»Des vlegels maatslag op den dorschvloer,—op de velden
Het vrolijk arbeidslied by spade of zeis—hoe zelden
Wordt meer hun volle galm, hun heldre toon gehoord!
Ach! ’t land brengt doornen meest en ruige distlen voort!”—
Toen de Burchtgraaf van Montfoort eindelijk meende den oorlog op grootere schaal te kunnen voeren, besloot hy om zich in de eerste plaats meester te maken van den zetel zijner doodvijanden, de Heeren van IJsselsteyn. Met allen spoed, maar te gelijk met ernst en naauwlettendheid, werden de toebereidselen daartoe gemaakt—en zoo zagen de poorters der stad op dingsdag den 27en Augustus 1482, ten 4 ure in den namiddag, een leger van ongeveer 4000 man voor hunne wallen. Zeventien schouwen voerden groote en kleine donderbussen, stormtuigen, en andere krijgsbenoodigdheden aan; en alles deed zien, dat het Cleve en Montfoort met de bestorming ernst was. Het leger werd in drie hoofdbenden verdeeld, waarvan de eerste achter langs den IJsseldijk de tenten opsloeg, de tweede den kruisweg die naar Lopic voerde bezettede, en de derde zich in en rondom het klooster der Cysteriënsen vestigde. Ofschoon er met bestormen werd getoefd, totdat Reynier van Broechusen met de Cleefsche hulpbenden zou zijn aangekomen, liet men evenwel de stad niet met rust. De groote donderbussen, die reeds in de nacht tusschen dingsdag en woensdag by het klooster waren opgericht, wierpen spoedig een aantal vuurkogels in de stad, hoewel de schade die zy aanrichtten niet groot was, en slechts weinigen er het leven by verloren.
De wakkere IJsselsteyners, vertrouwende op ontzet van den kant huns Heeren, lieten zich mede niet onbetuigd: hun geschut brandde van de wallen rusteloos op de belegeraars los; en te midden van dezen sulferdonder deden zy eenen heftigen uitval, die door de Stichtschen niet minder stout weerstaan werd, zoodat het tot een scherp gevecht kwam, waarin de laatsten natuurlijk wel den boventoon behielden, maar toch ook een niet onbeduidend verlies aan dooden en gekwetsten leden.
Intusschen was Broechusen met zijne Clevenaars den 31en Augustus over Utrecht naar IJsselsteyn getogen; en het leger alzoo voltallig geworden. Montfoort naderde dus eindelijk tot het vurig gewenschte uur, waarop hy de stad zijns vijands met eene vinnige bestorming zou kunnen overmeesteren—maar toen het er nu op aan kwam om dien storm te regelen, weigerden de aangekomen krijgsbenden volstrekt om een praam te bestijgen of een leer te beklimmen, ten zij de stad eerst gewonnen ware, »want,” zeiden deze eerlijke Duitschers, »wy zijn herwaart gekomen om strooptochten te maken en te plunderen, niet om steden te bestormen.”
En de geest die in de afdeeling der Stichtenaars heerschte, was mede niet opwekkend: in die weinige dagen die het beleg nog maar duurde, had menig goede poorter der Bisschopsstad van de duisternis der regenachtige najaarsnachten gebruik gemaakt, om in alle stilte zijn warm bed binnen de veilige muren van Utrecht weder op te zoeken, zoodat de Stedelijke Raad genoodzaakt was, op dergelijke desertie reeds den 1en September eene boete van 10 pond te zetten, en dit, slechts 4 dagen later, te verhoogen op 100 pond, en 10 jaren ballingschap.
De onwil der Clevenaars maakte nu aan het gantsche beleg een einde, want de Burchtgraaf wist zeer wel, dat Frederic te Schoonhoven lag, met een reeds niet onaanzienlijk leger, en slechts nog eenige versterking wachtte, om tot ontzet uit te rukken. Een snelle storm alleen had de stad in zijne handen kunnen brengen. Nu de gelegenheid daartoe voorby was, werd een langer vertoef zelfs gevaarlijk, en, hoe hem het hooge hart ook van verbittering moge geklopt hebben—een spoedige terugtocht was de beste handeling waartoe de fiere Johan van Montfoort thands besluiten kon.
