VELUT UMBRA[1].

Hoe lange al, eer ’k aanschouwen mocht
mijn schaduwbeeld! en zonnestralen,
door ’t scheuren van de ontstelde locht,
’t daar schielijk, vóór mij, henenmalen!
’k Verschiete ervan, zoo lange al is ’t,
dat, zonneken, mijne ooge u mist.
’k Gevoel ’t zoo veerdig—: ommentom,
dien eersten blik van liefde, ’t wezen
en ’t uitzien van heel ’t scheps’lendom,
gedeluwd[2] en ontziend[3] voordezen,
doet werkzaam, in den zonneschijn,
heropgestaan en wakker zijn.
De witte muur, het roode dak,
de grauwe baan, de zwarte moude[4],
het groene gers[5], de bruine tak,
’t is al alsof ’t herleven zoude
in ’t licht, dat ’t moede en ’t doove, van
dat verruwloos is, verwen kan.
Een enkel scheurke in ’t wolkgewand,
en ’k sta daar, vóór mij, heengeschreven,
van boven tot beneên, in ’t zand
vertweelingd, in ’t geweld te leven
des zonnelichts!... Och arme, ’t sluit,
weêr toe: mijn beeld is,—al is uit!
Zoo gaat het, Heer des levens: al
zoo lange ik, in den hoogen throone,
U zelven eerst niet zien en zal,
den nu nog onaanschouwbaar schoone,
zoo lang zal licht en zonneschijn
me, en ’t leven ook, een schaduw zijn!

[1] Als een schaduw.

[2] Loodverwig.

[3] Onschoon.

[4] Aarde.

[5] Gras.


ABEELEN.

Verschgevelde abeelenboomen
liggen langs de grachten heen,
die den ouden zandweg zoomen,
hoofd en armen afgesneên.
Gij, die ’t zwaar geweld der winden,
kreunende, op uw kruinen droegt;
die zoo lang den boosgezinden
wintervijand wedersloegt?
’t Edel hoofd intweengespleten,
knoken in den grond geboord,
wie heeft ’t al u afgebeten,
dat uw’ schoonheid toebehoort?
Spillen zie ’k, en spanen, dragen;
splenters, uit uw hoofdgewaai;
takken uit uw’ toppen zagen,
kerven af uw’ teenen taai!
Elk komt uit en wondt en snijdt u:
raapt en rooft, met volle hand;
nu dat, omme en verre en wijd, uw
hooge kroone ligt in ’t zand.
Vijandschap, aan alle zijden,
woedt om uwe ellendigheid:
heeft u ooit, in vroeger tijden,
vrede en vriendschap één ontzeid?
Edel volk, wanneer gij wachttet,
langs den weg, en schaduw smeet
op die, moegegaan, versmachtte ’t
zonnevier, was ’t iemand leed?
Iemand leed! Ach, laat mij weten
wie dat ’t is, die, afgemat,
heeft ondankbaar neêrgezeten,
in de schaduw! Leert mij dat!
Meermaals mocht ik asem halen,
vluchten onder ’t groene dak,
als het zweerd der zonnestralen
scherp mij in de lenden stak.
Boomen, in uw’ looverlane,
tellende, een voor een, u al,
’s zomers, zoete abeelenbane,
zelden ik nog komen zal!
’t Deert mij zoo!—De abeelenboomen
liggen langs de grachten heen,
die den ouden zandweg zoomen,
hals en handen afgesneên!

[1] Vijzen = schroeven.


LENTEGROEN.

’t Is lentegroen genoeg,
voor honderdduizend oogen;
eilaas, ’k en hebbe er ik,
o grondig groene zee,
maar twee:
wie kander moedeloos,
den dwang mij doen gedoogen
van ’t geen mij tegenhoudt
nen tocht in al dat groen
te doen?
Gij bietjes ongeteld,
gij tienmaalhonderdduizend
in ’t rood, in ’t geel, in ’t blauw
gepinte[2] pepels[3], haait
en draait
en drentelt, op en neêr,
eer ’t zonnelicht, verhuizend
van hier, u, ’t lieve groen,
en mij, de moede nacht
ontkracht!
o Grondig, groene zee,
’k ben visschende op de baren
van uwe oneindigheid
van groen, en mijn gewin
daarin
verheugt mijn arem herte:
om ’t gene ik late varen,
om ’t gene ik vangen kan,
en.... God gebenedijd
mij zijt!

[1] Gras.

[2] Getooid.

[3] Vlinder.


VOGELZANG.

