Fluitwurger (Malaconotus aethiopicus). ⅖ v. d. ware grootte.
In Australië treft men eenige soorten van Struikwurgers aan, die door voorkomen, kleur en levenswijze eenigszins aan de Meezen doen denken en te zamen het geslacht der Valksnavelwurgers (Falcunculus) vormen, dat zich onderscheidt door den zeer stevigen, korten, samengedrukten en van een grooten haak voorzienen snavel, door een kleine kuif op het voorhoofd en door den staart, die niet langer is dan de romp.
De Gewone Valksnavelwurger (Falcunculus frontatus) is een krachtig gebouwde, fraai geteekende Vogel, iets grooter dan onze Musch (totale lengte 16 cM.). Hij herinnert aan onze Koolmees, maar is dadelijk kenbaar aan zijn zeer krachtigen snavel, welke veel op dien van een Valk gelijkt, hoewel de haak en de tand aan den bovensnavel minder sterk ontwikkeld zijn. De kleur van de veeren is bij beide geslachten nagenoeg gelijk. De bovendeelen zijn olijfkleurig, de onderdeelen hooggeel; wit zijn, behalve een streep over het voorhoofd, ook de zijden van den kop, met uitzondering van een bij het oog beginnenden, zwarten band, die zich tot in den nek uitstrekt; eveneens zwart zijn de kuif, de keel en een deel van den voorarm; de zwartbruine hand- en armpennen hebben een breeden, grijzen zoom; dezelfde kleur als de slagpennen, met uitzondering van de buitenste en van de spitsen der overige, die zuiver wit zijn. De iris is roodachtig bruin, de poot blauwachtig grijs, de snavel zwart.
Het voedsel van dezen bewoner van Nieuw-Zuid-Wales bestaat hoofdzakelijk uit bessen, doch ook uit Insecten, die van de bladen afgezocht of van onder de schors van dikke takken opgepikt worden. De snavel, die met goed gevolg als verdedigingsmiddel dienst doet, is een buitengewoon krachtig wapen voor een Vogel van deze grootte.
De Menievogel (Pericrocotus speciosus) vertegenwoordigt de familie der Rupsvogels (Campephagidae), welker leden (ongeveer 100 soorten) over Australië, de Maleische eilanden, Zuid-Azië en Afrika verbreid zijn en zich hoofdzakelijk met Insecten voeden, die zij van de bladen der boomen afzoeken of in de lucht vangen. Bij ’t mannetje van de genoemde soort zijn de bovendeelen, de vleugels en de beide middelste stuurpennen glanzig blauwzwart; de onderrug, een breede band over den vleugel (gevormd door een vlek op de buitenvlag van iedere slagpen en van eenige dekveeren), de overige stuurpennen en de geheele onderzijde (te beginnen bij de borst) zijn prachtig karmijnrood. Totale lengte 23, staartlengte 11 cM.
Een groot deel van het noorden van Indië (het Himalaja-gebied, de noordwestelijke en centrale provinciën en Bengalen), Assam, het noorden van Birma en het zuiden van China zijn het vaderland van dezen prachtigen Vogel; hij bewoont voornamelijk de wouden tot op een hoogte van bijna 2000 M. Voor de kooi is hij niet geschikt.
De romp der Vliegenvogels (Muscicapidae) is slank, de hals kort, de kop breed, de snavel dik en kort, aan den wortel breeder en hier van boven naar onderen samengedrukt, op den rug kantig, de spits van de bovenkaak naar beneden gebogen en aan weerszijden ingekorven; de pooten kort en zwak (de buitenste teen met den middelsten vergroeid), de vleugels tamelijk lang (de derde slagpen de langste); de staart is middelmatig lang, recht afgeknot of flauw uitgesneden; de veeren zijn los en zacht, om den snavel heen borstelig; de kleur is in den regel bij mannetjes, wijfjes en jongen ongelijk.
De Vliegenvogels, waarvan men meer dan 300 soorten kent, die voor ’t meerendeel in het oostelijk halfrond (slechts voor een klein deel in Amerika) thuis behooren en vooral talrijk zijn in de tropische gewesten, bewonen de wouden en boomaanplantingen, leven meer op de boomen dan in de struiken en komen zelden op den bodem. Op een tak zittend, die zoo vrij mogelijk uitsteekt en een ruim uitzicht veroorlooft, kijken zij uit naar Insecten, vliegen hen behendig na, grijpen ze met den snavel en keeren hierna gewoonlijk naar hun zitplaats terug. Bij slecht weer, vooral wanneer zij jongen te verzorgen hebben, plukken zij ook bessen. Bijna gedurende den geheelen dag zijn zij werkzaam, opgewekt, onrustig en bij de hand, in tegenwoordigheid van den mensch niet zeer schuw, jegens Roofvogels koen en driest. In tegenstelling met de Vogels van verwante familiën, laten zij hun stem zelden hooren; het veelvuldigst nog geschiedt dit uit den aard der zaak gedurende den voortplantingstijd, zelfs inspireert deze de mannetjes tot een zeer eenvoudig en zacht gezang. Het nest, dat los en ruw ineengevoegd, maar van binnen warm bekleed is, wordt in holle boomen of tusschen takgaffels, gewoonlijk dicht bij den stam, gebouwd. Het bevat 4 of 5 eieren. Beide ouders broeden, zwerven na het uitvliegen van de jongen met deze nog een tijdlang rond en vangen daarna zeer vroeg in ’t najaar hun winterreis aan, die zich tot in de oerwouden van Centraal-Afrika uitstrekt, van waar zij eerst laat in de lente terugkeeren.
*
Pestvogel (Bombycilla garrula). ½ v. d. ware grootte.
De eerste onderfamilie, die der Zijdestaarten (Bombycillinae), omvat een tiental soorten, die (op grond van den afwijkenden vorm van den snavel) door sommige onderzoekers als een afzonderlijke familie worden beschouwd. Hiertoe behoort een Vogel, die, blijkens de talrijke namen, die hij bij ons draagt, welbekend is. Men noemt hem Pestvogel, Sneeuwvogel, Wijnstaart, Zijdestaart, Beemer, Zwartemantel en in Groningen Lakvogel (Bombycilla garrula). Zijne veeren zijn tamelijk gelijkmatig roodachtig grijs, die van de bovendeelen gewoonlijk donkerder dan die van de onderdeelen, waar de kleur in witachtig grijs overgaat; het voorhoofd en de stuitstreek zijn roodachtig bruin, de kin, de keel, de teugels en een streep boven het oog zwart, de handpennen grijsachtig zwart, de spits van de buitenvlag licht goudgeelachtig gevlekt, de binnenvlag met witten rand; de schaften der armpennen loopen uit in breede hoorn- of perkamentachtige plaatjes van roode kleur; de stuurpennen zijn zwartachtig, aan den top licht goudgeel en (vooral bij zeer oude mannetjes) versierd met hoornplaatjes van soortgelijken vorm en van dezelfde kleur als die der armpennen. Totale lengte 20, staartlengte 6 cM. Bij de wijfjes zijn de hoornplaatjes minder ontwikkeld.
Onze Pestvogel bewoont het noorden van Europa, Azië en Amerika. De uitgestrekte wouden in het noorden van ons werelddeel, die uitsluitend uit sparren of uit sparren en berken bestaan, moeten als het eigenlijke vaderland van dezen Vogel aangemerkt worden; hij verlaat ze alleen dan, wanneer buitengewoon hevige sneeuwbuien hem er toe noodzaken. Eigenlijk is hij een Zwerfvogel, die zich ’s winters beweegt binnen een beperkt gebied, welks grenzen hij wegens gebrek aan voedsel soms overschrijdt, waardoor hij dan op een trekvogel gelijkt. In alle verder noordwaarts gelegen landen komt hij veel geregelder voor dan in Nederland en Duitschland. Reeds de Russische en Poolsche wouden en de bosschen van het zuiden van Skandinavië bezoekt hij bijna iederen winter. Hier te lande en in Duitschland vertoont hij zich zoo ongeregeld, dat het volk een getal, waaraan het een geheimzinnige beteekenis toekent, ook op hem heeft toegepast: men beweert, dat hij slechts om de zeven jaren verschijnt. De jaren, waarin hij bij ons in zeer grooten getale overwintert, zijn echter vaneengescheiden door tijdperken van zeer ongelijken duur, waarin slechts enkele voorwerpen tot ons overkomen. Zoo was hij zeer menigvuldig in 1847, 1849 en 1851, zeer zeldzaam in alle volgende jaren. In December 1892 verscheen hij voor ’t eerst weer in kleine vluchten in de oostelijke provinciën. In Januari en Februari 1893 kwam hij zeer algemeen voor in nagenoeg alle gewesten van ons land: niet zelden werden vluchten van 30 à 40 stuks waargenomen. In het begin van Maart verminderde hun getal sterk en in het laatst van deze maand waren alle verdwenen. In ’t volgende jaar werd slechts van één enkel exemplaar (Maart 1894) melding gemaakt (Albarda). In den regel komen de Pestvogels, die de winter uit het noorden verdrijft, eerst in de laatste helft van November bij ons aan en blijven hier tot in de eerste helft van Maart; bij uitzondering worden zij hier vroeger aangetroffen of blijven zij langer. Dit heeft aanleiding gegeven tot de bewering, dat enkele paren in Duitschland genesteld zouden hebben; het is thans echter uitgemaakt, dat de Pestvogel eerst in ’t laatst van de lente broedt.
