Hoofdstuk IX.

Oorlog met de Kannibalen en de gevolgen daarvan.

Maar weldra vroegen ernstiger zaken dan het maken en het uitgeven van geld de aandacht der eilandbewoners. Men zal zich herinneren dat Vrijdag eertijds op het eiland gebracht was door de Kannibalen met het doel om gekookt en opgegeten te worden en dat hij voor dit lot behoed werd door de stoutmoedigheid van Robinson Crusoe, evenals naderhand ook Vrijdag’s vader en anderen van zijn landgenooten. Maar al waren de Kannibalen destijds verslagen, daarom verloren zij toch niet tegelijkertijd hun eetlust of de herinnering aan het heerlijke maal, dat bij die gelegenheid hun neus was voorbij gegaan, en toen het vleesch schaarsch werd in hun eigen land, bereidden zij een groote invasie op het eiland voor met het doel om Vrijdag te vangen en te koken, als hij er nog was, of, bij gebrek aan Vrijdag iedereen, dien zij vangen konden. Daardoor zagen de eilandbewoners zich plotseling temidden van een vreeselijken oorlog verplaatst en zij moest strijden niet alleen voor hunne bezittingen, maar ook voor hun individueel bestaan.

De regeering was doortastend en energiek, maar om den oorlog te kunnen voeren moesten er heel wat artikelen verbruikt worden, en daar er voor de regeering van het eiland—evenals voor alle andere regeeringen—slechts twee wegen openstonden om artikelen te krijgen of geld, waarmee die artikelen gekocht konden worden, namelijk: door het sluiten van leeningen of het heffen van belastingen, werd het geheele volk te hulp geroepen. Men vreesde evenwel dat het vuur der vaderlandsliefde niet zoo helder zoude branden als wel wenschelijk was, wanneer dit beroep op de algemeene hulpvaardigheid werd gedaan in den vorm van belastingen; daarom werdt het raadzaam geacht om in het begin maar niet te veel van belastingen te spreken en voornamelijk zijn toevlucht te zoeken in leeningen, die na den oorlog zouden worden terugbetaald.

Het volk van zijn kant, gaf met de grootste bereidwilligheid aan dezen oproep gehoor. Sommigen leverden diensten als soldaten, werklieden en uitvinders; andere droegen hout bij voor canoes, linnen voor tenten, ijzer voor speerpunten en geweren, koren en meel, hooi, medicijnen en geld—kortom allerlei soorten van nuttige dingen en allerlei voortbrengselen van vroegeren arbeid en spaarzaamheid van den kant der bijdragers. Daarvoor kregen deze bijdragers op hun beurt van de Regeering een belofte op papier terug, dat de geleende goederen (of hun waarde in geld) later terug betaald zouden worden. Men kon deze beloften in twee soorten onderscheiden; in het eene geval was de belofte nauwkeurig omschreven tot aan het tijdstip van haar vervulling, en het bedrag of de waarde, die de belofte inhield, gaf rente. Deze papieren werden obligatien genoemd. In het andere geval vermeldde de belofte, hoewel overigens nauwkeurig omschreven, geen bepaald tijdstip, waarop zij zou worden ingelost en haar bedrag of waarde bracht geen rente op. Omdat deze laatsten op blauw papier geschreven waren, werden zij in de wandeling “bluebacks” (blauwruggen) genoemd. Als het volk een obligatie kreeg, borgen zij die zorgvuldig weg, terwille van den interest die zich op deze schuldbewijzen zou ophoopen, maar toen zij de bluebacks kregen, wisten zij eerst niet recht wat zij daarmee beginnen moesten. In sommige opzichten waren deze papieren geheel verschillend van alles, wat zij nog ooit gezien hadden, en toch vertoonden zij weer een groote gelijkenis met de certificaten van deposito van goud in de openbare bewaarplaats, die zij sinds eenigen tijd gewoon waren om als papiergeld te gebruiken. En daar het eene zoowel als het andere een belofte gaf van Regeeringswege om geld te betalen, scheen er voor het publiek geen goede reden te bestaan, waarom men beiden niet evengoed als een plaatsvervanger en een equivalent van geld zou kunnen gebruiken.

Er was echter een groot en wezenlijk verschil, want ieder exemplaar van hun vroeger papiergeld, bestaande uit een bewijs of certificaat van een deposito van werkelijk geld, beteekende op zichzelf een werkelijke vermeerdering van die stof, welke over de geheele wereld gold als een equivalent voor ieder artikel, dat door arbeid kon worden voortgebracht; terwijl daartegenover de nieuwe betalingsbeloften, die de overheid uitgaf in ruil voor goederen, van het volk geleend, de wezenlijke vernietiging vertegenwoordigden van haast ieder nuttig en wenschelijk voorwerp, inplaats van een vermeerdering daarvan, omdat al die geleende artikelen in den strijd tegen de kannibalen opgebruikt werden. Het volk zag dit evenwel niet in; en omdat zij het niet inzagen, gingen zij voort met betalingsbeloften, die verlies en vernieling vertegenwoordigden, te accepteeren en te beschouwen als gelijkstaande met geld en dus ook met rijkdom; en aangezien de schepping en uitgifte van dit soort van geld toenam, naarmate de vernietiging zich uitbreidde, kwamen zij tenslotte tot de conclusie, dat, hoe meer en sneller zij vernielden, hoe rijker zij allen zouden worden en dat zij, door een gelukkigen samenloop van omstandigheden eindelijk dat groote probleem hadden opgelost, waarmee de wereld al zoo lang verlegen was geweest, nl. “Hoe kan je je pannekoek opeten en tegelijkertijd behouden?” En om nog nader toe te lichten, hoe algemeen deze opvatting was doorgedrongen mag vermeld worden, dat enkelen der meest populaire boeken, die omstreeks dezen tijd op het eiland werden uitgegeven de volgende beteekenisvolle titels droegen: “Staatsschuld een Nationale Zegen.” “Betaal niet wat Gij Verschuldigd zijt, een zekere Weg om Rijk te worden.” “Trek aan uw schoenveters, de beste manier om Vooruit te komen in de Wereld,” enz.

