1) Veewever (Textor Dinemelli), 2) Alekto-wever (Textor albirostris). ½ v. d. ware grootte.

1) Veewever (Textor Dinemelli), 2) Alekto-wever (Textor albirostris). ½ v. d. ware grootte.

Tot dit geslacht behoort de Alekto-wever (Textor albirostris), die 25 cM. lang is, waarvan 9 cM. op den staart komen. Zijn vederenkleed is effenkleurig, dofglanzig zwart, de kleine veeren echter zijn aan den wortel wit, welke kleur op sommige plaatsen zichtbaar wordt; sommige slagpennen (de 2e tot de 5e) hebben in ’t midden van de buitenvlag een smallen witten zoom; het oog is bruin, de snavel vuilgeel, aan de zijranden en aan de spits blauwachtig, de poot vuilgrijs.

Aanmerkelijk kleiner, 20 cM. lang, is de Veewever (Textor Dinemelli). De kop en de onderdeelen zijn wit, de mantel, de slagpennen en de staart chocoladebruin, alle veeren met lichteren zoom, een vlekje bij het polsgewricht, de staartwortel en de dekveeren van den staart zijn karmijnrood, de teugel is zwart. De snavel is vuil zwartblauw, de poot donkerblauw.

De Alekto-wever bewoont geheel Middel-Afrika, de Veewever het binnenland van dit werelddeel en Abessinië. De eerstgenoemde wordt in Zuid- en Oost-Afrika vervangen door nauw verwante vormen, door den Buffelwever of Roodbekwever (Textor erythrorhynchus) en den Middelsten Wever, die hier vermeld worden, omdat de nu volgende levensbeschrijving gedeeltelijk op hen betrekking heeft.

De Veewevers behooren tot de meest in ’t oog vallende leden van hun familie. Zij verloochenen de zeden en gewoonten van hunne verwanten niet, maar herinneren toch in meer dan een opzicht aan de Lijsters. Hoewel zij Wevervogels zijn, hebben hunne nesten meer overeenkomst met die van onze Eksters dan met de sierlijke woningen, die door hunne verwanten gebouwd worden. Alle soorten leven bij voorkeur op weiland, waar vee graast, het liefst in de nabijheid van kudden, meestal in gezelschap van Purperspreeuwen en Ossenpikkers. Van den Buffelwever zegt A. Smith het volgende: “Eerst toen wij ten noorden van den 25en graad Z. B. gekomen waren, ontmoetten wij dezen Vogel; volgens de verzekering der inboorlingen komt hij zelden verder zuidwaarts voor, om de eenvoudige reden dat daar de Buffels zeldzamer zijn. Overal, waar wij hem aantroffen, vonden wij hem steeds in gezelschap van deze dieren, op welker rug hij zat en waartusschen hij rondvloog. Hij trippelde op hun lichaam rond als een Ossenpikker en was voortdurend bezig hier zijn voedsel te zoeken, dat hoofdzakelijk bestaat uit de Tieken, die zich aan den huid der Buffels vastgehecht hebben en uit hetgeen hij op den grond op den drek van deze dieren vindt. Dit bleek voldoende uit het onderzoek van den maaginhoud van den Vogel. Deze bewijst door het wegpikken van woekerdieren een groote dienst aan de Buffels, die bovendien door hem gewaarschuwd worden, zoodra zich het een of ander verdachte verschijnsel voordoet. Alle Buffels steken dan den kop omhoog en vluchten. De Buffelwevers bezoeken alleen de Buffels en deze hebben geen andere schildwachten; de Ossenpikkers daarentegen behooren bij het Neushoorndier.” Hoewel ik de Alekto-wever niet op vee heb zien zitten, komt het mij niet twijfelachtig voor, dat zij aan de Runderen van Oost-Soedan nu en dan dezelfde diensten bewijzen. Hunne nesten, waarvan ik er soms achttien op denzelfden boom aantrof, zijn voornamelijk van de doornachtige twijgen van den garat-mimosa gebouwd en hebben minstens één Meter middellijn. Een opening ter grootte van een vuist, waarop een veel nauwere gang volgt, leidt naar de nestholte. Volgens Heuglin zijn sommige nesten 2 à 3 M. lang en 1 à 1½ M. breed en hoog. Deze bevatten dan ieder 3 à 8 broedplaatsen, ieder afzonderlijk met gras en veeren gevoerd. Iedere nestendragende boom wordt in een bepaalden tijd van het jaar door een buitengewoon luidruchtig gezelschap bewoond en is hieraan reeds op een afstand kenbaar. In de nabijheid van Khartoem merkte ik op, dat de Zwarte Wever in het begin van het regenseizoen, dus omstreeks het einde van Augustus, broedt. In de Samhara nestelt hij in April.

*

De Wielewaalwever (Ploceus galbula) is een van de kleinste soorten van het geslacht der Boomwevers (Ploceus), daar zijn lengte ongeveer 13 cM. bedraagt. De voorkop tot aan den voorrand van het oog, de teugel, de zijden van den kop en de kin zijn kastanjekleurig roodbruin, de bovenkop, de hals en de onderdeelen geel, de bovendeelen olijfkleurig geel, de slagpennen olijfbruin, de buitenvlag met een olijfgelen, de binnenvlag met een breederen, zwavelgelen rand; de gele spitsen van de grootste bovendekveeren vormen op den vleugel een dwarsband; de staartveeren zijn bruinachtig olijfgeel, aan de buitenvlag en aan de spits met olijfgelen zoom. De iris is rood, de snavel zwart, de poot vleeschkleurig.

De Wielewaalwever bewoont Abessinië van de kust van de Roode Zee tot in het hooge gebergte, bovendien echter geheel Oost-Soedan; op voor hem geschikte plaatsen is hij zeer talrijk.

Bij de Boomwevers komen als ’t ware de eigenschappen van verschillende Vinken vereenigd voor. Dit is aan geheel hun uiterlijk zichtbaar. Karakteristiek is hun onverminderde neiging tot gezelligheid in alle omstandigheden. Des morgens en des avonds verschijnen zij in troepen op bepaalde boomen, gedurende den broedtijd natuurlijk op die, welke de nesten dragen. De mannetjes zitten zingend op de toppen der hoogste twijgen. Dit gezang, hoewel in ’t geheel niet fraai, is zeer gezellig en onderhoudend. Het is een mengelmoes van spinnende, smakkende, ratelende en fluitende geluiden, waaruit men niet recht wijs kan worden. Nadat het gezelschap zich op deze wijze bezig heeft gehouden tot een paar uur na zonsopgang, gaat ieder voedsel zoeken. In de middaguren komen verscheidene vluchten, soms duizenden individuën, in boschjes rondom poelen of bij een ondiepte van de rivier bijeen; zij schreeuwen en krioelen in de struiken op de wijze van onze Musschen; plotseling vliegen zij alle tegelijk naar den waterkant, nemen hier een teug en snellen zoo schielijk mogelijk weer in het struikgewas terug. Voor dit haastig drinken hebben zij goede redenen, want boven de boomen loeren hunne ergste vijanden, de Sperwers en kleine Valken, die pijlsnel op de Wevers neerschieten, zoodra deze hunne veilige zitplaatsen in het struikgewas verlaten. Gewoonlijk blijven de Wevervogels uren lang op zulk een plaats en vliegen in dien tijd misschien tien- of twintigmaal naar den waterkant. In den namiddag zoeken zij opnieuw voedsel, om zich des avonds weer op denzelfden boom als ’s morgens te verzamelen en er hetzelfde lied te zingen. In den ruitijd, die in Oost-Soedan in de maanden Juli en Augustus plaats vindt, zijn de zwermen nog grooter dan gewoonlijk.

