Daar lag de ongelukkige wielrijder. Daar lag de ongelukkige wielrijder.

„Het is nu een weinig moeilijk om te weten, wat wij thans moeten doen, Watson,” zeide hij eindelijk. „Mijn eigen meening is, dat wij dit onderzoek moeten voortzetten, want wij hebben reeds zooveel tijd verloren, dat wij geen uur meer hebben te verliezen. Aan den anderen kant zijn wij verplicht de politie in kennis te stellen met onze ontdekking en te zorgen, dat het lijk van dezen ongelukkigen man naar elders wordt overgebracht.”

„Kan ik niet even een boodschap wegbrengen?”

„Maar ik heb je gezelschap en je hulp noodig.”

„Wacht even. Daar in de verte zie ik iemand bezig op de heide. Ik breng den man hier en hij zal de politie den weg kunnen wijzen.”

Ik bracht den boer bij Holmes en deze zond den verschrikten man met een briefje naar dr. Huxtable.

„Nu, Watson,” zeide hij, „hebben wij van morgen twee uitgangspunten opgediept. Het eene was de fiets met de Palmerbanden en je ziet, waar ons dat gebracht heeft. Het andere is de fiets met de Dunlopbanden. Voordat wij echter beginnen met een onderzoek hiervan, moeten wij trachten hetgeen wij weten te ontleden en het toevallige van het niet-toevallige te scheiden.

„In de eerste plaats wil ik je er op wijzen, dat de knaap zeker en gewis uit vrijen wil is weggegaan. Hij is uit het raam geklommen en hij ging of alleen weg of in gezelschap. Dat staat vast.”

Ik knikte.

„Goed, laten we ons nu bezighouden met dezen ongelukkigen Duitscher. De knaap was geheel gekleed, toen hij de vlucht nam. Hij heeft derhalve te voren geweten, dat hij weg zou gaan. De Duitscher ging echter zonder zijn sokken. Hij had haast om weg te komen.”

„Zonder twijfel.”

„Waarom ging hij? Omdat hij van uit zijn raam den knaap zag vluchten. Omdat hij hem wenschte in te halen en terug te brengen. Hij haalde zijn fiets te voorschijn, achtervolgde den knaap en kwam op den tocht om het leven.”

„Zoo schijnt het gegaan te zijn.”

„Nu kom ik tot het critieke punt van mijn redeneering. In een gewoon geval zou een man bij het vervolgen van een kleinen jongen hem achterna ijlen. Hij kon immers weten, dat hij hem gemakkelijk zou kunnen inhalen. De Duitscher doet dit echter niet. Hij neemt zijn fiets. Men heeft mij verteld, dat hij een uitstekend wielrijder was. Hij zou echter niet aan zijn fiets gedacht hebben, indien hij niet gezien had, dat de knaap op de een of andere wijze sneller kon wegkomen dan hij kon loopen.”

„De andere fiets.”

„Laat ons de feiten verder onderzoeken. Hij vindt den dood vijf mijlen van de school—niet, let wel, door een kogel, welke zelfs een knaap zou kunnen afschieten, maar door een geweldigen slag, toegebracht door een krachtigen arm. De knaap had derhalve iemand bij zich, toen hij vluchtte. En hij vluchtte snel, daar eerst na het afleggen van vijf mijl een goed wielrijder hem kon achterhalen. Wij hebben den grond om en nabij de plek, waar het treurspel is afgespeeld, onderzocht. Wat vonden wij daar? Niets anders dan eenige sporen van koeienpooten. Ik maakte een groote bocht, maar binnen een omtrek van vijftien meter ontdekte ik geen enkel begaanbaar pad. Een ander wielrijder kon derhalve niet betrokken zijn bij dezen moord. Maar er waren evenmin sporen van menschen.”

„Holmes,” riep ik, „dat is onmogelijk.”

„Bewonderenswaardig!” zei hij. „Een opmerking, die hout snijdt. Het is onmogelijk, zooals ik het uitleg en daarom moet ik mij in een of ander onderdeel vergist hebben. Toch heb je zelf ook alles kunnen zien. Heb je iets op mijn redeneering aan te merken?”

„Zou hij die wonde niet hebben opgedaan ten gevolge van een val?”

„In een moeras, Watson?”

„Ja, dan begrijp ik er niets meer van.”

„Tut, tut, wij hebben nog wel eens moeilijker vraagstukken opgelost. Wij hebben in elk geval feiten genoeg voor ons, als wij ze maar in verband met elkander weten te brengen. Komaan, nu wij niets meer aan de Palmerbanden hebben, moeten wij zien, wat wij van de Dunlop kunnen leeren.”

Wij volgden het eerste spoor over een grooten afstand. Weldra bereikten wij echter een punt, waar de heide begon te glooien en het drassige gedeelte plaats maakte voor harden grond. Hier konden wij niet meer hopen op de hulp van een spoor. Op de plek, waar de indruk van de Dunlop het laatst was te onderscheiden, viel niet na te gaan, waar de wielrijder heen gegaan was. Het kon naar Holdernesse Hall, waarvan de statige torens zich eenige mijlen links van ons verhieven, zijn, maar even goed naar een klein dorpje, dat recht voor ons lag en aanwees, waar de groote weg naar Chesterfield gezocht moest worden.

Toen wij de onaanzienlijke en vervallen herberg met een haan boven de deur naderden, slaakte Holmes plotseling een pijnlijken kreet—greep mij bij den schouder om niet te vallen. Hij had zijn enkel zoodanig verzwikt, dat hij bijna niet meer kon loopen. Zoo goed en zoo kwaad als 't ging, hinkte hij naar de deur, waarin een zwaar gebouwde, donker uitziende man op leeftijd een steenen pijp stond te rooken.

„Hoe gaat het u, Reuben Hayes?” vroeg Holmes.

„Wie ben je en hoe weet je zoo goed hoe ik heet?” vroeg de man op zijn beurt, met een achterdochtigen blik van zijn sluwe oogen.

„Wel, het staat op het bord boven je hoofd. Het is gemakkelijk aan iemand te zien of hij de heer des huizes is, ja of neen. Hebt u misschien ook een rijtuig in uw stal?”

„Neen, dat heb ik niet.”

„Ik kan ternauwernood mijn voet op den grond zetten.”

„Zet hem dan niet op den grond.”

„Maar ik kan niet loopen.”

„Wel, dan moet je dansen.”

De manieren van mijnheer Reuben Hayes waren alles behalve beleefd, maar Holmes toonde zich heelemaal niet uit het veld geslagen.

„Kijk eens hier, man,” zei hij. „Dit is werkelijk een lastige geschiedenis voor mij. Het kan mij niet schelen op welke wijze ik verder kom.”

„Mij ook niet,” zei de onvriendelijke herbergier.

„De zaak is van het hoogste gewicht. Ik zou je graag twaalf gulden willen geven voor het leenen van een fiets.”

De herbergier spitste de ooren.

„Waar wil je heen gaan?”

„Naar Holdernesse Hall.”