Ongetwijfeld werd de bevolking van het eiland nog sterker in haar waan gestijfd door de omstandigheid, dat deze nieuwe Staats-betalingsbeloften, hoewel zij geen vermeerdering van bezit beteekenden of een bepaald equivalent waren van eenig voorwerp in het bijzonder, daarom toch niet tegelijkertijd onbruikbaar werden als ruilmiddelen. Integendeel fungeerden zij even goed als het oude papiergeld, als arbeid-uitsparende werktuigen in dien zin, dat zij soortgelijk werk verrichten als een schip of een locomotief, n.l. het opheffen van de nadeelen van hinderlijke afstanden tusschen producent en consument. Maar doordat het nieuwe papiergeld werd een vertegenwoordiger van een te betalen schuld inplaats van een middel om een schuld te betalen, verloor het onmiddellijk de belangrijkste eigenschap, die een goede geldsoort behoort te hebben, daar het ophield een algemeen equivalent te zijn, of op zichzelf een voorwerp van waarde in den handel; en daardoor werd het feitelijk onmachtig om werkelijk de functie te vervullen van een standaard of maatstaf om de onderlinge waarde van andere dingen te schatten; in dit opzicht was het al even onbruikbaar als een schip zonder roer of een locomotief zonder rails om op te rijden. Wie het roer van een schip wegneemt of de rails opbreekt vóór een locomotief schaadt daarmee niet de capaciteit van het eerste voertuig om geladen te worden of die van het tweede om te trekken. Maar als men probeert om een schip, of een locomotief onder zulke omstandigheden te gebruiken voor de doeleinden, waarvoor zij gebouwd werden, nl. als vervoermiddelen om den handel te bevorderen en te vergemakkelijken, dan zou dat zulk een onzekere en gewaagde onderneming zijn, dat de bezitters der goederen, welke verhandeld moeten worden, ongetwijfeld een grooten waarborg zouden verlangen tegen de mogelijke gevaren waaraan hun goederen door de onbruikbaarheid der vervoermiddelen zouden zijn blootgesteld. En zoo was het ook gesteld met het blueback-papiergeld van het eiland, hetwelk, doordat het geen contante waarde meer vertegenwoordigde of op vertoon omgezet kon worden in een bepaalde hoeveelheid van een of ander artikel, ook niet langer meer een vast equivalent van iets kon zijn en een maatstaf om waarde te meten.

Wanneer er op zekeren dag bericht kwam, dat de Kannibalen verslagen waren, dan kon men met een zeker aantal bluebacks een schepel tarwe koopen. Maar wanneer er den volgenden dag bericht kwam, dat de troepen der eilandbewoners teruggedreven waren, ondanks hun dapperheid en dat het dus niet onmogelijk was, dat iedereen binnen afzienbaren tijd gekookt en opgegeten zou worden, dan kon men voor hetzelfde getal bluebacks slechts de helft der hoeveelheid tarwe krijgen. Bijgevolg legde iedereen bij het verkoopen van goederen, die door verbruik van tijd en arbeid verkregen waren, iets op de prijzen daarvan toe, om zich te dekken tegen het op en neergaan van de koopkracht van het papiergeld, dat hij ontving, of, m.a.w. om er zeker van te zijn, dat de betaling, die hij ontving, althans voor eenigen tijd gelijkwaardig zou blijven aan de artikelen, die hij verkocht. Maar daar niemand voorspellen kon wat de Kannibalen van den eenen dag op den anderen zouden doen en hoe het in verband daarmee met de koopkracht van het papiergeld gesteld zou zijn, voelde iedereen bij het verkoopen van een voorwerp, dat hij een extra risico liep behalve de risico’s, die bij iederen gewonen koop en verkoop voorkwamen. En daar er evenmin betrouwbare gegevens te vinden waren om deze risico’s te voorspellen als er bestaan om den uitslag van een dobbelspel te voorspellen, sloeg iedereen maar een slag naar het verzekeringsbedrag, dat er noodig zou zijn, of, wat op hetzelfde neerkomt, ieder wedde op de koopkracht van het papiergeld in toekomstige tijden. Iedere handelstransactie kreeg op deze wijze het karakter van een dobbelspel en het meest werd door dit alles de geheele arbeidersklasse op het eiland benadeeld; want deze had nu eenmaal niets anders te verkoopen, dan haar werkkracht, welke voor het oogenblik haar geheele waarde verliest, wanneer zij niet dadelijk gekocht wordt, zoodra zij te koop wordt aangeboden, en waarvan men den verkoopsprijs niet dan met moeite kan veranderen wanneer die eenmaal is vastgesteld. En daar dit een zeer belangrijke quaestie is in de finantieele geschiedenis van het eiland, is het wenschelijk om dit even met eenige bijzonderheden van werkelijke voorvallen toe te lichten.

