IJsvogel (Alcedo ispida). ⅔ v. d. ware grootte.

IJsvogel (Alcedo ispida). ⅔ v. d. ware grootte.

Onze IJsvogel (Alcedo ispida) vertoont de volgende kenmerken: De snavel is lang, dun, recht, aan den wortel dik, van hier te beginnen langzamerhand puntig toeloopend, aan de spits wigvormig of een weinig samengedrukt, langs de scherpe zijranden een weinig binnenwaarts gebogen. De pooten zijn zeer klein en kort; de middelste van de drie voorteenen is met den bijna even langen buitenteen tot aan het tweede, met den korteren, binnensten voorteen tot aan het eerste gewricht vergroeid; de achterteen is zeer klein. In de korte, en tamelijk stompe vleugels steekt de derde handpen voorbij de overige uit. De zeer korte staart bestaat uit twaalf pennen. Het kleed is goed gevuld, glad aanliggend en wijdbaardig, maar toch hard; de kleuren van de bovendeelen hebben een staalachtigen, die van de onderdeelen een zijdeachtigen glans. De veeren van den achterkop zijn tot een kleine kuif verlengd. De bovenkop en de achterzijde van den hals zijn op dof groenachtig zwarten grond met zeegroenachtig blauwe dwarsstrepen geteekend; de schouders, de vleugeldekveeren en de buitenvlag van de bruinzwarte slagpennen zijn donker zeegroen; de vleugeldekveeren hebben rondachtige, zeegroenachtig blauwe topvlekken; de staartwortel en het middelste deel van den rug zijn fraai turkooisblauw; een streep over den donkeren teugel, een overlangsche vlek aan den benedenrand van het oog, die tot aan de oorstreek reikt, benevens de geheele onderzijde (met inbegrip van de onderdekveeren van staart en vleugels) zijn levendig kaneelkleurig roestrood; de kin en de keel zijn roestgeelachtig wit; een breede streep, die zich van den snavelwortel tot onder de kaneelroode plek aan de oorstreek uitstrekt, de uiteinden van de veeren der bovenste borstzijden, de zijdelingsche staartdekveeren en de stuurpennen zijn donker zeegroenachtig blauw. De iris is donkerbruin, de snavel zwart, de wortel van den ondersnavel rood, de kleine voet lakrood. Totale lengte 17, staartlengte 4 cM. Verwarring van den IJsvogel met een anderen Europeeschen Vogel is niet wel mogelijk; wel gelijkt hij op eenige uitheemsche soorten van zijn familie.

Geheel Europa, van Jutland, de Deensche eilanden, Lijfland en Estland af en verder zuidwaarts, alsmede het westelijke deel van Middel-Azië zijn het vaderland van onzen IJsvogel. In Spanje, Griekenland en op de Grieksche eilanden is hij nog veelvuldig, aan den Jordaan algemeen, op Malta reeds tamelijk zeldzaam. In Oost-Azië wordt hij door een nauw verwante soort vervangen. In het noordwesten van Afrika komt hij misschien als broedvogel voor; Noordoost-Afrika bezoekt hij in den winter, maar broedt er niet.

Hier te lande komt deze Vogel in kleinen getale voor en is tot bepaalde plaatsen beperkt. Hij is hier standvogel, doch zwerft na den broedtijd rond. Hieraan is het toe te schrijven, dat IJsvogels in sommige jaren ’s winters bij felle koude aan wakken vrij menigvuldig waargenomen worden. Dikwijls vindt men ze dan dood op het ijs. In Duitschland komt deze Vogel in alle landstreken voor, doch steeds in kleine getale. Zoowel wegens zijn fraaie kleur als wegens zijn vreemdsoortige levenswijze, valt hij zeer in ’t oog en is daarom algemeen bekend; ofschoon hij zich zooveel mogelijk aan de blikken van de menschen tracht te onttrekken. Het liefst bewoont hij de oevers van kleine rivieren en beken met helder water; hij komt daarom ook in in het gebergte voor; in de Alpen tot op een hoogte van 1800 M. Rivieren of beken, die door bosschen stroomen, of althans aan beide oevers met kreupelhout begroeid zijn, bieden hem verblijfplaatsen, zooals hij ze wenscht; indien zij zooveel verval hebben, dat zij ’s winters niet overal dichtvriezen, blijft hij ook gedurende dit jaargetijde, dat voor hen zoo moeielijk door te komen is, zijn zomerverblijf bewonen. Als de omstandigheden minder gunstig zijn, is hij wel tegen wil en dank genoodzaakt andere oorden op te zoeken; hij vliegt dan ook wel naar Noord-Afrika.

Gewoonlijk krijgt men hem niet anders te zien, dan wanneer hij zich pijlsnel over den waterspiegel voortrept; want men moet al zeer nauwkeurig bekend zijn met zijne gewoonten om hem te vinden, terwijl hij zit. Vooral in de nabijheid van menschelijke woningen of in andere oorden, waar een druk verkeer is, kiest hij om te rusten steeds plekjes en hoekjes uit, die zooveel mogelijk verborgen zijn; hij doet dit met veel overleg en moet zich, naar het schijnt, veel moeite getroosten, voordat hij een geschikte plaats heeft gevonden. Dat de plaats, waaraan hij ten slotte de voorkeur geeft, werkelijk de beste is, kan men afleiden uit het feit, dat alle IJsvogels, die dezen oever bezoeken, steeds op dezelfde plaats zich neerzetten. Iedere Vogel van deze soort, of althans ieder paar, maakt trouwens aanspraak op een bepaald gebied en verdedigt het hardnekkig tegen concurrenten; hoogstens duldt hij er den Waterspreeuw en den Kwikstaart.

Door onzen IJsvogel “Zitvogel” te noemen, zou men hem geen onrecht aandoen. Halve dagen achtereen zit hij roerloos op dezelfde plaats, altijd zwijgend, de blikken voortdurend naar het water gericht, geduldig wachtend op een buit, onverschillig voor al het overige, het evenbeeld van een echten hengelaar. “Zijne kleine pootjes,” zegt Naumann, “schijnen alleen voor ’t zitten, niet voor ’t gaan geschikt; hij loopt uiterst zelden en doet ook dan slechts eenige pasjes, b.v. op de kleine oppervlakte van een steen of van een paal, nooit echter op den vlakken grond. Als hij niet gestoord wordt, verandert hij alleen dan van zitplaats, wanneer hij de hoop om hier iets te vangen moet opgeven. Als het geluk hem gunstig is, brengt hij verreweg het grootste deel van den dag op dezelfde plaats door. Wie hem met geduld waarneemt, ziet hem af en toe plotseling den hals uitstrekken, zich vooroverbuigen, zoodat de snavel bijna loodrecht naar onderen gericht is, en zich eensklaps als een Vorsch, of, juister gezegd, als een pijl uit een boog in het water storten, zonder daarbij gebruik te maken van de vleugels. Gewoonlijk verdwijnt hij geheel onder den waterspiegel, eenige vleugelslagen brengt hem echter naar de oppervlakte terug, hij vliegt weer op zijn zetel, schudt het water van de veeren, brengt deze misschien ook een weinig in orde en herneemt zijn vroegere houding. Als hij meermalen tevergeefs gedoken of in ’t geheel geen Visch gezien heeft, besluit bij eindelijk tot het opzoeken van eene andere uitkijkplaats. Voor het vliegen moet hij, naar alle waarschijnlijkheid, al zijne krachten inspannen; de korte vleugels kunnen den zwaren romp bijna niet voortslepen en moeten zoo snel bewogen worden, dat men iedere afzonderlijke beweging niet meer onderscheiden kan. Toch, of misschien juist om deze reden, vliegt hij buitengewoon snel, maar ook op een zeer eenvormige wijze. De IJsvogel schiet, zoolang hij kan lijnrecht voort, altijd op gelijke hoogte boven den waterspiegel; hij maakt geen andere wendingen, dan die welke noodig zijn om de bochten van de rivier of beek te volgen, hoogst ongaarne verlaat hij deze. Verder dan 500 of 600 schreden strekt zulk een vlucht zich niet vaak uit; tenzij hij gestoord wordt, vliegt hij niet verder dan tot aan de naastbijgelegen zitplaats. De honger of andere drogredenen nopen hem echter soms tot vliegkunstjes, die men niet van hem verwacht zou hebben. Dikwijls ziet men hem boven het water opstijgen, zich plotseling met fladderende of snel wapperende vleugelbeweging stil op één plaats houden, zorgvuldig den waterspiegel onderzoeken en zich op eens van deze hoogte af in de diepte storten. Zulke kunstjes, die bij andere leden van zijn familie veelvuldig voorkomen, verricht hij meer bepaaldelijk boven een breed water, welks oever hem geen geschikte loerplaatsen oplevert, vooral in den tijd dat voor het talrijke kroost voedsel moet worden gezocht; dit is dus als ’t ware het laatste middel, tot het verkrijgen van een buit, waarvan hij gebruik maakt.

