Om zeven uur stonden vanochtend de twee rijtuigen, elk met drie paarden bespannen, weder gereed om ons van uit ons veilig oord in Jeruzalem weg te voeren. Zoo zonder omwegen ging dat echter niet. Wij werden gewaarschuwd, dat wij een bewijs moesten medenemen, dat wij sedert de cholera niet in Jaffa waren geweest en dat wij allen gezond waren. Onze dragoman had daarvoor spoedig een medicus gevonden, die op zijn medisch geweten nam voor tien gulden te verklaren, dat wij niet in Jaffa waren geweest en dat wij gezond waren, zonder dat de man een van ons allen gezien had. Met dit gewichtig document gewapend begaven wij ons op weg. Het landschap verschilde niet veel van dat, wat wij ook de vorige dagen genoten hadden en de menschen en dieren, die wij ontmoetten, waren ook vrijwel gelijk aan die wij reeds kenden. Alleen toen wij Jeruzalem wat verder achter den rug hadden, begon vooral de hoofdtooi der vrouwen zich te wijzigen. Groote karavanen kameelen en muilezels, alle zwaarbeladen, passeerden ons. In één karavaan telden wij 34 kameelen en ontzaglijk veel ezels.
Het weder was als tot dusver steeds buitengewoon mooi, wij konden het ons niet beter wenschen. Om half een hielden wij halt. Het was in het dal van Ephraim, aan den voet van een berg en vlak bij een bron, waaruit de dochteren van Lubban in geitehuiden water kwamen halen en met de gevulde huid op het hoofd (de gevulde huid zag er nu uit als een dood geitje) bergopwaarts togen om het water te brengen naar het dorpje, dat op den top van den berg gelegen is.
Wij hadden een lunch, en een heel goede, van de Amerikaansch-Zweedsche kolonie mede gekregen en nu vlijden wij ons neder in de schaduw van een grooten vijgeboom en lieten ons de boterhammen, de vruchten en de zoetigheden goed smaken.
Natuurlijk passeerden wij op den weg weder allerlei historische bijzonderheden; elke bron, elk oud vergaan huis, elke graftombe, elk dorp bijna heeft bijbelsche vermaardheid, doch één plekje had voor ons eene bijzondere beteekenis. Dicht bij Nabulus was de bron van Jacob, waar Jezus de vrouw van Samaria ontmoette, waarover Reverend Anna Shaw op den Zondag, voorafgaande aan het congres voor vrouwenkiesrecht in Stockholm, in de Staatskerk aldaar, zoo mooi sprak.
Om vier uur waren wij in Nabulus, alwaar wij logeeren in een hotel, dat door de directie van de Hamburg-Amerikalijn daar geplaatst is en geëxploiteerd wordt. Wij gingen onmiddellijk op weg om nog iets van het stadje bij daglicht te zien. Door tal van nauwe, vuile straatjes, veel overeenkomst hebbende met die in Jeruzalem, bracht onze gids ons in een poort, waarachter een complex van woningen, alle bewoond door eenzelfde soort menschen. Het zijn de Samaritanen. Er bestaan nog 180 leden van deze gemeenschap. Het is een vreemd soort menschen. Hoewel hunne feestdagen, godsdienstoefening enz. heel veel overeenkomst hebben met die der Joden en zij er zeer semitisch uitzien, haten en verachten zij toch de Joden, evenals de Christenen. Zij voelen zich boven allen verheven. Zij hebben hun eigen kerkje en vormen zelfs hun eigen gemeente. Het hoogepriesterschap is erfelijk en gaat van vader op oudsten zoon over. De hoogepriester is tegelijkertijd ook het burgerlijk hoofd en beslist over alle moeilijkheden, die er tusschen de Samaritanen onderling mogen voorkomen. Het merkwaardigste van dit handjevol menschen, die langzaam uitsterven, is dat zij werkelijk in het bezit zijn van de oudste uitgave van het Oude Testament. Het exemplaar, dat zij bezitten, is 3636 jaar oud. Een copie, een namaak er van, wordt den vreemdelingen vertoond, want het echte exemplaar wordt alleen bij groote uitzonderingen voor den dag gebracht.
Het stadje vertoont overigens dezelfde eigenaardigheden, die wij ook in Jaffa en Jeruzalem zagen; tijd om er veel van te zien hadden wij niet, omdat de straten te vuil en te glibberig zijn om zich er in het donker in te wagen.
Om zes uur vanochtend zaten wij reeds weder in de rijtuigen, omdat ons vandaag een zware dag wachtte. Het was echter, niettegenstaande de dragoman ons er alles van verteld had, nog erger dan wij ons hadden kunnen voorstellen. De weg is geen rijweg, nauwelijks zelfs goed genoeg om er per paard over te komen. De meeste passagiers maken dien tocht op ezels en doen er dan twee dagen over. Maar dat was voor ons onmogelijk, omdat wij op tijd in Beirut moesten aankomen en omdat een ander hotel van de Hamburg-Amerikalijn, dat ongeveer op de helft van den weg ligt, nu gesloten is, en om in tenten buiten te kampeeren, zooals zomers ook veel toeristen doen, zijn de nachten nu te koud. Wij hadden dus geen keuze en moesten door dezen zwaren dag heen. Den geheelen dag ging het berg op en berg af en dan weer door een vallei en steeds over gaten, boomstammen, steenen en langs afgronden. Herhaaldelijk moesten wij uitstappen om te loopen, en ware de afstand niet veel te groot geweest, dan hadden wij dat zeer zeker verkozen boven zoo’n rijtoer. Nu en dan gingen wij dwars over een weiland, of over de versch geploegde voren, van een bouwveld.
Om half twaalf hielden wij een rustpoos, om de paarden rust te geven, en in dien tusschentijd vlijden wij ons allen op onze uitgespreide reisdekens neder en werden door den dragoman bediend van een koude lunch, zoo goed alsof wij in een groot hotel waren. Om zes uur kwamen wij in Nazareth in het hotel aan, waar telegrafisch reeds kamers voor ons besteld waren. Evenals gisteravond in Nabulus moesten wij ook hier direct laten constateeren, dat wij niet van Jaffa kwamen en geen cholerabacillen medevoerden.
Het landschap vertoont steeds hetzelfde eigenaardig aanzien, wat wij door heel Palestina opmerkten. Hooge kale bergen, dorpjes altijd gebouwd op den top der bergen, en vruchtbare en onvruchtbare dalen. Wij passeerden nu wat meer boomen, soms zelfs kleine bosschen, doch alle boomen zijn olijf- of vijgeboomen en een zeker soort cactus. Deze laatste kan natuurlijk niet onder de boomen gerangschikt worden, maar zij groeien hier in groote hoeveelheid, zijn soms zoo hoog en breed als boomen en geven een smakelijke vrucht, een zeker soort peer.
Dicht bij Nazareth passeerden wij een zeer vruchtbare vallei, waarin een Joodsche kolonie zich kort geleden gevestigd heeft. Al de bouwgrond rondom is door de vereeniging of maatschappij, die hen ondersteunt, opgekocht, zoodat zij zich hier goed kunnen ontwikkelen. Het zag er alles flink en hoopvol uit.
