Voor wie de geschiedenis van zijn land lief heeft,—voor wie beseft, dat groote handelingen en bewegingen zich in duizend kleinere splitsen, daarvan zijn voorafgegaan, daarmeê samenhangen, daardoor gevolgd worden,—voor wie alzoo begrijpt dat elke uiting eener eeuw, niet alleen in het openbaar—, maar ook in het huisselijk leven en wat zich daaraan vasthecht, eene historische belangrijkheid bezit, die vooral dáar in waarde klimt, waar vele dier enkele verschijnselen nog zijn samengebleven in een groot geheel, dat het eigenaardig kenmerk van zijn bepaalden tijd draagt—voor hem is het meer dan een bloot genoegen, nog eens rond te wandelen in de zalen en vertrekken en gewelven van een dier weinige kasteelen, die in ons vaderland aan de geduchte handen des tijds en der sloopers ontkomen zijn: voor hem is het wetenschappelijk genot.
Het kasteel Ammerzode.
En wie nu dit genot nog eens in ruime mate wenscht te doorleven, wende den voet naar dat gedeelte van het aloude Teisterbant, dat thands den naam van Bommelerwaard draagt, en wel dáar heen, waar aan den rechter Maas-oever het dorp Ammerzode zich in het welige geboomte verbergt, en niet verre van de rivier een kasteel ernstig en statig oprijst.
En wie zich nu, ondanks zijn goeden wil, tot dien tocht belemmerd vinde—hy vergezelle met ons den Heer van Engelen, waar deze kennisrijke en smaakvolle verhaler, wien wy reeds op het Loo eenige voetstappen ter zijde gingen, zich naar den Ammersode richt:—
Een diepe gracht, nog voor een gedeelte van een aarden wal voorzien, omgeeft het kasteel. Een brug verleent den toegang, eerst op een uitgestrekt voorplein, van oude, thands grootendeels onbewoonde nevengebouwen omringd, waaraan slechts een talrijke duivenslag leven byzet. Vervolgends komt men door eene poort op een binnenhof; en thands het hoofdgebouw betredende, treffen al aanstonds de verbazende dikte der muren en de buitengewone omvang der hooggezolderde vertrekken de opmerkzaamheid des bezoekers. De uitstekende netheid die overal heerscht, en talrijke voorwerpen, tot de hedendaagsche huishouding behoorende, mogen al voor een oogenblik het denkbeeld aan vroegere eeuwen, door de eerste beschouwing van het gebouw opgewekt, verwijderen—toch zullen spoedig de vele overblijfselen van een huisraad, dat een geheel ander tijdperk aanduidt, en dat te midden van meer moderne voorwerpen verspreid is, den eersten indruk hernieuwen. Vooral zullen de fraai gestikte tapijten langs den wand, vercierd met de wapens van het stamhuis van Arckel, dat in de zestiende en zeventiende eeuw de Heerlijkheid bezat,—de groote spiegels met hunne blinkende stalen lijsten, een cieraad van vroegere tijden, dat al te zeer in vergetelheid is gekomen,—de met kunstig snijwerk voorziene schoorsteenranden, en de ouderwetsche stoelen, met hooge ruggen en lage zittingen—den bezoeker telkens herinneren aan een tijd die lang voorby is.
Tot vóor korten tijd waren, behalven het belangrijk archief in een onbewoond gedeelte van het slot, ook nog eenige oude wapenen en een aantal familië-portretten hier aanwezig. Dit een en ander was echter door den tegenwoordigen eigenaar der Heerlijkheid, den Baron de Woelmond, Lid der Provinciale Staten van Limburg, en aldaar woonachtig, meerendeels van hier wech gevoerd. Intusschen waren er nog enkele familië-stukken achter gelaten, meestal vrouwenportretten, in de stijve kleederdracht van een vroeger tijdperk, benevens een groot familië-tafreel, eenige spelende kinderen voorstellende. Men vermaande my, toch vooral den hoofdtoren van het slot te beklimmen, boven welke zich een zoogenaamde peer of pijnappel verheft, die een keurig vergezicht over den omtrek aanbiedt. De wind, die vrij hevig woei, deed dit hoogste gedeelte van het kasteel eene gedurige schudding ondergaan, hetgeen my echter niet verhinderde, een geruimen tijd mijne blikken door de kleine torenvensters over deze vruchtbare landstreek te laten rond weiden. Aan de eene zijde vertoonden zich de breede Waal-stroom en de statige toren van Bommel, schijnbaar in de onmiddelijke nabyheid; terwijl aan den anderen kant de stad ’s Hertogenbosch zich met hare vestingwerken en forten, torens en kerkspitsen uitbreidde. Den geheelen Bommelerwaard, met zijne talrijke dorpen, korenrijke akkers, weiden, en boomgaarden, kon men van hier met een enkelen blik omvatten. Na my met moeite aan dit gezicht onttrokken te hebben, voerde men my uit de hoogte naar de diepte: in de verbazend ruime overwelfde kelders van het slot namelijk, thands tot dienstbodenvertrekken, provisiekamers, enz. ingericht, maar in vroeger tijden voor een gedeelte tot een kerker dienende, gelijk men nog een blok, waaraan de gevangenen gekluisterd werden, als eene rariteit bewaart.—1
Staat ons alzoo nu het ernstig en kolossaal gebouw in deze duidelijke omtrekken levendig voor den geest—werpen wy dan den blik te rug, en zien wy, welke historische herinneringen zich daaraan verbinden, welke feiten aan die muren zijn verknocht, welke lotgevallen hunne bewoners of eigenaars hebben ondergaan.
Wanneer, en op wiens last, hier de spade in den grond werd gestoken, om de rooiïng der grondslagen in vasten steen te verwerkelijken, is onbekend. Zeker weet men echter, dat de sterke burcht in het laatste gedeelte der dertiende eeuw in eigendom behoorde aan Johan van Herlar (uit het oud en edel geslacht van Lo), daarna op zijn zoon Dirc, en vervolgends weder op diens zoon Gerard overging.