De bevolking van het eiland kleedde zich grootendeels in stoffen, die in andere landen gemaakt werden, en daar het papiergeld van het eiland ongeschikt was voor uitvoer, werden die stoffen betaald door uitvoer van goud of van andere artikelen, die in vreemde landen zonder moeite voor goud geruild konden worden. De stoffen, die zoodoende met goud gekocht waren, werden tot kleeren verwerkt door de “confectie”-kleerenhandelaars in de steden en in dezen vorm voor papiergeld verkocht aan kleinhandelaars op een crediet van drie tot zes of negen maanden. Was het ruilmiddel in deze transactie betrokken uitsluitend goud geweest of certificaten, die deposito’s van goud vertegenwoordigden, dan zou de prijs op crediet van de confectie kleeding gelijk zijn geweest aan den prijs voor contante betaling met een klein bedrag daarboven voor de rente van den tijd gedurende welken het crediet zou loopen, en met het oog op mogelijk risico van niet-betaling; en de verkooper zou er geen oogenblik over hebben nagedacht of de muntsoort of plaatsvervanger van geld, waarin hij betaald was, drie, zes of negen maanden later wel dezelfde koopkracht of waarde zou hebben als op den dag, toen het koopcontract gesloten werd. Hij mocht er aan getwijfeld hebben of zijn klant hem wel zou betalen, maar hij zou nooit getwijfeld hebben aan de qualiteit van datgene, wat hij als betaling moest ontvangen. Daar evenwel het ruilmiddel in dat gedeelte van de transactie, dat afgewikkeld werd nadat de stoffen tot kleeren waren verwerkt, noch goud was, noch iets dat goud vertegenwoordigde en daarom, evenals een schip zonder roer, of een locomotief zonder rails, ongetwijfeld onbetrouwbaar was als ruilmiddel, wist de verkooper wel zeker, dat wat hij als betaling voor zijn goederen zou ontvangen, drie, zes of negen maanden later niet dezelfde waarde of koopkracht zou hebben als op den dag, toen het contract gesloten werd. Het kon meer en het kon minder waard zijn, maar nooit wedde de verkooper op de eerste mogelijkheid of nam hij deze in aanmerking door iets van den prijs van zijn goederen voor betaling na zekeren tijd af te trekken; want door een dergelijke handelwijze zou hij zichzelf van te voren berooven van een mogelijk voordeel in de toekomst. Maar voor alle zekerheid voelde hij zich steeds genoodzaakt om te wedden op de tweede mogelijkheid en dan die weddenschap te dekken door den prijs van ieder ding, dat hij op crediet verkocht, te verhoogen. Als de koopkracht van het papier geld door de critieke tijdsomstandigheden sterk flucteerde met korte tusschenpoozen, dan wedde de verkooper op al zijn verkoopen op crediet met het oog op de groote risico’s, en hij wedde zoodoende iederen dag tot verschillende prijzen zoodat hij soms tot 10, 15, 20 of zelfs 30% ging boven den gewonen prijs, welke te samen de som van de kosten, winst, interest en gewone risico’s vertegenwoordigde, om de zekerheid te hebben dat het betaalmiddel, hetwelk hij ervoor zou ontvangen, voldoende koopkracht zou bezitten om er evenveel goud voor terug te koopen als hij destijds voor het goed had moeten geven.

Wanneer daarentegen de waarde van het papiergeld in minder mate en met grootere tusschenpoozen op en neer ging, dan nam ook het verzekeringspercentage af, dat aan den verkoopsprijs werd toegevoegd. Wanneer b.v. een kleerenkoopman goederen verkocht op drie maanden crediet, voor papiergeld, waarvan de koopkracht zooveel kleiner was dan die van goud dat er 115 in papier noodig was voor 100 in goud, dan voegde hij 5% bij zijn verkoopprijs of hij wedde, dat de depreciatie van het papiergeld na die drie maanden uitgedrukt zou kunnen worden als 120 voor goud, terwijl hij voor een crediet van meer dan drie maanden veronderstelde dat de kans van depreciatie grooter zou zijn en om dat risico te dekken, voegde hij een gemiddelde verhooging van 10% bij zijn prijs. Als er nu aan het eind van het kwartaal 125 in papiergeld noodig was om 100 in goud te koopen dan verloor de koopman 5% bij afbetaling. Maar als daarentegen de koopkracht van het papier in tegenovergestelde richting ging en er na drie maanden slechts 110 in papiergeld noodig was om 100 in goud te koopen dan maakte hij een extra winst van 10% boven zijn gewone en wettige winst, terwijl een gelijken druk als een nadeel kwam op de schouders der afnemers,1

Daar de kooplieden handig waren, leden zij met hun wedden en verzekeren maar zelden verlies en maakten er zoodanig voortdurend winst mee, dat sommige kooplieden na eenigen tijd het verkrijgen van dit soort winst als het voornaamste doel van alle handel gingen beschouwen; terwijl anderen, met meer kalmte en onderscheidingsvermogen begiftigd, tot de conclusie kwamen, dat de beste en gemakkelijkste manier om rijk te worden was om direct te wedden op de wisselende hoeveelheid papiergeld, die van den eenen dag op den anderen vereischt werd om dezelfde hoeveelheid goud en andere waardevolle artikelen te koopen, inplaats van te trachten dat indirect te doen door tusschenkomst van magazijnen, voorraden van goederen, klerken, kantoorboeken, credieten, enz. Deze laatsten gaven dus hun zaken er aan en gingen in de taal van dien tijd “op straat handelen”2 en voorzagen voortaan in hun onderhoud door op crediet te verkoopen wat zij niet bezaten en op crediet te koopen wat zij nooit verwachtten te ontvangen en door hun winst of verlies te gissen naar gelang van het verschil in prijzen veroorzaakt door het op en neergaan der waarde van het papiergeld tusschen den dag van koop of van verkoop en den dag van ontvangst of van aflevering, kortom, evenals met de tooverviool in het sprookje, die zoodra men er op speelde, iedereen deed dansen, onverschillig of het in doornstruiken of op het open veld was, zoo bracht het gebruik van een papieren ruilmiddel, dat voortdurend in waarde op en neer ging, omdat het geen constant equivalent was van eenig voorwerp, iedereen, die maar eenigszins kon, aan het speculeeren; sommigen deden het omdat zij er van hielden, en anderen omdat zij wel moesten, wilden zij zich voor groote verliezen behoeden. De breede massa, die niet gemakkelijk kon speculeeren trachtte zichzelve te beschermen door hooge prijzen te vragen in ruil voor hun diensten of door minder te geven naar verhouding van wat zij ontvingen3, maar op den duur leerden zij door bittere ervaringen, dat zij niet zoo goed af waren, als zij wel meenden en dat, als het een gevolg van een al te overvloedig en niet-voor-iets-equivalent papieren ruilmiddel was om de productie te vermeerderen, een ander en belangrijker gevolg er van was, dat de resultaten van de productie ongelijk verdeeld werden, wanneer men bezittingen van hen, die weinig hadden, overdroeg op hen, die veel bezaten en zoodoende de rijken rijker en de armen armer maakte.—

De manier om teleurgestelde menschen uit den weg te ruimen.

