden, totaal anders. Er was evenwel volstrekt geen gebrek aan goud. Inplaats van een zeer zeldzaam metaal, bleek het zelfs zoo algemeen verspreid te zijn, dat de scheikundigen en metallurgisten weldra sporen van goud ontdekten in welhaast ieder uitgestrekt bed van klei en zand, dat zij onderzochten.2 Maar aan den anderen kant bewees de ervaring, dat het niet alleen heel wat werk van de meest onaangename en uitputtende soort kostte, om een eenigszins aanzienlijke hoeveelheid van dat metaal te verkrijgen, maar eveneens een groot aantal andere artikelen. Met het gevolg dat velen, die aanvankelijk hun verschillende bezigheden, zooals kleeren maken, tarwe verbouwen, schepen bouwen, broodbakken en steenen muren en schoorsteenen maken, hadden neergelegd om goud te gaan delven, weldra tot de ontdekking kwamen, dat zij voor de gemiddelde opbrengst van een dag gouddelven niet meer nuttige of begeerenswaardige artikelen—voedsel, drank, kleeren, etc.—konden krijgen, dan voor de opbrengsten van een gelijke hoeveelheid arbeid besteed aan de meest gewone bezigheden; en de meesten gaven zelfs, op grond van hun persoonlijke ervaringen, volmondig als hun oordeel te kennen, dat men met ieder ander beroep beter en gemakkelijker zijn brood verdienen kon dan met goud zoeken.3

Daarom verlieten de bekwaamste arbeiders na eenigen tijd de goudvelden om terug te keeren naar hun vroegere bezigheden; en hun voorbeeld werd door zoovelen der minder bekwame arbeiders gevolgd, dat de velden weldra geheel verlaten zouden zijn, waren er niet nog altijd menschen geweest, die aangemoedigd werden door de hoop, dat de vondst van een grooten klomp hen opeens rijk zou maken, zooals wel eens gebeurde. Zooals de zaken nu stonden nam de toevloed van goud sterk af en daar de vraag er naar niet verminderde, ging de koopkracht van den aanwezigen voorraad ten opzichte van andere artikelen langzamerhand naar boven, totdat het bleek, dat de gemiddelde opbrengst van een dag gouddelven grooter was dan die van evenveel werk in andere bedrijven. Maar zoodra dit bekend werd ging er een nieuwe toevloed van arbeidskracht terug naar de goudvelden, zoolang totdat de opbrengsten van het goudgraverswerk en die van andere soorten arbeid weer tegen elkander opwogen. En deze wisseling van beroepen, waardoor de opbrengsten van verschillende soorten arbeid voortdurend vereffend werd, duurde jaar in jaar uit voort, totdat tenslotte het volk als ’t ware instinctief besefte, dat een gegeven hoeveelheid goud constanter een gegeven hoeveelheid of een zekeren graad of soort van menschelijken arbeid of inspanning vertegenwoordigde dan iedere andere stof. En tegelijkertijd, dat zij dit beseften, werd het den eilandbewoners ook voor het eerst duidelijk, dat het goud nu, behalve de algemeene ruilbaarheid of koopkracht, die het al eerder van zelf had gekregen door de omstandigheid, dat iedereen het wenschte te bezitten van het oogenblik af dat het voor het eerst ontdekt was, nog twee andere eigenschappen veroverd had, die het meer dan iets anders geschikt maakten om als geld te dienen, namelijk en ten 1e, dat het een standaardmeter van waarde was geworden, waarmee men, evenals met een duimstok, de betrekkelijke waarde van alle andere goederen kon meten of schatten; en ten 2e, dat zijn waarde op zichzelf zóó constant en van blijvenden innerlijken aard was, zelfs onder omstandigheden, die de waarde van de meeste andere artikelen vernietigen zouden, dat iemand, die goud bezat, onmogelijk een beteren waarborg kon krijgen voor de blijvende waarde van zijn kapitaal tot in lengte van dagen, dan door het in dienzelfden vorm in zijn bezit te behouden.

Het meest practische ruilmiddel houdt stand.

Het meest practische ruilmiddel houdt stand.