Gerard, die het in 1351 bezat, was een aanhanger van den Hollandschen Graaf Willem den Vijfde, wiens kleederen hy droeg; en dat hy Jonker Eduard van Gelre genegen was boven diens broeder, den Hertog, blijkt uit het aandeel dat hy nam in ’t verzet van eenige Edelen tegen Reynald, ten behoeve van Eduards verkort recht, in 1353. Na zijn kinderloos overlijden kwam het kasteel, by magescheid of broederdeeling, in handen van Johan van Herlar, Heer van Ameyde, die er zyn jongsten broeder Arndt meê verlijdde, wiens Erfdochter het door huwelijk weder aan Arnold van Hoemen, Heer van Hoemen en Midlar bracht.
In den oorlog tusschen den Gelderschen Hertog Willem van Gulich en Joanna, de Hertogin-weduwe van Brabant, koos Heer Arnold, met voorbyzien van zijn leenmansplicht, de partij der laatste, en yverde zeer voor hare zaak. Hy was er echter niet gelukkig in. Op den 24en Juni, 1386, krijgsvoorraad en levensmiddelen van ’s Hertogenbosch naar zijn kasteel van Midlar geleidende2, werd hy by het uitkomen van een bosch, zuidwaart van Grave, door Gerard van Oyen aan het hoofd eener talrijke bende Gelderschen overvallen, en met zijn zoon Reynald en eenige Brabantsche ridders gevangen genomen. Hertog Willem, hiermede zijn voordeel trachtende te doen, deed den gevangene voor zich brengen, en gaf hem de keuze tusschen de oogenblikkelijke overgave van den Ammersode, of—de dood. Maar ook in dien nijpenden oogenblik begaf den heldhaftigen Ridder zijne fierheid niet:—»Moet ik sterven,” gaf hy onvertsaagd ten andwoord: »ik zal het met eere weten te doen—maar de bezworen trouw aan mijn Vrouwe van Brabant verbreek ik niet.”—’s Hertogs scherp voorstel bleef toen een bloote bedreiging, ’t zij hy getroffen was door de moedige taal des Edelmans, of dat hy wellicht diens dood nooit in den zin had gehad, maar slechts op deze wijze de bemachtiging van ’t kasteel wilde beproeven. Thands schoot hem hiertoe niets anders over dan een beleg. Hy liet Heer Arnold het leven, maar wendde zich met de wapenen voor den Ammersode, die, niettegenstaande een kloekmoedigen weêrstand, na weinige dagen, in Augustus gewonnen, en met het kasteel Midlar, dat in de volgende maand het zelfde lot onderging, verbeurd verklaard werd. En schoon hun dappere eigenaar later by Hertog Willem in aanzien geraakte—hy ontfing zijn fraai goed aan de Maze, zoo min als zijn schoone Heerlijkheid in Bommelerwaert weder te rug3. Evenmin kwam ze in handen van Gherit van Bruechem, die er aanspraak op maakte (waarschijnlijk uit hoofde van bloedverwantschap), maar in 1391 afstand van deed, behoudens zijn recht op eenige morgen lands, die zijner moeder behoorden.
Toen de Hertog zich in 1392 tot zijn derden tocht naar Pruissen gereed maakte, stelde hy het kasteel in hoede van zijn oversten rentmeester Godart van Stamprade, die zich daartoe verbond »mit op gerichten vingheren ende mit ghestaefden eden ten heiligen gheswoeren.”—En toen hy, in Januari 1402, zijn einde voelde naderen, en de verdeeling zijner bezittingen by testament regelde, schonk hy slot en Heerlijkheid Midlar, met uitzondering van den tol, aan zijn oudsten bastertzoon Willem van Cuyc; en den tweeden, Johan, begiftigde hy met Ammersode, onder voorwaarde dat dit, in geval van kinderloos overlijden, weder op ’s Hertogs rechte erfgenamen zou te rug komen,—ten allen tijde voor hen open staan,—en tegen uitkeering van 1000 Rijnsche guldens steeds losbaar zou zijn.
Men vindt echter niet, dat Johan ooit in ’t bezit der hem beschikte heerlijkheid gekomen is. Waarschijnlijk heeft hy zich daaromtrent verstaan met zijn oom Reynald, die ten minste in 1405, tegen ruiling met het kasteel ter Knype, en het hoog en laag gericht van Beecke en van Sterckerode, aan Johan Steck van Beecke, Heer van Beecke, en Hertooglijk Raad, overlevert: »slot, borch ende herlicheit Amersoyen, mit hogen gerichte ende degelixschen gerichte, mit mannen, mit dyenstmannen, horigen luden, wastijnsigen luden, coirmetschen luden, eygenen luden, mit hoenren, capuenen, gansen, mit renthen, mit paichte, mit theenden, mit tijnse, mit gulden, mit jairgulden, mit wijnde, mit watere, wijhere, mit busschen, mit broeken, mit artlande, mit beemde, visscherijen, forefeyten, mit allen opkomyngen, mit heyden, mit weyden, hoge ende lege, ende mit allen anderen goiden ende erven, tot der voirscr. herlicheit van Amersoye gehoirende.”4 Zeven jaren later deed Heer Johan er weder afstand van, tegen een bepaalde som. Het moet hier echter aan een of andere voldoening van ’s Hertogs wege gehaperd hebben; want Meralda Steck van Beecke, Johans erfdochter, gehuwd met Heer Goossen van Rossem, deed zich na heurs vaders dood met de Heerlijkheid beleenen, schoon zy overigens evenmin in ’t bezit getreden schijnt te zijn, als Willems Johan.
Een andere Bastert van Gelre werd er meê beschonken, en wel Hertog Reynalds zoon Willem van Wachtendonc, die op den 25en April 1424, in overeenstemming »mit Hermanna van Batenborch, sijn echte huysvrouw, Johan Heer tot Broeckhuysen ende tot Weerdenburch verkocht ’t slot van Amersoyen, mit den voorburchte ende graven, mit der heerlijcheyt van Amersoyen, mit den dorpe” enz., verder gelijk reeds in Hertog Willems brief van ruiling werd omschreven. Hertog Reynald keurde dezen overgang goed, en gaf het in ’t volgend jaar aan Broeckhuysen en diens erven tot een onversterfelijk leen, te verheergewaden met éen pond goed geld. De goede luiden van Ammersode hadden reden om zich over dezen verkoop te verheugen: hun nieuwe Heer toonde zich hunnen belangen niet onverschillig, en gaf hun in 1428 landrechten en keuren, met die van Tielre- en Bommelerwaert overeenstemmende, terwijl hy de ingenoten van het kasteel meer gemaks verschafte, door er eene slotkapel te stichten.