Ik hoore ’t, gij vogelkens,
luide genoeg
herhaalt en herhaalt gij
uw’ spraken;
maar, hoe ik mijn beste doe,
spade ende vroeg,
’k en wete er geen zin van
te maken.
Verstaat gij malkanderen,
elk in zijn’ taal?
Verstaat, gij die meest en
die merelt,
die lijstert, die leeuwerkt, die
muscht, altemaal
uw maagschap, tot tenden
de wereld?
Geen slagers en kenne ik, zoo
dapper als... ei!
die, slaande uwen klank uit
der kelen,
komt vinken en klinken hier,
vroeg in de mei,
en zitten en zingen
en spelen.
Ge ’n hebt me noch dit, in uw’
zangen, gedwaald;
noch dat, in uw zingen,
vergeten;
gelijk is het altijd, al
’t gene gij taalt,
gewikt en gemikt en
gemeten.
Zoo zongen uwe ouders, zoo
gij ook, nadien;
en, na u, zoo zingen
uw’ jongen;
hebbe ievers ik nachtegaals-
zonen gezien,
’t was nachtegaalszang, dat
zij zongen.
Dan—alles van buiten weet ge:
al dat gij zingt
en zurkelt en zabbert;
’t zit even
zoo net in zijn’ haken en
oogen, mij dinkt,
of ware ’t met inte[1]
geschreven.
Daar leerde toch iemand u ’t
liedergeluid
naar maten en wetten
bedwingen;
nu heffen, nu leggen: dan
in en dan uit,
van ’t hoogere in ’t leege
verspringen!
Geen scholen en wete ik, daar,
lastig en lang,
gij zaat, om uw’ lessen
te leeren,
zoo menschen dat moeten, die
spel en gezang
betalende menschen
vereeren!
Gods werken, zijt wonder: ik
wille u verstaan,
doch, helder en wordt het...!
Geraden
en kan ik het raadsel, hoe
Hij heeft gedaan,
de Godlijke Dader,
zijn’ daden!

[1] Inkt.


ZONNEWENDE.

Een blomken heb ik staan, nabij
me, in de oude boekenzale,
dat altijd, naar den dag toe, keert
zijn’ blaârkes, altemale;
het wenden mag ik zus of zoo,
dat ik begere volgt het noo,
en ’t zoekt, weerom naar mij gericht,
nog altijd liever ’t zonnelicht!
Och, ware ik als dat blomken is,
in al mijn doen en laten,
mijn zorgen, mijn bekommernis,
in huis en achter straten:
’t zij wat men doet of niet en doet,
’t zij wat ik immer lijden moet,
naar u, met herte en ziel, gericht,
o alverzettend zonnelicht!
’t Is duister nu en zwaar, te mets[1],
omtrent mij: oude kwalen
en nieuwe, doen, van zielgekwets,
mij moe zijn, menigmalen,
tot dat, o God, naar U gewend,
mijn’ duisterheid den dag erkent,
en ziende U, met mijne oogen dicht,
ik asem hale, in ’t zonnelicht.

[1] Somwijlen.


BONTE ABEELEN.

Wit als watte, en teenegader
groen, is ’t bonte abeelgeblader.
Wakker, als een wekkerspel,
wikkelwakkelwaait het snel.
Onstandvastig volgt het, gansch,
’t onstandvastig windgedans.
Wisselbeurtig, op en neder,
slaat het, als een’ vogelveder:
Wit en grauw, zoo, dóór de lucht,
„bonte-abeelt” de duivenvlucht.

[1] Iets dat ontbreekt, vlek.


DE BLEEKERSGAST.

’t Ververscht mij, in ’t geweld gestaan
der hooge zonnekrachten,
te zien van verre, aan ’t water slaan,
vuls arems, uit de grachten,
den bleekersgast: de regenvloed
’t geleschte lijnwaad ronken doet.
Den lepel zwaait hij, zwak van leên,
ter beken uit, omhooge;
en waken doet, hoe verre heen
hij werpen kan, zijne ooge:
de laatste lage en mist hij niet,
en al dat drooge is nat hij giet.
Het lijnwaad is, en ’t gers, nu nat
genoeg; de lanen leken;
en wederom zijn spegelglad
van aanschijn al de beken;
de bleeker zit en droogt entwaar[2]
de peerlen uit zijn kroezelhaar.
Verzachten doet dat regenbeeld
’t geweld der heete stralen,
en lichter in de longer[3] speelt
voortaan mij ’t asemhalen:
zij vrede aan al die ’t schoone van
Gods wonderheên beseffen kan!

