Aan boord van de “Prinses Juliana”.

Wij waren reeds vroeg op, den dag waarop wij Caïro verlieten, om ons naar Port-Said en aan boord van het schip te begeven, het schip, dat ons zou wegvoeren uit Egypte en in een ander werelddeel weder aan land zetten. Om zeven uur ’s morgens zou de trein vertrekken, doch om zes uur stonden wij reeds gereed, waren de koffers gepakt en wachtten wij op de mannen, die de vele stukken bagage naar beneden zouden brengen en die den dag tevoren waren aangewezen, om voor onze koffers te zorgen en ons veilig in den trein te brengen. Waren wij blijven wachten, dan stonden wij er misschien heden nog, want toen wij beneden in het hotel kwamen, lag er alles nog in diepe rust. Zelfs de mannen, aan wie de nachtwacht was toevertrouwd, lagen in de corridors op de dikke Smyrna-tapijten te snurken; de eenige wezens, die teekenen van leven gaven, waren een paar groote, dikke ratten, die door onze komst gestoord werden in een of andere belangrijke onderneming en toen ijlings de vlucht namen. Nadat wij genoeg menschen wakker en naar beneden getrommeld hadden, er een rijtuig voor ons gehaald was en wij aan het station waren uitgeladen, was er amper tijd voor onze reisbiljetten te zorgen, de bagage te laten inschrijven en plaats te nemen, voor de trein afreed.

Wij zouden nu nog in de 4½ uur, die wij noodig hadden, om naar Port Saïd te komen, gelegenheid krijgen, om in Egypte eene van die natuurverschijnselen te zien, waarvan wij wel veel gelezen hadden, doch dat wij nog niet hadden bijgewoond. Spoedig, nadat wij Caïro achter den rug hadden, begon de een of andere wind op te steken en langzamerhand zagen wij het woestijnzand steeds hooger stuiven, zagen wij de op den weg zich bevindende kameelen zich nederleggen en de opzittende of begeleidende mannen zich achter hen verschuilen, nam de lucht een grijsgrauwe tint aan, waar doorheen wij slechts op korten afstand konden zien en kwam het fijne stuifzand zelfs door onze goed afgesloten vensterraampjes onze oogen, neus en keel binnen dringen. Het was “a new experience”, zooals mijne reisgezellin goedmoedig opmerkte, maar geene aangename.

In Port Saïd bijna een uur te laat aangekomen, had deze zandstorm voor een fijnen, doordringenden regenstorm plaats gemaakt, die het aan boord gaan niet veraangenaamde. Doch—en nu heb ik in mij-zelf een eigenschap ontdekt, die ik mij niet bewust was te bezitten—ik gevoelde mij aangenaam aangedaan, toen ik daar, al was het dan ook in een hoekje van Afrika, mijn voet op Nederlandschen bodem zette; toen ik in eigen taal door tal van landgenooten begroet werd en toen ik in mijne hut gekomen vele pakjes van Hollandsche vrienden vond, alle de een of andere nationale bijzonderheid bevattende. Het waren Dordtsche speculaasjes, Haagsche beschuitjes, chocolade van Korff, Delftsche parfumerie, Haagsche hopjes, Deventer koek en Groninger molleboonen, die mij door goede feeën waren toegezonden en die mij nog lang zullen blijven vertellen, dat er ook in eigen land veel goeds is te vinden. Ik dacht een cosmopoliet te zijn, doch het nationaliteitsgevoel is sterker dan ik vermoedde. Dit gevoelde ik ook heel sterk, toen wij in onze hut kwamen en mijne Amerikaansche reisgenoote, die vele bootreizen in haar leven maakte en verschillende stoomvaartlijnen bij ondervinding kent, uitriep: “Ik heb nog nooit zoo’n gerieflijke en ruime hut op een boot gehad als deze.” ’t Is waar, in de hutten op de “Prinses Juliana” gevoelt men zich even comfortable als in een kamer in ’n hotel en de van alle kanten gemakkelijk te bereiken bad- en toiletkamers, waar een echte Hollandsche zindelijkheid heerscht, zijn niet alleen ruim en comfortable, maar zijn zelfs luxueus ingericht. De comfort op de “Prinses Juliana” laat in geen enkel opzicht te wenschen over.