Heer Johan van Broeckhuysen van Waerdenburch overleed vervolgends in 1443, en liet zijn eenigen zoon Gerard, die met Walravina, Heer Walravens dochter van Brederode5, gehuwd was, en de waardigheid van Erf-Hofmeester des Hertogen van Gelder bekleedde, den Ammersode.
Wanneer zijne onderzaten met goede hope hem zijne goederen hebben zien aanvaarden—zy zagen die hoop niet verwezendlijkt: reeds het volgende jaar viel de bekende slag van Sint-Hubert voor, waarin Willem van Egmond van IJsselsteyn gevangen genomen werd6, en in dezen strijd sneuvelde Heer Gerard, die, edeler dan zijn lafhartige naamgenoot van Culemborch, dus zijn ridder-eer en leensmans-trouwe met zijn dood staafde. Hy mocht sterven in het vertrouwen dat zijn bloed zich in zijn kroost niet verloochenen zoû: slechts weinige uren te voren, vóor den aanvang van ’t gevecht, zag hy zijn oudsten zoon Johan op het slagveld ridder geslagen, en alzoo tot de hoogste waardigheid van den adel verheven.
Het geluk was den jongen held echter niet gunstig: strijdende werd hy krijgsgevangen gemaakt, en moest zich eenigen tijd het gemis zijner vrijheid getroosten.
De listige Jan van Rossem, dien Sweder van Culemborch later »die alde cat” noemde, had de laagheid om zich met dit dubbel onheil te bevoordeelen. Hy zond, eensdeels misschien op grond der verouderde, aanspraak van zijn vader Goossen, anderdeels uit wraakzucht, omdat Heer Johan hem zijn verloofde ontvrijd had, zekeren Jacob Ottens, om den Ammersode te vermeesteren. De aanslag gelukte, maar zijne vreugde daarover was slechts van korten duur. Heer Jan van Culemborch, een verwant der vrouwe van Broechuysen, Elisabeth van Haeften, had naauwelijks het feit vernomen, of hy besloot om de weduwe, die wellicht van hare vier jongere zonen nog geene hulp verwachten kon, in dien nood by te springen.—Vóor het kasteel stond een rosmolen, en in de deur der kasteelpoort schijnt geen winket of tralievenster geweest te zijn; op deze toevallige omstandigheden bouwde de naauwlettende Ridder zijn plan tot herovering.
Op eenen dag in 1445, zeker niet laat in den morgen, komt er een bode van Culemborch, met de bus, het teeken van zijn ambt, op de borst, voor ’t kasteel aan, en klopt er op de poort. Den poortier, die hem te woord staat, verzoekt hy een brief te willen ontfangen, om dien zijn Heer, by diens komst op ’t huis, te overhandigen. De thands geen kwaad vermoedende poortwachter opent de deur ten deele—maar nu brengt de bode er vaardig zijn arm tusschen, en weert de sluiting; en daarop schieten Culemborchs krijgsknechten, heimelijk in den rosmolen verborgen en op de loer liggende, haastig toe, stormen de poort binnen, vermeesteren het kasteel, en brengen het op deze wijze weder in handen der rechtmatige bezitters.
In hoeverre nu Ammersode, dat, blijkends Schotels onderzoek, den tweeden zoon, Walraven, »aenbestorven ende toegeleeghen was van doode Gerits sijnen vader,” nu nog door den oudsten, Johan, op hem verlijd moest worden, is duister; maar in elk geval zijn de stukken daarvan nog voor handen, en de bepalingen der broederdeeling, van 20 Januari 1457, worden bevestigd door den leenbrief van acht dagen later, waarby Johan van Walraven »beleent ende verlijt die leenweer mit allen rechts ende toezeggens, dat hij gehadt heeft oft hebben mochte aen dat slot tot Amersoyen metter heerlijcheyt, leenmannen, renten, gueden, bezegelde brieven ende allen zijnen toebehoiren, nyet daer van vuytgescheyden, te houden tot eenen rechten onversterffelijken erffleen, met al dusdanige voorwaarden, oft saecke waer dat Walraven voirs ofte sijne kinderen storven, sonder wettelijcke blijvende geboorte after hem te laten, dat Godt verhueden wil, soo sal dese voirs. heerlijcheit mit allen horen toebehoiren voirs. wederom besterven aen Jan voirs. oft sijnen rechten leenvolgeren, in der tijt, in levende lijve wesende.”
De onverhoopte omstandigheid, in de gevolgen waarvan deze laatste bepaling voorzag, vond werkelijk plaats: Heer Walraven overleed kinderloos, in 1480. Ammersode ging toen over op Johans zoon Gerhard van Broechuysen van Weerdenburch, wiens Heerlijkheid van den laatsten naam, benevens de dorpen Hiern en Neerijnen, door den Aartshertog Maximiliaan in 1481 verheven werd tot eene Hooge-heerlijkheid, met het recht van galg en put. Heer Gerhard, een getrouw aanhanger van Hertog Karel van Egmond, by wien hy de waardigheid van Hofmeester bekleedde, stierf in 1494, zonder ooit gehuwd geweest te zijn, waardoor Weerdenburch en Ammersode by erfenis overgingen op zijne zuster Walravina, die ze in het geslacht der Arckels bracht.
Zy was namelijk in 1480 gehuwd met Otto van Arckel, een Edelman voor ’t overige, die den beroemden naam van zijn Huis tot weinig eere was, en zijn eigenen te schande maakte. Samenspannende met Gherit van Culemborch, zijn oom van moeders zijde, had hy zijn vader gevangen genomen, en op het kasteel van zijn oom in verzekerde bewaring gebracht, terwijl hy-zelf dat van Heuckelom bezet hield, en van daaruit zijne soudeniers roovende en ruitende door gantsch Zuid-Holland zond. Maar—een andere Adolf van Egmond, trof hem weldra ook gelijke straf. De Graaf van Charlois, deze strooperijen moede, deed zijn Drossaart Valckesteyn Heuckelom overmeesteren, en dwong Otto tot afstand der Heerlijkheid, waarvan hy zich-zelf tot Heer liet huldigen. Later, volgends sommigen nog by des Borgondiërs leven, ontfing de onwaardige zoon zijne goederen te rug. Hy stierf op ver gevorderden ouderdom, in het jaar 1505; Vrouwe Walravina huwde twee jaren later weder met Heer Herman van Wachtendoncq, en overleed in 1511.
