“Toen de gevangenen goed aan de kamer gewend waren, toonden zij een buitengewone opgewektheid. Zij namen de meest verschillende houdingen aan, draaiden zich ook op hun zitplaats om en om, zoodat hunne prachtige veeren op verschillende wijzen verlicht werden en een bewonderenswaardig schoon kleurenspel vertoonden. Zij vlogen af en aan, bewogen zich met allerlei zwenkingen op de bekoorlijkste wijze door de lucht en deden dit steeds zoo vlug en onverwachts, dat men ze dikwijls met het oog niet volgen kon. Nu eens bevond het schitterende diertje zich in den eenen hoek van het vertrek, onmiddellijk daarna hoorden wij het gonzen van de onzichtbare vleugels op een andere plaats vlak achter ons, of zagen wij het dier zelf dicht bij ons aangezicht zweven, zonder dat wij hadden kunnen nagaan hoe het hier gekomen was.”
“Later, tot aan het einde van Mei, kreeg ik nog ongeveer 25 Kolibries in mijn bezit, bijna uitsluitend mannetjes. Eenige van hen waren met het net, andere met vogellijm gevangen; niet weinige van hen stierven, hoewel zij dadelijk na de vangst in een mand waren geplaatst. Voor dezen plotselingen dood heb ik nooit een bevredigende verklaring kunnen vinden. De gevangenen kwetsten zich niet aan de wanden van den korf, hoewel zij zich hier dikwijls aan vasthechtten; het kwam mij daarentegen voor, dat de ontsteltenis over het verlies van hun vrijheid zulk een krachtigen invloed op hen oefende. Hierbij moet ik ook doen opmerken, dat hun aard zeer verschillend was. Eenige waren knorrig, verdrietig en koppig, andere zeer vreesachtig, nog andere van het eerste oogenblik af lieftallig, gedwee, tam en gemeenzaam.
“De wijze, waarop ik deze diertjes in den regel aan de kamer en aan de suikeroplossing gewende, was zeer eenvoudig. Zoodra het korfje waarin de nieuwelingen mij gebracht werden, geopend was, vlogen alle er uit, gewoonlijk tegen den zolder aan, minder dikwijls tegen de vensters. Na een poosje zweefden zij langs de muren, die zij af en toe met de spitsen van de tong of met de borst aanraakten. Als men goed oplette, kon men zien, wanneer zij uitgeput waren en begonnen te dalen. Dan hadden zij er gewoonlijk niets tegen, dat ik ze opnam en op den vinger zette. Als ik ze eerst zoover had, nam ik een weinig suiker in den mond en vatte hun snavel tusschen mijne lippen. Soms begonnen zij dadelijk te zuigen, soms was het noodig hen hiertoe herhaaldelijk uit te noodigen; in den regel leerden zij het echter ten slotte, en als een van hen eens suiker uit mijn mond geproefd had, was hij steeds bereid om later opnieuw te zuigen. Na deze eerste les zette ik de gevangene behoedzaam op een der lijnen neer, en als hij een zachte inborst had, bleef hij hier zitten. De tweede les bestond hierin, dat ik hem, in plaats van mijne lippen, een fleschje met suikeroplossing voorhield; als hij hier één- of tweemaal aan gelikt had, kon hij het ook vinden, wanneer het op de tafel stond en mocht ik hem voor getemd houden. De tamme Vogel verdeelde vervolgens zijn tijd tusschen korte reizen door de kamer en rustpauzen op de lijn. Dikwijls kwam het voor, dat twee Vogels elkander vliegend vervolgden. Deze ontmoetingen schenen van vriendschappelijken aard te zijn. Bij nader onderzoek bleek het mij, dat het voortdurend wegvliegen van de lijn eenvoudig ten doel had om kleine, voor ons oog onzichtbare Insecten te volgen. Zeer dikwijls hoorde ik het happen met den snavel, één- of tweemaal zelfs kon ik de Vlieg, hoewel ternauwernood zichtbaar, nog juist onderscheiden.
“Nadat mijne gevangenen eenigen tijd de kamer bewoond hadden, plaatste ik er vijf in een groote kooi, die aan de eene zijde voorzien was met traliën van draad. Ik zag tegen deze verandering zeer op en bracht de Vogels daarom ’s avonds in de kooi, in de hoop dat de nacht hen kalmeeren zou. Reeds vroeger had ik ze door het stroopfleschje aan het verblijf in de open kooi gewend. Toen ik het deurtje gesloten had fladderden zij eenigen tijd rond; den volgenden dag zag ik echter tot mijn blijdschap alle rustig op de stokjes zitten en ook stroop zuigen. Kort daarna bracht ik nog twee mannetjes bij hen en later ook een wijfje.
“Ik was nu vol hoop hen levend naar Engeland te kunnen brengen, daar ik meende, dat de ergste bezwaren voorbij zouden zijn. Maar aan al mijne verwachtingen werd spoedig de bodem ingeslagen. Reeds een week nadat ik ze in de kooi gebracht had, begon de ellende. Soms stierven er twee op één dag. In de volgende week had ik er nog maar één over, die ook spoedig bezweek. Tevergeefs trachtte ik hen door nieuwe exemplaren te vervangen; de plaatsen, waar zij vroeger in menigte voorkwamen, waren thans verlaten. De oorzaak van den dood was ongetwijfeld het ontbreken van Insecten in hun voedsel, want de stroop, die zij voortdurend namen, was natuurlijk niet voldoende om hen in ’t leven te houden. Alle gestorven exemplaren waren buitengewoon mager; hun maag was zoo ineengeschrompeld, dat zij nagenoeg onkenbaar was. In de grootere ruimte hadden zij nog Insecten kunnen vangen; in de kooi was hun dit niet mogelijk.”
De Kolibries hebben door hun schoonheid en sierlijke bewegingen de genegenheid van alle Amerikanen gewonnen; alleen ten behoeve van naturaliën-verzamelaars wordt soms jacht op hen gemaakt. Fijne vogelhagel is hiervoor volkomen geschikt, wanneer de lading niet te groot is en men op een behoorlijken afstand schiet. Overigens zijn aan deze jacht geen bezwaren verbonden; vaardigheid wordt er niet voor vereischt.
Vermoedelijk hebben de Kolibries, behalve den mensch, weinige of in ’t geheel geene vijanden. Het is bijna niet denkbaar, dat zij lastig gevallen worden door Roofvogels of roofdieren in ’t algemeen, daar geen van deze hen in snelheid evenaart. Het is echter wel mogelijk, dat de jongen dikwijls ten buit vallen aan klimmende, viervoetige roovers of aan nesten plunderende Vogels. Dat de “gevleugelde juweelen” over ’t algemeen weinig van andere dieren te lijden hebben, zou men kunnen afleiden uit hun buitengewone talrijkheid in alle gewesten, waar zij inheemsch zijn, hoewel zij zich volstrekt niet snel vermenigvuldigen. Wat wij van den aard en de bekwaamheden der Kolibries weten, geeft ons recht om te twijfelen aan de waarheid van het verhaal, dat de Groote Vogelspin ze even dikwijls vangt als de Kruisspin de Vliegen. Het kan zijn, dat een kleine Kolibrie door het stevige web van een groote soort van Spin vastgehouden en in dit geval door de vervaardigster van dit web aangevreten wordt. Bates vond eens twee kleine Vinken met draden ontwikkeld in een spinneweb: de Kolibries zijn niet zoo onhandig, zij kennen dit gevaar en weten het te vermijden.