Het bouwen van het nest vangt aan met het vervaardigen van een geraamte van lange grashalmen, dat aan de uiterste spits van lange, buigzame twijgen bevestigd is en reeds duidelijk den vormt vertoont, dien het nest zal krijgen; men kan er echter nog overal doorheen zien. Vervolgens worden vooral de wanden der nestholte zeer zorgvuldig waterdicht gemaakt, door er in de eerste plaats zooveel mogelijk halmen van boven naar onderen door te steken; later worden ook in dwarse richting halmen ingevoegd. Een cirkelrond vlieggat wordt gewoonlijk aan de zuidzijde opengelaten. Het nest heeft nu den vorm van een stompen kegel, die op een halven bol rust. Om het te voltooien, wordt de opening aan het boveneind verlengd tot een buis, die bij den geheelen wand langs naar beneden loopt en er stevig mede verbonden is, zoodat nu het vlieggat zich onderaan bevindt. Eerst daarna wordt het nest ook van binnen afgewerkt en met een legplaats van uiterst fijne grashalmen voorzien. Het mannetje is de eenige bouwmeester van het nest, het wijfje bepaalt zich tot het aanbrengen van eenige verbeteringen van het inwendige. Als één twijg niet voldoende wordt geacht, worden twee twijgen aaneen verbonden door een brug, die nu als aanhechtingspunt dient voor het schommelend gebouw. Soms begint het wijfje te leggen reeds voordat de woning geheel gereed is. In den tusschentijd en zelfs gedurende het broeden bouwt het mannetje nog steeds ijverig voort. Het broedsel bestaat uit 3 à 5 eieren, die op groenen grond bruin gevlekt zijn.

Wevervogels: 1) Bandvogel (Spermestes fasciata); 2) en 3; Paradijsweduwe (Vidua paradisea): 2) Wijfje, 3) Mannetje; 4) Vuurvogeltje (Habropyga minima); 5) Oranjewever (Euplectes franciscanus).

Wevervogels: 1) Bandvogel (Spermestes fasciata); 2) en 3; Paradijsweduwe (Vidua paradisea): 2) Wijfje, 3) Mannetje; 4) Vuurvogeltje (Habropyga minima); 5) Oranjewever (Euplectes franciscanus).

De Boomwevers en hun nest leveren in dezen tijd een aardig schouwspel op. Hun bedrijvigheid, die reeds gedurende den broedtijd buitengewoon groot is, neemt nog toe, nadat de jongen geboren zijn. Bijna iedere minuut ziet men het wijfje naar binnen gaan om haar hongerig kroost te voederen. Daar het eene nest dicht bij het andere hangt en vele Vogels af en aan vliegen, herinnert de geheele boom levendig aan een bijenkorf.

*

Wanneer in het zuiden van Nubië de doerra, die iedere voor bebouwen geschikte strook gronds van den Nijloever bedekt, rijp begint te worden, kan men een prachtig tafereel aanschouwen. Een eenvoudig, tjilpend gezang maakt, dat men de oogen vestigt op een bepaald deel van het veld; hier ziet men op een van de hoogste vruchtdragende halmen een prachtigen Vogel zitten, die op een flikkerend vlammetje gelijkt, terwijl hij zich onder vroolijke bewegingen heen en weer draait. Hij is de zanger, wiens lied men hoorde. Het eenvoudige wijsje vindt weldra weerklank in de hartjes van andere vuurvlammetjes; hier en daar komt er een te voorschijn, over het geheele veld zijn zij verdeeld; bij dozijnen, bij honderden misschien, klauteren de vuurroode schepseltjes omhoog en vormen een wonderbaarlijk schoonen tooi voor den groenen akker. Het is, alsof iedere uit de diepte oprijzende zanger zich er op toelegt om zijn prachtig gekleurd vederenkleed van alle zijden te laten bewonderen. Hij richt de vleugeldekveeren omhoog, maakt wendingen en buigingen en zet zelfs een hooge borst te midden van het felle zonlicht. Even snel als hij gekomen is, verdwijnt hij weer, maar alleen om weinige minuten later opnieuw naar boven te klimmen.

De hier bedoelde Vogel is de Oranjewever (Euplectes franciscanus). Alle dieren van deze soort, mannetjes, wijfjes en jongen, dragen buiten den paartijd een buitengewoon bescheiden, muschkleurig kleed; het wijfje behoudt dit voortdurend; bij het mannetje verandert het tegen den broedtijd geheel en al, niet alleen wat de kleur, maar ook wat de gesteldheid der veeren betreft. Deze zijn dan zacht en fluweelachtig; de onder- en de bovendekveeren van den staart, welker baarden geen samenhangende vlag vormen, hebben zich aanmerkelijk verlengd, zoodat zij de stuurpennen nagenoeg geheel bedekken; deze zoowel als de slagpennen hebben haar bruine kleur behouden; de bovenkop, de wangen, de borst, de zijden en de buik zijn fluweelachtig zwart, de overige lichaamsdeelen vermiljoenrood met karmijnkleurige tint, behalve de mantel en de schouders, welker tint bruinachtig is; de slagpennen en vleugeldekveeren zijn aan haar rand aanmerkelijk lichter gekleurd dan in het midden, waardoor op den donkerbruinen vleugel een vaalbruine teekening ontstaat. De snavel is zwart, de oogen zijn bruin, de pooten bruinachtig geel. Totale lengte 12, de staartlengte 4 cM.

De Oranjewever bewoont alle doerra- en dohhenvelden van de waterrijke gewesten, die zich van het midden van Nubië tot diep in het binnenland van Afrika uitstrekken. Steeds geeft hij aan bebouwde streken de voorkeur boven onbewoonde; alleen in geval van nood kiest hij rietvelden tot woonplaats. Een doerra-veld is het paradijs, waaruit hij zich moeielijk laat verdrijven. Hier leeft hij meer op de wijze van de Rietzangers dan op die der overige Wevervogels. Behendig klimt hij, evenals gene, bij de halmen op en neer, vlug sluipt hij op den bodem tusschen het rietgras door, en evenals de Rietzangers verbergt hij zich in tijd van gevaar te midden van dicht bijeengroeiende halmen. Eerst nadat het koorn, dat hem gedurende den broedtijd een schuilplaats verschafte, van de velden is binnengehaald, begint de Oranjewever, evenals de andere leden zijner familie, in het land rond te zwerven.

