DE VLIEGE.
o Gij dikke, welgekleede, welgevoede
vliege, die
’k daar zoo dikkens, om end weder om mij,
hoore en zie
vliegen, varen, vederen, ruischen, in den
zonnestraal,
met uw’ ronkend-, hoog- en leeggevooisde
vedertaal!
Ha, ’k en kenne niemand die u ooit ééne arme
reke[1] of twee
heeft geschonken, schoon gij zingt en immer
zongt, alreê
ruim zoo lange als merelaan, of meeze, of
nachtegaal,
ruim zoo schoone allichte als honigbie- en
krekeltaal.
o Gij dikke, weltevreden, welgezinde
snaartrompet,
nooit en zag ik of en hoorde ik uwe
vlerken, net
lijk twee glazen ruitjes, daverende’ ’t zij
late of vroeg,
of ’t was helder zomerweder, en de
zonne loech!
o Gij aardig dierken, ’k wou dat ik, zoo wel als
alle mensch,
zoo gij schijnt te hebben, had mijn herte en
wille en wensch,
en dat ge ons, al ronken in den mooien
zonneschijn,
wist den weg te wijzen naar ’t gestadig
blijde zijn!
WAT HANGT GIJ DAAR TE PRATEN.
Wat hangt gij daar te praten
aan die blomme, o bruine bie;
waarop, waaruit, waarover
ik u ronken hoore en zie?
Gij zijt er met uw’ neuze en
met uw tonge al ingegaan;
gij hebt eraan geroken
en van alles aan gedaan,
daarom, daarin, daarover,
op uw’ vlerken alle twee:
ik wonder hoe die blomme u
laat geworden, zoo ter lee[1]!
Och, ware ik in heur’ plaatse, ik
hiet u varen, en ik sloot
zoo seffens al dat werk, al
dat geruchte uit mijnen schoot,
en ’k...: „Rap, uit mijnen weg en
uit mijn zunne, dat ik zie:
houdt op, en laat mij werken,
of ik strale[2] u!” zei de bie.
ALS GE NAAR HET KOOREN LUISTERT.
Als ge naar het kooren luistert,
dat nu op- nu nedergaat;
daar een’ zwepe wind in snuistert,
dat de lieve zonne baadt;
neen, ’t en kan geen’ snare talen,
die zoo zoete om hooren is
als ’t gerep der roggestalen,
als ’t geroer van ’t kooren is.
’t Vaart een fijn gelispeld leven
deur de toppen, altemaal;
daar de diepere stammen beven,
deunende als een’ dondertaal.
Hel en duister, lijze en luide,
mingelmangelt in de lucht,
’t ruischen van de groengekruide,
grauwgetopte koorenvrucht.
Drijft dan maar, gij dunne staven,
die den landman ’t leven wint;
laat de zonne uw’ lenden laven
zoetjes, en den zomerwind!
Hei, daar valt er volk te peerde,
losgetoomd, in ’t veie[1] groen;
donker diept het neêr naar de eerde,
zoo in zee de schepen doen.
Volgende elk den andere, varen
ze, elk gevolgd, in ’t volle veld;
’t zonnelicht beglanst de baren
van dit rennend rosgeweld.
Schielijk, in de lucht ontkomen,
zijn de ridderen weg: ’t en speelt
niets meer in de vrije vromen,
dat de zware zee verbeeldt.
Stille is ’t nu: de zonne vonkelt
deur de wolken, blij en blank;
milde lacht het al en monkelt[2],
in en om mij, lief en lang.
Ach! ’k En gave om al het schoone,
dat de heldere zonne ziet,
—Vlanderen, Vlanderen spant de kroone,—
neen-ik, nog mijn Vlanderen niet!
DE WOLKENWEG BEDIJGT.
De wolkenweg bedijgt[1]
vol eendlijke[2] oorlogschepen,
wier witgezeilde macht
de koele westerzwepen
des windloops drijven doen,
en, in ’t gelid zoo zaan[3],
den hemel vol, tot in
zijn verste diepten, staan.
