Het Kasteel van Heusden.

In de ruimte, welke ten noorden door de Maas, ten oosten en ten zuiden door de Meiery van den Bosch en ten westen door het Land van Altena omgrensd wordt, liggen ruim tienduizend bunders laag bouwland bevat, die het hoofdbestaan verschaffen aan een bevolking van nagenoeg 15000 zielen, over een kleine stad en zeventien dorpen verspreid. Ofschoon noch die stad, noch de daar om heen gelegen vlas-, hennep-, en hopvelden den reiziger veel bekoorlijks of merkwaardigs aanbieden, by den geschiedvorscher en by den dichter wekt de aanblik daarvan herinneringen op, die niet van belangrijkheid ontbloot zijn, al ware het maar om de wisselingen, welke de streek ondergaan heeft. Maakt zy thands een deel uit van de Provincie Noord-Brabant, en onder Napoleon van het Departement der Monden van den Rijn, in 1801 was zy in tweën gesplitst en voor de helft by Brabant, voor de wederhelft by Holland ingedeeld geweest, na vijf d’halve eeuw lang tot dit laatstgenoemde en vroeger een geruimen tijd tot het eerstgenoemde Gewest behoord te hebben. Die streek is nog heden ten dage bekend onder den naam van het Land van Heusden: die stad is Heusden: die dorpen zijn Engelen, Vlijmen, Honsoirt of Onsenoord, Hedikhuizen, Herpt, Oud-Heusden en Baardwijk, die van ouds den naam van »bovendorpen,” Heesbeen, Genderen, Doeveren, Drongelen, Eethen, Meeuwen, Babyloniënbroek, Veen, Wijk en Aalburgh, die den naam van »benedendorpen” dragen.

Het kasteel van Heusden.

Het kasteel van Heusden.

Maar had die streek dikwijls in de laatste eeuwen van meester verwisseld, en, eer zy aan Holland kwam, tot een twistappel gestrekt, waar hevig om gestreden werd, er had een tijd bestaan toen zy haar eigen, schier onafhankelijke Heeren had, en wel zoodanigen, die, ondanks de beperktheid van hun grondgebied, rijk, aanzienlijk en by hun naburen geducht waren, die zich reeds vroeg door verbintenissen met machtige Vorsten en Heeren versterkt hadden, zoo dat wederkeerig de hunne met yver gezocht werd.

Wat den oorsprong en afkomst dier Heeren betreft, die zijn even onzeker als die onzer meeste adelijke Huizen en het daaromtrent vermelde evenzeer met tastbare fabelen doormengd. Buiten twijfel echter schijnt het, dat het Land van Heusden oorspronkelijk een deel uitmaakte van het Graafschap Teisterbant, en in vervolg van tijd, by broederdeeling, onder Cleve kwam, aan welk laatste Graafschap het tot op het einde der dertiende eeuw leenroerig schijnt geweest te zijn. Een jongere zoon uit het Teisterbantsche of Kleefsche Huis, Robbert geheeten, wordt voor den eersten Heer van Heusden gehouden. Het was voorwaar niet onder gelukkige voorteekenen, dat deze nieuwe dynastie begon. Nog duurde de eeuw van plondering en geweld, toen onze nog onbeschermde kusten gedurig bloot stonden aan de herhaalde invallen dier Noordsche Zeekoningen, die eerlang aan Nederland, aan Normandyen, aan Engeland, aan Siciliën, zijn vorsten zouden schenken: en by eenen dier strooptochten was het, dat in 839 de stad en ’t slot, waar Heer Robbert zijn zetel had, door de vreemde zeeschuimers verwoest werden. Schooner en sterker dan te voren echter, rezen beiden weder op onder de regeering van Boudewijn, die in 857 zijn vader Robbert opvolgde. Was het vroegere kasteel niet sterk genoeg geweest, om aan een onverwachten aanval weêrstand te bieden, het nieuwer zoû dien beter kunnen verduren; want het paarde nu de zwaarte en omvang van dubbele wallen en torens aan de sterkte zijner natuurlijke ligging: terwijl het een natuurlijke verdediging bezat in de breede Maas, die er voorby stroomde, en in de oude of zoogenaamde verloren Maas, die er langs kronkelde, om zich hooger op, by Aalburg, te verliezen. Ook het stichten der Sloten van Poederoyen, van Brakel, en van Aelst wordt aan Boudewijn van Heusden toegeschreven; waaruit men zoû moeten opmaken, dat hy, ook elders dan in het eigentlijke Land van Heusden, Heerlijkheden bezeten heeft.

Maar vrij wat belangrijker, of liever behagelijker herinneringen, dan die het bouwen van kasteelen oplevert, biedt ons de legende met betrekking tot Boudewijn aan. Van hem toch verhaalt zy, hoe hy, in zijn jeugd met Reinout Grave van Angiers naar Engeland getogen, den Koning Edmund in den krijg bystond, door zijn dappere daden de liefde won der schoone Sofia, ’s Konings dochter, en deze heimelijk ontvoerde. Lang treurde de Koning om zijn spruit en zocht vergeefs den naam van haren roover en het oord, waar zy zich onthield, te ontdekken. In ’t eind gelukte hem dit, en vonden zijn zendelingen haar te Heusden, aan ’t spinnewiel gezeten. Een verzoening had plaats, en onder de voorwaarden daarvan was er eene, dat Heusden voortaan een rad van keel als wapen voeren zoû, ter gedachtenis aan het roode spinnewiel, waarby Sophia teruggevonden was.

Zoodanig, met eenig gering verschil in byzonderheden by sommigen, luidt de legende. Nu weet ik vooraf, dat er ongeloovigen zijn, die haar als geheel fabelachtig zullen verwerpen; die met een glimlach de schouderen zullen ophalen, en zeggen, dat alle geslachtboomen van onze oude Hollandsche Huizen reeds in den beginne een verbintenis aantoonen met het een of ander vorsten-geslacht, de eene nog meer uit de lucht gegrepen dan de andere: dat er geen Koning van Engeland onder den naam van Edmund in de dagen van Boudewijn van Heusden geregeerd heeft, maar wel, achtereenvolgends, Egbert en Ethelwolf, en dat de geschiedenis van Engeland niets vermeldt van het wegloopen der dochter van een van beiden met een Ridder uit Neder-Duitschland: eindelijk, dat er in de negende eeuw nog geen blazoenen bekend waren, en dat het wiel van Heusden in allen gevalle niets anders is, dan de acht schepters van Cleve, met een band omringd.

Al moge ik de beide laatste aanmerkingen gedeeltelijk toegeven, zoo zie ik in de rest van ’t verhaal niets, dat zoo onbepaald verworpen behoeft te worden. Of is er iets onwaarschijnlijks in, dat Boudewijn, gedurende het leven zijns vaders, en vooral toen zijn door de Noren verwoest erfgoed hem weinig aanlokkelijks aanbood, even als zoo vele andere jonge Edellieden van dien tijd, zijn fortuin heeft zoeken te maken in een uitheemschen oorlog? En wat dien Koning van Engeland betreft, wy behoeven hier niet aan een Koning over dat gandsche Rijk te denken. Op het tijdstip, dat Boudewijn van Heusden Engeland bezocht zoû hebben, waren er nog maar weinige jaren verloopen, sedert Koning Egbert de Vorsten der Heptarchy onderworpen had, en enkelen hunner bleven waarschijnlijk levenslang hun tytel behouden. Onder die Vorsten treffen wy, omstreeks dien zelfden tijd, een Koning van Oost-Engeland aan, die den naam van Edmond droeg, van wien gemeld wordt, dat hy zich door byzondere vroomheid onderscheidde (zoo zelfs, dat hy heilig werd verklaard) en dat hy sneuvelde in den krijg tegen de Denen of Noormannen. En waarom nu, vraag ik, zou het ongelooflijk, waarom niet integendeel zeer aannemelijk zijn, dat onze Boudewijn aan de zijde diens Konings Edmond gestreden zoû hebben tegen diezelfde zeeschuimers, die zijn erfslot in puin verwoest hadden?—Waarom ongelooflijk, dat hy een schoone vorstendochter verleid zoû hebben, hem over zee te volgen?—Er is nog in 1841 wel een Infante van Spanje geweest, die zich heeft laten schaken.—En wie door die redenen niet overtuigd is, die leze de bekoorlijke Romance van Bilderdijk, Het Wiel van Heusden getyteld1, en hy zal niet meer willen twijfelen aan de echtheid van een verhaal, dat de stof tot zulk een meesterstuk van poëzy heeft opgeleverd.