Het voedsel van den IJsvogel bestaat hoofdzakelijk uit kleine Visschen en Schaaldieren, bovendien uit Insecten; met deze worden meer bepaaldelijk de jongen grootgebracht. Van een keuze van bepaalde soorten van Visschen is bij hem geen sprake; hij neemt die, welke hij krijgen kan en ziet zelfs kans om een tamelijk grooten Visch mee te voeren. Hij beloert deze als de Kat een Muis. De snavel is zijn eenig wapen en vangwerktuig; hij doet daarom niet zelden een vergeefsche poging en moet zich dikwijls zeer inspannen, voordat hij iets vangt. Zijn eigenaardige wijze van visschen noopt hem tot groote omzichtigheid bij de keuze van een uitkijkplaats; het water, waarin hij vischt, mag niet te ondiep zijn, omdat hij in dit geval licht tegen den bodem zou stooten en zich door de hevigheid van den schok zou kwetsen; het moet echter ook niet te diep zijn, omdat hij zijn buit dan licht zou missen. Langdurige regens, die het water troebel maken, brengen den IJsvogel dikwijls in nood, ja zelfs in ’t verderf; ook de winter wordt hem niet zelden noodlottig, want, om zijn bedrijf te kunnen uitoefenen, moet hij de Visschen kunnen zien. In den winter moet hij zich behelpen met de weinige open plaatsen, die in de ijskorst overgebleven zijn; hij loopt dan gevaar onder het ijs te geraken en de opening niet weer te vinden. Op deze wijze verliest menig IJsvogel het leven. Soms zelfs wordt een gelukkige vangst voor hem noodlottig: hij tracht een grooten Visch te verzwelgen en stikt. Vischgraten, schubben en andere harde bestanddeelen van zijn voedsel spuwt hij in ballen weer uit.

Gedurende den paartijd hoort men den IJsvogel dikwijls, anders zelden; zijn stem is een schel, snijdend, als “tiet tiet” of “sie sie” klinkend geluid, dat dikwijls en snel achtereen herhaald wordt; in den paartijd voegt hij aan deze gewone tonen andere, bijzondere toe; bovendien maakt hij dan zeer ongewone bewegingen; bij ’t spelend vervolgen van ’t wijfje verwijderden beide zich wel 200 of 300 schreden van ’t water en zaten met hoog opgericht lichaam op de boomen te midden van ’t veld. “Zoodra, in ’t midden van Maart of in het begin van April de IJsvogels gepaard hebben,” zegt mijn vader, “zoeken zij een plaats voor hun nest. Steeds nestelen zij op een drogen, steilen, geheel van gras bevrijden oever, waarbij geen Waterrat, geen Wezel en geen ander roofdier kan opklimmen. In dezen loodrechten muur hakken de IJsvogels op een afstand van 30 à 60 cM. van den bovenrand een rond gat, dat gewoonlijk een middellijn van 5 cM. heeft, O.5 à 1 M. diep is, een weinig naar boven stijgt en aan den onderrand van den uitgang twee groeven vertoont. Aan haar achterste uiteinde verwijdt deze gang zich tot een rondachtige holte, die op een bakkersoven gelijkt, 8 à 10 cM. hoog en 10 à 13 cM. breed is. De bodem van deze holte is als ’t ware met vischgraten geplaveid; de holte zelf is droog en van boven glad; op de genoemde, weinig uitgeholde grondlaag liggen 6 of 7 zeer groote, bijna bolvormige, eieren, welker glanzig witte schaal een roodachtig gele tint vertoont wegens het doorschemeren van den roodachtigen dooier. Zij zijn buitengewoon glad en glanzig; de leege dop is zoo wit als het fraaiste email. Daar zij ongeveer zoo groot zijn als die van de Zanglijster, is het mij onverklaarbaar, dat de IJsvogel ze met zijne korte en harde veeren alle bedekken kan.

“Het nest van den IJsvogel herinnert aan dat van den Specht, hoewel deze in boomen, die van binnen vergaan zijn, gene in den drogen grond nestelt. De IJsvogel bewoont zijn gang verscheidene jaren achtereen, wanneer hij er geen stoornis ondervindt; indien echter de ingang tot het nest verwijd wordt, legt hij er nooit meer eieren in. Dat een nest meermalen gebruikt werd, is gemakkelijk te zien aan de aanwezigheid van de talrijke koppen en vleugels van Waterjuffers tusschen de vischgraten; in een sinds kort aangelegd nest komen veel minder graten voor; ook zijn deze, voordat de jongen het ei verlaten hebben, niet met overblijfselen van Waterjuffers vermengd. Een IJsvogel-nest is op het eerste gezicht te onderscheiden van het hol van een Waterrat of van een ander Zoogdier; om te weten of het bewoond is, behoeft men er slechts aan te ruiken; aan de vischlucht is het versche nest te herkennen.

“Met merkwaardige volharding bebroedt de IJsvogel zijne eieren en houdt hij zijne nog onbevederde jongen warm. Hij blijft zitten, hoe hard men ook tegen den oever klopt; zelfs wanneer men de gang begint te verwijden, verlaat hij zijn nest niet; dit geschiedt eerst, als men hem na op het lijf komt.”

Naumann bericht, dat enkele nesten meer dan 7 (soms wel 11) eieren bevatten en verhaalt van de jeugd van den IJsvogel nog het volgende: “De jongen zijn in den eersten tijd van hun leven buiten den eischaal leelijke dieren: volkomen onbevederd, verscheidene dagen lang blind en zeer ongelijk van grootte; sommige zijn ternauwernood half zoo groot als de overige. Zij zijn zeer hulpbehoevend, maken dikwijls een trillende beweging met den kop, sperren soms den bek wijd open, piepen zacht, als zij hongerig zijn of voedsel krijgen en kruipen als Wormen door elkander heen. In dezen tijd worden zij door de ouders gevoederd met larven van Insecten en vooral met Waterjuffers, waarvan vooraf de kop en de vleugels afgebeten zijn; later krijgen zij ook kleine Visschen. Allengs groeien hunne veeren, die aanvankelijk op blauw-zwarte stekels gelijken, daar de zeer lange veerscheeden niet schielijk opengaan. Na het uitvliegen worden de jongen door hunne ouders naar de rustigste hoeken van den oever gebracht, vooral in struiken, bij walbeschoeiingen of tusschen de blootgespoelde wortels van boomen aan den waterkant. Het duurt lang, voordat zij Visschen vangen.”

