Caïro.

Het is waarschijnlijk wel te begrijpen, dat wij, nadat wij ’t quarantaine-station verlaten hadden, niet veel lust gevoelden ons lang in Alexandrië op te houden. Onze meeste lotgenooten verlieten die toch overigens wel mooie stad met de eerstvolgende gelegenheid. Zoo wilden wij evenwel niet vertrekken, in elk geval wilden wij toch een bezoek brengen aan de Catacomben, om de belangrijke Egyptische begraafplaats, dateerende uit de 2e eeuw onzer jaartelling, te zien. Deze begraafplaats werd aldaar een dozijn-aantal jaren geleden ontdekt. Men gaat met een flinke breede wenteltrap, die gedeeltelijk nieuw is, tot diep onder den grond en komt dan in ’n grooten tempel met verschillende vertrekken, alwaar 150 lijken in afzonderlijke gemetselde en gebeeldhouwde nissen gevonden werden. Het beeldhouwwerk van vele dier nissen is zeer goed bewaard gebleven en zelfs een geheele tempel, die hoogstwaarschijnlijk het lijk van een hooggeplaatst persoon bevat, is bijna in ongeschonden staat aanwezig. Deze begraafplaats is ongetwijfeld voor archaeologen en liefhebbers van oudheden een afzonderlijk bezoek aan Alexandrië meer dan waard.

Blik op Caïro.

Blik op Caïro.

Nadat wij dit belangrijk stuk uit oud-Egyptische grootheid hadden gezien, lieten wij ons door de voornaamste buurten van de stad rijden, stapten even in het mooie, weelderig ingerichte Savoy-hotel af om een goede afternoon tea te gebruiken en vertrokken met den trein van zes uur naar Caïro. Wij waren weliswaar dien middag uit de quarantaine ontslagen, maar geheel vrij waren wij toch nog niet. Wij hadden een man, een begeleider, op den bok van ’t rijtuig medegekregen, die een lijstje met onze namen bij zich had, die ons tot in het station bracht en zorgde, dat onze spoorkaartjes met een rood kruis geteekend werden. Daardoor wist de conducteur direct met welk soort volk hij te doen had en in Caïro werden wij des avonds om half tien opgehouden en moesten weder eene medische inspectie doormaken en ons adres in Caïro achterlaten. Ongelukkig was geen onzer in het bezit van een Baedeker van Egypte, die hadden wij noch in Zuid-Afrika, noch in een der plaatsen aan de oostkust, noch in Arabië kunnen machtig worden en wij konden derhalve niet anders doen dan een hoteladres opgeven, dat ons door—geen onzer wist meer wie—was aanbevolen. Naar dat hotel begaven wij ons, doch onmiddellijk bij aankomst zagen wij, dat wij verkeerd waren. Het was in zijn soort een heel goed hotel, bij wat wij in Arabië ondervonden hadden zelfs zindelijk te noemen, maar het was een hotel van den zooveelsten rang, in Baedeker, die wij den volgenden morgen reeds om acht uur kochten, aangeduid onder de rubriek: “en dan nog verscheiden hotels van minder gehalte”. Wij passeerden er een zeer onrustigen nacht, waren den volgenden morgen reeds om zes uur kant en klaar om bij het eerste morgengloren er op uit te trekken een Baedeker te koopen en een beter hotel op te sporen. Dat alles gelukte vrij spoedig, zoodat wij om tien uur ’s morgens reeds met pak en zak in het mooi gelegen en comfortabel ingerichte Continental-hotel overgebracht waren.

Wat een gelukkig vrij gevoel bekroop mij, toen ik in dat goede hotel een frisch bad kon nemen, van kleederen kon wisselen en mij ’s avonds in een goed bed, met een kamer voor mij alleen, te slapen kon leggen, en dat niemand meer over mij te bestellen had. Door ons spoedig vertrek uit het eerste hotel schijnt de gezondheidscommissie ons spoor bijster geworden te zijn, wij althans hebben van geen dokter meer iets vernomen, terwijl andere lotgenooten nog de geheele week des morgens een doktersvisite ontvingen.

Straattafereel in Caïro.

Straattafereel in Caïro.

Dit gedwongen langer verblijf in Arabië en daarna de 5 dagen oponthoud in het quarantaine-station hebben de plannen, die wij voor ons verblijf in Egypte gemaakt hebben, geheel in de war gestuurd. Mrs. Catt en ik hadden reeds vóór wij naar het Heilige Land afgereisd waren een hut besproken op de “Prinses Juliana” van de Mij. Nederland, die 9 Januari 1912 van Port-Said vertrekt. Wij hadden daardoor ongeveer zes weken tijd om Caïro en het voornaamste gedeelte van den Nijl te zien, maar nu onze tijd zoo is bekort geworden en wij bovendien eenige dagen noodig hadden om ons te restaureeren, alvorens in staat te zijn nieuwe indrukken te verwerken, nu zal van de Nijlreis waarschijnlijk niet veel komen. Caïro levert alleen genoeg belangrijks op om een week of vier met overvloed van afwisseling hier door te brengen. Wel heeft Caïro voor personen, die in de laatste maanden zooveel oriëntaal leven zagen, niet die groote aantrekkelijkheid, niet dat verbijsterend nieuwe, als degenen ondervinden, die kersversch uit Europa naar hier verplaatst worden. Veel van hetgeen wij hier zien, zagen wij reeds in Damascus en in Jeruzalem en omstreken. Ook is Caïro, of liever dat gedeelte van de stad, waarin de goede hotels gelegen zijn, zoodanig gemoderniseerd, dat het, afgezien van de straattooneeltjes, daar op een of ander Europeesche stad is gaan gelijken. De groote geheel Europeesch ingerichte hotels, die, om toch een klein beetje het oriëntaal karakter te behouden, bedienden voor een deel uit inboorlingen, gekleed in roode of anders gekleurde Turksche broek en kort jakje, dat rijk met goudborduursel is gegarneerd, recruteeren; de groote Fransche, Engelsche en Amerikaansche winkels, met hunne Europeesche koopwaren; de kantoren van de groote stoomvaartlijnen, de bankinstellingen, de Parijsche café’s, ’t Fransche en Italiaansche operagebouw en nog zoovele andere gebouwen ontnemen aan het centrum der stad ’t geheel Egyptisch karakter. Wel zijn al deze gebouwen gegroepeerd om een grooten, smaakvol aangelegden tuin, den Ezbekujeh-tuin, met eenige zeer buitengewone, zeldzaam mooie boomen, die, door de vele vrij dikke luchtwortels, die van boven uit de takken naar beneden hangen, doch zoodra zij den grond bereiken in den grond zich vastmetselen, den stam van den boom een allerzonderlingsten vorm geven; maar deze tuin kan alleen den indruk niet wekken dat men in een Egyptische stad vertoeft.

De Sphinx.—Op den achtergrond eene pyramide.

De Sphinx.—Op den achtergrond eene pyramide.

Dien indruk krijgt men pas goed, als men buiten de stad gaat en een bezoek brengt aan de wereldbekende pyramiden en de Sphinx. Reeds de rijtoer daarheen, passeerende de Nijlbrug en door het dorp Gizeh, brengt reeds die zekere Egyptische stemming. Rondom ziet men dan veraf overal de woestijn, met het droge, glinsterende, witte zand, waardoor de zon zoo krachtig en heet teruggekaatst wordt, en waarin veraf overal de donkere pyramiden den kop in de lucht steken. De meest indrukwekkende van al deze pyramiden is de groote pyramide van Gizeh, welke bij den ingang van de Libyan-woestijn, in de onmiddellijke nabijheid van de Sphinx staat. Deze kolossus, die verondersteld wordt meer dan 6000 jaren oud te zijn, brengt elkeen alleen in verbazing over de enorme afmetingen en ook over den jarenlangen arbeid, dien ’t gekost moet hebben om hem tot stand te brengen. Uit een architectonisch of aesthetisch oogpunt vind ik er niets aan te bewonderen, maar wel dringt, hoe langer men er naar kijkt, steeds meer het besef door met welke reuzenafmetingen men hier te doen heeft. Volgens de opgaven zouden er, loopende over twintig jaar, elk jaar gedurende drie maanden 100.000 man aan gewerkt hebben om de eenige millioenen granietblokken, elk van 40 kubiek voet grootte uit te houwen, te fatsoeneeren en op te stapelen. En dat ding was gebouwd om als graftombe te dienen van koning Cheops en zijne familieleden. Al die pyramiden zijn graftomben van een of ander vorstelijke familie. Zeer zeker een zeer eigenaardige manier om zijn lijk te laten bewaren.