„Lieden van den hertog, is het niet?” zei de herbergier, onze met modder bevlekte kleederen met een ironischen blik beschouwend.

Met moeite hinkte hij tot aan de deur. Met moeite hinkte hij tot aan de deur.

Holmes lachte goedhartig.

„In elk geval zal hij blij zijn, wanneer hij ons ziet.”

„Waarom?”

„Omdat wij hem nieuws brengen van zijn verloren zoon.”

De man schrok merkbaar.

„Wat, ben jullie hem op het spoor?”

„Men heeft in Liverpool van hem gehoord. Men verwacht, dat hij elk oogenblik gevat zal worden.”

Weder kwam er een snelle verandering in het ongeschoren gelaat. De man werd plotseling vriendelijk.

„Ik heb al heel weinig redenen om den hertog een goed hart toe te dragen,” zeide hij, „want ik was indertijd zijn eerste koetsier en hij heeft mij gemeen behandeld. Hij gaf mij mijn ontslag op staanden voet naar aanleiding van hetgeen een onbetrouwbare marskramer geliefde te vertellen. Maar ik ben blij, dat men te Liverpool van den jongen lord gehoord heeft en ik zal jullie helpen om het nieuws naar de Hall te brengen.”

„Dank u,” zei Holmes. „Wij zouden eerst echter wel wat willen eten. Daarna kunt ge de fiets voorbrengen.”

„Ik heb geen fiets.”

Holmes hield zijn portemonnaie op.

„Ik zeg je man, dat ik er geen heb. Ik zal je echter met twee paarden naar de Hall laten brengen.”

„Wel,” zei Holmes, „daar zullen wij nader over praten, wanneer wij gegeten hebben.”

Toen wij alleen waren in de keuken was het opmerkelijk, zoo spoedig als de enkel van Holmes weer normaal werd. Het was bijna avond en wij hadden sedert den vroegen morgen niets gehad, zoodat wij tamelijk lang over ons maal deden. Holmes zat in gedachten verdiept, liep een- of tweemaal naar het raam en keek met ernstig gelaat naar buiten. Het raam kwam uit op een vierkante plaats. In den versten hoek was een hoefsmederij, waar een jongen aan het werk was. Aan den anderen kant was de stal. Holmes was, na voor het raam gestaan te hebben, weer gaan zitten en zat te denken. Plotseling sprong hij met een uitroep van zijn stoel.

„Bij den hemel, Watson, ik geloof, dat ik het gevonden heb,” riep hij. „Ja, ja, zoo moet het zijn. Watson, herinner je je vandaag sporen van koeien te hebben gezien?

„Ja, verscheidene.”

„Waar?”

„Wel, overal. Zij waren in het moeras en ook op het pad evenals op de plek, waar de arme Heidegger den dood vond.”

„Juist. Welnu, Watson, hoeveel koeien heb je op de heide gezien?”

„Ik herinner mij niet er een te hebben gezien.”

„Vreemd, Watson, dat wij langs den geheelen weg sporen van koeien zagen, maar op de heide zelf niet een enkele koe. Zeer vreemd, is 't niet, Watson?”

„Ja, zeer vreemd.”

„Nu, Watson, span je eens even in. Kunt ge je nog herinneren, hoe die sporen er uitzagen?”

„Ja, dat kan ik.”

„Kunt ge je herinneren of de sporen er uitzagen ongeveer zoo?”—hij legde een aantal broodkruimpjes in groepjes op tafel— : : : : —„en soms : · : · : · : en eindelijk— . · . · . · . · — Kunt ge je dat herinneren?”

„Neen, dat weet ik niet meer.”

„Maar ik wel. Ik zou er op kunnen zweren. Wij zullen echter teruggaan en het op ons gemak nog eens nagaan. Wat ben ik een blinde ezel geweest om niet eerder die gevolgtrekking te maken.”

„En welke conclusie is dat?”

„Alleen, dat het een merkwaardige koe moet zijn, die loopt, draaft, springt. Bij George, Watson, het was geen boertje, dat zulk een list wist te verzinnen. De kust schijnt veilig te zijn, wanneer wij dien jongen in de smederij niet meetellen. Laat ons naar buiten gaan en trachten te zien, wat er te zien is.”

Er stonden twee paarden in den stal. Holmes tilde den achterpoot van een dezer op en lachte luid.

„Oude hoefijzers, maar pas beslagen, oude hoefijzers en nieuwe spijkers. Dit geval behoort te worden gerangschikt onder de klassieke gevallen. Laat ons eens in de smederij gaan zien.”

De jongen ging door met zijn werk zonder acht op ons te slaan. Ik zag de oogen van Holmes links en rechts gaan over de massa ijzer en hout, die over den vloer verspreid lag. Plotseling hoorden wij echter voetstappen achter ons en daar stond de herbergier met van woede verwrongen gelaatstrekken en met oogen, die fonkelden van onder de zwarte wenkbrauwen.

Hij hield een korten, met koper beslagen stok in zijn hand en kwam zoo dreigend naar ons toe, dat ik werkelijk blij was mijn revolver in mijn zak te voelen.

„Gij, ellendige spionnen!” riep de man. „Wat doen jullie hier?”

„Wel, mijnheer Reuben Hayes,” antwoordde Holmes koel, „men zou denken, dat gij bang zijt, dat wij iets kwaads zullen ontdekken.”

De man herstelde zich en zijn strenge mond plooide zich tot een valschen lach, die meer dreigend was dan zijn woede.

„Gij moogt in de smederij zoeken, wat gij er kunt vinden,” zei hij. „Maar hoor eens, heeren, ik houd er niet van, dat de menschen in mijn huis rondscharrelen zonder mijn permissie, dus hoe gauwer jullie je vertering betaalt en weggaat, hoe liever het mij zal zijn.”

„All right, mijnheer Hayes—wij bedoelden niets kwaads,” zei Holmes. „Wij hebben eens naar uw paarden gekeken, maar ik denk, dat ik toch maar zal wandelen. Het is, geloof ik, niet ver.”

„Niet meer dan twee mijl tot aan de poorten van de Hall. Daar links loopt de weg.” Hij keek ons met nijdige oogen na, totdat wij zijn huis hadden verlaten.

Wij gingen niet ver langs den weg, want Holmes bleef staan, zoodra wij door een kromming uit het gezicht van den herbergier waren.

„Wij waren warm, zooals de kinderen zeggen, in die herberg,” zei hij. „Ik schijn kouder te worden bij elken stap, dien ik verder wegga. Neen, neen. Ik kan met geen mogelijkheid weggaan.”

„Ik ben overtuigd,” zei ik, „dat deze Reuben Hayes er alles van weet. Aan alles kan men bemerken met een schurk te doen te hebben.”

„O, kreeg je dien indruk van hem? Daar zijn de paarden, daar is de smederij. Ja, deze herberg „De Vechtende Haan” is een interessante plek. Ik denk, dat wij er nog eens zullen moeten kijken, maar dan minder opzienbarend.”