De naaste verwanten van de Kolibries—de Gierzwaluwvogels (Cypselidae)—zijn eveneens kleine, maar krachtig gebouwde Vogels met langwerpig lichaam, korten hals en breeden kop, waarvan het schedeldak tamelijk vlak, weinig gewelfd is; de eenigszins gekromde snavel is klein, buitengewoon kort, zwak, driehoekig, d. i. van achteren verbreed, aan de spits echter samengedrukt; de mondspleet strekt zich achterwaarts zeer ver uit, zoodat de bek zeer wijd geopend kan worden. De vleugels zijn smal en wegens de gekromde slagpennen sabelvormig gebogen. Van de 10 handpennen is de eerste de langste of bij eenige soorten slechts weinig korter dan de tweede; het aantal armpennen bedraagt 7 of 8. De staart is zeer verschillend van vorm: soms lang, soms korter, nu eens diep, dan weer minder diep uitgesneden. De pooten zijn kort en betrekkelijk krachtig, n.l. wat de loop betreft; de korte teenen zijn met zijdelings samengedrukte, sterk gekromde en zeer spitse klauwen gewapend. De achterteen is bij sommige, o. a. bij de inheemsche soort, zijwaarts ingeplant en kan in dit geval alleen naar voren, niet naar achteren gericht worden. Het kleed is over ’t algemeen dicht en uit kleine veeren samengesteld; bij uitzondering vertoont het metaalachtig schitterende kleuren, zooals dat van de Kolibries gewoonlijk echter is het eenkleurig en somber.
Hoewel de Gierzwaluwvogels door hun gestalte en ook door eenige eigenaardigheden van hun inwendig maaksel, o.a. door de kortheid van den bovenarm en de lengte van de hand, overeenkomst met de Zwaluwen vertoonen, verschillen zij toch in vele opzichten aanmerkelijk van haar en in eenige opzichten van alle Vogels.
“Met uitzondering van de Kolibries,” zegt Nitsch, “heeft waarschijnlijk geen enkele vogelfamilie zulk een buitengewoon lange hand en zulk een buitengewoon korten bovenarm. Hoogst eigenaardig is voorts de bouw der teenen: het aantal leden, dat bij verreweg de meeste Vogels van binnen naar buiten regelmatig toeneemt, zoodat de duim twee, de binnenste voorteen drie, de middelste voorteen vier en de buitenste vijf leden heeft, bedraagt hier resp. twee, drie, drie en drie leden; de middelste teen is dus met twee leden, de buitenste met één lid als ’t ware verkort.” (Dit geldt echter, volgens Burmeister, alleen voor de echte Gierzwaluwen; bij de overige soorten van de familie komt de gewone verhouding voor.) “Het onderste strottenhoofd heeft slechts één paar spieren, die bovendien niet sterk ontwikkeld zijn; de tong is bijna zoo plat en breed, naar voren even spits uitloopend als bij de Zwaluwen; de slokdarm mist de krop; de kliermaag is klein; de spiermaag zwak gespierd, de darm kort; van blinde darmen is geen spoor voorhanden.” Buitengewoon ontwikkeld zijn de speekselklieren, die een voor den nestbouw dienend slijm leveren; zij strekken zich van de spits van den ondersnavel langs de beide onderkaakshelften tot de opening van de luchtpijp uit en zijn gedurende den voortplantingstijd zeer sterk gezwollen.
De Gierzwaluwvogels zijn over alle werelddeelen verbreid; zij bewonen alle breedtegordels, met uitzondering van de koude luchtstreek, alle hoogten, bij het zeestrand te beginnen tot plaatsen, die bij de sneeuwgrens liggen. Zij komen zoowel in wouden als in woudlooze gewesten voor, bij voorkeur echter in gebergten en steden, omdat rotswanden en muren hun de meest geschikte nestplaatsen bieden.
Meer dan andere Vogels zijn zij in den eigenlijken zin van ’t woord bewoners der luchtzee. Van ’s morgens vroeg tot in den nacht zijn zij werkzaam. Hun spierstelsel schijnt voor vermoeienis niet vatbaar en hun nachtrust tot weinige uren beperkt te zijn. Voortreffelijke vliegwerktuigen stellen hen in staat om zonder bezwaar iederen dag afstanden af te leggen, die bijeengevoegd wel honderden van kilometers zullen bedragen. In tegenstelling met de Zwaluwen vliegen zij gewoonlijk in hooge luchtlagen; enkele soorten bereiken zulke groote hoogten, dat ons oog ze niet meer waarnemen kan. Aan hun wijze van vliegen zijn zij reeds op een afstand kenbaar. De vleugels gelijken in uitgespreiden toestand op een halve maan; hun beweging is zoo snel en hevig, dat zij meer aan het gonzen van Insecten en Kolibries herinnert dan aan den vleugelslag van een Vogel. Soms wijzigen zij hun vlucht minuten lang slechts door een lichte draaiing van de vleugels en van den staart, door een verandering van richting der vliegwerktuigen, die voor ons niet of bijna niet waarneembaar is; toch schieten zij pijlsnel door de lucht. Ook zij kunnen op meesterlijke wijze allerlei wendingen en draaiingen uitvoeren; wat de sierlijkheid en bevalligheid van de beweging betreft, staan zij echter ver achter bij de Zwaluwen. Op den bodem zijn zij zeer onbeholpen; ongeschikt om te gaan en bijna ongeschikt om te kruipen. Daarentegen klimmen zij, wel niet behendig, maar toch tamelijk goed, langs muren of rotswanden omhoog en in holen op en neer.
Hun voortdurende rusteloosheid vereischt een aanzienlijk krachtsverbruik en derhalve een buitengewoon snelle stofwisseling. De Gierzwaluwvogels zijn veel vraatzuchtiger dan de Zwaluwen; de Insecten, die hun eenig voedsel uitmaken, verdelgen zij bij honderdduizenden per dag; zelfs de grootste leden der familie, die, wat omvang van den romp betreft, ongeveer Lijsters evenaren, voeden zich hoofdzakelijk met de kleine Insecten, die boven in de lucht rondzwerven en ons waarschijnlijk voor ’t meerendeel nog geheel onbekend zijn.
Onder de zintuigen heeft, zooals het groote, wimperlooze oog reeds laat vermoeden, dat van het gezicht den voorrang; waarschijnlijk volgt hierop het gehoor; van de overige zintuigen weten wij niets mede te deelen. De geestvermogens zijn, naar het schijnt, weinig ontwikkeld. De Gierzwaluwvogels zijn wel gezellige, maar volstrekt geen vreedzame, integendeel twistzieke en tot vechten geneigde dieren, die niet alleen met hunne soortgenooten, maar ook met andere Vogels voortdurend overhoop liggen.
Alle Gierzwaluwvogels, die de gematigde gewesten van de aarde bewonen, zijn trekvogels; die, welke in de keerkringslanden broeden, mag men minstens zwerfvogels noemen. Het trekken geschiedt, althans bij eenige soorten, met de grootste regelmatigheid. Zij verschijnen in hun vaderland bijna precies op den hiervoor vastgestelden dag en verlaten het op een even vaststaand tijdstip weder; de tijd, die zij in hun vaderland doorbrengen, is echter bij de verschillende soorten zeer ongelijk van duur.
De trekvogels van de familie beginnen onmiddellijk na hun aankomst op de broedplaats een nest te bouwen; want hun verblijf hier is zoo kort van duur, dat deze tijd door de voortplantingsverrichtingen grootendeels in beslag wordt genomen. Hunne nesten zijn geheel anders dan die van de overige Vogels. Slechts weinige soorten bouwen sierlijke nesten, welke min of meer op die van de Zwaluwen gelijken; vele sleepen eenvoudig het nestmateriaal naar een holte en stapelen het hier zoo onordelijk mogelijk opeen. Steeds echter worden deze bouwstoffen met kleverig, weldra verhardend speeksel overtrokken en aaneengelijmd. Bij eenige soorten bestaat het nest in hoofdzaak of uitsluitend uit verhard speeksel. Het aantal eieren is gering, soms bepaalt het zich tot één. De eieren zijn rolvormig en licht van kleur. Het wijfje broedt alleen; de jongen worden door de beide ouders gevoederd. Ieder paar broedt eens, hoogstens tweemaal per jaar.
