Het Kasteel te Gemert.

De witte mantel met het roode kruis, die kenmerkende dracht des roemruchtigen Tempeliers, was reeds lang in de wentelende golven van den tijdstroom ondergegaan, of liever: in de vlammen, door Clemens den Vijfde en Filips den Schoone ontstoken, verteerd—toen eene andere Ridder-orde, jonger van erkenning, maar weinig minder beroemd dan die van den Tempel, nog in vollen bloei stond: wy bedoelen de Orde der Marianen of Duitsche Ridders, ook Kruisheeren, Teutonisten, en Ridders van den Duitschen Huize genoemd.

Het kasteel te Gemert.

Het kasteel te Gemert.

Nadat Jeruzalem in 1099 door de Kruisvaarders veroverd was, deed een Duitsch Edelman aldaar een huis inrichten, ter verpleging van zoodanige pelgrims en Ridders onder zijne landgenoten, als zulks mochten behoeven. Zijn voorbeeld vond navolging: eenige andere edele Duitschers, wier hart warm sloeg voor zelfopofferende menschenliefde, sloten zich by hem aan, voegden de inkomsten hunner goederen by die der zijnen, en vormden alzoo weldra eene broederschap van barmhartigheid, die, door geen anderen regel dan onderlinge overeenkomst verbonden, hare weldaden uitdeelde zonder veel geruchts, en in tijden van gevaar weder even snel naar het zwaard greep als voorheen, en het niet minder wakker voerde.

Toen het meerendeel dezer Ridders in de moedige maar onbedachte verdediging van Tiberias, 1187, was gevallen, en de overigen daarop by het verlies van Jeruzalem die stad moesten verlaten, zou de Vereeniging geheel onder zijn gegaan, indien eenige medelijdende kooplieden van Lubeck en Bremen haar niet hadden ondersteund. Nadat er in 1190 eene versterking door nieuwe leden had plaats gevonden, besloot men zich, naar het voorbeeld der Tempeliers en Hospitaliters of Sint-Jans-Ridders, tot eene gesloten Geestelijke Ridderorde te vereenigen, en wendde zich om vergunning daartoe tot Keizer Hendrik den Zesde en Paus Celestinus den Derde, welke laatste by een bul van den 12en Februari 1191 zijne toestemming gaf, en bepaalde, dat zy den naam zouden dragen van Ridders der H. Maagd Maria, of Broeders van het Duitsche huis onzer Lieve Vrouwe te Jeruzalem; zy zouden aan de kloosterregelen van Sint Augustinus onderworpen zijn, en hun onderscheidend gewaad moest bestaan uit een zwart kleed, waarover een witte mantel met een zwart kruis op den linker schouder. De Keizer schonk bovendien den Ordemeester, waartoe Henrik van Walpott van Bassenheim reeds in 1190 gekozen was, het recht om ridders te slaan, met eenige andere gunstbewijzen daarenboven, en zoo zag de nieuwe Orde, niet zonder nayver der Johannieten en Tempeliers, haar bestaan gevestigd.

By de verovering van Akkaron (Ptolemais) kocht de Ordemeester daar een uitgestrekten hof, en stichtte er eene kerk en een hospitaal, benevens een kloostergebouw voor de broeders; en nu ging de Orde rustig, en aanvankelijk zonder veel opzien te baren, haren weg, niet minder dapper, maar veel minder begiftigd, veel minder weelderig door rijkdom dan beide genoemde orden.

De zaak der Christenen was echter in Palestina, na den val van het Koningrijk Jeruzalem verloren: daarom besloot de vierde Ordemeester, Herman van Salza, den zetel der Orde naar Venetië over te brengen. Herman van Salza, een der edelste en grootste mannen van zijnen tijd, was de adelaar, op wiens stoute vleugelen de Orde zich tot eene ongekende hoogte verhief. De roep zijner onkreukbare goede trouw en rechtschapenheid was zoo groot, dat Keizer Frederik de Tweede en Paus Honorius de Derde een onderling geschil aan zijn oordeel onderwierpen, en zich naar zijne uitspraak gedroegen; beide waren evenzeer over hem voldaan, en de Orde oogstte er de voordeelen van in: Honorius ontsloeg haar van het geven van tienden en van onderworpenheid aan het geestelijk gericht, en Frederik begiftigde haar met voorrechten en goederen; daarenboven verhief hy Herman, die van den Paus een kostbaren ring, in ’t vervolg het Ordemeesterschap eigen, ontfangen had, voor hem en zijne opvolgers in den Rijksvorstenstand. Van toen af breidden de bezittingen der Orde in Europa zich snel uit. In 1226 door den Hertog der Masoeren naar Pruissen gebeden, om er de wilde heidensche bewoners ten onder te brengen, met toezegging van de landstreken, die zy zoude overwinnen, in eigendom te zullen ontfangen, werd Herman van Balco derwaart gezonden aan het hoofd van eenige Ridders en knechten, wier heldhaftigheid met zoo goed gevolg werd bekroond, dat de geheele Orde, na het verlies van Akkaron in 1291, zich in het overwonnen land aan de Oostzee vestigde, en in 1309 Marienburg tot Hoofdzetel koos. In de laatste helft dier eeuw bedroegen hare inkomsten, alleen van gemelde landstreek, 900,000 Rijnsguldens, eene som, waarover geen Europesche Staat van die dagen beschikken kon, terwijl de bloeiende toestand harer bezittingen en de welvaart der onderhoorigen de beschuldiging weerspreken, dat zy een tyranniesch bestuur voerde.