Het is niet bekend, dat het een of ander roofdier op den IJsvogel jacht maakt. In volwassen toestand is hij door zijn levenswijze gevrijwaard tegen vele vervolgingen, waaraan andere Vogels blootgesteld zijn.—Niet altijd slaagt men er in dit fraaie dier aan de gevangenschap te gewennen. Jong uit het nest genomen IJsvogels kunnen met vleesch en visch grootgebracht en hiermede vervolgens lang in ’t leven gehouden worden. Op lateren leeftijd gevangen Vogels zijn in de kooi zeer druk en angstig, weigeren dikwijls het voedsel en fladderen tegen de traliën, totdat zij van uitputting sterven; er zijn echter uitzonderingen op dezen regel. De getemde IJsvogel is, wanneer hij een voor hem geschikte verblijfplaats bewoont, een aanminnige huisgenoot.

*

De Stootvisschers (Ceryle) verschillen van de leden van het vorige geslacht voornamelijk door de langere en spitsere vleugels en den breederen staart. Het vederenkleed is ook bij hen dicht en glad aanliggend, maar niet prachtig van kleur, zelfs bijna zonder glans; het is bij de mannetjes en wijfjes min of meer verschillend. Dit geslacht is vooral in Amerika sterk vertegenwoordigd, maar ontbreekt in Afrika en Azië niet; het omvat de sterkste en behendigste en daarom roofgierigste leden van de geheele familie.

De Grauwe Visscher (Ceryle rudis) heeft zeer bescheiden kleuren; de bovendeelen zijn zwart en wit gevlekt, de onderdeelen zuiver wit met uitzondering van één of twee zwarte banden over de borst. Het wit van de zijden van kop en hals wordt afgebroken door een breede, zwarte streep, die aan den mondhoek begint, over de oorstreek naar achteren en vervolgens over den nek naar den rug loopt. De oogen zijn donkerbruin, de pooten bruin, de snavel is zwart. Totale lengte 26, staartlengte 8 cM.

De Grauwe Visscher heeft een uitgestrekt verbreidingsgebied. Men ontmoet hem in bijna alle landen van Afrika, in Syrië, Palestina en Perzië, bovendien in Indië en andere deelen van Zuid-Azië. Uit Egypte en Syrië zijn herhaaldelijk exemplaren van deze soort naar Europa, doch alleen naar Griekenland en Dalmatië, afgedwaald. In de Nijllanden komen zij menigvuldig voor: gewoonlijk ziet men ze, met de witte borst naar den stroom gekeerd, zitten op de staken, waaraan de voor ’t waterscheppen dienende emmers hangen. Soms kiest hij een tak van een palm of een mimosa, die in de onmiddellijke nabijheid van den oever staat, en dus een ruim uitzicht toelaat, als zitplaats uit; even gaarne strijkt hij neer op het houtwerk van de door ossen bewogen schepraderen, waardoor de aan alle reizigers welbekende en door allen verwenschte “Nijl-muziek” veroorzaakt wordt. De Grauwe Visscher is niet zoo schuw als onze IJsvogel. Hij gevoelt zich veilig in zijn vaderland; hij weet, dat hij den Egyptenaar vertrouwen kan en van hem niets te vreezen heeft. De gemeenzaamheid van dezen in vele opzichten merkwaardigen Vogel met den mensch is voor den vreemdeling een hoogst verrassend schouwspel. Vlak boven den knaap, die de Runderen aan het scheprad met de zweep aanspoort en letterlijk binnen het bereik van deze tuchtroede, zit hij zoo rustig, alsof hij door den knaap getemd en gedresseerd is en dezen als zijn heer en meester erkent; hij vliegt zoo dicht langs en over de waterscheppende vrouwen heen, alsof hij deze van den rivieroever wil wegjagen. In tegenstelling met onzen IJsvogel is hij vriendelijk en verdraagzaam van aard, d. w. z. men merkt weinig broodnijd en meer gezelligheid bij hem op. Het mannetje en het wijfje blijven trouw bijeen; daar waar het eene is, zit gewoonlijk ook het andere; in den regel ziet men de beide echtgenooten dicht bij elkander van uit denzelfden tak hun prooi beloeren.

Grauwe Visscher (Ceryle rudis).

Grauwe Visscher (Ceryle rudis).

In den regel vischt de Grauwe Visscher op de manier, die door onzen IJsvogel wordt gevolgd, wanneer zijn gewone handelwijze geen voldoenden buit oplevert; hij beloert de Visschen dus niet, terwijl hij een hooge zitplaats inneemt, maar terwijl hij met snellen vleugelslag boven het water op dezelfde plaats blijft zweven (wat men ook wel “bidden” of “zwemmen” noemt); om den buit te vangen schiet hij plotseling naar beneden. Hij vliegt op een geheel andere wijze dan de IJsvogel. Ook zijne vleugels worden zeer vlug bewogen; dit geschiedt echter niet “snorrend”: de afzonderlijke slagen kunnen nog zeer goed onderscheiden worden. Dit maakt, dat hij niet zoo snel vliegt als de IJsvogel, maar dit veel behendiger doet, d. w. z. meer afwisseling kan brengen in den door hem gevolgden weg. De IJsvogel schiet vooruit als een pijl uit den boog, de Grauwe Visscher vliegt bijna als een Valk, wendt en keert naar verkiezing, blijft vele minuten achtereen op dezelfde plaats zweven, begeeft zich naar een ander punt, wanneer hij gedurende het “bidden” geen buit bemerkt heeft en begint hier op nieuw stil te staan. Wanneer hij op zijn buit aanvalt, legt hij de vleugels geheel tegen het lichaam aan en schiet nu in eenigszins scheeve richting pijlsnel in ’t water neer, verdwijnt onder de golven en werkt zich na verloop van eenigen tijd met krachtige vleugelslagen weer omhoog. Niet zelden trouwens stort hij zich gedurende het vliegen, dus onder een zeer geringen hoek, in ’t water om daarna zoo schielijk weer omhoog te stijgen, alsof hij door den waterspiegel werd teruggekaatst. Het is waarschijnlijk en ook zeer goed verklaarbaar, dat de Grauwe Visscher behendiger is dan onze IJsvogel; toch mist hij dikwijls zijn doel, wegens het onjuist schatten van de diepte, waarop een door hem waargenomen Visch zwemt. Als zijn vangst gelukkig is geweest, vliegt hij onmiddellijk naar zijn gewone zitplaats terug en verslindt hier den buit, die dikwijls vooraf door hem herhaaldelijk tegen een tak wordt geslagen, zooals vele andere leden van zijn familie gewoon zijn te doen. Als hij niet uitvliegt om te jagen, scheert hij met gelijkmatigen vleugelslag tamelijk kort boven den waterspiegel langs, om zich zooveel mogelijk regelrecht naar een tweede zitplaats te begeven, in welker nabijheid hij plotseling omhoog stijgt. Overdag is hij gewoonlijk stil, maar wordt tegen den avond meer opgewekt en toont dan zelfs eenigen lust in spelen; dan hoort men ook dikwijls zijn stem: een luid, snerpend, dikwijls herhaald geschreeuw.

Bij hoogen waterstand ziet de Grauwe Visscher zich dikwijls genoopt, zijn geliefden stroom te verlaten, omdat het water van den Nijl dan gewoonlijk zoo troebel is, dat het niet mogelijk is er een Visch in te onderscheiden. De talrijke kanalen van Egypte verschaffen hem trouwens hiervoor een voldoende vergoeding. Hun water is reeds eenigermate bezonken, zoodat de vischvangst hier goede uitkomsten oplevert. Volgens de mededeelingen van Tristram worden de Grauwe Visschers ook aan de zeekust aangetroffen; bij dozijnen ziet men ze “op ongeveer 100 M. afstand van het land zonder beweging in de lucht drijven.”

In Egypte begint de broedtijd van den Grauwen Visscher, als de Nijl nagenoeg zijn laagsten stand heeft bereikt, dus in Maart of April. Men heeft opgemerkt, dat deze Vogel in Palestina echte broedkoloniën vormt. Een van deze koloniën bevond zich in een steilen aarden wand bij de uitmonding van de Moedawarah-beek in het meer van Genesareth. De toegangen naar de holen waren niet meer dan ongeveer 10 cM. boven den waterspiegel gegraven en konden niet anders dan zwemmend bereikt worden. Iedere gang was ongeveer 1 M. diep en zijwaarts verwijd tot een eenvoudig hol. Nergens werden tusschen de eieren vischgraten gevonden; nevens ieder nest met jongen bevatte het hol echter een rottenden hoop vischgraten en drek. De jongen lagen op een hoop gras en onkruid.