Wij behoefden vandaag eerst na de lunch uit Nazareth te vertrekken en hadden daardoor vanochtend alle gelegenheid het stadje te doorkruisen. De plaats waar Jezus zijn kinderjaren doorbracht en gewerkt heeft, bezit natuurlijk tal van historische herinneringen en men kan gerust zeggen, dat op elk plekje, waar men maar gelooft, dat Jezus Zijn voet heeft gezet, nu een kerk of een klooster staat, aan een of andere godsdienstige sekte toebehoorende. Al die Fransche monniken en nonnen, de Grieksche priesters, de Russische Katholieken en andere vreemde vrome mannen en vrouwen, die hier sedert jaren wonen, hebben echter van de bevolking nog geen twintigste-eeuwsche menschen gemaakt. De ontwikkeling en beschaving is hier minstens vijf eeuwen ten achter, terwijl zeden en gewoonten nog dateeren van het begin der jaartelling. In het midden van het stadje is een zeer oude bron, waar den geheelen dag de vrouwen en meisjes uit de bevolking komen om water te halen, dat zij in eigenaardige aarden kannen op het hoofd dragen en huiswaarts voeren. Hier hadden wij gelegenheid op te merken, hoe mooi bijna alle vrouwen van Nazareth zijn. Mooi van bouw en van eene bijzondere Oostersche schoonheid.
Om twaalf uur reden wij hedenmorgen weg, nadat de dragoman eerst het bewijs, dat wij gezond waren en niet uit Jaffa komen, door een officieel persoon in Nazareth had laten verifieeren. Dit was nu eens een zeer mooien tocht. Het landschap was geheel veranderd, de hooge bergen zagen er niet zoo wild en onherbergzaam uit, de groote, breede vlakten waren groen of omgeploegd om tegen het voorjaar groen te worden, de karavanen op den weg veel menigvuldiger en telkens passeerden wij dorpjes, waarvan de schilderachtigheid vooral van uit de verte gezien, alle beschrijving te boven gaat. Het was mij, alsof ik in een sprookjeswereld verkeerde.
Zoo’n dorp heeft veel van een dorp der roodhuiden in Amerika, met dit verschil alleen, dat de huizen der Indianen alleen van boven in een van de kalk- en moddermuren een vierkant gat hebben, waardoor men met een ladder in het huis kan klimmen, terwijl deze Arabieren onder in den muur een vierkant gat hebben, waardoor men gebukt het huis kan binnentreden.
Om een klein staaltje te geven van het totaal gemis aan eenig begrip van hygiëne, wil ik trachten een klein tafereeltje te schetsen van hetgeen wij vanmiddag op onzen weg zagen.
In een dorpje was een groote bron, waarbij koeien, ezels, olifanten, geiten en schapen in grooten getale hun dorst leschten. Eenige vrouwen stonden met hunne bloote beenen in de bron te wasschen, eenige mannen waschten er hunne bestofte, vieze, vuile voeten en beenen in, het water zag zoo modderig en smerig als men maar met mogelijkheid denken kan, en toch vulden aan deze bron de vrouwen hunne kannen en kruiken om het water huiswaarts te voeren en zagen wij mannen dat water zoo uit de bron drinken. Maar dat tafereeltje aan die bron was schilderachtig. Al die mannen en, vrouwen, met hunne roode, blauwe, gele en groene lange kleederen, de vrouwen met de kleurigste harembroeken onder hun dun rokje uitkomende en met de Oostersche hoofdbedekking, en de Arabieren allen met hunne gekleurde hoofddoeken, daar tusschen al dat vee vrij rond plassende, was mooier dan ik kan weergeven. Deze mannen en vrouwen zijn bijna allen mooie menschen, maar jammer boven jammer, al die vrouwen hadden hunne mooie gezichten op de vreemdste wijze getatoueerd. Allen hadden zonder uitzondering een kruis of een ander teeken boven de neus, tusschen de wenkbrauwen in, terwijl velen de wangen en den mond met allerlei teekens versierd hadden. Eén meisje zagen wij, die rondom haar mond zoo getatoueerd was, dat het leek, alsof het fijne, teere kind een baard had.
Ongeveer een uur vóór dat wij Tiberias bereikten, zagen wij van boven van den berg, waarop wij waren, op het fraaie meer van Galilei neer. “Het meer van Genève” riepen wij allen tegelijk uit, zoo leek het van verre precies; doch toen wij nader kwamen, zagen wij, dat de oevers van het meer geheel anders zijn, dat de soliede, steenige bergwand, die vrij steil vanuit het meer opstijgt, niets gemeen heeft met de bewoonde, groene oevers van het Zwitsersche meer.
Kort voor wij in Tiberias aankwamen, passeerden wij eene zeer vruchtbare vallei, waarvan de Zionisten (of zou het niet de Hirschvereeniging zijn?) alle grond heeft opgekocht en waar nu reeds een 25 of 30 Joodsche families de nieuw gebouwde woningen bevolken.
Wij kwamen nog vóór vier uur in Tiberias aan, buiten de wallen opgehouden door een overheidspersoon, die ons met een groote mate van gezag vroeg van waar wij kwamen en of wij gezond waren. Mr. Barakat, de dragoman, vertoonde het bewijs en nadat de overheidspersoon en nog een ander heer met groot gewicht, dat papier gelezen en herlezen hadden, konden wij doorgaan. Van hieruit moeten wij nu morgen vroeg zoo’n nieuw document medevoeren.
Wij gingen onmiddellijk het stadje in, dat liefelijk aan het wereldbekende meer gelegen is. Er is nog een ruimte, die—zoo zegt men—uit Herodus’ tijd stamt en van de zeer oude wallen, waarmede het stadje eertijds omgeven was, staan overal nog brokstukken. Het stadje is op zichzelf heel oud en op dezelfde wijze gebouwd als alle Arabische stadjes die wij zagen. Zeer nauwe vieze, vuile straten. De bevolking hier bestaat voor een groot deel uit Orthodoxe Joden, waaronder tal van Poolsche Joden. Men hoort hier dan ook in de straten zeer veel Duitsch spreken. Even vóór zonsondergang zagen wij een troep Joden eene godsdienstoefening in de open lucht op een stuk weiland houden.
Tiberias is des zomers zeer bezocht door vreemdelingen, die hier van de zwavelbronnen komen profiteeren voor rheumatisme en huidziekten. Ik zou al heel ziek moeten zijn en nergens anders genezing kunnen vinden, eer ik zou besluiten hier een badkuur te doen. De natuur is mooi genoeg, maar de menschen zien er allen zeer weinig aantrekkelijk uit en Baedeker vertelt, dat er niet één te vertrouwen is. Voor een crimineele anthropologist is hier een prachtig studieveld. Vóór wij Tiberias verlaten,—op het meer zullen wij morgenochtend nog een zeiltochtje maken,—wil ik aan degenen die er belang in stellen mededeelen, dat hier op een heuvel, de graftombe van den beroemden Rabbi Akiba gevonden wordt.