Heur oudste zoon uit het eerste huwelijk, Johan van Arckel, Heer van Heuckelom, bekwam toen den Ammersode, maar overleed reeds ten volgenden jare, en zijn huwelijk met Adriana, des Heeren van Alsten dochter, was kinderloos gebleven.
Op den 24en Juni 1513 werd het kasteel door Henrick van Nassau voor Hertog Karel van Borgondiën gewonnen, maar schijnt niet lang in diens bezit gebleven te zijn, want weldra vindt men het weder als een eigendom van Johans broeder, hoewel niet van den tweeden broeder, maar van den jongsten, Walraven, wien Hertog Karel van Egmond in 1514 ook met Weerdenburch beleende; blijk van eene gunstige gezindheid, die niet immer duurde. Hy viel by den argwanenden Prins in ongenade, waarop eene verzoening volgde, die, 25 Augustus 1520 bezegeld, hem weder in het bezit stelde van alle breuken, wapenschouwing, waakzetting en waakschouwing, verder alle rechten en privilegiën, met uitzondering van lijfgoed en klokkenslag, om ze te genieten tot wederopzeggens toe. Intusschen—ter zelfde maand van het volgende jaar weder, dwong de Hertog hem tot afstand aan zijn ouderen broeder Gerhard, van Weerdenburch met het dagelijksch gericht, van Ammersode met het hoog en laag gericht, en van de tienden van Rossem, Driel en Herwaerden, met bepaling, dat Weerdenburch altijd aan den rechten stam versterven, en nimmer overgebracht worden zou.
Toch bleef hy ’s Hertogen dienst houden. Ten minste in den oorlog met Bisschop Henric van Beiëren, was hy met den Stadhouder van Meurs binnen Utrecht, en aan diens zijde, toen hy by de overrompeling van 1528 de stad ontweek; maar zy werden, te gelijk met den Hertooglijken Raad Wynand van Arnhem, »van het boerengespuys aen de Vecht bekend, en weder naer de stad gebraght,” waar hun echter verder geen leed, dan dat der gevangenschap weêrvoer. Na het treffen van den vrede werden zy weder ontslagen. Vier jaren later, en wel op den 27 September 1532 verbond hy zich in den echt met Jonkvrouwe Catharyne van Gelder, natuurlijke dochter van Hertog Karel en Anna van Merwijc, die hem acht kinderen schonk, vier zonen en vier dochters, waarvan drie ongehuwd overleden.
Intusschen bezat zijn broeder Gerhard, Heer van Heuckelom en Weerdenburch steeds ook den Ammersode, en ontfing van het laatste in 1539 de bevestiging van Keizer Karel den Vijfde, »met bedingh, dat het zelve altoos voor den Keyser zoude open staen, als zijnde niet alleen Hertogh van Braband, maer ook van Gelder.”
Gerhard, sedert 1512 gehuwd met Margareta, Erfdochter van Heer Daniel van Praet van Moerkercken, Heer van Merwede, en Baliuw van Zuid-Holland, bleef zonder kinderen, zoodat by zijn dood, die in 1547 plaats vond, de vaderlijke erfgoederen weder te rug vielen op Heer Walraven, die ze nu tot op zijn sterfdag, in 1557, behield.
Zijn oudste zoon, Otto, erfde Heuckelom, en stierf in 1567 door een noodlottigen val met het oor in zijn zwaard, toen hy met een wagen by Herwynen omstortte7. De tweede zoon, Karel, bekwam Weerdenburch; de derde, Joris of George, de Heerlijkheid Ammersode.
Joris van Arckel was nog een kind, toen zijn vader overleed, waarom Goirt van Gellekom zijne plaats bekleedde by het doen der leenhulde. Later, in 1569, legde Heer Joris persoonlijk den leen-eed af, en werd toen namens Filips den Tweede, als Hertog van Gelderland, met de Heerlijkheid verlijd, en alzoo bevestigd in het bezit van zijn vaderlijk erfgoed. Hy trad in ’t huwelijk met Anna, Heer Johans dochter van Lockhorst, waardoor hy de Heerlijkheden van Heemstede en van Lockhorst verkreeg. De beide echtgenoten verzekerden elkander, by testament van 24 Februari 1581, »in lijftochte duysent guldens siaers, wt elcx haer respective goederen haer leven lanck gedurende van lancst leven.” Vrouwe Anna overleed vóor haren echtgenoot, die in 1590 stierf; maar de oorzaak van zijn noodlottigen dood is zoo zonderling, en van zoo veel raadselachtigs en onverklaarbaars omweven en doorvlochten, dat de tastbare vormen der historie zich hierby in de zwevende gestalten der overlevering verliezen, en de gloed der poëzy vereischt wordt, om een meer helder licht te werpen op die
Glad is de ijskorst van den winter, die den rug der waatren dekt,
En den helder-blaauwen hemel tot een blanken spiegel strekt;
Maar wie meldt het, wat daaronder in den schoot dier waatren huist?
Wat er in de donkre diepte langs den bodem woelt en bruist?—
Feest is ’t op den Ammersode, schoon geen dartel looffestoen
Poort of brug omzwiert met bloemen, nis noch zuil met lachend groen.
Schoon geen zang der burchtgenoten klinkt met vrolijk maatgeluid—
Feest is ’t op den Ammersode: Jonkvrouw Ada is de bruid.—
—»Dartle lijfknaap! hoe zoo somber? Waarom in uw oog die traan?
Aan het feestmaal zit uw Jonkvrouw; gy doolt eenzaam door de laan?
’k Ben een vergereisde zanger, vreemd in Arckels burchtgebied.
Sneeuwt het daar geen roode rozen? Is de bruid uw Jonkvrouw niet?”
—»Och! al sneeuwt het roode rozen, tranen reegnen daar door heen!
Maar ze duchten er geen jammer: Ik ben angstig, ik-alleen.
’t Proefjaar is ten end geloopen; ’t is heur laatst banket op ’t slot:
Morgen volgt heur nonnenwijding... morgen, morgen! o mijn God!...
—»Maar waarom die siddrende angstkreet?—Lijfknaap! gy, nog half een kind!
Hebt gy dan uw schoone Jonkvrouw licht in ’t heimelijk bemind?
Was ze u meer dan rijke bloeme, bloeiende in een vreemde gaard,
Waar gy slechts de zorg mocht deelen, die haar voor het weêr bewaart?