De Jager-ijsvogels (Halcyoninae) onderscheiden zich van de Visch-ijsvogels door de meerdere ontwikkeling der vliegorganen, die bij enkele zelfs uitmuntend zijn. Bovendien is hun snavel, welke over ’t geheel genomen op dien van den IJsvogel gelijkt, in den regel veel breeder; ook de voeten zijn gewoonlijk forscher en hebben een langeren loop. Het vederenkleed is losser en vertoont niet de vettige gladheid van dat der Visch-ijsvogels; het prijkt echter met schitterende kleuren; enkele soorten wedijveren in pracht met de fraaiste leden dezer klasse.

Afrika, Zuid-Azië en Australië met de eilanden, die tusschen deze werelddeelen liggen, zijn het vaderland van deze soorten- en vormenrijke onderfamilie. In Amerika en Europa ontbreken zij geheel. In meerdere of mindere mate behooren zij in de wouden thuis; die, welke een voorliefde voor het water toonen, vormen een kleine minderheid. Enkele soorten visschen, naar men zegt, eenigermate op de wijze van de IJsvogels; de meeste komen echter in levenswijze veeleer met de Baardvogels overeen. Vele soorten hebben zich geheel onafhankelijk gemaakt van het water en leven in de droogste gewesten, voorzoover deze niet geheel zonder boomgewas zijn; want boomen zijn hun, naar het schijnt, volstrekt onontbeerlijk.

In verband met de goede inrichting hunner ledematen zijn de Jager-ijsvogels veel beter in staat om zich te bewegen dan hunne verwanten; zij overtreffen zelfs de meest begaafde Visch-ijsvogels door hun lichte, sierlijke en behendige wijze van vliegen, welke aan die der Bijenvreters herinnert. Van een verheven zitpunt bespieden zij met opmerkzame blikken de omgeving, vliegen, zoodra zij een buit bemerken, op dezen toe, of vervolgen hem en keeren met hun vangst naar de oude zitplaats terug. “Zij houden zich gaarne op een bepaalde standplaats in de Savanna op,” schrijft Pechuel-Loesche, “en maken jacht op Insecten door haastig heen en terug te vliegen, zelden door “biddend” boven de grasgronden te zweven. Onverwachts schiet de wakkere, prachtig gekleurde jager, die van een niet hooge, overschaduwde zitplaats aan den rand van een kreupelhoutboschje zijn klein gebied in de campine met een waakzaam oog overziet, naar buiten in den zonnegloed, grijpt een buit en keert vergenoegd op zijn tak terug. Pas zit hij op den boom, of hij bespeurt een nieuw slachtoffer en vliegt terug naar ’t open veld.” Op den grond zijn onze Vogels vreemdelingen. Hun geschiktheid om in ’t water voedsel te zoeken, staat ver achter bij die van de IJsvogels; het is zelfs waarschijnlijk, dat slechts enkele (en ook deze niet dan bij uitzondering) Visschen of andere waterdieren zelf uit het water halen. Hun stem is luid en eigenaardig.

Het voedsel van deze dieren bestaat uit Insecten van allerlei slag, bij voorkeur uit Sprinkhanen en groote Kevers; de sterkste soorten overvallen ook Krabben en kleine Gewervelde Dieren uit alle klassen. Enkele worden geacht, omdat zij op Slangen jacht maken; van andere wordt gezegd, dat zij vogelnesten plunderen. Door hun roofzucht evenaren zij de Visch-ijsvogels.

De meeste soorten broeden in holle boomen, enkele in door de natuur gevormde holen in den grond of in het gesteente; alle bouwen een meer of minder volkomen nest. De eieren zijn zuiver wit en glanzig, zooals die van den IJsvogel. Hun aantal is, naar het schijnt, niet bijzonder groot.

De Jager-ijsvogels verdragen de gevangenschap goed en gedurende langen tijd, omdat zij spoedig aan een goed gekozen gevangeniskost gewend geraken. Er is wel eenige reden om ze meer vreemdsoortig dan aantrekkelijk te vinden; hierbij moet men echter niet uit het oog verliezen, dat ook zij vaak een warme genegenheid voor hun meester aan den dag leggen en met dezen op een allerliefste wijze omgaan.

*

Tot het geslacht der Bosch-ijsvogels (Halcyon) behoort de Halfblauwe Bosch-ijsvogel (Halcyon semi-coeruleus) die 22 cM. lang is met inbegrip van den 6.5 cM. langen staart. De boven- en achterkop zijn lichtbruinachtig, de nek en de achterhals lichter; aan de zijden en van onderen tot aan de borst is de hals wit; de overige onderdeelen zijn kaneelroodbruin, de mantel, de schouders en de bovenste vleugeldekveeren met de slagpennen zwart; de buitenvlag en de dekveeren van de handpennen, de duimveeren, de staartwortel en de staart zijn glinsterend kobaltblauw. De oogen zijn bruin, de snavel en de pooten rood.

Deze Vogel werd in West-Afrika ontdekt, later echter ook op de Kaapverdische eilanden en door geheel Middel-Afrika heen tot in Abessinië gevonden. Gedurende den geheelen dag ziet men hem van een boomtak af jacht maken op Sprinkhanen en andere Insecten en telkens weer naar zijn zitplaats terugkeeren. Hij houdt dit vol, zoolang hij van deze plaats uit voedsel kan verkrijgen en niet gestoord wordt. Jegens den mensch is hij volstrekt niet schuw.

Reuzen-ijsvogel (Halcyon giganteus). ⅔ v. d. ware grootte.

Reuzen-ijsvogel (Halcyon giganteus). ⅔ v. d. ware grootte.

De meest bekende Australische soort is de Reuzen-ijsvogel (Halcyon giganteus). De kop, de hals en alle onderdeelen zijn wit, vuil roestkleurig vaal getint; de teugel en een breede streep over de oorstreek, een breede vlek op het midden van de kruin en den achterkop, de mantel, de schouders en de vleugeldekveeren zijn bruin, de laatstgenoemde (de middelste althans) aan de spits met teer berylblauwen zoom; breede, zwarte dwarsbanden versieren de roodbruine bovendekveeren van den staart en de roodachtige stuurpennen; de laatstgenoemde hebben breede, witte eindzoomen. De iris is donkerbruin, de bovensnavel zwart, de ondersnavel lichtgeel, de poot donkerbruin. Totale lengte 45 à 47, staartlengte 16 cM.