En nu dat besluit eenmaal genomen was, werd het ook ten spoedigste uitgevoerd; maar juist die spoed werkte noodlottig: de krijgsknechten, die de oorzaak daarvan waarschijnlijk in eene mare van aanrukkenden vijand zochten, braken ten bestemden tijde (9 ure in den avond van 6 September) met zooveel overhaasting op, dat het wel eene halve vlucht scheen, en er eene menigte van krijgs- en stormtuig achtergelaten werd, waartoe het felle busvuur uit de stad, waar men van bet vertrek bespeurd had, mede niet weinig bydroeg. De Stichtschen verloren by dezen vruchteloozen aanslag, alleen aan dooden, 150 man, verwijl het verlies der Clevenaars nog meer bedroeg.
Die van IJsselsteyn maakten zich terstond van het achtergelaten krijgstuig meester; en daar zy het Cysteriënsen klooster nu als een al te voordeelige legerplaats voor den vijand hadden leeren kennen, lieten zy er den rooden haan kraaien, d. i.: zy staken het in den brand, waarna zy het vervolgends met al de daarby behoorende gebouwen ten gronde toe vernielden, en den monniken eene plaats binnen de stad inruimden.
Van omstreeks dezen tijd dagteekent waarschijnlijk de aan een der wallen van IJsselsteyn ingemetselde steen, die tot aan het einde der vorige eeuw nog aldaar gezien werd, en waarop men las:
Wech, Uytersen met uw tuten en blasen,
Doet uyt twee leuwen en set twee hasen,
Want doe die van Ysselsteyn quamen in tfelt,
Hebbent die van Utrecht op een loopen gestelt.
Tijdens de omwenteling van 1795 werd deze steen door een hoop Utrechtenaars uitgebroken en in de gracht geworpen, waar hy misschien nog ligt.
Heer Frederic, hoewel voor het verlies zijner stad thands niet meer bevreesd, brandde van verlangen, om zich op het stoutmoedige Utrecht te verhalen. Nog altoos had de Bisschop er aanhangers, en dezen, in eene herberg »de Sleutel” samenkomende, vonden daar in de dienstboden gewillige briefdragers voor hunne samenspanning met den Hollandschen Veldheer. Het naauwlettend toezicht van den stedelijken Raad voorkwam echter de uitvoering van het plan; verschillende personen werden gevangen genomen, en, als verdacht van meêplichtigheid aan het verraad, ter stad uit gebannen.
Even ongunstige uitslag volgde in 1491 op zijne poging, om de door de stedelingen herwonnen en bezette Catheryne-poort te heroveren. Hy zag zich genoodzaakt om met verlies weder te rug te trekken, en de poorters koelden hunne verbittering op negen zijner krijgsknechten, die zy gevangen hadden gemaakt: zy deden hen door beulshanden onthalzen, en hingen daar na de lichamen en hoofden aan den toren der poort ten toon.
De Geldersche oorlog, waarin zijne stad Buren overweldigd, en het kasteel vernield werd, gaf hem daarop de handen te vol, om dezen hoon te wreken; maar in 1493 maakte hy zich van de voorstad de Weert meester, en sloot Utrecht zoo naauw in, dat het weldra gedwongen werd om vrede te sluiten, zich genoodzaakt zag tot de betaling van 25000 goudgulden, en de overblijfselen der onthoofden, die nog altijd een afschuwelijk schouwspel aan de poort maakten, oogenblikkelijk te doen begraven.
Een jaar te voren waren des wakkeren Ridders diensten reeds openlijk erkend door Keizer Maximiliaan, die de Heerlijkheid Buren tot een Graafschap verhief, zoodat de broeders van Egmond nu beiden den Graven-tytel voerden.