—»Heb ik haar mijn hart geschonken—’t was, gebogen op mijn kniên;
’t Was met kinderlijken eerbied, zoo ik tot haar op dorst zien.
Neen—dat drukt niet op mijn boezem... maar een geest waart om my rond,
Die in ’t kleppren van zijn vlerken my een naamloos wee verkondt.
»Sints dees dag aan ’t oosten lichtte, toeft een vreemde op ’t slot als gast—
En mijn pols krimpt wech van vreeze, waar zijn aanblik my verrast.
Zeven knechten, even somber als hun meester, naar den schijn,
Hangen zwijgend aan zijn wenken; hy mag wel de Boze zijn!”...
En een huivring van verschrikking greep den vreemden zanger aan.
Blaauw scheen hem het zwijmend maanlicht in de dorre lindelaan.
Zwijgend week hy naar den landweg, die naar ’t eenzaam klooster bracht,
Waar men hem geen maal zou weigren en geen schuilplaats voor de nacht.—
Feest is ’t op den Ammersode. Buiten zwijmt de maanlichtstraal—
Binnen flikkren honderd toortsen door de hooge burchtslotzaal.
Buiten klaagt door ’t naakt geboomte slechts het slepend uilgesteen—
Binnen klinken pijp en cymbel door de hooge welfsels heen.
Twintig Eedlen, hoog van wapen, tusschen Maze en Leek vermaard,—
Twintig Jonk- en Edelvrouwen, aan dien Ridderstoet gepaard,—
Veertig knapen, hooggeboren, dienende aan den rijken disch—
Wie nog vraagt er van dat feestmaal, of ’t een Arckel waardig is?—
Aan de zij’ des grijzen Burchtheers, Vrouw Joannaas plaats weleer,
Voor haar de englen tot zich riepen, zit de grijze Abdisse neer.
Aan de zij der teedre Jonkvrouw, wie nu ’t waereldsch haast ontging,
Zit de gast van d’ Ammersode, zit de sombre vreemdeling.
Ravenzwarte lokken rollen langs zijn bleeke wangen heen;
Ravenzwarte wimpers zoomen zijner donkere oogen leên;
Ravenzwarte knevels dekken ’t plooien van zijn bleeken mond.
Affaytadies wapen voert hy—maar wie zegt het met wat grond?—
Goudblond worstlen nog de tressen aan de huif der Jonkvrouw uit;
Goudblond is de zijden wimper, die heur teêr-blaauw oog omsluit;
En heur zacht-gebloosde trekken ademen zoo kalm een rust,
Of er de engel van den vrede haar het voorhoofd had gekust.
Bleek zijn Affaytadies wangen, als daar buiten ’t licht der maan.
Duister staan zijn donkere oogen, blikt hy soms de Jonkvrouw aan.
Heel een waereld van verlangen, van verlating, van verdriet,
Trilt er in dien neevlend’ oogstraal, dien hy naar de Jonkvrouw schiet.
Hooger bruist de klank der pauken; vrolijk schettert de cymbaal.
Lust en leven, vrede en vreugde stroomen zonlicht door de zaal.
Luider klinkt de toon der gasten by hun levendig gebaar.
Affaytadi fluistert somber, of hem ’t spreken moeilijk waar’:
»Jonkvrouw Ada! Bruid des hemels! wilt ge luistren naar een droom?
’t Was, als doolde ik in ’t verleden, en aan d’ oever van een stroom:
’t Was de Maas, wier blonde golven vloeiden langs een eilandzoom,
En een oude grenssteen rustte er aan een grijzen wilgeboom.”—
Bevend zag de Jonkvrouw opwaart, en heur fijne blos verschoot.
Affaytadies wangen kleurden langsaam tot een scheemrend rood.
»Luister, Jonkvrouwe! en blijf rustig,” sprak hy met een kouden lach:
»Zoudt ge huivren om een landschap dat ik in mijn droomen zag?”—
Zwijgend zag ze voor zich neder. Fluistrend boog hy tot haar heen:
»’k Zag een jeugdig tweetal zitten op dien graauw bemoschten steen.
’t Was een meisjen, blond van lokken, blaauw van oogen, zoet van leest;
’t Was een knaap, met zwarte hairen, bleek van wangen, droef van geest.”
Siddrend zag de Jonkvrouw opwaart, en thands bleeker dan de dood.
Affaytadies wangen kleurden tot een hoog en donker rood.
»Luister, Ada! en blijf rustig,” sprak hy met een bittren lach:
»Zoudt ge voor twee kindren siddren, die ik in mijn droom slechts zag?”
IJzend zag ze voor zich neder. Somber fluistrend sprak hy weêr:
»Zy was dochter van den huize; hy—een vondling, en niets meer.
Maar toch zwoer ze hem heur trouwe, by den weedom van heur ziel
En der zielen van heure oudren, zoo ze van heur trouw verviel!”—
—»Maar dat was voor twalef jaren!” riep zy met gesmoorden kreet:
»En hy is van hier verdwenen—en vergeten is die eed.....”
—»Maar hy is te rug gekomen!” sprak hy, met een oog vol glans:
»En de vondling van ’t verleden—is Graaf Affaytadi thands!”—
—»Heere Jezus!” kreet ze rillend; maar dien kreet vernam men niet,
Toonloos als hy ging verzwonden in het schaatrend tafellied.
Half bezwijmd zonk ze in heur zetel; maar de woeling aan den disch
Bond den blijden geest der gasten—en daar was geen stoorenis.
—»’t Is te laat thands, Affaytadi!”.... En ’t vloot biddend van heur mond:
»Morgen treed ik in het klooster, morgen met den uchtendstond.
Affaytadi, Affaytadi!..... hebt gy ook mijn rust vermoord—
Geef my d’ eed van trouwe weder, ’t onbedachte kinderwoord!”—
—»’t Is te laat thands, Ada!” ruischte weer zijn sombre fluisterstem:
»By het welzijn van drie zielen! houdt ge uw eed—of breekt ge hem?
Laadt ge een eeuwigheid van jammer op ’t onschuldig ouderhoofd—
Of bewijst ge een Affaytadi, wat ge een vondling hebt beloofd?”—
—»O! daar is, daar is geen redding!” riep ze met een luiden gil.
En het dischgedruisch verstomde, zang en feestmuziek zweeg stil.