Er was wel geen deel der bevolking van het eiland, die deze laatste eigenschap van het goud zoozeer als een zegen beschouwde, als de arme oude mannen en vrouwen. In den regel verdienden deze oudjes niet veel meer dan zij voor hun levensbehoeften van iederen dag noodig hadden en natuurlijk waren zij altijd bang, dat het kleine beetje geld, dat zij hadden overgelegd, in waarde achteruit zou gaan door het bewaren, vóór het oogenblik waarop zij het bijzonder noodig mochten hebben om den dokter en medicijnen te betalen of om hun een fatsoenlijke begrafenis te bezorgen. Het kauri-geld, dat zij vroeger ten koste van persoonlijke ontberingen en harden arbeid verzameld hadden, was tenslotte door het te bewaren tot een hoopje waardelooze schelpen geworden; het kralengeld was waardeloos geworden, toen het uit de mode geraakte, het veegeld moest iederen dag gevoed worden om het voor groote waardevermindering te behoeden, terwijl het iedere nacht gestald moest worden om te verhinderen, dat het wegliep; het tarwegeld was altijd onderhevig aan beschadiging door vocht of ongedierte, terwijl twintig pond ruw ijzer een te zware vracht bleken te zijn voor hun oude ledematen om naar een winkel te dragen, telkens wanneer zij een stuk goed of een beetje tabak wilden koopen. Maar hier was eindelijk iets, dat volkomen voldeed aan alle behoeften van hun toestand en waarvan zij zeker konden zijn, dat zij er altijd gemiddeld dezelfde hoeveelheid dingen van allerlei soort voor zouden kunnen krijgen, of zij het nu al begroeven in de aarde, waar het altijd vochtig zou liggen, of dat zij het in den schoorsteen stopten, waar het altijd verhit en berookt zou worden; of zij aan den eenen kant van het eiland onder de Heidenen of aan het andere einde onder de Christenen woonden, en dat, wanneer zij het in betaling voor diensten en artikelen aanboden aan een dokter, een advocaat, een koopman, een drogist, een begrafenis-ondernemer, een metselaar of een kleermaker, aan een Yankee, een Ier, een Hollander, een Turk of een Hindoe, aan den Gouverneur van Ohio of aan een senator van Indiana, nooit zou één van deze menschen het noodzakelijk achten om eerst in een boek te kijken, of een wet na te slaan, of in den Bijbel te lezen of in de besluiten van het laatste Congres van Politieke Conventie te gaan snuffelen om te weten te komen, hoeveel het waard was en of het wel secuur was om het aan te nemen en te bewaren.

Er was een heel wijs man op het eiland, die zich verzette tegen het gebruik van goud als geld, omdat hij bang was, dat de arme oude vrouwtjes er hun afgedankte kousen mee vullen en het oppotten zouden, om de zekerheid te hebben, dat zij altijd iets van onveranderlijke waarde in hun bezit hadden4. Maar spoedig werd hem het zwijgen opgelegd door iemand, die hem vroeg, waarom men die oude vrouwtjes niet zou veroorlooven om zelven iets te bewaren, waarop zij altijd konden rekenen in kwade tijden, wanneer zij dat nu eenmaal wenschten en wanneer het bezit daarvan hun rustiger deed slapen? en welke reden hij feitelijk had om er tegen te zijn dat die oude vrouwen goud oppotten, wanneer het tenminste niet in zijn bedoeling lag om de arme menschen te plagen en te benadeelen door hen te dwingen om hun zuur verdiende spaarduitjes te bewaren in den vorm van artikelen, waarvan de waarde niet zeker was en die misschien in het geheel geen waarde meer zouden hebben, als de tijd kwam om den dokter of den begrafenis-ondernemer te betalen?

Toen de menschen op het eiland voor het eerst begonnen het goud als geld te gebruiken, liepen zij er soms mee rond in den vorm, waarin het gevonden was: hetzij als stofgoud of schilfers, die zij in pijpjes bewaarden, of als korrels in zakken; of zij smeedden het om tot groote brokken en bonken5; en daar de koopkracht van het goud altijd in overeenstemming was met zijn gewicht en zuiverheid, droeg iedereen kleine weegschaaltjes en toetssteenen bij zich, waarmee hij het goud keurde alvorens er een ruil mee aan te gaan (dit is tegenwoordig nog de gewoonte in China). Maar aan deze methode waren groote bezwaren verbonden en ofschoon de getuigenis van een erkend eerlijk man, dat hij de waarde getoetst had van het goud, dat hij als betaling aanbood, algemeen voor de daad werd aangenomen, zoo moest men toch ook toegeven, dat het volstrekt geen grootere onrechtmatigheid of onbeleefdheid was van de zijde van den kruidenier, wanneer deze het geld van zijn klant woog en toetste, dan er stak in de gewoonte van dien klant zelf om het zout en de suiker van den kruidenier te keuren door het te proeven. Zooals te begrijpen is, kostte het zoodoende heel wat tijd om den gewoonsten koop te sluiten, en overal gaf dit aanleiding tot klachten en schreven de menschen er brieven over naar de couranten. Kooplieden, die erg voorzichtig en precies waren, gaven hun klanten daarmee ergernis, en kregen den naam van zeer veeleischend en wantrouwend te zijn, terwijl kooplieden, die maar weinig kapitaal hadden en die zaken tot zich wenschten te trekken, adverteerden, dat het woord van hun klanten hun voldoenden waarborg zou zijn om hun goud te accepteeren. Maar deze laatsten gingen allen vroeger of later failliet, doordat zij onophoudelijk bedrogen werden. Ten slotte kwam een reeks van gelukkige omstandigheden de eilandbewoners in deze moeilijkheid te hulp.