De nesten zijn op kunstvolle wijze geweven, maar toch veel slordiger gebouwd dan die der andere Wevervogels. De jongen zijn reeds uitgevlogen vóór den doerra-oogst; daar de ouden en de jongen zich tot groote zwermen vereenigen, worden zij dikwijls tot een plaag voor het land. Dan zijn de arme Nubiërs, die ieder strookje vruchtbaren slikgrond moeten gebruiken en bebouwen, genoodzaakt om tot afwering van de Vogels, die tot dusver het prachtigste sieraad van hunne velden vormden, wachten uit te zetten, die door de plunderaars voortdurend bezig worden gehouden.

De Oranjewever komt bij ons dikwijls levend op de vogelmarkt; zij die dezen Vogel niet kennen, zien hem echter licht over het hoofd, daar hij slechts gedurende weinige maanden zijn prachtkleed draagt. In de kooi kan men hem met gewoon vogelvoer gemakkelijk in ’t leven houden.

*

De Weduwen (Vidua) behooren in Afrika thuis; de meeste soorten van dit geslacht hebben in het donkere werelddeel een uitgestrekt verbreidingsgebied; toch vindt men in het zuiden zoowel als in het oosten en het westen karakteristieke soorten. Meer dan de andere Wevervogels herinneren zij aan de Gorsen. Gedurende den broedtijd leven zij paarsgewijs; zoodra het broeden en het ruien afgeloopen zijn, vereenigen zij zich tot talrijke vluchten. De mannetjes wijzigen hunne gewoonten in verband met het kleed dat zij dragen. Als zij in hun bruiloftskleed prijken, dwingt de lange en zware staart hen tot eigenaardige standen en bewegingen. Bij het zitten laten zij hem eenvoudig naar beneden hangen; bij het gaan moeten zij hem hoog dragen en wippen er daarom een weinig mede, wat zij in andere tijden van ’t jaar niet doen. Een zeer grooten invloed oefent de staart op hun wijze van vliegen uit. De snelle bewegingen, die zij anders maken, worden er door verhinderd; met zichtbare inspanning sleepen zij hem door de lucht, vooral bij eenigszins vermeerderde windkracht. Na het ruien bewegen zij zich gemakkelijk en vlug op de wijze van de andere Wevervogels.

De meeste soorten zoeken, naar het schijnt hun voedsel, dat grootendeels uit afgevallen grasvruchten, doch ook uit Insecten bestaat, voornamelijk op den grond. Vooral de mannetjes zitten gedurende den broedtijd meestal op boomen en zoeken hun voedsel, daar de lange staart de beweging op den grond bemoeielijkt. “De Weduwen,” schrijft Pechuel Loesche uit West-Afrika, “bezoeken ook gedurende den broedtijd dikwijls bij paren dorpen en boerenerven. Op open terreinen pikt het eenvoudig gekleede wijfje haar voedsel van den grond, terwijl het met lange, zachte staartveeren pronkende mannetje van tijd tot tijd om haar heen dartelt en op het gebied der vliegkunst kunstjes verricht, die door sierlijkheid en bevalligheid iedereen tot bewondering nopen. Zij en andere Vogels, die voor ’t meerendeel in Europa genoegzaam bekend zijn en dikwijls in kooien gehouden worden, bezoeken op deze wijze zonder schroom de door menschen bewoonde oorden; zij worden hier beschouwd als geliefde gasten, in welker kleurenpracht en bewegingen men telkens weer behagen schept. Om hun een groot genoegen te bereiden, worden soms eenige paddestoelvormige woningen van Termieten uit de naburige vlakte gehaald en voor hen stukgeslagen. Dan snellen zij van alle kanten toe en smullen heerlijk; op zulk een feest gaat het zeer vroolijk toe; in het bonte gewemel van allerlei Vogels, ziet men dikwijls ook zeldzame bezoekers verschijnen.”

De broedtijd valt samen met de lente van hun vaderland, kort nadat het mannetje zijn bruiloftskleed voltooid heeft. In Soedan heeft het broeden plaats in het laatst van Augustus, in de Abessinische gebergten in onze lentemaanden. De nesten gelijken op die van de Wevervogels.

Het mannetje van de Paradijsweduwe (Vidua paradisea) is grootendeels zwart van kleur; een breede halsband, de zijden van den hals en de krop zijn oranjekleurig kaneelrood, de overige onderdeelen bleek roestgeel, de slagpennen donkerbruin, aan de buitenzijde vaalbruin gezoomd. De iris heeft een zwartachtig bruine, de snavel een zwarte, de poot een bruine kleur. Het wijfje komt in kleur eenigszins met een Musch overeen. De lengte van dezen Vogel bedraagt, zonder de 15 cM. lange staartveeren, 15 cM.

De Paradijsweduwe bewoont Midden-Afrika en wel bij voorkeur de ijle bosschen der steppe. Zij komt niet gaarne in de nabijheid van bewoonde plaatsen, ofschoon zij geen reden heeft om den mensch en zijn bedrijf te mijden. In boomrijke gewesten van Midden-Afrika treft men haar overal, gedurende den voortplantingstijd paarsgewijs, in andere tijden van ’t jaar in kleine gezelschappen of zelfs in groote vluchten aan. Haar prachtkleed draagt zij gedurende het regenseizoen, ongeveer 4 maanden lang.

Gevangen Paradijsweduwen worden geregeld naar Europa gebracht: zij kunnen als kooivogels verscheidene jaren in ’t leven blijven, zijn gemakkelijk te onderhouden, maar planten zich in de gevangenschap niet of uiterst zeldzaam voort.

*

Om ook een voorbeeld te geven van een dunsnaveligen Wevervogel, geven wij een korte beschrijving van het Vuurvogeltje, ook wel Kleine Amaranthe of Kleine Roode Astrilde (Estrelda) genoemd (Habropyga minima). Het geslacht der Prachtvinken (Habropyga), waarvan deze soort een vertegenwoordiger is, omvat de kleinste Wevervogels. Het 10 cM. lange Vuurvogeltje is purperkleurig wijnrood, op den mantel en de schouders reebruin, iedere veder aan de spits met purperkleurigen zoom, de borstzijde met witte stippeltjes geteekend. De slagpennen en de staartveeren zijn bruin, op de buitenvlag met purperrooden zoom. Het reebruine wijfje is alleen op den teugel en den staartwortel purperrood, op de borst echter eveneens wit gestippeld. Het oog is donkerbruin, de snavel rood, de poot roodachtig.

Het Vuurvogeltje bewoont geheel Middel-Afrika van de westkust tot aan de oostkust en van 22° NB tot 25° ZB. In bepaalde tijden van ’t jaar ontbreekt het in geen enkel dorp van Zuid-Nubië en van Oost-Soedan; men vindt het dan zelfs bij iedere hut midden in ’t woud. Het is een der eerste Vogels van de keerkringslanden, die men opmerkt, als men van Egypte naar Soedan reist. Gewoonlijk ziet men het in de nabijheid van de dorpen met andere leden derzelfde familie tot zwermen vereenigd, die dikwijls uit tallooze individuën bestaan; het woont echter ook ver van den mensch in de eenzame steppe en zelfs in het gebergte tot op een hoogte van 1500 M., ofschoon het hier zeldzamer voorkomt.