Donderdagochtend vertrokken wij om half zeven uit Tiberias, vanwaar wij met een zeilboot het meer van Galilei overstaken om bijtijds in Smalakh te komen, om den trein te halen, die om half negen vandaar naar Damascus vertrekt. Wij genoten een mooien zonsopgang op het meer. Allerlei legenden worden van dit meer verteld. Wij kwamen juist op tijd in het Turksche dorpje om den trein te krijgen, die op ’t punt van vertrekken stond. Zoo’n trein te missen zegt hier veel, want er gaat maar één trein daags en gelegenheid om in zoo’n dorp te overnachten, bestaat niet. Wij waren blij, dat wij eindelijk in een trein zaten en dat de spoorreis niet al te bezwarend was. Het spoorverkeer is nog in een stadium van wording en vooralsnog vergenoegt men zich hier met de afgedankte en zeer verouderde wagons van Duitschland. Zoo’n tocht in een trein in een vreemd land en vooral in een zoo achterlijk land is altijd interessant, geen oogenblik viel ons dan ook de tocht te lang. Vooral aan de stations zagen wij soms zeer eigenaardige tooneeltjes; ik zou zoo’n Arabischen trein wel eens voor één dag door Holland willen laten rijden. De rare koppen, vooral omdat de hoofdtooi van mannen en vrouwen hier zoo vreemd is, die bij elk station uit de vierkante gaten, die voor vensters moeten dienst doen, hingen, is een gang naar het station waard.
Om vijf uur kwamen wij in Damascus aan en hadden eerst een half uur lange rit door de stad te maken, alvorens wij het Damascus Palace Hotel bereikten. Welk een merkwaardigen indruk maakt deze stad. Geheel iets anders als Jaffa en Jeruzalem; zij maakte op ons meer den indruk eene oude Moorsche stad te zijn. Het hotel waarin wij logeeren is een oud paleis, dat door verarming der eigenaars verkocht en voor hotel ingericht werd. Alles is hier Oostersch mooi.
Daar Baedeker beweert, dat er in Damascus theaters zijn en wij dat ook hier vernamen, besloten wij, na ’t diner, met onzen dragoman een er van te bezoeken. De dragoman, die meer nog dan wij zelf, voor ons decorum zorgt, had er niet zoo heel veel lust in, maar op ons aandringen besloot hij met ons te gaan naar een, waar “dames fatsoenlijk kunnen komen”. Wij hebben nu gezien hoe men zich hier ’s avonds fatsoenlijk amuseert. Het theater is een soort Café Chantant, waar alleen mannen waren. Of er bij andere gelegenheden wel eens vrouwen komen, geloof ik niet, maar dames zijn er welkom. Wij hadden geen last van de mannen, alleen keken zij allen meer naar ons dan naar hetgeen op het tooneel voorviel. Elke man zat er met een Turksche pijp in den mond, een pijp met een lange slang, terwijl er een met water gevulde karaf voor hem stond. Die pijpen hebben de goede eigenschap, dat zij geen rook verspreiden en al het kwaad, dat zij stichten alleen den rooker ten goede laten komen. Verder werd er Turksche koffie en water gedronken. Niet ieder kreeg een glas water, maar een karaf of kan water werd voor een groepje mannen neergezet en daaruit werd beurtelings gedronken. Ook waren er groepjes personen, die gezamenlijk uit één pijp rookten, die dan van mond tot mond ging. Geen pijp werd door den kellner neergezet die hij niet eerst zelf geprobeerd had en eerst als hij goed brandde, kreeg de besteller hem. Op het tooneel werd er ondertusschen door twee leelijke dames op de guitaar gespeeld en afschuwelijk gezongen; allemaal keelgeluiden, op dezelfde wijze als de Koran gelezen wordt. Eenige mannen die op een tamboerijntje sloegen, of een ander primitief instrumentje bespeelden, hielpen het succes verhoogen. Na den zang kwam de dans. Een in het zwart gekleede juf, zoo modest mogelijk, voerde een soort buikdans uit, die zeer in den smaak viel van het talrijk heeren-publiek. Toen hadden wij er genoeg van en gingen huiswaarts.
Vrijdag is een Mohammedaansche feestdag, doch was deze week een bijzonder heilige dag. De gouverneur ontving den geheelen ochtend officieele bezoeken; wij hadden daardoor de gelegenheid niet alleen het vertoon van vele Oostersche officieele kostuums te zien, maar daar ook Damascus’ inwoners, evenals de menschen uit alle andere landen, belangstellen in het gezicht van zoovele officieele, mooi opgetuigde persoonlijkheden, kregen wij eene goede gelegenheid om de Turksche mannen, vrouwen en kinderen in hunne Zondagsche kleeding te zien. Wat een pracht van kleuren en stoffen. De meeste dames die wij zagen waren in zware zijden Turksche costuums gekleed en daar ook zij evenveel belang stelden in ons als wij in hen, werd vaak even de dichte sluier opgelicht, om ons beter te kunnen opnemen. Enkelen sloegen zelfs de sluier geheel naar achteren en lieten zich ongegeneerd in de mooie zwarte oogen kijken. Het dragen van de sluier schijnt hier niet zoo strikt opgevolgd te worden als in de plaatsen, die wij te voren bezochten. Ook de mannen droegen prachtige zijden gewaden, waarover soms een met fraai bont omrand overkleed, of een van zeer fijn laken, dikwijls van dezelfde tint.
De Moskee, (er zijn er hier over de honderd), met een onuitspreekbaren naam, is de oudste, de grootste en verreweg de mooiste, die wij tot nog toe zagen. Deze Moskee, waarvan bij herhaalde branden stukken verloren zijn gegaan, doch die zooveel mogelijk steeds gerestaureerd werd, dateert van de 4e eeuw. De gekleurde vensters, de emailleering, de marmeren zuilen, getuigen alle van onberekenbare oudheid. Het geheele gebouw is met prachtige Perzische tapijten behangen en belegd. De geschiedenis van dit gebouw is te lang om er hier over te durven beginnen.
Wij hadden den geheelen dag tijd om de stad met hare vele mooie vruchtentuinen, haar interessante bazaar en hare vreemde bevolking goed op te nemen, daartoe waren wij van 9 uur ’s morgens tot 6 uur namiddags op de been. Gaarne zouden wij hier eenige dagen langer gebleven zijn om de vele winkels met orientalische bijzonderheden wat beter te kunnen doorsnuffelen, maar de hoop, dat wij Zondag in Beirût een boot zullen vinden, die ons naar Port-Said terugbrengt, dreef ons Zaterdagmorgen om 7 uur reeds weder verder.
Bij ons bezoek aan de groote Damascus-fabriek van koperwerken, zagen wij treurige staaltjes van kinderexploitatie. Het ciseleeren en het bewerken van de koperen artikelen is alles handwerk en geschiedt door kinderen, bijna allen meisjes. Mannen teekenen met een zeker soort inkt de figuren op de stukken en de kinderen hakken de figuren uit, leggen er zilverplaatjes of zilverdraadwerk in, of bewerken ze op andere wijze. Er waren vele meisjes van 5 en 6 jaar onder, en het werk van een zesjarig kind werd ons als bijzonder knap werk getoond en de directeur roemde de handigheid en de smaak van het bleeke, holoogige kind. Op mijn vraag hoe lang dit kind reeds op de fabriek werkte, ontving ik ten antwoord “anderhalf jaar, maar in den regel nemen wij ze niet vóórdat de kinderen voluit vijf jaar zijn.” Onder die kinderen waren er slechts enkele meisjes ouder dan 12 of 14 jaar. Ik informeerde waar de meisjes bleven, die het vak kenden en die den leeftijd van 12 à 14 jaar bereikt hebben. “O, die gaan in den regel een ander vak beoefenen, waarmede zij meer kunnen verdienen; sommigen er van trouwen,” was het bescheid.