De man vloog ons voorbij op den weg. De man vloog ons voorbij op den weg.

Een lange, glooiende weg, aan weerszijden waarvan [B 33]
[B 34]
grijze steenen palen stonden, strekte zich achter ons uit. Wij waren van den weg afgegaan en wilden den heuvel opgaan, toen ik uit de richting van Holdernesse Hall een wielrijder in volle vaart zag naderen.

„Bukken, Watson,” riep Holmes en met zijn hand drukte hij mij op den schouder. Nauwelijks waren wij onzichtbaar geworden, of de man snorde langs ons. Te midden van een rollende golf stof zag ik iets van een bleek, opgewonden gelaat, een gelaat met schrik geteekend in elken trek, den mond open, terwijl de oogen wild vooruitstaarden.

Het was een vreemd uitstapje van den dapperen James Wilder, dien wij den vorigen avond hadden ontmoet.

„De secretaris van den hertog,” riep Holmes. „Kom, Watson, laat ons eens zien, wat hij doet.”

Wij klauterden van heuvel tot heuvel, tot wij na eenige oogenblikken een punt bereikt hadden, waar wij de raadselen van de herberg konden zien. Niemand bewoog zich buiten het huis en Wilder's fiets stond tegen den muur. Langzaam werd het duister, nadat de zon verdwenen was achter de hooge torens van Holdernesse Hall. Eindelijk zagen wij in de duisternis de twee lichten van een tilbury, die stond nabij de herberg, en kort daarop hoorden wij het geratel van het rijtuigje, dat in woedende vaart verdween in de richting van Chesterfield.

„Wat denk je daarvan, Watson?” fluisterde Holmes. „Het heeft veel van een vlucht.”

„Een enkel man in de tilbury, voor zoover ik kon zien. Wel, in elk geval was het James Wilder niet, want daar komt hij aan de deur.”

Een roode lichtstraal werd zichtbaar in de duisternis. In het midden stond de zwarte gestalte van den secretaris, die langs den donkeren weg tuurde. Het was duidelijk, dat hij iemand verwachtte. Eindelijk hoorden wij iemand langs den weg komen, voor een oogenblik werd een tweede gestalte zichtbaar tegen het licht, de deur werd gesloten en alles was weder duister. Vijf minuten later werd op de eerste verdieping een lamp aangestoken.

„Het schijnt, dat men in „De Vechtende Haan” er zonderlinge manieren op nahoudt,” zei Holmes.

„De bar is aan den anderen kant.”

„Juist. Dit zijn, wat wij zouden kunnen noemen bekende klanten. Maar wat ter wereld zou mijnheer James Wilder op dat uur in dit krot doen, en wie is de man, die hem daar komt opzoeken? Kom, Watson, wij moeten iets wagen en dat een weinig nader trachten te onderzoeken.”

Samen slopen wij langs den weg en kropen tot aan de deur van de herberg. De fiets stond nog tegen den muur. Holmes stak een lucifer op, hield dien bij het achterwiel en ik hoorde hem zacht lachen, toen het licht op een Dunlopband viel. Boven ons was het verlichte venster.

„Ik moet daar even naar binnen kijken, Watson. Als je je rug buigt en je aan den muur vasthoudt, zal het wel gaan.”

Een oogenblik later stond hij op mijn schouders. Nauwelijks er op, sprong hij er echter weer af.

„Kom, mijn vriend,” zei hij, „onze dagtaak is reeds lang genoeg geweest. Ik denk, dat wij alle gegevens verzameld hebben, die wij noodig hebben. Het is een verre wandeling naar de school, en hoe eerder wij teruggaan, hoe beter.”

Hij deed ternauwernood onderweg een mond open en hij ging ook de school niet binnen, toen wij deze hadden bereikt, maar ging naar het station Mackleton, om van daar eenige telegrammen te verzenden. Laat in den nacht hoorde ik hem dr. Huxtable toespreken, daar de goede man geheel van streek was door den dood van zijn onderwijzer en even later kwam hij mijn kamer binnen, even opgewekt en frisch als toen wij 's morgens waren vertrokken. „Alles gaat goed, vriend,” zeide hij. „Ik geloof, dat wij voor morgen avond de oplossing van het geheim zullen hebben.”


Om elf uur wandelden wij den volgenden dag door de beroemde eikenlaan van Holdernesse Hall en wij werden, na binnengeleid te zijn, gebracht naar het studeervertrek van den hertog. Daar vonden wij den heer James Wilder, hoffelijk en deftig, maar toch droeg zijn gelaat nog de sporen van den wilden schrik van den vorigen nacht en in zijn oogen was nog iets van den doorgestanen angst te lezen.

„U is gekomen om den hertog te spreken? Het spijt mij, maar Zijne Genade is zeer onwel. Hij is zeer terneergeslagen door het treurige nieuws. Wij ontvingen gisteren een telegram van dr. Huxtable, waarin hij mededeeling deed van uw ontdekking.”

„Ik moet den hertog spreken.”

„Maar hij is nog op zijn kamer.”

„Dan moet ik daarheen gaan.”

„Ik geloof, dat hij nog te bed ligt.”

„Nu, dan maar naar zijn bed.”

De koele, kalme manier van Holmes toonde den secretaris, dat er niets tegen in te brengen was.

„Zeer goed, mijnheer Holmes, ik zal zeggen, dat u hier is.”

Na een half uur wachtens verscheen de groote edelman. Zijn gelaat was lijkkleurig, zijn schouders leken veel smaller en hij scheen mij veel ouder toe dan den vorigen dag. Hij groette ons met statige hoffelijkheid en ging aan zijn schrijfbureau zitten, waar zijn roode baard tot op de tafel afhing.

„Wel, mijnheer Holmes?” vroeg hij.

De oogen van mijn vriend waren echter gevestigd op den secretaris, bij den stoel zijns meesters staande.

„Ik denk, Uwe Genade, dat ik vrijer zou kunnen spreken, wanneer mijnheer Wilder er niet bij was.”

De man verbleekte en wierp Holmes een nijdigen blik toe.

„Als Uwe Genade 't wenscht?”

„Ja, ja, ga. Nu, mijnheer Holmes, wat hebt u te zeggen?” Mijn vriend wachtte tot de deur gesloten was achter den secretaris.

„Het feit is, Uwe Genade,” zei hij, „dat mijn collega dr. Watson en ik de verzekering van dr. Huxtable hadden gekregen, dat een belooning was uitgeloofd in deze zaak. Ik zou gaarne zien, dat u dit persoonlijk bevestigdet.”

„Zeker, mijnheer Holmes.”

„Het bedrag, ten minste als ik wel ben ingelicht, was 5000 pond voor hem, die zegt waar uw zoon is.”

„Juist.”

„En nog eens duizend pond voor hem, die zegt, wie de personen waren, die hem gevangen hielden.”

„Juist.”

„Onder de laatsten zijn ongetwijfeld ook begrepen degenen, die er toe bijdragen, dat hij in zijn tegenwoordigen toestand blijft?”