In 870 overleed Boudewijn van Heusden en werd, daar zijn oudste zoon, Edmond, in Engeland by zijn grootvader verbleven en tot grooten staat geraakt was, opgevolgd door zijn tweeden zoon, Robbert II, die tot huisvrouw nam des Graven van Zutfen dochter, welke my veel apokryfer voorkomt dan die Engelsche princes. Robbert streed heel dapper.... in ’t Heilige Land, een anakronismus, aan welken de kronijkschrijvers zich met betrekking tot al de Edele Heeren uit die dagen schuldig maken: hy stierf in 914, en liet de Heerlijkheid na aan zijn zoon Edmond, die getrouwd was met een dochter des Graven van Seyn. ’k Wil ’t liever blind gelooven dan dat ik het zoû gaan onderzoeken.

Op Edmond volgde in 929 zijn zoon Jan I, wiens huisvrouw al wederom een Gravedochter was, en wel van dien van Loon; op Jan I die in 956 overleed, Robert III, die de dochter des Graven van Spanheim tot vrouwe nam, en in 972 stierf: op dezen, Boudewijn II, met een dochter des Graven van Gennep getrouwd.

Hier begint de kronijk een meer historische kleur aan te nemen; en, even als dit met de meeste oude geslachtnamen het geval is, zien wy allengskens de Gravedochters door eenvoudige Jonkvrouwen afgewisseld. Zoo trouwt Jan II, die in 1028 aan de regeering kwam, met Machtelt van Steenvoorde, en Robbert IV, die hem in 1073 opvolgde, met een dochter uit den Huize van Arkel. Boudewijn III, die in 1092 Heer werd, kreeg tot echtgenote een dochter des Graven van der Lippe. Hy stierf in 1100, en liet de Heerlijkheid aan zijn zoon Jan III, met een Jonkvrouwe van Arentsbergh gehuwd. Na Jan III kwam in 1135, zijn zoon Willem, die, in 1153 overleden, Heusden naliet aan zijn broeder Aernout. Deze verwekte by een dochter des Graven van Salm Jan IV, die hem in 1168 opvolgde. Een tweede zoon van Aernout, Boudewijn Knijf geheeten, was de stamvader der Heeren van Heeswijk, en voerde twee raderen van keel op een half sabel half gouden schild.

Op Jan IV volgde in 1192 Robbert V, uit wiens broeder Wouter, bygenaamd Spiering, het geslacht der Spieringen sproot, die een gouden rad in een veld van sabel voerden. Robbert stierf in 1202: hy had by zijn Huisvrouw, een dochter des heeren van Diest, verwekt Jan V, die, tochtgenoot van Graaf Willem van Holland, twee malen het Heilige Land bezocht. Van zijn broeder Willem sproot het geslacht der Hedikhuysens, die een gouden rad op lazuur voerden.

Jan VI, zoon van Jan V en van de dochter des Graven van Vernenburgh, volgde in 1235 zijn vader op; hy zelf verkreeg de hand eener Gravinne van Loon, zuster van dien Graaf van Loon, wiens huwelijk met Ada van Holland zoo veel rampen verwekte. Zijn broeder, die mede den naam droeg van Jan, wordt gezegd de eerste Heer van Veen geweest te zijn.

Meer dan van Jan VI, die in 1279 overleed, valt van zijn zoon Jan VII, te vermelden. Nog naauwelijks was hy aan de regeering gekomen, of hy vond zich in krijg gewikkeld met een machtigen nabuur. Deze was Hertog Jan I van Brabant, die, te recht of te onrecht, zich beklaagde over geweldenarijen, door die van Heusden tegen ingezetenen der Meiery gepleegd, en zijn Drossaart met krijgsbenden afzond om Heusden in te sluiten. De bezetting, ’t ergste duchtende, gaf zich over, en de Hertog, eerlang de stad binnengetrokken, liet er zich tot Heer huldigen: zoo dat Jan VII, wilde hy anders in ’t bezit zijner Heerlijkheid blijven, zich genoodzaakt zag, daarvan hulde te doen aan Brabant, en den Hertog als zijn Leenheer te erkennen. Hierby bleef het niet; toen kort daarna die geweldige oorlog om ’t bezit van Limburg uitbarstte tusschen Reinout van Gelre en Jan van Brabant, toen volgde Jan van Heusden zijn nieuwen Leenheer in den strijd; en met hem togen zijn broeders, Aernout van der Sluyse, die het rad van zilver voerde op het veld van keel, Jan, Heer van Heesbeen, die het rad van goud droeg op een veld van keel, en Diederik, de eenige van zijn geslacht, die niet uit den krijg terug zoû keeren: voorts zijn zonen, Jan, die later zijn opvolger werd, en Aernout, die, ofschoon tot den geestelijken stand behoorende, geen zijner ridderlijken stamgenooten in heldenmoed week. Het was by de banier van Jan van Kuik, dat zy de hunne opstaken, en onder de aanvoering van dien wakkeren krijgsman, dat zy in ’t jaar 1286 den tocht begonnen.

Te Senne

(d. i. Sennewyne, in de Thielerwaard) verhaalt Jan van Heelu in zijn heldendicht,

Te Senne, daer vergadert lagen

Des Graven (van Gelre) lieden te dier tide,

Daer socht se coenlike met stride

Heer Jan van Cuyck met sine gesellen,

Daer men wonder af mach tellen.

Soe eerlike ende soe scone

Waegden syt. Daer was de heere

Van Hoesdinne (Heusden) met ende her Jan

Van Hesbinne (Heesbeen) een vromich man,

Ende van der Sluys her Arnout,

Een coene ridder ende een stout

Ende van Hoesdinne her Dideric.

Hevig was de strijd.

Ende menegen helm mogt men scouwen,

Seere gescoort ende dorhouwen

Eer die sege gewonnen wart.

Ja in den aanvang scheen de kans ongunstig voor den Heer van Kuik te loopen, toen hem Jan uten Hove met zijn Bredasche krijgsknechten ter hulpe kwam. Otto van Bueren en Allart van Driel, die de Gelderschen aanvoerden, werden gevangen, en Tiel, waarop zy ’t gemunt hadden, voor Brabant bewaard. Dan dit gevecht, hoe veel het ook tot den roem der overwinnaars bybracht, was maar een voorspel van den gewichtigen veldslag, waaraan zy later zouden deel nemen. Het was op den 5en July 1288, dat by Woeringen dat hevig samentreffen plaats had tusschen de legers van den Aartsbisschop van Keulen, den Graaf van Luxemburg en dien van Gelre ter eener, en die van den Hertog van Brabant en zijn bondgenooten aan den anderen kant. Reeds zoo menigmalen is die slag beschreven, dat het noodeloos kan geächt worden die beschrijving hier te herhalen: alleen moet hier medegedeeld worden, in hoeverre Heusden en de zijnen aandeel hadden in den zege, door Brabant behaald. De eerste aanval, door den Aartsbisschop gedaan op den linker vleugel, die door Graaf Adolf van den Bergh werd aangevoerd, had dezen doen wijken. Toen was het, dat Kuik, met Arkel en Heusden, de orde hielp herstellen, en den vyand een wijl tot staan bracht. Luxemburg, die mede toegeschoten was, wordt teruggedrongen; doch Bernard van Halloy, tot zijn hulp gekomen, doet voor een wijl de kans wederom keeren. Het was nu, dat drie wakkere helden een nieuwen uitval tegen de Luxemburgers waagden; zy waren de Heer van Frambach, die van Ysele, en

Des heren broeder2 van Hoesdinne,

Arnout hiet hi ende was clerck,

Maer ridderlike was syn werc.

Van groote persse ende meswinde (tegenspoed)

Leet hi: daer bleef ooc een inde

Van sinen nase, dat hi vercochte

Eerlike daer hi den stryt sochte.

Doch niet alleen had Aernout van Heusden zijn neus in den strijd verkocht, of, als wy nu zouden zeggen, verspeeld, zijn vader was in erger gevaar, ja een wijl in ’s vyands handen geweest: men hoore slechts:

Hier noemic nu eenen van de besten,

Die in des hertoghen side

Met banieren was ten stride.

Dat was van Kuc her Jan

Die in den stryt, doe men began,

Comen was in grooten noot.