Een geheel anderen indruk verwekt de Sphinx, waarvan zoovele bewonderaars van Egypte zoovele romantische verhalen, weten te doen. Als men Pierre Loti’s boeken en herhaalde beschrijvingen over dit bewonderingswaardige monument leest, en als men in aanmerking neemt, dat tal van personen in de onmiddellijke nabijheid er van, midden in de woestijn, in den letterlijken zin van het woord, hunne tenten opslaan om in de gelegenheid te zijn, dit wonder uit de oudheid onder alle soort belichting en bij zonsopgang en zonsondergang te zien en te bestudeeren, dan begrijpt men zeker, dat ik mij aan eene beschrijving er van niet waag. Ik zag het op een mooien zonnigen namiddag; ik vleide mij in het warme mulle zand aan den voet van het monster neder en observeerde wat deze mannenkop op leeuwenlichaam mij te vertellen zou hebben. En het vertelde mij zulke geheel andere zaken als die ik er van gelezen had, dat ik ze niet waag neer te schrijven. De nuchtere impressie, die ik het allereerst kreeg, was, dat het zeer te betreuren is, dat deze reuzenkop zijn neus verloren heeft, dat er een hak uit de lippen is en dat de nek de helft van zijne afmetingen heeft verloren, maar na eenigen tijd maken deze mankementen niet meer den hoofdindruk en beginnen de mysterieuse oogen te spreken. Maar, zooals ik reeds opmerkte, wat die mij te vertellen hadden, behoud ik voor mij zelf.

Moskeeën zijn in Caïro over de vijfhonderd, daaronder zijn er heel mooie en heel oude, maar wij zijn er hier maar enkele binnen gegaan, omdat wij in de laatste weken zooveel van die dingen zagen, dat wij er nu voorloopig genoeg van hebben.

Als overal in deze soort steden gevoel ik mij hier het meest aangetrokken tot het volksleven, geen dag gaat er voorbij, waarop ik niet een korten tijd hier in den bazaar doorbreng. Bazaar heeft in deze oriëntale steden eene andere beteekenis dan wij er gewoon zijn aan te hechten. De bazaar is dat gedeelte van de stad, waar alle handwerkslieden hun bedrijf uitoefenen en hunne winkels hebben. Het is een complex van zeer nauwe straatjes, die als in een doolhof in elkaar loopen en waar in elk straatje een afzonderlijk beroep wordt uitgeoefend. Er is een straatje voor de schoenmakers, een voor de goudsmeden, de koperwerkers, de kappers, de kleermakers, enz. enz. Het beroep wordt altijd in de kleine open ruimte uitgeoefend, die tegelijkertijd ook het winkeltje is. De straatjes zijn zoo nauw, dat men elkaar er nauwelijks in passeeren kan. In die nauwe, bont gekleurde straatjes in Caïro vindt men het echte Egyptische leven. Het lijkt op dat van alle oostersche steden, maar het heeft toch hier zijn bijzonder karakter en zijne eigen bekoorlijkheid. Behalve dat de eigenaars van de winkeltjes elken voorbijganger nopen tot staanblijven om zijne waren te bezien, “kijken kost niets” hoort men in alle talen en in alle toonaarden telkens opnieuw zich toeroepen, maar ook de vele wandelende winkeliers, mannen, behangen met een heelen winkelinhoud, sporen je telkens aan hetgeen zij te koop aanbieden te bezien en iets van hen te koopen. Tusschen het geschreeuw van dezen hoort men onophoudelijk het rinkelen van glazen en kopjes van kooplieden, die behangen zijn met het een of ander vaatje, gevuld met smakelijk vocht uit een café, die de menschen willen aansporen een glas of een kop leeg te drinken van het door hen aangeboden lekkere vocht, dat dikwijls niets anders is als water met een of ander geurtje. Komt men één oogenblik in een beetje breeder straatje, dan kan men onophoudelijk plaats maken voor de ezeltjes, die aan weerszijden behangen zijn met vruchten, groenten of ook wel allerlei andere koopwaren, die door den drijver van het beest op luiden toon en met veelzijdige gebaren te koop worden aangeboden. Dat alles en onnoemelijk veel meer geeft een levendigheid, geroezemoes en kleurigheid aan dit interessante stadsdeel, dat beter geschilderd dan beschreven kan worden.

Hoewel ook dit Oostersch volk een eigen opvatting van zindelijkheid heeft, is het hier toch oneindig veel zindelijker en hygiënischer dan in Jeruzalem en Syrië. Ook is het volk hier beter gekleed. De Arabier schijnt er een eer in te stellen zijne kleederen zoolang te dragen, tot zij hem van het lijf vallen en blijkbaar worden zij in al dien tijd dan ook nooit gereinigd; de Egyptenaar, voor zoover die zich ten minste in de straten vertoont, schijnt juist zeer veel aan goede en mooie kleeding te hechten. Vooreerst is het opvallend, zoo goed en smaakvol hier iedere man en vrouw geschoeid gaan, bij het volk zijn vooral roode en gele schoenen zeer in den smaak, en dan zijn de lange kleederen en de hoofdbedeksels van de Egyptenaren steeds van zulke mooie harmonieerende kleuren en van zulk een goede kwaliteit, dat men onwillekeurig de verkeerde conclusie gaat trekken, dat de kleedingstoffen en het maken er van hier weinig geld kosten.

Doordat de Mohammedanen, en die vormen hier natuurlijk de groote meerderheid van de bevolking, hun Zondag of wekelijkschen rustdag op Vrijdag vieren, de Joden op Zaterdag en de Christenen op Zondag, daardoor is hier nooit een dag in de week, dat alle werk stilstaat en alle winkels gesloten zijn, of dat zoo’n dag een bepaald karakter heeft. Alleen de musea en andere openbare instellingen zijn des Vrijdags gesloten, de Mohammedanen houden echter hunne winkeltjes tusschen de godsdienstoefeningen open. Donderdag is vooral een levendige dag in de volksbuurten van Caïro, het is de dag vóór hun Zondag en evenals de Jodenbuurt in Amsterdam op Vrijdag een bijzonder cachet heeft, zoo is dat hier het geval op Donderdag.

Als men in die straatjes ronddwaalt, gebeurt het soms, dat men plotseling komt op een plekje, waar een oude man met acht of tien jongens op een mat luid zitten te zingen. Dat is dan een zekere soort school, waar de jongens niets anders leeren als den Koran lezen. Ik kreeg echter niet den indruk, dat de jongens den Koran leeren lezen, veel meer, dat zij die van buiten leeren en in den goeden toon leeren zingen. Het onderwijs is ook hier nog zeer slecht, maar daarover schrijf ik later, als ik eerst wat scholen gezien heb; verplicht onderwijs bestaat er niet en tal van analphabeten komen hier voor.

Er zijn hier natuurlijk nog tal van bezienswaardigheden, die ik hier dan ook successievelijk als een goed toerist ben gaan zien, doch die daarvan meer wil weten moet maar eens een Baedeker koopen en die nalezen. De musea, hoewel zeer interessant en een herhaald bezoek overwaard, hebben toch naar mijne meening geen grooter en uitgebreider collectie Egyptische bijzonderheden, dan er in het Britsch Museum te Londen te vinden is.

De groote aantrekkelijkheid, die Caïro voor vreemdelingen bezit, moet gezocht worden in het overheerlijk klimaat. Dat klimaat lokt elken winter tal van vreemdelingen en doet hen hier de drie of vier natte, koude wintermaanden in eigen land ontvluchten. Nu in het einde van December genieten wij hier elken dag van een heerlijken zonneschijn, met een temperatuur van 60 à 70 graden Fahrenheit en daarbij een door en door droge lucht. De avonden zijn koud, maar van een droge, windstille koude, die niet onaangenaam aandoet. Toch werkt dit klimaat, als men hier pas komt, dikwijls zeer noodlottig. Door het frissche, opwekkende weder, meent men hier in staat te zijn veel te kunnen doen en vooral den geheelen dag in de lucht te kunnen vertoeven. Men gaat ’s morgens uit en men gaat weder direct na de lunch uit en blijft buiten tot de hotelgong roept om zich voor het diner te kleeden en men verwondert zich dan, dat men na een paar dagen geheel op is en niet in staat nog eenige indrukken in zich op te nemen. Als men dan niet door de hier veel voorkomende ziekte, “zonlichtkoorts”, wordt aangetast, mag men van geluk spreken. Dit is een koorts, die de patiënten vrij onverwacht overvalt, met een temperatuursstijging tot 40 graden toe, en die met hoofdpijn, roodgezwollen gezicht en een onaangenaam ziektegevoel gepaard gaat. Eenige dagen bed-rust brengt dan wel weder evenwicht in het gestel, maar de patiënt betaalt toch op een leelijke manier tol voor zijne onvoorzichtigheid, die dikwijls het gevolg is van te veel op een dag te willen doen. Denk niet, dat ik zelf de dupe was van deze ziekte, maar ik had gelegenheid een geval van nabij gade te slaan.