Voor het leven in de gevangenschap zijn de Gierzwaluwvogels niet geschikt. Toch is het mogelijk ook deze Vogels groot te brengen, als zij jong uit het nest genomen zijn. Oud gevangen exemplaren geraken niet aan de kooi gewoon, blijven hulpbehoevend op den bodem liggen of klimmen rusteloos bij de wanden op en neer, weigeren alle voedsel en komen door hun onstuimigheid of anders ten slotte door uitputting om ’t leven. Jong uit het nest genomen Vogels moet men aanvankelijk het voedsel in den mond stoppen, eerst later beginnen zij zelf te eten. Ook in dit geval verschaffen zij hun verzorger niet veel voldoening.
*
De Alpen-gierzwaluw [Micropus (Cypselus) melba], bereikt een lengte van 22 cM. (vleugellengte 20, staartlengte 8.5 cM.). Alle bovendeelen, de zijden van den kop en de onderdekveeren van den staart hebben een donkere, roetbruine kleur. Een uitgestrekt kin- en keelveld, de borst, de buik en de aarsstreek zijn wit, zoodat aan de onderzijde van het lichaam de bruine kleur beperkt blijft tot een band, die aan weerszijden van den snavelwortel tot den schouder en van hier dwars over de bovenborst loopt. De vleugels zijn bruinzwart met duidelijken, metaalachtig groenen weerschijn. De oogen zijn donkerbruin, de snavel en de naakte deelen der pooten zwart.
De kustlanden van de Middellandsche zee mag men het brandpunt van het verbreidingsgebied van dezen Vogel noemen. Van hier reikt het aan de eene zijde tot aan de kusten van Portugal, de Pyreneën en de Alpen, aan de andere zijde tot aan den Atlas en de hooge bergketenen van Klein-Azië; het maakt verder langs de Kaspische Zee en het Meer van Aral een bocht oostwaarts tot aan het noordelijke deel van den Himalaja. Op geen dezer plaatsen is de Alpen-gierzwaluw standvogel, in het noorden van zijn gebied veeleer een regelmatige trekvogel, in de overige gewesten minstens zwerfvogel.
Hij verschijnt veel vroeger dan zijn stamgenoot, de Gierzwaluw, aan de zuidkust van de Middellandsche Zee, reeds omstreeks het midden van Februari in Syrië, tegen het einde van Maart in Griekenland, niet veel later ook in Zwitserland, waar het tijdstip van zijn komst afhangt van de weersgesteldheid tusschen het einde van Maart en het midden van April.
Gedurende den trek overschrijdt de Alpen-gierzwaluw niet al te zelden de noordelijke grenzen van zijn verbreidingsgebied; herhaaldelijk werd hij in het noorden van Duitschland, in Denemarken en op de Britsche eilanden waargenomen. Zijn herfstreis voert hem nog veel verder zuidwaarts dan zijn lentereis hem noordwaarts doet trekken. Evenals zijn stamgenoot doorreist hij geheel Afrika, komt geregeld voor in het zuiden en zuidwesten van dit werelddeel, aan de Kaap de Goede Hoop zoowel als in het Nama-land; boven den Tafelberg zweeft hij even opgewekt rond als boven de hoogste toppen van het Säntis-gebergte.
Hoewel deze Vogels Alpen-gierzwaluwen heeten, komen zij in de Alpen nergens in zoo grooten getale voor als in Zuid-Europa. Hier verzamelen zij zich op enkele plaatsen tot verbazingwekkende zwermen. Alle hooge bergketenen van Zwitserland bevatten eenige koloniën van deze Vogels; het veelvuldigst komen zij echter ook hier in de zuidelijkste gebergten en meer bepaaldelijk in Wallis voor. Verder oostwaarts worden zij steeds zeldzamer. In Tirol en Karinthië nestelen zij slechts op weinige plaatsen; de mededeeling, dat zij ook in Duitschland broedend zijn aangetroffen, berust waarschijnlijk op een vergissing.
Het naaste verwant aan de Alpen-gierzwaluw is onze Gierzwaluw, ook wel Steen- of Torenzwaluw, Haker, in het land van Kuik Scheer, in het Friesch Toerswjel genoemd [Micropus (Cypselus) apus]; deze bereikt een lengte van 18 cM. (vleugellengte 17, staartlengte 8 cM.). Zijn kleed is effen roetbruinzwart met zwartachtig groenen metaalglans, die het duidelijkst zichtbaar is op den mantel en de schouders. De kin en de keel zijn met een rondachtige, witte vlek geteekend. De oogen zijn donkerbruin, de pooten lichtbruinachtig; de snavel is zwart.
Het is de Gierzwaluw, die wij van de eerste week van Mei tot Augustus onder schel geschreeuw door de straten onzer steden zien jagen of rondom de spitsen van oude kerktorens zien vliegen. Deze Vogel is ver verbreid. Men vindt hem van Skandinavië tot Malaga in alle landen van Europa en ook in het grootste deel van Noord- en Middel-Azië. Ook in Perzië behoort hij op sommige plaatsen tot de veelvuldigste zomervogels; in enkele streken, o.a. in de omgeving van Shiras, broedt hij in buitengewoon grooten getale. Den winter brengt hij in Afrika en in ’t zuiden van Indië door. Met regelmatigheid komt hij bij ons aan, gewoonlijk op den 5en of 6 Mei; hij blijft hier tot in Augustus. Naar het schijnt, trekken de Gierzwaluwen steeds in groote gezelschappen. Zij komen gezamenlijk aan, zoodat men ze daar, waar zij den vorigen dag in ’t geheel niet waargenomen werden, plotseling bij dozijnen of zelfs bij honderden ziet; op dezelfde wijze verlaten zij een stad gewoonlijk alle te gelijk, in denzelfden nacht.
1) Alpen-gierzwaluw (Micropus melba). 2) Gierzwaluw (Micropus apus). ½ v. d. ware grootte.
Het is zelfs voor leeken niet moeielijk onze Gierzwaluw te herkennen. Hare bewegingen en gebaren, haar voorkomen en hare werkzaamheden verschillen duidelijk van die der Zwaluwen. Zij en hare verwanten zijn in de hoogste mate levendig, onrustig, haastig en op beweging verzot. De lucht is haar rijk, hier brengt zij, om zoo te zeggen, haar geheele leven door. Van het krieken van den dag tot aan de laatste avondschemering houdt zij zich met de jacht bezig en beschrijft, op en neervliegend, uitgestrekte bogen; zij doet dit meestal op aanzienlijke hoogte en komt alleen ’s avonds of bij hevige regen omlaag.
De kracht, de behendigheid en de werkelijk onvermoeide volharding, die de Gierzwaluw bij ’t vliegen openbaart, komen bij geen anderen inheemschen Vogel in dezelfde mate voor. Voor de sierlijke en vlugge zwenkingen van de Zwaluwen is zij ongeschikt, haar snelheid is echter onovertroffen. Hare smalle, sikkelvormige vleugels worden soms zoo krachtig en haastig bewogen, dat ons oog er slechts een onduidelijk beeld van verkrijgt. Daarna evenwel breidt de Vogel ze plotseling ver uit, om nu zonder eenige zichtbare beweging van de vleugels prachtig in de lucht te zwemmen en te zweven. Alleen in de lucht gevoelt hij zich thuis, op den bodem is hij een vreemdeling. Men kan zich bijna geen hulpbehoevender wezen voorstellen, dan een Gierzwaluw, die niet vliegen kan en zich op den bodem moet bewegen. Van gaan is bij haar geen sprake. Zij is niet eens in staat om te kruipen. Men heeft beweerd, dat zij zich niet van den grond kan opheffen; dit is echter volkomen onjuist. Als men een pas gevangen Gierzwaluw plat op den bodem neerlegt, breidt zij onmiddellijk hare vleugels uit, doet er een krachtigen slag mede, die haar omhoog doet stijgen en vliegt vervolgens op de gewone wijze. Maar ook van hare pooten weet de Gierzwaluw een geschikt gebruik te maken. Zij haakt zich hiermede behendig vast aan loodrechte muren en houten beschotten; bovendien gebruikt zij de scherpe klauwen ter harer verdediging.