Met hem waren in syn convoot

Twee baenroetse, twee vromige man,

Beide her Jan ende her Jan

Van Ercle (Arkel) ende van Hoesdinne

Die beide in dien beghinne

Waeren ooc in selke pine

Comen, dat si in scine

Waender mede ondergaen

Dat eerlyc wert wederstaen;

Want het wederbrachte (hy herstelde dit)

Met grooter daden die hi wrachte

Van Kuc die vrome ridder alsoe,

Wert, inder viande side,

Doe die here van Kuc met stride

Overhant dus weder nam

Maer eert alsoe vere quam

Dat hi die plaetse weder wan

Was bleven gevaen her Jan

Van Hoesdinne, die stoute heere

Die hem weerde alsoe seere

Als ridderen mochte doen, met stride

Maer noch doen te dien tide

Reden met so sterken roten

Die gene die gerne hadden genoten

Maselendre (Maaslanders) ende Ruire (Roerlanders)

Dan si vingen3; maer sine baniere4

Bleef gehouden in den tas

Ontploken; met gheninde,

Eerlyc ende wale toten inde:

Want daer waren bi bleven

Vromighe ridderen sinen neven,

Dese hilden met gewout

Van der Sclues her Arnout

Dire vroomster ridder een

Van den conroete, dat wale sceen

Aen groote dade, die hi dede:

Maer daer was syn neve mede

Her Diederic van Hoesdinne

Die men te Ceulen inne

Vueren moeste, na den stryt,

Daer hi sterf in corten tijt.

Want hem coste syn leven

Vromicheit, die hy gedreven

Hadde in den stryt, met groeten daden.

Die siele moet varen te genaden

Soo dat si hemelrike vercrighe!

Hoe en door wie Heusden weder uit de handen der Maaslanders geraakte, wordt niet gemeld; doch by de volkomen nederlaag, die Gelre en zijn bondgenooten leden, mogen wy hoogst waarschijnlijk aannemen, dat hy reeds voor het einde van den slag weder aan de zijnen was teruggegeven.—De opgevolgde vrede tusschen de twistende partyen deed Heusden eerlang weder huiswaart keeren.

Niet weinig had de oorlog, dien zijne naburen tegen elkander voerden, gestrekt om de macht van den wakkeren Floris V, die toen in Holland de gravekroon droeg, te bevestigen. Niet alleen was hy door Hertog Jan, die zijn bondgenootschap zocht, van alle leenhulde voor Zuid-Holland ontheven; maar hy had zich, terwijl het krijgstooneel op een verwijderd grondgebied was overgebracht, in staat gezien, zijn onrustige Edelen te fnuiken, de erfgoederen van de meesten hunner in leen te verkeeren, de Westfriezen te tuchtigen, landbouw en handel in zijn Graafschap te doen bloeien. Wel zag hy zich eerlang in twist gewikkeld met de Zeeuwsche Edelen, en dien ten gevolge met den Graaf van Vlaanderen; doch twee malen werd een zoen getroffen, de eerste reis, door bemiddeling van Hertog Jan, de tweede reis, in 1295, toen deze brave Vorst overleden was, door die van Jan van Kuik.

Het was te dezer gelegenheid, dat Jan van Heusden, ’t zij gewillig, ’t zij door dwang, zijn stad aan Floris opdroeg en weder van hem in leen ontfing. Hoe hy dit kon rijmen met de vroegere opdracht, aan Brabant gedaan, en of die opdracht al dan niet met toestemming van den nieuwen Hertog Jan II geschiedde, zie daar, wat we niet kunnen beslissen. Zeker is het, dat Graaf Floris zijn aanspraak op den tytel van Leenheer niet bloot uit die opdracht ontleende, maar uit een gift, hem door Diederik, Grave van Kleef, in 1290 gedaan. Immers volgends de oude overlevering berustte, als wy gezien hebben, het leenrecht by dezen. Intusschen, de verknochtheid van Heusden aan zijn nieuwen Leenheer was niet van langen duur. Reeds toen smeulde, onder schijn van trouw en dienstbetoon, by een aantal Hollandsche Edelen hevige verbittering tegen den Graaf, die hen van zoo vele voorrechten had beroofd. Die verbittering werd in ’t geheim gevoed door Koning Eduard van Engeland, wiens ongenoegen was opgewekt door de naauwe verbintenis, door Floris met Frankrijk aangegaan. Tot werktuig bediende zich de Koning van Jan van Kuik, die meer dan eens in Engeland geweest was, en zijn vol vertrouwen genoot. Kuik had zich mede genoodzaakt gezien, zijn slot te Tongelare als leen aan Floris op te dragen, en hem dat van ter Horst in vollen eigendom af te staan; en zoo wel hieruit, als uit de geschenken, welke hy van Eduard ontfing, laat zich zijn vijandelijke handelwijze jegends den Graaf verklaren. Heusden, aan wiens zoon Jan hy zijn dochter ten vrouwe geschonken had, was van ouds zijn vriend en wapenbroeder, en liet zich, vermoedelijk door hem, overhalen om aan een geheim verbond tegen Floris deel te nemen. Vroegere schrijvers hebben de reden van Heusdens toetreding tot het verbond toegeschreven aan zijn verbolgenheid, omdat de Graaf de eer zijner dochter zoû hebben geschonden. Latere nasporingen hebben echter bewezen, dat de overlevering op dat punt wel niet op zoo valsche en logenachtige gronden als die betreffende

’t Schandelyck omhelzen,

Het schennen van de spruyt, de schoone bloem van Velsen;—

maar toch evenzeer uit een dwaling is gesproten. De schoone Agneta, voor welke Floris in liefde ontstak, en die hem en ’t Vaderland den edelen Witte van Holland schonk, was wel een telg uit het Huis van Heusden, maar geen dochter van Heer Jan. Haar vader was die Aernout van der Sluyse, van wiens heldendaden voor Woeringen wy vroeger hebben gewach gemaakt, doch wiens naam ons verder in de geschiedenis niet is voorgekomen: en schier alle getuigenissen vereenigen zich, om in Witte geen spruit van bastaardy, maar een zoon uit wettigen echt te erkennen. De geslachtlijst der Elshouten—mede een stam der Heusdens, als wy later zullen zien—vermeldt met ronde woorden, dat Agneta den Graaf huwde: haar zoon voerde van den aanvang af en overal den naam van Witte van Holland, en, wat meer zegt, den leeuw van Holland, gebroken met het rad van van der Sluyse, doch zonder eenig filet of ander teeken van bastaardy: iets dat hy zich niet zoû hebben durven onderstaan, zonder zich aan misdaad van gekwetste majesteit schuldig te maken, indien zijn geboorte onwettig ware geweest. Wat echter van de betrekking tusschen Floris en Agneta zij, genoeg, dat zy de aanleiding niet geweest kan zijn om Heusden in het eed-verbond tegen den Graaf te doen treden.

Onder de diensten, welke Eduard van de Hollandsche Edelen verwachtte, was voornamelijk begrepen het verydelen van het bondgenootschap tusschen Frankrijk en Holland, en hiertoe deed zich geen beter middel aan de hand, dan den Graaf op te lichten en naar Engeland te zenden, terwijl hem dan zijn zoon als vasal van Eduard, zou opvolgen. De afspraak tot het plegen dier schanddaad geschiedde te Bergen-op-Zoom, op een byeenkomst, waartoe Velzen, Woerden, Heusden en anderen door Kuik genoodigd waren. Hier verzekerde hy de wankelmoedigen van den bystand des Konings van Engeland niet alleen, maar ook van die van Hertog Jan II en van Graaf Gwy van Vlaanderen, terwijl hy hen waarborgde, dat zy niets van de zijde van ’s Graven zoon, Jan, die zich in Engeland bevond, te vreezen hadden. Een schriftelijk verbond tot verderf van Floris werd thands bezegeld, en later te Kamerijk het plan nader overwogen en vastgesteld. Kuik wilde nog zijn snood verraad met den schijn van kordaatheid bestempelen, en zond aan Floris een ontzegbrief: of Heusden dit voorbeeld gevolgd heeft, vinden wy niet gemeld: by de gevangenneming en moord des Graven was hy niet tegenwoordig: intusschen schijnt het vrij zeker, ofschoon de kronijkschrijvers het niet bepaald vermelden, dat ook hy ten lande heeft moeten uitwijken, toen de wrekende hand der gerechtigheid de moordenaars vervolgde. Nog beleefde hy ’t, dat Holland aan ’t Huis van Henegouwen verviel, en overleed in den jare 1303. Twee malen was hy gehuwd geweest: de eerste reis met Aleid, ’s Graven dochter van Wybestein, die hem Jan, zijn opvolger gebaard had, en Jan, eersten heer van Drongelen, die een zilveren rad op lazuur voerde: de tweede reis met Ermgard van Wickeloo, die hem mede een zoon schonk, insgelijks Jan geheeten, en die de stamvader werd van het geslacht van Elshout.