Is men hier echter voorzichtig, door alleen ’s morgens of alleen ’s middags uit te gaan, dan kan men hier in den tijd, dat ’t in ons kikkerland, donker, nat en koud is, een heerlijken tijd doorbrengen en veel van het mooie weder genieten. Op den duur schijnt het klimaat toch ook hier afmattend te zijn; een Engelsche militaire dokter vertelde mij, dat een verblijf van vier of vijf jaar de energie van de meeste jonge menschen hier geheel doodt en men ze dan eerst weder voor geruimen tijd naar Europa moet sturen om nieuwe krachten en moed te verzamelen. Dit komt mij een beetje overdreven voor, maar ik ben hier in den winter, of wat hier winter genoemd wordt en kan dus over de zomermaanden niet oordeelen.

Voor wat het toeristendeel van Egypte betreft, kan men gerust zeggen, dat het voor ¾ deel aan het toeristenbureau van de firma Cook toebehoort. Booten, hotels en andere dergelijke gelegenheden, die men op reis moet benutten, zijn bijna zonder uitzondering in handen van Cook’s firma en hoe men zich hier wendt of keert, men komt bijna altijd weder bij Cook terecht. Daardoor is alles hier bovenmatig duur en wordt er bovendien door die firma een overdreven reclame voor Egypte gemaakt, die zeer zeker bedriegelijk is. Afgezien van het gunstige klimaat in den winter, waardoor zwakken en zieken hier ’n goede verblijfplaats vinden, is Egypte hoofdzakelijk van bijzondere interesse voor archaeologen, historici en architecten, doch de gewone toerist kan zich voor minder geld in verschillende andere oorden van de wereld evengoed amuseeren. Wil men de wereld zien, dan moet men natuurlijk ook Egypte zien, maar men late zich niet verlokken naar Egypte te komen alleen op de reclameplaten en advertenties, uitgaande van de firma Cook & Co.

Ik heb thans wat Engelsche, hier wonende, heeren en dames en eenige Egyptische doctoren leeren kennen; wat die mij in de volgende dagen van Egypte zullen laten zien, daarover hoop ik in een volgenden brief te schrijven.

II.

Als men als gewoon toerist maandenlang in Europa reist, dan kan het gebeuren, dat men in al dien tijd niets verneemt wat in direct verband staat met godsdienst; dat men met de menschen, waarmee men in aanraking komt, nooit over godsdienstkwesties spreekt, dat men dikwijls niet weet—en dat het ons ook niet interesseert—tot welken godsdienst die menschen behooren. Het is in den regel voor den gewonen toerist van heel weinig belang, of de bewoners van een of ander land in Europa in hoofdzaak Protestant, Jood of Katholiek zijn. Slechts bij toeval zal zulk een onderwerp den reiziger bezighouden.

Geheel anders is dit in de orientalische landen; daar dringt de godsdienst zoo op den voorgrond, dat elke reiziger er nota van moet nemen, dat hij onwillekeurig een van de hoofdonderwerpen wordt, waarover men denkt en spreekt, dat hij met al het bezienswaardige zoo is samengeweven, dat men niets kan gaan zien, over niets kan lezen of hooren spreken, zonder dat de godsdienst der bewoners van het land er ten nauwste in betrokken is, er het hoofdbestanddeel of het uitgangspunt van vormt.

Reeds merkte ik dat op in Zuid-Afrika, vooral daar, waar wij in aanraking kwamen met de inboorlingen en ook zelfs bij de Afrikaners, maar het trad steeds meer naar den voorgrond in de verschillende plaatsen aan de Oostkust van Afrika, die wij aandeden, doch toen wij in Arabië kwamen was daar natuurlijk alles geheel en al met godsdienst doortrokken. Daar was letterlijk niets anders te zien, daar werd over niets anders gesproken en van elkeen, die wij op onzen weg ontmoetten, kon men aan kleeding en uiterlijk onmiddellijk vaststellen, tot welken godsdienst hij behoorde.

In Egypte is dat bijna even sterk het geval. Niet alleen verhalen alle pyramiden, sphinxen, moskeeën van den godsdienst der Egyptenaren, maar ook alles wat wij in de musea vinden, getuigt op een of andere wijze daarvan. Van één instelling, die eenig op de wereld is, wil ik hier het een en ander vertellen. Het is de moskee El-Azar, die als moskee niets bijzonder merkwaardigs heeft, maar die dient tot theologische universiteit van Egypte, een universiteit zooals nergens meer gevonden wordt. Deze universiteit dateert uit de tweede helft van de tiende eeuw en is door al die eeuwen heen zoo goed als niets van karakter veranderd. Ongeveer 10.000 studenten bezoeken jaarlijks deze theologische school en in de paar laatste jaren is dat getal tot over de 12.000 gestegen. Ruim 350 leeraren geven er onderwijs.

Deze studenten komen niet alleen van heel Egypte, Opper-, Lager- en Oost-Egypte, doch zij komen van heel Azië, van Constantinopel, Damascus, Mekka, Alexandrië, Britsch Indië en van Java en Sumatra. Waar Mohammedanen zijn, van daar komen ook jonge mannen om hier tot priester te worden opgeleid. De studenten betalen niets voor hunne opleiding en als zij arm zijn—en zoo zijn er velen—worden zij ook nog van brood en een zeker soort soep dagelijks voorzien en dan slapen zij in de moskee. Men weet, dat de Mohammedaan eenvoudig zijn mat spreidt en zich dan daarop, onverschillig waar, te slapen legt.

Het maakt een verrassenden indruk, als men deze moskee bezoekt, dat men daar op den grond, met de beenen kruislings onder zich, die duizenden mannen vindt, van af jongens van ongeveer 12 jaar tot oude grijsaards, allen in groepen verdeeld en allen bezig een of ander onderdeel van hun godsdienst te leeren, of datgene wat zij beschouwen in verband te staan met hun godsdienst. De jonge jongens en ook de ouderen, die uit andere landen komen, hebben eerst het Arabisch in de fijnste bijzonderheden te leeren, alvorens zij tot de hoogere studie kunnen worden toegelaten, doch ook voor degenen, die direct aan de eigenlijke theologische lessen kunnen deelnemen, duurt de opleiding van vier tot zes jaar. Velen komen in al dien tijd de moskee niet uit. Er zijn zelfs mannen, die hun geheele leven aan deze studie blijven wijden, die blijven doorstudeeren of blijven als leeraar. Zoo’n leeraar wordt sheik genoemd. Er waren er velen met zeer eerbiedwaardige gezichten, gezichten, waarvan men gaarne een foto zou willen nemen, of die voor een schilder ’n mooi model zouden zijn. De sheiks worden ook alleen door piëteit tot hun taak gedreven, hunne belooning is niet veel meer dan waarvoor zij amper hun levensonderhoud kunnen bekostigen en eer of aanzien is aan hun ambt niet verbonden.

Het leerprogram komt hoofdzakelijk hier op neer: Zij, die niet genoegzaam Arabisch kennen, moeten eerst grondig die taal leeren. Dan worden hun de gronden van het Mohammedanisme, van God en zijn profeet Mohammed, onderwezen en daarna leeren zij eerst jurisprudentie, wetgeving. De Mohammedanen gelooven, dat een priester de wetten moet kennen, omdat de wetten moeten bevatten de voorschriften van God, in betrekking tot de handelingen der menschen;—dat God heeft voorgeschreven en in den Koran heeft vastgelegd de plichten, die de mensch heeft te vervullen, de handelingen, die hij bij voorkeur moet doen en andere die hij beslist moet nalaten. Uit gegevens uit den Koran wordt den studenten geleerd, welke wetten in de wetgeving van het land moeten worden opgenomen. Bovendien leeren de studenten hoe zij den Koran moeten zingen; verder logica, rhetorica en poëzie, terwijl eerst onlangs ook wat aardrijkskunde aan het leerplan is toegevoegd. Heel hoog en heel ver gaat de ontwikkeling dus niet.

De gezichten van de studenten, uit zoovele verschillende deelen van de wereld komende, zijn voor den bezoeker ’t bestudeeren waard. Niemand van al die leerlingen toonde eenige belangstelling voor al de bezoekers van de Moskee, ongestoord gingen de lessen door en men kon zien, dat de aandacht der studenten ononderbroken was. Toch deed het mij onaangenaam aan, dat zoovele toeristen, door niets anders dan nieuwsgierigheid geleid en klaarblijkelijk dikwijls niets begrijpend van de heilige geestdrift, die deze jonge mannen bezielt, daar in dat voor hen heilige der heiligen binnenkwamen, deze jonge mannen fixeerden en somtijds achter hun zakdoek een lach onderdrukten, of hun spottend gelaat verborgen. De Mohammedanen moeten wel goedmoedige en vredelievende menschen zijn, om al de profanatie te verdragen, die de vreemdelingen jaarlijks in hun land en over hunne heilige instellingen brengen.