„Ja, ja,” riep de hertog ongeduldig. „Indien u uw werk goed doet, mijnheer Holmes, zult gij u niet over een schrale behandeling hebben te beklagen.”

Mijn vriend wreef zich in de handen met een schijn van begeerigheid, die voor mij een verrassing was, daar ik zijn gewoonten tamelijk wel kende.

„Ik meen uw chèque-boek daar te zien liggen,” zei hij. „Het zou mij aangenaam zijn, indien Uwe Genade een chèque wilde uitschrijven voor 6000 pond. Misschien is het niet kwaad de chèque te endosseeren. De Capital and Counties Bank zijn mijn agenten.”

Zijne Genade ging rechtop zitten en keek mijn vriend ijskoud aan.

„Is dit scherts, mijnheer Holmes? Het is toch waarlijk geen onderwerp voor zoodanige grap.”

„In het geheel niet, Uwe Genade. Ik was nooit ernstiger in mijn leven dan op dit oogenblik.”

„Wat bedoelt u dan?”

„Ik bedoel, dat ik de belooning heb verdiend. Ik weet, waar uw zoon is en ik weet, wie hem hebben vastgehouden.”

De baard van den hertog scheen nog rooder te worden, vergeleken bij het bleeke gelaat.

„Waar is hij?” stamelde hij.

„Hij is of was gisteren avond in „De Vechtende Haan”, de herberg hier twee mijl vandaan.”

De hertog leunde achterover in zijn stoel.

„En wien beschuldigt gij dan?”

Het antwoord van Holmes was verrassend. Hij stapte snel naar voren en tikte den hertog op den schouder.

„Ik beschuldig u,” zei hij. „En nu, Uwe Genade, mag ik u om die chèque verzoeken?”

Nooit zal ik het voorkomen vergeten van den hertog, toen hij opsprong en met zijn handen zwaaide als iemand, die in een afgrond zinkt. Maar dadelijk zat hij weder met een buitengewone poging van aristocratische zelfbeheersching neder en liet het gelaat in de beide handen zinken. Het duurde eenige minuten voor hij sprak.

„Hoeveel weet gij?” vroeg hij eindelijk zonder op te kijken.

„Ik zag u beiden gisteren avond bij elkander.”

„Weet iemand behalve uw vriend hiervan iets?”

„Ik heb er met niemand over gesproken.”

„Ik zal mijn woord gestand doen, mijnheer Holmes. Ik zal de chèque schrijven, hoe onwelkom de informatie, [B 38]
[B 39]
die ik van u heb gekregen, ook voor mij is. Toen de belooning werd uitgeloofd, kon ik niet vermoeden, dat de zaak zulk een wending zou nemen. Maar gij en uw vriend zijn mannen, die weten te zwijgen.”

De moordenaar is ontsnapt. De moordenaar is ontsnapt.

„Ik begrijp Uwe Genade niet.”

„Ik moet mij duidelijker uitdrukken, mr. Holmes. Als gij alleen met dit incident bekend zijt, is er geen reden, dat we er nog meer van hooren. Ik denk, dat ik u twaalf duizend pond schuldig ben, is het niet?”

Holmes glimlachte en schudde het hoofd.

„Ik vrees, Uwe Genade, dat de zaak niet zoo gemakkelijk kan worden afgedaan. Wij mogen den moord op den schoolmeester niet uit het oog verliezen.”

„Maar James wist daar niets van. U kunt hem daarvoor niet verantwoordelijk stellen. Het was het werk van dien brutalen schurk, dien hij ongelukkigerwijs in den arm had genomen.”

„Ik moet mij op het standpunt plaatsen, dat wanneer iemand een misdaad beraamt, hij tevens zedelijk schuldig is aan elke misdaad, die er het gevolg van is.”

„Zedelijk, mijnheer Holmes. Ongetwijfeld hebt u gelijk. Maar reken niet uit het oogpunt der wet. Iemand kan niet veroordeeld worden voor een moord, waarbij hij niet tegenwoordig was en dien hij verafschuwt evenzeer als u. Op het oogenblik, dat hij er van hoorde, vertelde hij mij alles, zoozeer was hij vervuld van berouw en schrik.

„Hij liet geen tijd verloren gaan om met den moordenaar te breken. O, mijnheer Holmes, u moet hem redden! Ik zeg u, dat u hem moet redden. Ik apprecieer uw gedrag, dat u eerst hier zijt gekomen voor gij tot iemand anders hebt gesproken,” zei hij. „Wij kunnen nu ten minste overleggen in hoeverre wij dit afschuwelijke schandaal kunnen verzwijgen.”

„Juist,” zei Holmes. „Ik dank Uwe Genade, dat dit alleen kan gedaan worden door volkomen en algeheele openhartigheid tusschen ons. Ik ben bereid Uwe Genade naar mijn beste vermogen te helpen, maar om dat te kunnen doen, moet ik in de puntjes weten, hoe de zaak in elkaar zit. Ik begrijp, dat uw woorden betrekking hebben op mr. James Wilder en dat hij niet de moordenaar is.”

„Neen, de moordenaar is ontsnapt.”

Sherlock Holmes lachte witjes.

[B 40]
[B 41]

Ik hoorde hem zacht lachen, toen het licht viel op een Dunlopband. (Blz. 35). Ik hoorde hem zacht lachen, toen het licht viel op een Dunlopband. (Blz. 35).

„Uwe Genade zal zeker nooit gehoord hebben van mijn nederige reputatie, die ik heb, anders zou zij weten, dat men mij niet gemakkelijk ontsnapt. Mr. Reuben Hayes werd gisteren avond om elf uur op mijn aanwijzing te Chesterfield gearresteerd. Ik ontving een telegram daaromtrent van de plaatselijke politie, juist toen ik van morgen hierheen wilde gaan.”

„U schijnt eigenschappen te bezitten, die ternauwernood menschelijk zijn,” zei hij. „Dus, is Reuben Hayes gepakt? Ik ben blij dat te hooren, ten minste als James er geen nadeel van ondervindt.”

„Uw secretaris?”

„Neen, mijnheer, mijn zoon.”

„Ik beken, dat dit geheel nieuw voor mij is, Uwe Genade. Ik moet u verzoeken meer uitvoerig te zijn.”