Frederic van Egmond van IJsselsteyn, Graaf van Buren en Leerdam, Heer van IJsselsteyn, Sint Maertensdijc, Cortgene, Cranendoncq, en Jaersvelt, overleed in 1500, en werd in het choor der kerk van IJsselsteyn bygezet aan de zijde zijner echtgenote, die hem reeds op den 26en Juli, 1471, in de dood was voorgegaan, en boven wier stoffelijk overschot hy een verheven tombe, die heur beeld in liggende houding draagt, deed oprichten.
Hun oudste zoon Floris, gehuwd met Margareta van Zevenberghe, volgde in het bezit van het Graafschap Buren en Leerdam. De jongste, Wennemaer, kwam aan de Heerlijkheden IJsselsteyn, St.-Maertensdijc, Cortgene, Cranendoncq, en Jaersvelt; maar daar hy weldra overleed, zonder andere kinderen dan een natuurlijken zoon, Willem van IJsselsteyn, zoo gingen de gantsche bezittingen weder onverdeeld op Floris over, die daardoor de zelfde tytels voerde als zijn vader weleer droeg, en nog daarenboven onder de Ridders van het Gulden-vlies opgenomen was.
In 1510 trachtten de Stichtschen zich van IJsselsteyn meester te maken, ’t geen hun echter mislukte. Niet beter voer Floris van zijnen kant in den winter van 1511: Met den aanvang van dat jaar zocht hy zich een bondgenoot in de felle vorst, en dacht de stad over het ijs te verrassen; maar eenige Geldersche ruiters, die zich op het platte land van ’t Sticht onthielden, overmeesterden de wagens waarop de stormtuigen werden aangevoerd, en verijdelden dus den aanslag.
Toen Hertog Karel van Egmond daarop als Beschermheer van Utrecht was aangenomen, werden nog dat zelfde jaar de vereenigde Geldersche en Stichtsche wapenen tegen IJsselsteyn gekeerd. Drie weken lang duurde het beleg, en 1600 voetknechten, 300 ruiters, en 2000 poorters van Utrecht lagen gedurende dien tijd onder den standaart van Karel rondom de stad gelegerd. De Lekdijk, naar den kant van Schoonhoven, staken zy door, om van die zijde voor overval beveiligd te zijn, en de schade, door de hieruit ontstane overstrooming in de omstreken en den Crimpenerwaert veroorzaakt, kostte Holland meer dan honderdduizend kroonen. Onderhandelingen van de zijde dezer provincie aangevangen, waren vruchteloos, en middelerwijl viel ook het kasteel Jaersvelt, aan de Lec, in handen der Stichtschen. Toen was het geduld van Floris ten einde. Hy vereenigde zijne vaandels met die van Graaf Henric van Nassau, en noodzaakte den vijand, op den 1en Juni 1511, tot het opbreken van ’t beleg. In die zelfde maand overviel hy, in vereeniging met den Heer van Wassenaer, aan het hoofd van 200 ruiters en 600 voetknechten de vijandelijke bezetting van Jutfaes, die hy tot aan de poorten van Utrecht voor zich uit dreef, er velen van deed neêrsabelen, en omstreeks 400 gevangen nam.
Onder dit alles had hy dikwijls met geldgebrek te worstelen, daar de Landvoogdes niet altijd in staat was, om ten behoorlijken tijde zijne krijgskas te voorzien, zoodat hy genoodzaakt was, om met de opbrengsten der Utrechtsche bezittingen in IJsselsteyn de soudeniers te betalen. Misschien is het aan deze geldelijke ongelegenheden te wijten, dat hy in de wandeling Floortjen Dunbier werd genoemd, schoon ’t ook zijn kan, dat hy dezen schimpnaam aan de Stichtenaren te danken had, die alles behalven ingenomen waren met den Hollandschen Kapitein-Generaal, wiens oorlogzuchtige aart hem zijne lastbrieven wel eens te buiten deed gaan, en die, wanneer de bevelen van Hertog Karel van Oostenrijk of van Margareta niet met zijne zienswijze strookten, stoutmoedig verklaarde, dat hy een man des Keizers was, en in diens belang handelde.