Al de kosten aan het onderhoud van deze universiteit verbonden worden betaald uit de fondsen van de Moskee. In den loop der eeuwen zijn zoovele en zoo groote giften en erfenissen aan deze instelling ten deel gevallen en nog jaarlijks komen er zooveel nieuwe groote giften in, dat het bestaan er van financieel verzekerd is.

Ofschoon niet bepaald met Egypte in verband staande, maar wel passende in het kader van dezen brief, wil ik hier het een en ander mededeelen van een nieuwen godsdienst, waarvan, voor zoover mij bekend, in Holland nog weinig of niets gehoord wordt en die in de toekomst toch zeker een rol in de wereldgeschiedenis zal spelen. In hoeverre deze godsdienst zich zal weten te handhaven en uit te breiden, waag ik niet te profeteeren, maar de volgelingen verwachten ervan, dat hij binnen niet al te langen tijd eenheid zal brengen onder de menschen en dat hij in staat zal blijken Jood en Christen, Katholiek, Mohammedaan, Boeddhist, Hindoe en alle andere godsdienstsekten te voldoen.

Ik bedoel het Béhaïsme. Reeds in Zuid-Afrika hoorden wij er nu en dan van, doch meestal onder zeer bedekte termen, zoodat wij niet recht begrepen wat de beteekenis er van was en eerst langzamerhand tot ons doordrong, dat het een godsdienstvorm moest zijn. Zoodra toch degeen, die ’t genoemd had, bemerkte, dat wij er niets van wisten, werd het gesprek er over dadelijk afgebroken en op een ander onderwerp overgebracht. In Arabië noemde onze dragoman het even, toen wij den berg Karmel in het gezicht kregen, als de plaats waar de Behaïs het stoffelijk overschot van hunnen Meester hebben begraven en waar zij zijn graftombe bouwden. Onze dragoman wist of vertelde er echter niets meer van. Dikwijls hebben mrs. Catt en ik elkander afgevraagd, wat toch die Behaïs mogen zijn, en nu hier in Egypte, geheel onverwacht, geheel ongezocht,—wij wij dachten niet meer aan hen—hier kwamen wij precies terecht in een groote groep volgelingen en meenden deze in ons geschikte objecten te vinden, om ons tot hunne geloofsovertuiging over te halen. Evenals in alle groote bewegingen, stellen wij ook in deze beweging, die vele zeer ontwikkelde volgelingen bezit, groot belang; woonden wij een der wekelijksche bijeenkomsten bij en lieten wij ons door de hoofdpersonen in alle onderdeelen voorlichten.

In het kort komt hetgeen ik vernam hierop neer: In 1844, het jaar, dat in verschillende heilige geschriften is aangeduid, als het jaar, waarin een nieuwe profeet zou verschijnen, verklaarde een jonge man van 25 jaar, Mirza Ali Mohammed, in de stad Shiraz, in Perzië, dat hij de menschheid een boodschap van God had te brengen, dat hij daarvoor door God was geroepen. Men gaf hem toen den naam “Bab”, die poort beteekent en geloofde, dat God deze poort gebruikte, om tot de menschheid door te dringen. Hij werd de voorlooper en de stichter van deze groote godsdienstige beweging. Hij bracht zijn boodschap en maakte in korten tijd vele volgelingen. De snelle verspreiding van zijne leerstellingen verontrustte de Perzische regeering, die hem gevangen nam en in Juli 1850 te Tabriz fusilleerde. Ook de volgelingen van Bab, voor zoover zij bekend waren, werden gevangen genomen en gedood.

De leer van Bab was heel eenvoudig. God is eenig; hij zendt van tijd tot tijd een profeet op de wereld, die juist zooveel van de Waarheid brengt aan de menschheid, als de menschheid in staat is op dat oogenblik te verdragen, te begrijpen is misschien een beter woord. Zoo kwamen Boeddha, Mozes, Jezus en nu Bab. Boeddha en Mozes vonden de menschheid in de zuigelingsperiode, Jezus kwam, toen de menschheid in de kinderjaren was en Bab vond de menschheid in volwassen leeftijd. Vandaar, dat zijne leerstellingen verder kunnen gaan dan die van Jezus, de menschheid kan nu beter begrijpen, grooter daden verrichten. Bab wees 18 volgelingen als discipelen aan, waaronder eene vrouw, Kurru-t’ul-Ayn, die een beroemde Perzische dichteres en zeer schoon was. Deze vrouw, bij het Perzische volk zeer geliefd om haar groote goedheid en groote zeggingskracht in hare werken, werd na den dood van Bab letterlijk ter dood gemarteld. Met deze 18 discipelen tot hulp werden de leerstellingen van Bab geboekstaafd.

Onder de volgelingen van Bab was een jong Perzisch edelman, die in Teheran woonde en daar als gevolg zijner weldaden den “Vader der Armen” werd genoemd. Zijn naam was Béha-ullah en hij werd beschouwd als de Meester, waarvan Bab in zijne geschriften gewaagde, die komen zou om zijne leerstellingen te verbreiden. Het zou mij te ver voeren, als ik al de vervolgingen waaraan Béha-ullah van de zijde der regeering blootstond, en al de vernederingen, die men hem aandeed, hier zou mededeelen; zij doen heel veel denken aan alles, wat de eerste volgelingen van een nieuw geloof steeds hebben ondervonden. Niettegenstaande dit alles bleef hij tot 28 Mei 1892 in leven, toen hij als gevangene op 75-jarigen leeftijd stierf te Akka, een plaatsje in de nabijheid van den berg Karmel, den berg van zoo groote Bijbelsche beteekenis. Vóór zijn dood schreef hij, dat zijne volgelingen, die in Turkije tot tienduizenden zijn aangegroeid, zijn oudsten zoon, Abdul Béha, moesten volgen, dat hij “de Grootste Tak” was, die het werk op aarde zou vervolgen en tot grooter ontwikkeling brengen.

Deze zoon, die reeds met zijn vader verbanning, vervolging en gevangenschap had verduurd, werd nu weer het mikpunt der regeering, totdat, nu bijna vier jaren geleden, de nieuwe Turksche regeering, in 1908, hem in vrijheid stelde. Sedert heeft de thans 67-jarige mooie grijsaard herhaaldelijk Amerika en in den laatsten tijd ook Engeland en Frankrijk bezocht. In Amerika maakte hij duizenden volgelingen, vooral in Chicago, den grond, waarop blijkbaar alle nieuwe godsdienstige uitingen zoo welig vrucht leveren. Maar ook in Engeland en in Frankrijk heeft hij, vooral onder de intelligente (of die daarvoor in den regel doorgaan) menschen reeds vele aanhangers gevonden.

Wat bevatten de leerstellingen van Béha, wat beoogt deze godsdienst? vroeg ik. Uit de antwoorden, die ik kreeg, en uit hetgeen men er mij over te lezen gaf, zou ik concludeeren, dat de kern er van een soort geestelijk socialisme is, een streng doorgevoerd humanisme. Rondom die kern zit voor mij nog te veel mysticisme en wordt er nog te veel waarde gehecht aan het bidden. Overigens kent het Béhaïsme geen priesterdom, de wekelijksche bijeenkomsten worden geleid door een of ander uit de aanwezigen, soms daarvoor de week te voren reeds aangewezen. Zelfontwikkeling en daarmede ontwikkeling van anderen en philantropie in den goeden vorm, maken de hoofdzaak uit van de handelingen der Béhaïs, die ik hier ontmoette. Op mijn vraag, of men in Holland reeds volgelingen had, werd mij gezegd, dat er misschien eenigen in Leiden voorkomen, maar dat in Holland nog nooit een poging gedaan is om openlijk volgelingen te kweeken.

De Béhaïs durven nog niet openlijk voor hun geloof uitkomen, ten minste niet in Turkije, waar zij aan zoovele vervolgingen hebben blootgestaan en waar zij zich volstrekt nog niet veilig gevoelen. Zij zeggen nog een woord, waaraan zij elkander kunnen kennen, of zij dragen een herkenningsteeken in den vorm van een ring, een zeker soort doek- of dasspeld, of een of andere kleinigheid aan horlogeketting. In Amerika en in de Europeesche landen zijn zij minder bang voor vervolging, maar meenen zij ook daar eerst meer volgelingen te moeten kweeken, alvorens zij openlijk getuigen. Dit laatste valt heelemaal niet in mijn geest, maar ik durf hen niet veroordeelen, nadat ik vernam, hoeveel zij te lijden hebben gehad en dat niet alle volgelingen sterke naturen zijn, en maatschappelijk onafhankelijk genoeg, om de verdrukking te kunnen doorstaan.