Gedurende hun verblijf in den vreemde zijn de Pestvogels steeds vereenigd tot meer of minder talrijke troepen, die, al naar de hoeveelheid voedsel, welke in een streek te vinden is, hier langer of korter blijven. In sommige winters ontmoet men ze op plaatsen, waar zij anders zeer zelden verschijnen, weken en zelfs maanden achtereen in grooten getale; dat dit niet veel vaker gebeurt, is waarschijnlijk te wijten aan de meedoogenlooze vervolging, die zij maar al te dikwijls ondervinden van onbeschaafde menschen; het is, alsof deze hen zoo onbegrijpelijk schoon, zoo begeerlijk achten, dat zij het niet laten kunnen hen uit te roeien. Het is trouwens ook wel mogelijk, dat de arme Vogels lijden onder de nawerkingen van een veroordeel uit vroegere eeuwen; toen wist men het ongeregeld verschijnen van de Pestvogels niet beter te verklaren, dan door ze te beschouwen als voorboden van vreeselijke oorlogen, duurte van levensmiddelen, pest en andere besmettelijke ziekten, kortom, van algemeene rampen, en vond hierin aanleiding om ze te haten en te vervolgen.
De Pestvogel verlaat ongaarne een eens gekozen woonplaats; omdat hij niet veel van beweging houdt, zich alleen bij ’t eten dapper weert, maar overigens traag en lui is. Overal waar voedsel te vinden is, gedraagt hij zich zeer driest of liever onnoozel, b. v. door te midden van dorpen (of zelfs van steden) in tuinen en plantsoenen te verschijnen, ondanks het gewoel der menschen. Hij is echter meer onervaren dan dom; door voortdurende vervolging wordt hij voorzichtig en schuw. Uit onverdraagzaamheid of onverschilligheid bekommert hij zich om andere Vogels niet. In de winterkwartieren houdt hij trouw gemeenschap met zijne soortgenooten: gewoonlijk zit het geheele gezelschap ’s middags op één boom, alle zoo dicht mogelijk bij elkander, verscheidene op dezelfde twijg; de mannetjes, die aan den top van den boom de voorkeur geven, houden zich onbeweeglijk, zoolang zij hier blijven. Meer bedrijvigheid toonen zij in de morgen- en avonduren; dan wordt het voedsel gezocht op alle boomen en struiken, die bessen dragen. Alleen om te drinken komen zij op den grond, waar zij onbeholpen voorthuppelen en zich niet lang ophouden. Het op- en neerklauteren in de twijgen bij het eten valt hun gemakkelijk. Zij vliegen zonder groote inspanning, fraai en betrekkelijk snel volgens wijde booglijnen, waarbij de vleugels beurtelings zeer snel bewogen en uitgebreid worden.
Hun gewone lokstem is een zonderling sissende triller, die niet door letters omschreven kan worden. Het gefluit, dat zij soms laten hooren, klinkt, volgens Naumann, als het blazen in de pijp van een sleutel; het schijnt, dat zij hierdoor een teeder gevoel te kennen geven. Hun gezang is zacht en onbeduidend; het wordt echter met ijver en oogenschijnlijk met inspanning voorgedragen. De wijfjes doen het weinig minder slecht, maar minder lang achtereen dan de mannetjes, die in den winter ieder zonnestraaltje met hun lied begroeten en bijna het geheele jaar door zingen.
Het voornaamste, zoo niet het eenige voedsel, dat de Pestvogels gedurende den zomer, in hun vaderland gebruiken, wordt hun verschaft door de muggenzwermen, die hier zoo onbeschrijfelijk talrijk zijn; in den winter daarentegen moeten zij zich met andere voedingsmiddelen, vooral met bessen, behelpen. De Insecten jagen zij geheel op de wijze van de Vliegenvangers; de bessen zoeken zij zonder moeite van de twijgen af, soms ook wel van den bodem op. Opmerkelijk is het, dat de gevangen Vogels de Insecten, die hun voorgeworpen worden, niet willen eten. “Lijsters, die in een kooi zijn opgesloten,” zegt Naumann, “kan men geen grooter genoegen doen dan door hen af en toe een Insect te geven. Zij zijn er gretig naar en vangen de Vliegen, die op hun etensbakje gaan zitten. Met den Pestvogel is het geheel anders gesteld. De Vliegen zetten zich vaak genoeg op hun snavel neder. Geen van de Pestvogels, die ik getemd heb, heeft ooit een Insect of een insectenlarve of een Regenworm willen aanraken.” Er kan tegenwoordig geen twijfel meer over bestaan, dat zij in de vrije natuur geheel anders handelen. De buitengewone gulzigheid van den Pestvogel is waarlijk stuitend. Iederen dag verzwelgt hij een hoeveelheid voedsel, die bijna even zooveel weegt, als hij zelf. In de kooi blijft hij altijd in de nabijheid van het etensbakje zitten en verdeelt den dag tusschen eten en rusten om het voedsel te verteren.
Tot in den laatsten tijd verkeerde men geheel in ’t onzekere over de voortplanting van den Pestvogel. Eerst in het jaar 1858, den 12en Juni, slaagde Wolley er in, een nest en een ei te vinden, een jaar nadat zijn jachtgezel zoo gelukkig was geweest. Toen de eerste nesten gevonden waren, ging, naar het schijnt, de halve bevolking van Lapland aan ’t nesten zoeken; in den zomer van 1858 waren, zegt men, reeds meer dan 600 eieren ingezameld. De nesten zijn in den regel goed verborgen tusschen de twijgen van sparren, niet bijzonder hoog boven den grond; de buitenwand bestaat grootendeels uit korstmossen, die op boomen groeien, doorweven met eenige dorre sparretwijgen; van binnen is het nest gevoerd met grashalmen en eenige veeren. Het broedsel bestaat uit 4 à 7, gewoonlijk echter uit 5 eieren, en is in de tweede week van Juni voltallig. De eieren zijn op blauwachtig of roodachtig blauwwitten grond spaarzaam bestrooid met donker- en lichtbruine, zwarte en violette vlekken en stippels, die aan het uiteinde dichter, kransgewijs, bijeengeplaatst zijn.
Zonder moeite kan men de Pestvogels in slagnetten of strikken vangen. In de kooi schikken zij zich in hun lot, beginnen dadelijk te eten en verschaffen hun verzorger genoegen zoowel door hun fraaie kleur als door hun zachten aard; in een ruime kooi, die op een koele plaats staat, kunnen zij jaren lang in ’t leven blijven. Dat enkele van deze Vogels in een kooi gehouden worden, is niet af te keuren, wel dat men ze in grooten getale nutteloos, alleen ten behoeve van de keuken doodt; omdat zij in de vrije natuur ons geen schade veroorzaken, maar ons integendeel door het verslinden van schadelijke Insecten een dienst bewijzen en in den winter een pronksieraad zijn voor de ontbladerde boomen.
1) Grauwe Vliegenvanger (Muscicapa grisola). 2) Zwartkop-vliegenvanger (Muscicapa atricapilla). ⅔ v. d. ware grootte.
Een tweede onderfamilie, die der Vliegenvangers (Muscicapinae), bij ons vertegenwoordigd door het gelijknamige geslacht (Muscicapa), verschilt o. a. van de vorige door den platteren snavel, welke eenigszins aan dien van de Zwaluwen herinnert.
De Grauwe of Grijze Vliegenvanger, bij Haarlem Kersenpikkertje, in Gelderland Plaatvink, in Groningen Muggensnapper genoemd (Muscicapa grisola), onderscheidt zich van de andere soorten van zijn geslacht door den eenigszins slankeren snavel en het (bij beide seksen voorkomende) gevlekte kleed. De bovendeelen zijn donkergrijs, de bovenkop is zwartachtig grijs met eenigszins lichtere vlekken; elke veer heeft witte of donkergrijze randen, waardoor een lichte vlekkenteekening ontstaat; de geheele onderzijde is vuilwit, aan de zijden van de borst met roestgeelachtig waas, aan de zijden van de keel en over de borst met donkergrijze, uitvloeiende, overlangsche vlekken geteekend; de lichtgrijze eindzoomen van de vleugeldekveeren vormen twee weinig uitkomende strepen op den vleugel. De oogen zijn bruin, de snavel en de pooten zwart. Het mannetje is 14 cM. lang, waarvan 6 cM. op den staart komen.