Hare bezittingen werden verdeeld in 12 Landschappen, Balyen of Landkommanderyen genaamd, die door Landkommandeurs werden bestuurd, en waarvan er 2 in Nederland lagen. De hoofdzetels daarvan stonden, voor het noorderdeel, te Utrecht, en, voor het zuiderdeel, te Aldenbiezen, in Limburg, zijnde de laatste, die reeds in 1220 voorkomt, de oudste1. De onderafdeelingen die te zamen eene landkommandery uitmaakten, werden eenvoudig kommanderyen genoemd, en stonden onder het beheer van een Orde-ridder, die den tytel van Kommandeur voerde. Tot Utrecht behoorden 12 kommanderyen, waarvan wy de vermelding, met byvoeging der weinige tot ons gekomen byzonderheden, hier geheel op hare plaats achten.

1. Middelburch, waar het huis der Orde in 1249 werd gesticht op een erf, haar door Niclaes van Putten geschonken. Graaf Floris de Vijfde heeft deze kommandery mild begiftigd, »en ’t zelve huis is metter tijd zoo magtig geworden, dat, wanneer de Graaf van Holland, of deszelfs oudste zoon, ter hooge vierschaar binnen Middelburg zaten, de Abt van Middelburg aan de rechter, en de Kommandeur der Duytsche orden aan de slinkerzijde van den Graaf gezeten waren.”

2. Leyden, mede een gift van Grave Floris den Vijfde: hy schonk er in 1268 de St. Pieterskerk, en de Orde richtte er het gebouw der kommandery by op.

3. Dieren, op de Veluwe, een kasteel, met vele daartoe behoorende landerijen. Graaf Adolf van Bergen schonk het der Orde in 1240, waarop het aan de kamer des Grootmeesters werd getrokken, tot in 1420, toen het aan den Landkommandeur van Giessen overging; maar Heer Herman van Keppel, Landkommandeur van Utrecht, kocht het in 1433 voor eene som van 3000 Rijnsguldens, en voegde het by zijne eigene Baly.

4. Oetmarsen, weleer tot de landkommandery van Munster behoord hebbende, maar in de eerste helft der vijftiende eeuw onder die van Utrecht gebracht. Het huis was gesticht in het jaar 1290, door zekeren Leffard, een schildboortig poorter van Oldensael, die zich mede in de Orde begaf.

5. Valckenburch. Graaf Willem de Tweede schonk der Orde in 1251 de kerk aldaar, waaronder twee parochiën behoorden, nl. Katwijc op Zee en Katwijc op den Rijn. In 1378 verplaatste Splinter uten Eng, toenmaals aan het hoofd der Baly van Utrecht staande, den kommandeurszetel van Valckenburch naar Katwijc op den Rijn, ten gerieve der zeedorpers, en liet de eerstgenoemde plaats als eene pastory op zich-zelf. Sints dien tijd wordt er gewoonlijk van de kommandery van Katwijc gesproken.

6. Hofdijc, die mede aan Grave Willem, door het schenken der kerk te Maesland, in 1251, haar oorsprong dankt. Zijn zoon Floris begiftigde later de Orde met eenige landerijen aan den Hofdijk, waarop de Utrechtsche Baly er een huis deed stichten voor een Kommandeur. In 1365 deed de Landkommandeur Henric van Alckemade, met toestemming van Graaf-Hertog Aelbrecht, het huis ten Hofdijc afbreken, en een ander by de kerk van Maesland oprichten. De goederen aan den Hofdijk werden aan de landkommandery gehecht, en de Ridders mede derwaart verplaatst. Sedert stond de kommandery van Maesland op zich-zelf.

7. Doesborch, die in 1266 een aanvang nam: De Regulieren van het klooster Bethlehem, zich tegen de Orde misgrepen hebbende, en tot voldoening genoodzaakt, schonken haar in dat jaar de kerk dezer plaats, waarover zy te beschikken hadden.

8. Rhenen, waar Graaf Egbert van Bentheim de kerk in 1268 aan de Orde maakte; eene aanzienlijke schenking, die door zijn zoon Otto bevestigd werd.

9. Schoonhoven. Gwy van Blois gaf der Orde in 1390 de keuze tusschen de kerk van Gouda en die van Schoonhoven; zy koos de laatste, welke hy daarop met eenige andere goederen afstond.

10. Scaluynen, of Schelluynen, eene heerlijkheid, geschonken door Heer Dirc van Altena, met de kerk en de tienden van het dorp, benevens de ten deele onder Giessen behoorende visscherij, en drie landhoeven.

11. Bunen, in Drenthe, was eerst een konvent van zusteren der Duitsche Orde, en omstreeks 1271 opgericht. Het kwam toen onder de Westfaalsche Baly te Munster, maar werd door den Utrechtschen Landkommandeur Gosewijn van Gaerne, die in het midden der veertiende eeuw vermeld wordt, voor eene som van 1500 pond aangekocht.