Dat het Béhaïsme zoovele aanhangers vindt onder de Mohammedaansche vrouwen, is te begrijpen. In de voorschriften toch is ook opgenomen: volkomen gelijkstelling der seksen en wordt er aan het onderricht der meisjes, de toekomstige vrouwen en moeders, groote waarde gehecht. De Mohammedaansche vrouwen hopen door dezen godsdienst groote verbeteringen in haar lot te verkrijgen, van den door haar zoo gehaten sluier verlost te worden en hare harems te mogen verlaten. Een harem beteekent hier niet datgene, wat wij gewoon zijn er onder te verstaan. Een man, die streng monogaam leeft, heeft in zijn woning toch een harem. Harem beteekent niets anders hier dan dat gedeelte van het huis, waarin alleen de vrouwen van het gezin vertoeven en waarin een vreemde man, een, die niet tot het gezin behoort, nooit zijn voet zet. De vrouwen van het gezin in een monogaam huwelijk zijn de moeder van den man, zijne echtgenoote, dochters, indien die er zijn, en vrouwelijke bedienden. Binnen de grenzen van den harem gaan de vrouwen ongesluierd en dragen Europeesche kleederen.

III.

Een geheelen dag bracht ik door in de Egyptische medische school, in de universiteit, waar de Egyptische jonge mannen tot medecinae doctores worden opgeleid. Zij is verbonden aan een zeer groot gouvernementshospitaal, wordt geheel door Egyptisch geld onderhouden, maar staat overigens geheel onder leiding van Engelsche krachten. De directeur van het hospitaal, die tegelijkertijd aan het hoofd der universiteit staat, is een Brit. Al de hoofdverpleegsters uit het hospitaal zijn zusters uit Groot-Brittannië en vele professoren en leeraren komen ook van daar. Er zijn een paar Duitsche professoren, een Fransche, een Deen en een uit Turkije. Alle lessen worden in het Engelsch gegeven en zoo sterk regeert Engeland hier, dat de directeur, dr. Keatinge, mij zeide, dat lord Kitchener reeds de 300.000 pond had toegestaan, die noodig zijn om een nieuw hospitaal te bouwen. Op mijn vraag of dit geld dan uit Engeland moest komen voor deze zuiver Egyptische instelling, ontving ik ten antwoord: “O, neen, het Turksche gouvernement heeft het te geven, maar lord Kitchener kan het verzoeken dat te doen.” Een nieuw gebouw is zeer zeker geen weelde, het hospitaal is nu geplaatst in een oud kasteel, dat later voor kazerne dienst deed, door Napoleon voor hospitaal werd ingericht en sedert als zoodanig dienst doet. Het voldoet in geen enkel opzicht meer aan de eischen, die men thans aan een hospitaal mag stellen. Toch hebben de Engelsche doktoren en verpleegsters er van gemaakt wat er van te maken is, zoodat de patiënten tenminste overal genoeg frissche lucht, licht en zindelijkheid vinden, maar voor comfort van de arme zieken, voor comfort van doktoren en verpleegsters is niets aanwezig en ook aan onze tegenwoordige begrippen van hygiëne beantwoordt het gebouw in ’t geheel niet.

Niet alleen worden hier de studenten tot medische doktoren opgeleid, maar aan deze instelling is ook verbonden, de opleiding van verpleegsters en vroedvrouwen. Een allerdwaaste combinatie, die tot heel veel misstanden en immoreele verhoudingen aanleiding geeft en die door alle aan deze instelling verbonden leeraren, doktoren en verpleegsters om het zeerst wordt afgekeurd. De meisjes die hier worden opgeleid tot toekomstige verpleegsters en vroedvrouwen, moeten in het land voorzien in de behoefte der Mohammedaansche vrouwen aan medische hulp, vooral bij verlossingen. Een Mohammedaansche vrouw laat geen mannelijke dokter aan haar kraambed komen, zelfs niet in de allerzwaarste gevallen. Zij worden dan door oude vrouwen bijgestaan en maar al te dikwijls is een zeer pijnlijke dood het einde van een kraambed. Door de opleiding van deze vroedvrouwen hoopt de regeering de vrouwen uit het volk in dezen ter hulp te komen. Dat zou wel goed zijn, als die meisjes een zekere ontwikkeling bezaten, een bepaalden leeftijd moesten bezitten, vóór zij tot deze studie konden worden toegelaten en indien zij gekozen konden worden uit een moreel hoog staande klasse. Dat alles is hier niet het geval. Meisjes van 12, 13 en 14 jaar, ouderen zijn uitzondering, die niet lezen en schrijven kunnen, die niet uit toewijding, maar omdat zij geen tehuis hebben, zich voor dit doel in het hospitaal laten opnemen, komen hier, om in drie of vier jaar tijd als verpleegster en vroedvrouw het hospitaal te verlaten en hebben dan het recht, niet alleen in de gewone gevallen haar assistentie te verleenen, maar zelfs de forceps te gebruiken en keeringen te verrichten. Bovendien is de soort waaruit deze vrouwen gerecruteerd worden van dien aard, dat zij maar al te dikwijls prostitutie als bijvak uitoefenen, of de gezinnen waarin zij hulp verleenen, zeer immoreel beïnvloeden.

Deze menschen zijn in den regel kinderen, die reeds vroeg door hun vader aan een of ander man tot echtgenoot zijn gegeven of verkocht en die, na eenige weken huwelijksleven door den echtgenoot weer naar huis worden gezonden, alleen en dikwijls om geen andere reden, dan dat hij er genoeg van heeft. Neemt de vader haar niet weder in huis op, dan blijft er voor haar niets anders over, dan op straat een minder eerbaar leven te leiden of naar het hospitaal te gaan. Ook als een vrouw door haar man gedivorceerd wordt, dan behoudt hij de jongens, doch de meisjes worden met de moeder weggestuurd en daarvoor behoeft hij haar voor onderhoud niets te betalen. Zoodra zulke meisjes den 12-jarigen leeftijd bereikt hebben, stuurt de moeder haar dochter naar het hospitaal, om haar ten minste eten en onderdak te bezorgen. Nu worden wel alle mogelijke voorzorgen door doktoren en hoofdverpleegsters genomen, om deze meisjes, dertig in getal (meer kunnen er terzelfder tijd niet worden aangenomen) van de driehonderd studenten te scheiden, maar het menschelijk vernuft is scherp, vooral in zulke omstandigheden, en men weet maar al te goed, dat deze meisjes, zoo pas uit de afzondering van de harems in vrijheid gekomen, deze vrijheid niet beter weten te gebruiken, dan op de een of andere wijze één of meer van de jonge studeerende mannen aan zich te binden. Moeten zij bevallen en hebben zij het geluk een jongen het leven te geven, dan is de vader van het knaapje, eo ipso, met de moeder gehuwd, heeft voor haar en het kind te zorgen en het kind draagt zijn naam. Hij kan haar dan wel na een week weder wegsturen, maar het kind blijft het zijne. Tot de jongen zeven jaar oud is, moet hij de moeder wekelijks een som geven, tot onderhoud van het kind en zoodra het zeven jaar is, kan hij het tot zich nemen of voortgaan de moeder voor het onderhoud te betalen. Bevalt zij echter van een meisje, dan bestaat er tusschen haar en den verwekker van het kind geen verband en behoeft hij zich van het geheele geval niets aan te trekken.

Dat ook de omstandigheid, om zulke jonge meisjes op de ziekenzalen reeds allerlei soort werk te laten verrichten en haar bij verlossingen te laten assisteeren, haar te laten onderrichten door mannelijke doktoren in alles wat met het sexueele leven in verband staat, op velen geen goeden invloed uitoefent, is te begrijpen. Men moet deze meisjes niet met de onze vergelijken; zij zijn van te voren in groote afzondering van de mannenwereld grootgebracht; ’t sexueele leven, zoo ’t kan in ’t huwelijk, is haar voorgesteld, als de eenige bron, waaruit en waardoor alles moet komen, wat zij voor levensonderhoud en misschien een beetje levensgeluk, noodig hebben. Daarop zijn al haar gedachten, al haar handelingen geconcentreerd en dit heeft bij haar natuurlijk een soort broeikast-ontwikkeling in deze sfeer ten gevolge gehad. Een der doktoren zeide mij dan ook, “men veronderstelt, dat wij jaarlijks een dertigtal vroedvrouwen afleveren, maar eerlijk gezegd, leveren wij voor twee-derde van dit aantal prostituees af!”