Aan het Vuurvogeltje kan men niet slechts wegens zijn sierlijke kleuren, maar ook wegens zijn aanvalligheid en lieftalligheid veel genoegen beleven. Hoogstens in de middaguren zoekt het in het schaduwrijke loover der altijd groene boomen beschutting tegen de drukkende zonnehitte. Overigens is het bezig, zoolang de zon boven de kim staat en vliegt onverpoosd van twijg tot twijg, of trippelt met groote bedrijvigheid op de takken, op de huizen en ook op den bodem rond. Wat de snelheid van ’t vliegen betreft, wordt het slechts door zeer weinige verwanten overtroffen, ongetwijfeld is geen hunner echter met een zoo rusteloozen ijver bezield. In de laatste maanden van het droge seizoen is het ruien afgeloopen; zoodra de eerste lenteregen valt, ongeveer in het begin van September, begint de voortplantingsperiode. Tot dusver waren de Vogels tot zwermen vereenigd; deze verdeelen zich nu in paren, die onbeschroomd in de dorpen en steden komen en uitzien naar een geschikte nestelplaats onder het dak van een der kegelvormige, van stroo vervaardigde huizen of van een der dobbelsteenvormige leemen hutten der inboorlingen. Hier wordt op den een of anderen geschikten grondslag een verwarde hoop van droge halmen bijeengebracht, die, een goed afgeronde, maar toch volstrekt niet zorgvuldig bekleede nestholte bevat. Ingeval van nood broedt het Vuurvogeltje op boomen of zelfs dicht bij den bodem. Het nest bevat 3 à 7 witte, nagenoeg bolvormige eieren met gladde schaal, die door beide ouders in 11 à 13 dagen worden uitgebroed.

Wegens zijne fraaie veeren en lieftalligen aard heeft men getracht het Vuurvogeltje in Cayenne te acclimatiseeren; voor zoover ons bekend, hebben deze pogingen echter geen gunstige uitkomst opgeleverd. Op de vogelmarkt komt dit diertje veelvuldig voor. Wanneer het eerst de vermoeienissen van de reis te boven is gekomen, kan men er lang genoegen van hebben; het zal allicht in de gevangenschap broeden en jongen grootbrengen.

*

De Bandvogel of Halsbandvink (Spermestes fasciata), mag beschouwd worden als de meest bekende vertegenwoordiger van de Amadinen (Spermestes). Zijn snavel is zeer dik, de lengte overtreft de breedte en de hoogte slechts weinig; de bovensnavel is bij het begin van den snavelrug plat en aan de zijden door een boogvormig naar achteren gerichte lijn van den voorkop afgescheiden; de ondersnavel is zeer breed; de vleugels zijn middelmatig lang, de staart is kort en afgerond. Dit sierlijke vogeltje is ongeveer zoo groot als een Kanarie, 12.5 cM. lang. Bij het mannetje is de hoofdkleur fraai vaalbruin; de rug is donkerder, de onderdeelen zijn lichter, iedere veer is met een zwarte, dwarse zigzaglijn geteekend of (op de bovenborst) zwart gezoomd; enkele veeren van de borst en van de zijden vertoonen een zwarte, V-vormige, de bovendekveeren van den vleugel aan de spits een groote, grijsroodachtige vlek, die door een ervoor gelegen, zwarte halvemaan bijzonder in ’t oog valt; de slagpennen zijn bruin met valen zoom, de staartveeren dofzwart, van onderen grijsachtig, de buitenvlag der buitenste stuurpennen is gedeeltelijk wit, de overige hebben aan ’t einde een witte vlek, met uitzondering van de beide middelste, die geheel zwart zijn. Het mannetje onderscheidt zich van het wijfje door fraaiere kleuren en door een breeden, prachtig karmijnrooden halsband, die van het eene oog naar het andere loopt en een witten zoom heeft, waardoor het beter uitkomt. Het vogeltje ziet er uit, alsof men het in de keel gesneden had; vandaar zijn Fransche naam, Cou-coupé, en de Engelsche, Cut-throat. De oogen zijn donker-, de snavel en de pooten lichtbruin.

Sedert eenige eeuwen is de Bandvogel als bewoner van West-Afrika in Europa bekend; zijn verbreidingsgebied is echter volstrekt niet tot de westelijke landen van het donkere werelddeel beperkt, maar reikt van hier tot aan de oostkust. In de Nijllanden ontmoet men hem bezuiden den 16en graad N. B. overal in de ijle wouden der steppen. Hij vermijdt de eigenlijke woestijn; aan de grens van den regengordel begint hij zich te vertoonen; daar, waar hij aangetroffen wordt, is hij niet zeldzaam. In de oerwouden ontbreekt hij; wanneer hij ze al eens bezoekt, blijft hij er slechts korten tijd. Deze wouden missen de zaadrijke grassen en andere laag bij den grond groeiende planten, waaraan hij zijn voedsel ontleent. De Bandvogels in de kooi pikken graag in fruit; vermoedelijk zullen zij dus dergelijk voedsel in de vrije natuur niet versmaden. Hun hoofdvoedsel blijft echter altijd zaad.

Rijstvogel (Spermestes oryzivora). ½ v. d. ware grootte.

Rijstvogel (Spermestes oryzivora). ½ v. d. ware grootte.

In het noordoosten van Afrika ontmoet men ze gewoonlijk in gezelschappen van 10 à 40 stuks. Zulke zwermen naderen onbeschroomd de hutten der dorpelingen. In de voormiddaguren ziet men ze op den grond rondloopen, waar zij ijverig bezig zijn met het oppikken van voedsel; nooit klimmen zij echter in de lage grashalmen; gedurende de middaguren zit het gezelschap, in een halve sluimering verzonken, in de twijgen van een schaduwrijken boom. Des namiddags vliegen zij nogmaals uit om voedsel te zoeken.

De broedtijd valt, in Oost-Afrika althans, in de maanden September en October, dus in een deel van ’t jaar, dat met onze laatste lentemaanden vergeleken kan worden. De in gevangenschap levende dieren brengen de bouwstoffen, die men hen verschaft, tot een meer of minder geregeld gebouwd nest bijeen en leggen hierin 6 à 9 witte eieren, de beide ouders broeden om beurten gedurende 13 dagen; gemeenschappelijk brengen zij hunne jongen groot, die, zoodra hunne veeren zich ontwikkeld hebben, in kleur met de ouders overeenstemmen.

In de landen van den Boven-Nijl maakt niemand, in West-Afrika bijna iedereen jacht op den Bandvogel om hem aan de vogelhandelaars in de kustplaatsen te verkoopen. Door tusschenkomst van deze lieden komen ieder jaar duizenden van Bandvogels naar Europa, daar zij de bezwaren van de reis zeer goed te boven komen. Zij zijn zeer gemakkelijk te verzorgen en planten zich, wanneer zij paarsgewijs in de kooi worden gehouden, geregeld voort. Aanvankelijk bekoren zij hun eigenaar door de fraaiheid van hunne veeren en de bevalligheid van hunne bewegingen mettertijd begint men ze echter even vervelend te vinden als al hunne verwanten.