Des niettegenstaande stelde Karel van Oostenrijk een groot vertrouwen in den bekwamen Ridder, die zijn Stadhouder in Holland was, en zond hem in 1515 naar Friesland, om in zijnen naam de hulde te ontvangen van dit Gewest, dat de Gelderschen meer dan moede begon te worden. En hier was Floris vastheid van karakter de oorzaak, dat de Friezen, hoe lang zy ook tegenstribbelden, eindelijk genoodzaakt waren om den Oostenrijker als Erfheer en Erflandvoogd des Heiligen Roomschen Rijks in Friesland te erkennen en aan te nemen.
De huldiging geschiedde op den 1en Juni, 1515, met veel plechtigheid te Leeuwarden. Floris vertegenwoordigde er zijn hooge Heer: Voorafgegaan door den Herout (wiens dalmatiek Karels wapens droeg) en gevolgd door een stoet van Edelen, trad hy met het zwaard in de hand naar den Sint-Veits dom, waar hy de mis hoorde, daarna voor het choor de gelofte van onderdanigheid der Geestelijken, vervolgends ook den eed van hulde en manschap der Edelen en poorters ontfing, en eindelijk zelf de bevestiging van der Friezen privilegiën en vrijheden bezwoer. Na deze plechtigheid deed hy gouden en zilveren penningen onder het volk rondstrooien, en sloeg vier voorname Friesche Edelen tot Ridder, waarvan hunne vijanden schimpend zeiden, dat de vlierboom den koolstruik tot ridder geslagen had!
Belangrijke diensten bewees hy daarna in de Stichtsche oneenigheden, en droeg er veel toe by, om Karel, die inmiddels (1519) de Duitsche Keizerskroon droeg, het waereldlijk bestuur over het Sticht te doen verkrijgen.
Niettegenstaande zijn onrustig en zwervend leven, bereikte Floris toch den gunstigen ouderdom van 70 jaren, waarvan hy de laatsten in rust schijnt te hebben doorgebracht. Hy overleed den 20en Oktober, 1539, nalatende drie kinderen, een zoon, Maximiliaen, en twee dochters, Anna (die door heur huwelyk met Jozef van Montmorency moeder was van Floris en Filips van Montmorency, zoo bekend in onze historie) en Walburga.
Maximiliaen van Egmond van IJsselsteyn, thands Graaf van Buren en Leerdam, Heer van IJsselsteyn, Jaersvelt, St.-Maertensdijc, Cortgene en Cranendoncq, Ridder van het Gulden-vlies, werd een jaar na zijns vaders dood door den Keizer in de plaats van den overleden Joris Schenck van Tautenborch, benoemd tot Stadhouder en Kapitein-Generaal van Friesland, Overijssel, Groningen, en Groningerland, waar hy rustig bestuurde en zich zeer bemind maakte. Hy deelde in hooge mate de gunst van Keizer Karel, dien hy in verschillende oorlogen volgde, en met onkreukbare trouw aanhing, zoodat hy zelfs nooit met een protestant dronk, niet uit geloofshaat, maar omdat hy in den afgewekene van de kerk den vijand zijns meesters zag. De Keizer, zegt men, wilde uit ingenomenheid met den dapperen en trouwen Graaf diens Graafschap Buren tot een Hertogdom verheffen—zonder echter daarby ook de inkomsten te kunnen verhoogen; maar juist dit laatste bewoog Maximiliaen tot eene dankvolle afwijzing: »Liever,” sprak hy: »wil ik een rijke Graaf, dan een arme Hertog zijn.”—
Eene plotselijke ongesteldheid aan de keel werd, kort nadat hy uit Engeland in een gezantschap van ’s Keizers wege was te rug gekeerd, oorzaak van zijn dood, die hem in de kracht zijns levens te Brussel overviel. Zijn vriend, de keizerlijke lijfarts Andries van Wesel (Vesalius), het gevaar ziende rijzen en het oogenblik van sterven naderen, achtte het zich ten plicht hem daarvan niet onkundig te laten, en verklaarde dat hy nog vijf of hoogstens zes uren leven kon. Dat was op den 22en December, 1548, tegen middernacht. De groothartige Ridder hoorde dit bericht met rustige bedaardheid aan, zond oogenblikkelijk om zijne twee gemeenzaamste vrienden, de Heeren van Ligne en van Granvelle, en regelde met hen zijne belangrijkste zaken.