De studenten, die later doktoren hopen te worden, hebben een vierjaarlijksche opleiding. Het eerste jaar in hoofdzaak anatomie en physiologie en de twee laatste jaren aan het ziekbed. Dan kunnen zij hun eindexamen afleggen en zijn gerechtigd de geheele medische praktijk uit te oefenen. Een groot aantal echter gaat tot completeering van hun studie alsdan naar Parijs, Londen, Weenen, Berlijn of Amerika en vestigt zich later als specialiteit in een of ander onderdeel der medische wetenschap.

De studie is hier zeer goedkoop. Boeken, microscopen en alle andere studiebenoodigdheden worden door de universiteit verstrekt; die niets betalen kan, betaalt ook geen studiegeld en voor de anderen is het 15 pond jaarlijks. Verder kunnen de studenten hier zeer goedkoop leven, zoodat slechts weinigen om financieele redenen van de studie in de medicijnen zijn uitgesloten. Toch bestaat het meerendeel der medische studenten uit jonge mannen uit de gegoede kringen.

Het pathologisch anatomisch laboratorium van deze universiteit verschilt van vele andere, omdat het zoovele exemplaren bevat uit den voor-historischen tijd. Ik zag er schedels en beenderen, zelfs intacte inwendige organen, die toebehoord hebben aan menschen van drie- en vierduizend jaren vóór de Christelijke jaartelling. Hoewel de mummies alle ontdaan zijn van hunne inwendige organen, is toch bij vele een deel van de genitaalorganen mede gemummificeerd en in de sarcophaag nedergelegd. Hiervan waren eenige zeer goed gebleven exemplaren in het laboratorium aanwezig.

Ook zag ik er de mummie van een man, die ongetwijfeld aan tuberculose gestorven moet zijn en bij wien de opgedroogde tubercelbacillen onweerspreekbaar gevonden zijn. Deze man was 3600 jaren vóór onze jaartelling gestorven. Ook is het duidelijk, dat kanker in dien tijd reeds voorkwam, ook daarvan waren enkele gevallen aanwezig. De syphilisbaccil, waarnaar zoo geregeld gezocht wordt, werd tot dusverre nog niet gevonden. Hieruit kan men natuurlijk nog niet vaststellen, dat deze ziekte bij de oude Egyptenaren niet voorkwam. Ik durf niet door gaan met het opsommen van alles wat ik hier voor merkwaardigs zag, dit deel van mijn brief zou dan voor vele lezers ongenietbaar worden. Zelden was ik in een inrichting van onderwijs, waar professoren en leeraren zich zooveel moeite geven om den leergierigen bezoeker zoo ten volle op de hoogte te stellen en zij deden dit op zulk een aangename, gentleman-like wijze, dat zij nog den indruk verwekten, alsof het voor hen een aangename taak was.

IV.

O, wat vliegen ze voorbij, de dagen in Caïro, ik zou ze zoo graag willen vasthouden of althans hun vlucht temperen. Als ik er aan denk, dat ik overmorgen Caïro moet verlaten, om de boot te halen, die mij naar een ander land brengt, dan stemt mij dat weemoedig. Ik had dat niet gedacht, toen ik in den aanvang hier kwam; alles maakte toen zoo’n nuchteren indruk op mij, maar met den dag heb ik de stad en hare omgeving meer leeren liefhebben, heb ik er al het mooie meer van leeren waardeeren. Met de geheele stad gaat het als met de woestijn. Als men die voor het eerst ziet, dan ziet men niets dan een onmetelijke witte zandvlakte, waarvan het witte glinsterende zand de oogen pijnlijk aandoet en dan lijkt zij niets als een eenvormige, levenlooze, eindelooze vlakte te zijn. Maar langzamerhand begint men de woestijn mooi te vinden, keert men er telkens naar terug en zou men er dagen in kunnen zitten mijmeren, voelt men zich onwillekeurig verplaatst en wekt het historische feiten in ons op, uit Egyptische dagen van voorheen.

Mijn langer verblijf dan ik gewoon ben, in dezelfde stad, heeft mij ook in aanraking gebracht met meer personen, van wier leven en werken ik zoo graag meer zou leeren kennen en waarvan enkelen vrienden zijn geworden, die ik o zoo ongaarne reeds zoo spoedig weder verlaat. Van die allen en dat alles zou ik zeker tal van brieven kunnen vullen, maar daarvoor ontbreekt mij de tijd. Toch wil ik van enkele zaken en over enkele personen hier nog wat zeggen, alvorens ik Caïro voor goed den rug toekeer. Maar waar te beginnen? Laat mij aanvangen met te vertellen, hoe hier, even buiten de stad, op ongeveer een half uur afstand met een automobiel, midden in de woestijn een nieuwe stad begint te verrijzen, een stad van louter paleizen, Europeesche paleizen, eenige honderden staan er reeds, met een heel groot Europeesch hotel in het midden en dat die stad Heliopolis heet en uit Belgische beurzen wordt bekostigd. Zij ligt in de nabijheid van de ruïnen van het eens zoo bekende oude Heliopolis, de oudste stad van Egypte, waar de koningen gekroond werden en waar de geestelijkheid eene bijzondere vermaardheid bezat.

Maar de nieuwe stad Heliopolis heeft niets met de oude stad gemeen, die zal niet door oude priesters bewoond en er zullen geen koningen gekroond worden, alhoewel de Khedive er vlak bij zijn winterpaleis heeft, maar zij zal door Amerikaansche en Europeesche kapitalisten bevolkt moeten worden, door menschen met volle beurzen en ziekelijke lichamen, die hier gedurende de wintermaanden zich willen koesteren in de felle zon en door de groote droogte van de atmosfeer hopen verlost te worden van rheumatische aandoeningen. Of er bij de vele en verschillende gelegenheden in Egypte waarheen de menschen om dezelfde reden en met hetzelfde succes kunnen vertoeven aan een zoo groote stad van paleizen behoefte is, of dat het weldra zal blijken, dat de Belgische maatschappij, die hier met Belgisch geld werkt, groote financieele verliezen zal lijden, zal de toekomst leeren; dit jaar wordt door allen, die daarvan moeten leven, ontzaglijk geklaagd, omdat de vreemdelingen, uit vrees voor den oorlog, dit jaar op zich laten wachten. De groote hotels in Caïro zijn nog niet ten halve gevuld.

Als men zich hier op een mooien, zonnigen dag een uurtje in den namiddag op het terras voor het hotel nederzet, en zooals de term luidt, “Caïro aan zich laat voorbijtrekken”, dan ziet men inderdaad zooveel merkwaardigs, dat men gerust nu en dan thuis kan blijven, buiten kan gaan zitten, en dan toch een groote hoeveelheid indrukken te verwerken krijgt. Ik zag deze week op een middag, de gewone voorbijgangers,—Egyptenaren in hunne lange, mooi-kleurige kleeding, ezeltjes met hunne menschenvracht, kameelen met suikerriet, graanzakken of iets anders beladen, kooplieden met Egyptische shawls, Perzische tapijten, borduurwerk, prentbriefkaarten, gekleurde koralen en vooral de scarabeeën niet te vergeten, en nog zoovele andere zaken, te veel om op te noemen, niet medegerekend,—eerst een begrafenis voorbij trekken met de gebeden-zingende mannen voorop en het lijk gevolgd door gesluierde vrouwen. Het lijk, in het midden, wordt gedragen door eenige mannen, die behangen zijn met de attributen of eenige kostbaarheden van den doode. Zoo’n lijkstoet ziet men hier elk oogenblik van den dag, vooral van kinderlijkjes. De kindersterfte is hier ontzaglijk groot; een kinderarts vertelde mij, dat in Egypte de kindersterfte grooter is dan ergens elders op de wereld. Daar wordt van regeeringswege nog zeer weinig tegen gedaan, doch van particuliere zijde is men in de laatste jaren bezig om te trachten hierin verbetering te brengen. Men heeft op verschillende punten van de stad, in de armenwijken, kinderklinieken opgericht, waar de moeders met de zieke kindertjes komen; aan één er van is zelfs een klein hospitaal verbonden, waar de heel ernstige patiëntjes kunnen worden opgenomen. Een Egyptische moeder is er echter zeer moeilijk toe te brengen, haar kind in een ziekenhuis achter te laten; daardoor is dan ook dat hospitaaltje slechts zeer dun bevolkt en bevat bijna alleen kindertjes, waarvan de moeder dood is, of verlaten door haar man en familie. Ik zag eenige van deze inrichtingen, die alle door giften in stand moeten worden gehouden en die, als alle zuiver philantropische instellingen, tal van gebreken hebben.