De zonne speelt daarin,
met honderd duizend monden
geschuts; die, scherp gelaên,
’t gebuikte lijndoek wonden
van ’t scheepgevaarte: ’t licht
en ’t duistert, keer om keer;
en, schielijk overwolkt,
en zie ’k geen zonne meer.
Gaat ’t regenen eindelijk,
en, zoo ’t de boeren vragen,
een’ ongetelden oest[4]
van goud en zelver vlagen[5]?
Gaat ’t regenen? Donker is ’t,
nog donkerder. Med een,
daar bliksem’ het, en ’t buischt
een zware dondersteen!
Het windrad is gekeerd,
de hemelwanden breken,
en neerstig—vlucht in huis!—
zie ’k al de daken leken:
God zegent het geweld
des hemels, de eerde doomt[6]
en davert, van ’t geluk
dat in heure aderen stroomt.
ANDLEIE.[1]
Jordane van mijn hert
en aderslag mijns levens,
o Leye, o vlaamsche vloed,
lijk Vlanderen, onbekend;
hoe overmachtigt mij
de mate uws vreugdegevens,
wanneer ik sta en schouwe,
uw’ vrijen boord omtrent!
Hoe vaart gij welgemoed,
de malsche meerschen lavend
met blijder vruchtbaarheid,
te Scheldewaard, en voort
ten Oceaan, u, zelf,
een’ diepe vore gravend,
die ’t oude en vrije land
van Vlanderen toebehoort.
Wat zijt ge schoone, o Leye,
als ’t helderblauwe laken
der hemeltente wijd
en breed is uitgespreid,
en dat, uit heuren throon,
de felle zunne, aan ’t blaken,
vertweelingt heur gezichte
in uwe blauwigheid!
Dan leeft het rondom al[2]
uw’ groengezoomde kanten,
aanzijds en heraanzijds,
zoo verre ik henenschouw,
van lieden, die weêrom,
en nu in ’t water, planten
den overjaarschen bloei
van hunnen akkerbouw,
den bast, die, onlangs, toen
hij jong was, jong en schoone,
’t gezicht verblijdde, maar
één levend legtapijt;
die, veel te lichte, eilaas!
de blauwe maagdenkroone
verloos, en bleef het lieve
en jeugdig leven kwijt!
Het vlas! Nu staat ’t gedoopt,
Jordane, in uwe lanken,
gegord in haveren stroo,
dat banden gouds gelijkt;
bij duizend duizenden
van bonden, die vier planken
bewaren, ketenvast
en aan den wal gefijkt[3].
Hoe zucht gij, om weêr uit
dit stovend bad te komen;
hoe zucht gij, zoo de ziel,
de vrome kerstene, doet,
die, na gedulde pijn,
vol hopen en vol schromen,
verlangt het licht te zien
dat haar verlossen moet!
Verdraagt den harden steen[4]
nog wat, die, korts nadezen,
gelicht, u helpen zal
ter vrijheid; en de dood,
die u gedwongen hield,
zal zelf gedwongen wezen,
u latende uit het graf
en uit den Leyeschoot.
Die steen heeft u gedempt,
g’ootmoedigd en gedoken,
tot dat uw taaie rug,
gemurruwd en verzaad,
geen’ weerstand biên en zou
aan hem die u, gebroken,
tot lijn[5] hermaken zal
en edel vlasgewaad.
Hoe krielt het wederom,
langs al de Leyeboorden,
van lieden, half gekleed,
die half in ’t water staan,
en halen, lekende uit,
lijk lijken van versmoorden,
’t gebonden, zappig vlas,
en ’t spreidende openslaan!