„Ik zal niets voor u verbergen. Ik ben het met u eens, dat openhartigheid, hoe pijnlijk die ook voor mij moge zijn, de beste politiek is in dezen wanhopigen toestand, waarin wij door de dwaasheid en de afgunst van James zijn geraakt. Toen ik nog een zeer jong man was, mijnheer Holmes, beminde ik met een liefde, die slechts eenmaal in het leven komt. Ik bood aan de dame te huwen, maar zij weigerde op grond, dat daardoor mijn positie misschien benadeeld zou worden. Had zij nog geleefd, dan zou ik zeker met niemand anders zijn gehuwd. Zij stierf en liet dit kind na, dat ik om harentwille tot mij heb genomen en opgevoed. Ik kon de wereld niet zeggen, dat ik zijn vader was, maar ik gaf hem een zeer goede opvoeding en sedert hij man geworden is, heb ik hem als secretaris bij mij. Hij ontdekte mijn geheim en was steeds vol van de macht, die hij over mij had door met een schandaal te dreigen, hetgeen ik nooit zou willen. Zijn tegenwoordigheid stond ook in verband met mijn ongelukkig huwelijk. Boven alles haatte hij mijn wettigen erfgenaam van het begin af met een diepen haat. U zult mij vragen, waarom ik hem dan nog onder mijn dak hield? Dan antwoord ik, omdat ik het gelaat van zijn moeder in het zijne las. Al haar lieftallige manieren—niet een was er, die hij niet bezat en waardoor hij mij aan haar herinnerde. Ik kon hem niet wegzenden. Maar ik vreesde zoozeer, dat hij Arthur—dat is Lord Saltire—kwaad zou doen, dat ik den jongen voor zijn eigen veiligheid naar de school van dr. Huxtable zond.

„James kwam met dien Hayes in aanraking, omdat de man een huurder van mij was en James daarbij als tusschenpersoon optrad. De man was altijd een schurk, maar op de een of andere wijze werd James met hem bevriend. Hij had steeds een zwak voor gezelschap van minder allooi. Toen James het plan had opgevat Lord Saltire te ontvoeren, bediende hij zich van dezen man. Gij herinnert u, dat ik Arthur dien avond geschreven had. Nu, James opende den brief en deed er een briefje in, waarin hij Arthur verzocht hem te ontmoeten in een boschje, de „Ragged Shaw” geheeten, dat dicht bij de school is. Hij gebruikte den naam van de hertogin en zoodoende kwam de knaap. Dien avond ging James per fiets daarheen—ik vertel u precies, wat hij mij verteld heeft—en hij zeide tegen Arthur, dien hij in het woud ontmoette, dat zijn moeder zeer naar hem verlangde en op hem wachtte op de heide, en dat, wanneer hij te middernacht weer in het boschje kwam, hij daar een man zou vinden met een paard, die hem naar haar toe zou brengen. De arme Arthur liet zich beet nemen. Hij kwam op de afgesproken plaats en vond dezen Hayes met een gezadelde ponny. Arthur steeg op en samen gingen zij weg. Het schijnt—maar dat hoorde James gisteren eerst—dat zij achtervolgd werden; dat Hayes den vervolger met zijn stok een klap gaf en dat de man aan de bekomen wonde is overleden. Hayes bracht Arthur naar zijn herberg, „De Vechtende Haan”, waar hij in een kamer werd opgesloten en toevertrouwd aan de zorgen van juffrouw Hayes, die een vriendelijke vrouw is, maar geheel onder den invloed van haar brutalen man staat.

„Wel, mijnheer Holmes, dat was de staat van zaken, toen ik u voor het eerst zag. Ik wist even weinig van de waarheid als u. U zult mij vragen, waarom deed James het. Ik antwoord, dat er zeer veel onredelijks en fanatieks was in zijn haat jegens mijn erfgenaam. Volgens hem moest hij zelf erfgenaam zijn van al mijn goederen, en hij was ten zeerste verbitterd op de sociale begrippen, die dit verbieden. Terzelfder tijd had hij reeds een vast plan. Hij wilde mij voorstellen Arthur weer vrij te laten, mits ik bij testament hem mijn bezittingen afstond. Hij wist wel, dat ik nooit zou kunnen besluiten de hulp van de politie tegen hem in te roepen. Ik zeg, dat hij mij zulk een voorstel wilde doen, maar hij werd er van afgebracht, omdat de gebeurtenissen elkander te snel opvolgden en hij geen tijd had zijn plannen ten uitvoer te brengen. De ontdekking van het lijk van dezen Heidegger bracht al zijn plannen in de war. James was vervuld van afschuw bij het hooren van het nieuws. Toen wij gisteren samen in mijn studeervertrek zaten, kwam dr. Huxtable's telegram. James werd zoo aangedaan en schrok dermate, dat de vermoedens, die bij mij toch reeds bestonden, plotseling zekerheid werden en zoo beschuldigde ik hem plotseling van de daad. Hij legde toen vrijwillig een bekentenis af. Hij smeekte mij zijn geheim nog drie dagen te bewaren, om zijn medeplichtige kans te geven zijn leven te redden. Ik zwichtte, zooals ik steeds gezwicht ben, voor zijn beden en dadelijk haastte James zich naar „De Vechtende Haan” om Hayes te waarschuwen en hem in staat te stellen om te vluchten. Ik kon bij daglicht niet daarheen gaan, wilde ik praatjes voorkomen, maar zoodra het donker was, ging ik Arthur opzoeken. Ik vond hem gezond en wel, maar vooral verschrikt over de afschuwelijke daad, waarvan hij getuige was geweest. Zeer tegen mijn wil, maar met het oog op mijn belofte, beloofde ik hem nog drie dagen bij juffrouw Hayes te laten, daar het onmogelijk aanging de politie te laten weten, waar hij was, zonder den moordenaar aan te wijzen en ik zag niet in hoe de moordenaar kon gestraft worden, zonder mijn ongelukkigen James in het verderf te storten. Wees nu, mijnheer Holmes, op uw beurt openhartig tegen mij.”

„Dat wil ik,” zei Holmes. „In de eerste plaats moet ik Uwe Genade zeggen, dat u zich in een lastige positie hebt geplaatst voor het oog van de wet. U hebt aan een schurkenstreek meegeholpen en den moordenaar laten ontsnappen, want ik twijfel niet, of het geld, dat James Wilder genomen heeft om zijn medeplichtige in de gelegenheid te stellen weg te komen, kwam uit uw beurs.”

De hertog boog toestemmend.

„Dat is inderdaad een ernstige zaak. Nog erger is, volgens mijn meening, uw houding tegenover uw jongsten zoon. U laat hem drie dagen in dat hol.”

„Onder de plechtige belofte—”

„Wat zijn beloften bij dergelijke menschen? U hebt geen waarborgen, dat hij niet verder ontvoerd wordt. Om uw schuldigen oudsten zoon te hulp te komen, stelt gij den ander aan een groot en onnoodig gevaar bloot. Het was een niet te rechtvaardigen daad. Toch wil ik u helpen, op één voorwaarde. En dat is, dat u een lakei roept en hem de bevelen geeft, die ik wensch.”

Zonder een woord te zeggen, drukte de hertog op een electrische schel. Een lakei kwam binnen.

„Het zal je aangenaam zijn te vernemen,” zei Holmes, „dat de jonge Lord Saltire teruggevonden is. Het is het verlangen van den hertog, dat een rijtuig wordt gezonden naar „De Vechtende Haan” om Lord Saltire daar af te halen.”