Wat Jan VIII betreft, van hem is het zeker, dat hy met Kuik, zijn schoonvader, naar Engeland week en aldaar een geruimen tijd ten dienste van Eduard de wapens tegen Frankrijk voerde. Wy vinden ook, dat hem, voor de diensten aan Engeland bewezen, door Hertog Jan van Brabant, twee duizend pond Tornoois en een rente van honderd pond Brabantsch werden toegezegd. Jaren verliepen er, eer Heusden van zijns vaders erfgoed bezit kwam nemen: en niet lang had hy er genot van, daar hy reeds in 1318 overleed, by zijn tweede gemalin Sofia, van Kranendonk, een zoon nalatende, die hem opvolgde als Jan IX.

Niet geheel zonder tegenkanting schijnt deze laatste aan de regeering te zijn gekomen. Immers er bestaat een handvest van datzelfde jaar 1318, waarin Jan, Heer van Saffenbergh, en zijn vrouw Sofia, die uit het huwelijk van Jan VIII met Margaretha van Kuik geboren was, als wettige Heeren beschikkingen maken, en zich het oppergezach over Heusden aanmatigen. Waarschijnlijk begreep dit echtpaar, dat Jan IX, wiens huwelijk met Cunigunda van Arkel door geen kinderen gezegend werd, hun toch de Heerlijkheid zoû moeten overlaten, en dat het dus maar zaak was, zich by voorraad in ’t bezit daarvan te stellen. ’t Kan echter ook zijn, dat Jan IX zwak van geestvermogens was, en buiten staat zijn goederen zelf te beheeren: weinig vermelden van hem de Kronijkschrijvers, en slechts een hunner bericht, dat hy in ’t Heilige Land tot Ridder zoû geslagen zijn geweest, iets, wat van zoo velen verteld wordt, dat men, vooral by het letten op tijden en omstandigheden er niet dan met groote omzichtigheid geloof aan hechten moet. Jan IX stierf in 1334, en met hem de laatste van die reeks van Heeren, die achtereenvolgends, van vader tot zoon, hun banier van Heusdens torentrans hadden laten waaien.

Sofia van Sassenbergh, die alsnu zijn naaste erfgename was, zocht de Heerlijkheid aan Hertog Jan III van Brabant op te dragen, in de hoop van er wederkeerig ’t verlij van te bekomen; doch de Hertog, die liever de vrije beschikking over Heusden aan zich behouden wilde, sloeg ’t haar af; waarop zy aan den Graaf van Holland, Willem den Goede, haar recht op de Heerlijkheid afstond, en hy haar echtgenoot daarmede verlijdde. Intusschen viel het den Graaf gemakkelijker een verlijbrief te geven, dan de stad-zelve, die reeds van wege den Hertog met krijgsvolk bezet was geworden, aangevoerd door Jan van Elshout. Waarschijnlijk had deze laatste, die toch aan de Heusdens was vermaagschapt, eenige hoop, het leen voor zich te bekomen. Moedig wees hy elken aanval af, dien de Hollandsche benden op den burg beproefden, en dwong hen, met groot verlies weder af te trekken. Ziende, dat hy met geweld niets winnen kon, en ongeneigd wellicht tot een volslagen vredebreuk met Brabant, onderwierp Graaf Willem de zaak aan de beslissing van den Graaf van Gulik, die ten voordeele van den Hertog uitspraak deed: waarop deze de stad en ’t land van Heusden in leen gaf aan den Graaf van Kleef. Wel berustte Sassenbergh niet in deze schikkingen, waardoor hy van zijn aanspraak verstoken was, wel viel hy in Brabant, en plunderde en verbrandde Turnhout; maar hy begreep toch in tijds dat de Hertog een te machtige tegenparty voor hem wezen zou, en stond hem zijn aanspraken af tegen een rente van drie honderd gouden realen, waar de stad ’s Hertogenbosch borg voor bleef.

Dan, intusschen deed zich een nieuwe pretendent op, die op Heusden aanspraak maakte. Deze was Jan van Drongelen, die, oom van Jan IX, en, in geval Heusden niet als een spilleleen beschouwd kon worden, het naaste tot de erfenis gerechtigd was. Vergeefs echter wendde hy zich tot Willem van Holland, om door dezen in zijn aanspraak gehandhaafd te worden. De Graaf wees hem af, en Drongelen stierf, eer hy zijn vermeend recht had kunnen doen gelden; maar hy had het niet opgegeven en het aan zijn zonen nagelaten.

Hertog Jan III, de noodzakelijkheid inziende, om de stad tegen nieuwe aanvallen te dekken, liet in 1340 een aanvang maken met het versterken en vergrooten van het kasteel. Op een afstand van het hoofdgebouw deed hy een hoogen, boven alle andere torens uitstekenden, achtkantigen toren rijzen, die—langs een stevige ophaalbrug, gelegen over een diepe gracht, welke de geheele vest omgaf—gemeenschap had met het ruim betimmerde nederhof, ’t welk niet alleen geschikte woningen voor de dienaars bevatte, maar ook ruime verblijven voor krijgsknechten, en uitgestrekte paardenstallen. Van daar geleidde een tweede zware ophaalbrug tot het kasteel-zelf, van welks groote en luchtige binnenplaats men den toegang had tot talrijke vertrekken, waaronder vooral de ridderzaal uitmuntte. Een onderaardsch gewelf, waarvan de opening potvormig in het midden van het binnenplein uitkwam, verstrekte tot gevangenis.

Het was echter eerst onder de regeering van ’s Hertogen dochter en opvolgster Johanna, dat de vergrooting van het Kasteel geheel voltooid werd: en zoo aanzienlijk waren de onkosten, daaraan besteed, dat Brabant er tot driemaal toe voor geschat werd.

Hoe vaster en prachtiger intusschen de burcht opgebouwd, en hoe sterker de plaats—hoe meer begeerlijk haar bezit geworden was: en geen wonder, dat die van Holland haar niet dan met leede oogen in de macht des Hertogs bleven zien. Willem III, hoezeer hy van den Graaf van Kleef diens rechten op Heusden had afgekocht, had zijn aanspraken na den gesloten vrede wel niet laten gelden; doch zijn opvolgers zochten alleen naar een geschikte gelegenheid om die te doen herleven. Willem van Drongelen, even als zijn vader Jan hakende naar ’t bezit van wat hy oordeelde, hem naar erfrecht te behoorden, liet niet na, den wrevel der Hollanders te voeden, en het vuur van tweedracht tusschen hen en de Brabanders aan te stoken. Strooptochten over en weder waren niet ongewoon: en het waren alsdan doorgaands Willem van Drongelen en zijn zonen, die de Zuid-Hollanders aanvoerden. Eens echter had er een samentreffen plaats der beide partyen, waarby met ongewone hevigheid gestreden werd. De Hollanders behielden de overhand; doch die gekocht werd met het bloed van Robbert van Drongelen, den oudsten zoon des mans, die hen tot den strijd had aangespoord.