De meest bekende van de Aziatische Amadinen is de Rijstvogel (Spermestes oryzivora). Deze soort is gemakkelijk te herkennen aan de fraai grijze kleur der bovendeelen, den zwarten, meestal wratten-dragen den kop, de licht wijnroode onderdeelen, den zwarten staart met bovendekveeren van gelijke kleur, terwijl de onderdekveeren wit zijn; de snavel is helder rozerood, aan de spits en aan de randen parelwit. De iris is bruin, het ooglid echter rood, de poot roodachtig. Het verbreidingsgebied van dezen Vogel, die ongeveer zoo groot is als een Putter, omvat Malakka en de Soenda-eilanden. Zijn eigenlijk vaderland is echter Java. In sommige werken leest men, dat de Rijstvogel in zijn vaderland “padda” wordt genoemd, omdat hij aan de rijstvelden als woonplaats de voorkeur geeft, en de rijst in de landstaal “padda” heet. Dat men hem hoofdzakelijk in de rijstvelden aantreft, is waar, de rijst heet echter niet “padda” maar “padi” en de Vogel in ’t geheel niet “padda”, maar Gladdik.

“Evenals onze Europeesche Musch,” schrijft Bernstein, “bewoont de Rijstvogel uitsluitend bebouwde landstreken; hij is hier zeer veelvuldig. Zoo lang de rijstvelden of sawahs door het water bedekt zijn, d. i. van November tot Maart of April, zoo lang de rijst groeit en allengs geschikt wordt voor den oogst, houden de Rijstvogels zich bij paren of kleine familiën in de tuinen en hakhoutboschjes der dorpen en in het struikgewas op, waar zij, behalve verschillende zaden en velerlei kleine vruchten, ook wel Insecten en Wormen als voedsel gebruiken. Menigmaal althans heb ik ze op de wegen enz. den bodem zien afzoeken, waar moeielijk iets anders te vinden geweest kan zijn dan dierlijk voedsel; bovendien kwam het mij voor bij ’t onderzoeken van den maaginhoud van verscheidene dezer Vogels, dat zich hierin overblijfselen van zulke voedingsstoffen bevonden. Zoodra echter de rijstpluimen een gele kleur beginnen aan te nemen en de sawahs door het laten afvloeien van het water drooggelegd worden, begeven de Rijstvogels zich, dikwijls in groote zwermen, naar de voor hen zoo aanlokkelijke akkers. Zij richten hier niet zelden een aanmerkelijke schade aan, zoodat men allerlei middelen aanwendt om ze te verdrijven. In de gewesten, die het meest van deze bevederde dieven te lijden hebben, bouwt men te dien einde in de sawah een op vier hooge bamboespalen rustend, klein wachthuisje, op een groot rijstveld meer dan één. Van hier gaan naar alle richtingen een groot aantal draden uit, die verderop vastzitten aan dunne bamboesstokken, welke op bepaalde afstanden van elkander in den grond gestoken zijn. Aan deze draden hangen groote, droge bladen, bonte lappen, poppen, houten kleppers en dergelijke voorwerpen. Zoodra nu de inboorling, die, als een spin te midden van haar web, in het wachthuisje zit, aan de draden trekt, zullen gelijktijdig alle droge bladen beginnen te ratelen, terwijl de poppen zich bewegen, de klepperhoutjes geluid geven, enz.; vol schrik vluchten nu de ongenoode gasten. Ook nog na den oogst vinden de Vogels op de sawahs, die tot aan het begin van het regenseizoen, d. i. tot omstreeks November, braak blijven liggen, rijkelijk den kost, niet alleen omdat er vele rijstpluimen achtergelaten zijn, maar ook omdat tusschen de stoppels in ongeloofelijk korten tijd allerlei soorten van onkruid welig opschieten, waarvan de weldra rijpende zaden den gragen gast een gewenscht voedsel verschaffen. In dezen tijd zijn zij tamelijk vet en dik; vooral de jonge Vogels leveren dan een smakelijk gerecht op; op hen wordt daarom ijverig jacht gemaakt. De gevangen rijstvogels worden alleen door de vogelhandelaars, die ze naar Europa zenden, in ’t leven gehouden.”

Het nest vond Bernstein in de kroon van verschillende soorten van boomen of tusschen de talrijke woekerplanten, die de stammen der arenga-palmen bedekken, De grootte en vorm van het nest verschillen in overeenstemming met de plaats waar het gebouwd wordt. De nesten op de boomen zijn meestal groot en hebben over ’t algemeen een tamelijk regelmatige, half bolvormige gedaante; die, welke tusschen de slingerplanten van de palmenstammen voorkomen, zijn kleiner en hebben een minder bepaalden vorm. In ’t eene zoowel als in ’t andere geval, worden zij bijna uitsluitend vervaardigd van de halmen van verschillende grassen; daar deze niet zeer stevig ineengevlochten zijn, kan het nest niet veel weerstand bieden. Het broedsel bestaat uit 6 à 8 glanzig witte eieren.

Op Zanzibar is de Rijstvogel inheemsch geworden. In Japan, waar hij sinds overouden tijd gefokt wordt, heeft men een zuiver wit ras verkregen, dat in den laatsten tijd geregeld op de Europeesche vogelmarkten komt. De Witte Japansche Rijstvogel is geen albino, maar het product van een langdurige, moeitevolle teeltkeus. Hij heeft donkere oogen en krijgt soms eenige donkere veeren. Niet zelden ontmoet men bonte exemplaren.


De Troepiaal-vogels (Icteridae) hebben een slank, maar toch krachtig gebouwd lichaam, met een langwerpig kegelvormigen snavel; deze is soms iets korter, soms een weinig langer dan de kop; het achterste gedeelte van den bovensnavel is min of meer schildvormig tusschen de veeren van den voorkop verlengd; de pooten zijn krachtig, de vleugels en de staart middelmatig lang. Onder de kleuren van het tamelijk zachte en glanzige vederenkleed hebben zwart, geel en rood de overhand. De grootte wisselt af tusschen die van een Kraai en die van een Vink.

De Troepiaal-vogels leven uitsluitend in Amerika. Alle soorten van deze familie zijn gezellig, opgewekt, beweeglijk van aard en tot zingen bekwaam. Zij bewonen en verlevendigen de wouden; hun voedsel bestaat uit kleine Gewervelde en Gelede dieren en uit Schelpdieren, uit vruchten en zaden; sommige halen zich den haat van den mensch op den hals door de schade, die zij aanrichten; andere zijn zeer nuttig. Hunne nesten, welke dikwijls, wat sierlijkheid betreft, voor die van de Wevervogels niet behoeven onder te doen, zijn soms koloniesgewijs aan de boomen opgehangen; de leden van één ondergeslacht bouwen echter geen nesten en broeden niet, maar vertrouwen hunne eieren aan den zorg van vreemde Vogels toe.