De manier om teleurgestelde menschen uit den weg te ruimen.


1 Hoewel het voor ieder, die dit onderwerp bestudeerd heeft, duidelijk is, dat niet-inwisselbaar, fluctueerend papiergeld ten slotte altijd een extra belasting vormt, welke het zwaarste die klasse van afnemers zal drukken, die op een vast inkomen, salaris of loon leven, is het niettemin steeds vrij moeilijk geweest om voorbeelden hiervan te vinden, die dit feit zoo duidelijk en eenvoudig toelichten, dat zij op zich zelf overtuigend genoeg zijn om indruk te maken op die menschen, welke het meeste belang bij de zaak hebben. Met de bedoeling om zulk een concreet voorbeeld te vinden, wendde iemand zich tot een der eerste Amerikaansche kooplieden, wiens groote en algemeene ervaring hem ruimschoots gelegenheid gaf om over dit onderwerp te spreken en dit onderhoud verliep ongeveer als volgt:

Vraag: “Wanneer u voor goud inkoopt en voor papiergeld verkoopt, hoeveel voegt u dan bij uw verkoopprijs bij wijze van verzekering om een voldoende waarde als betaling—plus winst, interest, etc.—terug te krijgen, dat u daarmee het goud, vertegenwoordigd door den inkoop, kunt vervangen of terugkoopen?”

Antwoord: “Wij doen dat maar heel weinig tegenwoordig, nauwelijks de moeite waard om van te spreken.”

V.: “Maar toch verzekert u zich wel eenigermate tegen het fluctueeren van het papiergeld of houdt er in uw zaken tenminste iets of wat rekening mee?”

A.: “O ja, natuurlijk, wij kunnen dat niet geheel over het hoofd zien.”

V.: “Welnu dan, als u er niets op tegen heeft, zoudt u mij dan misschien willen vertellen hoever u daarin gaat onder de bestaande omstandigheden?”

A.; “Natuurlijk heb ik er niets op tegen. Wij koopen voornamelijk à contant en verkoopen op groote schaal à contant of op een zeer kort crediet; en daar de papierwaarde de laatste twee of drie jaar weinig op en neer gaat, voegen wij slechts kleine bedragen als verzekering bij onze verkoopsprijzen—laat ons zeggen 1 of 2% voor contante betaling of op een crediet van drie maanden en voor langer crediet, als wij dat geven, iets meer. Gedurende den oorlog of direct daarna, toen het papier sterker en sneller op en neerging en de koersen veel willekeuriger waren, was het een heel ander geval. Toen moest er zeer zorgvuldig gelet worden op de verkoopsprijzen en deze veranderden zeer vaak, soms dagelijks. Daarom is mijn persoonlijke ervaring van tegenwoordig een uitzonderingsgeval en om de inlichtingen te krijgen, die u wenscht, moet u verder zien. Ik geloof wel, dat ik u daarbij kan helpen. Wij koopen geregeld groote hoeveelheden van buitenlandsche producten, laten wij nu maar eens als voorbeeld nemen stoffen voor de manufacturiers en groothandelaars in confectie-kleeding. Wij koopen voor goud en verkoopen voor goud en zorgen dat het papiergeld met zijn fluctuaties buiten onze transacties blijft. Maar hoe gaat het met mijn klanten? Ik sta hun eenig crediet toe en daar het bedrag, dat er bij betrokken is, soms zeer groot is, moet ik natuurlijk iets weten van de manier waarop zij hun zaken beheeren. Zij verwerken het goed, met goud gekocht, tot kleeren en verkoopen vervolgens die kleeren op hun beurt aan hun klanten—tusschenhandelaars en kleinhandelaars—over het geheele land voor papiergeld op een gemiddeld veel langer crediet dan zij van mij krijgen voor het ruwe materiaal. Die groothandelaars en manufacturiers nu zijn veiligheidshalve wel gedwongen om bij hun verkoopsprijzen een voldoend percentage te voegen, als noodig is om er zeker van te zijn, dat zij voor het papiergeld, hetwelk zij na drie, zes of negen maanden krijgen, evenveel goud kunnen koopen als zij mij hebben betaald of een even groote hoeveelheid goede stof om tegemoet te komen aan de verdere behoeften van hun zaken en van hun klanten. Hoeveel zij er zoodoende op leggen, kan ik niet met zekerheid zeggen. Daarvoor bestaat geen vaste regel. Iedereen voegt er zonder twijfel zooveel bij als de concurrentie toestaat; en elke omstandigheid, die wellicht den toekomstigen prijs van het goud zal beïnvloeden wordt zorgvuldig van te voren overwogen. 5% op een crediet van drie maanden zal m.i. het doorsnee-minimum zijn; en voor langeren tijd een grooter percentage. Als de concurrentie niet veroorlooft om er eenig verzekeringspercentage op te leggen, bestaat er gevaar voor verlies aan kapitaal, dat op den duur zeer noodlottig kan zijn—menige firma is daardoor wel failliet gegaan, die in andere tijden, wanneer haar leiders op de ouderwetsche basis zaken hadden kunnen doen, goed zou zijn gegaan. De tusschenhandelaars en kleinhandelaars, aan wie de groothandelaars en manufacturiers verkoopen, zullen waarschijnlijk minder rekening houden met een verzekering tegen papiergeld bij het vaststellen van hun verkoopsprijzen; maar tot welk bedrag ook de inkoopsprijzen van hun goederen opgevoerd zijn door de noodzakelijkheid van een verzekering tegen de fluctuaties van het papiergeld, naar dat zelfde bedrag berekenen zij hun interest en winst en voegen die er bij, zoodat de geheele prijsverhooging tenslotte op den consument neerkomt, die natuurlijk maar zelden op de hoogte kan zijn van de bestanddeelen of de kosten van het artikel dat hij koopt.”