Robinson Crusoe was eenige jaren tevoren op zeer hoogen leeftijd gestorven; en ook Will Atkins en alle zeelieden, die met hem uit andere landen naar het eiland waren gekomen, waren dood; zoodat er nu geen menschen meer op het eiland waren, die ooit iets hadden gehoord of gezien van gemunt geld. Maar op een goeden dag stootte een groep werklieden, die bezig waren met het maken van wegen, op de oude grot, waar Crusoe eerst gewoond had, toen hij aan de schipbreuk ontkomen was, en in het stof onder den vloer ontdekten zij de drie groote zakken geld, die Crusoe in de kast had gevonden en die hij in zijn verachting begraven en totaal vergeten had. Iedereen zag dadelijk, dat de metalen voorwerpen in die zakken van goud waren, en was even bereidwillig om daarvoor andere artikelen te ruilen met de vinders, als voor ander goud.

Maar waarom het in den vorm van platte ronde schijven moest zijn en gestempeld met opschriften en afbeeldingen, dat was voor iedereen een raadsel; en het Oudheidkundig en Philosophisch Genootschap riep een bijzondere vergadering bijeen om dit onderwerp te bespreken. Sommigen, die alleen één kant van de geldstukken bekeken, dachten, dat het medailles waren, geslagen om een bijzonderen man te herdenken, of ook een vrouw, wier naam vaak “Liberty” scheen te zijn. Anderen, die alleen den anderen kant bestudeerden, meenden, dat zij zeker gemaakt waren met de bedoeling om de groote tegenstelling tusschen een leeuw en een eenhoorn aan te toonen of om het volk vertrouwd te maken met de eigenaardigheden van den een of anderen onnatuurlijken vogel of een ander dier, dat men, daar het niet geleek op eenig bestaand wezen of voorwerp, hetzij in de hemelen of op aarde, of in de wateren onder de aarde, misschien mocht aanbidden, zonder daarmee een zonde te begaan.

Ten slotte, nadat de platte schijven of munten eenigen tijd in omloop waren geweest en de gemeenschap bemerkt had door herhaaldelijk toetsen en wegen, dat iedere schijf een bepaald constant gewicht van goud van gelijke zuiverheid vertegenwoordigde, kwam men plotseling op de gedachte, dat de eenige bedoeling van die fantastische figuren en inscripties op de schijven moest zijn, om officieel het feit van hun eenheid van gewicht en waarde te betuigen, en toen verbaasden allen zich er over, dat zij zoo dom hadden kunnen zijn om niet eerder op dat idee te komen en het toe te passen, inplaats van iedereen zijn goud te laten wegen, snijden en toetsen, iederen keer dat hij het wilde afgeven of ontvangen om er een koop mee te sluiten. Men begon daarom dadelijk met een openbaar instituut op te richten—later een Munt genoemd—waarheen ieder, die het wenschte, zijn goud brengen kon om het weer terug te krijgen nadat het gegoten was in passende stukken van bepaald gewicht en fijnheid; terwijl de getuigenis, dat het gewicht en de qualiteit van ieder stuk op die manier gekeurd was, in geijkte kenteekenen op het metaal werd aangegeven. En op deze wijze kwam “gemunt geld” voor het eerst in gebruik op het eiland. En nu had ook het geld, dat Robinson Crusoe in de kast had gevonden en dat, toen het voor den eersten maal in zijn bezit kwam, nut noch waarde had en evenmin kon dienen als een standaard of waardemeter, langzamerhand al deze verschillende attributen verkregen: nut, zoodra de grondstof, waaruit het bestond, aan eenig menschelijk verlangen kon voldoen, hetzij als sieraad of als een symbool van aanbidding of voor het een of ander mechanisch of chemisch doel; waarde (uitsluitend een gevolg van arbeid) toen het een voorwerp van of een equivalent in ruilhandel werd of het vermogen verkreeg om er andere dingen mee te koopen; een standaard of waardemeter, toen zijn koopkracht tengevolge van verschillende omstandigheden zoo niet volkomen bestendig dan toch tenminste over het algemeen bestendiger bleek te zijn dan die van eenig ander artikel.

De herschepping van geld in munt was iets zuiver kunstmatigs en het gevolg van een wet of een verordening, waarvan het eenige doel was om het geld (dat tevoren al in omloop was) zoo geschikt mogelijk te maken voor het gebruik. Maar, zooals reeds werd aangetoond, het geld zelf kwam in eerste instantie in gebruik zonder wettelijke bepalingen en ontstond als het ware van zelf door de werking der menschelijke instincten; en toen men later aan het goud als geld-materiaal den voorkeur gaf boven ieder ander artikel, deed men dit om soortgelijke redenen, als waarom de menschen zijde, wol, vlas en katoen kiezen als materiaal voor kleeding, en steen, baksteen en timmerhout als materiaal voor huizen. Het was nu eenmaal van alle stoffen het meest geschikt voor dit bijzondere doel.