De Gierzwaluw is een schreeuwvogel en geen zanger; haar stem is een snijdend, krijschend geluid, dat door de syllaben “spie spie” of “krie” nagebootst kan worden. Men hoort het soms tot vervelens toe, wanneer de Vogel door de een of andere oorzaak in een staat van opgewondenheid verkeert; als een talrijk gezelschap door de straten jaagt, is het er soms bijna niet uit te houden. In de holen, die als slaap- en nestplaatsen dienen, tjilpen de ouden en de jongen.
Van de hoogere vermogens van de Gierzwaluw valt niet veel goeds te zeggen. Onder de zintuigen nemen de groote oogen ongetwijfeld de eerste plaats in; misschien mag men ook nog het gehoororgaan ontwikkeld noemen; de overige zinnen schijnen stomp te zijn. Het oordeel over de inborst van dezen Vogel luidt ongunstig. Hij is heerschzuchtig, twistziek, onstuimig en overmoedig van aard, leeft, alles wel beschouwd, met geen enkel dier, niet eens met zijns gelijken, in vrede en plaagt soms zonder reden andere dieren. Om de nestplaatsen twisten de Gierzwaluwen onder luid geschreeuw dikwijls dagen lang. Uit ijverzucht pakken twee mannetjes elkander in de lucht woedend aan, houden hun tegenpartij met de klauwen stevig vast en tuimelen nu draaiend naar beneden; dikwijls wordt het gevecht nog op den grond voortgezet en kunnen de strijders met de hand gevangen worden.
Het hangt van de omstandigheden af, waar het nest gebouwd zal worden. Bij ons geschiedt dit meestal in reten van muren van hooge gebouwen en onder balken. Elders nestelt de Gierzwaluw vaak in holle boomen, zeldzamer in den grond, in holen van steile glooiingen. Geregeld verjaagt zij de Spreeuwen of Musschen uit de broedkastjes, die voor hen in de boomen opgehangen zijn, zelfs wanneer deze een nest met bebroede eieren of met jongen bevatten; zonder mededoogen smijt zij de stoffen, waarvan zij haar nest wil bouwen, in den letterlijken zin van ’t woord op den rug van het broedende wijfje of van haar kroost, kortom zij plaagt de rechtmatige eigenaars zoo lang, dat deze hun woning verlaten. De wieg van hare jongen bestaat uit halmen, hooisprietjes, droge bladen, vodden, haren en veeren, die zij uit musschennesten wegneemt of bij hevigen wind uit de lucht opvangt, zeldzamer echter van den bodem opzoekt of van boomtakken afrukt; deze onordelijk bijeengelegde materialen bedekt zij vervolgens geheel met haar kleverig speeksel, dat evenals bij de andere leden der familie in de lucht hard wordt. Het nest bevat twee, hoogstens drie, zeer langwerpige, bijna rolvormige, aan de beide einden ongeveer even sterk afgeronde, witte eieren. Het wijfje broedt alleen en wordt intusschen door het mannetje gevoederd. De jongen worden door de beide ouders met voedsel voorzien; zij groeien echter zeer langzaam en zijn eerst na verscheidene weken geschikt om te vliegen. Men vindt de eieren op zijn vroegst in het laatst van Mei, de pas uit den dop gekomen jongen in het midden van Juni of in het begin van Juli; eerst tegen het einde van deze maand vliegen de jongen uit.
De Gierzwaluw voedt zich met zeer kleine Insecten; het is moeielijk te bepalen, tot welke soorten deze behooren, daar zij voor ’t meerendeel in de maag van den gedooden Vogel door de spijsvertering of althans door vergruizing zoo veel geleden hebben, dat zij onkenbaar zijn. Stellig vliegen de Insecten, die haar voornaamste voedsel uitmaken, in zeer hooge luchtlagen en komen zij hier alleen bij zeer gunstige weersgesteldheid voor. Want dit alleen kan een verklaring leveren van de zoo late komst van de Gierzwaluw en van het feit, dat zij op verschillende plaatsen op ongelijke tijden verschijnt en er meer of minder lang blijft. De eenige reden van haar bijna rustelooze werkzaamheid is gelegen in haar onverzadelijken honger; in geval van nood kan zij echter verbazend lang vasten: gevangen Gierzwaluwen, die zonder voedsel werden gelaten, stierven naar men zegt, eerst na zes weken den hongerdood.
Alle soorten van Gierzwaluwen hebben weinige vijanden. Hier te lande maakt alleen de Boomvalk jacht op deze zoo buitengewoon snel vliegende Vogels, die zich niet anders dan vliegend vertoonen. De mensch vervolgt hen daar waar zij voor de Spreeuwen lastig en gevaarlijk worden. Zeer bedroevend achten wij echter het dooden van deze nuttige Vogels door de bewoners van Zuid-Europa. Naar Savi bericht, zijn de jongen van de in Italië zeer veelvuldige Gierzwaluwen een zeer gezochte lekkernij. Om haar te verkrijgen worden in hooge muren of torens broedgaten aangebracht, die men van binnen onderzoeken en uithalen kan. Alle jongen, met uitzondering van één, worden vóór het uitvliegen uit het nest genomen en gedood, gebraden en opgegeten. Op een vooruitstekende rots bij Carrara staat een opzettelijk voor dit doel gebouwd torentje.
*
Zeer lange vleugels en een lange, diep gaffelvormig uitgesneden staart benevens een kuif op den kop komen voor bij het geslacht der Boomgierzwaluwen (Dendrochelidon), welks vertegenwoordigers Indië en de Indische eilanden, Australië en Afrika bewonen.
Een soort van dit geslacht, die wegens haar geschreeuw en dat van hare verwanten Klecho heet (Dendrochelidon longipennis) is 18 cM. lang; zij heeft vleugels van niet minder dan 15 en een staart van 8 cM. De uit breede veeren samengestelde, rechtopstaande kuif voor op den kop, de bovenkop, de mantel, de schouders en de vleugeldekveeren zijn donker zwartachtig groen met een zwarten, metaalachtigen, de spitsen der vleugeldekveeren met een staalachtig blauwen weerschijn; de slagpennen en de dekveeren van de hand zijn zwart met zwartachtig blauwen, de achterste handpennen en de armpennen met metaalachtig groenen glans; de kin, de keel, de krop, de hals en de zijden van den romp zijn grijs, de onderdekveeren van den vleugel zwartachtig groen, de stuurpennen, die een diepen gaffel vormen, zwart.
Klecho (Dendrochelidon longipennis). ⅓ v. d. ware grootte.
Het verbreidingsgebied van deze soort omvat de groote Soenda-eilanden (Java, Sumatra, Borneo), Banka en het schiereiland Malakka.
Door haar levenswijze en vooral door de wijze, waarop zij haar nest bouwen en broeden, onderscheiden de Boomgierzwaluwen zich van al hare verwanten. Zij bewonen de dsjungels of dergelijke in vlakten gelegen, boschrijke wildernissen. Zij gaan gaarne op boomen zitten; haar vaardigheid in ’t klimmen is echter gering.—De Klecho bouwt op een vrij uitstekenden tak van een hooge boomkroon een nest, dat uit verschillende plantaardige stoffen bestaat, die door kleverig speeksel aaneengelijmd zijn, hetgeen aan den nestbouw van de Salangane herinnert. Het nest is zoo buitengewoon klein, dat de Vogel, om het eenig ei, dat er in gelegd wordt, uit te broeden, genoodzaakt is op den tak te zitten en alleen met den buik het nest te bedekken. Een dergelijke houding moet het jong wel aannemen, zoodra het een zekere grootte bereikt heeft.—Hoewel de Klecho op Java overal voorkomt, is zij echter nergens veelvuldig. Haar langzame vermenigvuldiging maakt dit verklaarbaar.