De kinderexploitatie in fabrieken is hier en overal in Arabië allerbedroevendst. Het is een vreeselijk land in menig opzicht.
Ons vertrek uit Syrië’s hoofdstad gaf ons nog even een mooi gezicht op de stad, met zijne nu met herfsttinten getooide tuinen. De geheele route per trein van Damascus tot Beirût is een groot genot door de eenig mooie landschappen, die men onophoudelijk passeert. Tegen ongeveer elf uur kwamen wij aan het station Reyak, waar wij onze reis onderbraken, om langs een zijlijntje een bezoek te brengen aan Ba’albek, het Grieksche Heliopolis. Hier zagen wij de prachtige ruïnen van de oude Acropolis, omringd door de groote tempels aan Jupiter, Bacchus en andere goden gewijd. Vooral de ruïne van de tempel van Bacchus, waarvan nog geheele stukken met prachtig beeldhouwwerk intact zijn gebleven, is een groote reis waard. Ook van den tempel van Venus is nog zeer veel in goeden staat, doch de hooge marmeren zuilen en de fijnere afwerking maken den tempel van Bacchus meer belangwekkend. Het geheele stadje Ba’albek, nu behalve deze ruïnes van geen beteekenis, geeft toch zeer sterk den indruk, dat hier eens een groote, prachtige, indrukwekkende stad moet geweest zijn. Men heeft uitgemaakt, dat in elk geval de Acropolis met de tempels reeds in de tweede eeuw na Christus daar gestaan moet hebben.
Aan het station van Ba’albek woonden wij een interessant tooneel bij. Er werd een bruid afgehaald, een Mohammedaansch meisje uit een naburig dorp. Familie en vrienden van bruid en bruidegom waren allen in Zondagsgewaad aan het station. Toen het zwaar gesluierde bruidje uit den wagen stapte, werd zij met hare vrouwelijke, ook gesluierde, familieleden of vrienden op een eveneens mooi uitgedost kameel getild en daarna werden de andere versierde kameelen met dames en heeren en kinderen beladen. Soms zaten er zeven of acht op één kameel. De kameelen droegen allen gekleurde zijden kapjes, met gekleurde koralen afgewerkt, op hunne domme koppen en de geheele nek van de beesten was ook met koraalwerk en gekleurde koorden versierd. Het was voor ons een eenig mooi en grappig gezicht tevens.
Om half twaalf kwamen wij Zaterdagavond in Beirût aan, waar wij tot onze groote teleurstelling vernamen, dat wij niet vóór Dinsdagavond naar Port-Said kunnen vertrekken.
Voor menschen, die niet zoo heel ver van huis een echt orientaalsch, primitief volk willen leeren kennen en die tegelijkertijd van een eigenaardig natuurschoon willen genieten, is een reis, zooals ik die maakte, zeer zeker te recommandeeren. Men moet er dan echter wat meer tijd voor nemen, overal langer blijven en wanneer het reisgezelschap uit mannen alleen, of uit mannen en vrouwen bestaat, geen dragoman nemen. Deze menschen, die zich, wat van zelf spreekt, zeer gewichtig willen maken en den indruk willen wekken, dat men zonder hen geen voet in Arabië zou kunnen verzetten, maken niet alleen de reis onnoodig duur, maar maken de reizigers lui. “De dragoman vertelt het ons wel,” “de dragoman weet dat wel,” enz., doen den reiziger verzuimen, zijn Baedeker of andere reisgids na te slaan en zelf uit te vinden wat hij weten wil. Bovendien, neemt zoo’n man voor elken kleinen tocht een rijtuig, betaalt hooge fooien, zendt den reiziger naar de winkels en magazijnen, waarvan hij procenten trekt, alles op kosten en zeer hooge kosten van de reizenden. Wel maakt men tevoren met zoo iemand een contract, waarin alles staat, wat hij voor een zekere som te doen heeft, maar men vergeet natuurlijk honderden kleinigheden en die worden dan later nog eens extra in rekening gebracht. Met een dragoman ziet men in korten tijd veel meer dan anders het geval zou zijn, maar het geziene maakt niet zoo’n blijvenden indruk, omdat het te vluchtig gaat en niet verwerkt kan worden. Juist door eerst nauwkeurig na te lezen wat er in elke plaats voor belangrijks te zien is en dan zelf de wegen na te gaan, hoe er ’t best te komen, is reeds oorzaak, dat men van alles veel meer geniet en beter in zich opneemt. Er worden dan wel eens fouten gemaakt en wel eens verkeerde wegen ingeslagen, maar die verhoogen dikwijls het genoegen van de reizigers.
Men moet niet denken, dat een dragoman zich als ondergeschikte van zijn gezelschap gevoelt, hij treedt veel meer als de leider, het hoofd van het gezelschap op. Onze dragoman, die een goede in zijn soort is, vertelde ons direct den eersten dag, dat wij hem niet als een gids moesten beschouwen, hem ook vooral niet zoo mochten noemen, maar, dat hij mr. Barakat was, die op zich genomen had ons door een zeker deel van Arabië te voeren, de hotels en rijtuigen voor ons te bestellen en ons te geleiden naar alles wat bezienswaardig is. En dat program heeft hij stipt uitgevoerd. Wij hebben dan ook geen oogenblik tijd gehad om hospitalen of scholen of andere sociale inrichtingen te bezoeken, waarin wij belangstellen, want die stonden niet op zijn program; als ik eens een morgen of een dag wilde uitbreken, om op eigen gelegenheid naar zulke inrichtingen te gaan, dan was het steeds, dat wij, volgens hem, dien morgen of dien dag het merkwaardigste van de heele reis zouden gaan zien en dat ik dat dan verzuimen zou. Zijn program eens te wijzigen, daarvan was nooit sprake, hij kende zijn les van buiten, draaide die achter elkaar elken dag af en mocht door onze abnormale wenschen niet in de war gebracht worden. Op Baedeker was hij heelemaal niet gesteld, en als ik nu en dan eens beweerde, dat Baedeker een andere verklaring gaf, dan was Baedeker verkeerd, dat boek wist er niets van, als ik Baedeker meer dan hem geloofde, dan had ik zonder dragoman moeten reizen, en vooral als zijn prijzen met die in Baedeker niet overeenstemden, dan was hij over “dat boek” heelemaal niet te spreken.
Als ik dezen tocht nog eens zou overmaken, dan zou ik het in het late voorjaar willen doen, in April, Mei of Juni, omdat dan het landschap oneindig veel zal winnen door de bloemenkleur en -geur, die er dan veel meer dan in het late najaar zullen zijn; dan zou ik vier of vijf weken er voor willen nemen en dan zou ik niet per rijtuig, maar te paard of op een ezel het land willen doorreizen. Voor dit laatste zijn de wegen beter geschikt en het is meer in overeenstemming met de omgeving.