De Reuzen-ijsvogel trok reeds de aandacht van de eerste reizigers en onderzoekers, die Australië bezochten; zijn levenswijze is echter eerst in lateren tijd, vooral door de berichten van Gould bekend geworden. “Ieder, die Nieuw-Zuid-Wales bewoont of bezoekt,” zegt Gould, “zal dezen Vogel opmerken; zoowel door zijn grootte als door zijn buitengewone stem trekt hij de aandacht. Daarbij komt nog, dat hij, wel verre van den mensch te schuwen, op elk verschijnsel, dat zijn nieuwsgierigheid prikkelt, afgaat, om er kennis mede te maken. Zoo ziet men hem dikwijls zich neerzetten op een dorren tak van een boom dicht bij dien, waaronder reizigers zich gelegerd hebben, zeer nauwkeurig acht gevend op het aanleggen van het vuur of het bereiden van het maal. Toch wordt men zijn aanwezigheid zelden gewaar, voordat hij zijn gorgelend gelach laat hooren, dat telkens den aanwezigen de opmerking ontlokt: “Kijk daar hebben wij onzen vriend, Lachende Hans.” Zijn geluid is zoo opmerkelijk, dat iedere schrijver over Australië er melding van maakt. Caley zegt, dat men het schreeuwen en lachen van den Reuzen-ijsvogel op een aanzienlijken afstand kan hooren. Volgens Kapitein Sturt beantwoordt het aan de voorstelling, die men zich van een koor van booze geesten kan vormen; het is wel in staat een reiziger, die in gevaar meent te verkeeren, schrik in te boezemen en op het denkbeeld te brengen, dat zijn ongeluk met een spottend hoongelach wordt begroet. Volgens Bennett, hoort men dit zonderlinge, hortende gelach, dat zacht begint en allengs hooger en luider wordt, dikwijls in alle deelen van de kolonie. Het weerklinkt in de schemering en bij zonsondergang en is als ’t ware een avondgroet voor allen, die het als zoodanig willen opvatten. Uitvoeriger wordt het besproken door den Engelschen natuuronderzoeker, die onder den pseudonym “the old Bushman” zijne ontmoetingen in de Australische wildernissen beschrijft. “Een uur voor het aanbreken van den dag wordt de jager gewekt door woeste geluiden; het is alsof een helsche legermacht krijschend, schreeuwend en lachend om hem heen manoeuvreert. Deze geluiden zijn het morgengezang van “Lachenden Hans”, die zijne bevederde gezellen het einde van den nacht aankondigt. In het middaguur hoort men hetzelfde woeste gelach, dat als de zon in het westen verdwijnt, opnieuw door het woud weerklinkt. Nooit zal ik den eersten nacht vergeten, dien ik in Australië onder den blooten hemel in het kreupelhout doorbracht. Na een onrustigen slaap ontwaakte ik met het aanbreken van den dag; het duurde echter eenigen tijd, voordat ik mij kon bezinnen, waar ik mij bevond, zoo overweldigend was de indruk, dien de vreemdsoortige tonen op mij maakten. Het helsche gelach van den Reuzen-ijsvogel vormde met de zwakkere stemgeluiden van de “Ekster,” die op de tonen van een fluit gelijken, met het heesche gekakel van de Loophoenderen, met het gekrijsch van duizenden Papegaaien en met de stem van verscheidene andere Vogels zulk een wonderbaarlijk geheel, als ik nog nooit gehoord had. Later heb ik honderden malen dit concert bijgewoond, maar er nooit dezelfde aandoeningen bij ondervonden als toen. “Lachende Hans” is de tijdaanwijzer van den jager in de Australische wouden, die dezen alles behalve schuwen en zelfs gezelligen Vogel tot op zekere hoogte als een tentkameraad beschouwt. Om deze reden en meer nog wegens zijn vijandschap tegen de Slangen is hij in de oogen van de “Bushmen” geheiligd.”

De Reuzen-ijsvogel komt zoomin in Tasmanië als in West-Australië voor; hij wordt, naar het schijnt, alleen in het zuidoosten van Nieuw-Holland aangetroffen. Hij is volstrekt niet gebonden aan een bepaald terrein, maar bezoekt ieder oord: het weelderig groeiende houtgewas langs de kust zoowel als de ijle bosschen der bergstreken. Nergens evenwel is hij veelvuldig. Overal ontmoet men hem, doch steeds alleen of bij paren. Zijn voedsel is verschillend, maar altijd aan het Dierenrijk ontleend. Aan Kruipende Dieren en Insecten en ook aan Krabben schijnt hij de voorkeur te geven. Gretig valt hij Hagedissen aan; niet zelden ziet men hem met een Slang in den snavel naar zijn zitplaats vliegen. “Eens,” zegt onze berichtgever, “zag ik een paar “Lachende Hansen” op de doode takken van een ouden, grijzen boom zitten en van hier af en toe op den bodem neerschieten. Zij hadden zooals mij bij nader onderzoek bleek, een “Tapijtslang” gedood en gaven door hun gesnap en gelach een levendige vreugde hierover te kennen. Ik kan trouwens niet verzekeren, dat zij Slangen eten, want de eenige Kruipende Dieren, die ik ooit in hun maag gevonden heb, waren kleine Hagedissen.” Zij maken wel op kleine Zoogdieren jacht. Water schijnt niet tot hunne levensbehoeften te behooren; zooals reeds gezegd werd, worden deze Vogels zelfs in de droogste wouden gevonden; de gevangen exemplaren toonen geen bijzonder verlangen naar water, zoomin om te drinken als om zich te baden.

De broedtijd valt in de maanden Augustus en September. In een voor dit doel geschikte holte van een grooten eucalyptus legt het wijfje hare prachtig parelwitte eieren op het vermolmde hout. Moedig verdedigen de ouders hun kroost en brengen soms den nestroover met den snavel wonden toe, die niet ongevaarlijk zijn.

De gevangen dieren kunnen gemakkelijk in ’t leven worden gehouden; zij zijn met zeer eenvoudig voedsel tevreden n.l. met grof gesneden stukken vleesch. Muizen en Visschen; hier vinden zij dus geen aanleiding om het verlies van hun vrijheid te betreuren. In een ruime kooi herkrijgen zij weldra hun vroegere opgewektheid en gedragen zich geheel op dezelfde wijze als in hun vaderland. Gewoonlijk zitten zij stil en, als een paar de kooi bewoont, dicht bij elkander op de meest geschikte plaats. De hals is dan zoover ingetrokken, dat de kop onmiddellijk op de schouders rust; aan ’t ordenen van de veeren wordt weinig zorg besteed. Tot afwisseling zet de eene of andere de veeren van den kop overeind, waardoor deze de dubbele grootte verkrijgt van vroeger en hun gelaat een ernstige uitdrukking aanneemt; ook wippen zij soms met den staart. Het traag, somber en slaperig uitzicht van den Reuzen-ijsvogel wordt gelogenstraft door de onrustig rondblikkende, listig glinsterende oogen, waarmede hij de omgeving voortdurend bespiedt en alles opmerkt, wat hier voorvalt.

In de kooi toont de Reuzen-ijsvogel zijn bekendheid met de tijdverdeeling op dezelfde wijze als in de Australische bosschen; hij schreeuwt in den regel alleen op de hierboven aangeduide tijdstippen. Hij wijkt echter in bijzondere omstandigheden van dezen regel af en beantwoordt een voor hem verstaanbaren groet met geschreeuw; op dezelfde wijze (en ook wel zonder voorafgaande uitnoodiging) begroet hij zijn verzorger.

*

Karakteristieke bewoners van de eilandenwereld tusschen Australië en Azië zijn de Raketstaartige IJsvogels (Tanysiptera), die zich van de Bosch-ijsvogels door de trapsgewijs verlengde stuurpennen onderscheiden; de beide middelste zijn zeer lang, haar vlag is grootendeels smal, doch aan de spits spatelvormig verbreed.

Een van de prachtigste vertegenwoordigers van dit geslacht is de Galatea (Tanysiptera Galatea). De bovenkop, de veeren van het handgewricht en de beide middelste staartpennen (met uitzondering van haar witten, spatelvormig verbreeden top) zijn schitterend lichtblauw; de bovenrug, de schouderveeren, de vleugels en een breede band over de zijden van den kop zijn donker zwartblauw; wit zijn de onderrug, de staartwortel, de geheele onderzijde en de 4 paar buitenste staartveeren met uitzondering van een smallen, lichtblauwen zoom. De snavel is licht koraalrood. Deze Vogel, die, evenals de overige leden van zijn geslacht, ongeveer de grootte van onzen Middelsten Bonten Specht bereikt, bewoont Nieuw-Guinea en de naburige eilanden.