*
Salanganen (Collocalia) noemt men de sedert verscheidene eeuwen bekende en toch ook nu nog zeer onvolledig bekende Gierzwaluwen, die de beroemde eetbare vogelnestjes leveren. De kenmerken van het geslacht zijn: geringe grootte, zeer kleine, sterk haakvormige snavel en zeer zwakke pooten, welker binnenteen naar achteren gericht is, tamelijk lange vleugels en middelmatig lange, recht afgeknotte of weinig uitgesneden staart. De vederen zijn tamelijk hard, maar eenvoudig van kleur. Van de inwendige deelen verdienen de zeer ontwikkelde speekselklieren vermelding.
De typische vorm van dit geslacht, de Salangane (Collocalia nidifica), is ternauwernood grooter dan onze Oeverzwaluw; totale lengte 13, vleugellengte 12, staartlengte 6 cM. De veeren van de bovenzijde zijn donker roetkleurig zwartbruin met metaalachtigen weerschijn, die van de onderzijde roetkleurig grijsbruin. De pennen van den zeer zwak uitgesneden staart zijn een weinig donkerder van kleur dan de bovenzijde en effen zwart. De oogen zijn donkerbruin, de snavel en de pooten zwart.
Vroeger kende men de Salangana alleen als bewoonster van de Soenda-eilanden; later heeft men haar ook in de gebergten van Assam, in de Nilgiris, in Sikkim, Arakan, langs de oostkust van de Bocht van Bengalen, in Siam, Cochinchina, op Ceylon, de Nicobaren en Andamanen waargenomen. Zij is de soort, waarvan de meeste berichten en fabels in omloop zijn. “Aan de kust van China,” zegt Bontius, “komen in den broedtijd vogeltjes van het geslacht der Zwaluwen uit het binnenland op de klippen der zee om in de zeeslib aan den voet der rotsen een taaie stof, misschien wel walschot of vischkuit, te verzamelen, waarvan zij hunne nesten bouwen. De Chineezen rukken deze nesten van de klippen af en brengen ze in menigte naar Indië, waar zij zeer duur verkocht, in kippen- en schaapvleeschsoep gekookt en door fijnproevers boven alle overige streelingen van het gehemelte verkozen worden.” Tot in den laatsten tijd werd deze meening over den oorsprong der eetbare vogelnestjes, wat de hoofdzaak betreft, juist geacht. In nagenoeg alle reisbeschrijvingen las men, dat de grondstof voor het nest aan de zee en hare voortbrengselen ontleend werd.—Marsden onderzocht deze stof scheikundig en vond, dat zij het midden houdt tusschen lijm en eiwit. Zij blijft geruimen tijd onveranderd onder den invloed van heet water, zwelt na eenige uren op en wordt bij het drogen weer hard, maar tevens broos, omdat eenige lijm in het water achterblijft.—De overige meeningen behoeven hier niet nader besproken te worden: alle zijn in meerdere of mindere mate vermoedens van geringe waarde. Door Bernstein’s uitvoerige onderzoekingen weten wij thans nauwkeurig, uit welke stof de eetbare vogelnestjes bestaan.
“Het behoeft ons in het geheel niet te verwonderen,” zegt deze uitmuntende onderzoeker, “dat er hoogst verschillende meeningen over den oorsprong van de eetbare vogelnesten zijn verkondigd. Wanneer men onvoorwaardelijk geloof hecht aan de verhalen van onwetende en bijgeloovige inboorlingen, hunne gezegden steeds voor waar houdt of zich door een oppervlakkige overeenkomst van het nestmateriaal met een andere, geheel verschillende stof tot voorbarige gevolgtrekkingen laat verleiden, is het bijna niet te verwachten, dat men de waarheid op het spoor zal komen. Slechts door zelfstandige, onbevooroordeelde waarnemingen, aan de Vogels zelf op hunne broedplaatsen verricht, kan men het beoogde doel bereiken. Zulk een onderzoek is echter met tamelijk groote bezwaren verbonden; daar deze dieren in donkere, bijna ontoegankelijke holen nestelen, waar het dikwijls moeite kost de naastbijgelegen voorwerpen duidelijk te onderscheiden, en dus nog veel meer om de buitengewoon beweeglijke Vogels na te gaan. Dit geldt echter alleen van de Salangane in engeren zin. Veel gemakkelijker is het, een andere op Java inheemsche soort na te gaan, die daar Koesappie wordt genoemd; deze bouwt hare nesten op beter toegankelijke plaatsen, hetzij in de voorste, beter verlichte gedeelten der holen, die ook door de Salanganen bewoond worden, of ook wel op volkomen vrije plaatsen, onder overhellende rotswanden enz. Verscheidene malen was ik zoo gelukkig, deze soort bij het bouwen van haar nest nauwkeurig te kunnen waarnemen, terwijl dit mij ten aanzien van de Salangane, op grond van de hierboven aangevoerde redenen, minder dikwijls en nooit zoo volkomen gelukte.
“De eetbare nesten zijn, wat hun uitwendige gedaante betreft, reeds lang bekend en door verscheidene oudere schrijvers goed en nauwkeurig beschreven. Over ’t geheel genomen hebben zij den vorm van het vierde gedeelte van een eierschaal, wanneer men zich voorstelt, dat deze door twee door de lengteas gerichte vlakken in vier gelijke stukken gesplitst is. Van boven zijn zij open; de rots, waaraan zij bevestigd zijn, vormt meteen den achterwand van het nest. Het nest zelf is uiterst dun, zijn bovenste vrije rand verbreedt zich naar achteren, waar hij zich tegen de rots aanlegt, aan weerszijden tot een vleugelvormig aanhangsel van verschillende dikte, welks breede, platte achtervlakte, die met het gesteente verbonden is, het voornaamste middel tot bevestiging van het nest uitmaakt. Dit bestaat uit een witachtige of bruinachtige, op lijm gelijkende stof, die (wegens de reeds genoemde dunheid van de wanden van het nest) meestal doorschijnend is; reeds bij oppervlakkig onderzoek merkt men er duidelijk dwarse strepen in op. De dwarse strepen hebben een golfvormig verloop in min of meer dezelfde richting; blijkbaar zijn zij door het laagsgewijs aaneenvoegen van de bouwstoffen ontstaan. Zij zijn het eenige spoor van structuur, dat men aan deze nesten bespeurt. De donkerder gekleurde, bruinachtige, in den handel niet hoog geschatte nesten houd ik voor oudere, waarin Vogels uitgebroed en grootgebracht werden, de witte, duurdere daarentegen voor versch gebouwde. Anderen meenen, dat de beide bedoelde producten door twee verschillende soorten van Vogels vervaardigd zijn. Daar ik nog geen Vogel heb kunnen krijgen, die op een bruin nest gevangen werd, kan ik deze kwestie niet uitmaken. De veelvuldige overgangen van geheel bruine tot zuiver witte nesten en ook hun volkomen gelijke bouw pleiten voor het bestaan van slechts één soort. Eindelijk komen ook nog enkele veertjes als toevallige bijmengselen hier en daar in en aan de nestwanden voor.
“Zonder aan dit nest een andere laag toe te voegen, legt de Vogel er zijne beide, glanzig witte, tamelijk lange en spits toeloopende eieren in. Soms vindt men drie eieren; twee is echter vermoedelijk het gewone getal. Zij zijn ongeveer 20 mM. lang en 14 m.M. breed.