Wij zijn nu veertien dagen in Arabië en in al dien tijd hebben wij niet kunnen uitvinden hoe de oorlogstoestand van het land staat. Nooit is een dag voorbij gegaan, waarin ik niet den een of anderen Turk gevraagd heb, of er berichten van het oorlogsveld waren, en steeds was het antwoord, dat meestal lachend gegeven werd: “Hoe zou ik dat kunnen weten”. Couranten ziet men hier niet; de Europeanen die hier wonen, lezen Fransche of Engelsche bladen, die een paar weken oud zijn, en de hier en daar verschijnende Arabische courant schijnt zich met zulk een kleinigheid als de oorlogstoestand in eigen land niet op te houden. Waarom zouden zij ook zulke berichten opnemen, zij weten dat zij toch valsch of in elk geval schromelijk overdreven zijn. Het laatste bericht van het oorlogsveld dat in deze streken bekend werd, heeft overal in de dorpen zulk een opwinding teweeg gebracht, dat men ernstig gevreesd heeft, dat er hier ’n burgeroorlog tusschen Mohammedanen en Christenen zou door ontstaan zijn. Het was een bericht, nu drie à vier weken oud, waarin vermeld werd, dat de Italianen, geheel door de Turken verslagen zijn geworden, dat de overwinning der Turken ergens, ik weet niet waar, want wij krijgen hier ook geen couranten onder de oogen, een volkomene was en dat de Italianen bij duizenden door de Turken in de zee gezwiept zouden zijn. Het bleek natuurlijk later, dat dit bericht geheel onwaar of in elk geval buiten de perken van welvoegelijk liegen overdreven was. Beter geen berichten dan zulke berichten, zegt onze dragoman, die zich trouwens van den geheelen oorlog niet veel aantrekt.
Toen wij gisteravond met den trein vele dorpen passeerden, waar overal een ongewone drukte heerschte, vernam ik, dat de vele jonge mannen, die allen trachtten met den trein mede te komen, jonge Christen-Turken zijn, die hals over kop naar Amerika vertrekken, om de kans te ontloopen, naar het oorlogsveld gestuurd te worden. In Arabië, in dit deel van Turkije, is de oorlog met Italië niet populair en wordt meer beschouwd als een oorlog tusschen Christenen en Mohammedanen. Zou Turkije de overwinnaar zijn, dan zou daardoor de toestand der Christenen in Turkije wel eens hachelijk kunnen worden, zoo vreest men. Vroeger dienden in ’t leger alleen Mohammedanen, de regeering van Turkije heeft echter nu ook de Christenen en Joden opgeroepen om in het leger dienst te doen.
Maar ook van de cholera in Jaffa weet men hier niets. Wij weten nu na een week niets meer dan toen wij Jeruzalem verlieten, dat er toen vier gevallen van cholera geconstateerd zijn en dat daarvan drie personen overleden zouden zijn. Ook wisten wij toen, dat Jaffa daarna besmet is verklaard en de booten, die naar Port Saïd gaan, Jaffa niet aandoen en er niemand van uit Jaffa vertrekken kan, zonder in het naastbijliggende dorpje of stadje een vijfdaagsche quarantaine te ondergaan. Nergens heeft men ons verder iets naders van den toestand in Jaffa kunnen berichten en zelfs wist men ons hedenochtend in de verschillende kantoren van de stoomvaartlijnen hier, in Beirut, geen nader bericht te geven dan dat van een week oud. Of de cholera zich in Jaffa uitgebreid heeft, of dat het bij die vier gevallen gebleven is, men weet er hier niets van, en toen ik vroeg of men dan geen telegrafische berichten verspreidde, om het land op de hoogte te houden van den werkelijken stand van zaken, vertelde men mij, dat, toen er eenige maanden geleden in sommige streken van Arabië de cholera heerschte, het gebleken is, dat de berichten, die men uit die streken kreeg, geheel valsch waren. Zoo waren in een dorp twee mannen belast met het begraven der cholera-lijken, waarvoor zij per stuk betaald werden. In één week hadden zij drie lijken begraven; dat vonden de heeren te weinig, om te reclameeren, en zij brachten driestweg twintig gevallen in rekening. Er werd nu bericht, dat er op zooveel zieken twintig sterfgevallen in één week voorgekomen waren, en, alvorens de valschheid van deze opgave geconstateerd was geworden, had het onware bericht reeds binnen- en buitenland bereikt. Deze weinige staaltjes geven een kleine illustratie van de geloofwaardigheid van het volk en tevens wat men van berichten uit zulk een land gelooven kan.
Men kan Arabië niet bereizen zonder zich vooraf voorzien te hebben van een goede hoeveelheid insectenpoeder. Alle hotels schijnen alleen bewoonde bedden te kunnen aanbieden. Al ziet alles er op het oog nog zoo zindelijk uit, dan moet men toch niet vast erop rekenen, dat men zijn bed niet met eenige andere levende wezens te deelen heeft. Over het geheel genomen staat het hotelwezen hier nog op een zeer laag peil. De weinige goede hotels, die er zijn, of laat mij liever zeggen, die goed zouden kunnen zijn, zijn toch slecht, omdat men zich er bedient van inboorlingen-bedienden, die geen flauw begrip van zindelijkheid en goede bediening hebben, en die er zelf altijd even onappetijtelijk uitzien. Nu kan men hier in den zomer of in het late voorjaar zeer gemakkelijk met eigen tenten reizen en daardoor de hotels vermijden, en dat wordt door Cook’s gezelschappen en andere zulke reizigersgroepen ook meestal gedaan.
Het onderwijswezen der Turken staat ook op een zeer laag standpunt. Ik geloof niet, dat de regeering zich hier reeds bewust is, dat de opvoeding der jeugd een regeeringszaak is. Het aantal analphabeten onder de Mohammedanen is zeer groot. Ik weet niet of er statistische opgaven van bestaan, maar ook, al zouden die bestaan, dan weten wij vooraf, dat die ongeloofwaardig zijn. Toch zijn op vele plaatsen scholen, soms zelfs goede scholen, doch die zijn door Duitschers, Engelschen, Amerikanen, Franschen of Italianen gesticht. De meeste van die scholen hebben een godsdienstig karakter en de onderwijs-gevenden staan niet onder regeeringscontrôle. Iedereen kan hier een school openen. Hier, in Beirût, is zelfs een Amerikaansch instituut voor hooger onderwijs, dat na een vierjarige opleiding een doctor in de medicijnen kant en klaar aflevert.
Een ding moet ik niet vergeten mede te deelen, ofschoon het ergens anders misschien beter tusschen geplaatst zoude zijn. Wij zagen herhaaldelijk in verschillende plaatsen in den bazaar, dat is de plaats, waar alles verkocht en gekocht wordt, op de straat, of in open winkeltjes, meel, boonen, erwten, enz. koopen; waren, die per maat verkocht worden. De kooper mag dan zelf de maat vullen, er zooveel in doen als hij er bij mogelijkheid kan instoppen, en dan wordt met een rol de oppervlakte geëffend, zoodat die niet boven den rand van de maat uitsteekt en daarna afgeleverd. Ze vertrouwen elkaar dus ook niet heel erg, maar zijn zeer beleedigd, tenminste volgens onzen dragoman, als vreemdelingen zeggen, of toonen, dat zij de Turken niet erg vertrouwen. Men kan hier in geen winkel iets koopen en den prijs betalen, die er voor gevraagd wordt. Minstens 50% moet steeds worden afgedongen.