De invoering en het gebruik van gemunt geld hadden dadelijk een groote opleving in zaken tengevolge en deze nieuwe uitvinding maakte de menschen rijker, omdat zij tijd en werk uitspaarde bij het handeldrijven en iedereen vrijwaarde van de kosten en moeite, die het koopen en het bij zich dragen van een weegschaal en ander keuringsmateriaal veroorzaakten. De eenige menschen, die ontevreden waren over deze nieuwe instelling, waren de weegschaal-fabrikanten, wier bedrijf nu bijna stilstond, en zij richtten derhalve een verzoekschrift aan de overheid, of deze hun belangen niet kon beschermen door een wet uit te vaardigen, die alle menschen zou dwingen om hun geldstukken te wegen op weegschalen alvorens ze in ruil te geven, zooals zij vroeger met hun ongemunt goud deden. Maar aangezien iedereen dadelijk inzag, dat zulk een wet gelijk zou staan met alle handelaars te dwingen tot nutteloos werk, had het verzoekschrift geen resultaat.

Voor het gemak bij het spreken en schrijven kreeg ieder goudstuk of munt van bepaald gewicht en fijnheid, dat geregeld door de munt werd uitgegeven, ook een eigen naam en werd op ieder een bepaald devies gestempeld. Zoo werd bijvoorbeeld het kleinste geldstuk, dat 25.8 grein standaardgoud bevatte en dat de beeltenis droeg van Crusoe’s ouden, trouwen dienaar, een “Vrijdag” genoemd; een stuk van tienmaal het gewicht en de waarde van een Vrijdag met een afbeelding van den stichter der gemeenschap op het eiland, heette een “Crusoe”, en een stuk, dat tweemaal zooveel woog als het laatste of twintig maal zooveel als het eerste, met een groot portret er op, heette een “Robinson Crusoe” of een “dubbele Crusoe”. Eenigen tijd later, toen het eiland over de geheele wereld algemeen bekend werd, bleek het, dat deze munten in gewicht, fijnheid en waarde precies overeenkwamen met die, welke ingesteld waren in dat vreemde land, dat “de Vereenigde Staten” genoemd werd, en die daar bekend waren onder de namen van den gouden dollar, den adelaar en den dubbelen adelaar, en nog wat later nam men op het eiland het besluit, ten einde de beschaving te helpen bevorderen en een grootere toenadering te bewerkstelligen tusschen de verschillende volkeren, om alle eng-nationale gevoelens over boord te werpen en de vreemde namen voor de inheemsche in de plaats te stellen.


1 In een der muntgebouwen is als curiositeit een kastje tentoongesteld, waarin dit feit op de meest treffende wijze gedemonstreerd is. Het bevat vijftig of meer zeer dunne linten of reepen van goud, ieder ½ duim breed tegen drie duim lengte, evenwijdig aan elkaar op een rij geplaatst, maar door kleine tusschenruimten van elkaar gescheiden. De eerste reep is gemaakt van goud van het zuiverste gehalte, de tweede verschilt van de eerste tot ongeveer 1% mengsel met een mindere soort metaal, terwijl de derde 2% van dat andere metaal bevat, de vierde 3%, enz.; totdat in den laatsten reep de hoeveelheden goud en bijmengsel tegen elkaar opwegen. De kleur van den eersten reep is, in den hoogsten zin van het woord, goudkleurig of typisch; de kleur van den tweeden verschilt een zweem van die van den eerste, een verschil dat in iederen volgenden reep duidelijker uitkomt naarmate de verhouding van het bijmengsel, dat in zijn samenstelling optreedt, grooter wordt, en deze kleurverschillen zijn zoo eigenaardig, dat het mogelijk is voor een leek in de metallurgie om betrekkelijk nauwkeurig een gouden voorwerp te toetsen, wanneer hij maar in de gelegenheid is om dit met het zuiverste goud te vergelijken, eenvoudig weg door een vergelijking der kleuren.

2 In 1862 gaf Mr. Eckfelt, destijds eerste essayeur aan de Munt van Philadelphia aan de American Philosophical Society een verslag van de uitkomsten van enkele uiterst merkwaardige onderzoekingen, die de zeer groote verspreidheid van het goud bewezen hadden. De stad Philadelphia, verklaarde hij, is gebouwd op een bed van klei, dat een oppervlakte heeft van pl.m. tien vierkante mijlen, terwijl de diepte ten naastenbij geschat wordt op om en bij vijftien voet. Monsters van deze klei—uit de natuur genomen op verschillende localiteiten, die naar alle waarschijnlijkheid een goeden maatstaf van het geheel opleverden, zooals de kelder van de markthal in Marketstreet, en een steenbakkerij in een der voorsteden—gaven allen, bij zorgvuldige ontleding, kleine bedragen goud af; het gemiddelde bedrag werd aangegeven als 7/10 van een grein—of ongeveer de waarde van 3 Amerikaansche centen— goud van iederen kubieken voet klei. Aan de hand van deze gegevens nam Mr. Eckfelt aan, dat er een waarde van $ 128.000.000 onder de straten en huizen van Philadelphia begraven moet liggen, of wanneer wij alle klei, die zich in andere gemeenten bevindt, meerekenen, dan moet de hoeveelheid goud hierin aanwezig gelijk zijn aan alles wat tot nu toe verkregen is uit Californië en Australië.