V.: “Dus dan moet Mr. Webster met zijn opmerking, die haast een spreekwoord is geworden, dat “van alle manieren om de arbeidersklasse te bedriegen, er geen doelmatiger is geweest dan die welke hem met het papiergeld om den tuin leidt”, geheel op de hoogte zijn geweest van het verloop van zulke transacties?”

A.: “Ongetwijfeld, want zulke transacties zijn het onvermijdelijke gevolg van het gebruik van een veranderlijk en niet inwisselbaar papiergeld.”

De beschrijving hierboven gegeven is dus geen zuivere phantasie, maar gebaseerd op den werkelijken stand van zaken in den tegenwoordigen tijd.—Januari 1876.

2 “Handelen op het Vijgendammetje”, zou een oud-Amsterdammer gezegd hebben, of zooals heden ten dage de z.g. Karpathen, d.z. de Poolsche Joodsche kooplieden, dagelijks in Amsterdam, den Haag en Scheveningen doen.

Noot v. d. Vert.

3 In 1864 werd in New-York een schip gebouwd juist in den tijd, toen arbeid en materiaal, gerekend in papiergeld, de hoogste prijzen hadden bereikt. In 1870 werd op dezelfde werf een ander schip gebouwd, in alle onderdeelen gelijk aan het eerste. Men verwachtte nu, daar de loonen en de kosten van het materiaal lager waren dan in 1864, dat de kosten van het tweede schip veel minder zouden bedragen dan die van het eerste, maar in die verwachting werd men door de uitkomst teleurgesteld.

Hoofdstuk X.

Na den oorlog.

Eindelijk was de oorlog uit. De Kannibalen waren volkomen verslagen en de eilandbewoners lagen geen nachten achtereen meer wakker door den angst om geroosterd en opgegeten te worden. Een groote hoeveelheid van vele nuttige dingen was natuurlijk vernietigd geworden en men zou meenen, dat het bewustzijn daarvan maken zou, dat de bevolking van het eiland zich verarmd voelde. Maar vreemd genoeg was dit niet het geval. De belofte dat voor de vernielde artikelen vergoeding zou betaald worden was vervuld geworden. Zij werden door vrijwel iedereen als geld beschouwd; en van af het oogenblik dat zij geld waren, dat wist iedereen, waren zij natuurlijk ook rijkdom, en wel zulk een groote en overvloedige rijkdom, dat den menschen verder niets anders te doen stond dan het uitdenken van plannen op welke wijze zij al dien rijkdom zouden gebruiken.

Iedereen verzon derhalve plannen en in het bijzonder zij die geen geld hadden, bedachten deze voor hen, die het wel hadden. Allerlei plannen werden zoodoende ontworpen; het aanleggen van spoorwegen om de menschen naar de tropen te brengen en naar alle andere plaatsen, waar zij niet naar toe wenschten te gaan; het exploiteeren van olie en petroleumbronnen aan de Bedrog- en de Kostverloren Rivier en gepatenteerde uitvindingen om thee en koffie te vervangen, die zeer werden aanbevolen als geldbelegging. John Law, Lemuel Gulliver, Baron Münchhausen, Sir John Mandeville, Juan Ferdinand Mendez Pinto en Sindbad de Zeevaarder kwamen allen naar de stad en in de couranten werd vermeld dat zij in de voornaamste hotels in het vreemdelingen-boek waren ingeschreven.

Een groote en prijzenswaardige ijver werd ook betoond in het vervangen van voorwerpen die door den oorlog vernield waren, zoodat het maatschappelijke werk een tijdlang levendiger werd dan ooit; terwijl enkelen, die tot op dit oogenblik een oorlog hadden beschouwd als een ongeluk en een nationale ramp, voelden, dat zij zich vergist hadden, en anderen die altijd wel geweten hadden, dat de oorlog een zegen was, er ernstig over gingen denken om een nieuwen oorlog te verklaren als een middel om de nationale welvaart te vermeerderen1. De algemeene methode om de resultaten van arbeid en spaarzaamheid te beleggen in ondernemingen die nooit met eenige mogelijkheid een winstgevend resultaat konden opleveren, was, zooals iedereen begreep, in de tweede plaats de beste vinding van den laatsten tijd, bijna even goed als de oorlog en op raad van de Christelijke couranten haastten vele vrome lieden zich om hun weinige spaarduitjes voor een dergelijk doel te besteden; hoewel zij tevens als landbouwers zeer goed wisten dat het planten van tarwe of koren in gronden waar dit niet opkwam, of als het nog opkwam, geen vrucht droeg, altijd een heel leelijk ding was en niet bepaald een aanmoediging voor den zaaier om daar het volgende jaar opnieuw zijn zaad te strooien.