De staat van zaken was echter met betrekking tot Heusden de zelfde gebleven, toen in 1355 Jan III overleed, en zijn dochter Johanna, gade van Wenceslaus van Luxemburg hem in ’t Hertogdom opvolgde. Naauwlijks echter waren de beide echtgenooten plechtig ingehuldigd, toen de Graaf van Vlaanderen, verbitterd, dat zy hem gelden onthielden, welke zy hem wettig schuldig waren, plotseling den vollen prijs eischte, waarvoor hy, tien jaren te voren, zijn recht op Mechelen aan Hertog Jan III had afgestaan, en die nog niet voldaan was. Vruchteloos waren alle onderhandelingen, tot vereffening van den twist gehouden. De krijg begon: de Vlamingen rukten, terwijl Wenceslaus te Maastricht zijn tijd in werkeloosheid doorbracht, Brabant binnen, vermeesterden Brussel, Leuven, en een aantal andere plaatsen, en brachten Wenceslaus op den rand des verderfs. De moed van Evert ’Tserclaes, die Brussel weêr verraste, deed de krijgkans keeren, en bracht eerlang geheel Brabant onder ’t gezach van Wenceslaus terug. Niet te min bleef de Graaf van Vlaanderen den krijg met afgewisseld geluk voortzetten, tot partyen, het strijden moede, besloten hun geschil aan de bemiddeling van Graaf Willem V van Holland te onderwerpen. Met blijdschap nam deze het voorstel aan, zich daarby ten stelligsten voornemende, om in elk geval te zorgen, dat, welke der beide partyen zich ook over zijn uitspraak beklagen mocht, hy-zelf er wel by varen zoû. Hy begon daarom met aan Wenceslaus den afstand van Heusden als voorwaarde te stellen, zonder welken hy zich niet met de zaak bemoeien wilde. Die eisch werd toegestaan: hy nam het ambt van middelaar aan, en, hoezeer de vrede, welken hy tot stand bracht, alles behalven eervol voor die van Brabant was, hy wees echter Wenceslaus Mechelen toe, tegen allen schijn van billijkheid, en tot verbazing van hen, die hem niet hadden hooren zeggen tot den Hertog: »Heusden mijn, Mechelen dijn;” woorden die van dien tijd af tot een spreekwoord werden, dat zoo veel gold als: »de eene dienst is de andere waard.”

Nu was Heusden met Holland vereenigd; maar ook Willem van Drongelen moest te vrede gesteld worden. Wel kwam het den Graaf niet in de gedachte, hem de Heerlijkheid-zelve in leen af te staan, welke hy liever voor zich behield; maar hy kon hem echter zijn aandeel in den zoo gemakkelijk verworven buit niet onthouden; en hy had te zorgen bovendien, dat voortaan alle geschil betreffende den wettigen eigendom van Heusden voor goed uit ware. Hy schonk daarom aan de Heeren van Drongelen de Heerlijkheid van Eethen en Meeuwen tot een Hollandsch erfleen, en stelde Jan van Drongelen tot Baljuw van Zuid-Holland aan, onder voorwaarden, dat zy van alle aanspraken op Stad, Slot en Heerlijkheid van Heusden voor eeuwig afstand deden ten zijnen behoeve. Wat zouden de Drongelens doen? Zy onderwierpen zich aan wat zy niet beletten konden. En dit was in hun geval wel het wijste.

Nu dacht Graaf Willem de rust der Heerlijkheid voor goed verzekerd te hebben!—en echter, geen drie jaren waren er verloopen, of Heusden moest de ellende des oorlogs ondervinden. Wel waren het deze reize geene aanspraken op erf- of domeinrecht die den krijg ontstaken, maar de gevolgen van binnenlandsche verdeeldheid. Willem V, krankzinnig geworden, was van de regeering ontzet. Zijn broeder, Hertog Aelbrecht, had, Ruwaard geworden, de Kabeljauwschen van de bedieningen, die zy bekleedden, verstoken, en die aan de Hoekschen geschonken. Maar niet geduldig hadden de eerstgenoemden zich die vernedering getroost. Heemskerk riep Kennemerland in de wapens, Delft stond openlijk tegen den Ruwaard op, en Floris van Borselen bracht Zeeland in rep en roer.

Laatstgenoemde Edelman was door Willem V tot Burggraaf van Heusden aangesteld; hy maakte zich meester van het zegel en de papieren des Graven, en borg die met eenige kleinodiën op het slot. Daar werd hy door Hertog Aelbrecht belegerd, en genoodzaakt zich by verdrag over te geven. Maar kort was de rust, welke Heusden genoot. Toen in ’t zelfde jaar Delft zich aan den Graaf moest onderwerpen, namen eenige Edelen, die den opstandelingen hulp hadden geboden, en waaronder Gijsbert van Nyenrode en Jan Kervena genoemd worden, de wijk naar Heusden en verschansten zich op ’t slot. Op nieuw werd dit belegerd; doch zoo hardnekkig was de verdediging, dat Nyenrode en de zijnen het een rond jaar tegen de macht van Aelbrecht uithielden. Toen werd er, door bemiddeling van Otto van Arkel een zoen getroffen, en de belegerden in genade aangenomen, onder voorwaarde van binnen twee jaren naar Jeruzalem in bedevaart te gaan.

Na ’t vermelden dezer gebeurtenis zwijgen de Kronijken een tijd lang over Heusden, of bepalen zich tot het gewagen van eenige handvesten, door Aelbrecht of door zijn opvolger Willem van Beyeren aan de stad geschonken, en van eenige stichtingen, aldaar door den tot Kastelein aangestelden Willem van Kroonenburg gedaan. By het uitbarsten van den twist tusschen Hertog Jan van Beyeren en Gravin Jakoba, hield Heusden de zijde des eerstgenoemden, als uit een handvest blijkt, door hem ten jare 1419 aan de stad geschonken; doch in ’t volgend jaar verscheen Jakoba met haar krijgsvolk voor de stad. De inwoners, voor een storm beducht, openden haar de poorten; en zy vertoefde een tijd lang op het slot; haar verblijf gaf den kronijkschrijvers van Heusden stof tot gelijke verhalen, als door anderen ten opzichte van haar gevangenschap op Teylingen worden opgedischt; namelijk, dat zy gewoon was, goed te drinken, en alle kannetjens, na ze geledigd te hebben, over ’t hoofd in de slotgracht te werpen. Men weet, dat hieruit later het laffe volkssprookjen ontstaan, en zelfs door Wagenaar en andere deftige schrijvers nagepraat is, als zoude zy zich zelve onledig gehouden hebben met het fabriceeren van dergelijke kannetjens. Wat my betreft, ik geloof noch aan de eene noch aan de andere vertelling, althands zoo lang men daar geen beteren grond voor aanvoert, dan het vinden van aarden kannetjens in de grachten van kasteelen.

In 1446 werden de President of Stadhouder van Holland, Gozewijn de Wilde, en Filip Banjaart, Kastelein van het slot te Medemblik, die elkander van een schandelijke wandaad beticht hadden, te Heusden gevangen gezet. De eerste werd naderhand te Loevestein onthoofd, en de andere vrijgelaten.

Sedert Filips van Bourgondiën de Hertogskroon van Brabant en de Gravenkroon van Holland tevens droeg, kon er wel geen twijfel bestaan, of Heusden hem als zijn Heer erkennen moest, maar ontstond er van tijd tot tijd weder verschil, over de vraag, in welke hoedanigheid zulks geschiedde. Immers, toen Graaf Jan van Nassau, Heer van Breda, na ’t overlijden van Dirk van Merwede door Filips tot kastelein van Heusden werd aangesteld, brachten die van Holland bezwaren daartegen in, op grond dat gemelde Graaf Drossaart van Brabant was, en die aanstelling schijnbaar te kennen gaf, dat Heusden gerekend werd onder Brabant te behooren. Filips begreep zich echter aan die bezwaren niet te moeten stooren, maar gaf by besluit van 18 December 1447 aan die van Heusden te kennen, dat zy Grave Jan zouden hebben te gehoorzamen, zonder daaruit af te leiden dat zy meer aan Brabant dan aan Holland verbonden waren; terwijl hy de vraag, onder welke Souvereiniteit de plaats behoorde, geheel in ’t midden liet. Het vraagpunt bleef alzoo hangende, en, wat opmerking verdient, terwijl de Staten van Brabant voortdurend, ter gelegenheid der blijde inkomsten, hunne Vorsten lieten zweeren, dat zy Heusden weder aan Brabant zouden hechten, lieten die van Holland hen ter zelfder gelegenheid zweeren, dat zy het nooit van Holland zouden scheiden.

In den Gelderschen oorlog, die in ’t jaar 1497 begon, had het platte land rondom Heusden veel van de Gelderschen onder den Overste Boudewijn te lijden; doch die van Heusden versloegen hen tusschen Herp en Hedikhuizen; by welke gelegenheid zy, hetgeen zeldzaam is, een grooter getal vyanden gevangen maakten dan zy zelve sterk waren. Boudewijn zelf sneuvelde te dier gelegenheid, en werd met meer Gelderschen begraven, ter plaatse, die sedert den naam van Boukens-kerkhof droeg. Men wil, dat het er daarna geweldig spookte, van waar nog lang de spreekwijze in zwang bleef: »’t Spookt als Boukens geest.”