Onder de Noord-Amerikaansche soorten van de familie verdient de Baltimorevogel of Baltimore-troepiaal, door de Anglo-Amerikanen Hangnest genoemd (Icterus galbula), als de meest bekende, in de eerste plaats vermelding. Hij vertegenwoordigt het soortenrijke geslacht der Troepialen (Icterus). De kop, de hals, de kin en de keel, de mantel, de schouders, de vleugels en de beide middelste staartveeren zijn donkerzwart, de bovendekveeren van vleugels en staart, de staartwortel en de onderdeelen (met uitzondering van de reeds genoemde) zijn hoog oranje; de armpennen hebben een breeden, de handpennen (doch alleen aan ’t topgedeelte) een smallen, witten buitenzoom; de witte eindhelften van de dekveeren der handpennen vormen gezamelijk een breeden dwarsband over den vleugel; de staartpennen, met uitzondering van de beide middelste, zijn oranjekleurig, op het wortelgedeelte met breede, zwarte dwarsstreepen. Het oog is bruin, de snavel zwartachtig loodgrijs, de poot loodgrijs. Totale lengte 20, staartlengte 8 cM. De kleuren in het wapen van Lord Baltimore, den vroegeren eigenaar van Maryland, zijn zwart en oranje, evenals die van dezen, o.a. in Maryland levenden Vogel; vandaar zijn naam.

Het broedgebied van den Baltimorevogel omvat de oostelijke staten van Noord-Amerika, van Canada tot aan de hoogvlakten in ’t westen. Van hier trekt hij in den winter naar West-Indië en Midden-Amerika. Volgens Audubon is hij op de voor hem geschikte plaatsen zeer veelvuldig, terwijl hij andere slechts op den trek bezoekt. Heuvelachtige landschappen behagen hem, naar ’t schijnt, het meest. In het eerstgenoemde gebied is hij een zomervogel, die in ’t begin van de lente bij paren in ’t land komt en dan zeer spoedig voor de voortplanting begint te zorgen. Zijn nest is verschillend ingericht, al naarmate het door hem bewoonde land heeter of kouder is; altijd echter is het zeer kunstmatig gebouwd en aan een slanke twijg opgehangen. (Vandaar de Engelsche naam van dezen Vogel.) In de zuidelijke staten van Noord-Amerika bestaat het eenvoudig uit zoogenaamd “Spaansch mos” en is het zoo los gebouwd, dat de lucht er overal gemakkelijk doorheen kan dringen; zelfs wordt het van binnen niet met slechte warmtegeleiders gevoerd en aan de noordzijde van de boomen opgehangen. In de noordelijke staten daarentegen wordt het bevestigd aan twijgen, die aan de zonnestralen blootgesteld zijn en van binnen met de warmste en fijnste bouwstoffen gevoerd. De nestbouwende Vogel vliegt naar den grond, zoekt hier geschikte materialen op, hecht ze met het eene einde aan een twijg vast en vlecht alles op zeer kunstmatige wijze dooreen. De Baltimore-vogel kan, terwijl hij bezig is met het bouwen van een nest, soms last veroorzaken aan de menschen in de buurt, o. a. door het wegnemen van het garen van de bleek. Dikwijls heeft men kluwens zijden draden in den wand van zijn nest aangetroffen.

Bobolink (Agelaeus oryzivorus). ½ v. d. ware grootte.

Bobolink (Agelaeus oryzivorus). ½ v. d. ware grootte.

Als het nest gereed is, legt het wijfje er 4 à 6 eieren in, die op lichtgrijzen grond een uit donkerder vlekken, stippels en strepen bestaande teekening vertoonen. Nadat zij veertien dagen lang bebroed zijn, komen de jongen uit; 3 weken later kunnen zij vliegen. Waarschijnlijk broedt, althans in de zuidelijke staten, het paar nog eens in denzelfden zomer. Vóórdat de jongen uitvliegen, kruipen zij vaak als jonge Spechten uit en in het nest en gaan er dikwijls buiten op zitten. Hierna volgen zij ongeveer 14 dagen lang hunne ouders, die hen intusschen voederen en terechtwijzen. Zoodra de moerbeien en de vijgen rijp beginnen te worden, bezoeken zij de plaatsen, waar deze vruchten groeien; hier kunnen zij tamelijk groote verwoestingen aanrichten, zooals vóór dien tijd in de kerse- en andere vruchtboomgaarden. In de lente daarentegen voeden zij zich bijna uitsluitend met Insecten, die zij van de twijgen en bladen afzoeken of met groote behendigheid in de vlucht vangen.—Reeds vroeg beginnen zij hun reis naar het zuiden. Over dag vliegen zij hoog, meestal ieder afzonderlijk, onder luidklinkend geschreeuw en met grooten spoed. Eerst tegen zonsondergang strijken zij op de boomen hunner keuze neer, zoeken haastig eenig voedsel, slapen, ontbijten, en zetten vervolgens de reis voort.

De bewegingen van den Baltimore-vogel zijn sierlijk en gelijkmatig. Hij vliegt rechtuit zonder op te houden; op den bodem loopt hij tamelijk goed. In zijn volle kracht toont hij zich te midden van de twijgen der boomen, hier wedijvert hij met de Meezen in behendigheid.

Wegens zijn schoonheid wordt deze Vogel dikwijls in een kooi gehouden. Zijn gezang, hoewel eenvoudig, is zeer aangenaam door de volheid, kracht en welluidendheid van de 3 of 4, hoogstens 8 of 10 tonen, waaruit het bestaat.

*

Tot het geslacht der Hordevogels (Agelaeus) behooren de kleinste soorten van de geheele familie. Hun snavel heeft een rechten rug, de zijrand is aan den mondhoek hoekig naar beneden gebogen. De achterteen draagt een spoorvormigen klauw. Het vederenkleed van de jongen herinnert dikwijls aan dat van de Gorsen; de oude Vogels zijn zeer verschillend van kleur en teekening.

Een der veelvuldigste en meest gehate Vogels van Noord-Amerika, de Bobolink, ook wel Rietvogel, Rijsttroepiaal of Paperling geheeten (Agelaeus oryzivorus), verdient in de eerste plaats vermelding, omdat hij half Vink, half Troepiaal schijnt te zijn.

Het ondergeslacht der Rijsttroepialen (Dolychonyx), dat door hen vertegenwoordigd wordt, onderscheidt zich door den middelmatig langen, dikken, kegelvormigen, zijdelings samengedrukten snavel, welks bovenste deel smaller is dan het onderste en welks kaakranden op soortgelijke wijze binnenwaarts gebogen zijn als bij de Gorsen; de loop is tamelijk lang en krachtig, de romp gedrongen, de kop groot, de vleugel middelmatig lang. Totale lengte 18, staartlengte 6 cM. In het prachtkleed van het mannetje zijn de voor- en de bovenkop, alle onderdeelen en de staart zwart; de nek is bruinachtig geel; de veeren van den bovenrug zijn zwart met breeden, gelen zoom. De schouder- en staartwortelveeren zijn wit met gelen weerschijn, de slagpennen en vleugeldekveeren zwart, alle met gelen zoom. Het oog is bruin, de bovensnavel donkerbruin, de ondersnavel blauwachtig grijs, de poot lichtblauw.