Roerloos lag zy in heur zetel, als een offer van den dood.
Affaytadies oogen vlamden, en zijn wang was gloeiend rood.
Hy was ijlings opgesprongen; maar hy scheen het niet te zien
Wie er snelden tot den zetel, om der Jonkvrouw hulp te biên.
En hy achtte, half-gebogen in een diepe vensternis,
Noch op ’s vaders handenwringen, noch op ’t schreien der Abdis.
Bleek was weer zijn wang geworden, en zijn mond stond strak en kil.
»Nog gaat gy my niet verloren—daar is redding, als ik ’t wil”....
Sprak hy momplend.—»En ik wil het!” sprak hy ijlings voor zich heen.
—»Waar is Affaytadi?” vroeg men.... In de zaal vond hem niet een.
En een droevige verwarring heerschte in die verlichte zaal.
Buiten was het stil en zwijgend: alles schaduw, alles vaal.
In de handen ’t hoofd verborgen,—in het oog een stillen traan,—
Zat de Lijfknaap op een boomtronk, in de dorre lindelaan.
Ruischte daar geen staalgekletter? Dreunde daar geen hoefgestamp,
Half gesmoord en gants verborgen in den vochten avonddamp?
Gonsde ’t van den kant van ’t burchtslot als een nachtgeest niet voorby?
Angstig staart hy door het duister naar de onzichtbare overzij.
Hoe!.. ging reeds de nacht ten einde? Breekt de purpren uchtendgloor
Met een vloed van rossche stralen plotslijk dus de wolken door
En verlicht de kruin der linden?... Hy blikt om naar d’ oosterkant—
En springt gillend overende, met den ijsbren kreet van »brand!”
Brand!... Als stof voor wervelwinden, breekt uit raam en torentrans
Gloeiend rood een wolk van vonken, met een schrikkelijken glans.
Zwarte rookkolommen rijzen om ’t gevonkel, dicht in een—
En dan breken wilde vlammen door de rookkolommen heen.
Poort en valbrug staan in vuurgloed; ’t water kookt er in de gracht.
»Redding! Redding!” is het gillen... maar hoe redding toegebracht?
Als een onverdoofbre krater spuwt de burch zijn vlammen uit,
En in ’t kraken van de muren smoort het kermend angstgeluid.
’t Raafgebroed, van ’t nest verdreven, krijscht en krast om trans en tin,
En het kleppen van de noodklok valt er ijzingwekkend in.
Louter vuur is de Ammersode,—lucht en water louter vuur.....
God bewaar’ de burchtgenoten! want de redding kost er duur.
En de Zanger uit den vreemde, die naar ’t gintsche klooster trad,
Wendt ontzet en schuw zijn blikken, en houdt stand op ’t eenzaam pad.
En hy stort er op de kniën; en hy bidt, met bang gemoed,
Voor zoo menig deerniswaarde, die een graf vond in den gloed.—
Rammelde er geen staalgekletter? Dreunde daar geen hoefgedruisch,
Toen hy neêr lag, innig biddend voor wie omkwam op het huis?
Gonsde ’t van den kant van ’t burchtslot als een nachtwind niet voorby?
Met een angstig voorgevoelen staart hy naar de kloosterzij.
En hy duizelt van ontzetting, en hy steunt zich aan een stam:
Is de jongste dag verschenen? Staat heel de aarde reeds in vlam?
Dreigend rees de kloostertoren als een donkre geest omhoog—
Maar te midden van een vuurgloed, barstende uit gewelf en boog:
Vuurgloed, die het nachtlijk donker van den zwarten hemel joeg,—
Die heel d’ omtrek op deed waken, en het hart met siddring sloeg.
Raadloos woelt de ontzette menigt, waar geen redding mooglijk was...
En de burcht gaat op in vlammen; en het klooster zinkt in asch.
In de borst van welken duivel rijpte, met die gruwzaamheid,
Zoo afschuwelijk een denkbeeld tot zoo schrikkelijk een feit?
Waarom is die dubble moordbrand in de zelfde nacht geschied?
Huivrend gaat de vraag in ’t ronde—maar een andwoord is er niet.—
Treurig werpt het uchtendzonlicht over ’t rookend puin zijn glans.
Als een wrak, ter helft versplinterd, rijst er nog een enkle trans,
Rijst er nog een enkle toren, rijst er nog een enkle boog
Van de burcht der Ammersoden uit de laauwe gracht omhoog.
Snikkende, en met schreiende oogen, zag men ’t bitter schouwspel aan:
Zooveel jeugd, en zooveel grijsheid—in den wilden gloed vergaan!
Snikkende, en met schreiende oogen, groef men lijken en gebeent
Uit de zwart-gerooste puinen—al te droevig grafgesteent!—
Menig nog herkenbaar teeken: wapentooi of pronkcieraad,
Dat van ’t stofflijk overblijfsel nog geslacht en naam verraadt.
En toen ’t al was opgedolven, wat zoo wreed begraven waar,
Miste men met stille ontzetting nog een enkel lijken-paar.
Waar bleef Affaytadi? waar de Jonkvrouw?—En een kille schrik
Deed er aller wang verbleeken by die vraag, dat oogenblik:
Spoorloos waren beiden henen; en geen teeken, dat verried,
Wat er, na dees nacht vol jammer, met die beiden zij geschied.—
Jaren kwamen, jaren gingen—en de burch rees uit zijn puin,
En het drietal zware torens hief er weêr de trotsche kruin.
Maar, wat ooit van verre of vreemde weêr op ’t burchtslot werd gehoord
Nooit een woord van Affaytadi; van de Jonkvrouw nooit een woord.
Volgends eene overlevering op de plaats-zelve, spaarden de felle vlammen nog een ronden toren, met een gering deel van het hoofdgebouw, en den buitengevel eener poort, die thands nog, onder een wapenschild dat in het laatst der voorgaande eeuw met gipskalk onkennelijk werd gemaakt, het jaartal 1564 draagt.