12. Nesse, almede ontstaan uit de gift der kerk, door eenige Friesche Edelen in 1298, schijnt de geringste der kommanderyen geweest te zijn; ten minste werd het huis, naby de kerk gesticht, slechts door Priesters en dienende broeders, geenszins door Ridders bewoond.

En nog waren deze bezittingen niet de eenigen der Utrechtsche Baly: te Hemert in Gelderland, en te Scoten in Friesland, vond men nog een konvent. Het huis en konvent te Scoten, waar aanvankelijk slechts zusteren der Orde woonden, was gesticht omstreeks den aanvang der veertiende eeuw. Later werden er Priesters en dienende broederen in geplaatst. Het huis te Hemert was in 1270 gesticht. De Landkommandeur Johan van Hoenhorst verwisselde het in 1328 tegen andere goederen te Thiel, toebehoorende aan de Kanunniken van de St. Walburgskerk aldaar, die zich vervolgends te Aernhem neêrsloegen, en de St. Walburg aan de Orde schonken, waarop de Landkommandeur het huis te Hemert deed afbreken, en een nieuw gebouw by gemelde kerk binnen Thiel oprichten.2

Tot de landkommandery van Aldenbiesen (Vieux-Joncs), in de nabyheid van Tongeren gelegen, behoorden de volgende kommanderyen:

1. Jongebiesen, te Maestricht; 2. Rebsdorf in Gulick; 3. St. Gilis te Aken; 4. Biesen te Keulen; 5. Ramesdorf by Bonn; 6. Bernesheym, en 7. Ordingen, beide by St. Truden; 8. St. Petersvoren in Limburg; 9. Gruytrode in de Luyksche Kempen; 10. Beckevoort by Diest; 11. Feucht of Vught, en 12. Gemert, beide in de Meiery van ’s Hertogenbosch.

En behalven al deze goederen, bezat de Orde nog op verschillende plaatsen het patronaatschap, dat is het recht tot aanstelling van een pastoor.

Nadat wy dus de Orde in het algemeen met betrekking tot Nederland hebben beschouwd, wenden wy ons tot een harer bezittingen in het byzonder, en kiezen daartoe, als eene der niet onbelangrijksten de kommandery van Gemert.

Reeds in het begin der dertiende eeuw bezat de Orde aan deze plaats eenige goederen, waarover in 1249, volgends een brief van dat jaar, nog op het archief van Postel aanwezig, een Provisor bestuurde. Uit een charter van 1270 blijkt, dat Gemert toen voor de eene helft als vrij land aan Jonkheer Diedryc van Gemert, voor de andere aan de Ridders van het Duitsche Huis behoorde. Te dien tijde bestond er reeds een Kommandeur, want in het genoemde archief berust mede een document van 1261, waarby Broeder Henric, Kommandeur van Gemert, met toestemming van den Luykschen Kommandeur de Prenthage, eenige goederen aan het huis van Postel verkocht, die gedeeltelijk door den Hertog van Brabant, gedeeltelijk door den Beschermvoogd van Mol aan de Kommandery geschonken, en in de dorpen Lommel en Hilvarenbeec gelegen waren.

In 1366 was broeder Gheryt van Audenhoven Kommandeur. Op den 21en Juni van dat jaar kocht hy van den toenmaligen Diedryc van Gemert dat gedeelte der Heerlijkheid, dat tot hiertoe nog door dit geslacht, sedert 1364 als leen, bezeten was, waardoor het Duitsche Huis alzoo in het volledig bezit geraakte. Kort daarna, het zij onder zijn bestuur, het zij onder dat van zijn opvolger Henric Reynart van Husen, in 1387 vermeld, werd er ten zuiden van de dorpskapel een ruim gedeelte gronds, aan den zoom van het watertjen de Rups, afgebakend, en daarop het sterke kasteel gebouwd, dat sints den Kommandeurs met de hunnen ten verblijf diende. Het hoofdgebouw rees als een zwaar vierkant gevaarte, uit drie of vier andere gebouwen bestaande, met steile daken, en alleen slechts door trapgevels en hoektorens ietwat verlevendigd, kloosterachtig somber uit de diepe gracht op, en werd nog door buitenwallen en eene versterkte voorpoort beschermd. De inwoners van Gemert zullen zich evenwel waarschijnlijk niet over den afstand van Heer Diedryc beklaagd hebben: de Duitsche Ridders waren geen harde heeren voor hunne onderzaten; en zoo men al beproefd heeft hen daarvan te beschuldigen—de wetten van den Grootmeester Siegfried van Feuchtwangen3, 1309–1312, zijn daar, om den aanklager, dien het om waarheid te doen zij, te beschamen: de wijsheid van den Regent spreekt er u op iedere bladzijde uit tegen; en waar ze strengheid ademen, daar is het om een vergrijp te voorkomen, of te straffen, opdat de goedgezinde onderdaan in vrede en veiligheid het zijne bezitten moge, en orde en zedelijkheid bevorderd worde. Welke eene naauwlettende zorg spreekt zich uit in verordeningen, by de Art. XX, XXIV, XXVII, inhoudende:

Vee, den eigenaar tot zijn daaglijkschen arbeid noodig, mag voor geenerlei schuld in pand worden genomen.