’t Verrijst! Het wordt alhier,
het wordt aldaar bewogen,
gestuikt[6], gekeuveld[7] en
gehut. De zonne lacht
en speelt in ’t droogend schif[8],
dat, ’t water uitgezogen,
heur fijne stralen drinkt
en fijndere verruwpracht!
Wat zie ’k! o Israël,
lijk in de bibelprenten,
gekleend, den overtocht
van ’t Abrahamsche diet[9];
gesmaldeeld en geschaard,
in lijnwaadgrauwe tenten,
ontelbaar, zoo ’t den dwang
van Pharao verliet!
Beloofde land van God,
Jordane, in ’t hooge Noorden,
hoe schoon ’t gelegerd volk,
dat, God gehoorzaam, voet
en hand te zamen, zwoegt
naar uwaard, en de boorden
van ’t stroomend waterkleed
strijdmachtig leven doet!
Ik hef, lijk Bala’am,
mijn woord op, en ’k bezegen
den arbeidweerden troost
dien ’t neerstig Vlanderen vand...!
Zij ’t immer God getrouw,
God dankbaar, God genegen,
en weerd de diere kroon
die hem de vrijheid spant,
zoo lang de Leye loopt,
zoo lang de velden dragen
den taaien lijnwaadoost[10],
die op heur boorden groeit;
zoo lang ’t gestorven vlas
herleeft in kant en kragen,
en, sneeuwwit op de borst
van jonk- en schoonheid bloeit!
’T IS STILLE.
’t Is stille. Rustig ligt
en slaapt het altemaal,
dat leute en leven was,
dat locht- en vogeltaal.
Geen windeken en waakt:
november houdt den staf,
en stelpt dat wekken mocht
het eindloos duister graf
des aardrijks. Ongebaand
en dood zijn weg en straat;
de voet alleen verwekt,
en ’t stappen van die gaat,
een doof gerucht in ’t loof,
dat, afgevallen, plekt
den grond, dien ’t in een’ spree
van doodsche varwen dekt.
’t Is stille. Gij alleen,
o vlugge en vlijtig ding,
dat, langs den natten tak
geklaverd, uw gepink
laat hooren, fijn en snel,
ge ontsnapt en snetst alom:
„Ik leef nog: piep! Ik leef,
spijts ’s winters winterdom!”
DE RAVE.
Met zwart- en zwaren zwaai aan ’t werken door de grauwe,
de zonnelooze locht, ik de oude rave aanschouwe;
die, roeiende op en dóór den schaars gewekten wind,
gelijk een dwalend spook, eilaas geen ruste en vindt.
Ze is zwart gebekt, gepoot, gekopt in ’t zwarte; als kolen,
zoo staan heure oogen zwart, in hun’ twee zwarte holen
te blinken; rouwgewaad en duister doek omvangt
het duister wangedrocht, dat in de nevelen hangt.
Ze is stom! Z’en uit geen woord en ’t waaien van heur’ slagers
en hoort gij niet. Alzoo de zwarte doodendragers
stilzwijgend gaan, zoo gaat zij zwijgend op de lucht,
en wendt alhier aldaar heur’ zwarte ravenvlucht.
Wat wilt gij, duister spook! Waar gaat gij? Van wat steden
zijt gij, met damp en doom[1] en ’s winters duisterheden,
alhierwaards aangewaaid? Wat boodschap brengt gij? Van
wat rampe of tegenspoed zijt gij de bedeman[2]?
Is ziek- of zuchtigheid, uit ’s noordens grauwe landen;
is sterfte wederom, is hongersnood op handen?
Is moordaanslag, verraad de zin van uw vermaan;
of gaat de muil misschien des afgronds opengaan?
Geen woord! Dan, weg van hier, onzalige: gaat varen
alwaar nooit zonne en rijst; alwaar de grimme baren
staan ijsvaste overende, als rotsen; en waar nooit
noch blom noch blad den buik van moeder aarde en tooit!