Nu heerschte er een droevige onrust door het gantsche huis. Het onheilvol gerucht had reeds zijne dienaren, en vele aanzienlijke bekenden bovendien, in de groote zaal samen doen vloeien, om naar zijnen toestand te vernemen. Het verschijnen der priesters, die naar het slaapvertrek gaan en hem het laatste sacrament zullen toedienen, voorspelt het noodlottigste. Allen staan in angstige verwachting, en ziet, daar wordt gezegd, dat de Graaf zoo aanstonds in hun midden zal komen. En werkelijk, de deuren worden geopend, en, eene eerbiedige huivering bevangt hen—Maximiliaen van Egmond, geheel in ’t harnas gegespt, in plechtgewaad getooid, en met den keten van het Gulden-vlies omhangen, wordt binnen gevoerd. Hy spreekt allen vriendelijk toe; beveelt zijne bedienden aan zijner vrienden zorg, bespreekt zelf hun eene gedachtenis, en reikt hun de hand ten afscheid. Nu verlangt hy nog eens den gulden beker, waaruit hy gewoon was op feestmalen te drinken; en nadat hy met korte trekken zijn leven geschetst, en daarin met warmte van de ontfangen weldaden en gunsten des Keizers gesproken heeft, reikt hy den Heer van Ligne zijn Ordeteeken over, om het den Keizer te rug te geven, en brengt vervolgends, door twee lijfknapen ondersteund, zijn laatsten dronk aan zijnen Heer en Meester. Het was een plechtig, een roerend oogenblik; mannen weenden.
Toen dankte hy zijne beiden vrienden voor hunne dienst, sprak allen voor het laatst een hartelijk vaarwel, omarmde den getrouwen arts, en deed zich naar zijn leger voeren. Maar de sponde ontfing alleen zijn zielloos stof: toen men hem neder legde, had de fiere geest het lichaam reeds verlaten.
Zijne weduwe, Françoise, Heer Hugoos Erfdochter van Lannoy, overleefde hem nog lang: zy stierf in 1562. Maar voor haren dood had zy het geluk, hun eenig kind en erfdochter op achttienjarigen leeftijd door het huwelijk verbonden te zien aan een edelen jongeling van gelijken ouderdom, van Vorstelijken Huize, en sinds zijn elfde jaar aan het Keizerlijk hof te Brussel opgevoed: in 1551 huwde Willem van Nassau-Dillenburg, Prins van Oranje, Baron van Breda en Diest, met Anna van Egmond van IJsselsteyn, Erfdochter van Buren en Leerdam en der overige uitgestrekte goederen heurs vaders.
Al te kort was zy met hem gelukkig. Zy overleed reeds in 1558, nadat zy hem twee kinderen had geschonken, een zoon, Filips Willem, in 1554, en een dochter, Maria, in 1556, die later de echtgenote des Graven Filips van Hohenlo werd.
Hierdoor kwam IJsselsteyn alzoo in handen van het doorluchtig Huis van Oranje-Nassau, waarin het ook tot aan Willem den Derde bleef, zonder dat er gedurende al dien tijd iets merkwaardigs van werd opgeteekend, dan alleen een enkel voorval tijdens den driedubbelen oorlog van 1672. In den namiddag van 12 Juli van dat jaar rukte een groot aantal dragonders van de Fransche bezetting uit Utrecht naar IJsselsteyn, om het te bemachtigen. Zy kwamen er in de nacht, en waarschijnlijk zeer onverwacht aan, maar werden er door de zeesoldaten zoo wel onthaald, »dat de meeste part het weder-komen vergaten”; de overige helden spoedden zich ijlings weder naar Utrecht, »blasende en trommelende voor de Poorte Alarm, waer op in haer Wachten groote alteratie ontstondt.”