Toen wij Zaterdagavond laat in Beirût aankwamen, vernamen wij reeds spoedig, dat de booten van de Khedivian-lijn, die Haïffa en Jaffa aandoen, doch alleen om de mail af te geven en op te nemen, geen passagiers in Port Saïd mogen landen, dat die tot Alexandrië meegenomen moeten worden en daar een tweedaagsche quarantaine moeten ondergaan. Dat er Dinsdagavond echter een boot van de Fransche lijn van hier vertrekt, dat die in bovengenoemde havens niet stopt en de passagiers in Port Saïd alleen een medisch onderzoek hebben te ondergaan en daarna aldaar aan wal kunnen gaan. Daar wij allen onze groote bagage in Port Saïd hadden laten staan en enkelen van ons ook om andere redenen in die haven wilden landen, besloten wij, tot Dinsdagavond hier te blijven, Beirût te zien en een paar rustige dagen te hebben, alvorens wij in Egypte weder groote, nieuwe indrukken opdoen.
Beirût is een zeer geschikte stad om eenigen tijd rustig door te brengen. Het ligt aan de Middellandsche Zee en bezit een zeer zacht en prettig aandoend klimaat. De zon is hier niet zoo heet als aan de Riviera, maar ook is het hier niet zoo koud in de schaduw als daar. De omgeving van de stad is schitterend mooi, alles ademt rust en kalmte. Voor menschen en vooral voor kinderen met een zwakke gezondheid is het verblijf in den winter hier, naar mijne meening, weldadiger dan aan de Riviera. Blijft men aan den zeekant, dan is er geen stof te duchten, alleen de landwegen zijn stoffig, maar niet zoo erg als in de reeds genoemde streek. De stad is min of meer Europeesch, men ziet hier bijna geen oriëntaalsche kleeding. Ook in de meeste winkels kan men zich met de Fransche of de Engelsche taal verstaanbaar maken.
Wij gebruikten de paar dagen gedwongen rust om achterstallige correspondentie af te doen en om verfrischt en krachtig aan boord van het Fransche stoomschip te komen. Ofschoon wij wisten, dat de boot eerst ’s avonds om zes uur zou vertrekken, begaven wij ons toch direct na de lunch reeds aan boord, om op de boot rustiger nog dan in de stad van het mooie landschap rondom ons te profiteeren.
Als wij nu morgen vroeg geen oponthoud in Port Saïd hebben en men ons zonder kunsten aan wal wil zetten, dan komen wij vroeg genoeg om onze bagage uit het depôt te halen en nog denzelfden dag naar Caïro te vertrekken. De geheele maand December blijven wij in Caïro.
Ik was mij niet bewust, toen ik den vorigen brief op het schip van de Messageries Maritimes zoo plotseling eindigde, omdat Port Saïd in het gezicht kwam en ik mij gereed moest maken om aan wal te gaan, wat mij boven het hoofd hing. Wel had ik ’s morgens tot een mijner medereizigsters de opmerking gemaakt, dat op een zoo vuil schip, waarop eerste, tweede, derde en vierde klasse passagiers broederlijk en zusterlijk op het dek dooreenwandelden, er slechts een verdacht ziektegeval onder één van de lagere klassen behoeft voor te komen om ons allen in quarantaine te doen gaan. Maar ik dacht er niet aan, dat dit werkelijk het geval zou worden. Smeriger booten dan die Fransche booten kan men zich niet voorstellen. Voor de eerste klasse passagiers was alleen de eetzaal gereserveerd; maar daar vlak daarboven een hal was, waar elkeen kon komen, heerschte er den geheelen dag een drukkende, bijna niet uit te houden atmosfeer. Maar boven op het dek was het heelemaal niet te zijn, daar lagen en zaten in alle hoeken en gaten, op alle banken en stoelen, de geurige en kleurige Arabieren, die met hun heele hebben en houden op weg waren om van vaderland te verwisselen. De onschuldige kindertjes van deze natuurmenschen vermaakten zich met kinderlijke spelen en deponeerden tusschen de bedrijven door kleine plasjes en vaster bestanddeelen op de plekjes, die zij daarvoor geschikt vonden.
Er waren 1228 passagiers aan boord; daarvan waren er bijna 1000 tusschendekspassagiers, allen op weg naar Amerika. Ongeveer 150 van dezen moesten in Port Saïd aan wal gaan, om daar van schip te verwisselen, de anderen gingen tot Marseille door om daar overgescheept te worden. Deze menschen, die in eigen land en in eigen woning niet het minste begrip van zindelijkheid hebben, vertoonen natuurlijk nog smeriger uiterlijk op een overvulde boot, liggende kris en kras dooreen in de maag van het schip, zonder gelegenheid zich te reinigen, etende hun eigen meegebracht voedsel, en liggende op eigen meegebrachte lompen. Maar dat dezulken onze reisgenooten zouden zijn, wisten wij niet toen wij in Beirût aan boord gingen. Elkeen had ons zoo vaak verzekerd, dat de “Messageries Maritimes” ongehinderd Port Saïd zou kunnen binnenstoomen, dat wij aldaar alleen een medische inspectie hadden te ondergaan, dat wij niet twijfelden aan de geloofwaardigheid van deze inlichtingen.
Even over twaalf uur, het vastgestelde landingsuur, stoomden wij langzaam de haven van Port Saïd binnen, passeerden wij het mooie standbeeld van De Lesseps en wierp het schip zijn anker uit op eenige meters afstand van de landingsplaats. Wij stonden allen gepakt en gezakt om direct aan wal te gaan, doch men vertelde daar, dat wij te wachten hadden op den dokter, die nog niet aan boord was gekomen. Het was een Tantalus-kwelling voor de lieve echtgenooten, broeders en andere familieleden, die in kleine bootjes ons schip reeds waren tegemoet gekomen en steeds om ons heen bleven dobberen, en die op eenige armenlengten van het liefste wat zij bezaten verwijderd waren, en toch noch bij ons aan boord mochten komen, noch de lang verwachten over de verschansing heen bij zich in het bootje mochten tillen en meevoeren. Wachten, wachten, was steeds het antwoord, dat wij kregen als wij het eene kwartier na het andere zagen verstrijken en permissie vroegen om weg te gaan.
Om half twee begon de medische inspectie bij de eerste klasse. Wij moesten ons in de eetzaal verzamelen, en, als onze naam werd afgeroepen, den dokter voorbij de zaal verlaten. Dat kostte ons elk 2 shillings. Toen kwam de tweede klasse; ook dat ging goed. Daarna de derde klasse, en gelukkig werd ook daar alles goed bevonden. Het was toen reeds over drie uur en wij vroegen of wij nu niet aan wal mochten gaan, maar eerst moest de vierde klasse nog geïnspecteerd worden. En daar gebeurde het! Alles tengevolge van de stommiteit van den Franschen scheepsdokter.