“Hieruit volgt ook,” zegt Mr. Eckfelt, “dat er iederen keer, als er een karrevracht klei uit een kelder van Philadelphia gehaald wordt, genoeg goud mee wordt opgegraven om voor het vervoer te betalen; en als de baksteenen, die de voorgevels vormen van onze huizen, al het goud, dat zij bevatten, in den vorm van bladgoud aan hun oppervlakte konden brengen, dan zou men twee vierkante duimen van het oppervlak van iederen baksteen zien schitteren van goud.”

3 Aan den Rijn, nabij Straatsburg, kan een goed werkman gemiddeld 1 fr. 75 per dag verdienen door goud te wasschen uit het zand van de rivier, maar daar hij onder gewone omstandigheden tien sous meer kan verdienen door op de akkers langs de rivier te werken en daarbij minder gevaar loopt om rheumathiek te krijgen, wordt het goudwasschen aan den Rijn niet vaak als een geregeld beroep uitgeoefend.

4 “En als die vervanging heeft plaats gehad (van een zilveren voor een papieren pasmunt), wat zal dan het gevolg zijn? Het metalen geld in omloop zal aanmerkelijk verminderd moeten worden, of iedere oude vrouw in het land zal er haar kousen mee vullen en het begraven. Het zal opgepot worden, mijnheer, opgepot op een manier, die millioenen aan de circulatie van het land zal onttrekken.” De generaal hield op, staarde naar een naburig dorp, dat in een gordijn van regen gehuld was, kauwde heftig op zijn sigaar en verviel tot stilzwijgen.—Interview van een dagbladreporter met Generaal Butler, September 1875.

5 Ongemunt goud en in ruwen staat was tot kort geleden als geld in gebruik in sommige deelen van Californië, Mexico en aan de Westkust van Afrika.

Hoofdstuk VII.

Hoe de bewoners van het eiland besloten om een eerlijk en vrij volk te zijn.

Thans was het zaak om eens te gaan nadenken over de wetten, die het handeldrijven en het gebruik van geld zouden moeten regelen. Er waren enkele menschen, die wilden dat er wetten zouden worden uitgevaardigd, waarbij iedereen gedwongen zou worden om alles wat hij bezat te verkoopen, wanneer hem daarvoor een nominaal of werkelijk equivalent werd aangeboden in datgene, wat de staat voor geld zou verklaren; en zij wilden ook wettelijk vastgesteld hebben, dat iemand, die artikelen of diensten van een ander had gekocht met de belofte daarvoor na eenigen tijd te betalen, die schuld geheel mocht afbetalen met datgene wat door den staat geld werd genoemd, onverschillig of terzelfdertijd, de mannen, die de Munt onder hun beheer hadden, om de een of andere reden de helft van het kostbare goud uit de munt genomen hadden en daarvoor in de plaats betrekkelijk waardeloos lood hadden gedaan.

Maar ter eere der eilandbewoners dient gezegd, dat deze voorstellen een weinig gunstig onthaal vonden. Zij zeiden: “wij willen een eerlijk en ook een vrij volk zijn en daarom zal ieder, die iets wil koopen of verkoopen, precies doen, waartoe hij zich verbonden heeft, tenzij hij wegens onvoorziene of onvermijdelijke omstandigheden volkomen onmachtig is om zijn overeenkomst of zijn contract na te komen. En zij zeiden verder: “wanneer iemand artikelen of diensten ontvangt en belooft hiervoor na vijf jaar of vijf minuten een afgesproken hoeveelheid goud, tarwe, kabeljauw of koolen van een bepaalde qualiteit terug te geven, dan zal het (en volkomen terecht) als oneerlijk worden beschouwd om te probeeren deze verplichting af te doen door ruw ijzer aan te bieden inplaats van goud, erwten of boonen inplaats van kabeljauw of pompoenen inplaats van kooien; en iedere natie, die op de een of andere wijze zulk een ontduiking van de letter of den geest van haar verplichtingen bekrachtigt, kan er zich niet op beroemen een eerlijk, christelijk volk te zijn; en een gemeenschap, die wetten uitvaardigt en handhaaft, die iemand dwingen om, in ruil of betaling voor zijn diensten of producten, iets te ontvangen, dat niet in zijn contract genoemd stond en dat hij zonder dien dwang niet zou willen aannemen, zulk een gemeenschap heeft geen recht om zichzelf een vrij volk te noemen. Daarom besloten de bewoners van het eiland, dat zij de overheid van hun land alleen de vrijheid van ingrijpen in den handel zouden toestaan, buiten de volgende bepalingen om: dat het ruilmiddel en de waardemeter, dien zij ingesteld en een Vrijdag of een dollar genoemd hadden, altijd en onder alle omstandigheden 25,8 grein standaardgoud moest bevatten; dat van dezen standaard nooit mocht worden afgeweken en dat niemand tot het gebruik van dit betaalmiddel gedwongen zou worden; maar, wanneer iemand beloofde te betalen of geld te geven, zonder nader te omschrijven of dit geld zou zijn wampum-geld, kralengeld, veegeld, goudgeld of een ander bijzonder soort van geld, dan zou het officieele geld, door de overheid van het eiland uitgegeven, als het bedoelde betaalmiddel beschouwd worden. Kortom, als verstandige menschen maakten de eilandbewoners de gevolgtrekking, dat het, zoolang zij in het algemeen gebruik een goed en betrouwbaar soort van geld handhaafden, hetwelk op zijn oppervlakte de getuigenis (gemakkelijk te ontcijferen en bij ieder bekend) droeg van zijn waarde of koopkracht, vrijwel onnoodig was om de wetboeken vol te schrijven met bepalingen over een wettig betaalmiddel. Zij zouden dat maar liever overlaten aan andere en wijzere menschen, dan zijzelf, die geld wilden gebruiken, dat alleen kon circuleeren, wanneer het de een of andere kunstmatige kracht of werking achter zich had, die het deed rollen.