Met uitzondering van de noordelijkste landen van Europa, bewoont de Grauwe Vliegenvanger alle breedte- en hoogtegordels van ons werelddeel. In Zuid-Europa is hij gemeen; oostwaarts strekt zijn gebied zich uit tot den Kaukasus en den Altaï; op zijn winterreis begeeft hij zich tot in de wouden van Centraal-Afrika. Hij is volstrekt niet kieschkeurig, maar neemt iederen struik voor lief, die slechts eenigermate voldoet aan de door hem gestelde eischen. Hooge boomen, vooral zulke, die aan den waterkant staan, bieden hem al wat hij voor zijn leven noodig heeft. Hij schuwt het gewoel van de menschen niet, vestigt zich daarom dikwijls te midden van dorpen, ja zelfs op het erf van een hofstede; even lief zijn hem echter de oorden, die de mensch slechts zelden bezoekt. Al naar het weer gunstig is of niet, verschijnt hij bij ons in het laatst van April of in het begin van Mei, gewoonlijk paarsgewijs; kort na zijn aankomst begint hij zijn nest te bouwen. Dit geschiedt op een afstand van 2 à 6 M. van den bodem, op zeer verschillende plaatsen, al naar het gebied waarin de Vogel woont, liefst op afgeknotte, lage boomen, vooral oude knotwilgen, ook wel op kleine twijgen dicht bij den stam, in het latwerk van leiboomen, onder veranda’s, op den kop van een balk onder het dak, in een wijde holte van een boomstam, in gaten van muren aan, volgens Liebe ook in zwaluwnesten. Het halfbolvormige nest is op zeer eenvoudige wijze uit mos en wortelvezeltjes samengesteld en van binnen met haren, veeren en wol belegd. In het begin van Juni bevat het 4 of 5 eieren (groenachtig blauw of lichtblauw met licht roestkleurige vlekken), die afwisselend door het mannetje en het wijfje gebroed worden. Binnen 14 dagen komen de jongen uit. Het paartje broedt slechts éénmaal per jaar. Het verlaat ons weer in het laatst van Augustus of in het begin van September; enkele exemplaren worden hier nog in ’t laatst van September en zelfs in ’t begin van October waargenomen.
De Grauwe Vliegenvanger is een zeer wakker en bedrijvig vogeltje, dat den geheelen dag naar buit uitkijkt. Boven in een boom of struik, op een dorren tak of op de spits van een uitstekende twijg gezeten, laat hij zijne blikken over den geheelen omtrek gaan, wipt af en toe met den staart en wacht, totdat een vliegend Insect in zijn nabijheid komt. Zoodra hij het heeft waargenomen, vliegt hij het na, vangt het met groote behendigheid, waarbij men duidelijk het dichtklappen van den snavel kan hooren, en keert terug naar de plaats, van waar hij is uitgevlogen. Als het weder fraai is, verkrijgt hij zijn voedsel gemakkelijk, spelenderwijs; bij regenachtig weer moet hij, evenals de Zwaluwen, dikwijls gebrek lijden.
Van de liefde van den Vliegenvanger voor zijn kroost verhaalt Naumann een treffend voorbeeld: “Eens ving een knaap een oud wijfje bij haar nest, waarin vier nauwelijks halfwassen jongen lagen en droeg alle te zamen in de kamer. Zoodra de oude Vogel door het onderzoeken van de vensters tot de overtuiging was gekomen, dat hier geen gelegenheid om te vluchten bestond, schikte hij zich in zijn lot, ving Vliegen, voederde de jongen er mede en deed dit met zooveel ijver, dat de kamer in uiterst korten tijd in ’t geheel geen Vliegen meer bevatte. Om het vogelgezin niet te laten verhongeren bracht de knaap het naar een buurman, hier werd de kamer eveneens spoedig gezuiverd. Nu kreeg een andere buurman de Vogels in zijn kamer; ook hier werden de Vliegen weldra uit den weg geruimd. Nogmaals werd het nest met zijne bewoners vervoerd en zoo ging de Vliegenvangerfamilie in het dorpje van de eene kamer naar de andere en bevrijdde de bewoners van hun lastig gezelschap, van de gehate Zwarte Vliegen. Ook ik kwam aan de beurt; uit dankbaarheid wist ik later te bewerken, dat de geheele familie in vrijheid werd gesteld. De jongen groeiden bij het nooit ontbrekende voer zeer schielijk en leerden spoedig zelf Vliegen vangen.”
De Zwartkop-vliegenvanger of Zwart-grauwe Vliegenvanger (Muscicapa atricapilla) is in ’t bruiloftskleed op de geheele bovenzijde donker zwartgrauw, soms effen, soms meer of minder duidelijk zwart gevlekt; het voorhoofd, de geheele onderzijde en een schild op de vleugels zijn wit. De oogen zijn donkerbruin, de snavel en de pooten zwart. Totale lengte 13, staartlengte 5½ cM.
De aanmerkelijk grootere Witgehalsde of Bonte Vliegenvanger (Muscicapa collaris) werd dikwijls met de vorige soort verward; de wijfjes van beide zijn inderdaad moeilijk van elkander te onderscheiden. Het oude mannetje herkent men aan den breeden, witten nekkraag, het wijfje aan het ontbreken van den witten zoom aan de drie achterste armpennen. Totale lengte 16½, staartlengte 5½ cM.
De Zwartkop-vliegenvanger bewoont alle landen van Europa, die zuidelijker dan Groot-Brittannië en het midden van Scandinavië gelegen zijn; in den winter trekt hij door Klein-Azië, Palestina en Noord-Afrika tot aan het woudgebied aan gene zijde van den woestijngordel. De Witgehalsde Vliegenvanger daarentegen behoort meer tot het zuiden van ons werelddeel, vooral Italië en Griekenland, is ook over het zuidoosten van Duitschland verbreid, komt in het noorden van dit rijk zeldzaam, in Scandinavië in het geheel niet voor, maar broedt wel in Schotland; hij begeeft zich ’s winters even ver zuidwaarts als zijn naaste verwant. Beide soorten bezoeken ons land geregeld ieder jaar op den trek, de meeste exemplaren zoowel in ’t najaar als in ’t voorjaar; enkele houden zich ook gedurende den zomer in ons land op: een paar malen werd de Zwartgrauwe, zoowel als de Witgehalsde Vliegenvanger hier broedend aangetroffen.
In levenswijze komen deze beide, nauw verwante soorten overeen. Overal, waar de Zwartkop-vliegenvangers geregeld broeden, kan men ze door doelmatig ingerichte nesthokjes in bepaalde tuinen of plantsoenen houden; zij worden dan dikwijls merkwaardig tam. Baldamus verhaalt, dat zulk een Vogel, die in een nesthokje van zijn tuin broedde, door het herhaaldelijk kijken naar het nest, zoozeer aan dergelijke storingen gewoon was geraakt, dat hij rustig op het nest bleef zitten, wanneer het kastje in de kamer gebracht en het deksel er afgenomen werd.
De Zwartkop-vliegenvangers worden vaak in de kooi gehouden; zij behooren tot de prettigste kamervogels, die zoowel door hun gemeenzaamheid als door hun gezang genoegen verschaffen. Als men ze vrij in de kamer laat rondvliegen, bevrijden zij deze volkomen van Vliegen en Muggen en worden zoo tam, dat zij hun verzorger de Vliegen, die hij hun voorhoudt, uit de hand nemen.
Bij ons worden deze nuttige Vogels gelukkig door niemand vervolgd; in Italië is het helaas anders gesteld. Gedurende den najaarstrek staan de netten en vallen van vogelvangers van allerlei stand ook voor hen gereed; ongelukkig levert deze vangst een rijken buit. Op iedere markt ziet men gedurende den trektijd honderden van deze Vogels, die verraderlijk vermoord werden om een afschuwelijke begeerte naar lekkernijen te bevredigen.