Jaarlijks zullen de dorpsrechters met hunne byzitters de grenzen hunner gemeente omrijden, en de marksteenen en grensteekens, waar deze onkenbaar mochten geworden zijn, vernieuwen, op straffe van vergoeding der schade, die door nalatigheid in deze verplichting mocht ontstaan.

De voogden van weduwen en weezen zullen de goederen hunner pleeglingen schriftelijk doen opteekenen en beschrijven, en het hun toevertrouwde gants zoo als zy het hebben ontfangen, by het einde hunner voogdijschap te rug leveren, op verlies van hunne eer.

Zulk eene naauwlettende zorg kan niet worden overschaduwd door eene strenge strafbepaling, als die, waarby vrijheid gegeven wordt, om een wechgeloopen dienstknecht by het oor vast te spijkeren (Art. VI): de laatste verordening had niets wreeds naar de zienswijze van dien tijd—de eersten zijn nog weldadig en billijk in het oog van den onze.

Het zou zeker de moeite waardig zijn, zoo men kon nasporen, in hoeverre het bestuur der Orde over hare goederen in ons land, van invloed mag geweest zijn op de denkwijze van de hooge Regeering omtrent de regeling van dezer gemeentebelangen.

De Orde scheen hier echter gee grooten prijs te stellen op het volle bezit van allen eigendom, want de kommandeur Iwan van Cortenbach verkocht op den 1en Augustus 1421 de gemeente Gemert aan de ingezetenen, voor eene erfpacht van 50 kroonen ’s jaars. Heer Iwan (ook Ywan genoemd), die voor het eerst als Kommandeur van Gemert gemeld wordt in een schepenbrief van 25 November 1418, was tevens Landkommandeur van Aldenbiesen.

Als Iwans opvolger wordt genoemd Heer Dirc van Betenhausen, of Bergenhuysen. Blijkends eene aanteekening in het pastoreele register der gemeente, kocht hy de moerige Peellanden van Gemert van den Brabantschen Hertog Filips, en gaf ze vervolgends voor een pacht van 61 karolusguldens aan de ingezetenen weder uit. Daarna benoemd tot Landkommandeur van Aldenbiesen, werd hy in de kommandery van Gemert opgevolgd door Heer Henric van Eynatten. Het was onder het bestuur van dezen Kommandeur, dat de kapel te Gemert4, grootendeels door bemoeiïng en tusschenkomst van den Landkommandeur Bergenhuysen, tot eene parochiekerk verheven werd, waarvan de wijding op den 18en Maart 1437, door den Luykschen Bisschop Johan van Heynsbergen, met groote plechtigheid plaats vond. Heer Henric, overleden 17 Juli 1444, en in de kerk te Gemert voor het hoog-altaar begraven, werd als Kommandeur opgevolgd door Niclaes van der Dussen, uit het Hollands-Brabantsch geslacht van dien naam. Hy was de tweede zoon van Jan van der Dussen, Heer van Dussen, Aertwaerde, en Munsterkercke. Vóor 1439 in de Orde getreden, bekleedde hy, onder andere aanzienlijke betrekkingen, de waardigheid van Kommandeur te Gemert tot in het jaar 1467, toen hem het Landkommandeurschap werd opgedragen, weshalven hy naar Aldenbiesen vertrok, en daarna in 1476 overleed. Zijn bloedverwant Aernout van der Dussen, die te Gemert zijn plaats verving, deed er het nieuwe parochiale kerkgebouw vergrooten met een aanzienlijk choor, waarop een klein torentjen geplaatst is.

In vrede en rust ging het leven op het kommanderykasteel doorgaands steeds voorby; hoewel de Ridders voor ’t overige de strenge onthoudingsregelen niet meer zoo naauwgezet hielden als in den beginne: de Grootmeester Wallenrode b.v. gaf zijnen Duitschen gasten eens een zoo prachtig eeremaal, dat de onkosten daarvan, zoo men zegt, de verbazende som van 500,000 markzilvers bedragen hebben. Ook moeten wy niet voorby zien, dat de beöefening der wetenschappen aan de Orde volstrekt niet vreemd was. En al is het ontwijfelbaar dat sommige Grootmeesters zekere historische documenten opzettelijk hebben vernietigd, en bepaalde plaatsen in kronijken, waar van de Orde gesproken werd, doen wechnemen—de Grootmeester Winrich van Kniprode daarentegen, die van 1351 tot 1382 regeerde, was een voorstander en beschermer van wetenschappelijken vooruitgang. Hy deed de weinige bestaande scholen in Pruissen verbeteren, en nieuwe oprichten, opdat het zijnen jongen Ridderen, wanneer zy in rijd- en strijdkunst volkomen bedreven waren, aan geen onderricht van den geest ontbreken zoû. Wy zijn dus volkomen gerechtigd tot de onderstelling, dat er buiten het Breviarium, of de Orde-statuten, of den Blaffert van eigendommen, nog wel eens een andere foliant of kwartijn door den Kommandeur van Gemert, of diens Ridders, zal zijn opengeslagen; dat een Bestiaris van Maerlant, of een Slag by Woeronc van Heelu er geen onbekende verschijnselen zullen zijn geweest; ja dat, al gedoogden de ernst van het verblijf en de eerwaardigheid der Krijgsmonniken niet altoos, als op de kasteelen der waereldlijke Edelen, open hof en blijde ontfangst voor een reizenden Minstreel of Sprookspreker—Heynrycs Roman der Kinderen van Limborch behoeft er wel zoo min een onbekende gast te zijn geweest, als Dirc Potters sproken van Der Minnenloep. Ook was het den Kommandeurs en Ridders volstrekt niet ontzegd, om aan een waereldsch feest of vreugdebedrijf, op den een of anderen burch, of aan het Hertooglijk hof gegeven, deel te nemen, evenmin als het genot van den wandelrid of dat van het weidspel,