De kloekmoedige mariniers schijnen er echter slechts tijdelijk verblijf gehouden te hebben, want reeds binnen een week daarna waren kasteel en stad, zonder eenigen weêrstand, in ’s vijands handen overgegaan, en werden niet weder ontruimd, dan met het vertrek der Franschen uit Utrecht.
Na Koning Willems plotselijke en onvoorziene dood in 1702, ontstond er tusschen Frederik den Tweede, Koning van Pruissen, en Johan Willem Friso, een langdurig verschil over zijne nalatenschap, dat eerst door hunne erfgenamen in 1732 by overeenkomst geschikt werd. IJsselsteyn kwam toen aan Willem Carel Hendrik Friso, destijds Stadhouder van Friesland, Groningen, Drenthe en Gelderland, en in 1747, als Willem de Vierde, Stadhouder der Vereenigde Provinciën. Zijne moeder, de beminnelijke Maria Louisa van Hessen-Cassel, die, na gade en zoon overleefd te hebben, eerst in 1765 te Leeuwarden overleed, hield zich van tijd tot tijd in het kasteel op, dat zy als douairie bezat, en de IJsselsteyners spraken nog in het begin dezer eeuw met dankbare herinnering van de edele Vorstin.
Gemeenlijk werd het in dien tijd bewoond door den Drost van IJsselsteyn. By de dwaze omwenteling van 1795 werd die waardigheid bekleed door den Heer de Beaufort, die er toen afstand van moest doen, en het kasteel verlaten, dat onder de in beslag genomen goederen des Stadhouders behoorde, en als zoodanig aan de fraaie Republiek werd gebracht.
Nu moest het, dàn als hospitaal—dàn als kazerne dienen, en speelde de ruwe soldaat er den meester, natuurlijk niet ten voordeele van het eerwaardig gebouw, dat veel van die bewoners te lijden had. Vervolgends werd het eenige jaren lang aan zich-zelf en den tijd overgelaten, en stond geheel ledig, toen Mevrouw de Weduwe van de Capelle als huurderesse optrad, en er met een aanverwant van den Heer van der Duin van Maasdam heur verblijf vestigde.
Eindelijk werd het, na het overlijden van Mevrouw van de Capelle, in 1812 door het Rijk verkocht, en ging toen over in handen van Jonkheer Mr. Nicolaas Hendrik Strick van Linschoten, Heer van Bunnik en Vechten, wiens Geslacht het nog steeds in bezit heeft.
Intusschen heeft de uitwendige vorm van den IJsselsteyn natuurlijk veel in stoutheid en rijkdom verloren. Eene afbeelding van den tegenwoordigen toestand wordt gevonden in Robidé van der Aas »Oud-Nederland,” en geeft de hoofdvormen nog kennelijk te rug. Men kan zich een denkbeeld maken van de voormalige sterkte dezer burcht, wanneer men ziet, dat de dikte van den overgebleven voormuur meer dan eene Ned. el bedraagt, terwijl de muur des torens, zelfs wel 1.5 N. el dikte heeft.
De nog bestaande onderaardsche gangen zijn, door de stiklucht die zich daarin ontwikkelt, nooit geheel onderzocht, hoe wenschelijk dit ook ware. Men verhaalt elkander, dat zy weleer hebben gediend »om, onder het water door, de gemeenschap met de stad en het aldaar gevestigde klooster te onderhouden.” De ondervinding heeft evenwel reeds dikwerf geleerd, hoe zeldzaam dergelijke verhalen, die in menigte van kasteelen en bouwvallen voorkomen, by onderzoek op waarheid gegrond zijn.