De Platsnaveligen (Todidae), die met de Zaagbekscharrelaars de kleine onderorde van de Todivogels (Todi) vormen, hebben een zeer vreemdsoortigen snavel. Deze is middelmatig lang, recht en zoo plat, dat hij strikt genomen slechts uit twee dunne, stompe platen bestaat, daar de rug van den bovensnavel bijna niet meer te onderscheiden is. Van boven gezien heeft de snavel den vorm van een in de lengte gerekten, van voren afgeknotten driehoek. De top van den bovensnavel is recht, d. w. z. niet naar onderen gebogen, de onderkaak stomp afgeknot, de zijranden zijn uiterst fijn getand; de mondspleet reikt tot achter de oogen. Zij zijn beperkt tot de Groote Antillen.

Bij den Todi of Groenen Platsnavel (Todus viridis) hebben alle bovendeelen een prachtig glinsterende, grasgroene kleur; aan den onderrand van het oog merkt men een zeer smallen, rooden zoom op. De kin- en keelveeren zijn fraai karmijnrood, met een uiterst smallen, zilverwitten rand aan de spits; de geheele keelvlek wordt zijwaarts begrensd door een zacht grijsblauwe, overlangsche streep en van onderen door een witte vlek. De zijden van den krop en de borst zijn groenachtig, de zijden van den schenkel, de onderste vleugel- en staartdekveeren licht geelachtig, de borst en het midden van den buik geelachtig wit; terwijl eenige bundelsgewijs bijeenstaande veeren aan de zijden van den buik een zachte, rozeroode kleur hebben. De iris is lichtgrijs, de bovensnavel vuilroodachtig, de ondersnavel vuilgeelachtig, de poot bruinrood of vleeschkleurig. Totale lengte 12, staartlengte 3.8 cM.

“In alle deelen van Jamaica,” zegt Gosse, “is de Groene Platsnavel een zeer gewone Vogel. Zijn glanzig, grasgroen kleed, met fluweelachtig roode keelvlek trekken spoedig ieders opmerkzaamheid. Daar hij bijzonder mak is, kan iedereen hem gemakkelijk naderen; dat hij dit toelaat, is waarschijnlijk eer een bewijs van onverschilligheid dan van argeloosheid. Wanneer hij opgejaagd wordt, vliegt hij hoogstens naar de naastbijgelegen twijg. Wegens zijn gemeenzaamheid is hij algemeen bemind, hetgeen blijkt uit de vleiende benamingen, die het volk hem geeft.”

Hij voedt zich met Insecten, die in de vlucht gevangen worden en nestelt in holen in den grond op de wijze van de IJsvogels. In de kooi wordt hij zeer tam.


De naaste verwanten van de Platsnaveligen—de Zaagbek-scharrelaars of Momots (Momotidae)—gelijken op de Scharrelaars, maar meer nog op de IJsvogels. Zij bewonen alle Mexicaansche en Zuid-Amerikaansche wouden, maar worden nergens in grooten getale bijeen gevonden; zij leven afzonderlijk of bij paren en blijven gewoonlijk ver van de woningen der menschen verwijderd. De zijranden van hun tamelijk langen en flauw gebogen snavel zijn met fijne, tandvormige inkervingen voorzien. De pooten eindigen in tredvoeten en hebben een korten loop. De vleugels zijn tamelijk kort en afgerond; de staart is wigvormig.

Een van de meest bekende soorten is de Braziliaansche Momot, de Hoetoe der inboorlingen (Prionites brasiliensis). De voorhoofdsrand, de teugel en de oogstreek, benevens een vlek op de kruin zijn zwart; vóór deze vlek is de bovenkop hemelsblauw, daarachter donker ultramarijnblauw; het achterste deel van den hals en de onderdeelen zijn groen met roestkleurig kaneelbruinen weerschijn; de roodbruine veeren van den nek vormen een dwarse vlek; eenige iets langere en breedere, zwarte veeren op het midden van de keel hebben een smallen, hemelsblauwen zoom; de rug, de vleugels en de staart zijn donker grasgroen; de slagpennen aan de binnenzijde met zwarten, de handpennen aan de buitenzijde met groenachtig blauwen, de vier buitenste paren staartpennen aan den top met breeden, donker marineblauwen zoom, de beide middelste, voor zoover zij achter de overige uitsteken, breeder en levendiger van kleur, doch met zwarten eindzoom. Totale lengte 50, staartlengte 28 cM.

Deze fraaie Vogels bewonen de woudrijke gewesten van Suriname, Cayenne en van het noorden van Brazilië. Zij zijn hier algemeen bekend: reeds vóór zonsopgang schalt van uit het dichte oerwoud hun klagende, droefgeestige stem, die uit de duidelijk geïntoneerde klanken “hoetoe hoetoe” bestaat. Azara, die ze in de gevangenschap heeft nagegaan, noemt ze schuw en wantrouwig, maar nieuwsgierig van aard, en zegt, dat hunne bewegingen plomp en stijf zijn, hoewel zij zeer aardig met den kop knikken en den hals heen en weer bewegen. Zij aten brood, maar nog liever rauw vleesch, dat zij vooraf met den snavel meermalen tegen den grond stootten, alsof het een buit was, die eerst nog gedood moest worden. Kleine Vogels, die zij geruimen tijd vervolgden en ten slotte op deze wijze doodden, waren zeer naar hun smaak.


De onderorde van de Koekoekvogels (Coccygiformes) omvat slechts één groep (Coccyges), tot welke de familiën van de Koekoeken en Pisangvreters behooren. Zeer na verwant aan deze groep is die der Glansvogels (Galbulae) met de familiën van de Glansvogels en van de Baardkoekoeken. Van deze vier familiën heeft alleen die der Koekoeken (Cuculidae), die in vier onderfamiliën wordt gesplitst, één enkelen, inheemschen vertegenwoordiger.

De Boomkoekoeken (Cuculinae), die de eerste onderfamilie vormen, kenmerken zich door den flauw gebogen, gewoonlijk tamelijk dunnen, aan den wortel zich verbreedenden snavel, die in lengte met den kop overeenkomt, door de korte of hoogstens middelmatig lange voeten met vier teenen, waarvan den binnenste steeds naar achteren gekeerd is, de buitenste echter naar verkiezing naar voren of naar achteren kan worden gericht, door de lange, smalle en spitse vleugels, welker derde handpen in den regel de langste is, door den langen, afgeronden of wigvormig toegespitsten, uit 10 pennen samengestelden staart en eindelijk door het dichte vederenkleed, welks bijzonder lange bestanddeelen zwak in de huid bevestigd zijn. In den regel is het verschil van kleur tusschen het mannetje en het wijfje gering, tusschen de ouden en de jongen groot.

De leden van deze onderfamilie, ongeveer 80 in getal, zijn verbreid over de Oude Wereld en Australië. In Indië en Afrika zijn zij bijzonder talrijk, in het noorden evenwel slechts door één enkele soort vertegenwoordigd. Alle zonder uitzondering bewonen het woud en verlaten slechts tijdelijk de nabuurschap der boomen. Zoover de boomgroei reikt, worden zij overal gevonden, boomlooze streken daarentegen vermijden zij geheel en al. De in ’t noorden broedende soorten trekken, die van ’t zuiden zwerven hoogstens in het land rond. Zij zijn onrustig, onstuimig en schuw van aard, vermijden het gezelschap van hunne soortgenooten en houden zich over ’t algemeen niet gaarne bij andere Vogels op. Snel doorkruisen zij vliegend een tamelijk groot gebied, zoeken de boomen af, schieten van hier neer op het door hen opgespoorde dier, ook wel op den bodem, zonder zich hier neer te zetten; op deze wijze zwerven zij, vliegend, etend en roepend hun gebied rond. Hun voedsel bestaat bijna geheel uit Insecten en meer bepaaldelijk uit Insectenlarven, vooral echter uit behaarde rupsen, die door de overige Vogels versmaad worden. De haren van deze rupsen hechten zich gedurende de spijsvertering zoo stevig aan de maagwanden, dat deze er uitzien, alsof zij van nature behaard zijn, hetgeen aanleiding heeft gegeven tot verkeerde gevolgtrekkingen. Van de groote soorten dezer familie wordt gezegd, dat zij Kruipende Dieren niet versmaden; alle worden, misschien niet geheel ten onrechte, als nestroovers beschouwd, die niet slechts eieren uit het nest werpen, maar ze ook verslinden. Deze eenigszins in ’t oog vallende roofzucht vindt haar verklaring in de voortplantingswijze der Boomkoekoeken. Alle leden van deze onderfamilie broeden n.l. de eieren niet zelf uit, maar leggen ze in de nesten van andere Vogels, die zich met de verzorging van de Koekoeksjongen belasten. In den regel neemt het Koekoekwijfje vooraf een ei uit het nest van de Vogels, die door haar tot pleegouders van haar kroost verkozen worden. Dat dit ei niet zelden door den Koekoek verslonden wordt, is vaak ontkend; volgens vele waarnemingen is dit feit echter boven allen twijfel verheven. Op zeer verschillende wijzen heeft men trachten te verklaren, waarom de Koekoeken niet zelf broeden, zonder tot dusver een voldoende reden voor dit verschijnsel te kunnen aangeven.