Enkele malen zijn in ons land (Haagsche bosch, Lisse, Amersfoort) sedert 1888 exemplaren waargenomen van een vierde soort van hetzelfde geslacht, van den Kleinen Vliegenvanger (Muscicapa parva) die zich door een betrekkelijk dikken snavel en pooten met langen loop onderscheidt. Het oude mannetje gelijkt in ’t voorjaar door de kleurverdeeling op ons Roodborstje. De bovendeelen zijn roodachtig bruingrijs; de veeren van bovenkop en bovenrug zijn, evenals de bovendekveeren van den staart, iets donkerder van kleur; de groote vleugeldekveeren en de achterste slagpennen hebben lichter gekleurde randen; de kin, de keel, de gorgel, de krop en de bovenborst zijn roestroodachtig, de overige onderdeelen vaalwit, de handpennen zwartachtig bruingrijs met lichteren zoom. Bij jonge mannetjes is het roodgeel van de keel bleeker dan bij de oude. De oogen zijn donkerbruin, de snavel en de pooten zwart. Totale lengte 12, staartlengte 5 cM.
Paradijsvliegensnapper (Rhipidura melanogastra).
De geheele uitgestrektheid van het verbreidingsgebied van den Kleinen Vliegenvanger is nog niet met zekerheid bekend. Hij komt zelden in ’t westen, veelvuldiger in ’t oosten van Europa voor, bewoont geheel Middel-Azië tot Kamtschatka en bezoekt op zijn winterreis het zuiden van China, Formosa en Indië, misschien ook Noord-Afrika; in vele landen, waar hij naar alle waarschijnlijkheid ook leeft, werd hij tot dusver nog niet gevonden. De enkele exemplaren, die in alle gewesten van Duitschland aangetroffen zijn, werden steeds als groote zeldzaamheden beschouwd; vermoedelijk is hij hier echter veelvuldiger dan men meent. In ’t zuidoosten en oosten werd hij vaker gevonden dan in het westen.
De Vliegensnappers (Myiagrinae) vormen een derde onderfamilie, die in de keerkringsgewesten van de Oude Wereld thuis behoort. Hare vertegenwoordigers onderscheiden zich gunstig door hun rusteloozen en levendigen aard; van eenige mag men zeggen, dat zij veel bijdragen tot het opvroolijken en verfraaien der door hen bewoonde wouden.
In de wouden van Oost-Afrika heb ik dikwijls den Paradijsvliegensnapper (Rhipidura melanogastra, afgebeeld op p. 183) ontmoet. Als deze fraaie en beweeglijke Vogel zijn bruiloftskleed aan heeft, zijn kop, hals en krop zwart met metaalachtig groenen glans, de bovendeelen, met inbegrip van de vleugels en den staart, wit, de onderdeelen, met uitzondering van de witte onderdekveeren van den staart, leikleurig grijs, de handpennen zwart, de armpennen aan de buitenzijde wit. De iris is bruin, de poot grijsachtig blauw, de snavel blauwachtig. In het winterkleed zijn de bovendeelen en de beide middelste staartveeren kaneelkleurig kastanjebruin; de overige veeren daarentegen hebben de kleuren van het prachtkleed behouden. De totale lengte is 37 cM., de lengte van de beide middelste staartveeren 28, die van de volgende pennen van den wigvormigen staart 9 cM.
In het voorkomen van den Paradijsvliegensnapper is veel, wat aan de echte Vliegenvangers, doch ook veel, wat aan de Bijeneters herinnert. Gedurende het zitten speelt hij met zijn kuif en laat zijn staart langzaam heen en weder slingeren. Hij heeft een zonderlinge wijze van vliegen: snel en gemakkelijk zal hij op de wijze van een Vliegenvanger een Insect vervolgen of een indringerigen soortgenoot uit zijn gebied verjagen; langzaam zwevend, bij rukken en schijnbaar log daarentegen beweegt hij zich over een grooten afstand. In zijn prachtkleed levert hij een buitengewoon aantrekkelijk schouwspel op; nu toont hij zich in zijn volle kracht. Vol achterdocht bewaakt hij het gebied, dat hij in dezen tijd met het broedende wijfje bewoont; moedig valt hij iederen Vogel aan, die de grenzen van zijn rijk overschrijdt en noodzaakt zelfs de Raaf het te verlaten. IJverzuchtig vervolgen de mannetjes elkander met groote woede en volharding, soms wel een kwartier lang zonder verpoozing. In snelle vlucht jaagt de eene Vogel den anderen door de kronen der boomen en door de dichtste struiken na; de witte staartveeren wapperen, door de lucht gedragen, als een prachtige sleep achter hen aan. Slechts gedurende weinige maanden (of zelfs weken) behouden zij dezen tooi, de lange pennen slijten te midden van de twijgen schielijk af, vallen daarna uit en worden door minder lange vervangen.
1) Boerenzwaluw (Hirundo rustica), 2) Huiszwaluw (Chelidonaria urbica). ½ v. d. ware grootte.
De Zwaluwen (Hirundinidae) zijn klein, slank gebouwd, breed van borst, kort van hals en plat van kop. De snavel is kort en plat, aan den wortel breeder dan aan de spits, dus bijna driehoekig; de spits van den bovensnavel is een weinig over die van den ondersnavel heen gekromd; de mondspleet strekt zich tot bij de oogen uit; de pooten zijn kort, zwak en met kleine nagels voorzien, de vleugels lang, smal en scherp; de hand en de voorarm dragen ieder negen slagpennen, van welke de eerste alle overige in lengte overtreft; de staart is altijd gaffelvormig, soms zeer diep uitgesneden; de veeren zijn kort, liggen dicht tegen het lichaam aan en hebben aan de bovendeelen meestal een metaalachtigen glans. Het mannetje en het wijfje verschillen weinig in kleur; de jongen dragen gedurende eenigen tijd een ander kleed dan hunne ouders.
De Zwaluwen, waarvan men ongeveer 120 soorten kent, zijn over alle werelddeelen en alle hoogte- en breedtegordels verbreid, hoewel zij aan gene zijde van den poolcirkel slechts bij uitzondering voorkomen en waarschijnlijk niet broeden. Vele nestelen aan of in menschelijke woningen, andere tegen rotswanden of steile hellingen, nog andere in boomen. Alle soorten, die haar broedgebied hebben in landen, waar de winter aanmerkelijk verschilt van den zomer, zijn trekvogels, terwijl de bewoners van gewesten, waar de jaargetijden in meerdere of mindere mate aan elkander gelijk zijn, hoogstens in een beperkt gebied rondzwerven. Herhaaldelijk heeft men beweerd, dat de Zwaluwen in koude gewesten zouden overwinteren, in het slijk verborgen den winter slapend doorbrengen; zelfs bekwame onderzoekers hebben dit mogelijk geacht; toch zijn alle berichten hierover volkomen onbetrouwbaar. Alle inheemsche Zwaluwen trekken naar de binnenlanden van Afrika, sommige zelfs naar het zuiden van dit werelddeel. Dat enkele Zwaluwen bij plotseling invallende koude in de lente of in den herfst, in holen een toevlucht zoeken, hier min of meer verstijven en wegens de taaiheid van haar gestel weer opleven, als zij in de warme kamer worden gebracht, wil ik niet geheel tegenspreken; een winterslaap is dit echter niet: deze komt bij haar niet voor.
Te recht worden de Zwaluwen edele dieren genoemd. Zoowel naar het lichaam als naar den geest zijn zij goed ontwikkeld. Voor het vliegen zijn zij uitmuntend geschikt; op den bodem bewegen zij zich zeer onbeholpen, hoewel haar gang beter is dan het onbeschrijfelijk gebrekkig kruipen van de Gierzwaluwen, die schijnbaar zoo nauw met haar verwant zijn. Zij rusten gaarne op boomen en kiezen hiervoor dunne, weinig bebladerde takken en twijgen uit, die voor het zitten gaan en wegvliegen gunstig gelegen zijn. Alle echte Zwaluwen zingen. Haar gezang is een liefelijk gesnap, dat iedereen behaagt, die het lied en den Vogel zelf hebben leeren kennen. Meer nog dan door haar gezang hebben de Zwaluwen door haar inborst en hare gewoonten de genegenheid van den mensch verworven. Zij zijn vroolijk, gezellig en verdraagzaam, maar ook schrander en loos; behalve stoutmoedigheid, bezitten zij ook moed. Steeds nauwkeurig lettend op ’tgeen in haar omgeving voorvalt, leeren zij vrienden en vijanden onderscheiden en geen vertrouwen stellen in hen, die onbetrouwbaar zijn. Hare bewegingen en werkzaamheden bekoren ons; haar gemeenzaamheid maakt zelfs op niet zeer fijngevoelige gemoederen zooveel indruk, dat zij op ieders bescherming en gastvrijheid kunnen rekenen.
Alle Zwaluwen zijn insectenjagers. Vooral Tweevleugeligen, Vliesvleugeligen en Netvleugeligen worden door haar vervolgd en gevangen; den meesten buit behalen zij onder de Muggen en Vliegen, hoewel zij ook op kleine Kevers en dergelijke Insecten jacht maken. Zij doen dit uitsluitend in de vlucht; voor het inzamelen van zittende dieren zijn zij niet geschikt. De prooi wordt zonder eenige voorbereiding verzwolgen, niet vooraf verscheurd.