De Bobolink is in Noord-Amerika een zomervogel, die zeer geregeld komt en vertrekt. Op zijn reis naar ’t zuiden doet hij Middel-Amerika en vooral West-Indië aan, misschien ook de noordelijke landen van Zuid-Amerika; naar het schijnt, dringt hij echter niet tot Brazilië door. Het nest wordt op of kort boven den bodem zonder groote zorg, maar toch altijd tusschen gras- of graanhalmen aangelegd; het is, zooals van zelf spreekt, het middelpunt van het woongebied van een paar. Terwijl de wijfjes met het leggen of broeden bezig zijn, vliegen de mannetjes stoeiend en elkander najagend, boven het halmenwoud rond. Nu en dan verheft een hunner zich al zingend in de lucht en dartelt hier met eigenaardige rukken op en neer. Door dit lied tot navolging geprikkeld, stijgen de mannetjes weldra in menigte omhoog, onder het zingen van dezelfde liefelijke en vroolijke melodie. Met recht roemen de Noord-Amerikanen het gezang van den Bobolink; het bevredigt zelfs het verwende oor van den liefhebber van Europeesche Zangvogels. Met grooten ijver wordt het zingen volgehouden; de tonen zijn rijk aan afwisseling, maar volgen zeer snel en schijnbaar in bonte verwarring op elkander; dit maakt dat men soms het gezang van een half dozijn Vogels meent te hooren, hoewel er in werkelijkheid slechts één zingt.

In de laatste dagen van Mei vindt men in het nest 4 à 6 eieren, die op bruinachtig gelen of blauwachtigen grond met zwartbruine vlekken en krullen geteekend zijn. De jongen worden hoofdzakelijk met Insecten gevoederd, hebben een snellen wasdom en vereenigen zich na het verlaten van het nest met andere van hun soort tot vluchten. Nu vooral bedrijft de Bobolink de daden, die hem door de landbouwers zoo kwalijk genomen worden. Kolossale zwermen van deze Vogels strijken op de graanvelden neer, eten de nog weeke zaden met evenveel smaak als de reeds rijpe en veroorzaken door hun ontzaglijk aantal den boer groote schade. Alle geweren zijn in gebruik tot het verdrijven van de plunderaars, die bij duizenden en honderdduizenden gedood worden; dit baat echter niet veel; de verwoesting duurt toch voort. Hoogstens laten de Vogels zich van het eene veld naar het andere drijven. Zoodra zij hun vernielingswerk in ’t noorden volbracht hebben, trekken zij op de plantages der zuidelijke staten los. Zoo gaat het verscheidene weken achtereen; over dag houden de roovers zich in de graanvelden op, des nachts slapen zij in de rietbosschen. Daarna trekken zij langzamerhand verder zuidwaarts.

In de kooi eet de Bobolink dadelijk met smaak den gevangeniskost; na korten tijd is hij hier even vroolijk en onbezorgd als in de vrije natuur; hij klimt, gymnastiseert en zingt zóó, dat het een lust is hem te zien en te hooren; om hem eenige jaren lang in ’t leven te houden, moet men hem vooral niet overdadig voeren.

*

Van het ondergeslacht der Veetroepialen (Molobrus) is de beroemde of beruchte Cow-bird of Koevogel (Agelaeus pecoris) de meest bekende soort. Zijn kop en hals zijn roetkleurig bruin, alle overige veeren bruinachtig zwart, op de borst met blauwachtigen, op den rug met groenen en blauwen glans; de oogen zijn donkerbruin, de snavel en de pooten bruinachtig zwart. Totale lengte 19, staartlengte 8 cM.

De Koevogel is eveneens over het grootste gedeelte van Noord-Amerika verbreid en, in eenige gewesten althans, zeer veelvuldig. Hij bewoont hoofdzakelijk moerassige oorden, vooral die, waar vee wordt geweid, daar hij gaarne te midden van de Runderen en Paarden vertoeft. Zijne slaapplaatsen zoekt hij in het struikgewas of in de rietbosschen aan de oevers der rivieren. In kleine vluchten verschijnt hij in het laatst van Maart of in het begin van April in het noorden van de Vereenigde Staten. Tegen het einde van September verlaat hij dit land weer, gewoonlijk in gezelschap van andere Vogels. Zijn voedsel is in hoofdzaak hetzelfde als dat, waarmede zijne verwanten zich verzadigen. Hij gelijkt op onze Spreeuwen in zoover, dat ook hij van den rug van het vee dikwijls de woekerdieren afzoekt, die zich hier hebben vastgehecht.

Koevogel (Agelaeus pecorus). ½ v. d. ware grootte.

Koevogel (Agelaeus pecorus). ½ v. d. ware grootte.

De Koevogels en andere leden van zijn ondergeslacht onderscheiden zich door de belangrijke eigenaardigheid, dat zij niet zelf broeden, maar hunne eieren aan den zorg van andere Vogels toevertrouwen; bovendien is bij hen de huwelijksband even los als bij onzen Koekoek. “Als men,” zegt Potter, “een vlucht Koevogels gedurende den broedtijd nagaat, zal men zien, dat het wijfje op een gegeven oogenblik haar gezelschap verlaat, onrustig rondvliegt en ten slotte geruimen tijd blijft zitten op een plaats, van waar zij de bewegingen van andere Vogels kan bespieden. Toen ik eens een wijfje op deze wijze zag zoeken, besloot ik, zoo mogelijk de reden van haar gedrag na te sporen en reed haar langzaam achterna. Ik verloor haar soms uit het oog, maar zag haar telkens spoedig weder. Zij vloog naar iedere met struikgewas dicht begroeide plek, onderzocht met groote zorg alle plaatsen, waar de kleine Vogels gewoon zijn hunne nesten te bouwen, schoot ten slotte pijlsnel neer op een dicht boschje van elzen en doornstruiken, bleef hier 5 of 6 minuten en keerde vervolgens naar haar gezelschap op het veld terug. In de struiken vond ik het nest van een Grondwoudzanger of Geelborstje (Geothlypis trichas) en hierin het ei van een Koevogel. Het komt mij zeer waarschijnlijk voor, dat deze parasiet met geweld in het nest van andere Vogels doordringt en hen uit hun rechtmatig eigendom verdrijft. Alleen wanneer dit niet mogelijk is, tracht hij langs sluipwegen zijn doel te bereiken.”

Het ei is, evenals dat van den Koekoek, kleiner dan men, op de grootte van den Vogel afgaande, vermoed zou hebben; het is op lichtgrijzen grond met omberbruine vlekken en strepen geteekend, die in de nabijheid van het dikste uiteinde het dichtst opeengehoopt zijn. Volgens Audubon legt de Koevogel nooit meer dan één ei in hetzelfde nest, ongetwijfeld legt hij er echter verscheidene gedurende ieder voortplantingstijdperk. Na een bebroeding van 14 dagen komt de jonge Vogel te voorschijn en wordt op dezelfde wijze grootgebracht als de jonge Koekoek.