Het komt sommigen nog twijfelachtig voor, of men de Koekoeken als nuttige, dan wel als schadelijke Vogels moet beschouwen. Het valt niet te ontkennen, dat zij ons groote diensten bewijzen door het verslinden van de harige rupsen, die door hare verdedigingsmiddelen tegen de vraatzucht van andere insectenroovers gevrijwaard zijn; evenmin kan men echter loochenen, dat zij door het leggen van hunne eieren in de nesten van kleinere Vogels eenige schade veroorzaken; daar het grootbrengen van een Koekoek altijd den dood van de jongen van zijn pleegmoeder ten gevolge heeft. Hier kan echter tegen in gebracht worden, dat één Koekoek meer Insecten verslindt dan vijf of zes kleine Zangers. Het komt ons daarom voor, dat de Koekoeken de bescherming van den mensch volkomen verdienen.

*

Koekoek (Cuculus canorus). ½ v. d. ware grootte.

Koekoek (Cuculus canorus). ½ v. d. ware grootte.

Onze Koekoek (Cuculus canorus) is aan de bovenzijde blauwachtig aschgrauw of donker aschgrauw, aan de onderzijde witachtig grijs met zwartachtige, dwarse golflijnen; de keel, de wangen, de gorgel en de zijden van den hals tot aan de borst zijn zuiver aschgrauw, de vleugels loodkleurig zwart, de stuurpennen zwart met witte vlekken. De oogen zijn hooggeel, de pooten geel, de snavel is zwart met uitzondering van den gelen snavelwortel. Totale lengte 37, staartlengte 17 cM.

In Europa, Azië en Afrika zijn weinige landen of gewesten, waar de Koekoek niet waargenomen werd. Als broedvogel bewoont hij het noorden van de Oude Wereld, van China en de Amoer-landen tot aan de kust van Portugal, van de Noordkaap tot Syrië en Palestina, van Algerië tot Perzië. Van hier trekt hij naar het zuiden: van Siberië tot naar de Soenda-eilanden en Ceylon, van Europa tot in Zuid-Afrika. Ook in ons land is hij zeer algemeen; men treft hem in de meeste groote en kleine bosschen en zelfs in groote tuinen aan. Hij komt hier gemiddeld op den 23en April, soms later (7 Mei), soms vroeger, bij uitzondering ook wel in het begin van April (2 April) onverschillig of het weer gunstig is of niet. In Duitschland, waar de Koekoek eveneens algemeen verbreid is, wordt 18 of 19 April opgegeven als tijd van aankomst. In Zuid-Europa is hij veel zeldzamer dan bij ons, toch legt het wijfje ook daar eieren. Verder noordwaarts wordt hij veelvuldiger; in Skandinavië behoort hij tot de algemeenste Vogels van het land.

Ieder mannetje kiest voor zich een gebied van een tamelijk grooten omvang en verdedigt het hardnekkig tegen mededingers, zoo deze komen opdagen. Als een Koekoek door een soortgenoot verdrongen wordt, vestigt hij zich dicht bij den overwinnaar en gaat dan bijna iederen dag een poosje met hem bakkeleien. Dat dezelfde Vogel op dezelfde plaats terugkeert, is door waarnemingen bewezen. Onophoudelijk doorkruist het mannetje zijn gebied en verschijnt daarom iederen dag verscheidene malen geregeld op bepaalde boomen. Het wijfje daarentegen let niet op de grenzen van eenig gebied, maar zwerft gedurende den geheelen zomer, althans zoolang de legtijd duurt, zonder eenigen regel door het gebied van verscheidene mannetjes en leeft met ieder van deze in goede verstandhouding. Het aantal wijfjes is vermoedelijk ongeveer de helft van dat der mannetjes.

Onze Koekoek is onrustiger en bedrijviger dan al zijne mij bekende verwanten en maakt ijveriger dan deze van zijne vleugels gebruik. Van den morgen tot den avond is hij in beweging, in Skandinavië zelfs gedurende het grootste deel van den nacht. Onophoudelijk is hij met eten bezig; hij is even vraatzuchtig als beweeglijk en schreeuwlustig. Licht en sierlijk, min of meer op de wijze van een Valk, doch minder snel, komt hij aanvliegen, zet zich op een tak neder en ziet naar voedsel uit. Als hij een buit heeft opgemerkt, schiet hij er met een paar behendige zwenkingen op toe, pikt hem op en keert naar zijn vorige zitplaats terug, of vliegt naar een anderen boom, waar hetzelfde bedrijf plaats vindt.

De Koekoek is trouwens alleen in ’t vliegen behendig, in alle overige bewegingswijzen onbeholpen. In ’t klimmen is hij volstrekt niet, in ’t gaan zeer weinig bedreven; op den vlakken bodem moet hij zich bepalen tot huppelen. Beter, doch niet gaarne, beweegt hij zich te midden van de twijgen. In de lente zal hij nooit verzuimen na het neerstrijken op een boom herhaaldelijk zijn stem te laten hooren; hij doet dit, als de liefde in hem ontwaakt is, zoo dikwijls, dat hij er ten slotte werkelijk heesch door wordt. Op het bekende “koekoek” laat hij dikwijls een zacht, lachend geluid volgen, dat als “kwawawa” of “haghaghaghag” klinkt. De stem van het wijfje is een eigenaardig gegrinnik, dat het best vergeleken kan worden met “wik wik”.

De Koekoek wordt dikwijls als zeer twistziek afgeschilderd. Toch leeft hij alleen met zijne soortgenooten op een voet van oorlog; de geheele overige vogelwereld laat hem koud, tenzij hij zich tegen een vijand verweren moet, of bezig is aan andere Vogels de rol van pleegouders van zijn kroost op te dringen. De bewering, dat de Koekoek onverdraagzaam zou zijn, wordt weersproken door het feit, dat dit dier met verscheidene andere Vogels—Papegaaien, Appelvinken, Kardinalen, Hoorn- en Kalander-leeuweriken, Hoppen, verscheidene soorten van Zangers, Helmvogels, Ruigpootduiven, enz.—in dezelfde kooi geleefd heeft, zonder dat de verstandhouding iets te wenschen overliet; de Koekoek dacht er niet aan met zijne lotgenooten te vechten of te kibbelen. Ook heeft hij een tijdlang samengewoond met kleine, West-Afrikaansche Vinken, zonder ze ooit lastig te vallen. Zelfs Koekoeken, die op lateren leeftijd gevangen zijn, worden soms zeer schielijk tam. Het is echter een feit, dat de eene mannelijke Koekoek den anderen niet kan uitstaan.