“Het nest van de Koesappie (Collocalia fuciphaga) komt in vorm geheel met dat van de Salangane overeen; het verschilt er echter aanmerkelijk van, doordat het hoofdzakelijk uit plantenstengels en dergelijke stoffen bestaat en dat de eigenaardige, lijm- of hoornachtige specie alleen ten doel heeft om de bedoelde bouwstoffen met elkander te verbinden en het geheele nest op zijn standplaats te bevestigen. Daarom komt deze specie in de grootste hoeveelheid voor aan het achterste gedeelte van het nest, vooral aan de reeds genoemde, vleugel- en armvormige uitbreidingen van den vrijen bovenrand. Deze aanhangsels vindt men hier trouwens minder geregeld dan aan de nesten van de andere Javaansche soort; zij ontbreken soms geheel, vooral indien de overige bouwstoffen stevig zijn en minder behoefte hebben aan ondersteuning. Ik bezit een tamelijk groot aantal nesten van deze Vogels, die onder den dakstoel van een publiek gebouw in Batavia gevonden werden. Zij zijn doorgaans van fijne, zeer buigzame bloemstelen, paardeharen en enkele grashalmen gebouwd, welke stoffen bijna evenwijdig op en over elkander liggen, zonder ineengevlochten te zijn, zooals dit bij de nesten van andere Vogels het geval is. Om de genoemde bouwstoffen samen te voegen, wordt een bindmiddel vereischt; hiervoor dient de reeds vaak vermelde, lijm- of hoornachtige massa; deze komt daarom in grootere hoeveelheid voor aan het achterste gedeelte van het nest. Drie andere nesten vond ik aan een overhangenden rotswand. Zij waren samengesteld uit plantaardige stoffen, die gemakkelijker met elkander verbonden en ineengevlochten konden worden dan die der vroeger genoemde nesten. Daarom had de Vogel slechts weinig gebruik gemaakt van de lijmmassa; ik vond haar bijna alleen aan het achterste deel van het nest: zij diende slechts om de plantaardige bouwstoffen aan de rots vast te hechten; hoogstens waren zij er dun mede overtrokken.”
Bernstein komt nu op de oude sagen terug en verhaalt, dat hij herhaaldelijk Koesappies heeft waargenomen, terwijl zij met den nestbouw bezig waren, dat hij andere een tijdlang in leven hield en eenige ontleedde. Zoo kwam hij tot het besluit, dat de bedoelde lijmachtige stof niets anders is dan een afscheidingsproduct van de ondertongspeekselklieren van den Vogel; deze vormen alleen gedurende den broedtijd twee groote opzwellingen: reeds gedurende het eierleggen schrompelen zij ineen en schijnen dan weinig grooter dan bij andere Vogels. “Het dikke, taaie slijm, dat door deze klieren bereid wordt, hoopt zich in de nabijheid van hare afvoeropeningen in het voorste gedeelte van den mond onder de tong, in groote hoeveelheid op. Het gelijkt veel op een dikke oplossing van Arabische gom en is, evenals deze, zoo taai, dat het tot tamelijk lange draden buiten den bek kan worden uitgetrokken. Als men het uiteinde van zulk een slijmdraad met den top van een houtje opneemt en dit langzaam om zijn as draait, kan men de geheele, op dat oogenblik aanwezige hoeveelheid speeksel in den vorm van een draad uit den mond en zelfs uit de afvoeropeningen der genoemde klieren halen. Aan de lucht droogt het schielijk uit en verschilt daarna in geen enkel opzicht van het eigenaardige nestmateriaal van onzen Vogel. Ook bij beschouwing onder een vergrootglas bemerkt men tusschen de beide stoffen geen verschil. Tusschen twee stukken papier gebracht, plakt het deze als Arabische gom aaneen. Op gelijke wijze kan men grashalmen er mede bedekken en daarna aaneen doen kleven.
“Wanneer nu de Vogels hun nest gaan bouwen, vliegen zij, gelijk ik dikwijls gezien heb, herhaaldelijk tegen de hiervoor uitgekozen plaats aan en drukken telkens met de spits van de tong hun speeksel tegen het gesteente. Dit doen zij dikwijls 10- à 20-maal achtereen, zonder zich intusschen meer dan eenige meters ver te verwijderen. Bij gevolg sleepen zij de bouwstof niet telkens aan, maar hebben haar in een groote hoeveelheid, die zich telkens weer vernieuwt, bij zich. Zoo vormen zij in de eerste plaats een halfcirkel- of hoefijzervormige figuur op de gekozen plaats. De aanvankelijk half vloeibare massa droogt weldra en vormt nu een vasten grondslag voor het overige nest. De Koesappie bouwt dit, zooals reeds gezegd werd, van verschillende plantendeelen, die zij in mindere mate met haar speeksel bedekt en aaneenvoegt; de Salangane daarentegen gaat voort met niets anders dan speeksel als bouwstof te bezigen. Zij klemt zich bij het voortzetten van den arbeid aan het nest vast en brengt, terwijl zij den kop zijwaarts heen en terug beweegt, het speeksel op den rand van het reeds bestaande en verharde deel van het nest aan, waardoor de reeds genoemde, golfvormige dwarsstrepen ontstaan. Bij deze gelegenheid blijven waarschijnlijk de enkele veertjes, die in den nestwand gevonden worden, aan het half gedroogde speeksel kleven en worden als toevallig bestanddeel aan het nest toegevoegd. Waarschijnlijk zal de prikkeling, die een gevolg is van de zwelling der klieren, de dieren nopen, zich van het speeksel door drukking en wrijving te ontdoen. Hierbij kan het soms voorkomen, dat deze deelen opengewreven worden en er eenige bloeddruppels uitvloeien; hieraan zijn waarschijnlijk de geringe sporen van bloed toe te schrijven, die men soms aan de nesten waarneemt. Voorts moet ik nog vermelden, dat de afscheiding van het speeksel, evenals de werking van zoo vele andere klieren, recht evenredig is aan de hoeveelheid opgenomen voedsel. Na rijkelijke voedering van de Vogels, die ik eenige dagen lang in de kooi in ’t leven hield, had spoedig een overvloedige speekselafscheiding plaats; deze was echter zeer gering, wanneer de dieren eenige uren honger geleden hadden. Andere feiten staan hiermede in verband, vooral dat de Vogels in sommige tijden hunne nesten vlugger bouwen en ze grooter en fraaier maken dan in andere tijden. Hoogst waarschijnlijk hadden de dieren in het eerstgenoemde geval overvloed van voedsel, in ’t laatstgenoemde gebrek er aan.”