[1] Gras.

[2] Ergens.

[3] Long.


RIJMRAM.

Daar viel mij in ’t gedacht entwat,
dat, al te onveerdig opgevat,
verloren liep; en, mondgemeens,
en zal ’t noch ik, noch iemand eens
genieten.
Het deert mij danig! Ei! ’t en doet;
en heel en is en al, voor goed,
dat ongedicht gedachtje, dat
was al te onveerdig opgevat,
te nieten.
Het leeft entwaar[1] entwat dervan,
dat visschende ik nog vangen kan,
wellicht; en, eens in ’t net, wie is ’t,
genaan[2]! die mij den visch ontvischt,
en ’t garen?
Mij rijmvast en, van stonden aan,
zal ’t stijf en sterk in staven staan,
nu, mondgemeen, het onverwacht
gedacht gedicht, gedicht gedacht,
nog jaren.

[1] Ergens.

[2] Wat weerga!


TWEE HORSEN.

Ze stappen, ze stenen, ze stijven
de stringen; en ’t ronde gareel,
het spant op hun’ spannende lijven:
de voerman beweegt ze aan een zeel.
De wagen komt achter. De rossen,
gelaten in ’t lastig geluid
der schokkende, bokkende[2] bossen[3],
gaan, stille en gestadig, vooruit.
Geen zwepe en behoort er te zinken,
geen snoer en genaakt er één haar:
zoo stappen, hun’ bellen al klinken,
de vrome twee horsen, te gaâr.

[1] Geblink.

[2] Stooten.

[3] Naaf.


HET KLOKGEBED.

Hoe helder klinkt
de klokkentaal
ten torren uit:
tot negenmaal
herhaalt, herhaalt
de klepel, op
den rooden boord,
zijn beêgeklop!
De landman laat
zijn’ rossen staan:
naar huis zal hij,
en rusten, gaan!
maar, eer hij stap
van stede zet,
zoo bidt hij nog
zijn klokgebed.
Een engel naar
Maria kwam:
de boodschap hij
van ’t Boetelam
had medebracht:
en negenmaal
begroet haar nu
de klokkentaal.
Gods eeuwig Woord
het licht verliet
des hemels, en
Maria hiet
het moeder zijn
van Hem die, aan
den boom, voor ons
heeft boete ontvaân[1].
De landman, na
den laatsten klop,
van bidden houdt,
van werken, op;
zijn’ rossen staan
op stal weerom,
en moeder wenscht
hem willekom.

[1] Ontvangen.


SCHOONHEID.

Hoe schoon zijn de ongekunstenaarde
boomen, die
’k, erkenbaar uit elkander, in den
hemel zie
geschoten staan, en dragende elk een
beeltenis,
daar ’t werken van Gods hand nog aan te
vinden is!
Hoe schoon is, ongeschonden, in de
zonnenkracht,
’t wijduitgespreide bouwsel van de
boomenpracht,
ten toppen uit gedreven, en, van
dracht, alzoo ’t
de Schepper eerst, beminnende, uit zijn
handen goot!
Het was alzoo geschapen en, van
God gemaakt:
waarom en laat ge ’t, mensch, door u niet
aangeraakt,
geworden, ’t onverbeterbare en
’t schoonste van
de schoonheid, daar geen menschenhand ooit
aan en kan?

DE DAKPANNEN.

De oude roo dakpannen schijnen zoo schoon,
schuren bedekkende en boeien
[1],
laat er de zonne, van uit heuren throon,
vierige vonken op gloeien.
Duister, zoo waren ze, een wijle geleên,
vunzig, oneffen bedegen[2]:
deerlijk ontodderd[3] en schamel, beneên
’t vochtig gezijp van den regen.
Blijde nu blinken ze, in ’t zadgroene veld;
schuren bedekkende en boeien:
’k zie mij zoo geren, in ’t zonnengeweld,
de oude roo dakpannen bloeien.

[1] Schuurtje.

[2] Geworden.

[3] Uit de voegen.


TERUG.