Reeds aan de Ouden was het bekend, dat de Koekoek zijne eieren in vreemde nesten legt. Voor het uitbroeden van het koekoeksei en het grootbrengen van het hieruit voortkomende jong zorgt de Zangvogel, in wiens nest het ei gelegd werd. Men heeft thans reeds in nesten van 117 soorten van Vogels een koekoeksei gevonden; zonder twijfel zou door een nauwkeuriger onderzoek van het geheele verbreidingsgebied van dezen merkwaardigen Vogel deze lijst nog belangrijk vergroot worden. De Rietzangers, Kwikstaarten, Grasmusschen genieten de voorkeur; van vele andere Vogels wordt het nest alleen in den uitersten nood en misschien wel bij vergissing gebruikt.

De eieren van den Koekoek zijn, in verhouding tot de grootte van den Vogel, buitengewoon klein, nauwelijks grooter dan die van de Huismusch; zij hebben een stevige, zware, niet zeer glanzige schaal, in verschen toestand meestal een meer of minder levendige, geelachtig groene grondkleur, met paarsachtig grijze of dofgroene ondervlekken en bruine, scherp begrensde stippeltjes. Zij zijn echter soms grooter, soms kleiner, bovendien verschillend van vorm en zeer ongelijk van kleur en teekening. Bij geen anderen Vogel, wiens eieren men kent, komen zulke groote afwijkingen voor. In verband met de verschillende plaatselijke gesteldheid heeft nu eens deze, dan weer een andere kleur de overhand. Ieder wijfje legt slechts één ei in ieder door haar gekozen nest en doet dit in den regel eerst, wanneer het nest van de toekomstige pleegouders reeds eieren bevat. Waarschijnlijk geeft ieder wijfje aan het nest van een bepaalde soort van Vogels de voorkeur en tracht zij haar ei steeds in zulk een nest te leggen; slechts in geval van nood maakt zij van het nest van een anderen Vogel gebruik.

Nog voordat haar ei rijp, d. w. z. voor het leggen geschikt is, vliegt het wijfje uit om een nest te zoeken. Het mannetje, dat zich trouwens, naar het schijnt, in ’t geheel niet om zijn nakomelingschap bekommert, vergezelt haar niet op deze reis. Zij vindt het gezochte nest soms reeds onder het vliegen, soms na eenigen tijd in de struiken rondgeklauterd te hebben of na het bespieden van de Vogels, die voor pleegouders zijn uitgekozen, bij het bouwen van het nest.

Zijn gewone schuwheid overwinnend, komt het Koekoek-wijfje bij deze gelegenheid zeer dikwijls in de onmiddellijke nabijheid van woningen en zelfs in gebouwen, b.v. bergplaatsen en schuren. Wanneer de tijd van ’t leggen gekomen is, zal het Koekoek-wijfje, indien de bouwtrant en de standplaats van het nest dit toelaten, hier op gaan zitten; indien dit niet mogelijk is, wordt het ei op den grond gelegd, in den snavel genomen en zoo in het nest overgebracht. Niet al te zelden komt het voor, dat het wijfje, als het oogenblik van ’t eierleggen gekomen is, om het gewenschte nest te bereiken in een holte moet sluipen, door welks ingang het zich slechts met moeite kan heenwringen, zelfs heeft men wijfjes, die in dit geval verkeerden, gevangen, omdat zij niet spoedig genoeg konden vluchten.

De Koekoek keert na het leggen van het ei herhaaldelijk naar het nest terug om er eieren of zelfs jongen van de rechtmatige eigenaars uit te werpen. De bewering, dat de Zangvogels er zeer mede ingenomen zijn, als een vrouwelijke Koekoek hun nest nadert en er een ei in legt, mist allen grond. Opmerkelijk is het daarom, dat de bedoelde Vogels, die iedere verstoring van hun nest zeer onaangenaam vinden en hierdoor zelfs genoopt worden het broeden te staken, in dit geval een uitzondering maken en het koekoeksei behandelen, alsof het van hen zelf afkomstig is. Zij haten het wijfje van den Koekoek, maar laten het vreemde ei of het hieruit gekomen jong niet boeten voor wat zijn moeder misdreef.

De jonge Koekoek, die gemakkelijk te herkennen is aan zijn wanstaltig dikken kop en groote pupillen, verlaat het ei als een zeer hulpbehoevend wezen. Aanvankelijk groeit hij snel, weldra ontspruiten uit zijn zwartachtige huid stoppelvormige veeren, die hem een zeer leelijk uiterlijk verschaffen. Zijn eetlust is verbazend; hij heeft meer voedsel noodig dan zijne pleegouders hem kunnen verschaffen; een gevolg hiervan is, dat de jongen, die met hem het voer zouden moeten deelen, verhongeren; hij werpt ze ook wel ten slotte uit het nest, als zij niet door zijn moeder weggenomen of om ’t leven gebracht worden. Daarom is de Koekoek in de latere tijdperken van zijn ontwikkeling steeds de eenige bewoner van de kinderkamer.

De barmhartigheid, die de kleine Zangvogels bij het grootbrengen van den Koekoek toonen, is werkelijk treffend. Met grooten ijver voorzien zij het vraatzuchtige monster, dat de plaats van hun eigen kroost ingenomen heeft, met een overvloed van voedsel. Zij brengen het kevertjes, Slakken, rupsjes, Wormen en sloven zich van ’s morgens tot ’s avonds tevergeefs af, om hun pleegkind te bevredigen en zijn als “tsies tsiesies” klinkend hongergekrijt te doen ophouden. Zelfs na het uitvliegen volgen zij het nog dagen lang, hoewel het zich niet door hen laat leiden, maar naar eigen verkiezing rond vliegt, willen de trouwe pleegouders het niet verlaten. Wanneer de Koekoek geboren is in een hollen boom, komt het soms voor, dat hij wegens de engheid van de opening niet in staat is het nest te verlaten; in dit geval blijven zijne pleegouders om zijnentwil tot laat in ’t najaar achter en voederen hem aanhoudend. Om deze reden heeft men wijfjes van Kwikstaarten hier zien blijven, nadat reeds al hunne soortgenooten naar ’t zuiden waren afgereisd.

De volwassen Koekoek heeft weinige vijanden. Zijn bekwaamheid in ’t vliegen beveiligt hem tegen de vervolgingen van de meeste Valken; van de klimmende roofdieren heeft hij waarschijnlijk nooit iets te vreezen. Vaak wordt hij echter geplaagd door kleine Vogels: niet alleen door die soorten, welke hij in den regel met de verzorging van zijn kroost belast, maar ook door andere. Het meest heeft hij, zooals te verwachten was, van de moedige Kwikstaarten te lijden. Voor den mensch is hij in den regel goed op zijn hoede; alleen iemand, die het geluid van den Koekoek volkomen zuiver weet na te bootsen, zou hem kunnen naderen. Nog moeielijker is het een volwassen Koekoek levend te bemachtigen.

Men doet wèl den Koekoek in ieders welwillendheid aan te bevelen. Hij mag in het woud niet ontbreken; daar hij het niet slechts verlevendigt, maar ook medewerkt om het in stand te houden. Voor ons gevoel treedt met het geroep van den Koekoek ook de lente het woud binnen; de ervaring leert ons, dat dit klankvol geluid nog een geheel andere en meer belangrijke beteekenis heeft. Het verraadt de terugkomst van een der trouwste beschermers onzer bosschen. Zijn voedsel bestaat uit allerlei Insecten en slechts bij uitzondering uit bessen; hij verdelgt zelfs die Insecten, welke tegen andere vijanden gewapend zijn, n.l. behaarde rupsen. Dat vele van deze dieren afschuwelijke boschvernielers zijn, is algemeen bekend en ook, dat zij zich dikwijls zeer sterk vermenigvuldigen. De niet zelden onrechtvaardig veroordeelde Koekoek is hun ijverigste bestrijder. Zijn onverzadelijke eetlust is een weldaad voor het woud; de vraatzucht is zijn beste aanbeveling althans in de oogen van den verstandigen houtteler. De Koekoek doet aan de schadelijke Insecten veel meer afbreuk dan de mensch zou kunnen doen.

*