Des nachts had een oude vrouw van 70 jaar, uit de 4de klasse passagiers, die met hare kinderen naar Amerika wilde vertrekken, het tijdelijke met het eeuwige verwisseld; hoogstwaarschijnlijk door de slechte atmosfeer en de voorafgaande vermoeienissen en emoties van de reis, eenvoudig gesuffoqueerd. Dat kwam den inspecteerenden dokter verdacht voor en toen later ook onder het scheepsvolk een jonge man ontbrak en de dokter riep: “waar is die zieke jongen?”, scheen de argwaan te vermeerderen. Toen ten slotte de boy gevonden was en deze opgaf, dat hij weder heelemaal beter was, alleen een beetje....., was de maat vol. De dokter wilde geen toestemming tot vertrek geven, hij vroeg een consult met een collega. Eerst kwam één, toen nog een dokter aan boord, die allen heel gewichtige gezichten zetten en nadat men ons tot zes uur in het onzekere had gelaten, kwam toen het positieve bevel; “Niemand mag aan wal gaan, allen moeten mede naar Alexandrië!” Het lijk van de oude vrouw, alsook de zieke jongeling, werden aan wal gezet en men verzekerde ons positief, dat wij in Alexandrië, na nog een medisch onderzoek, allen daar aan wal konden gaan. Den wachtenden echtgenooten werd vergund aan boord te komen om de mogelijke ballingschap met hunne vrouwtjes te deelen.
Ons clubje troostte zich in het lot, wij pakten den boel maar weder uit en vlijden ons na een gezelligen avond maar weder in onze scheepshutten ter ruste. Het was echter voor een massa passagiers een groote teleurstelling en veroorzaakte hun groote moeilijkheden. Er waren moedertjes met drie, vier en meer kinderen, die in Port Saïd thuis behooren, en die nu zooveel meer onkosten hebben, zooveel langer met die schapen onderweg moeten zijn en dood-vermoeid dezen tocht opnieuw, ondernamen.
Tusschen acht en negen uur kwamen wij den volgenden morgen in de haven van Alexandrië aan en daar begon de pret opnieuw. Eerst kwam een doktertje, een Griek, aan boord en nu zouden wij, zoo heette het, een zorgvuldiger onderzoek hebben te ondergaan. Weer werden de namen van alle eerste klasse-passagiers in de eetzaal afgeroepen en moesten wij voor den dokter verschijnen, de tong uitsteken en werd, zoo te zeggen, de pols gevoeld. Voor dit laatste was echter geen tijd genoeg en ik ben zeker dat van geen der eerste klasse-passagiers de hartslag kon worden geconstateerd. Het werd weder middag alvorens dit onderzoek, met gunstig gevolg voor alle aanwezigen op de boot, was afgeloopen, doch toen wij meenden aan wal te kunnen gaan, heette het, dat op een telegram uit Port Saïd gewacht moest worden met de resultaten van de autopsie op de oude vrouw en het ziekteverloop van den zieken jongeling. Heel gauw kwam dat telegram, vermeldende: dat de jongen beter was, doch dat men van de oude vrouw niet met zekerheid kon zeggen, dat zij geen cholera had gehad. Om die reden was het bevel: allen, die in Egypte wilden blijven, moesten in quarantaine, de passagiers voor Marseille konden doorgaan.
Toen werd onmiddellijk de geel-groene of groen-gele vlag in top geheschen en werden wij beschouwd als komende van een besmet schip. Wij waren nu gevangenen in den volsten zin van het woord, wij hadden geen eigen wil meer, maar moesten gehoorzamen aan de bevelen van de Egyptische politie.
Dat klinkt alles zeer gewichtig en het was het eigenlijk ook, maar wij zagen er voorloopig alleen het komische van. Wij wisten niet wat ons te wachten stond, niemand kon ons zeggen hoe lang de gevangenschap zou duren en niemand kon ons eenige inlichtingen geven hoe wij het er zouden hebben.
Om twee uur werden, stil en plechtig, vijf of zes groote zolderschuiten, getrokken door ’n klein, vuil stoombootje, aan onze boot vastgelegd; eerst werd alle bagage ingeladen, ook de heele huishoudingen van de emigranten, daarna werden eerste en tweede klasse-passagiers in één boot, de derde en vierde klasse-passagiers in drie of vier andere booten geladen, en toen gingen wij in treurigen optocht naar ’n afgelegen plaats, waar wij allen ontscheept, doch onmiddellijk in een gereedstaanden trein opnieuw geladen werden. Hier was het een onuitsprekelijke herrie, iedereen zocht naar zijn bagage en men wilde gaarne in den trein een goed plaatsje hebben. De geheele trein bestond alleen uit derde klasse-wagens, die er zeer primitief uitzagen en onuitstaanbaar naar carbol roken. Er was een hooge piet, een pasja, bij ons aan boord, die de ballingschap met ons moest deelen, dien hielden wij in het oog en volgden hem in den waggon. Daardoor werden wij niet met de derde en vierde klasse-passagiers vermengd en hadden vrij goede plaatsen.
Hoe treurig de stand van zaken ook voor vele reizenden en vooral voor de arme landverhuizers was, die daardoor misschien hun passage op de boot naar Amerika verloren, doch in elk geval op extra kosten werden gejaagd, het ontschepen en inschepen van zoovele nerveuse personen en hun angst, een stuk van de bagage te verliezen, gaf toch ook menig vermakelijk tooneeltje. Als een waggon volgeladen was, dan werden de deuren van buiten gegrendeld, een politie-agent op post gezet, zoodat niemand meer kon ontvluchten. Onder die politie-agenten waren er verscheidene zwart-menschen, die nu eens met een air van autoriteit al die wit-menschen de les lazen. Het was nog voor vier uur toen wij allen en ook de bagage in den trein geladen waren, doch het werd over zes, alvorens wij konden afreizen. Toen ik om vijf uur, ongeduldig geworden, mijn hoofd eens buiten het raam stak, om te informeeren waarom wij niet afreisden, vertelde men, dat de machinist ongeveer een uur geleden naar de stad was gegaan, om water te halen en niet terug kwam. De stationschef zou hem gaan zoeken en zien wat van hem geworden was. Het resultaat van dat onderzoek hebben wij niet vernomen, maar om zes uur zette onze trein zich eindelijk in beweging, bracht ons eerst een eindweegs in de eene en daarna in een juist tegenovergestelde richting, zoodat wij totaal in de war geraakten, waar men ons bracht. Het was donker en daardoor alles heel geheimzinnig, en toen wij tenslotte aan de Lazaretto aangekomen waren en zagen hoe wij daar aan alle zijden door hekken en hooge muren van de overige wereld werden afgesloten, maakte zich toch van velen een minder vroolijke stemming meester.
Wij werden er door een dame, een directrice, ontvangen, die ons onmiddellijk onze kamers wees en ons met de orders van ’t huis op de hoogte bracht. Het zag er alles zindelijk en netjes uit, de slaapzalen met nette, zindelijk uitziende bedden, voor vijf of zes personen ingericht, de muren helder wit gekalkt en een goede voorraad water om zich te verfrisschen. Spoedig kwam de eerste officier op het terrein en deelde ons mede, dat het misschien maar voor één dag zou zijn, dat wij zijne gasten waren. Het hing alles af van de telegrafische berichten, die den volgenden dag uit Port Saïd verwacht werden.