Hierna liep een tijdlang alles wat tot den handel in betrekking stond even goed van stapel op het eiland. Weliswaar waren er slechte menschen, die artikelen en diensten op crediet verkregen, die zij niet van plan waren ooit te betalen, zorgelooze en verkwistende menschen, die meer kochten dan zij konden betalen, en dwaze en wat al te goed vertrouwende menschen, die, nadat zij door arbeid en spaarzaamheid een flinken voorraad artikelen bijeen gezameld hadden, deze ruilden voor aandeelen in ondernemingen, die nooit rendeeren konden. En indien iemand dan op een van deze wijzen de opbrengst van harden arbeid verloor, dan was hij natuurlijk terneergeslagen; hij verloor het vertrouwen in zijn medewerkers, en dacht dat de tijden en zaken er wel op zouden verbeteren, wanneer hij alle beambten van zijn kantoor op straat zette en door nieuwe liet vervangen. Maar niemand op het eiland geloofde ook maar voor een oogenblik, dat er een anderen weg bestond om het verloren geld op eerlijke wijze terug te krijgen, dan om door ijver en spaarzaamheid een nieuwen voorraad nuttige artikelen te verzamelen, waarvoor geld gekocht kon worden; en niemand, die ooit iets te verkoopen had, dat andere leden der gemeenschap wenschten te bezitten en die er een goed equivalent voor in de plaats konden geven, was ooit verlegen om geld of om een afzetgebied, terwijl er aan den anderen kant geen sprake van was, dat iemand, die niets te verkoopen had, wat de gemeenschap wenschte of kon betalen, er ooit in zou slagen om geld of een afzetgebied te verkrijgen.

Hoofdstuk VIII.

Hoe de bevolking van het eiland het gebruik van papiergeld invoerde.

Naarmate de tijd verstreek, kwamen er langzamerhand veranderingen in de methode van zaken doen op het eiland. In plaats van zooals eerst een afgezonderd en onbekend volk te zijn, werd hun bestaan als een georganiseerde, beschaafde staat meer en meer over de geheele wereld bekend, en er ontstond een levendig internationaal handelsverkeer uit de gewoonte om producten van het eiland te ruilen tegen producten van andere landen. Aan iederen kant van het eiland was een voortreffelijke haven, en natuurlijk hoopte de bevolking zich bij deze plaatsen opeen en bouwde zij er twee zeer belangrijke steden. Het middengedeelte van het eiland daarentegen werd ingenomen door hooge bergreeksen, bedekt met dichte wouden, waarin de reizigers, die tusschen de beide steden heen en weer reisden, dikwijls beroofd werden van al het goud, dat zij bij zich droegen. Om dit gevaar te voorkomen en om de noodzakelijkheid om goud bij zich te dragen te vermijden, stelden de menschen, die aan verschillende uiteinden van het eiland woonden, een systeem in om geschreven orders op elkander uit te geven voor geld, dat ieder wederkeerig belofte uit te betalen aan den persoon, wiens naam op de order of wissel geschreven was; en daarna sloten zij niet zelden hun rekeningen af door de eene order of betaling tegen een andere te verrekenen. Op deze wijze werd waarde of koopkracht over groote afstanden overgebracht op een veel goedkoopere en gemakkelijkere wijze dan door overbrenging van het goud zelf kon geschieden; en het was tevens een veel veiliger methode, daar de dieven geen gebruik konden maken van de wissels, ook al kregen zij die in handen. En zoo gebeurde het, dat de menschen op het eiland kennis maakten met datgene, wat later bekend werd onder den naam van “wisselbrieven1.