Het was ook te Heusden, dat, op den 4en July 1524, een stilstand van wapenen tusschen de Gelderschen en Borgondiërs gesloten werd: en vijftien jaar later had de stad het voorrecht, Keizer Karel V binnen haar muren te begroeten, wien zy een zekere hoeveelheid Rijnwijn vereerde. Dan, in 1542 vertoonde zich een min welkome bezoeker voor de poort, en wel geen ander dan de gevreesde Maarten van Rossum, die zich niet met een weinig Rijnwijn paaien liet, maar eerst tegen voldoening eener aanzienlijke geldsom weder aftrok.

Geen jaar meer duurde het echter, of al de Nederlanden waren onder Keizer Karel gebracht, en mochten zich een geruimen tijd in ’t genot eener zoete rust verheugen. Op den 24en September 1549 was het wederom feest op het hooge slot te Heusden: de pektonnen brandden op de burchtpleinen: wimpels, banieren en feestlantaarnen werden uitgestoken van de tinnen: muziek en gezang weêrgalmden langs de straten, en blijde begroette de stad haar toekomstigen Heer, Prins Filips, des Keizers zoon, die zijn aanstaande Nederlandsche onderdanen met een bezoek vereerde. Die hem toen als Kastelein-Drossaart de sleutels der stad aanbood was Jonker Gerard Spieringh van Wel, uit het geslacht van Heusden gesproten, en in 1533 in gemelde hoedanigheid opgevolgd aan Jonker Wynand Maschareel.

Toen Alva in de Nederlanden kwam, en alle vaste plaatsen door zijne troepen in bedwang werden gehouden, ontfing Heusden een bezetting Albaneesche ruiters, gemeenlijk Roodrokken genoemd, onder Nicolao de Basto, en werd de burgery met den last bezwaard, om hen van den noodigen leeftocht en voeragie te verzorgen. Reeds dit op zich-zelf was lastig en onaangenaam; doch nog minder te verdragen was de trots en moedwil dier woeste vreemdelingen, waarvan onder anderen drie burgers, Geraert Geraertsen van Ghesel, Jan Bruer en Huybert Leendertsz Goudsmit, de slachtoffers werden, die op 24 Mei 1567 buiten de Oud-Heusdensche poort jammerlijk door eenige beschonken ruiters werden vermoord. Wel raakten de Heusdeners van die lastige gasten ontslagen; maar op den 17en January 1569 bekwamen zy Francisco Vargas met een vendel Spanjaarts in hun plaats, die er insgelijks vrij onbehoorlijk huis hielden.

De Heusdensche kronijken brengen tot dat zelfde jaar 1569 een poging, door de anti-Spaansche party aangewend, om Heusden te verrassen. Op een tijdstip namelijk, dat er geen bezetting lag, trok de Hopman Waerdenburgh met Joost Hoeck (een uitgeweken Heusdenaar) en eenig volk de stad binnen: waarop de Drossaert Spieringh, bygenaamd Quaedtael, met eenige arbeidslieden op ’t kasteel weken. Hier werd hy door Waardenburg belegerd; doch toen deze het buskruit aan zijn volk uitdeelde, gebeurde het, dat door onvoorzichtigheid een brandende lont in een buskruitvaatjen viel, en een ontploffing veroorzaakte, ten gevolge waarvan niet alleen een menigte volks gekwetst raakte, maar ook schier het derde deel der stad afbrandde, benevens de Katharynekerk en ’t Raadhuis. De krygsbende, die uit nieuw geworven en saamgeraapt volk bestond, was door het gebeurde zoo ontsteld, dat zy uit de stad week, en om geen belegering meer dacht. Wel wist de Hopman hen te overreden om terug te keeren; doch na eenigen tijd toevens zag hy zich genoodzaakt, Heusden weder te verlaten, op de aankomst van Jan Hol, opperste Ritmeester des Hertogen van Holstein, die op 16 September met troepen uit ’s Hertogenbosch was afgezonden. Hoewel als vriend te Heusden ontfangen, beäntwoordde hy het onthaal slecht, en plunderde de stad; terwijl ettelijken van Waerdenburghs volk door de zijnen achterhaald en gedood werden. Vier dagen later kwam de Hertog van Holstein zelf binnen Heusden, ontfing de inwoners in genade, en nam hun den eed van getrouwheid af, terwijl er voorts aldaar afwisselend Duitsche en Waalsche bezetting bleef.

Wy vermelden het feit, zoo als het door de kronijkschrijvers is opgegeven. Alleen mogen wy de opmerking maken, dat het jaartal ons apokryf voorkomt. Immers de eerste pogingen, door Oranje, Graaf Lodewijk en anderen aangewend, om de Nederlanden van Alvaas juk te bevrijden, waren in 1568 reeds verydeld geworden en werden—te lande namelijk—niet voor 1572 hernieuwd. In 1569 heerschte hier betrekkelijke rust, en een op zich zelf staande aanslag op een binnenstad als Heusden zou belachlijk zijn geweest, en tot niets hebben kunnen leiden. De gebeurtenis moet dus of veel vroeger plaats gehad en in verband gestaan hebben met den inval, door Hoogstraten en Kuilenburg in Gelderland beproefd:—of later, na 1572: welk laatste men schier zoude aannemen, omdat Spieringh van Wel, genaamd Quaedtael, eerst in 1571 zijn vader als Kastelein-Drossaart opvolgde. Waarschijnlijk heeft het verbranden van het Stadhuis, met de aldaar bewaarde registers en archieven, de verwarring in de opgave van het jaartal veroorzaakt.

Nog sluit zich aan het hier gegeven verhaal een ander, ’t welk wy elders vinden, en waarin vermeld wordt, hoe Joost Hoeck en de Heusdeners, die met hem uitgeweken waren, zich dapper weerden by ’t beleg van Bommeneede; doch, by ’t innemen der stad door de Spaanschen op den 25 October 1575, met de overige bezettelingen om ’t leven werden gebracht.

Het was ook aan een afstammeling uit het geslacht van Heusden, dat Walcheren zijn bevrijding van ’t Spaansche juk te danken had, en wel aan Jan van Kuik, Heer van Herp, die in 1571 Vlissingen tot ’s Prinsen zijde deed overslaan; voor welke kloeke daad hy later met de Heerlijkheid Domburg beleend werd.

Eerst in 1577 werd Heusden, ten gevolge der Pacifikatie van Gent, van vreemde bezetting ontslagen. Kort daarna trokken de Kastelein-Drossaart en de Schout naar Brabant metter woon, en werd in de plaats van eerstgemelde aangesteld Jonker Johan Bax, een der leden uit dat geslacht van krijgshelden, zoo beroemd in onze militaire oirkonden. Reeds twee jaren daarna werd hem gelegenheid verschaft, zijn wakkerheid te toonen, toen Parma, na ’t innemen van Maastricht, Valdez afzond om Heusden te verrassen. Reeds had hy geduchte toebereidselen gemaakt ter belegering; en de pogingen, door Bax gedaan, om het omliggende land onder water te zetten, werden verydeld door den lagen stand der rivier, toen er gelukkig een stormwind opstak, die het water tot een verbazende hoogte rijzen deed, zoodat de dijk buiten de Herpsche poort doorbrak, en de vyand genoeg te doen had om het instroomende water door een snelle vlucht te ontkomen.

Hoezeer, als wy gezien hebben, de stad in 1577 de Pacifikatie aannam, bleef de Roomsche Godsdienst nog een tijd lang de heerschende en werd de Hervormde leer alleen op ’t kasteel gepredikt. In ’t jaar 1579 echter werden, voornamelijk door toedoen van eenige naar Heusden geweken Bosschenaars, de beelden en andere voorwerpen van eeredienst uit de kerken genomen, en de nieuwe leer zonder opschudding ingevoerd.

In 1588 leed Heusden wederom last; doch deze reis niet van een vyand van buiten. Leycester had de stad met een zware bezetting voorzien, onder bevel van Christoffel van Ysselstein. De wanbetaling der soldij bracht hier, gelijk in vele andere steden, de troepen aan ’t muiten: de stadsregeering werd op het raadhuis gevangen gezet, en Ysselstein zelf op ’t kasteel belegerd. Het oproer duurde van 31 January tot 23 Maart, toen het Nikolaas Blanckaert, die in 1584 aan Bax als Kastelein-Drossaart was opgevolgd, en den Burgemeester Dierck Hamel Diercksz gelukte, de rust te herstellen.