Hoewel het voor ons eerste klasse-passagiers best uit te houden was, waren wij toch echte gevangenen en konden ons slechts buiten in een beperkte ruimte vrij bewegen. Buiten de dubbele rij hekken, stond heel wat militair vertoon om te voorkomen, dat een onzer zou ontsnappen. Ook het eten was zindelijk en goed bereid en als ik ’t menu vermeld van wat ons den eersten avond om acht uur als diner werd voorgezet, dan zal men zien, dat men voor geld hier vrij goed bediend kan worden. Vermicellisoep, gebakken zalm, roastbeef met verschillende groenten, gevogelte en salade; daarna roomsoezen, dadels, appelen en sinaasappelen, Turksche koffie en gedurende het diner, vrij goede landwijn naar believen. Wij moeten echter voor deze gevangenschap twintig francs per dag betalen, een som, waarvoor wij in elk hotel een goede kamer en goed voedsel kunnen verkrijgen.
Niet alleen is de directrice een Engelsche dame, maar ook eene der doctoren is een vrouwelijke collega uit Engeland. Het zijn voornamelijk deze twee vrouwen, die hier met gezag hebben op te treden, wat zeer veel tact vereischt, omdat de meeste gasten hier tegen wil en dank gehouden worden en mokkende en halsstarrig zijn.
Toen echter den volgenden morgen het bevel kwam, dat wij allen tot Maandag moesten blijven, toen maakte de vroolijke stemming weldra plaats voor een tragische. Onder onze medegevangenen, wij waren met 54 eerste klasse-passagiers, waren verschillende groote handelslieden, die door dit oponthoud aanmerkelijke schade leden, anderen, die voor ernstige familie-aangelegenheden tehuis of in den familiekring moesten zijn en de plannen van elkeen werden door dit lange onvoorziene oponthoud min of meer gedwarsboomd. Bovendien was er in onze gevangenis niets te krijgen, wat de eentonigheid van het verblijf kon verminderen. Als er geen van de drie maaltijden in voorbereiding waren, dan konden wij zelf eenige tafels en ongemakkelijke stoelen naar buiten sleepen, voor een gemakkelijker zitgelegenheid kon men naar de slaapzaal gaan en zijn bed gebruiken. Meer dan de helft van den tijd werd dan ook door ons op bed en slapende doorgebracht; achteraf beschouwd kwam deze ongezochte rustkuur ons uitstekend ten goede, na de gejaagde, vermoeiende tocht door Arabië en de emotievolle dagen aan boord van dat vieze, Fransche schip.
Met eenige Mohammedaansche dames, die onder onze lotgenooten waren en waarvan enkelen Engelsch, anderen Fransch spraken, maakten wij nu wat nader kennis en vernamen van hen allerlei bijzonderheden. Een paar van hen waren Drusen, dat zijn Mohammedanen, die Mohammed wel vereeren, doch niet aanbidden. Zij aanbidden alleen God en gelooven, dat God nu en dan groote wijsgeeren doet geboren worden, die de overige menschheid in ontwikkeling ver vooruit zijn, doch dat niet alleen Mohammed en Christus zulke wijsgeeren waren, maar er telkens nog zoodanigen geboren worden, waardoor de geheele menschheid in ontwikkeling vooruit gaat. Als aandenken aan onze gezamenlijke ballingschap hebben die meisjes voor elk van ons een mooi kraagje gehaakt. Het haakwerk van deze vrouwen is nog fijner en mooier dan het Iersche haakwerk en heeft ook hooger marktwaarde.
Nu zou ik zeker wel twee brieven kunnen volschrijven als ik in alle bijzonderheden zou treden van ons vierdaagsch verblijf in deze gevangenis; als ik uiteenzette, welke gevoelens ons bekropen, toen wij den eersten morgen in onze slaapzaal ontwaakten en zagen dat de ramen van onze cel met zware ijzeren stangen getralied waren en dat daarover heen nog eens een dik ijzeren netwerk gespannen was, zoodat wij door de ramen niets naar buiten noch naar binnen konden moffelen; dat ons voedsel drie keer daags van uit Alexandrië moest worden aangebracht en dat dit door een klein poortje in de dubbele verschansing, waarachter wij zaten, moest worden naar binnen geduwd; dat men ons niet alleen een veel te hoogen prijs voor voedsel en logies liet betalen, doch dat men ons in rekening bracht, en wel vrij hoog, ons transport per zolderschuit en derde klasse trein van het schip naar de Lazaretto, en een zeer hooge som voor desinfectie van onze goederen; dit laatste was daarom zoo schandelijk, omdat niets van ons goed gedesinfecteerd was, wij hadden onze handbagage bij ons, het had ons niet verlaten. Toen wij daartegen reclameerden, werd ons geantwoord, of wij dan liever wilden, dat men het gedesinfecteerd en daarmede geheel bedorven had, en als wij weigerden te betalen, zou men ons eenvoudig langer in de Lazaretto houden. Ook zal ik niet in details treden over alle tegenstrijdige berichten, die wij elken dag van de directrice, de verschillende doktoren en den eersten officier kregen, inlichtingen, die elkaar boudweg tegenspraken; of klagen over den éénen handdoek voor elk onzer, waarmede wij vijf dagen ons moeten rein houden; of over het ontbreken van hygiënische maatregelen, waar die het eerst noodig waren; onder al deze omstandigheden bleven wij in een goed humeur en zagen er al het komische van en vermaakten ons er mede. Avonturen zijn in den regel niet prettig als men ze ondervindt, men lacht er alleen later over; dit avontuur, zoo ongezocht—wij hadden in Arabië alles gedaan om juist aan de quarantaine te ontkomen—gaf ons terwijl wij het ondervonden, toch menig vroolijk uurtje.
Het schandelijkste van alles is wel de wijze waarop men de gevangenen vrij laat. Evenals werkelijke misdadigers werden wij eenvoudig met al onze bagage buiten de poort gezet en vernamen wij, dat wij op ruim vier mijlen afstand van Alexandrië waren. Onze groep had door middel van de directrice bij Cook’s office aangevraagd ons eenige rijtuigen te zenden, en er waren eenige rijtuigen, die altijd rond zoo’n instelling zwermen om degeen, die vrijkomt, voor een veel te hooge som naar de stad te brengen, maar overigens moest elkeen nu maar zien, op welke wijze hij of zij de pas verkregen vrijheid wilde gebruiken. Geen enkele maatregel, om het de menschen gemakkelijk te maken, was genomen.
En nu zullen velen misschien nieuwsgierig zijn te weten hoe mrs. Catt zich onder deze omstandigheden hield. Zij was steeds de prettigste, opgewektste, tevredenste van allen en vond het “a new experience in her life”. De wijze waarop zij den laatsten morgen haar boeltje bijeenpakte en elk hoekje van onze cel nog eens doorkeek, om alles vooral goed in haar geheugen te griffen, was waard vereeuwigd te worden. Zij is maar één oogenblik boos geweest, dat was toen zij haar naam moest teekenen onder de kwitantie en zij er bij wilde zetten, “betaald onder protest”, en haar dit geweigerd werd, maar ook deze boosheid had een komische zijde en deed haar later schaterlachen.
Wij zijn nu weder vrij, onze kennis is verrijkt, wij weten nu hoe gevangenen zich moeten gevoelen, hoe het in een Egyptisch quarantaine-station toegaat, hoe beschaafde Arabieren, Turken, Grieken en andere oriëntaalsche menschen zich met ons beschaafd weten te gedragen, en over dat alles verheugen wij ons en klagen niet.