Deze kunstgreep, waardoor arbeid uitgespaard en gevaar vermeden werd, bleek bovendien zooveel practisch nut te hebben, dat men weldra op de gedachte kwam om het grondprincipe van den wisselbrief zoodanig uit te breiden, dat het voor ieder in het algemeen overbodig zou zijn om goud bij zich te dragen. Voor dit doel werd een openbaar kantoor gesticht, waar de menschen hun goud in bewaring konden geven onder toezicht van den Staat om voor het gestorte bedrag een kaartje of reçu te ontvangen, dat op vertoon weer in metalen munt betaalbaar was, en deze kaartjes werden, alleen doordat iedereen wist, dat zij naar believen in goud konden worden omgezet en dat er geen kaartjes werden uitgegeven voor meer goud dan er in werkelijkheid gedeponeerd was, weldra als evengoed en solide beschouwd als het goud zelf, en bovendien waren zij veel gemakkelijker in het gebruik. Zoo ontstond het papiergeld (Engelsch: currency van het Latijnsche currere = loopen) op het eiland en kwam het in gebruik als een plaatsvervanger van het geld2. De naam, die men aan deze reçus aanvankelijk gaf, was eerst “bank-credietpapier” en later “bank-biljetten”, maar na een poosje kregen de menschen de gewoonte om er over te spreken als van “papiergeld”. Maar deze laatste term was, zooals iedereen moest toegeven, alleen een spreekwijze en eigenlijk een zeer slechte uitdrukking, want ieder verstandig mensch zag dadelijk in, dat een belofte om een artikel af te leveren of een erkenning van de ontvangst van, of een aanspraak op een voorwerp onmogelijk dat artikel of voorwerp zelf kon zijn: evenmin als de schaduw van een lichaam dat lichaam zelf is, of de afbeelding van een paard een echt paard of de geur van een goed maal hetzelfde als het werkelijke maal.

Een schaduw is geen stoffelijk voorwerp.

Een schaduw is geen stoffelijk voorwerp.

Niettemin; als een hulpmiddel om goederen, welke dienst deden als geld, over te dragen en om het onvermijdelijke verlies en beschadiging van die goederen door hanteering en transport te voorkomen, was het papieren geld een belangrijke uitvinding en daar het bovendien altijd vertegenwoordigd, of zooals wij het mogen uitdrukken, gedekt werd door dat artikel, dat het minst van alle dingen in waarde op en neer gaat, namelijk goud, beantwoordde het volkomen aan het doel van geld, zonder het feitelijk te zijn. Daardoor leverde het tevens een nieuw doorslaand bewijs van de superioriteit van het artikel goud om te dienen als geld of als een voorwerp van waarde om in bewaring te geven tegen ontvangst van een reçu of certificaat van deponeering, dat als papieren ruilmiddel gebruikt kon worden; want indien men andere waardevolle artikelen, zooals vee, koren, kleedingstof of kool, voor hetzelfde doel had gekozen, dan zou de Bank verplicht zijn geweest om groote stallen, schuren en pakhuizen te bouwen om haar voorraden te bewaren, en al werden deze artikelen nog zoo goed bewaakt, hun waarde of koopkracht zou toch na eenigen tijd snel zijn afgenomen tengevolge van zeer natuurlijke en onvermijdelijke oorzaken. En bovendien: de waarde van de meeste artikelen, ook al zijn ze in de beste conditie is door zuiver plaatselijke oorzaken doorgaans zoo verschillend, dat een reçu voor een en hetzelfde artikel uitgegeven door Banken om als papiergeld te dienen onmogelijk dezelfde waarde zou kunnen hebben in verschillende plaatsen: immers de waarde of koopkracht van een ton steenkool of een vetten os is heel wat anders bij den ingang van een kolenmijn of op een steppenboerderij dan tien, twintig of honderd mijlen verder. Maar de waarde of koopkracht, die een zekere hoeveelheid goud vertegenwoordigt, variëert al heel weinig tusschen verschillende plaatsen, en deze waarde is en blijft over de geheele wereld zonder twijfel zeer constant.3


1 Historisch zijn de wisselbrieven waarschijnlijk ontstaan onder de Middeleeuwsche Joden, die altijd aan vervolgingen blootgesteld, een systeem van wissels of geschreven orders op elkander instelden, welke ieder beloofde te honoreeren en te betalen aan den persoon, die in den wissel genoemd werd.