Hair met hair, en veêr met veêr,

onder de verboden uitspanningen werd gerekend. Dit alles te zamen genomen, vinden wy dus redenen te over om te gelooven, dat het verblijf in de zalen en gewelven der kommandery (al vond men ze, naar de gewoonte der Orde, door het overal aangebrachte zwarte kruis meer versomberd dan vercierd) zoo min als de landstreken daar rondom, niet zoo eentonig en van alle afwisseling ontdaan zal zijn geweest, als eene oppervlakkige beschouwing zou kunnen doen vermoeden.

Toen Aernout van der Dussen in 1482 overleden was, werd hy opgevolgd door Heer Maximiliaen van Eynatten, die er tot in 1503 zijn ambt bekleedde, om het toen, als zoo menig een zijner voorgangers, met dat van Landkommandeur van Aldenbiesen te verwisselen.

Van de Kommandeurs Wynand van Breyl (benoemd 1536, overleden 1554) en Wynand van Eynatten (overleden 25 Mei 1570) vinden wy niets merkwaardigs opgeteekend. Zy schijnen, niettegenstaande de klimmende onrust der tijden, zonder stoornis bestuurd te hebben.

Minder rustig liep het onder Heer Wynands opvolger Godaert van Aere. In 1588 deed de onvertsaagde maar woeste Marten Schenck een strooptocht in het dorp Gemert, waarby de inwoners veel van zijne wapenknechten te lijden hadden. Niettegenstaande de bemanning van het kasteel te gering was om een uitval te doen en de dorpelingen by te springen, werd er toch zoo vinnig van de wallen geschoten, dat de plunderaars het niet waagden om den ingang der kerk, die naar de kasteelzijde lag, te bemachtigen. Toen, om toch de gehoopte buit der kerkelijke kostbaarheden niet te verliezen, braken zy aan de noordzijde van het gebouw een opening waardoor zy binnendrongen, het inwendige van al zijne cieraden beroofden, en de kenteekenen der eeredienst baldadig vernielden. De toen gemaakte opening werd niet weder dichtgemetseld, maar slechts bygewerkt, en sedert tot een gewonen ingang in orde gebracht.

Een dergelijk onheil herhaalde zich in 1599 in nog veel grootere mate, toen de Spanjaarden in het dorp vielen, en het geheel uitplonderden.

Henrik van Holtorp, dien wy na Godaert van Aere vermeld vinden, overleed te Gemert in 1630, en werd voor het hoog-altaar in de kerk begraven.

Zijn opvolger was de Kommandeur Ulrich van Hoensbroek, een fier en hooghartig man, die zich door trotschheid en heerschzucht by velen gehaat, by niemant, zelfs zijner Orde, bemind maakte. Hy berokkende zoowel der kommandery als het dorp veel onaangenaamheid. Reeds stond hy te Gemert aan het hoofd der zaken, toen hy naar het opengevallen Landkommandeurschap dong, en zien moest dat men hem voorby ging, en een jongeren Ridder, Graaf Godfried van Huyn de Geleen aanstelde. Vol van verbittering, weigerde hy nu diens bevelen te volbrengen; en toen hy in 1648 over dezen inbreuk op de wetten der Orde ter verandwoording gedagvaard werd, beriep hy zich op de Staten der Vereenigde Provinciën, aan wie sedert den 30en Januari van dat jaar te Munster de Meiery van ’s Hertogenbosch was afgestaan. Op den 24en Juli nam eene Staatsche bende van Gemert bezit, en verjoeg er terstond de Dominicanen, die, in 1629 reeds eenmaal uit ’s Hertogenbosch verdreven, zich onder de schaduwe der kommandery hadden nedergeslagen. In 1649 schijnen eenigen hunner weer heimelijk naar Gemert te rug gekeerd te zijn; ten minste het gerucht daarvan liep rond, en kwam ter ooren van den Schout van Peelland, Prouninck gezegd Deventer, die gants niet monniksgezind was. Of het nu waar of onwaar mocht zijn—Prouninck sloeg er geloof aan, en viel op een vroegen morgen in den zomer, kort na pinksteren, met eene ruiterbende in het dorp. Het klooster5 werd terstond aangevallen, de vensters stuk geslagen, en—torschte men er al geen

kelcken uit, kassuiffelen, en kappen,

Die stijf staen van gesteente, en paerlen en root gout,

Om ’t heerelijckst, als ’t placht, wanneer men hooghtyd houdt—

de plonderaars keerden toch niet met ledige handen uit het ontwijde gebouw. Maar wat erger was dan deze moedwil, aan levenlooze voorwerpen gepleegd—de geprikkelde baldadigheid koelde zich ook aan een grijzen leekebroeder, die byna naakt door de vensters werd gesleurd, naar de markt gevoerd, en daar, van de ruwe ruiters omringd, der bespotting prijs gegeven. De pastory en des kapellaans woning werden mede geplunderd; de pastoor, benevens de prioor der Dominicanen, gevangen naar ’s Hertogenbosch gebracht, en niet, dan tegen betaling van een groot losgeld, weder ontslagen; de kerk bleef in handen der hervormden.