Sedert er voortdurend Staatsche bezetting binnen Heusden lag, onthield zich de Drossaart niet langer op ’t kasteel, maar liet, waarschijnlijk om alle konflikt van gezach te vermijden, het verblijf aldaar over aan den Kommandant. Karel van Levin, Heer van Famars, had Ysselstein als zoodanig vervangen, toen Graaf Karel van Mansveld zich in 1589 aan ’t hoofd van een aanzienlijk leger voor de stad vertoonde en haar in ’s Konings naam opeischte. De bezetting was op dat tijdstip zwak, en Famars drong by Prins Maurits aan op versterking. Deze voldeed gereedelijk aan het verzoek, en liet, niet ver van Hedikhuizen, eenige benden over de Maas voeren; maar nu kwam het er nog op aan, hoe men die binnen de stad zoû brengen, welke reeds door den vyand was ingesloten. Het eenige middel daartoe was, zich, met de wapens in de vuist, een weg door de Spaanschen en hun verschansingen heen te banen: dit werd beproefd, en, hoezeer niet dan na een hardnekkig gevecht, en verlies van vrij wat volk, met een gewenschten uitslag bekroond. De plaats, waar dit gevecht voorviel, bewaart nog in haar naam het aandenken van dezen strijd, en heet de Spanjaartsslag. Vijf maanden en twee dagen stond de stad het beleg door, zich alleen tot verdediging bepalende, daar de rondom liggende schansen te Doeveren, Elshout en Hemert alle door den vyand bemachtigd waren; doch toen kwamen de winter en vooral het wassende water den Staatschen te hulp, zoodat de troepen van Mansveld zich niet alleen gedwongen zagen van allen verderen aanval af te zien, maar zelfs het beleg op te breken. De schansen, door hen bezet, werden in ’t volgende jaar door Maurits ingenomen.

Een aandoenlijke plechtigheid viel op den 20en Oktober 1603 te Heusden voor: namelijk de begrafenis van den wakkeren en beweenden krijgsoverste Olivier van den Tempel, Heer van Corbecke, die voor ’s Hertogenbosch door een kanonschot van ’t leven was beroofd geworden. Het lichaam werd met groote staatsie in de Groote kerk ter aarde besteld, en de laatste eer aan den overledene bewezen door Prins Maurits, Grave Willem van Nassau, den Vorst van Anholt, en een aanzienlijk getal krijgshoofden en voorname Heeren.

Op den 6en September 1614 had een zware doorbraak plaats, door welke al de steenwerken buiten de Wijksche poort wegspoelden. In 1623 zond de Landvoogdes Izabella heimelijk zekeren Priester, Michiel van Ophoven genaamd, Prior der Preekheeren te Antwerpen, tot Willem Adriaan van Hoorne, Heer van Kessel, destijds Gouverneur der stad, met belofte, dat, indien hy Heusden in hare handen leverde, zy hem den tytel van Graaf van Hoorne, de ridderorde van ’t Gulden Vlies, en een aanzienlijke geldsom zou verstrekken, alsmede zijn kinderen tot hoogen rang verheffen. Kessel, dit voorstel gehoord hebbende, wees het met fierheid van de hand, zeggende, dat hy om al de schatten des Konings van Spanje geen verrader worden zoû; terwijl hy voorts den Prior aanzeide, dat hy zijn gevangen blijven moest. Werkelijk werd dan ook Ophoven naar den Hage gezonden, waar hy ruim anderhalf jaar op de voorpoort gevangen zat, en toen werd uitgewisseld. Hy werd later Bisschop van ’s Hertogenbosch, en bleef zulks tot aan de verovering dier stad door Frederik Hendrik.

Gedurende het beleg van Breda door Spinola, in de jaren 1624 en 1625, werden in de naaste grensvestingen Bezettingen gelegd, uit vrijwilligers van de Burgeryen: en zoo viel aan die van Haarlem en aan eenige Hagenaars het lot te beurt, in Heusden gelegerd te worden. Deze bezettelingen waren aangevoerd door Jan Klaasz. Loo, Burgemeester van Haarlem, als Kolonel. Hun optocht werd, nevens een gezicht op de stad Heusden, in ’t koper gebracht door den beroemden Matham.

Gedurende het beleg van ’s Hertogenbosch, in den jare 1629, werden nogmaals te Heusden twee voor die stad gevallen krijgshelden begraven: de een was de Ritmeester Nikolaas Smeetsing, die zes-en-dertig jaren den Lande gediend, het Luitenant Gouverneurschap over de steden van Overyssel voor den Prins van Oranje, en het Voorzitterschap van den krijgsraad bekleed had. Zijn lichaam, geleid door den Vorst van Nassau, de Graven Ernst en Willem van Nassau, en andere Legerhoofden, werd in Mei van genoemd jaar in ’t zelfde graf gelegd, waarin Olivier van den Tempel begraven was.—De andere was de Kolonel Louis de Levin, Heer van Famars, zoon van den reeds genoemden Charles de Levin, en broeder van Filips de Levin, die beiden Gouverneurs van Heusden waren geweest. Onder ’t doen eener ronde in den rug door een kogel getroffen, was hy in de zelfde nacht overleden. Zijn lijk werd tot buiten het leger vergezelschapt door den Prins van Oranje, den Koning van Bohemen, en de meeste krijgsoversten.

Meer dan ooit in den loop van dertig jaren werd de stad door hevige pestkoortsen aangetast: de eerste reis in 1624 en 25, toen er wekelijks van twintig tot dertig menschen stierven: de tweede in 1634–35, en de derde reis in 1664.

In den jare 1666 sloeg de bliksem in den hoogen burchttoren, doch werd gebluscht, tot groot geluk voor de inwoners, aangezien het kruitmagazijn daar onder was, en door het openslaan der deuren groot gevaar liep. Wy zullen zoo aanstonds zien, dat deze waarschuwing, die aanleiding tot het nemen van betere voorzorgen had moeten geven, geheel vruchteloos bleef.

Het verdient opmerking, dat Heusden, nadat het Staatsch geworden was, noch in den oorlog tegen Spanje, noch in dien tegen Frankrijk gevoerd, het lot ondervond, dat byna alle andere grenssteden en zoovele landsteden te beurt viel, van namelijk in handen van den vyand te geraken, en dat alle daartoe aangewende pogingen vruchteloos afliepen. Merkwaardig vooral was dit in den jare 1672, toen, by de algemeene flaauwhartigheid der ingezetenen, schier alle rondom Heusden gelegen plaatsen door de Franschen bezet waren geworden. Op zekeren Zondag van gemeld jaar was een troep van ongeveer tachtig man, die een toeleg op Heusden in den zin had, in ’t dorp Baartwyk gekomen, dat ongeveer een uur gaands van daar gelegen is. Zy vroegen eenen huisman den weg naar de stad, hem daarby te kennen gevende, dat zy onderricht waren, voorby zekere schans te moeten trekken, waarmede zy de Elswoutsche schans bedoelden, langs welke zy over Oud-Heusden wellicht ongemerkt in de stad hadden kunnen komen. De boer echter, ’t zij uit misverstand, ’t zij met opzet, wees hun den weg aan door de Baartwyksche steeg op het dorp Doeveren, waar mede een schans lag, toen geslecht, en zoo tot Heesbeen. Hier gekomen, zonden zy twee trompetters naar de stad, die, voor de Wijksche poort gekomen, Heusden in naam des Konings opeischten. Maar de sergeant, die er toen de wacht had, gaf hun dit moedig bescheid, dat er kruid en lood genoeg binnen de stad was, om hun eisch voeglijk te beäntwoorden, waarna hy hen verjaagde, de valbrug liet ophalen, en de poort sluiten. De gandsche stad geraakte in de wapenen: de schuttery wedyverde met de bezettelingen in yver: het geschut werd op den wal geplaatst, en de vyanden, hun toeleg mislukt ziende, dropen af met schande. Intusschen deed het gebeurde de aandacht der Staten op Heusden vestigen, en werd het Gouverneurschap over die stad, ’t welk sedert 1663 door den Heer van Schagen, by wijze van sinecure, bekleed was geworden, aan den Veldmaarschalk Paulus Würtz opgedragen, die er een tijdlang in persoon aanwezig bleef.