Het werd bijna vier uur, toen wij Port Saïd uit en het kanaal van Suez binnenstoomden, zoodat wij het kanaal, dat ik nog gaarne eens weder had gezien, bij avond en nacht passeerden. Toen wij den volgenden morgen ontwaakten lag Suez reeds achter ons en waren wij in de Roode Zee. Nog één tamelijk koele dag en toen kwamen de passagiers reeds in hun witte pakken voor den dag, hadden de zwarte bedienden zich reeds van voor hun voeten niet bestemde schoenen ontdaan en hoorde men reeds enkele medepassagiers—en vooral de spelende kinderen—klagen, dat zij “puften van de warmte”. Zoo erg was het echter niet, maar de temperatuur was toch slechts enkele graden lager dan toen ik hier twee maanden geleden van de andere zijde doorvoer. Het schip is echter goed toegerust, om aan wat warmte te kunnen weerstand bieden. Niet alleen, dat overal in de salons en eetkamers en in alle hutten electrische waaiers koelte aanbrengen, maar bovendien zijn aan alle patrijspoorten windvangers aangebracht, die het beetje wind, dat wij genieten, opvangen en in de hut uitstorten. Het is dus best uit te houden.

In een ander opzicht onderscheidt deze boot zich nog van de meeste andere, waarop ik groote reizen maakte, een onderscheid, dat ik ten hoogste waardeer. Ze heeft n.l. geen muziekkorps aan boord, zoodat de passagiers niet ’s morgens en ’s middags en soms ook nog des avonds de hartverscheurende valsche tonen van een scheepsmuziekkorps te genieten krijgen. Hier is slechts een pianola-piano aan boord, die alleen nu en dan ons trommelvlies tracht te verscheuren en waarop op de meest ongelegen oogenblikken een zich muzikaal aangelegd voelend jongmensch zit te trommelen en volstrekt niet voelt, dat hij meerendeels mistast.

Elk patriotisch Nederlander kan op deze boot niet alleen trotsch zijn over de wijze, waarop onze stoomvaartmaatschappijen haar passagiers vervoeren, maar ook op de geaardheid en het gedrag zijner medepassagiers. Men gevoelt zich hier in deftig, Hollandsch gezelschap. Alles gaat even kalm en netjes zijn gang, geen luidruchtig geluid wordt gehoord, geen luidruchtige spelen gespeeld. Elkeen wandelt kalm over het dek of ligt op zijn rieten stoel een sigaartje te rooken en kringetjes te blazen, of leest ’n van huis medegebracht of uit de scheepsbibliotheek geleend boek. Enkelen zitten samen te keuvelen, even bedaard en even netjes, alsof wij bij ons in Holland op ’n buurtbezoek zijn. Een enkel clubje—en daartoe behoor ik—speelt ’s avonds een partijtje bridge, anderen zitten schaak of domino te spelen, maar van luidruchtige spelen als op de Engelsche booten gespeeld worden, waaraan alle passagiers meedoen, daarvan is hier geen sprake. Op deze boot zijn de Hollanders Hollanders: netjes, bedaard, verstandig, kalm. Ik verheug mij daarover en ben hartelijk blij op deze boot gelegenheid te hebben met mijne landgenooten eens weder een verstandig gesprek te kunnen voeren en successievelijk met al mijne medereizigers kennis te kunnen maken en hen van hun goede, oud-Hollandsche zijde te leeren kennen. “I like your people, especially as travel-companions”, zeide na eenige dagen dan ook mijn reisgezellin en dat streelde mijn ooren niet weinig.

Ik heb echter nog een voornaam punt vergeten te noemen, toen ik opsomde wat wij hier op deze boot dagelijks uitvoerden. Dat is vreemd, want het is iets, wat het grootste deel van onzen tijd in beslag neemt. Ik bedoel het eten en drinken, het deelnemen aan de maaltijden. Het lijkt wel, dat de Stoomvaart-Maatschappij “Nederland” zich verbeeldt tot taak te hebben, haar gasten een mestkuur te laten doormaken, om ze bestand te doen zijn tegen de nieuwe leefwijze, die hen aan het eind der reis wacht. De maaltijden zijn niet alleen overvloedig en goed, maar de verscheidenheid der gerechten is ook zoo goed en juist gekozen, dat men alleen met een ernstigen en vasten wil kan zorgdragen niet overvoed te worden. Als men niet onmiddellijk uit de overvolle menu’s een paar gerechten kiest, waarvan men zal gebruiken, en de anderen, zonder er naar te zien, laat passeeren, dan heeft men al heel spoedig den dokter noodig, die met wat bicarbonas sodae de maag te hulp moet komen.