Eene verklaring van den Secretaris Moll te Ammersode, 15 Augustus 1606 opgemaakt8, zegt echter, »datter in timmeragie nauwelyx een splinter en was overgebleven.” En verder: »dat daer benevens d’ Edele Welgeboren Heere, Heere George van Arckel onze lieve weerden Heere, wiens ziele God genadigh zij, ende met sijne Edele Huys off sloth voors. ter selver tijt mede verbrant is worden en den sesden dagh daer na deser weerelt over leeden, gelijk ook in den voors. brand te niete gegaen ende tot assche gekomen is Zijne Edele huysraat, meubilen, juweelen, boeken, brieven en papieren, als doen op den voors. Huyse weesende, behalve dat eenig gout en zilver naderhand uyten assche ende gruys wederom nog sijn bevonden, item dat dergelijke fortune en ongeluk ook gevuelt hebben de nabuiren en inwoonders, die meest alle hun gelt, goederen, huysraat, klederen, klijnodien, boeken en brieven, overmits den pereyculeusen tijt, op het voors. sloth, als ten eenre en ter andere zijde vrij zittende, gevlugt hadden, en niet gewoon en waren in hun eygen huyse yet te behouden, dan ’t geene sij ’t allen uure ten eenemaal nodig hadden.”
Nadat Heer Joris op zoo treurige wijze was omgekomen, werd hy opgevolgd door zijn eenigen zoon Otto9, die omstreeks 1600 de verwoesting liet herstellen, het kasteel uit zijn puinen deed ophalen, en weder als een waardig gedenkteeken van voorvaderlijke macht en aanzien herrijzen.
Deze Otto van Arckel was thands de eenige »overblijvelingh van manlijk oir, van den Arkelsen stam, gesproten uyt de Heeren van Heukelem, de xj in ’t dalend getal van Heer Jan de Sterke, de tweede Heer van Heukelem.” In 1614 huwde hy met Jonkvrouw Francelina, dochter van Heer Cosmo degli Affaytadi, Baanderheer tot Ghistelle, Hilst en Lavenacker10; de bruid ontfing daarby als huwelijksgave van haren vader »vijf honderd gulden ’s jaars zuijvere renthe tot laste van de domeijnen van Zeelandt.” Zy overleefde haren echtgenoot, die zich in den strijd met Spanje als een rechtgeaart Nederlander en wakker krijgsman kweet, en by voortduring te velde trok. Hy liet drie dochters na en éen zoon, Thomas Walraven, die Heer van Wordragen en Well, den Ipelaer en ter Lucht wordt genoemd, en in 1641 met Ammersode beleend werd.
Thomas Walraven was gehuwd met Jonkvrouwe Joanna Barbara, Heer Lodewijks dochter van la Kethulle, Heer van Rijhove en Tamers, Kolonel te paard, Ritmeester over eene kompagnie kurassiers in dienst van den Staat, en Gouverneur van Bergen-op-Zoom. De krijgshaftige voorbeelden zijns vaders en schoonvaders schijnen echter op hem geen invloed te hebben gehad: men vindt niet dat hy den Staat heeft gediend. Dat kon hem evenwel niet immer een vreedzaam leven waarborgen: de inval der Franschen in 1672 brachten hem menige moeielijkheid, waarvoor de sauvegarde, hem door Prins Willem den Derde op den 29en Juni vereerd, evenmin behoeden kon. Wel ontkwam de burcht het lot dat zoo vele anderen in die dagen trof, en werd voor vernieling bewaard—maar niet dan ten koste van groote opofferingen, evenzeer drukkende voor de onderdanen als voor hun Heer, wien het verblijf op het kasteel soms maar al te bitter werd gemaakt. Alleen in 1672 moest hy eene schatting betalen van byna 7000 gulden aan geld, haver, gerst, hooi, stroo, kapotten, en schoenen. De arme boeren werden geprest, om drie maanden lang te arbeiden aan de versterking van het fort Crevecoeur. In het volgende jaar waren de afpersingen in geen geringer mate, en by de minste vertraging volgden er oogenblikkelijk brutale aanmaningen, zoowel van den bevelhebber van Crevecoeur als van dien der sterkte St. Andries, waarby gedreigd werd »het slot en de woningen der onderhoorigen zonder genade aan de vlammen ter prooi te zullen geven, indien de geëischte som of voorraad van voeder en vee niet oogenblikkelijk werd opgebracht.”
Waarlijk! de Franschen van 1672 gingen het die van 1795 waardig voor; en de Luitenant-Generaal der Koninklijke Armee, Graaf de l’Orge, behoefde voor den Generaal van Damme in onbeschaamdheid niet te wijken.
In die treurige dagen hield Heer Thomas Walraven niet altoos zijn verblijf op het kasteel, maar was ook dikmaals te ’s Hertogenbosch. Het zal hem gewis geen rouwe hebben gebracht, toen de roemrijke lelievaan eindelijk den Nederlandschen bodem ontwijken moest.
Op den 1en Juni 1683 gaf hy, ten behoeve van Willem den Derde, die in een verschil over jachtrecht was met den Heer van Broeckhuysen, de verklaring, dat hy toenmaals was »het laatste en eenighste mans-oir, gesproten in wettigen huwelijk uyt het opgemelte Huys van Arckel, wel willende ende begeerende dat de posteriteyt hier aff kennisse hebbe.” Hy bleef ook de laatste mannelijke nazaat van wettigen bloede, en overleed kinderloos, op den 23en Oktober 1693. Drie jaren later volgde hem zijne weduwe.
Nu kwam Ammersode in het geslacht der Baronnen van Lichtervelde, door Renesse van Elderen aan Arckel vermaagschapt. Catharyne, Heer Joris dochter, had namelijk de derde harer kinderen, hare oudste dochter Anna van Renesse van Elderen, in 1626 ten huwelijk geschonken aan Pieter van Lichtervelde, Heer van Beaurevant, Vellenaere, Croix, Caeskerke, Vrijlandt enz., uit welk huwelijk Johan Ferdinand, Baron van Lichtervelde, Heer van Vellenaere en Beaurevant geboren werd. Ten gevolge eener bepaling van Heer Otto van Arckel, door Thomas Walraven bekrachtigd, om »gene off gesubstitueerde erffgenaemen feudael, als den oltsten en naeste van sijnen bloede, met seclusie van alle andere aen te stellen,” erfde deze Baron thands de heerlijkheid Ammersode, Well en Wordragen, en werd er wettig meê beleend. Hy vestigde met zijne echtgenote Maria Catharina de Belveer zijn verblijf op het kasteel, en overleed er op den 22en Oktober 1711.