Een andere opvatting, die in dezen tijd een groot aantal aanhangers had gevonden op het eiland, was, dat terwijl men nooit genoeg producten van het eiland verkoopen kon aan andere naties, het niet wenschelijk was om in ruil daarvoor iets van vreemdelingen te koopen, en dat het wijs was om slecht-ingelichte menschen, die zulke koopen wilden sluiten, alle mogelijke hindernissen in den weg te leggen. Maar daar niemand lang kan voortgaan met koopen, tenzij hij naar dezelfde verhouding verkoopt, of met verkoopen tenzij hij naar verhouding inkoopt, kwam de buitenlandsche handel op het eiland weldra tot stilstand; een gebeurtenis, die bovendien nog verhaast werd doordat de producten van het eiland door de assuranties, die het handeldrijven met onbetrouwbaar papiergeld vereischte, 5 à 10 of 15% meer kostten dan vroeger en dan de vreemdelingen er voor betaalden, wanneer deze ze ergens anders kochten2. Maar daar iedere werkzame gemeenschap (vooral wanneer zij de hulp der natuurkrachten inroept door machinerieën) meer produceert dan ze verbruikt en daar de eilandbewoners zoowel werkzaam waren als vindingrijk, deed zich het merkwaardige verschijnsel voor, dat de gemeenschap veel last kreeg van een opeenhooping van nuttige dingen, die de fabrikanten niet wilden afgeven omdat zij niet met verlies wilden verkoopen en die de vreemdelingen niet wilden koopen, omdat zij dezelfde artikelen elders goedkooper konden krijgen en daar ook met hun eigen producten konden betalen voor hetgeen zij kochten.

Toen hielden de fabrikanten op met produceeren en daarop konden ook de arbeiders, door gebrek aan werk veel minder van den bestaanden overvloed koopen, zoodat het er een tijdlang op geleek, alsof het eiland in een zelfden toestand zou geraken als die ongelukkige menschen die sterven aan vetzucht.

Het papiergeld schept moeielijkheden.

Het papiergeld schept moeielijkheden.

Op deze wijze werd het economisch leven steeds meer uit zijn voegen gerukt. Langzamerhand kwamen de menschen op het eiland tot het inzicht, dat veel wat zij voor rijkdom hadden aangezien, geen rijkdom was, en dat vele invloeden, waaraan vroeger weinig aandacht was geschonken, nu machtig samenwerkten om hen voorgoed te verarmen. Allen waren het er over eens, dat het papiergeld, dat zij gebruikten, een hoofdoorzaak van hun moeielijkheden was, maar in welk opzicht dat papiergeld precies invloed uitoefende, daarover waren weinigen het eens. Allen deelden de opvatting, dat er voortdurend en zooveel mogelijk over gesproken moest worden en dat deden zij dan ook, maar wie het minste wist, had het meeste te zeggen. Sommige meenden, dat de eerlijkste en daarom ook de beste handelwijze voor de Regeering van het eiland zou zijn, dat zij haar beloften om te betalen op vertoon zoo snel mogelijk moest nakomen, en dat, waar zij een canoe van den eenen had geleend, kleedingstof van een ander, speren van een derde en geld van een vierde, zij al die zaken behoorde terug te geven en niet te blijven beloven zonder iets te doen. Sommigen dachten dat het beste zou zijn om de canoes, het ijzer, de stof en het geld achtereenvolgens terug te geven, juist zooals het gouvernement ze gekregen had. Anderen meenden weer, dat het beter was om alle verschillende voorwerpen in afzonderlijke pakhuizen te bergen en dan, als de pakhuizen vol waren, de deuren te openen en alles tegelijk terug te geven, wat er geleend was. Maar, zooals reeds eerder is aangeduid, kon de Regeering alleen canoes, kleedingstof, ijzer of geld hebben, wanneer zij die eerst van het volk had gekregen en daarom was teruggave van de zijde der Regeering feitelijk hetzelfde als betaling van de zijde van het volk. Maar het betalen van schulden is iets waarvan vele menschen een natuurlijken afkeer hebben, en zoodoende vond ook dit plan een groot aantal tegenstanders, die algemeen van oordeel waren dat de uitvoering van dit plan hen van hun geld zou berooven en dus ook van de middelen om handel mee te drijven. Niemand begreep wat er eigenlijk aan haperde bij de menschen. Nu zij namelijk geen nuttige artikelen (de producten van hun eigen werkzaamheid) hadden om te verkoopen, zouden zij alleen geld kunnen krijgen, wanneer zij ervoor gingen werken, tenzij, wat zij nog liever wilden, zij kans zagen het eenvoudigweg aan een ander te ontfutselen.

Behalve de reeds genoemde menschen, die óf openlijke tegenstanders waren van een fiscale hervorming, òf wegens hun weifelende houding tot dezen gerekend konden worden, waren er nog verschillende andere soorten van opponenten. Daar was b.v. een groep menschen, altijd gekleed in bruinlakensche jassen en met breedgerande hoeden op, die gedurende den oorlog steeds vrienden van den vrede waren geweest en daarom altijd wenschten, dat men met de Kannibalen tot een minnelijke schikking zou komen, op voorwaarde dat de laatsten zich tevreden zouden stellen met uitsluitend de ouden van dagen en de zuigelingen te roosteren en op te eten en af en toe een enkele schoonmoeder. Daar het in de lijn lag van hun vredespolitiek opponeerden al deze lieden van ’t begin af aan tegen de uitgifte en de circulatie van de bluebacks, als zijnde een willekeurige, onwettige en onnoodige maatregel. Toen de Kannibalen echter geheel verslagen waren, legden deze “vrienden van den vrede in oorlogstijd” dadelijk hun kwakerkleed af, werden “vrienden van den oorlog in vredestijd” en verklaarden zich in vollen ernst vóór een grootere uitgifte en het voortgezet gebruik van de bluebacks, en om een dergelijke daad te rechtvaardigen, waren zij bereid om een nieuwen oorlog te beginnen of althans een jaarlijksche paniek te verwekken. Gedurende den oorlog waren deze vrienden van den vrede copperheads3 genoemd en na den oorlog was hun copper-headisme, hoewel vermomd, in den grond hetzelfde gebleven. Want het was duidelijk, dat de oppositie tegen de uitgifte der bluebacks, door de vredesvrienden aan den dag gelegd tijdens den oorlog, en de oppositie tegen de uitbetaling en intrekking der bluebacks na den oorlog, slechts verschillende uitingen waren van vijandigheid tegen de Regeering en den oorlog zelf; immers, wanneer de Regeering te kort schoot in het nakomen van haar beloften, die zij in tijden van den hoogsten nood gegeven had, dan zou zulks haar goeden naam zeker veel afbreuk doen en haar voorgoed verhinderen om in moeilijke tijden weer tot dergelijke maatregelen haar toevlucht te nemen4. De waarlijk intelligente en vaderlandslievende menschen op het eiland doorzagen volkomen deze nieuwe politiek der voormalige vredesapostelen om juist het tegenovergestelde van hun vroegere theorieën te verkondigen en dat nog wel onder het voorwendsel van een bovenmatige bezorgdheid voor de belangen van den handel. Zij dachten aan het oude versje:

“Toen de duivel ziek was, wilde de duivel een monnik wezen;

En de duivel was een monnik, toen de duivel weer was genezen.”5

en hierna duidden zij de tegenstanders van het uitbetalen der bluebacks aan als inflatie-copperheads, onder welken naam zij sindsdien steeds in de geschiedenis bekend zijn gebleven.

Er waren ook welmeenende burgers, die oprecht wenschten, dat de ballon van inflatie naar beneden mocht komen, maar die er zich hardnekkig tegen verzetten, dat dit resultaat bereikt zou worden door het gasvolume, dat zij bevatte, te verminderen. Alle volle neven van den man, die gewoon was te wachten, totdat het snel stroomend water der rivier voorbij zou zijn, alvorens deze over te steken, waren er zeker van, dat de ballon wel neer zou komen als het volk maar geduld wilde oefenen, goed op den uitkijk blijven en wachten wilde. Maar hiertegen opperde men het bezwaar, dat, wanneer het volk verplicht was om een groot gedeelte van zijn tijd te gebruiken om op den ballon te letten ten einde te voorkomen dat hun hoofden zouden verbrijzeld worden, wanneer deze na lang gedobber en op en neder gaan naar beneden zou storten, een dergelijke tijdverspilling op den duur een schaarschte van levensmiddelen zou veroorzaken; en dat zij, die er belang bij hadden, tenslotte tot wanhoop gedreven door het onophoudelijk opletten en door gebrek aan werk, voedsel en kleeding, er eindelijk op zouden aandringen om de kleppen van den ballon te openen en het geheele volume gas ineens te laten ontsnappen. Sommigen stelden voor om het voorbeeld van “Peter den stijfhoofdige” te volgen, toen deze tegen de Yankees streed en den ballon te doen dalen door een proclamatie, terwijl anderen verklaarden dat zij veel vertrouwen hadden in een gemeenschappelijk gebed. Eminente vaderlandslievende rechtskundigen hielden vol, dat daar een oorlogsnoodzaak de eenige aanleiding was geweest van de wettiging en van de uitgifte der bluebacks, deze geen recht van bestaan meer hadden, zoodra die oorlogsnoodzaak was opgeheven; maar dat integendeel het voortgaan met het uitgeven en gebruiken van deze biljetten na de nederlaag der Kannibalen, niets anders beteekende dan een voortzetting van den oorlog, niet tegen den vijand, maar tegen het eigen volk. De geslepen inflatie-copperhead-rechtskundigen hielden daartegenover stokstijf vol, dat een werktuig, eenmaal door oorlogsnoodzaak in het leven geroepen, steeds van nut bleef en dat het gebruik daarvan ten allen tijde moest worden voortgezet; zoodat een kogel of granaat, ééns rechtmatig gebruikt om vernieling te bewerken in oorlogstijd, met het volste recht opnieuw kon worden afgeschoten in vredestijd, onverschillig wien zij mocht treffen of welke bezittingen zij mocht vernietigen; en dat het volstrekt geen misdaad was om deze moorddadige werktuigen telkens opnieuw te laden en af te vuren en daardoor dood en verderf te verspreiden, maar integendéel een groote daad van vaderlandsliefde. Deze theorie verschrikte evenwel enkele beschroomde menschen, die zeiden, dat één granaat of kogel, op deze wijze opnieuw gebruikt, wel eens alle eigendommen van het eiland kon vernietigen of alle menschen dooden en in dat vooruitzicht konden zij niet nalaten te betreuren, dat zij maar niet dadelijk bezweken waren voor de Kannibalen, wier honger mettertijd misschien wel eens verzadigd zou zijn geworden of die wellicht op den duur de voorkeur zouden gegeven hebben aan een ander soort voedsel, zij het tengevolge van een menschenvleesch-indigestie dan wel uit meer moreele overwegingen.

In de periode van algemeene verwarring en onzekerheid die nu op het eiland aanbrak, begonnen eenige menschen, die er een voorliefde voor hadden om parallelgevallen in de geschiedenis op te sporen, nauwkeurig alle oude kronieken en geschiedrollen van andere naties door te snuffelen, om daaraan hun licht op te steken; en onder verschillende stukken die van belang voor hen waren, vonden zij in de kronieken van dien geleerden Spaanschen geschiedkundige Fray Antonio Agapida het verslag van wat de beproefde legeraanvoerder Don Inigo Lopez de Mendoza, Graaf van Tendilla, deed, toen hij, tijdens een beleg van de Mooren, in de stad Alhama ook ernstige finantieele moeilijkheden te bestrijden had.