Voor het leven in de gevangenschap zijn de Zwaluwen niet geschikt.
*
Onze Boerenzwaluw, in Groningen Zwaalfje, in Friesland Swel of Swjel genaamd (Hirundo rustica), is een vertegenwoordiger van het geslacht der Zwaluwen in engeren zin. Totale lengte 18, vleugellengte 12, staartlengte 9 cM. De bovendeelen en een breede gordel op den krop zijn metaalglanzig blauwzwart, het voorhoofd en de keel hoog kastanjebruin, de overige onderdeelen licht roestgeel; de vijf buitenste paren stuurpennen hebben op de binnenvlag rondachtige, witte vlekken.
Het broedgebied van de Boerenzwaluw omvat geheel Europa aan deze zijde van den poolcirkel, benevens West- en Middel-Azië; op den trek bezoekt zij bovendien Afrika, Zuid-Azië en de groote eilanden ten zuiden van dit werelddeel. Sedert overouden tijd heeft zij zich vrijwillig bij den mensch aangesloten en in zijn woning huisvesting gezocht; als de mensch het haar veroorlooft, neemt zij zoowel in paleizen als in hutten haar kwartier; alleen daar, waar alle geschikte woningen ontbreken, nestelt zij onder uitstekende punten van steile rotswanden, die zij echter verwisselt met het eerste het beste, vaststaande huis, dat in zulk een wildernis wordt gebouwd; zelfs zoekt zij huisvesting in de “joerte” (of van beestenvellen vervaardigde, verplaatsbare hut) van den nomadischen herder. Door haar gehechtheid aan de woning van den mensch heeft zij diens liefde gewonnen; in de noordelijke landen werd zij wegens haar komen en gaan van oudsher als een voorbode van goede of slechte dagen beschouwd.
Gemiddeld komt de Boerenzwaluw tusschen 1 en 15 April, bij uitzondering vroeger, zelden later bij ons aan; zij blijft in haar vaderland tot het einde van September of het begin van October. Gedurende haar reis naar ’t zuiden vliegt zij over landstreken, die jaar in jaar uit verwante Zwaluwen herbergen en haar dus alles bieden, wat zij voor haar leven noodig heeft; toch denkt zij er niet aan om hier, hoe kort dan ook, te rusten. Hoogst zelden komt het voor, dat een Boerenzwaluw zich nog in ’t midden van den zomer in ’t binnenland van Afrika ophoudt. Onmiddellijk na haar terugkomst op den geboortegrond, zoekt zij het oude nest weer op, of begint een nieuw te bouwen. Daarmede begint haar zomerleven met al zijn vreugde en zijne zorgen. Geen enkele Zwaluw zoekt haar “vaderland” op, als zij ons verlaat, al wordt in een bekend lied het najaar den tijd genoemd,
“Wenn die Schwalben heimwärts ziehn”;
integendeel zij begeeft zich, door den nood gedwongen, in een vreugdelooze ballingschap; geen enkele zingt en jubelt in den vreemde, geen enkele mint en broedt daar.
Terecht noemt Naumann de Boerenzwaluw een buitengewoon flinken, koenen, wakkeren, aardigen Vogel. Altijd ziet zij er netjes uit; haar vroolijke stemming wordt slechts door zeer slecht weder en het daaruit voortvloeiende gebrek aan voedsel verstoord. Hoewel teer of weekelijk van aard, blijkt uit sommige van hare handelingen een groote overvloed van kracht. Kracht toont zij door haar wijze van vliegen, door haar werkzaamheid gedurende deze beweging, door haar stoeien met andere Zwaluwen en door den ijver, waarmede zij roofdieren vervolgt. Van al onze Zwaluwen heeft zij de snelste, behendigste, meest afwisselende vlucht; zij drijft of zweeft en schiet dan steeds snel vooruit, of vliegt fladderend, maakt bliksemsnelle zwenkingen zijwaarts, naar boven en naar beneden, daalt volgens een korte booglijn bijna tot den grond of tot den waterspiegel naar beneden, of verheft zich op gelijke wijze tot een aanzienlijke hoogte; zij doet dit alles met een vaardigheid, die verbazing wekt; zelfs kan zij onder het vliegen over den kop buitelen. Met groote behendigheid vliegt zij door nauwe openingen heen, zonder zich ergens tegen te stooten; ook verstaat zij de kunst al vliegende te baden, door dicht bij den waterspiegel langs te schieten, schielijk haar lichaam in te dompelen, een oogenblik in ’t water te blijven en zich vervolgens onder het verder vliegen af te schudden. Eenige malen achtereen dompelt zij zich in ’t water, het vliegen wordt er slechts weinige oogenblikken om gestaakt.
Als rustplaats maakt zij gebruik van uitstekende punten, waar niets haar bij het zitten gaan en weer wegvliegen hindert; zij komt hier om zich in de zon te koesteren, hare veeren in orde te brengen en te zingen. “Zij ziet er dan altijd slank en levendig, bijna listig uit; de romp wordt bijna horizontaal gehouden. Niet zelden draait zij heen en weer, beweegt in vroolijke stemming, kweelend en zingend, de vleugels op en neer of rekt hare leden.” Op den vlakken bodem gaat zij niet graag zitten; gewoonlijk doet zij dit alleen om bouwstoffen voor haar nest op te nemen, of in haar eerste jeugd; hare pootjes zijn niet geschikt voor het zitten op den bodem en nog minder voor ’t gaan: zoolang zij op den grond blijft, “ziet zij er uit, alsof zij ziek is en hulp behoeft, geheel anders dus dan gedurende haar koene rustelooze vlucht.”
Het zacht klinkende “wiet”, dat niet zelden tot “wiede wiet” verlengd wordt, is een bewijs van een prettige stemming, of wordt als loktoon gebruikt; tot waarschuwing en uit strijdlust schreeuwt zij helder en luid “biewiest”; een dreigend gevaar wordt aangekondigd door de klanken “deewieliek”; in doodangst roept zij “tsetsj” met sidderende stem. Het mannetje zingt met veel ijver; de tonen, die het voortbrengt, onderscheiden zich zoomin door welluidendheid als door afwisseling; toch heeft dit gezang iets aanvalligs; het brengt bij den hoorder een weeke gemoedsstemming teweeg, waartoe trouwens het jaargetijde, het uur en andere omstandigheden het hunne bijdragen. “Nauwelijks heeft een grijze streep in het oosten den komenden dag aangekondigd,” zegt Naumann, “of het voorspel van het gezang van de pas ontwaakte Boerenzwaluw trekt onze aandacht. Alle Vogels op het erf zijn nog door den slaap bevangen, geen hunner laat zich hooren, overal heerscht diepe stilte, alle voorwerpen zijn nog nevelachtig grijs, als plotseling van verschillende zijden het “wierb werb” weerklinkt; dit voorspel, dat als ’t ware stamelend voorgedragen en door vele pauzen afgebroken wordt, gaat weldra over in een samenhangend liedje; de zanger herhaalt het vele malen achtereen zonder van plaats te veranderen, verheft zich eindelijk in de lucht en zwiert, vroolijk zingend, boven het erf. Hierover is een klein kwartier voorbijgegaan; ook de andere slapers ontwaken: op den nok van het dak kweelt het Roodstaartje zijn morgenzang, de Musschen laten zich hooren, de Duiven kirren en weldra is het geheele vogelenheer tot een nieuw leven ontwaakt. Ieder, die dikwijls een mooien morgen op het land heeft doorgebracht, zal mij toestemmen, dat de Zwaluw veel heeft bijgedragen tot het op dien morgen gesmaakte genot door haar wel eenvoudig, maar toch vroolijk en opwekkend gezang.” Het vangt aan met “wierb werb wiedewiet”, gaat in een lang gekweel over en eindigt met “wied waid woidè tserr”. Het volk heeft het nagebootst in de woorden:
“Ich wollte meinen Kittel flicken
Und hatte kein Zwerrr .... n,
Hatte nur ein kurzes End’
Da muszt’ ich lange Zerrr ... n.”
(Ik wilde mijn kiel lappen
En had geen garen,
Ik had maar een kort stuk,
Ik moest dus lang trekken.)
Rückert’s “Schwalbenlied” vertolkt het gezang van de Zwaluw op meer dichterlijke wijze:
“Aus der Jugendzeit, aus der Jugendzeit
Klingt ein Lied mir immer dar,
O, wie liegt so weit, o, wie liegt so weit,
Was mein einst war!
Als ich Abschied nahm, als ich Abschied nahm,
War’n Kisten und Kasten schwer,
Als ich wieder kam, als ich wieder kam,
War alles leer.”