„Nu,” zei Holmes, toen de verheugde lakei verdwenen was, „nu de toekomst verzekerd is, kunnen wij ons veroorloven bij het verleden nog even stil te staan. Wat Hayes betreft, zeg ik niets. De galg wacht hem, en ik zal geen hand uitsteken om hem te redden. Wat hij zal loslaten, weet ik niet, maar ik twijfel niet of Uwe Genade kan hem aan het verstand brengen, dat het in zijn belang is zijn mond te houden. De politie denkt natuurlijk, dat hij den knaap heeft ontvoerd met het oog op het losgeld. Als zij het zelf niet uitvinden, zie ik geen reden, waarom ik mij zou haasten hen wijzer te maken. Ik wil Uwe Genade echter waarschuwen, dat de voortdurende aanwezigheid van James Wilder slechts tot ongelukken kan leiden.”

„Dat begrijp ik, mijnheer Holmes en reeds is bepaald, dat hij mij voorgoed zal verlaten en zijn fortuin in Australië gaan zoeken.”

„In dat geval, Uwe Genade, zou ik, te meer waar u zelf zegt, dat het ongelukkig huwelijk een gevolg was van zijn aanwezigheid, u raden aan de hertogin uw verontschuldigingen aan te bieden voor zoover dat gaat en te trachten de betrekkingen, die zoo ongelukkig zijn afgebroken, weer aan te knoopen.”

„Daar heb ik al voor gezorgd, mijnheer Holmes. Ik heb gisteren reeds aan de hertogin geschreven.”

„En verder,” zei Holmes opstaande, „geloof ik, dat mijn vriend en ik ons kunnen gelukwenschen met vele gelukkige resultaten tijdens ons kort bezoek aan het Noorden. Er is nog een klein punt, waarover ik gaarne zou worden ingelicht. Deze Hayes had zijn paarden beslagen met ijzers, die aan de sporen van koeien deden denken. Leerde hij van mijnheer Wilder deze list?”

De hertog dacht een oogenblik na met een uitdrukking vol verrassing op zijn gelaat. Vervolgens opende hij een deur en bracht ons in een kamer, die dienst deed als museum. Hij ging ons voor naar een glazen kast en wees op het opschrift.

„Deze ijzers,” luidde het, „werden in de grachten van Holdernesse Hall gevonden. Zij zijn voor het gebruik van paarden, maar zij zijn van onderen gekloofd, om vervolgers op een dwaalspoor te leiden. Men vermoedt, dat zij hebben behoord aan een van de roofridders van Holdernesse Hall in de middeleeuwen.”

Holmes opende de kast en zijn vinger nat makende, streek hij er mee langs het ijzer. Een dun laagje modder bleef aan zijn huid kleven.

„Dank u,” zei hij, de kast sluitend. „Het is het tweede interessante voorwerp, dat ik in het Noorden gezien heb.”

„En het eerste?”

Holmes vouwde de chèque op en legde haar zorgvuldig in zijn portefeuille. „Ik ben een arm man,” zei hij, terwijl hij op de portefeuille klopte en ze in het diepst van een zijner zakken liet verdwijnen.


II.

Het avontuur van „Zwarte Peter”.

Nooit heb ik mijn vriend in een betere gedaante, zoowel geestelijk als physiek, gekend dan in het jaar '95. Zijn stijgende roem had een enorme praktijk met zich gebracht en ik zou mij aan een onbescheidenheid schuldig maken, indien ik zelfs ook maar zinspeelde op de identiteit van eenige van de voorname cliënten, die steeds onzen nederigen drempel in Baker-Street overschreden. Holmes echter, evenals alle groote artisten, leefde voor zijn kunst en uitgezonderd in het geval van den hertog van Holdernesse, heb ik zelden gezien, dat hij een hooge belooning eischte voor zijn onschatbare diensten. Ja, hij was zoo onwereldsch—of zoo grillig—dat hij dikwijls zijn hulp weigerde aan de machtigen en de rijken, wanneer het op te lossen vraagstuk zijn sympathie niet had, terwijl hij zich onafgebroken weken kon wijden aan de zaken van den een of anderen armen cliënt, wanneer diens geval die vreemde en dramatische eigenschappen bezat, welke werkten op zijn verbeelding en waarbij als 't ware zijn scherpzinnigheid zich voelde uitgedaagd.

In dit merkwaardige jaar '95 hadden verscheidene vreemdsoortige en uiteenloopende gevallen zijn aandacht gevraagd, waaronder de arrestatie van Wilson, den bekenden kanariefokker, welke een waar pesthol uit het East End van Londen verwijderde. Kort na dit geval kwamen het drama van Woodman's Lee en de zeer geheimzinnige omstandigheden, waarin de dood van kapitein Peter Carey was gehuld. Een opsomming van de daden van Sherlock Holmes zou niet compleet zijn, wanneer daarin niet voorkwam een vermelding van deze zeer ongewone zaak.

In de eerste week van Juli was mijn vriend zoo dikwijls en zoo langen tijd afwezig, dat ik daaruit opmaakte, dat er iets aan de hand was. Het feit, dat verscheidene ruw uitziende mannen in dien tijd bij ons aanschelden en naar kapitein Basil vroegen, deed mij begrijpen, dat Holmes ergens aan het werk was onder een van de vele vermommingen en namen, waaronder hij zijn eigen machtige persoonlijkheid verborg. Hij had minstens vijf kleine wijkplaatsen in verschillende deelen van Londen, waar hij vermommingen bewerkstelligde of aflegde. Hij zeide mij niets van zijn werk en het was mijn gewoonte niet om een verklaring uit te lokken. Het eerste daadwerkelijke teeken, dat hij mij gaf van de richting, waarin zijn onderzoek leidde, was buitengewoon. Hij was voor het ontbijt uitgegaan en ik zat juist het mijne te gebruiken, toen hij de kamer binnenkwam met zijn hoed op het hoofd en met een groote, van een weerhaak voorziene speer als een parapluie onder zijn arm.

„Goede hemel, Holmes!” riep ik. „Je wilt toch niet beweren, dat je met dat ding onder je arm door Londen gewandeld hebt?”

„Goede hemel, Holmes!” riep ik. „Je wilt toch niet beweren, dat je met dat ding onder den arm door Londen gewandeld hebt?” „Goede hemel, Holmes!” riep ik. „Je wilt toch niet beweren, dat je met dat ding onder den arm door Londen gewandeld hebt?”

„Ik ben naar den slager heen en weer gereden.”

„Naar den slager?”

„En ik kom met den gewonen eetlust terug. Er kan geen verschil van meening zijn, waarde Watson, over de waarde van lichaamsbeweging vóór het ontbijt. Maar ik wil er iets onder verwedden, dat je niet kunt raden, welk soort lichaamsbeweging ik heb gehad.”

„Ik zal het niet probeeren.”

Hij lachte, terwijl hij zich koffie inschonk.

„Indien je in den winkel van Allerdyze had kunnen kijken, zou je een dood varken gezien hebben, hangende aan een haak in den zolder en een mijnheer in zijn hemdsmouwen, ijverig in de weer het dier met dit wapen te doorboren. Ik was die ijverige mijnheer en ik heb mij er van overtuigd, dat ik, al wend ik al mijn kracht aan, met een enkelen worp het varken niet kan doorboren. Misschien wil je het ook eens probeeren?”