Verder zag ik een bruiloftstoet voorbij trekken. Eerst een troep bont gekleede muzikanten, waarvan de trommelslager het hardst werkte en het verantwoordelijkste deel voor zijne rekening had. Daarachter liepen twee mooi versierde kameelen, elk bevracht met minstens een half dozijn bont toegetakelde kinderen. Dan weder twee even mooie kameelen, die een sedan-chair, een soort draagstoel, tusschen zich hadden, waarin het jonge in rose zijde gekleede bruidje met twee familieleden, waarschijnlijk de beide moeders gezeten waren en daarachter eenige open rijtuigen, ook bont gesmukt, met familieleden of gasten.

Er was dien middag meer te zien. Plotseling verschenen twee, in wit satijn, rijk met goud geborduurd, gekleede mannen; uit hun gekleurde hoofddoek hing achter op den rug een lange staart, ofschoon het geen Chineezen waren. Zij vlogen voor een rijtuig aan en schreeuwden iets in ’t Arabisch, wat beteekent “maak ruimte” of “ga uit den weg”.

In het open rijtuig, dat hen op die hielen volgde, zaten twee in gekleede jas en hoogen hoed gekleede heeren; naast den koetsier op den bok zat een palfrenier in een steenrood, rijk met goud geborduurd kostuum. Het rijtuig hield vlak voor het hotel stil, de heeren stapten uit en brachten een kort bezoek aan een voornaam Engelschman in ons hotel. Een der heeren, die op die wijze door Caïro’s straten reed, was lord Kitchener. Wel een hemelsbreed verschil bij de eenvoudige wijze, waarop de Khedive voorbij gaat. Als ik er niet door den portier van ’t hotel opmerkzaam op was gemaakt, dan zou ik in den eenvoudig voorbij rijdenden man nooit een der grooten op aarde gezocht hebben. Ook de vrouwen van den Khedive, hij heeft er twee, en de verschillende prinsessen maken niet zoo’n drukte als zij uitrijden. Ik zag twee prinsessen in een mooie automobiel. Zij droegen Europeesche kleeding, een ronde, vilten hoed, waaromheen losjes een witte sluier lag, die even lichtelijk ook de mond bedekte; dat was de wijze, waarop deze dames het gesluierd gaan opvatten.

Van een merkwaardig bezoek wil ik nog iets mededeelen. Ik maakte er verscheidene, maar ’t is onmogelijk om van die alle te gewagen. Dit eene bezoek zal ik echter nooit vergeten. Een Engelsche dame, die in Britsch-Indië is groot gebracht, zich daar zeer voor den godsdienst der Hindoe’s interesseerde, later naar Perzië trok om een meisjesschool te stichten, met geen ander doel, dan de Perzische vrouwen te helpen zich te emancipeeren, later naar Caïro kwam, toen zij haar school in Perzië in goede handen kon achterlaten, en daar nu een soort kinderschool heeft, eene vrouw met groote zeggingskracht en vol van mooie hervormingsideeën, had Mrs. Catt en mij uitgenoodigd een middag bij haar te komen om eenige heeren, hervormers op theologisch gebied, te ontmoeten. Wij begrepen niet, waarom wij deze uitnoodiging kregen, maar deze vrouw hadden wij leeren kennen als iemand, die een hernieuwd bezoek ten volle waard was en wij begrepen ook, dat wij bij haar bepaald belangrijke personen zouden ontmoeten.

Toen wij er kwamen, zagen wij er, als de meest opvallende, een klein, fijn, zwart mannetje, met gitzwarte, zijdeachtige, lange haren, die hem over de schouders hingen; oogjes, die in schittering concurreerden met de diamantjes in z’n ooren; gekleed in ’n lang, laat mij zeggen, kemelsharen kleed en met bloote voeten in sandalen. Hij werd ons voorgesteld als Shree Shyama Swarma Balyogi, zooals ik later op zijn naamkaartje zag, als een Hindoe-filosoof. Op zijn naamkaartje stond zeer bescheiden: “Great Student of Vedant Philosophy”. Hij kwam van Vaso, in de nabijheid van Bombay, Britsch-Indië. Laat mij er direct aan toevoegen, dat hij op weg is naar Parijs en Londen, alwaar hij eenige filosophen op theologisch gebied gaat bezoeken. Daarna gaat hij naar Amerika, om Edison te interesseeren voor een electrisch apparaat, waarvoor hij de gegevens heeft geput uit de Veda. Als dat toestel tot stand komt dan zal de geheele medische diagnostiek en therapie onderst boven worden gekeerd. Wat ik er evenwel dien middag van vernam maakte op mij meer den indruk een hocus pocus te zijn dan een ernstige hervorming van hetgeen het beoogt. Dit was echter slechts een bijzaak. Daarvoor waren die mannen niet bijeengekomen; zij hadden andere zaken te bespreken.

De tweede en mijns inziens de belangrijkste van de bezoekers was een Sheik, een trouw Mohammedaan. Hij is echter een hervormer van zijn godsdienst. Hij wil aan het vele bidden der Mohammedanen, vijf maal daags en nog al lang, een einde maken en tevens het afzonderen der vrouwen trachten tegen te gaan. Hij is een man, die in den smaak valt van den tegenwoordigen Khedive, die zeer liberaal en hervormingsgezind is, die hem dan ook heeft aangesteld als Universeel prediker en die hem uit eigen fondsen salarieert. Aly El-Girbi, zooals zijn naam is en in ’t Arabisch op zijn visitekaartje prijkt, heeft geen vaste moskee waarin hij predikt, hij reist door het geheele land, predikt in alle moskeeën en trekt overal tal van hoorders. Hij richt zich vooral tot de vrouwen, vraagt hen vooral onder zijn gehoor te komen en—naar men mij mededeelde—boeit hij zijne hoorders soms vijf uur lang achtereen. Hij is bijzonder welbespraakt en poëtisch en zijne weinige doch veelzeggende handgebaren geven zijne woorden een bijzondere kracht. Hij zeide tot ons, dat de lage stand van ontwikkeling der tegenwoordige Egyptenaren verklaard moest worden uit de slaafsche positie waarin de Egyptische vrouwen verkeeren. Uit zulke moeders konden geen groote mannen geboren worden. Alsof hij Perkins Gilman of Olive Schreiner gelezen had!

Verder was er een man uit Perzië, die in Teheran een soort filosofische school schijnt te hebben, een Turk, die zich met de filosofie der godsdiensten bemoeit, en twee heeren uit Caïro, die Béhaïsten zijn. Het geheele onderhoud van deze heeren kwam daarop neer, dat zij de verschillende godsdienstvormen in overeenstemming trachten te brengen met de eischen van den tijdgeest; het kwam mij voor, dat zij het er allen gloeiend over eens waren, dat de opheffing der volkeren alleen kan tot stand komen door de vrouwen een grooter aandeel te geven in ’t maatschappelijk en later ook staatkundig leven. Van den Sheik ontvingen Mrs. Catt en ik een bijzonder hartelijken handdruk en den dank voor ’t geen wij trachten te doen voor de vrouwen. Het was een allermerkwaardigste middag die wij in dat gezelschap doorbrachten.

Hedenochtend was ik getuige van eene ceremonie, zooals hier elk jaar ongeveer om dezen tijd plaats vindt, ’t Was de ceremonie van “het heilige tapijt”. Elk jaar zendt de Egyptische regeering een nieuw prachtig met goud en zilver geborduurd tapijt naar Mekka; het oude, dat daar een jaar gebruikt is, wordt dan weder teruggenomen en is dan door het gebruik in Mekka, heilig geworden. Door 200 à 300 soldaten, meestal vrijwilligers, wordt het nieuwe kleed gebracht en het oude mede terug genomen. Het kleed, dat zeer zwaar is, wordt door één kameel gedragen; het ligt onder een baldakijn, in den vorm van eene moskee, van rood fluweel met zilver en goud geborduurd. De kameel, die dit heilig stuk draagt, wordt ook met bijzondere vereering beschouwd en behandeld. Het beest bezit een koninklijke stal, wordt op bijzondere wijze gevoed en doet het heele jaar geen werk. Zijn eenig levensdoel is jaarlijks de kostbare last naar Mekka te dragen en de nog kostbaarder mede terug te nemen.

Om acht uur vanochtend stonden wij reeds in ons rijtuig, dat een goede plaats vooraan in de file had gekregen, om alle toebereidselen te zien voor de ontvangst van het heilige tapijt, dat om tien uur verwacht werd. Wij stonden vlak vóór het gebouw waar het in ontvangst zou worden genomen. Evenals in een opera defileerde in goede volgorde telkens iets anders ons voorbij. Nauwelijks waren wij aangekomen, toen een regiment artillerie met kleine kanonnen op muilezels geladen, alle militairen in groot uniform, met hun muziekcorps voorbij trok en op eenigen afstand zich opstelde. Kort daarna infanteristen, marcheerende op de marsch uit de opera Carmen, dan cavalleristen, groepen van hen op prachtige witte schimmels, een andere groep op goudvossen, weer een andere op kastanjebruine paarden, allen van het echte Syrische ras. Lange rijen infanteristen achter groene vaandels volgden: dat waren de militairen die dit jaar of vroegere jaren in Mekka waren geweest. Al die militairen werden opgesteld op eene groote vlakte, tegenover het officiëele gebouw, waar het heilige tapijt gebracht zou worden.