Niet alleen in de Roode Zee was het warm; toen wij Aden achter den rug hadden en Kaap Gardefui voorbij gestoomd waren, bleek er wel wat meer wind te komen, doch was de temperatuur niet lager. Het was dan ook op heel bescheiden toon tot mij gericht, het verzoek, om “als de warmte het mij niet onmogelijk maakte”, een voordracht over vrouwenkiesrecht te houden. Aan dit verzoek, door 36 passagiers onderteekend, kon ik natuurlijk geen weerstand bieden. Als goede propagandiste voor de groote zaak, moest ik natuurlijk verheugd zijn—en dat was ik dan ook—, dat mij op zoo’n ongezochte wijze gelegenheid gegeven werd, dit onderwerp, zelfs op den Indischen Oceaan, te bespreken en met toestemming van den kapitein werd de 2e klasse eetsalon ingericht om als vergaderzaal te dienen. Ik dacht niet, dat de belangstelling in vrouwenkiesrecht onder mijn medepassagiers zóó groot was; op één enkele uitzondering na waren alle 1e en 2e klasse passagiers aanwezig, toen ik dien middag, om half vijf, het woord nam. Zóó groot was zelfs de belangstelling, dat wij om zes uur nog midden in het debat waren, toen de zaal ontruimd moest worden om weder voor eetsalon te worden ingericht. Om elf uur den volgenden morgen werd het debat voortgezet, en toen ik op het middaguur eindigde, werd door vele Engelsch sprekende medepassagiers onmiddellijk het verzoek gericht, om ook mevrouw Catt te vragen, een voordracht voor hen te houden.

Vrouwenkiesrecht was daarna langen tijd ’t onderwerp van de gesprekken op de boot; sommigen waren overtuigde voorstanders geworden, anderen vonden het toch ook een vanzelf sprekend gevolg van den ontwikkelingsgang der maatschappij, anderen waren verstokte tegenstanders, onder dezen voornamelijk die heeren, die van oordeel waren, dat huwelijksgeluk alleen bestaanbaar is, zoolang de vrouw tot den man opziet, en door de vrouwen nu ook politieke rechten te geven, ontnam men den man alle superioriteit over zijne vrouw. Die heeren kennen niet de “Amalasuntha’s”-zusteren van de Amalasuntha uit Dickens’ onovertreffelijke verhalen, die aan nekverstijving te gronde gaan, door het onophoudelijk opzien tot hun zoo hoog boven hen staanden echtgenoot. Ik heb hen geraden, Dickens voor dat doel eens na te slaan.

Mrs. Catt was natuurlijk ook dadelijk bereid om aan het verzoek, dat inhield wat te vertellen over de toestanden in Amerika met betrekking tot het vrouwen-vraagstuk, te voldoen, en twee dagen, nadat ik gesproken had, vulde zij mijne voordracht aan met het bovengenoemd onderwerp. Ik had niet gedacht dat ook dien derden dag nog zooveel belangstelling zou bestaan, om een paar uur in de warme salon stil te zitten luisteren naar hetgeen mrs. Catt op haar eigenaardige, boeiende wijze te vertellen had, en het verhoogde het effect van haar voordracht niet weinig, toen aan het slot een heer in ons midden opstond, die een Australiër bleek te zijn en in Queensland woont en die op zeer welsprekende wijze de resultaten van het vrouwenkiesrecht in Australië besprak. De vrees voor “ongenoegen in het gezin” als gevolg van kiesrecht, ook voor de gehuwde vrouw, het bezwaar, dat in de laatste dagen nogal eens gehoond werd, wist hij zoo schitterend te weerleggen, dat twijfel omtrent dat punt nu onder de passagiers van de “Juliana” wel niet meer zal bestaan. Zijn vrouw, die ook aanwezig was, wist nog even mede te deelen, dat zij en haar man wel dikwijls omtrent de keuze van den candidaat tot overeenstemming kwamen, maar in de gevallen, waar beiden aan eigen candidaat de voorkeur bleven geven, brachten zij natuurlijk ook hun stemmen uit op hun eigen candidaat. ’t Klonk zoo eenvoudig en alleen ’n door-alles-heen-gelijk-willen-hebbend echtgenoot kon zich nog beangst maken voor “ongenoegen”.