Zoodra deze handelingen den Landkommandeur waren kenbaar geworden, bracht hy terstond zijne klachten in by den toenmaligen Grootmeester der Orde, den Aarts-Hertog Leopold van Oostenrijk, die zonder eenig vertoef zijn Licentiaat Verheye naar ’s Gravenhage zond, om de kommandery te rug te eischen. De Staten waren daartoe echter volstrekt niet genegen: zy beweerden, dat Gemert noch eene vrije Heerlijkheid was, noch tot het Rijk kon worden gerekend, maar onder de Meiery van den Bosch, en alzoo onder het recht van hunne soevereiniteit behoorde. Zy grondden dit op het volgende:

»Uit verschillende oude brieven bleek het, dat Gemert by het kwartier van Peelland ingesloten was, zijnde het in 1572 onder het Bisdom ’s Hertogenbosch, en wel onder het Landdekenschap van Helmond, de hoofdplaats van ’t kwartier Peelland, gesteld. Gemert was weleer een gehucht van het dorp Bakel, en de kerk een dochterkerk van die der laatste plaats geweest. De Koning van Spanje had, als Hertog van Brabant, den Bisschop van Luyk (die zich over het onttrekken van Brabant aan zijn geestelijk rechtsgebied beklaagde) ten andwoord gegeven, dat hy in zijn eigen land, met toestemming van den Paus, zooveel Bisdommen kon oprichten als hem goed dacht. Men had zich van alle vonnissen, te Gemert gewezen, altijd op de hoofdbank des kwartiers van Peelland, te Helmond, van dáar op Schepenen van ’s Hertogenbosch, en vervolgends op den Raad van Brabant, te Brussel, beroepen, als uit twee brieven, van 1434 en 1451, bewijsbaar was. Het op-, of afzetten der munt was te Gemert altijd door den Hertog van Brabant geschied. De maten en gewichten, die men er bezigde, waren te Helmond geijkt. De gantsche Gemertsche gemeente of heide was eigen goed van den Hertog van Brabant geweest, die het op den 6en Juli 1450 aan de Heerlijkheid had verkocht, behoudens een cijns van 50 oude grooten tornois. De inwoners van Gemert stonden onder het ingebod van ’s Hertogenbosch, dat eene der vier hoofdsteden van Brabant was, en de Judicatuur van Gemert kwam den Staat toe, gelijk de Orde zelf bekende.”

De Grootmeester daarentegen beweerde, dat Gemert niet in Peelland geënclaveerd was, en vestigde deze stelling op het volgende:

»Gemert grensde aan het land van Ravesteyn, aan het opperkwartier van Gelderland, en aan Spaansch-Brabant. De Landkommandeur Johan van Cortenbach had, als gemachtigde van den Grootmeester, in 1421 aan de ingezetenen van Gemert zekere gemeente- en peelvelden verkocht. Toen in het jaar 1270 eenig geschil tusschen den Hertog en die van Gemert gerezen was, had de eerste verklaard, dat hem noch hooge, noch lage heerlijkheid, noch eenig recht te Gemert toekwam, maar begeerden zy van hem hulpe, dan was hy als opperste Beschermheer verplicht hun die te verleenen. Gemert was door den Raad van Staten in 1621, toen de brandschattingen in de Meiery waren uitgeschreven, erkend als niet behoorende onder Brabant. De Kommandeurs te Gemert hadden kwijtschelding van doodslag gegeven, en wel in de jaren 1603 en 1607. Verschillende aan doodslag schuldigen uit de Meiery waren naar Gemert gevlucht, en er onvervolgd gebleven. De Landkommandeur der Orde had er in het jaar 1613 een vrije jaarmarkt opgericht. Het beroepen van vonnissen op Schepenen van Helmond, en van daar op die van ’s Hertogenbosch, was geen bewijs van onderhoorigheid, omdat men zich in verschillende plaatsen der Meiery van aldaar gevelde vonnissen op Schepenen van Antwerpen beriep; die van Nymegen, Stevenswaert en andere beriepen zich op de Wethouderschap van Aken; voorheen was men in verschillende plaatsen van Brabant gewoon zich van de vonnissen op de Wethouders van Luyk te beroepen, totdat zulks in 1469 door Hertog Karel den Stoute afgeschaft werd. Dat Gemert onder het Duitsche Rijk behoorde bleek daaruit, dat het zijn aandeel in de oorlogen tegen de Turken had betaald, zoowel als in de vijf millioen rijksdaalders, door het Ryk by den vrede van 1648 aan Zweden toegestaan: dit zouden de Algemeene Staten niet toegelaten hebben, indien het zeker was, dat Gemert tot de Meiery behoorde. Dat het, eindelijk, onder het Bisdom van ’s Hertogenbosch gelegen was, bewees niets, omdat het grootste gedeelte van Brabant, Limburg, en Namen, vóor de oprichting der nieuwe Bisdommen in 1565, onder den Bisschop van Luyk behoord had.”