Gaat aan! Of spreekt een woord, zoo de andere vogeldieren
te zomertijde doen, die in de bosschen zwieren:
ja, ’s winters, als de snee’ heur laken heeft gespreid,
nog vinkt en klinkt het hier, vol vogelvlijtigheid.
En gij! De rave trekt, met trage vederslagen,
voorbij mij, zwaar en zwart gelijk nen kerkhofwagen,
en roept mij, onverwachts, terwijl zij henenvaart,
al in één enkel woord, heur’ winterboodschap: „Spaart!”
DE TIJD.
Tempus non erit amplius. Apoc. X, 6.
Verloren is ’t gepijnd om aan
den tijd, die immer voort moet gaan,
een paal te zetten;
ja, stelt u maar en schoort u stijf,
ge ’n zult, met al uw leên en lijf,
zijn’ baan beletten.
Hij lacht met u, en, moegesold,
gij vechtend in de vore rolt,
daar ’t eeuwig varen
zijns wilden strooms voorbij u voert,
en zegepralend henenroert,
zijn’ ruwe baren.
Hij stampt de hooge boomen om,
hij buigt den berg zijn’ lenden krom,
hij springt de banden
van staal intween, die vastgedaan,
bij stede en stad, hem wederstaan,
in alle landen.
Geen wet en weet hij, noch ’t en zal
hem dwingen eenig ongeval:
geen’ legerbenden,
geen’ wapens, geen geweld van iet
dat donderbusse of boge schiet,
en kan hem schenden.
Onraakbaar is hij, vluchtende ooit
en vechtende; verderfnis strooit
hij op die wilden
weêrzetten hem ’t zij burgten van
orduin[1] gebouwd, ’t zij duizend man,
’t zij duizend schilden.
’t En breekt den boozen beul, van al ’t
geween dat hem te voeten valt,
geene enkele smerte,
geen Bethlehemsche kinderdood,
geen leêggeroofde moederschoot,
zijn steenen herte!
Zoo moet hij varend henengaan,
en al dat is aan stukken slaan,
tot ander stonden,
dat hij ook eens, het licht ontzeid,
voor eeuwig hebbe in de eeuwigheid
zijn’ dood gevonden.
MIJN HERT IS ALS EEN BLOMGEWAS.
Mijn hert is als een blomgewas,
dat, opengaande of toegeloken,
de stralen van de zonne vangt,
of kwijnt en pijnt en hangt gebroken.
Mijn hert gelijkt het jeugdig groen,
dat asemt in den dauw des morgens;
maar zwakt, des avonds, moe geleefd,
vol stof, vol weemoeds en vol zorgens!
Mijn hert is als een vrucht, die wast
en rijp wordt, in de schauw verholen,
aleer de hand des najaars heeft,
te vroeg eilaas, den boom bestolen!
Mijn hert gelijkt de sterre, die
verschiet, en aan de hooge wanden
des hemels eene sparke strijkt,
die, eer ’k heraêm, houdt op van branden!
Mijn herte slacht den regenboog,
die, hoog gebouwd dóór al de hemelen,
welhaast gedaan heeft rood en blauw
en groen en geluwe en peersch te schemelen!
Mijn hert... mijn herte is krank, en broos,
en onstandvastig in ’t verblijden;
maar, als ’t hem wel gaat éénen stond,
’t kan dagen lang weêr honger lijden!
’t Eerste dat mij moeder vragen
leerde, in lang verleden dagen,
als ik hakkelde, ongeriefd
nog van woorden, ’t was, te gader
bei mijn’ handtjes doende: „Vader,
geeft me ’en kruisken, als ’t u belieft!”
’k Heb een kruiske dan gekregen,
menig keer, en wierd geslegen
op mijn’ kake, zacht en zoet...
Ach, ge zijt mij, bei te gader,
afgestorven, moeder, vader,
’t geen mij nu nog leedschap doet!