“Het gebeurde”, zegt Agapida, “dat deze Katholieke ridder op een oogenblik in het geheel geen goud of zilver meer bezat om de soldij van zijn troepen te betalen. En de soldaten morden zeer, ziende dat zij niet de middelen hadden om de meest noodzakelijke levensbehoeften van de burgers te koopen. Wat doet nu de wijze opperbevelhebber in dit dilemma? Daar neemt hij me een aantal kleine stukjes papier, waarop hij verschillende sommen opteekent, groote en kleine, naar gelang van den aard van het geval en onderteekent ze met zijn eigen handteekening en naam. “Hoe”, zult gij zeggen, “moeten soldaten betaald worden met vodjes papier?” “Juist op deze wijze”, antwoord ik, “en goed betaald ook, zooals ik U aanstonds duidelijk zal maken, want de goede graaf vaardigde een proclamatie uit, waarbij hij den inwoners van Alhama beval om deze stukjes papier aan te nemen voor het volle bedrag, dat er op vermeld stond, terwijl hij beloofde ze in de toekomst in te lossen tegen zilver en goud en ieder, die weigeren mocht ze aan te nemen, bedreigde met zware straffen. Het volk, dat het volste vertrouwen had in zijn woord en er op rekende, dat hij evenzeer bereid zou zijn om de eene belofte te vervullen, als hij in staat was om de andere na te komen, nam deze stukjes papier zonder aarzeling of protest aan. Zoo deed deze Katholieke ridder, door een spitsvondige en meest wonderbaarlijke soort van alchimie, waardeloos papier verkeeren in kostbaar goud en maakte hij dat zijn eerlang verarmd garnizoen overvloed van geld bezat!”

Zulk een uit noodzaak eenmaal toegepast middel, zal ook later van herhaalde toepassing zijn, al zouden duizenden er door getroffen worden.

Zulk een uit noodzaak eenmaal toegepast middel, zal ook later van herhaalde toepassing zijn, al zouden duizenden er door getroffen worden.

“Het is niet meer dan billijk om hieraan toe te voegen”, gaat de geschiedschrijver voort, “dat de Graaf van Tendilla zijn beloften nakwam als een getrouw ridder; en dit mirakel, zooals het scheen in de oogen van Agapida, is het eerste voorbeeld, dat ons overgebleven is, van papiergeld.” (Irving: “De verovering van Granada.”) Hierbij mag ook vermeld worden, dat de oudheidkundigen van het eiland geen enkele kroniek vonden van een anderen legeraanvoerder, die wel het voorbeeld van den Graaf de Tendilla navolgde in het uitgeven van kleine stukjes papier om als geld te dienen, maar niet in het stipt nakomen van zijn belofte en wien het naderhand gemakkelijk viel om opnieuw het vertrouwen te winnen van zijn soldaten òf van het volk, wanneer hij wederom in dergelijke moeilijkheden geraakte6.


1 Toen het Japansche Gezantschap in 1872 de Vereenigde Staten bezocht, werd hun in vollen ernst aangeraden om op de een of andere wijze een staatsschuld te fabriceeren, zoodra zij thuis gekomen waren en deze te gebruiken als een basis om nieuw papiergeld te scheppen en uit te geven.

2 Macchiavelli vertelt in zijn “Gesprekken over de eerste tien boeken van Livius”, boek II, hoofdst. III, als hij het groote onderscheid verklaart tusschen den groei en uitbreiding van de Romeinsche Republiek en die van Sparta, dat Lycurgus, de grondlegger van de Republiek van Sparta, in de overtuiging, dat niets zoo verderfelijk zou zijn voor het voortbestaan van zijn wetten als een vermenging van zijn volk met nieuwe inwoners, alles deed wat in zijn macht lag om vreemdelingen te verhinderen naar de Republiek te stroomen. Behalve dat hij hun niet toestond om onder elkaar te trouwen en hun burgerrecht en alle andere middelen tot gezellig verkeer (conversationi) ontzegde, beval hij, dat in zijn republiek alleen (voor uitvoer ongeschikt) lederen geld gebruikt mocht worden, teneinde alle vreemdelingen te verhinderen om koopwaar in Sparta te brengen of om eenig soort van handwerk of bedrijf uit te oefenen, zoodat de stad nooit in bevolking kon toenemen.

3 Een scheldnaam voor de vredespartij in den Amerikaanschen burgeroorlog, bepaaldelijk voor de Noordelijken die zich ten gunste der Zuidelijken uitspraken.

4 Een onderzoek zal doen blijken, dat de Ver. Staten gedurende het zesde deel van den tijd van hun bestaan als een Statenbond in een oorlogstoestand hebben verkeerd en wat de toekomst betreft, bestaat er geen goede reden om te veronderstellen dat het land in eenig opzicht meer gevrijwaard zal worden van dergelijke onaangename ondervindingen, waaraan iedere natie is blootgesteld, als het in het verleden is geweest. En hoe kan een volk zich handhaven in een groote nationale worsteling met niet-inwisselbaar papier, met schending van het eens gegeven woord en terwijl al het goud versmolten en uitgevoerd is?

5 In een zaak, die vaak over het hoofd is gezien (Bank vs. Supervisors, J. Wallace) heeft het Hooggerechtshof der Ver. Staten uitgemaakt, dat de U. S. biljetten verbintenissen zijn om dollars te betalen en de bedoelde dollars zijn gemunte dollars van de Ver. Staten. Een weigering om zulke biljetten in munt uit te betalen is derhalve een wanpraestatie of contractbreuk.

6 In ieder kabinet van zeldzame munten in Europa zal men exemplaren vinden van de zoogenaamde “belegeringsmunten”, munten geslagen in belegerde steden om de plaats van gemunt geld te vervullen. Deze munten schijnen steeds als in hun soort onschendbare beloften gegolden te hebben en een weigering om ze aan te nemen was een zwaar vergrijp tegen de zedelijkheid en het nationaal gevoel.