Zijne nog minderjarige dochter, Jonkvrouwe Maria Isabella Catharina, werd er reeds het volgende jaar mede beleend, doch hare moeder, vrouwe Maria Catharina, genoot tot in 1754 het vruchtgebruik.
De Jonkvrouw huwde vervolgends met den Vlaamschen Edelman Jacques Joseph de Vilsteren, Baron van Laerne, wien zy, behalven eene dochter, drie zonen schonk, waarvan de eerste, Jean Joseph François de Vilsteren, na den dood zijner moeder den Ammersode met de Heerlijkheid aanvaardde. De tweede zoon, Nicolas Joseph Guislain de Vilsteren, Baron van Laerne, werd er daarna meê beleend, en eindelijk ook de derde der broeders, Theodore Joseph François, Baron de Vilsteren van Laerne, die in 1792 stierf.
Het scheen alzoo, als of het bestemd was dat Ammersode beurtelings in handen van Jacques gantsche gezin moest overgaan: want nu met Theodore ook de jongste der zonen overleden was, erfde de Heerlijkheid over op hunne zuster Marie Theodore Genoveve Collette, Baronnesse de Vilsteren, echtgenote van Lebert François Christien, Graaf de Ribaucourt.
Dus was de heerlijkheid weder in een nieuw stamhuis gekomen, waaraan ze echter slechts twee geslachten bleef. Christien, Graaf de Ribaucourt, die zijne moeder opvolgde, had by zijne gemalin, eene Baronesse du Quarré, twee kinderen, een zoon, Prosper Christien de Ribaucourt, gehuwd met eene Baronnesse de Thiennes de Lombise, en eene dochter, Eugènie Françoise Sidonie Marie Guislaine. De laatste werd by het kinderloos overlijden haars broeders, Vrouwe van Ammersode, Well en Wordragen, en bracht daarmede de Heerlijkheid over op de familië van haren echtgenoot, Jonkheer Louis Alexandre Alphonse, Baron de Woelmond, in België verblijvende, die het thands nog in bezit heeft.
Het kasteel, dat tegenwoordig door een Rentmeester bewoond wordt, heeft in den loop der tijden, en by zoo vele verschillende bezitters, natuurlijk herstellingen en verbeteringen noodig gehad, maar is in hoofdvorm weinig veranderd, en komt thands nog zoo goed als in alles overeen met de hierby gevoegde afbeelding, waarvan echter de voeting der torens, door onnaauwkeurigheid van den steenteekenaar, niet breed genoeg uit het water der slotgracht oprijzen. Welke lotgevallen het in den tachtig-jarigen oorlog heeft doorgestaan—daarvan is niets in byzonderheden bekend. Men vindt alleen in ’t algemeen vermeld, dat het in den aanvang der onlusten te lijden heeft gehad. Dit was echter vóor den brand, en bracht dus geene verandering in de gedaante van den lateren bouw, die, zoo als wy reeds opmerkten, nog een gering overschot van het oude kasteel in zich opnam. Die vleugel (zegt de Heer Schotel) waarin zich de kapel en de archiven-kamer bevinden, sedert menschengeheugen niet bewoond, schijnt, ofschoon inwendig hersteld, in zijn oorspronkelijk muurwerk gebleven te zijn. De dikke muren, de diep daarin uitgehakte vensters, de steenen vloeren, de verwulfde vertrekken, heugen meer dan twee eeuwen. De bouwvallige staat, waarin zich deze overblijfselen bevinden, doet ons vreezen, dat zy welhaast een prooi van hamer en moker zullen moeten worden, waardoor het statige voorkomen van den ridderlijken Ammersode niet weinig zoude verliezen.
1 In een der torens kan men, langs een verborgen ladder, die, meen ik, door het wegnemen van een gedeelte van den vloer zichtbaar wordt, naar beneden dalen. In de dikke muren vindt men geheime bergplaatsen voor goederen.—Schotel.
2 Gelegen op den rechter Maas-oever, tusschen Gennep en Mook.
3 Zijn zoon, Guyart van Hoemen, Burchtgraaf van Odenkercke, verdroeg zich met Anthony van Borgondiën, Ruwaard van Brabant, over de schade die zijn vader in den Gelderschen oorlog geleden had, ten opzichte van een mansleen van 200 oude schilden ’s jaars, die hy als Heer van Ammersode van den Hertog plach te honden.—v. Spaen.
4 »Also als ons dat van onsen seligen alderen ende vervaeren anverstorven ende angekomen is,” zegt de Hertog in den brief van erfwissel (Nyhoff III, 268). Ik geloof niet, dat deze uitdrukking voor iets anders dan een gewoon formulier op te vatten is.
5 Zie Dl. I, bl. 67.
6 Zie hiervan bl. 127.
7 Volgends de huwelijksvoorwaarden van den 13 Juni 1534 kwam hy weder in ’t bezit der Hooge Heerlijkheid [van Weerdenburch], en werd daarmede beleend. Maar na den dood van Hertog Karel, ontstond deswegens verschil tusschen de stad Bommel en den Heer van Weerdenburch; en de Landschap vonnisde den 29 Juni 1538, dat in Tielreweerd niet meer dan twee banken moesten zijn; dat dus de bank van Weerdenburch afgeschaft zou worden, maar dat de Heer behouden zal de visscherije, de breuken, en alle oude gerechtigheden.—v. Spaen.
8 Naar deze acte zou de brand in de maand April 1590 hebben plaats gehad.
9 Joris van Arckel liet drie kinderen na: behalven Otto nog twee dochters: Anna en Catharyne; de eerste huwde met een Nederlandsch krijgsman, Walraven, Baron van Gent, Heer van Dieden en Oyen; de tweede met René van Renesse, Heer van Raucourt, Wasnes, Brumorher, Hern en Schalckhoven.
10 Cosmo degli Affaytadi, Baron van Ghistelles in Vlaanderen, gesproten uit een aanzienlijk geslacht in ’t Hertogdom Milaan. Hy was, naar alle vermoeden, een zoon van Carlo d’ Affaytadi, een Milaneesch Edelman, die in 1545 te Antwerpen woonde, en door koop de Baronny Ghistelles verkreeg, die door Koning Karel den Tweede tot een Graafschap verheven werd, 21 Januari 1676, ten behoeve van Jean François d’ Affaytadi, Baron van Ghistelles, Heer van Hilst, Lavenacker en Braduc, misschien een kleinzoon van Cosmo.—Te Water.