Zoo werd dus gedurende eenige dagen het vrouwen-vraagstuk de “topic of the day”; menigeen, die vroeger nooit ernstig hierover heeft nagedacht, begint thans te begrijpen, dat de vrouwenbeweging, hij moge er mede instemmen of niet, eene groote, machtige beweging is, die zich thans in alle landen openbaart en die niet eerder tot een einde zal komen, alvorens er volkomen wettelijke—hieronder ook de politieke te verstaan—en maatschappelijke gelijkstelling tusschen mannen en vrouwen zal zijn verkregen.

En zoo gaan de dagen op de boot langzaam voorbij, maar toch nog veel te snel voor mrs. Catt en mij, die deze zeereis gaarne nog wat verlengd zouden hebben. Wij gevoelen ons hier thuis, rustig, aangenaam. De warmte is wel groot, maar niet te groot, en wanneer wij des avonds de wonderschoone zonsondergangen, die tusschen Aden en Colombo onbeschrijflijk mooi zijn, genoten hebben, volgt daarop spoedig een lange, aangename koele zomeravond.

Morgenochtend moet de boot in Colombo aankomen, maar wij hebben de 8 uren, die wij te laat van Port Saïd vertrokken zijn, niet ingehaald en daardoor zal het wel avond worden, eer wij in Colombo aan wal stappen.

Op Ceylon.

I.

Het avondduister was reeds lang ingetreden, toen wij de kustlichten van Colombo in het gezicht kregen en eer het schip voor anker lag, de visiteerende dokter aan boord was gekomen en zijn plicht vervuld had, en eer wij met onze bagage goed en wel geland waren, was het reeds bijna tien uur. Het was jammer, dat wij het mooie binnenkomen in de haven van Colombo gemist hebben en ons hebben moeten tevreden stellen met de verhalen over dat mooie gezicht van uit zee op Colombo, van onze medepassagiers, die deze reis reeds meermalen gemaakt en Colombo vroeger hebben gezien. Tot op het laatste oogenblik vonden wij het op de Prinses Juliana aangenaam; ik hoop later nog wel eens van deze boot te kunnen gebruik maken, vooral wanneer zij dan nog onder denzelfden goeden gezagvoerder met zijne plichtgetrouwe en beschaafde bemanning vaart. En van de passagiers wil ik alleen dit zeggen, dat gisteravond, toen wij in het hotel en op onze kamer aangeland waren, mrs. Catt tot mij zeide: “Als men mag aannemen, dat men op een groote boot van zekere natie een goed overzicht krijgt over zijn volk, dan gaat Nederland met de eer strijken van het meest beschaafde en ontwikkeldste volk te zijn onder al degenen die wij op onze reizen ontmoet hebben”.

In Colombo aangekomen, wachtte ons de eerste teleurstelling; ik wil hopen dat er geen tweede op volgt. Het Galle Face Hotel, het meest gerenommeerde, was overvol; de eetkamer was zelfs tijdelijk voor slaapkamer ingericht; het daarop volgend Grand Oriental Hotel was in dezelfde conditie, zoodat wij ons ten slotte moesten tevreden stellen met een kamer voor twee personen in het Bristol Hotel. Gelukkig is er alles zindelijk en valt het bij nadere kennismaking zeer mede. Met eenige van onze medepassagiers van de boot hebben wij ’s avonds nog een tijd lang in de veranda van het hotel zitten praten, totdat zij weder aan boord en wij naar bed moesten.

Onze kamer, waarvan de deur van boven uit open traliewerk bestaat, had wel twee groote open vensternissen, doch geen vensters; de lucht kon van buiten vrij naar binnen treden. Door een grooten electrischen waaier, veel gelijkenis vertoonende met een paar molenwieken, werd de lucht in beweging gehouden en eenige koelte in de kamer gebracht. Het was er aangenaam heet en het eenige laken, dat ons tot dekking in het vrij goede bed diende, was voor dat doel ruimschoots voldoende. Wij moesten ons even voor den geest roepen, dat wij hier in Ceylon in den wintertijd zijn en het in Europa op ’t oogenblik overal buitengewoon koud is. Het is nu het seizoen voor Colombo; hoe moet de temperatuur hier wel zijn als ’t hier zomer is.

Ik zou zeker dien eersten nacht in Colombo een heerlijken slaap hebben genoten, ware het niet, dat de boomen vóór het hotel rijk bevolkt waren met kraaien en eksters, die den geheelen nacht hun krijschende stemmen hebben doen hooren. Onophoudelijk schijnen die beesten onderlinge twistgesprekken te voeren gehad te hebben, waarbij honderden individuen het hunne hadden in te brengen. In een ander land zou men aan zoo’n overbevolking van zulke lieve beestjes een einde maken, maar hier, met zoovele Hindoe’s en Boeddhisten onder de bevolking, zal men dat wel uit zijn hart laten. De Boeddhist mag geen levend wezen dooden, allen moeten den natuurlijken dood sterven.