Het was omtrent dezen zelfden tijd, dat zekere Heusdenaar, Jan Beens genaamd, zich voor eenig werk buiten de stad begeven moest. Een vuurroer om den schouder gehangen hebbende, toog hy de poort uit, toen hy, te Heesbeen gekomen, Fransche soldaten bespeurde. Hen willende ontwijken, sloeg hy een pad in, dat hem naar Genderen brengen moest; doch in de zoogenaamde Groensteeg gekomen, reed hem een Fransch ruiter te gemoet, die hem reeds van verre toeschreeuwde, dat hy staan moest en zich gevangen geven. Hiertoe wilde echter Jan Beens niet besluiten, die naar een hek terug week en zich daarachter verborg. De Franschman naderde, greep zijn karabijn, en loste die op Jan Beens, maar trof alleen eene der hekstijlen, waarop de Heusdenaar, zijn kans waarnemende, met zijn snaphaan op den ruiter aanlegde, hem van ’t paard deed tuimelen, overweldigde, gevangen nam, en met paard en rusting, tot aller verwondering, binnen Heusden voerde.

De moed, door de Heusdenaars betoond, en de sterkte der plaats, hadden waarschijnlijk aan de Franschen de lust ontnomen een nieuwen aanval te beproeven, en de stad leed dan ook minder dan andere van de rampen van den krijg.

Maar van droeviger gevolg dan het onweer van 1666 was een onweer dat op den 24en July des jaars 1680 boven Heusden losbarstte, wanneer de bliksem andermaal in den grooten achtkantigen toren sloeg. Het buskruit, dat daaronder in diepe gewelven bewaard werd, geraakte in vlam, en de toren niet alleen, maar het grootste gedeelte des kasteels, van zijn grondvesten afgerukt, sprong met een schrikkelijken slag uit elkander. Verscheiden huizen in de nabyheid werden door dien schok het onderst boven gesmeten; in velen daarvan vond men vijf tot zes dooden, jammerlijk omgekomen onder ’t puin hunner verbrijzelde woningen. Slechts enkelen, onder de opgerukte steenen gered, doch meest deerlijk gekwetst en gekneusd, behielden ’t leven. Het jammer, de schade en de ellende waren groot; want van de geheele straat, omtrent het kasteel gelegen, was byna niet een huis overeind gebleven. De plaats, waar de kruittoren gestaan had, was veranderd in een diepen kolk, vol zwart water, ’t welk, door het geweld des poeders beroerd, al borrelende scheen te koken. En toch, hoe ijsselijk de verwoesting was, nog moest men het gelukkig noemen, dat het losgebarsten buspoeder zijn meeste uitwerking van de stadszijde af en buitenwaart gedaan had: dewijl anders de stad een algeheele vernieling zou hebben ondergaan.

Aan Willem Adriaan, Grave van Hornes, die Würtz als Gouverneur vervangen had, volgde in 1688 Daniel de Tafin de Torsay. Tijdens diens bestuur werd de stad door het aanleggen van sterke beeren en schutsluizen tegen overstrooming beveiligd, en nieuwe vestingwerken aangelegd, terwijl een der torens tot kruitmagazijn werd ingericht. Na het overlijden van Tafin, in 1709, werd Johan Theodoor Baron van Friesheim tot Gouverneur aangesteld, welke betrekking hy in 1723 tegen die van Gouverneur van ’s Hertogenbosch verwisselde. Hem vervingen achtereenvolgends in ’t zelfde jaar Jacob Harduïn Palm en Statius Filip Grave tot Benthem.

De stad Heusden, die, by de vestiging van het Gemeenebest, op de Dagvaarten beschreven werd en teekende vóor Purmerend, had zich, even als vele andere kleinere Steden, dit recht—waarvan de uitoefening met geen geringe kosten gepaard ging—van lieverlede laten ontnemen. Ten tijde der troebelen van 1787 deed zy echter deze aanspraken weder gelden, ’t welk de toenmalige Staten niet weinig in verlegenheid bracht, om het voorbeeld, dat hierdoor aan andere kleine Steden zou gegeven worden. De zaak werd slepende gehouden, en weldra deden gewichtige gebeurtenissen het geheele vraagpunt van zelf vervallen. De oorlog tegen Frankrijk was uitgebarsten. De Franschen, in 1793 in ons Land gevallen, hadden Breda en Geertruidenberg veroverd, en eischten nu ook Heusden op. Die eisch werd echter afgeslagen, daar de stad zich in genoegzamen staat van tegenweer bevond. De vestingwerken toch waren sterk, de schansen te Doeveren en Hemert in goede orde, en de Bezetting boven de 2000 man sterk. De Erfprins van Oranje (later Koning Willem I) kwam zelf in de nacht van 10 Maart te Heusden zijn hoofdkwartier vestigen, doch bleef er niet lang, en werd door zijn broeder Frederik vervangen.

Misten de Franschen te dier gelegenheid hun kans, in ’t volgende jaar waren zy voorspoediger: zy hadden op 9 Oktober den Bosch overmeesterd, en men was te Heusden hun aanval verwachtende; weshalve men, ter meerdere bevestiging, een doorsnijding in den hoogen Maasdijk te Hedikhuizen gemaakt had. Inmiddels was de gemeenschap met Holland, door de om Heusden zwervende of gelegerde Franschen, afgesneden; de vorst viel met buitengewone strengheid in, en de middelen tot verdediging werden hierdoor grootendeels verzwakt. Van Liesvelt, die het bevel over de bezetting voerde, ziende, dat het ijs de onder-water-zetting nutteloos maakte, gelastte den burgeren, gezamentlijk met zijn krijgsvolk, de stadsgrachten en de Maas open te houden, waarmede, den 28sten December, door veertig burgers tevens, een aanvang werd gemaakt. Het leed tot in het begin van January 1795, dat de bezetting in ’t ongewisse bleef, of de vyand het inderdaad op Heusden gemunt had. Dan op den vijfden dier maand deed de Generaal Daendels de vesting opeischen, met bedreiging van storm te zullen loopen indien men niet gewillig de poorten voor hem openstelde. Zelfs liet hy aan een hem toegezonden officier zijn gemaakte voorbereidselen zien, ten bewijze, dat zijn dreigen geen ijdele grootspraak was. Niettemin sloeg men den eisch af: waarop het beschieten der stad op den negenden een aanvang nam, en tot den twaalfden voortduurde. De stad werd nogmaals opgeëischt: de Kommandant, na zich nevens zijn volk verbonden te hebben, in geen jaar en zes weken tegen de Franschen te zullen dienen, verkreeg een vrijen uittocht, met achterlating van een verbazenden voorraad krijgs- en mondbehoeften, welke Daendels in handen vielen.

Onder het bewind van Napoleon lagen er veteranen in bezetting te Heusden, die in 1813, op het gerucht van de aannadering der Pruissen, de stad verlieten. Naauwlijks waren zy de Herptsche poort uitgetrokken of de Pruissen rukten die binnen. Nu scheen Heusden eensklaps uit den doodslaap, waarin het gedurende achttien jaren was verzonken geweest, herrezen, en in een wapenplaats herschapen te zijn. Duizenden van Russen en Pruissen stroomden er beurtelings in en uit, en de Generaal Bulow had er een tijd lang zijn hoofdkwartier.

Maar weldra zou de tijd aanbreken, dat Heusden uit den rij van Neêrlands sterke plaatsen verdwijnen moest. In 1821 werd de stad ontmanteld, de bolwerken en ravelijnen aan partikulieren verhuurd en tot warmoeziersland aangelegd. Alleen bleef er nog een kazerne bestaan, die in 1837 belangrijke herstellingen onderging: voorts een arsenaal en artillerieloods; terwijl een nieuwe affuitloods op het Burchtplein gebouwd werd. De eenig overgebleven zijtoren en de kelders van het oude slot werden tot een bomvrij kruitmagazijn ingericht, en vertoonen zich thands nog als een vierkant gevaarte zonder kap, maar met zware muren en diepe gewelven; terwijl het plein, daarnevens, met iepenboomen bezet, een fraaie wandeling oplevert.


1 Voorkomende in den Muzen Almanak van 1821, pag. 149.

2 Namelijk van Jan VIII die regeerde, toen Heelu schreef; want Aernout, broeder van Jan VII, was geen klerk.

3 De zin is: »die liever zich (genoten) vereenigd hadden, dan den Heer van Heusden te vangen.

4 Die van Heusden namelijk.