Waarlijk, ook by het overschot der IJsselsteynsche burcht, mag men met den dichter spreken:
Wel, zeker, wie ’t herdenken mint
Van lang voorleden, schooner dagen—
Wie een weemoedig-zoet behagen
In de eeuwig groene Erinring vindt,
Heeft slechts die muren te ondervragen,
Die ’t merk van koninklijke pracht,
Van oude—eilaas! verlamde—kracht—
In reuzenschrift aan ’t voorhoofd dragen.
o, Fluisterstem van dat Voorleden,
Hoe heeft mij dáar uw klank bekoord,
Die, als een zangrig harpaccoord,
Ter helft geraden, half gehoord,
Den avondwandlaar langs gegleden,
De stilte van den bouwval stoort!
Hoe woei mij dàar de Erinring tegen
Van Liefde en Haat, van Zwakte en Kracht,
Van Riddereer en Riddermagt,
Van Lust en Last, van Ramp en Zegen!
Dan rijst voor mijn verwonderd oog
Op nieuw het burggewelf omhoog,
Zoo als ’et prijkte in vroeger dagen;
Dan krijgt die slotpoort als weleer
Zijn ijzren vleugeldeuren weêr;
Dán wappert van den hoogen toren
Op nieuw de slanke baanrol uit;
Dan is ’t, of ’t avondzonnegloren
Op ’t blankgeslepen borstschild stuit,
En blikkert op de stormhelmetten,
En ’t flikkrend staal der krijgsgenetten,
Die zich verdringen in het krijt
En joken naar den strijd!
Dán treedt een sleep die hallen binnen
Van Edelvrouwen, jonk en schoon,
Van Ridders, vurig in ’t beminnen,
Van Knapen, vrij en hoofsch van zinnen,
En Minstreels, die den zang beginnen
Voor Vrouwengunst en Minneloon!
Waar is uw luister heêngevaren,
En, sombre Puinhoop, wáar uw praal?
Gij spreekt de vreeselijke taal
Van moeilijke Opkomst, vroeg Verderven,
Van korten Bloei en langzaam Sterven;
Gij zingt het slepend grafgezang
Van eeuwgen, eeuwgen Ondergang!
Doch neen, geen Dood!
De geest blijft leven,
Die, eens dier stichting ingedreven,
Nog scheemrig in den bouwval gloort.—
Want wat des menschen vinding stichtte,
Want wat de kracht zijns wils verrigtte,
De daad die is duurt altoos voort!
1 In de ruime beteekenis van Nederlander.
2 Zie Dl. I. blz. 49–80.
3 Zal het misschien een Heer van IJsselborch zijn geweest?
4 Zie Blz. 61–63.
5 Maarschalk, niet in de beteekenis van Veldheer, maar van Rechter, gelijk staande met Baljuw in Holland.
6 Met uitzondering van ’t reigerbosch in »Aemstellelant,” en de manschap der beleende goederen in ’t algemeen, die de Graaf aan zich behield.
7 De andere Nederlandsche Heeren waren die van Voorn, van der Lecke (Aelbrecht en Pieter) van Arckel, van Merode, Otto van Cuyk, Daniël van Goor, Robbrecht van Appeltern, Warnaer van Merode, Peter van Diest en Walram van Luxemborch.
8 Heer Gijsbrecht had in ’t geheel zeven kinderen, vijf zoons en twee dochters gehad. Twee dier zonen, de genoemde Herbarn, en Jan, Domproost te Utrecht, waren hem in den dood voorgegaan.
9 Zy wordt ook Elisabeth, en zelfs Jenne genoemd.
10 d. i. Aangehuwde bloedverwant; toen gold het b. v. evenzeer voor schoonzoon als thands alleen voor schoonbroeder.
11 Van Catharyne van IJsselsteyn, die mede in dezen tijd leefde, is het onzeker of zy eene dochter of wel eene zuster van Heer Aernout geweest zij.—Gwyda is, Dl. I. blz. 35, ten onrechte, in navolging van anderen, Erfzuster geschreven.
12 Dl. I. blz. 38.
13 Gorcum behoorde aan den Grave van Charlois, Karel den Stoute, en lag op Hollandsch grondgebied, dat door Otho van Weeren geschonden was.
14 Zie Dl. I, blz. 41.
15 Blz. 29, enz.