Ware het niet Zondag geweest, dan waren wij vanmorgen met de eerste gelegenheid naar Kandy, dat veel hooger gelegen en koeler is, vertrokken; wij moesten nu eerst wachten tot morgenochtend de banken open zijn om geld te halen en eenige andere zaken af te doen. Deze Zondag is echter geen verloren dag voor ons geweest. Integendeel, het was een alleraangenaamste, vol van nieuwe indrukken. Om eerst even naar het kantoor van Cook te gaan en naar het telegraafbureau, hadden wij ieder een rickshaw genomen, die hier veel beter zijn dan die wij in Zuid-Afrika zagen en waarvan de mannen niet zoo bont toegetakeld zijn als daar. Deze hier zijn ook heel licht en altijd alleen voor één persoon bestemd. Het lijkt voor vele Europeanen misschien onbarmhartig, dat men zich in een wagentje nederzet en zich door een medemensch laat voortbewegen, maar dit gevoel gaat hier weg, als men ziet, op welk een gemakkelijke wijze deze mannen zich—oogenschijnlijk althans—van die taak kwijten en hoe gelukkig zij met een vrachtje zijn. Toen wij hen aan het telegraafkantoor wilden betalen en wij een rijtuig aanriepen, om een tocht door de stad te maken, smeekten zij ons zóó hen met die taak te belasten, dat wij daartoe ten slotte maar besloten. Zij zouden ons nu eerst langs de zee en dan langs mooie punten, die wij hen hadden opgegeven, naar Mount Lavinia Hotel brengen, waar wij wilden lunchen en eenige uren vertoeven. Zij moesten ons daar blijven wachten en later langs een anderen weg terugvoeren.

Godsdienstigfeest in Kandy.

Godsdienstigfeest in Kandy.

Niettegenstaande de groote hitte draafden die twee naakte bruine broeders als paarden, en op onze herhaald tot hen gerichte opmerking, dat zij zich niet zoo behoefden te haasten, of, of zij misschien niet eens wilden rusten, gaven zij ons met een lachend ontkennend hoofdschudden antwoord. Draven doen hier echter niet alleen menschen en paarden, maar ook ossen. Herhaaldelijk passeerden wij op onzen weg een soort tentwagentjes, waarin de een of andere Sinhalees met vrouw en kinderen gezeten was, waarschijnlijk een Zondagstoertje makende, en die getrokken werden door een klein, vinnig osje, dat met een paard in het hardloopen kan wedijveren. Zij zijn van het soort, deze ossen bedoel ik, dat ik ook in Oost-Afrika gezien heb, met een min of meer groot uitwas in den nek, die men daar buffeltjes noemde. Een zeer gedistingeerd vervoermiddel schijnt zoo’n ossewagentje niet te zijn, ik zag er althans alleen Sinhaleezen gebruik van maken.

Over deze menschen heb ik al eens geschreven, toen ik ze voor het eerst in Zanzibar zag; hier zien wij ze in grooten getale, zoodat hun verschijning reeds geen bijzonderen indruk meer maakt. En toch moeten ze voor een Europeaan opmerkenswaardig zijn. Die mannen met hunne zachte, melancholieke, vrouwelijke gelaatsuitdrukking, hun lange, zwarte, bijna blauw-zwarte haren, die in golvingen of krullen, over hun schouders hangen, of in een wrong op het achterhoofd bevestigd en met een groote schildpad-kam afgewerkt zijn, en die gekleed zijn in sarong en kabaai, de sarong soms voor een gewonen nauwen damesrok plaats makende, zijn toch een bijzonder soort menschen. Op hun gezicht afgaande, stel ik hen veel hooger dan b.v. den Arabier. De Sinhaleezen hebben over het algemeen verstandige, denkende gezichten en zij missen geheel dat sensueele in hunne gelaatsuitdrukking, dat vooral den Arabier zoozeer vertoont.

Was het omdat het Zondag was en er nu door velen niet zooveel als anders gewerkt werd, dat wij daarom in de volksbuurten zooveel langharige mannen in gebukte houding voor hunne woningen zagen zitten en achter hen hurkende vrouwen—wij zullen ten minste veronderstellen, dat dit hier eene echtelijken liefdedienst gold—die, evenals de apen, die lange haren trachtten te zuiveren van het wild, dat er waarschijnlijk in rondhuppelde? Het is ook mogelijk, dat de Zondag er niets mede te maken heeft.