Bijna even veelvuldig als de Bobolink is de Roodvleugel, de Redwinged Blackbird (Roodvleugelige Zwartvogel) der Amerikanen, ook wel Epaulettenspreeuw genaamd (Agelaeus phoeniceus). Het bruiloftskleed van het mannetje is donkerzwart, over de schouders loopt een breede, prachtig karmijnroode band, die van onderen door een bruinachtig gele strook begrensd wordt. Totale lengte 22, staartlengte 8 cM.

Ook de Roodvleugel is over geheel Noord-Amerika verbreid en overal, waar hij voorkomt, veelvuldig; in het noorden van de Vereenigde Staten broedt hij geregeld; in het zuiden komt hij slechts in den winter, tijdelijk in zeer grooten getale voor. De eerste jongen vliegen in ’t begin van Juni uit, die van het tweede broedsel in de eerste dagen van Augustus. In dezen tijd is het graan in de middelste staten nagenoeg rijp; de landbouwers moeten dan ernstige maatregelen nemen om de verwoestingen te keer te gaan van de uit tallooze individuën bestaande zwermen Roodvleugels, die hunne akkers komen plunderen. Gewoonlijk echter is zelfs hun grootste ijver vruchteloos; het ontzaglijk aantal Vogels verijdelt hun streven.

Wegens zijn schoonheid wordt de Roodvleugel dikwijls in de kooi gehouden; hij is niet veeleischend, zingt vlijtig, is voortdurend opgewekt en bedrijvig, steeds blijmoedig en, althans in het verkeer met Vogels, die tegen hem opgewassen zijn, verdraagzaam. Hij is een sieraad voor een volière.

*

Nauw verwant met de Hordevogels zijn de Frontvogels (Cassicus), de grootste leden van hun familie. Zij zijn slank gebouwd, hebben een langen, spits kegelvormigen snavel, die van boven schildvormig tusschen de veeren van het voorhoofd verlengd is; aan hun breed, halfrond voorhoofd danken zij hun naam. De pooten zijn sterk en met lange teenen voorzien, de vleugels tamelijk lang en toegespitst; de staart is lang en uit breede veeren samengesteld; het zwartachtige vederenkleed is glanzig en met geel en rood afgezet.

De Frontvogels, die in Amerika tot op zekere hoogte de plaats van onze Raven innemen, zijn fraaie, levendige en beweeglijke dieren, die in de wouden en steeds op de boomen leven. Als de granen en vruchten rijp zijn, komen zij onbeschroomd in de nabijheid van woningen en plantages, waar zij soms lastig worden. In het woud maken zij jacht op Insecten, de grootste soorten ook op kleine Gewervelde Dieren; bovendien eten zij vruchten en zaden. Hun stem is niet zoo welluidend als die van de Hordevogels, maar klinkt toch in ’t geheel niet onaangenaam en onderscheidt zich door groote buigzaamheid. Volgens Schomburgk worden sommige soorten door de Europeesche bewoners van Guyana “Spotvogels” genoemd. Zij bootsen niet alleen de geluiden van alle om en naast hen zingende en schreeuwende Vogels, maar ook die van Zoogdieren na.

Bijna even merkwaardig als hun stem is hun nestbouw. Zij vormen broedkolonies en hangen hunne buidelvormige, tamelijk kunstige nesten gemeenschappelijk aan denzelfden boom op, niet zelden in broederlijke eendracht met verwante soorten, die na hun broedtijd hun eigen gang gaan en zich om de medebewoners der kolonie niet meer bekommeren. De nesten zijn langwerpig fleschvormig en zoo doorluchtig, dat men den licht gekleurden staart van den broedenden Vogel door den nestwand heen zien kan. Het bouwen van deze nesten vordert veel tijd, behendigheid en moeite. Enkele soorten gebruiken geen andere grondstof dan de op naaigaren gelijkende strooken of vezels, die zij van de bladen der palmen afschillen.

Een merkwaardige vertegenwoordiger van dit geslacht is de Sjapoe (Japoe) of Kuiftroepiaal (Cassicus cristatus). Hij is 40 à 45 cM. lang en heeft een 18 à 19 cM. langen staart. Op het midden van den bovenkop zijn de veeren smal en vormen een kuif. De vijf buitenste paren stuurpennen hebben een citroengele kleur; de staartwortelveeren en de dekveeren van den staart zijn licht kastanjebruin; overigens is de geheele Vogel glanzig zwart. Het wijfje is aanmerkelijk kleiner dan het mannetje.

Met uitzondering van de westelijke districten van Zuid-Brazilië, is de Sjapoe over de geheele oostelijke helft van Zuid-Amerika verbreid, noordwaarts tot in Guatemala. Hij is een woudbewoner en wordt alleen dan op plantages of bij menschelijke woningen aangetroffen, wanneer deze dicht bij het woud gelegen zijn. Zijn gezellige aard verloochent hij zelfs gedurende den broedtijd niet; op een kleine ruimte ziet men dan dikwijls 30, 40 of meer paren van deze Vogels bezig met het bouwen van hunne merkwaardige nesten, die soms alle te zamen aan de twijgen van één enkelen hoogen of wijd getakten boom van het oerwoud hangen.

Het nest van den Sjapoe is een smalle, lange, van onderen afgeronde, 1 à 1.5 M. lange buidel, welks onderste gedeelte, dat de ligplaats voor de jongen bevat, een wijdte heeft van 13 à 17 cM.; het bovenstuk is geslingerd om, en hierdoor stevig bevestigd aan een tamelijk slanke twijg, die ongeveer zoo dik is als een vinger. De langwerpige, volkomen onbeschutte opening voor het in- en uitvliegen bevindt zich aan het dunne gedeelte van den uit een los vilt samengestelden buidel, die wegens zijn vorm en buigzaamheid in hooge mate blootgesteld is aan de werking van den wind en reeds door een zwakke luchtstrooming in beweging wordt gebracht. Dit nest, dat op zeer kunstige wijze vervaardigd wordt van ineengevlochten en tot vilt verwerkte vezels van tillandsia’s, gravatha’s en andere planten, is zoo stevig, dat het moeite kost het te verscheuren. Op den bodem van den diepen buidel liggen de eieren (1 of 2) en later de jonge Vogels op een laag mos, droge bladen en boombast. De met nesten beladen boom, de groote, fraaie Vogels, die af- en aanvliegen en ijverig werkzaam zijn, leveren voor den natuuronderzoeker en den jager een zeer aantrekkelijk schouwspel op. Het grootst en het fraaist zijn de mannetjes; als zij hun stem zullen laten hooren, spreiden zij den prachtigen staart uit, lichten op de wijze van een Zwaan hunne vleugels een weinig op, houden den kop omlaag en verwijden den krop. In plaats van den kort afgebroken, heeschen, eenigszins krassenden loktoon, brengen zij dikwijls een zonderling, doch niet onaangenaam klinkend, fluitend keelgeluid voort, dat met den loktoon en andere klanken vereenigd wordt tot een vreemdsoortig, niet onbehagelijk gezang.