2 Het was op deze wijze dat de eerste Bank, waarvan iets bekend is, ontstond in 1171, n.l. de Bank van de Republiek van Venetië. Venetië was dat jaar in oorlog en had geld noodig. De Raad van Tien of de overheid deed een beroep op de kooplieden om hun goud of munten in de openbare schatkist te storten en opende een credietrekening in de boeken van den Staat voor de bedragen, die op deze wijze gedeponeerd werden, welk tegoed in de boeken interest opbracht (altijd stipt betaald) op den voet van 4% ’s jaars. Kort na de oprichting van deze Bank stierf een der storters, en daar men zijne nalatenschap onder zijn vijf kinderen moest verdeelen, werd zijn tegoed in de Bank in vijf porties verdeeld en op de vijf nieuwe eigenaars overgeschreven. Daardoor was een systeem van overschrijving van een tegoed in boekhouding ingevoerd, en dit bleek zooveel practisch nut te hebben, dat de kooplieden het weldra zeer algemeen aannamen als een middel om de nog niet vereffende saldi te betalen in alle groote zaken-transacties. De Banken van Amsterdam en Hamburg werden naderhand ook op feitelijk dezelfde basis gesticht en deden met veel succes zaken. De Bank van Venetië deed vijf honderd jaar zaken en gedurende dat tijdperk bloeide de Staat en kwamen er weinig faillissementen voor onder de koopmansklassen.

3 Wie het kinderachtig of onnoodig mocht achten om in zulke uitvoerige verklaringen te treden, moge herinnerd worden aan een plan voor een nieuw papieren ruilmiddel, dat kort geleden enkele ernstige voorvechters heeft gevonden in de Ver. Staten, nl. dat van Josiah Warren uit Ohio, die voorstelde om “het recht van uitgifte van papiergeld uitsluitend te verleenen aan die mannen, vrouwen en kinderen, die nuttige diensten verrichten”,—bijvoorbeeld koren verbouwen, steenkool delven, kabeljauw vangen, kastanjes zoeken, enz.—“maar aan niemand anders”, terwijl die resultaten van arbeid in veilige bewaarplaatsen gedeponeerd zouden worden tegen ontvangst van gelijke waarde” zouden dienen. Een andere grondstelling van Mr. Warren was, dat “het onaangenaamste werk” (niet het nuttigste) “recht heeft op de hoogste schadeloosstelling” en dat daarop bijgevolg ook het meeste geld uitgegeven moet worden. Een specimen van deze geldsoort zou er dus ongeveer zoo uitzien:

Het onaangenaamste werk heeft recht op de hoogste vergoeding.

$ 1.00

Tijd is geld!

Cincinnati. Ohio.

Verschuldigd aan toonder
Acht uur werk
in het maken van schoenen of honderd pond koren.

William Morton.

No.—, F—straat.

Natuurlijk moet er, opdat dit geld werkelijk gelijkwaardig zal zijn aan wat er mee betaald is en opdat de uitgifte er van werkelijk die “afdoende oplossing is van het groote probleem van arbeid en kapitaal”, waarvoor het gehouden wordt, een vooropgestelde verhouding bestaan tusschen de waarde van acht uur schoenmakerswerk en 100 pond koren. Maar honderd pond koren in Illinois zijn het resultaat van niet meer dan een vierde deel van het werk dat dezelfde hoeveelheid koren in Nieuw-Engeland vereischt en hoe kan men nu in het resultaat van acht uur werk in het maken van schoenen van een bekwaam handswerkman op één lijn stellen met dat van een eenvoudigen schoenlapper? of, hoe kan men den arbeid van een man, die een onaangenaam slaafsch werk verricht, vergelijken met dien van het genie, dat een machine uitvindt, welke dat onaangename werk overbodig maakt?

E. D. Linton uit Boston, een van Warren’s beste leerlingen verbetert Warren’s ideeën en stelt voor dat de Vereenigde Staten een papieren ruilmiddel zouden uitgeven, dat het volgende zou behelzen:

De Ver. Staten betalen aan toonder Eén Dollar in ............................ bossen van Illinois Fall tarwe, bij pakhuis no. 1, U. S. A., no. 12, River Street, Chicago, III.

Dit biljet is geldig voor alle betalingen verschuldigd aan de Vereenigde Staten.

En hetzelfde natuurlijk met betrekking tot varkens, steenkool, schoenen en diensten van medische doctoren, advocaten en koks. Dus hieruit volgt, wil het biljet geen leugen op zijn voorzijde dragen en zal de belofte werkelijk vervuld kunnen worden op vertoon er van, dat de Ver. Staten onvermijdelijk genoodzaakt zullen zijn om pakhuizen voor tarwe te hebben te Chicago, varkensstallen te Peoria, kolenmijnen of depôts te Pottsville, en bekwame vaklieden, die klaar staan om op den minsten wenk een zaak te verdedigen, een preek te houden, een verkoudheid te genezen of een maal te koken; en al deze laatsten mogen er niets op tegen hebben om in varkens betaald te worden. Maar daar een varken in Peoria een geheel andere waarde heeft dan in haast alle andere plaatsen, zou de dollar ter waarde van een varken, dien de Ver. Staten betalen zou, hier een heel varken zijn, elders een half en misschien alleen de snoet van het varken in een derde plaats.