Wij zijn dus thans volkomen op de hoogte van den aard der stof, die door de Chineesche en de hen navolgende, Europeesche fijnproevers verzwolgen wordt, als zij de beroemde Indische vogelnestjes eten. Minder goed zijn wij bekend met de overige levensverschijnselen der Salanganen. De uitvoerigste berichten zijn die, welke Junghuhn geeft in zijn beschrijving van de vogelnestgrot van Rongkob. Deze is aan de zuidkust van Java dicht bij de oostelijke grens van Jogjakarta gelegen en maakt deel uit van het Sewoe- of Duizendgebergte, een minstens 120, op sommige plaatsen wel 180 M. dikke, op zandsteen rustende kalksteenmassa. “Aan de zuidzijde,” zegt Prof. Veth, “valt dit merkwaardig gebergte steil in zee; zijn grens is als het ware loodrecht afgekapt, en zelfs de bolvormige heuvelen, voor zoover zij zich in de nabijheid van den oceaan verheffen, zijn aan de zeezijde scherp doorsneden, zoodat de hoogte van den rotsmuur van 60 tot meer dan 100 M. afwisselt, naar gelang hij òf door doorsnede der heuvelen, òf door de lagere tusschenruimten gevormd wordt. In weerwil van het wegzakken van het hier vallende regenwater door trechtervormige gaten in den bodem, zijn de heuvelen tot aan den scherpen rand overal met hetzelfde liefelijke plantenkleed bedekt.”—“Aan den voet van den muur,” zegt Junghuhn, “heeft de branding van de hier zeer diepe zee in den loop der tijden den kalksteen zoo diep uitgehold, dat het bovendeel van den rotswand een overhangend gewelf vormt. Hier houden de Salanganen zich op: groote zwermen van deze kleine Vogels ziet men af en aan vliegen, daar waar de branding het hevigst is en grotten in den kalksteen heeft uitgespoeld. Opzettelijk doorklieven zij de dichte schuimmassas, die door het breken van de golven tegen de rotsen ontstaan; blijkbaar vinden zij in het verstuivende water hun voedsel, waarschijnlijk zeer kleine zeedieren of hunne overblijfselen; daar de bewoners van de bovenste waterlaag door de branding tegen de klippen geworpen en, al of niet vergruisd, met het schuim omhoog gevoerd worden. Wanneer men zich op het voorgebergte ten oosten van de Rongkob-grot op den rand van den rotsmuur neerzet en met de oogen de beweging van de voortdurend op en neer golvende zee volgt, zal men af en toe aan den voet der tegenoverliggende steilte de ingang van de grot ontwaren en telkens in ’t volgende oogenblik geheel onder het water zien verdwijnen. Zoodra de zee zich terugtrekt en de opening vrijlaat, ziet men een zwerm Zwaluwen bliksemsnel in de grot doordringen, een andere haar verlaten. Hare nesten zijn aan het gesteente gehecht, aan het verder binnenwaarts gelegen, hooge, donkere gewelf van de grot. Zij weten van den korten tijd, dat de nauwe ingang open staat, behendig partij te trekken, vóórdat een nieuwe waterberg haar sluit. Telkens als een groote golf de kust bereikt, dringt de zee met donderend geraas in de grot door en drukt de daarbinnen aanwezige lucht tot een kleine ruimte ineen. Zoodra nu de zeespiegel vóór den ingang zich tot een dal begint te verlagen, zet de lucht zich uit en stuwt het water met zulk een geweldige kracht naar buiten, dat beide, soms tot op een afstand van wel honderd meter, door de nog niet geheel teruggetreden branding heenbreken. Als kruitdamp bij de losbranding van het geschut, verlaat dan een straal stoffijn verdeeld water luid fluitend het hol, welks ingang weldra opnieuw door een golf wordt gesloten.”
Van de vele andere, door koloniën van Salanganen bewoonde, door grootsche natuurverschijnselen en door een groote opbrengst van eetbare vogelnesten merkwaardige grotten van Java’s steile zuidkust vermelden wij nog de negen grotten van Karang Bolong in de residentie Bagelén. Het bergstelsel is hier waarschijnlijk een uit elkaar geslagen vulkaan. Het dorp is op den kraterbodem gebouwd, de kammen en spitsen daaromheen zijn overblijfselen van den kraterwand. Aan de kust is het bergland 180 M. hoog en door den golfslag sterk uitgehold. Bij de Geda-grot ligt de rand van den kustmuur 25 M. boven den zeespiegel bij eb, daaronder is de muur binnenwaarts gebogen; op een hoogte van 8 M. boven de zee bevindt zich echter een uitstekende rotspunt, die langs een loodrecht van den rotsrand naar beneden hangende, van rotan vervaardigde ladder bereikt kan worden. Deze ladder bestaat uit twee zijdelingsche rotanstrengen, die door dwarshouten, op 50 c.M. afstand van elkander verwijderd, verbonden zijn. De bovenrand van den ingang van de grot is echter slechts 3 M. boven den zeespiegel gelegen, die ook bij eb de geheele oppervlakte van den bodem van de uitholling bedekt; bij vloed wordt, zooals reeds gezegd werd, de opening door iedere naar de kust rollende golf geheel gesloten. De inzamelaars van vogelnesten kunnen dus alleen bij eb, bij zeer stil weder en zeer lagen waterstand, in de grot doordringen. Dit zou echter ook dan onmogelijk zijn, indien het gewelf van de grot niet een menigte gaten bevatten en op grillige wijze door de golven was uitgeknaagd. In deze gaten, aan de meest uitstekende punten, houdt de sterkste en moedigste van de nestenplukkers, die het eerst naar binnen klautert, zich vast, terwijl hij aan hiervoor geschikte rotsspitsen rotanstrengen bindt, die 1½ à 2 M. ver van den zolder afhangen. Met hare uiteinden worden andere lange rotanstrengen verbonden, die min of meer evenwijdig aan het gewelf, stijgend of dalend, al naar de oneffenheden die het aanbiedt, door de geheele, meer dan 50 M. breede grot, als ’t ware een hangende brug vormen, welke 8 M. boven den zeespiegel verheft. Met een speer steken de nestplukkers de pas voltooide nestjes van den wand.
Behalve aan de zeekust worden ook in het binnenland van Java op verscheidene plaatsen grotten met nesten van Salanganen gevonden, o.a. in de kalksteengebergten van Bandong in de Preanger-regentschappen. Dat deze Vogels niet van zeedieren leven, zooals de meeste vroegere onderzoekers en onder hen Junghuhn in navolging van de inboorlingen schijnen te meenen, maar zich, evenals hunne verwanten, met kleine Insecten, vooral met Muggen, voeden, mag men voor zeker houden.
De berichten van de oudste en ervarenste nestenplukkers en eigen waarnemingen stelden Junghuhn in staat over het leven van de Salanganen het volgende mede te deelen: De Vogels bewonen de grotten ook buiten den broedtijd; zij vliegen echter, wanneer de zorgen voor hun kroost hen niet terughouden, iederen morgen bij zonsopgang uit. Waarheen zij zich begeven, is onbekend; over dag ziet men ze zoomin in het kreupelhout als boven beken en plassen. Eerst ’s avonds laat, als de zon ondergaat en de Vleermuizen zich gereed maken om uit te gaan, keert de geheele zwerm plotseling terug, om den nacht in de grot door te brengen. Zij vliegen pijlsnel door de nauwste spleten, zonder de wanden aan te raken en doen dit zelfs, wanneer het volkomen duister is. In de Bandong’sche grotten broeden de Vogels, volgens de verzekering der plukkers, viermaal in den loop van het jaar. Zoolang het broeden duurt, blijft steeds de helft van hen in de grot. De mannetjes en wijfjes lossen elkander, naar men verhaalt, bij het broeden om de zes uren af. Alle paren houden zich nagenoeg te gelijker tijd met het broeden bezig, zoodat de meest achterlijke in dit opzicht niet meer dan tien dagen bij de overige ten achteren zijn. Nooit maken de Salanganen tweemaal van een nest gebruik; telkens als de tijd van eierenleggen nadert, bouwen zij een nieuw nest, hoewel zij hieraan een volle maand moeten werken. Het oude nest begint te rotten en valt af.
Drie- of viermaal per jaar worden de nesten geplukt: in de Bandongsche grotten voor ’t eerst in April of Mei, ten tweeden male in Juli of Augustus, voor de derde maal in November of December. Als het inzamelen van de nesten begint, is niet meer dan de helft van de jongen reeds uitgevlogen. In de overige helft van de nesten vindt men gedeeltelijk nog hulpbehoevende jongen, gedeeltelijk eieren. De jongen worden gegeten, de eieren weggeworpen; bij iederen oogst gaat dus de helft van het jonge gebroed verloren. Toch vermindert het aantal van de Salanganen niet; evenmin neemt het toe op de plaatsen, waar men ieder jaar slechts driemaal plukt en één broedsel geheel tot ontwikkeling laat komen.
De zes Bandongsche holen leveren ieder jaar gemiddeld 13.520, bij elken pluk dus 3380 nesten; zij worden dus door minstens 6760 Vogels bewoond. Het aantal nesten, dat te Karang Bolong wordt ingezameld, bedraagt 500.000 per jaar; wanneer men deze over de drie pluktijden verdeelt, blijkt het, dat de grotten hier door meer dan 33.000 Salanganen bewoond moeten zijn. De Chineezen betalen voor het pikol (61¾ K.G.) 4 à 5000 gulden of één gulden voor 2 à 2½ nesten, zoodat de jaarlijksche opbrengst van de grotten van Karang Bolong ongeveer 250.000 gulden bedraagt. Hiervan moet ongeveer f 10.000 afgetrokken worden voor verschillende onkosten en bovendien de pachtsom van de klippen, daar deze het eigendom zijn van den staat. In 1871 zijn die te Karang Bolong voor f 37.000 ’s jaars verpacht voor den tijd van 25 jaren.