Onderwijl kwamen in automobielen, in open rijtuigen of gesloten rijtuigen, met of zonder voorrenners, alle officiëele personen uit Caïro in groot tenue aanrijden en stapten in het bedoelde gebouw af. Het is de Khedive, die in hoogst eigen persoon dit tapijt in ontvangst dient te nemen; hij had evenwel dit jaar dezen post aan zijn jongeren broeder afgestaan. Al die officiëele personen, eenige honderden in getal, waren in het gebouw, maar ook buiten verzamelde zich intusschen een onafzienbare massa, die uit nieuwsgierigheid of uit toewijding naar dit schouwspel gedreven werd. De nieuwsgierigen waren de duizenden vreemdelingen, die op het oogenblik in Caïro vertoeven; de Mohammedanen kwamen uit zuivere devotie. Er waren drie groote afgesloten ruimten, waar de auto’s en rijtuigen met hunne inzittenden een plaats kregen en die allen een even goed en vrij gezicht op het schouwspel hadden. De eerste was afgezonderd voor de familieleden van den Khedive, die in groot aantal aanwezig waren. De tweede was voor de familieleden der officiëele personen, de verschillende consuls en hooge militairen. De derde ruimte was voor de vreemdelingen.

Klokslag tien uur arriveerde de karavaan. Zoodra zij in het gezicht kwam werd het heilige kleed met 21 kanonschoten begroet en waar het voorbij de militairen trok, presenteerden dezen het geweer of maakten hun militair saluut. De kameel, die de heilige last droeg, was geheel met goudwerk en roode franjes behangen; het verhief zijn kop nog hooger dan die beesten gewoon zijn te doen, alsof het zich van zijne waardigheid bewust was. Het werd gevolgd door zeven andere met rood fluweel behangen kameelen en op elk zat een eerbiedwaardige pelgrim, die zachte tonen uit een fluit te voorschijn bracht, om het heilige beest te amuseeren.

Zeven keer wandelde deze stoet in de ruimte rond, telkens door de militairen en nu ook door de Sheiks, de Pasja’s, de koninklijke familie en alle officiëele personen, allen nu naar buiten gekomen, eerbiedig gegroet. Daarna overhandigde de broeder van den Khedive den eersten begeleider een sleutel en alles verdween in het gebouw, waar het tapijt voorloopig ondergebracht werd. Weder 21 kanonschoten om het uitgeleide te doen.

Dit tapijt blijft nu twee maanden aldaar en wordt in dien tijd door alle geestelijken en fanatieken aangebeden; daarna wordt ’t in vele stukken gesneden, die verschillende moskeeën ten deel vallen om op de daarin aanwezige heilige graftomben gelegd te worden. Men verteld, dat dit grapje het land elk jaar twaalf millioen gulden zou kosten! Vóór ik alles had gezien kon ik dat niet gelooven; nu ben ik er zeker van, dat die som niet overdreven is. Wat zou dat geld hier in het land nuttiger besteed kunnen worden, indien het b.v. voor oprichting en in-stand-houding van goede scholen werd gebruikt.

Het was vandaag prachtig weder, de zon scheen reeds vroeg; toen ik dit in het rijtuig staande opmerkte, zeide onmiddellijk een Mohammedaansche koetsier: “Maar natuurlijk, mevrouw; dat is altijd zoo; wanneer het heilige tapijt in Caïro komt, laat God de zon schijnen!” Ik dacht aan onze Oranjezon, die zich echter wel eens een enkele keer achter een wolk verschuilt.

Nu alles is afgeloopen, weet ik niet, wat diepere impressie op mij maakte, het gezicht van die mooie, vroolijke, veelkleurige vertooning, of de groote orde die er onder die tienduizenden heerschte en het kalme en vriendelijke optreden van de politie. Behalve de kanonschoten en de militaire muziek, werd geen enkele luide toon gehoord; de bevelen van de politie gingen meer door een vriendelijk handgebaar dan door verheffing van stem. Na afloop vertrok geen rijtuig van zijn plaats vóórdat de politie het sein gegeven had en allen bleven achter elkaar rijden.


P.S. Van bevriende zijde worden mij twee uitknipsels uit “De Telegraaf” toegezonden, op welks inhoud ik hier even wil terugkomen.

Het eerste is onderteekend door twee artsen uit Transvaal en heeft de strekking te doen uitkomen, dat mijne opvatting over de behandeling der inboorlingen in Zuid-Afrika niet de juiste is. De inhoud van dat ingezonden artikel verwondert mij niet; ik zal in vele Zuid-Afrikaansche bladen over mijne geuite meening in dezen wel meer en sterker gecritiseerd worden. Uit gesprekken, die ik daarover in Zuid-Afrika met vele Afrikaners en Britten hield, is het mij heel goed bekend, dat de groote meerderheid der bevolking mijne gevoelens in dezen niet deelt. Hoe kan het ook anders. Sympathiseerde de meerderheid der bevolking in dezen met mij, dan zou de behandeling der kleurlingen eene andere zijn en dan had ik daarover anders geschreven. Betreffende dit eene punt, minachting voor den kleurling, hem te beschouwen louter als goedkoope arbeidskracht, harmonieeren Britten en Afrikaners meesterlijk. Dat niet de heele bevolking van Zuid-Afrika zoo verkeerd denkt over den Kaffer en deze kleurlingen warme vrienden bezitten in enkele toonaangevende kringen, daarvan ben ik ook zeker. Vooral in de Kaapkolonie vond ik voor mijne meening vele gelijkdenkenden en toen ik Olive Schreiner een bezoek bracht, ontdekte ik, dat ook zij in dezen mijne geestverwante is.

De oplossing van het kleurlingen-vraagstuk zal in Zuid-Afrika eene zeer moeilijke zijn, maar wil men eene rechtvaardige en wijze oplossing verkrijgen, dan moet men beginnen deze menschen met andere oogen te beschouwen, hun karakters te bestudeeren in de kraals, ik meen: zoolang zij nog onbesmet zijn door de aanraking met de Europeeërs, en hen in deze eigen omgeving eerst tot eene hoogere ontwikkeling brengen, zoodat zij beter bestand zijn tegen de gevolgen van verleiding, verkeerde behandeling en verkeerde voorbeelden der blanken.

Het tweede stuk is onderteekend door Zionist; deze maakt mij er een verwijt van, dat ik van het Zionisme in Palestina niet beter op de hoogte ben. Ik heb dat evenwel in een van mijne brieven erkend, eerst in Palestina trof mij den omvang van deze beweging. Mijn Baedeker, de laatste uitgave, zegt zoo goed als niets er van en onze dragoman, een Protestant, stelde er zeer weinig belang in en wist er niets van mede te deelen. Dat er geen Hirsch-vereeniging bestaat, maar dat uit de nalatenschap van Hirsch eene andere vereeniging geformeerd werd, was mij onbekend. Had ik met beslistheid geschreven, dat die kolonie boven Tiberias door de I. C. A. tot stand was gebracht, het verwijt van Zionist zou mij kunnen treffen; ik deed echter die vraag tusschen haakjes, omdat men mij in Jeruzalem had medegedeeld, dat de Zionisten nooit financieele voorschotten geven, doch dat, waar het noodig is, de Hirschvereeniging in dit opzicht helpt. Waren we niet zoo door Syrië gevlogen, had ik tijd gehad mij overal wat langer op te houden en nauwkeuriger informatiën te nemen, dan had ik met meer beslistheid ook over de bedoelde kolonie kunnen schrijven.

Dat de Zionisten een supplement op de Baedeker uitgeven, waarin over deze zaken uitvoerige inlichtingen worden verstrekt, is zeer goed gezien; laat mij hen echter in overweging geven, dit boekje in het Engelsch, in plaats van in het Duitsch te laten drukken, want tot nu toe bestaan de bezoekers van Palestina voor een overwegend groot deel uit Amerikanen en Engelschen. Duitsch sprekende toeristen zijn nog groote uitzonderingen.

Laten mijne lezers niet vergeten, dat ik mij in de verschillende landen niet lang genoeg ophoud om mij steeds van alle vraagstukken goed op de hoogte te stellen, dat ik ook van alles alleen mijne indrukken weergeef, en dat ik niet verwacht, ook niet verwachten kan en wil, dat elkeen het met mijne opvatting eens is.