Maar, dat kruiske, ’t is geschreven
diep mij in den kop gebleven,
teeken van mijn erfgebied:
die den schedel mij aan scherven
sloege, en hiete ’t kruisken derven,
nog en hadd’ hij ’t kruisken niet!
WINTERMUGGEN.
De wintermuggen zijn
aan ’t dansen, ommentomme,
zoo wit als muldersmeel,
zoo wit als molkenblomme[1].
Ze varen hooge, in ’t vloe;
ze dalen diepe, in de ebbe;
ze weven, heen en weêr,
hun’ witte winterwebbe.
Hun’ winterwebbe zal,
dat lijnwaad zonder vlekken,
den zuiverlijken schoot
van moeder Aarde dekken.
Ze ligt in heuren slaap,
ze droomt den schuldeloozen,
den maagdelijken droom
van nieuwe lenteroozen.
Ze ligt in heuren slaap,
ze droomt den wonderbaren,
den liefelijken droom
van ’s zomers harpenaren.
Ze ligt in heuren droom,
ze droomt van overvloed en
van voorspoed overal,
om vee en volk te voeden.
’n Wekt ze niet, ’n laat
heur geen geruchte dwingen,
om, al te schier ontwekt,
uit heuren slaap te springen!
Daar ligt ze nu en rust:
heur zwijgend beddelaken,
de wintermuggen spree’n ’t,
die geen geruchte en maken.
Ze draaien op en af
en af en op en omme,
zoo wit als melk, als meel,
als molke en runselblomme[2].
WINTERNACHT.
Hoe zwart staan al de boomen in
de witheid, onverwacht,
van ’t overdadig sneeuwen, dat ’t
gedaan heeft, van den nacht!
Ze staan daar, als gekoolzwart en
met teekenen geprent,
al zwarte en zware staven, op
een eindloos pergament.
Ze ’n roeren noch ze ’n poeren[1] en,
bij ’t nachtelijk gestraal,
men zweren zou dat ’t spoken zijn,
of reuzen altemaal.
De sterren staan en bliksemen,
als oogen, ongeteld,
van boven, uit de koppen van
die reuzen vol geweld.
Ze groeien immer grooter, en
de witheid van de snee
verzwaart de zwarte stammen. Zich[2]!
van een’ zoo wordt er twee!
’k Versta nu hoe van drollen[3], gij,
en droezen[3] hebt gedroomd,
wanneer ge, Noordsche heidenen,
verkeerdet in ’t geboomt.
Bij ’t razen van den winter en
bij ’t nijpen van den nacht,
is de oude, grimme reuzenzegge[4]
ontstaan in uw gedacht.
ARM HUISGEZIN.
Onder ’t duister dak gedoken,
stroo en vodden[1] altegaar,
heel onttodderd[2], half gebroken,
staat des werkmans woonsteê daar.
’t Kaafgat[3], omme- en scheefgetrokken,
vallen gaat; en daar, deureen,
liggen afgerolde brokken
bruingebrand al, gruis en steen.
’t Dak beneden, deur de wanden,
glazenloos, van latte en leem
zie ’k getelde turven branden,
doodsch, in ’t deerlijk huisgeheem[4].
Open ligt het, aller oogen;
’t waait erdeure en ’t sneeuwt erin;
’s zomers zal me’ er hitte in doogen,
’s winters koude.—Arm huisgezin!
IRREQUIETUM[1]....
Als één verdriet is uitgezucht,
er ruimte is, zult ge zeggen,
en reden daar, om ééns, toch ééns,
het rouwkleed af te leggen!
’t En doet! Daar zitten zuchten al
volveerdig, neêrgedwongen,
en beidende, in de bange borst,
die geren henensprongen!
Ze kwellen en ze pramen u,
en baren zult ge, baren,
ach! de altijdonvolborentheid
des weedoms! De oude jaren
en letten ’t herontvangen, noch
het grootgaan, immer: sterven
van droefheid, zult ge, in barensnood,
en ’t eeuwig—leven—erven!