Behalve op Java worden ook op verschillende andere plaatsen, eigenlijk door den geheelen Indischen Archipel heen, eetbare vogelnesten ingezameld, zoodat volgens de begrooting der reizigers, ieder jaar millioenen van deze nestjes naar China worden uitgevoerd; de totale waarde van de opbrengst van dit bedrijf zal ongeveer f 3.600.000 bedragen.
De vogelnestjes worden door koking in vleeschnat toebereid; vooraf moeten zij echter 24 uren lang in warm water geweekt zijn, zoodat de draden, waaruit het nestje bestaat, uiteengeplukt kunnen worden; terwijl dit geschiedt, worden ook de veertjes en andere bijkomende bestanddeelen verwijderd. Smaak of geur is aan dit gerecht niet te bespeuren. Wallace zegt, dat hij er niet veel meer smaak aan vond dan aan een schotel vermicelli.
Den laagsten rang in de onderorde der Spechtmuschvogels verdienen de Muisvogels (Colii) in te nemen. Deze groep omvat slechts één familie, van gelijken naam (Coliidae), die tot Afrika beperkt is en waarvan ongeveer tien soorten bekend zijn. Zij wijken van alle overige Vogels af en zijn daarom door verschillende onderzoekers nu eens in de eene, dan weer in een andere afdeeling geplaatst.
Hun romp is langwerpig, bijna rolvormig en sterk gespierd, de snavel kort, dik, gewelfd, van den wortel af gekromd, de bovensnavel is flauw haakvormig over den ondersnavel heengebogen, de pooten hebben een korten loop en lange teenen; de vleugels zijn kort en sterk afgerond, de lengte van den staart is meer dan het dubbele van die van den romp. Tot de meest karakteristieke eigenaardigheden van deze Vogels behooren het maaksel van de pooten en de samenstelling van het vederenkleed. Alle vier teenen kunnen naar voren gericht worden; terwijl ook de binnenste en de buitenste, beide te gelijk of ieder afzonderlijk, een achterwaartschen stand kunnen aannemen. Buitengewoon fijne, zachte, bijna haarvormige veeren, bedekken den romp; ’t is, alsof hij met de vacht van een Zoogdier bekleed is. De twaalf staartpennen daarentegen zijn merkwaardig stijf. Van de middelste tot de buitenste nemen zij gelijkmatig in lengte af; gene zijn minstens vier maal zoo lang als deze. De veeren van den achterkop zijn min of meer kuifvormig verlengd. Het kleed heeft grootendeels een moeielijk te omschrijven, vaalachtig grijze kleur, die soms meer, soms minder naar rood of naar aschkleur zweemt; ook uit dit oogpunt is de naam Muisvogels goed gekozen.
De Muisvogel (Colius macrourus) bereikt een lengte van 34 c.M., waarvan ongeveer 24 c.M. op den staart komen. De hoofdkleur is fijn isabel-roodachtig grijs en gaat op den bovenkop in een geelachtige isabelkleur, op de kin en de keel in vaalwit, op de onderborst in isabelachtig geel over. Op het midden van den nek komt een heldere, hemelsblauwe vlek voor, de mantels benevens de schouders en vleugels zijn licht aschgrauw. De slagpennen en stuurpennen hebben aan de wortelhelft een kaneelkleurig roestroode, aan de eindhelft een aardbruine binnenvlag. De roodbruine oogen zijn omgeven door een naakt veld, dat, evenals de teugel en de snavelwortel, een karmijnroode kleur heeft; de snavel is zwart, de pooten zijn koraalrood. De mannetjes en de wijfjes verschillen weinig in kleur.
De Muisvogels zijn, naar het schijnt, tot Afrika beperkt. Zij bewonen het midden en het zuiden van Afrika; in het noorden ontbreken zij geheel, hoewel hunne lievelingsboomen hier zeer goed gedijen; men ontmoet ze niet, voordat men de boomrijke steppen heeft bereikt. In de eigenlijke oerwouden zijn zij op sommige plaatsen zeer veelvuldig, in de steden van Centraal-Afrika en in Kaapland komen zij geregeld voor.
Alle eigenlijke Muisvogels leven familiesgewijs of zijn tot kleine gezelschappen vereenigd, die gewoonlijk uit zes stuks bestaan. Zij vestigen zich in een tuin of in een deel van het woud en doorkruisen nu dagelijks vrij geregeld een tamelijk uitgestrekt gebied. Als uitgangspunt kiezen zij in ieder geval de plek, waar het kreupelhout het dichtst is. Wie de plantenwereld der keerkringslanden niet uit eigen aanschouwing kent, kan zich moeielijk een denkbeeld vormen van de boomen of kreupelboschjes, waaraan deze Vogels de voorkeur geven. Een zeer sterk vertakte en in verreweg de meeste gevallen ook gedoornde boom of struik is zoozeer met woekerplanten bedekt, omsponnen en doorvlochten, dat men van den eigenlijken boom misschien slechts hier en daar een tak te voorschijn ziet komen. De slingerplanten vormen er een net omheen, zoo dicht, dat het voor den mensch en de andere Zoogdieren ondoordringbaar is; zelfs met het jachtmes kan men er geen opening in maken. Een Vogel, die zulk een boom of struik tot schuilplaats kiest, is tegen iederen vijand, ja zelfs tegen den kogel van den jager beveiligd; daar deze, hoeveel moeite hij zich ook geeft, het gedoode dier toch niet zou kunnen bemachtigen. Een uitgestrekt gedeelte van het woud wordt door de slingerplanten volkomen ontoegankelijk gemaakt voor iederen indringer; deze wildernissen, waarvan het inwendige voor iedereen verborgen blijft, worden door den Muisvogel bewoond. Geen andere Vogel is in staat om door te dringen in het labyrinth van stengels en twijgen, waardoor de Muisvogel zonder moeite sluipt of liever kruipt: zijne bewegingen gelijken op die van het Zoogdier, waaraan hij zijn naam ontleent. Evenals de Muis, werkt hij zich door de nauwste openingen heen; evenals deze, schroomt hij niet zich te bewegen te midden van twijgen, welker tusschenruimten nauwelijks groot genoeg zijn om er zijn lichaam doorheen te wringen. Een vlucht Muisvogels, die aan den omtrek van zulk een dichte wildernis neerstrijkt, blijft hier slechts een oogenblik hangen; onmiddellijk daarna hebben de Vogels een opening gevonden, waarin zij verdwijnen. Als men het geluk heeft, tijdig de andere zijde van het warnest te bereiken, zal men hier na verloop van eenigen tijd eerst een kop, na den kop een romp en eindelijk een geheelen Vogel te voorschijn zien komen. Zoodra diens geschreeuw weerklinkt, worden alle koppen eensklaps zichtbaar en vliegt de geheele zwerm regelrecht op een tweede boschje af, waar hetzelfde spel herhaald wordt. Hoe de Vogels kans gezien hebben om door het binnenste van het boschje heen te dringen, blijft den toeschouwer een raadsel; hier komen hunne muizentalenten hun goed te pas.—Het vliegen geschiedt nu eens gonzend met snel opeenvolgende vleugelslagen, dan weer zwevend met wijd uitgebreide vleugels, terwijl de eenigszins ontplooide staart als een sleep achteraankomt. Levaillant vergelijkt de vliegende Muisvogel zeer treffend met voorbijsnorrende pijlen. Zij vliegen nooit op groote hoogte en dalen evenmin op den grond af. Gedurende het vliegen schreeuwen alle leden van het gezelschap; iedere Vogel laat een schel geluid hooren, dat als “kierr kierr” of “trie trie” klinkt; daar alle te zamen schreeuwen, vereenigen deze geluiden zich tot een gepiep, dat door klankteekens niet aangeduid kan worden.