De oogen nemen de eerste plaats in onder de zintuigen van de Zwaluw, zij laat zich bij haar jacht alleen door hen leiden; de kleine Insecten van velerlei soorten (vooral Tweevleugeligen, Netvleugeligen, Vlinders en Kevers), die haar voedsel uitmaken, ziet zij reeds op grooten afstand vliegen; Vliesvleugeligen met gifangels eet zij niet. Zij jaagt niet anders dan vliegend en is ongeschikt voor het opnemen van een zittenden buit. Zij geraakt daarom dikwijls in grooten nood door het lang voortduren van een regenachtige weersgesteldheid, die de Insecten in hunne schuilhoeken terughoudt; zij slooft zich dan af om de zittende diertjes op te jagen, door dicht bij hen langs te vliegen. Al naar de gesteldheid van het weer en den tijd van den dag vangt zij haar prooi in meer of minder hooge luchtlagen; hierop is haar reputatie als weerprofetes gegrond. Bij goed weder is haar disch ruim voorzien en verkeert zij in een zeer opgewekte stemming; bij slecht weder lijdt zij gebrek en is stil en treurig. Wegens haar groote bedrijvigheid heeft zij zeer veel voedsel noodig; zij eet, zoolang zij vliegt. Haar spijsvertering heeft zeer schielijk plaats; de onverteerbare overblijfselen van haar maal (dekschilden, pantserplaten en pooten van Insecten) spuwt zij, tot ballen vereenigd, uit.
Door de plaatsing en den bouwtrant van haar nest onderscheidt de Boerenzwaluw zich van hare inheemsche verwanten. Overal waar het mogelijk is, bouwt zij haar nest binnen een gebouw en wel zóó, dat het van boven door een ver er overheen reikend dak beschut wordt. Een draagbalk aan het dak van den koestal of van de graanschuur der boerderij, een vliering, die zelden bezoek krijgt van bezem of ragebol, ruimten, die eerder het schoonheidsgevoel van den schilder, dan dat van de huisvrouw bevredigen, kortom, allerlei oude, meer of minder vuile, in verval geraakte, maar toch tegen weer en wind beschutte lokalen, zijn de plaatsen, waar zij het liefst nestelt. Soms ontstaan hier formeele broedkoloniën. Het nest zelf wordt vastgehecht aan een balk of aan een muur, bij voorkeur aan een oneffene oppervlakte met latten, pluggen en dergelijke middelen tot herstelling van gebreken, die nu het nest van onderen moeten steunen. Het gelijkt ongeveer op één stuk van een in vieren gedeelden, hollen kogel, dat de grootste wanddikte heeft op de plaats, waar het vastgehecht en waar bovendien de (grootendeels horizontale) rand een weinig hooger opgetrokken is. De breedte van het nest bedraagt ongeveer 20, de diepte 10 cM. Het bouwmateriaal is klei, of althans een kleihoudende grondsoort, die bij kluitjes opgezocht, met speeksel bedekt en zorgvuldig vastgeplakt wordt. Andere bouwstoffen gebruikt de Zwaluw zelden. Fijne, met de klei gemengde halmen en haren, dragen tot de stevigheid van den nestwand bij; het eigenlijke bindmiddel is echter het speeksel. Bij gunstige weersgesteldheid is het opmetselen van de nestwanden door het paar in minder dan acht dagen afgeloopen. Van binnen moet de holte nu nog bekleed worden met fijne halmpjes, haren, veeren en dergelijke zachte stoffen, om voor kinderkamer geschikt te zijn. Een nest, dat op een goed beschutte plaats gebouwd is, doet gedurende een lange reeks van jaren dienst, misschien niet alleen voor de bouwmeesters, maar ook voor hun nageslacht. Beschadigde gedeelten worden zorgvuldig hersteld, voordat het broeden begint; de binnenbekleeding wordt geregeld vernieuwd; overigens echter wordt er aan het nest niets veranderd, zoolang het in stand blijft.
In Mei legt het wijfje 4 à 6 dunschalige eieren, die op zuiver witten grond met aschgrauwe en roodbruine stippels geteekend zijn en broedt ze zonder hulp van het mannetje uit. De jongen komen bij gunstig weder binnen 12 dagen uit den dop. Bij slecht weer, vooral als het nat en koud is, moet het wijfje de eieren uren lang verlaten om de noodige hoeveelheid voedsel te verzamelen; in dit geval verloopen er wel eens 17 dagen, voordat het broeden is afgeloopen. De pas geboren jongen zijn zeer leelijk; zij hebben een platten kop en een zeer breeden bek. Door de beide ouders ijverig gevoederd, groeien zij in gunstige omstandigheden spoedig, kijken weldra over den rand van het nest heen naar buiten en kunnen, indien alles goed gaat, reeds in de derde week na het verlaten van het ei hunne ouders in de vrije natuur volgen. Deze voorzien hen nog gedurende eenigen tijd met voedsel, brengen hen aanvankelijk iederen avond in het nest terug, wijzen hun later daarbuiten een slaapplaats aan en laten hen eindelijk aan zichzelf over. Vervolgens, meestal in de eerste dagen van Augustus, begint het paar zich met een tweede broedsel bezig te houden. In sommige jaren wordt het broeden door allerlei omstandigheden zoozeer vertraagd, dat de ouden en de jongen gevaar loopen te verhongeren; in noordelijke landen moeten de jongen soms werkelijk verlaten worden. In gunstiger jaren zijn ook de laatste jongen reeds lang uitgevlogen, als de herfst alle Zwaluwen tot de winterreis noopt. Onder de hoede van hunne ouders verzamelen zij zich nu met andere gezinnen van dezelfde soort, met Kwikstaarten en Spreeuwen in het rietland, bij poelen en meren en rusten hier uit, totdat de tijd aanbreekt, waarin deze lieve gasten ons verlaten. Op een avond, kort na zonsondergang verheft het tallooze heer der Zwaluwen, dat men in de voorafgaande namiddaguren misschien op het hooge dak van de kerk verzameld zag, zich op een teeken, dat door verscheidene oude dieren gegeven wordt, in de lucht en is binnen weinige minuten uit het oog verdwenen.
*
Niet onbelangrijk is het verschil tusschen de Boerenzwaluw en de Meelzwaluwen (Chelidonaria): bij deze is de snavel betrekkelijk kort en heeft een sterk gebogen rug; de pooten zijn in vergelijking met die van de andere leden der familie buitengewoon krachtig en op de teenen zoowel als op den loop bevederd; de buitenste en de middelste voorteen zijn vergroeid tot aan het eerste gewricht; voorts lette men op de stevigheid van de slagpennen, de kortheid van den ondiep gegaffelden staart en het glad aanliggende vederenkleed. Dit geslacht wordt bij ons vertegenwoordigd door de Huiszwaluw, ook wel Melkstaartje en hier en daar Witgatje genoemd (Chelidonarie urbica). Totale lengte 14, vleugellengte 10, staartlengte 7 cM. De bovendeelen zijn blauwzwart, met uitzondering van den staartwortel, die, evenals de onderdeelen, wit is. De oogen hebben een donkerbruine, de pooten, voor zoover zij niet bevederd zijn, een vleeschroode kleur; de snavel is zwart.
De Huiszwaluw heeft ongeveer hetzelfde vaderland als de Boerenzwaluw, maar begeeft zich verder noordwaarts dan deze. In Nederland en Duitschland geeft zij aan dorpen en steden de voorkeur; men vindt hier hare nesten onder de vooruitstekende gedeelten van de buitenzijde van groote, oude gebouwen. Even veelvuldig als in Europa, is zij in het grootste gedeelte van Siberië. Zij trekt vóór den winter deels naar het binnenland van Afrika, deels naar het zuiden van Azië. Meestal komt zij eenige (bij ons gemiddeld veertien) dagen later in haar vaderland terug dan de Boerenzwaluw; zij blijft daarentegen in den herfst iets langer in Europa, vooral in de zuidelijke landen. Men ziet deze dieren op haar reis naar Afrika echter geregeld in gezelschap van hunne verwanten. In de lente komen zij hier één voor één of bij kleine troepjes terug; in ’t najaar echter vereenigen zij zich vóór den trek tot groote gezelschappen, die soms tot ontzaglijk talrijke zwermen aangroeien, op de daken van hooge gebouwen gaan zitten en vervolgens, gewoonlijk kort na zonsondergang, de reis aanvangen.
In haar voorkomen vertoont de Huiszwaluw veel overeenkomst met de Boerenzwaluw; bij nadere beschouwing is zij echter gemakkelijk van deze te onderscheiden. Haar loktoon klinkt als “sjer” of “skruu”; vrees geeft zij te kennen door “ski-er”; haar gezang bestaat uit tonen, die volstrekt niet aangenaam klinken en gedurende langen tijd telkens weer herhaald worden; als zanger staat deze Vogel op een zeer laag peil.