„Voor geen geld. Maar waarom deed je dat?”

„Omdat het mij toescheen, dat dit indirect verband houdt met het geheim van Woodman's Lee.—Ha, Hopkins, ik ontving gisteren avond nog je telegram en ik verwachtte je. Kom binnen en zit met ons aan.”

Onze onaangediende bezoeker was een buitengewoon bewegelijk man, ongeveer dertig jaar oud, gekleed in een gewoon fantasie-costuum, maar met de rechte houding van iemand, die gewoon is aan een uniform. Ik herkende hem dadelijk als Stanley Hopkins, een jong inspecteur van politie, voor wiens toekomst Holmes groote verwachtingen koesterde, terwijl deze op zijn beurt de bewondering en den eerbied toonde van een leerling voor de wetenschappelijke methode van den beroemden amateur.

Zijn voorhoofd was bewolkt en hij zat daar als iemand, die in de grootste verslagenheid verkeert.

„Neen, dank u, mijnheer. Ik heb ontbeten vóór ik hier heen ging. Ik heb den nacht in de stad doorgebracht, want ik moest gisteren mijn rapport uitbrengen.”

„En wat had je te rapporteeren?”

„Niets, mijnheer, absoluut niets.”

„Dus geen vorderingen gemaakt?”

„Neen.”

„Wel, wel. Dan zal ik mij eens met de zaak moeten bezighouden.”

„Ik zou gaarne willen, dat u het deed, mijnheer Holmes. Het is mijn eerste groote kans en ik ben ten einde raad. Kom om 's hemels wil en help mij een handje.”

„Wel, wel, het treft, dat ik reeds alle beschikbare aanwijzingen en het rapport van het eerste onderzoek met eenige zorg heb gelezen. A propos, wat denk je van dat zakje van robbevel, gevonden op het terrein van de misdaad? Is dat geen aanwijzing?”

Hopkins keek verwonderd op.

„Het was het tabakszakje van den man zelf, mijnheer. Zijn naamletters stonden er in. Bovendien is het duidelijk, dat hij als oud-kapitein van een vaartuig, dat op de robbenvangst ging, zulk een tabakszak had.”

„Maar hij had geen pijp.”

„Neen, mijnheer, wij konden geen pijp vinden; hij rookte inderdaad zeer weinig. Maar het was mogelijk, dat hij tabak kreeg van zijn vrienden.”

„Ongetwijfeld. Ik memoreer alleen dit punt, omdat, wanneer ik de zaak in handen had gehad, ik geneigd zou zijn geweest daarvan het punt van uitgang voor mijn onderzoek te maken. Mijn vriend dr. Watson weet echter nog niets van de zaak en ik zal er niets minder aan toe zijn, wanneer ik de toedracht nog eens hoor. Geef ons dus in 't kort de bijzonderheden weer.”

Stanley Hopkins haalde een stuk papier uit zijn zak.

„Ik heb hier eenige data en feiten uit het leven van den dooden man, kapitein Peter Carey. Hij werd in '45 geboren, was dus 50 jaar. Hij was een stoutmoedig en succesvol robbenvanger en walvischvaarder. In 1883 was hij kapitein van de stoomboot „Sea Unicorn” uit Dundee. Hij had achtereenvolgens verschillende voorspoedige reizen gedaan en in het volgend jaar 1884 zeide hij de zee vaarwel. Daarna reisde hij eenige jaren en kocht eindelijk een klein buiten, Woodman's Lee genaamd, bij Forest Row in Sussex. Daar heeft hij zes jaar gewoond en daar is hij nu juist een week geleden gestorven.

„Er zijn eenige zeer bijzondere eigenaardigheden omtrent den man te vertellen. In het gewone leven was hij een waar Puritein—een zwijgende, in zich zelf gekeerde man. Zijn huishouden bestond uit zijn vrouw, zijn dochter, twintig jaar oud en twee dienstboden. Deze laatsten veranderden nog al eens, want het was nooit een prettige betrekking bij hem en soms was het er gewoon niet uit te houden. De man was een echte „termijn-dronkaard” en wanneer hij in zulk een stemming was, een ware woesteling. Het is gebeurd, dat hij zijn vrouw en zijn dochter midden in den nacht de deur uitjoeg en in het park afranselde, totdat het geheele dorp buiten het hek in rep en roer er voor stond door het gegil.

„Eens werd hij veroordeeld wegens mishandeling van den ouden predikant, die hem kwam opzoeken om hem eens te onderhouden over zijn gedrag. Kortom, mijnheer Holmes, u zoudt ver moeten gaan om een gevaarlijker man te vinden dan Peter Carey en ik heb gehoord, dat hij aan boord van zijn schip dezelfde manieren reeds had.

„Hij was bekend in de vaart als „Zwarte Peter” en deze naam was hem gegeven, niet alleen naar aanleiding van zijn donker uiterlijk, maar ook wegens zijn humeur, dat de schrik was van ieder om hem heen. Ik behoef niet te zeggen, dat hij verafschuwd en vermeden werd door de geheele buurt en ik heb geen enkel woord van spijt gehoord over zijn verschrikkelijk einde.

„In het rapport van het onderzoek zult gij gelezen hebben, mijnheer Holmes, van de hut van den man, maar misschien weet uw vriend er nog niets van. Hij had zich zelf een houten huisje gebouwd—hij noemde het altijd de hut—eenige honderden meters van zijn huis, en daar sliep hij elken nacht. Het was een kleine hut met één vertrek, zestien voet lang bij tien voet breed. Hij hield den sleutel in zijn zak, maakte zelf zijn bed op, hield de hut zelf schoon en veroorloofde aan niemand den drempel te overschrijden. Aan beide zijden zijn kleine ramen, die door gordijnen zijn bedekt, welke nooit opgehaald worden. Een van deze ramen zag uit op den grooten straatweg en wanneer er 's nachts licht brandde, maakten de menschen elkander daarop opmerkzaam en vroegen zich af, wat „Zwarte Peter” wel zou doen. Dat is het raam, mijnheer Holmes, dat ons ten minste eenige aanwijzing bij het onderzoek verschaft.

„U herinnert zich, dat een metselaar, Slater genaamd, die om één uur 's nachts van Forest Row kwam—twee dagen vóórdat de moord plaats had—stilstond bij het voorbijgaan van Woodman's Lee en bleef kijken naar het licht, dat nog tusschen de boomen scheen. Hij houdt vol, dat de schaduw van het hoofd van een man zichtbaar was op het gordijn en dat die schaduw zeker niet van Peter Carey was, daar hij deze goed kende. De bedoelde man had n.l. een korten baard, geheel anders dan de kapitein. Dat zegt hij, maar hij was twee uur in de herberg geweest en het is een tamelijk groot eind van den weg tot aan de hut. Bovendien heeft dit betrekking op Maandag en de misdaad werd op Woensdag gepleegd.