Scheef is de poorte van
oudheid, geweken:
zaâlrugde
[1] ’t dak van
de schure; overal
stroo op de zwepingen[2]
zit er gesteken;
vodden beveursten[3] het
huis en den stal.
Boven die vodden zijn
blommen gesprongen;
onder die vodden zit
volk en gezin;
blommen van vrede, zoo
ouden, zoo jongen,
blommen van buiten en
blommen van bin.
Daar is ’t, dat moeder zat;
daar is ’t, dat vader
vond die hem arbeid en
herte bracht; daar
knielden wij, kinderen,
handen te gader,
baden wij, kleenen en
grooten, te gaâr.
Daar is de schippe nog,
daar is de tange;
’t ovenbuur[4] staat daar, zoo
’t vroeger daar stond;
’t hondekot staat daar, en...
—’t is al zoo lange!—
Hoe is de naam van dien
anderen hond?
Ach, hoe verheugen mij,
ach, hoe verheffen
de oudere dagen mijn
diepste gemoed!
Is er wel iemand, die ’t
ooit kon beseffen
wat gij, oud hof, mij nu
zegt, mij nu doet?
Zalige lieden, al
te arglooze menschen,
weinig begeerdet gij,
groot was uw hert!
—Kon het maar helpen, met
weenen en wenschen,
weêr ate ik roggenbrood,
naast u aan ’t berd[5]!

[1] Met een rug als een zadel.

[2] Dwarshout tot koppeling van de kapgebinten.

[3] Zoden vormen de dakvorst.

[4] Ovenhuis.

[5] Tafel.


HET GETOUWE.

En mocht ik maar
twee zielen hebben,
’n mocht ik maar
twee menschen zijn,
’k zou weven mij
tweêrhande webben:
een’ webbe groef,
een webbe fijn.
Een webbe zou ’k,
van zonne en zijde,
mij weven, en
van goudgespin;
met boomen en
met blaren, blijde,
met meer als een
schoon blomken in.
Mijn ander’ webbe,
en tweede leven,
’n liet ik maar,
onaangemoeid,
geschoren zijn,
getouwd, geweven,
zoo ’t in en deur
’t getouwe vloeit!
Doch neen: ik zal,
van ziele en lijve,
de wever van
één webbe zijn,
zoo lange ’k in
dit leven blijve,
van zuur en zoet,
van groef en fijn.
Den inslag en
den drom[1] van ’t leven,
van goed, heeft God,
en kwaad gespin,
van zijde en wolle
en werk gegeven,
met hier en daar
een blomken in.
En, zittende op
mijn krank getrouwe,
zoo weve en werke
ik, dag en nacht,
aanziende, vol
goe hope en rouwe,
den Heere, die
mijn werk verwacht.

[1] Schering.


WIEROOK.

Thus ardens in igne.

o Wierookgraan,
geronnen traan
van ceder- en van lorkenstammen,
gebedenbeeld,
daar ’t vier in speelt,
en ’t vonkelen van ’s herten vlammen.
Geen gave van
fijn goud en kan
mijn hand den Heer, geen myrrha bieden,
maar wierook zal,
en overal
en allen dag, Hem dank bedieden.
o Wierookgraan,
in ’t vier gedaan,
en rookende uit mijns herten midden,
van aardsch en grauw
wordt hemelsch blauw:
gaat, wierookgraan, den Heere aanbidden.

O HEEMELIJKE DIEPTEN...

o Heemelijke diepten van
’t vol schaduw hangend boschgebied:
vol schaduwe en vol duisterheid,
vol nacht en dauw, dooreengespreid!
’t Is morgen, en de zonne berst
alhier, aldaar, ontembaar, uit
den nachtelijken moederschoot:
„Hier ben ik!” roept de zonne groot.
„Hier ben ik!” En, ze doet den dauw,
in ’t veld, en al dat vochtig is,
verdampen. Deur de glazen valt
ze in ’t huisgezin:—ontwekken zal ’t!
’t Is licht alom: ’t is leven al,
dat ’t zonnebeeld aanschouwde: alleen,
daar diepe, in ’t eenzaam boschgebied,
en zie ’k, o schoone zonne, u niet.
’t Is duister, en ’t is nacht daar nog;
met hier en daar een’ gulpe of twee,
daar ’t groen wordt, uit der grouwbaarheid...
’k en weet niet hoe ’t nen naam gezeid!
De zonne grijpt al vaster nu
de trappen aan des luchtgebouws:
ter zege vaart ze, hooge en blij;
geen boom die heur weêrbarstig zij!
Zij giet, dat elk het merken mag,
bij geuten, vier en werkzaamheid
den bossche in: dweersche balken gaan,
vol speitend licht, den bodem slaan.
Het mosch, het loof, het blinkend hout,
de takken zware of lijze, loopt
zij lustig laven:—heerlijk is
verwonnen weêr de duisternis.
Verwonnen zij de dood, en al
dat duisternisse of boosheid heet,
door ’t Licht van U, die, tallertijd
verwinnende, onverwonnen zijt!