Van ’t voedsel van de Huiszwaluw kan ongeveer hetzelfde gezegd worden als van dat van de Boerenzwaluw; wij kennen echter slechts voor een zeer klein deel de Insecten, die zij vervolgt; vooral de soorten, waarop zij in de hooge luchtlagen jacht maakt en die zij hier, naar het schijnt, in grooten getale vangt, zijn ons volkomen onbekend. Evenmin als de Boerenzwaluw vangt zij stekende Insecten; een steek met den gifangel zou voor haar doodelijk zijn. “Een zeer flinke, hongerige, voor ’t vliegen geschikte, jonge Zwaluw van deze soort,” verhaalt Naumann, “hield ik een levende Honingbij voor; nauwelijks had zij deze in den snavel of zij kreeg een steek in de keel, spuwde de Bij uit, begon te kwijnen en bezweek in minder dan 2 minuten.”
Hier te lande bouwt de Huiszwaluw haar nest bijna uitsluitend tegen de gebouwen van steden en dorpen; in minder dicht bewoonde landen vormt zij talrijke broedkoloniën op de rotswanden; dit geschiedt o.a. in Spanje, op de krijtrotsen van het eiland Rugen en op hiervoor geschikte rotswanden van de Zwitsersche Alpen. Steeds kiest zij een plaats, die van boven bedekt is, voor het bouwen van haar nest, zoodat dit niet door den regen getroffen kan worden, bij voorkeur dus friezen onder kroonlijsten en zuilen, nissen van vensters en deuren, kranslijsten van daken, opboeisels enz. Soms maakt zij gebruik van een holte in een muur en metselt den ingang op een vlieggat na dicht. Het nest verschilt van dat van de Boerenzwaluw hierdoor, dat het altijd op een vlieggat na gesloten, van boven dus niet open is. Half bolvormige nesten komen het veelvuldigst voor; de vorm van het nest verschilt echter zeer en staat in verband met de plaats waar het gebouwd wordt. Hoewel de bouwmeesters ijverig werkzaam zijn, duurt de arbeid lang, zelden korter dan 12 à 14 dagen, gewoonlijk worden vele nesten naast en dicht bij elkander gebouwd.
Het legsel bestaat uit 4 à 6 dunschalige, sneeuwwitte eieren, die in 12 of 13 dagen door het wijfje uitgebroed worden. Bij goed weder voorziet het mannetje zijn wederhelft met het noodige voedsel; bij slecht weder is het wijfje echter genoodzaakt hare eieren tijdelijk te verlaten, hetgeen een langeren duur van den broedtijd ten gevolge heeft. Als de omstandigheden gunstig zijn, verlaten de jongen na ongeveer 16 dagen het nest en oefenen nu onder toezicht van de ouders hunne ledematen, totdat zij krachtig en behendig genoeg zijn om zelf voor hun onderhoud te zorgen. In den eersten tijd keeren zij iederen avond naar het nest terug, dat tot dusver ook de slaapplaats van de ouders was. “Vader, moeder en kinderen,” schrijft Naumann, “dikwijls 7 of 8 stuks in ’t geheel, zijn in ’t nest dicht opeengedrongen; de ruimte is zoo beperkt, dat het lang duurt, voordat zij behoorlijk verdeeld is; vaak moet men zich er over verwonderen, dat het nest zonder naar beneden te vallen of te barsten hunne veelvuldige kibbelarijen kan doorstaan. Dikwijls heeft er een ernstige twist plaats, wanneer de jongen, gelijk in groote broedkoloniën dikwijls geschiedt, bij vergissing in een vreemd nest geraken; door de oude en jonge rechtmatige eigenaars, die hun recht dapper verdedigen, worden zij dan steeds, na een hevige afstraffing met den snavel, naar buiten gesmeten.”
De Torenvalk en het Smelleken zijn de ergste vijanden van de Huiszwaluw. De nesten worden door den Kerkuil, soms ook door Wezels, Ratten en Muizen geplunderd. Bovendien hebben zij nog slechts met één Vogel een hardnekkigen strijd te voeren, met de Musch namelijk, en deze strijd ontaard dikwijls in moord en doodslag. “Gewoonlijk,” zegt Naumann, “neemt de mannetjesmusch, zoodra de Zwaluwen haar nest gereed hebben, dit in bezit, door er zonder complimenten in te kruipen en brutaal door het vlieggat naar buiten te kijken; het eenige, wat de Zwaluwen tegen deze daad van geweld kunnen doen, is, in gezelschap van verscheidene harer buren, angstig schreeuwend, om het nest heen te fladderen en naar den indringer te happen, zonder hem echter ooit werkelijk te durven pakken. Het duurt dan dikwijls toch nog eenige dagen, voordat zij haar zaak geheel als verloren beschouwen en de Musch in het rustig bezit laten van het wederrechtelijk verkregen huis; deze richt het echter weldra naar haar eigen smaak in, door het met vele zachte stoffen warm te voeren; de lange draden en halmen, die buiten het vlieggat uitsteken, leveren dan het bewijs, dat de verwisseling van eigenaars haar beslag heeft gekregen.
“De Zwaluwen hebben vaak last van nestroovers, daar hare nesten zeer in den smaak vallen van de Musschen; wanneer een paartje tweemaal in den zomer door zulk een ramp wordt getroffen, komt er van het broeden niets. Zelfs heb ik eens een oude mannetjesmusch zien doordringen in een zwaluwennest, waarin reeds jonge Zwaluwen waren; deze werden door den roover aangevallen, die ze één voor één den schedel openpikte en uit het nest smeet, om er zelf bezit van te nemen, daarna een hooge borst opzette en door een lang aanhoudend, luid getsjilp zijn blijdschap toonde. Ook de Ringmusschen nestelen gaarne in een zwaluwennest, als zij hiertoe de kans schoon zien. Dat de Zwaluwen uit wraak de Musch inmetselen, is een dwaas sprookje. Waarschijnlijk zou zij dit niet afwachten. Het eenige voorbehoedmiddel, waarover de Zwaluw beschikt, is, de ingang van haar nest zoo nauw te maken, dat zij zelve er slechts met moeite door kan, terwijl dit voor de dikkere Musch in ’t geheel niet mogelijk is; werkelijk wordt dit middel door de Zwaluw toegepast.”
Ook van de Huiszwaluw is ons het leven heilig, evenals van de Boerenzwaluw; in Italië en Spanje echter scheppen de jongens er vermaak in, haar aan een fijne haak te vangen, die met een veer als lokaas is voorzien. De Zwaluw tracht deze veer voor haar nest op te zoeken, blijft aan den haak hangen en wordt daarna door de laaghartige knapen op afschuwelijke wijze mishandeld.
*
Tot de groep der Bergzwaluwen (Clivicola) behoort de Oeverzwaluw, ook wel Aard-, Tuin- en Waterzwaluw, in Friesland Zandzwaluw of Grijze Zwaluw genoemd (Clivicola riparia), een van de kleinste soorten der familie. Totale lengte 13, vleugellengte 10, staartlengte 5 cM. Hare bovendeelen zijn aschgrauw of grijsachtig bruin, de onderdeelen wit, in de borststreek met een aschgrauwbruinen dwarsband geteekend.
Geen enkele Zwaluwensoort bewoont een even uitgestrekt gebied als de Oeverzwaluw, die, behalve in Australië, Polynesië en Zuid-Amerika, in alle deelen van de wereld broedt. Zooals haar naam aanwijst, houdt zij bij voorkeur verblijf in oorden, waar zij steile oevers vindt; dit behoeven echter niet altijd oevers van rivieren of beken te zijn, dikwijls wordt een steil afhellende aardhoop voldoende geacht. “Bij ons is zij niet zoo algemeen als de beide andere soorten. Zij komt slechts op bepaalde plekken voor, die terstond weer verlaten worden, als zij voor broedplaatsen in meerdere of mindere mate ongeschikt geworden zijn. Deze geliefkoosde plekken zijn b.v. zanderijen in de duinen, glooiingen van dijken, hellende boorden van wateringen, steil afgegraven slootwallen, groote aschhoopen enz. Men treft op zulke plaatsen dikwijls 6 à 10 broedende paren vereenigd aan.” (Schlegel). Waar zij voorkomt, is zij gewoonlijk veelvuldig, nergens ziet men haar echter in zulke buitengewoon talrijke zwermen als aan den middelloop en den benedenloop van den Ob, waar zij kolonies vormt van meer dan duizend paren. In Duitschland vindt men zelden minder dan 5 à 10, gewoonlijk 20 à 40, bij uitzondering wel 100 en meer paren als bewoners van één aarden wand aan. Ieder paar krabt met groote inspanning een diepe nestholte in den harden grond, in den regel zoo hoog, dat zelfs de hoogste waterstand er geen nadeel aan kan doen, het liefst echter dicht bij den bovenrand van de helling.