„Dinsdag was Peter Carey in een allerslechtst humeur, dronken en woest als een gevaarlijk wild dier. Hij strompelde door het huis en de vrouwen maakten dat zij weg kwamen, wanneer zij hem hoorden naderen. Laat in den avond ging hij naar zijn hut. Omstreeks twee uur in den morgen hoorde zijn dochter, die met open raam sliep, een verschrikkelijken gil uit deze richting, maar het was niets ongewoons hem te hooren razen en tieren, wanneer bij dronken was, en daarom nam zij er geen verdere notitie van.

„Bij het opstaan om zeven uur bespeurden de dienstboden, dat de deur van de hut open stond, maar zoo groot was de vrees voor den man, dat het middag was, voordat iemand zich in de hut durfde wagen om te zien, wat er van hem geworden was. Door de open deur kijkend, zagen zij een tooneel, dat hen met bleeke gezichten naar het dorp deed rennen. Binnen een uur was ik op het terrein en had de zaak in handen.

„Nu, ik heb tamelijk sterke zenuwen, zooals u weet, mijnheer Holmes, maar ik geef u mijn woord, dat ik rilde van ontzetting, toen ik mijn hoofd in dat kleine huisje stak. Kleine en groote vliegen bromden en gonsden en de vloer en de wanden waren als in een slachtplaats. Hij had het een hut genoemd en het was ook een hut, want men zou zich aan boord van een schip gewaand hebben. Aan de eene zijde was een bedstee en daarvoor stonden een zeemanskist, kaarten en een verrekijker, een schilderij van de „Sea Unicorn”, een aantal logboeken op een plank, juist datgene, wat men in de hut van een scheepskapitein verwacht te vinden. En te midden van dat alles aanschouwde men den man zelf met een verwrongen gelaat als een verloren ziel in de hel. Recht door zijn breede borst was een stalen harpoen gedreven en wel met een kracht, dat het wapen nog diep in den houten wand was gedrongen. Hij was als een vlinder op een stuk karton geprikt. Natuurlijk was hij morsdood en was dat geweest van af het oogenblik, dat hij dien laatsten doodskreet had geuit.

„Ik ken uw methode, mijnheer, en bracht ze in toepassing. Alvorens ik toestond, dat iets van zijn plaats werd genomen, onderzocht ik zorgvuldig den grond buiten en ook den vloer van de kamer. Er waren geen voetstappen.”

„Je bedoelt, dat je ze niet hebt gezien?”

„Ik verzeker u, mijnheer, dat ze er niet waren.”

„Mijn goede Hopkins, ik heb in vele misdaden het onderzoek geleid, maar ik heb er nog nooit een gezien, die gepleegd was door een vliegend wezen. Zoolang de misdadiger op twee beenen blijft, moet er eenige aanwijzing op den grond voor den wetenschappelijken vorscher zijn te vinden. Het is niet te gelooven, dat deze met bloed bespatte kamer geen spoor bevatte, dat ons zou kunnen helpen. Ik heb echter uit het onderzoek gemerkt, dat er eenige punten waren, die gij niet over het hoofd hebt gezien, is het niet?”

De jonge inspecteur trok een erbarmelijk gezicht bij de ironische opmerkingen van mijn vriend.

„Ik was een dwaas door u niet dadelijk te hulp te roepen, mijnheer Holmes. Maar dat is nu eenmaal gebeurd. Ja, er waren verscheidene voorwerpen, die onze speciale aandacht vroegen. Een er van was de harpoen, waarmede de misdaad werd gepleegd. Deze was van een rek aan den muur genomen. Twee andere waren er nog en er was een leege plaats voor den derde. In de schacht waren de woorden „Ss. Sea Unicorn, Dundee” gegraveerd. Dit scheen er op te wijzen, dat de misdaad gepleegd was in een oogenblik van woede en dat de moordenaar het eerste het beste wapen gegrepen had, dat voor de hand lag. Het feit, dat de misdaad om twee uur in den morgen werd gepleegd en dat niettemin Peter Carey nog gekleed was, deed vermoeden, dat hij een afspraak had gehad met den moordenaar, hetgeen ook nog gestaafd wordt door het feit, dat er leege rhumglazen op tafel stonden.”

„Ja,” zei Holmes, „ik denk, dat beide veronderstellingen aannemelijk zijn. Waren er nog andere dranken in de hut behalve de rhum?”

„Ja, er stonden nog twee flesschen, waarvan er een brandewijn, de andere whisky bevatte. Maar daar hebben wij niets aan, daar de flesschen vol waren en derhalve nog niet aangebroken.”

„In elk geval heeft de aanwezigheid van die flesschen toch eenige beteekenis,” zeide Holmes. „Laat ons echter nog iets meer hooren van de voorwerpen, die volgens je meening betrekking op de zaak hebben.”

„Dan lag dat tabakszakje op tafel.”

„Op welk deel van de tafel lag het?”

„Het lag in het midden. Het was natuurlijk van robbevel—de harige huid had een leeren riempje om het vast te binden. Aan de binnenzijde stond P. C. Ongeveer een half ons zware tabak was er nog in.”

„Uitmuntend! Wat meer?”

Stanley Hopkins haalde uit zijn zak een notitieboek. De omslag was versleten en de bladzijden verkleurd. Op de eerste bladzijde waren geschreven de initialen „J. H. N.” en de datum „1883.”

Holmes legde het op tafel en bekeek het op zijn bijzondere manier, terwijl Hopkins en ik over zijn schouders tuurden. Op de tweede bladzijde stonden de letters C. P. R. en daarna kwamen verscheidene reeksen van getallen. Onder andere hoofden waren Argentinië, Costa Rica en San Paulo, alle met teekens en cijfers er achter.

„Wat maak je hieruit op?” vroeg Holmes.

„Het schijnen nummers te zijn van effecten. Ik dacht, dat J. H. N. de voorletters waren van een makelaar en dat C. P. R. zijn cliënt is geweest.”

„Probeer eens Canadian Pacific Railway,” zei Holmes.

Stanley Hopkins mompelde iets binnensmonds en sloeg met zijn hand op het dijbeen.

„Wat ben ik toch een domoor geweest!” riep hij. „Natuurlijk is het, zooals u zegt. Dan moeten wij alleen de initialen J. H. N. oplossen. Ik heb reeds de lijst van effectenmakelaars in 1883 nagegaan, maar ik kan geen naam vinden, waarop deze letters betrekking kunnen hebben. Toch weet ik, dat dit het belangrijkste is van al hetgeen ik heb gevonden. U zult toestemmen, mijnheer Holmes, dat de mogelijkheid bestaat, dat deze initialen zijn van den tweeden man, die aanwezig was—met andere woorden van den moordenaar. Ik zou er tevens op willen wijzen, dat de aanwezigheid van een document, dat betrekking heeft op een groote hoeveelheid papieren van waarde, ons voor den eersten keer eenige aanwijzing geeft voor een beweegreden voor de misdaad.”