Het onderzoeken, uiteenzetten en bepleiten dezer bewijsgronden vorderde op zich zelf reeds veel tijd, en het geding werd bovendien traag voortgezet. Welk deel de Kommandeur Hoensbroeck, die zich meestal in ’s Gravenhage ophield, er in had, wordt niet gemeld. Hy beleefde het einde van het geschil niet, maar overleed in 1654; zijn lijk werd naar Gemert vervoerd, en in het choor der kerk aldaar begraven.

Ambrosius, Baron van Wirmundt, die na hem Kommandeur werd, liet zich veel aan de regeling der zaak gelegen liggen; en het was voor een groot deel aan zijne rustelooze bemoeiïngen dank te wijten, dat er eindelijk tusschen de Staten der Vereenigde Provinciën en den Grootmeester een concordaat tot stand kwam, waarby de laatste, onder zekere voorwaarden, in zijn recht op Gemert werd erkend. Het besluit daartoe, door de Staten op den 8en Juni 1662 in den Haag geteekend, bevatte hoofdzakelijk het volgende:

»De Staten Generaal verklaarden, dat Gemert onder het Duitsche Ryk behoorde, en zy derhalven daarover geen gezach, hoegenaamd, behouden of op nieuw eischen zouden. Dat zy de opperheerschappij volkomen afstonden, met beding echter, dat de Heerlijkheid onder het appèl en ingebod des gerichts van ’s Hertogenbosch zoû blijven, gelijk tot hiertoe gebruikelijk was geweest. De Grootmeester en de Orde zouden voortaan de vrije oefening der hervormde godsdienst moeten toelaten, en daartoe ten hunnen koste, en naar genoegen der Staten eene geschikte kapel, benevens woningen voor predikant en schoolmeester doen bouwen; het recht tot benoeming van een predikant zou aan de Orde blijven, doch het onderhoud zijner woning voor rekening der Staten komen. De Orde mocht er geen kloosters, het zij van geördende monniken of andere geestelijken, toelaten. Zy zoude voor den afstand aan de Staten 40,000 gulden betalen: een derde zes maanden na de onderteekening van het verdrag, en de twee overige derdedeelen telkens een jaar daarna. De Algemeene Staten zouden nergends in gehouden zijn, indien de twee laatste betalingen niet op den bepaalden termijn geschiedden.”

Op den avond van den 28en Juni, 1662, werd de geslotene voorwaarde te Gemert afgekondigd, de parochiekerk den volgenden feestdag van Petrus en Paulus door de roomschgezinden weder in bezit genomen, en het kerkjen der Dominicanen aan de hervormden afgestaan. De Baron van Wirmundt bestuurde vervolgends de kommandery nog ruim twintig jaren in rust: hy overleed te Gemert, op den 18en Maart, 1684, en werd ter linkerzijde van het hoogaltaar begraven onder een zerk, wier latijnsch inschrift zijne deugden en verdiensten vermeldde.

Een Edelman uit Hollands oudst geslacht voerde daarna te Gemert den staf: Baron Hendrik van Wassenaer, zoon van Johan van Wassenaer en Maria van Erckel. Reeds Kommandeur van Gruytrode, verwisselde hy die kommandery, na Wirmundts dood, met Gemert, van waar hy in 1690 naar Aldenbiesen vertrok, om daar de waardigheid van Landkommandeur te aanvaarden. In het eerste jaar van zijn bestuur, 1685, was Gemert geteisterd geworden door een zwaren brand, die honderd huizen vernielde.

Bertram Wessel, Baron van Loë, Heer van Wissen, by Kevelaar, kwam daarop te Gemert, stierf den 21en Maart 1710, een jaar na zijn voorganger, en werdt opgevolgd door

Bertram Antonie, Baron van Wachtendonk, die tevens Kommandeur was van Ramersdorff, by Bonn. Deze wakkere krijgsman hield echter op geen zijner beide kommanderyen verblijf, daar hy als Keizerlijk Bevelhebber by het leger van Karel den Zesde stond. Ook verwierf hy er zich geene rustplaats aan de zijde van zoovele hem reeds voorgegane Ordebroeders: hy overleed op Sicilië.

Het afzijn van den Kommandeur was intusschen den goederen niet zeer voordeelig geweest: het kasteel, dat nu reeds ruim twee eeuwen het kruis der Orde gedragen had, was verouderd, en behoefde noodzakelijke herstellingen.

Er werd derhalven besloten om voor als nog geen nieuwen Kommandeur te benoemen, en met de op deze wijze uitgespaarde gelden in de onkosten der vernieuwing van het gebouw te voorzien. De Landkommandeur van Aldenbiesen, Damian Hugo, Graaf van Schönborn, Kardinaal-Bisschop van Spiers en Constans, beheerde zoo lang de kommandery; en onder zijn toezicht werd in 1740 alles weder in goeden staat gebracht, en zelfs, in den smakeloozen stijl der achttiende eeuw, zoogenaamd opgecierd. Drie jaren later deed men den Kommandeur van Bernesheim, Baron van der Noot, zijn standplaats met die van Gemert verwisselen; maar na zijn overlijden werd het Kommandeurschap nogmaals eenige jaren onvervuld gelaten, om de landkommandery, die door den successie-oorlog, waartoe zy heur contingent moest leveren, in zware schulden stak, in de afdoening daarvan te kunnen ondersteunen.