“Het is bijna niet te gelooven,” zegt Naumann, “en het moet in de hoogste mate onze bewondering wekken, dat een zoo zwak vogeltje met zulke zwakke werktuigen een dergelijk reuzenwerk kan volvoeren; het doet dit in zeer korten tijd: in 2 of 3 dagen graaft het paar een gang, die aan het begin een middellijn van 4 à 6 cM. heeft, aan het achterste uiteinde, waar het nest gebouwd zal worden, nog wijder is, minstens 1, dikwijls echter wel 2 M. diep in horizontale of eenigszins stijgende richting regelrecht in den oever doordringt. De ijver en de bedrijvigheid van de Oeverzwaluwen bij zulk een vermoeienden arbeid grenzen aan het potsierlijke, vooral wanneer men ziet, hoe zij den losgekrabden grond met groote inspanning met de pootjes achter zich aan uit het binnenste van het hol naar buiten werken en hoe beide echtgenooten elkander daarbij behulpzaam zijn. Raadselachtig is het echter voor ons, waarom zij het uitgraven van een gang dikwijls halverwege staken, een andere gang wel gereed maken, maar er toch niet in nestelen en dit misschien eerst in een derde doen; voor slaapplaats n.l. gebruikt het geheele gezin gewoonlijk slechts de gang, waarin zich het nest bevindt. Bij ’t graven zijn zij zeer vlijtig; het is, alsof de geheele zwerm uit de streek verdwenen is, daar alle in de holen aan ’t werk zijn. Indien men nu op den grond boven de holen met de voeten stampt, ziet men oogenblikkelijk alle gravers te voorschijn komen en weer in de lucht rondzwieren. Het broedende wijfje laat zich niet zoo licht verjagen; zij zal eerst vluchten voor een stoornis in haar hol en kan dus gemakkelijk gevangen worden. Aan het achterste uiteinde van de gang, op een afstand van ongeveer 1 M. van de opening, bevindt zich het nest in een verwijding, die den vorm heeft van een bakkersoven. Het bestaat eenvoudig uit een laag fijn stroo en hooi en dunne worteltjes; de holte is zeer zacht en warm gevoerd met veeren, haren of wol.”
De Oeverzwaluw is een zeer aanvallige, wakkere, beweeglijke Vogel, die in vele opzichten aan de Huiszwaluw herinnert, o.a. door haar zachte en zwevende wijze van vliegen. Gewoonlijk houdt zij zich in de benedenste luchtlagen op; meestal scheert zij heen en weer, dicht bij den waterspiegel langs; zelden stijgt zij tot een aanzienlijke hoogte op. Zij vliegt zoo schommelend, dat men haar beweging met die van een Vlinder vergeleken heeft; hoewel minder vlug en behendig dan hare verwanten, bereikt zij zonder bezwaar haar doel, ook wanneer hiervoor zwenkingen noodig zijn. Haar loktoon klinkt als “sjerr” of “tser”; in haar gezang worden deze klanken, door andere aaneenverbonden, veelvuldig herhaald. De Oeverzwaluw verwijdert zich niet graag ver van haar broedplaats bij het uitoefenen van haar jachtbedrijf, dat een prettige levendigheid verschaft aan een water, waar men weinige andere Vogels ziet en waar de openingen van hare nestholen in den eenvormigen oever ieders aandacht trekken.
Een grootere soort van hetzelfde geslacht is de Rotszwaluw (Clivicola rupestris). Totale lengte 15, vleugellengte 14, staartlengte 6 cM. Alle bovendeelen zijn dof grijsachtig bruin, de vleugels en de staartveeren zwartachtig, deze, met uitzondering van de middelste en buitenste, met eivormige vlekken van fraaie, geelachtig witte kleur geteekend, de kin en de keel, de krop en de bovenborst vuil bruinachtig wit met fijne, zwarte, overlangsche streepjes, de overige onderdeelen grijsbruinachtig. De oogen zijn donkerbruin, de pooten dof roodachtig; de snavel is zwart.
Hoewel de Rotszwaluw herhaaldelijk in Duitschland waargenomen werd, behoort zij eigenlijk in Zuid-Europa, in Spanje, Griekenland en Italië, thuis. Bovendien bewoont zij het noordwesten van Afrika en Middel-Azië tot in China, Perzië en Indië.
De nesten van de Rotszwaluw zijn aan rotswanden bevestigd, dikwijls op geringen afstand van den voet, steeds echter in holen, of althans op plaatsen, die door vooruitstekende rotspunten van boven beschut zijn. Zij gelijken het meest op die van onze Boerenzwaluw, maar zijn aanmerkelijk kleiner en met wol van dieren en planten of ook wel met eenige veeren gevoerd.
*
De meest bekende soort van het geslacht der Boomzwaluwen is de Purperzwaluw (Progne purpurea). Deze Vogel, die de warme gewesten van Noord-, Middel- en Zuid-Amerika bewoont en soms naar Europa afdwaalt, is 19 cM. lang, heeft vleugels van 14 en een staart van 7 cM. Haar kleed is effen donker zwartachtig blauw met sterken purperglans; de slagpennen en staartveeren zijn zwartachtig bruin. De oogen zijn donkerbruin, de pooten purperzwart; de snavel is zwartbruin. Bij ’t wijfje is de kop bruingrijs met zwarte vlekken, de overige bovendeelen als bij het mannetje, hoewel eenigszins meer grijsachtig met overlangsche, zwarte strepen.
De Purperzwaluw is in Noord-Amerika algemeen geliefd; men spaart haar steeds en tracht haar bovendien in de nabijheid van de woningen te houden, door broedkastjes of uitgeholde pompoenen in de boomen op te hangen. Evenals de overige Zwaluwen verricht zij hare werkzaamheden voor ’t meerendeel vliegend; zij komt echter ook wel op den grond en kan zich hier en op de takken beter bewegen, dan men wegens de kortheid van hare pooten zou verwachten. Niet minder vermetel dan onze Boerenzwaluw, valt zij Katten, Honden, Kraaien, Valken en Gieren aan; hen tracht zij op deze wijze verwijderd te houden van haar nest, dat in holle boomen wordt gebouwd.
De Muschvogels, die nu beschreven zullen worden, behooren tot de afdeeling van de Schreeuwvogels (Clamatores). De belangrijkste eigenschap, die zij met elkander gemeen hebben, is de bouw van het onderste strottenhoofd, dat slechts twee zijdelingsche of in ’t geheel geen spieren bezit. Van de twee handpennen is de eerste slechts bij uitzondering verkort. De loop is van voren steeds met hoornplaten bekleed.
Pitta’s, Grondlijsters of Prachtlijsters (Coloburis) noemen wij een geslacht van verwonderlijk schoon gekleurde Vogels, die door hun lichaamsbouw aan de Waterspreeuwen en Winterkoningen herinneren en met hunne verwanten de familie der Wolruggen (Eriotoridae) vormen. Hun lichaamsbouw is gedrongen;. de middelmatig lange, maar bijzonder krachtige snavel heeft een flauw gebogen ruglijn; de pooten zijn slank en hebben een langen loop; de vleugel, welks spits gevormd wordt door de vierde en de vijfde slagpen, reikt tot aan het uiteinde van den zeer korten staart.
De Pitta’s zijn het talrijkst in het Indische faunistische Rijk, vooral echter op de Maleische eilanden; ook komen zij voor in West-Afrika, Australië en de tropische gewesten van Amerika.
Als voorbeeld van dit geslacht kiezen wij de Negenkleurige Pitta, den Noerang der Hindoes (Coloburis bengalensis). De rug, de schouders en de vleugeldekveeren zijn blauwgroen, de verlengde bovendekveeren van den staart lichtblauw, een wenkbrauwstreep, de kin, de borst en de zijden van den hals (onder de ooren) wit, de onderdeelen, met uitzondering van een karmijnroode vlek aan den onderbuik en den aars, bruinachtig geel, een overlangsche streep boven op den kop en een teugelstreep die door het oog gericht is, zwart, de slagpennen zwart met witachtige spits, de eerste handpennen bovendien wit gevlekt, de armpennen aan den buitenzoom met blauwgroenen rand, de stuurpennen zwart, aan de spits dof blauw. De oogen zijn nootbruin, de pooten roodachtig geel, de snavel is zwart. Totale lengte 18, staartlengte 4 cM.—De Noerang is over geheel Indië en Ceylon verbreid en hier op ieder voor haar geschikt terrein veelvuldig.