Eerst in 1770 vinden wy Gemert dan weder bezet, en wel door Nicolaes Bernhard de Borggrave, die in 1777 werd opgevolgd door den Baron van Plettenberg.

Deze moest zijn plaats later weder afstaan aan den Landkommandeur van Aldenbiesen, Baron Frans Jozef Nepomuc Fidelis van Reisschag, onder wiens bestuur werd aangevangen met het bouwen van een schoonen toren, aan de westzijde der kerk. Reeds waren de fondamenten gelegd, toen in 1794 het werk werd gestoord door de verschijning der Fransche driekleur op den Nederlandschen bodem. De woeste republikeinen, die der Orde ontnamen wat zy konden bemachtigen, maakten zich ook van de kommandery Gemert meester, en nu ging deze den Duitschen Huize voor altijd verloren. In 1810, toen Napoleon het Koninkrijk Holland by Frankrijk had ingelijfd, schonk hy de bouwhoeven en eenige losse gronden der kommandery aan den Maarschalk Oudinot, Hertog van Reggio, die er ook, hoewel korten tijd, de opbrengsten van trok6. Het kasteel werd echter gerekend tot de domeingoederen te behooren, en als zoodanig door de Keizerlijke regeering in 1812 verkocht aan Jonkh. Mr. Adrianus van Riemsdijk, die er in 1832, mede door aankoop, eenige molens, bouwhoeven en landerijen byvoegde, weleer onder het bestuur der Orde er reeds toe behoord hebbende.

De zichtbare herinnering aan het oude is te Gemert niet gants verloren gegaan. Nog bestaat de voorpoort van het kasteel nagenoeg in den ouden toestand. Is men door deze echter op het binnenplein gekomen, dan ontwaart men groote verandering: de gracht is wel ten deele overgebleven, maar het hoofdgebouw vertoont zich veel minder luisterrijk dan vroeger: de torens met hunne ranke spitsen, die in het begin dezer eeuw nog allen aanwezig waren,—de levendige trapgevels en hooge schoorsteenen—zy zijn voor goed verdwenen; ’t is regelmatiger, maar veel minder indrukwekkend geworden. En het inwendige?.... Wanneer ge met eenige liefde voor onze monumentale geschiedenis bezield, den drempel wilt overschrijden, in de hoop daar nog een spoor van verleden dagen aan te treffen; met het voornemen om in eene oude zaal, waar de zonnestraal den rij zwart ingelijste, fiere en ernstige gestalten, in hunne witte mantels met zwarte kruisen gehuld, gelukkig-spaarzaam verlicht, u te verdiepen in niet altoos onvruchtbare droomen van een nog niet genoeg gekenden tijd—dan raden wy u: »bewaar uwe illusiën en treed te rug.”

Maar maakt de levendige werkzaamheid eener katoenspinnerij (in onze dagen ontegenzeggelijk van grooter praktiesch nut dan een ridderkasteel) een aangenamen indruk op uw gemoed—ga dan het westelijk gedeelte binnen, en verheug u by de overtuiging, dat daar eene minder bevoorrechte klasse door eigene vlijt in haar onderhoud voorziet, en de welvaart van waardige en edeldenkende meesters met dien arbeid ondersteunt.


1 De Baly van Utrecht werd opgericht in 1231, tijdens Bisschop Otto den Derde; de eerste Landkommandeur aldaar was Antonie van Ledersake, een Edelman van Prinshagen, daarom verkeerdelijk ook wel Ant. v. Prinshagen genoemd.

2 Dat het Duitsche Huis ook eene kommandery te Oudewater zou bezeten hebben, berust op eene valsche opvatting van Van Rijn, in zijn aant. op Van Heussen (Kerkel. Outh. II, 87). De door hem aangevoerde brief »beroerende de Heeren van S. Catharynen, en de electie van den Balier” behoort by de Ridders van Sint-Jan te huis. Deze bezaten reeds in 1250 de Balie van Sinte Catheryne te Utrecht, waardoor de Landkommandeur den naam van Baljuw van Sint Catheryne droeg.

3 De Poolsche kronijken maken van dezen Grootmeester een gruwzaam en half waanzinnig tyran; de Pruissische daarentegen heeten hem een voortreffelijk regent.

4 Deze Kapel was beroemd om het bezit van een stuk des kruises, door een Ridder van het Duitsche Huis, by zijne terugkomst uit Palestina aldaar geschonken. De offergaven der bedevaartgangers, die weldra in groot aantal derwaart trokken, hadden de Kapel zeer verrijkt, zoodat de eerste pastoor der parochiekerk, Joan Attendoren, priester der Duitsche Orde, zich reeds in staat zag gesteld, om het oude gebouw te doen vervangen door een geheel nieuw, dat omstreeks 1450 werd ingewijd.

5 De gantsche Priory bestond slechts uit een kloosterwoning met een klein kerkgebouw, maar was evenwel door het provinciaal Kapittel der orde in 1643 als een volkomen klooster erkend.

6 By den vrede van Weenen, 1809, was de Orde reeds vormelijk opgeheven, en werden hare goederen geschonken aan de verschillende Vorsten, binnen wier grenzen zy gelegen waren.