Maar dit was niet het eenige merkwaardige, dat wij op onzen weg zagen. Wij zijn hier in den winter, maar aan boom, blad, bloem en vrucht is dat niet te bespeuren. Alles ziet er uit als in den hoog-zomer, en wel een, die een bijzonderen rijkdom aan bloemen en vruchten levert. De kokosnootpalmen, die hier veel mooier en frisscher lijken dan in Oost-Afrika, de bananen, de broodboomen en de boomen met jakvruchten (ik weet nog niet wat dat voor vruchten zijn), vormen hier heele wouden en vooral de Banyanboom—ik geloof, dat die op Java Waringin heet—, waarvan één exemplaar den geheelen tuin kan overschaduwen, maakte den weg, waarlangs wij gingen, schaduwrijk en koel. Een van de Banyanboomen, waarvan de luchtwortels weder stammen waren geworden van eenige meters in omvang, had zoodoende een omvang verkregen van meer dan vijf-en-twintig meter.

Verder zagen wij de kaneeltuinen, mijlen ver uitgestrekte velden met laag boom- en struikgewas, doch elk struikje was een kaneelboompje, waarvan niet alleen het blad, doch vooral de stam en stengel sterk naar kaneel ruikt en nog meer smaakt. Wij zagen sagoboomen, notemuscaatboomen en kruidnagelboomen, alle voor een deel in bloei, voor een ander deel in vrucht staande. Maar meer nog dan dit alles verlustigden wij ons in het gezicht van die vele mooie, groote, bonte vlinders, die zich hier in dit bloemenrijk zoo geheel tehuis gevoelen. En even gaarne verwijlden onze oogen op de vele naakte kindertjes, die aan den weg speelden in het gewaad, dat zij bij de geboorte hadden medegekregen. Velen zijn reeds door de toeristen bedorven, zij steken bedelend hunne handjes op en prevelen eenige onverstaanbare woorden. Maar er waren onder hen, die op zoo’n nieuwe wijze hun bedelend stemmetje deden hooren, die al naast den wagen voortrennende, ’n aardig kinderliedje zongen en dan plotseling hunne schalksche oogjes tot mij opheffende, zeiden: “you are my Mamma, my dear Mamma, give me a cent for a new dress”, dat zij er mij toe brachten mijn principe te verloochenen, om in dat opgeheven, bruine handje een penningske te stoppen. Het was ook zoo warm en het was midden op den dag, mijne hersens waren een beetje in gesmolten boter-toestand, anders had ik zeker de in mijn oog groote fout niet begaan, om een kind, door het geven van een giftje, tot bedelen aan te moedigen. Maar die naakte kleine meisjes, met hare mooie snuitjes, die een nieuwe japon noodig hadden en die mij Mamma noemden, hadden mijn hart verteederd en..... in zoo’n hitte kan men er toch ook eigenlijk geen principes op nahouden.

Het was ongeveer één uur, toen wij in het Lavinia-Hotel aankwamen. Onze bruine mannen hadden de 7 mijlen afstand zonder rusten in geregelden draf afgedaan en zij waren van oordeel, dat nu de Ladies ’n tiffin namen, wij hen ook daartoe in de gelegenheid moesten stellen. Zij voegden er schalks aan toe, dat de lunch in het hotel drie rupees (een rup. = 80 cts.) kost, maar dat zij wel ergens konden gaan, waar zij maar 3 sh. (1 sh. = 60 cts.) hadden te betalen. Toen ik hun vroeg of zij niet een billijker restaurant voor zich konden vinden en ik ze één rupee gaf voor dat doel, sprongen ze in de lucht van de pret en toen wij hen om half drie weer lieten voorkomen om ons terug te voeren, wreven zij over hunne buikjes om ons duidelijk te maken, dat het zoo lekker had gesmaakt. Zij hadden in dien tijd ook even in de zee een bad genomen en mijn paardje had zijn lange haren nu koket in een rol rondom zijn hoofd gelegd, zooals tegenwoordig bij ons zoo vele jonge meisjes haar kapsel dragen. Vlak van achter had hij er een blauwe lap tusschen gevoegd, zoodat het precies een meisjeskop was.

Het Lavinia-Hotel is aan de uiterste punt van een rots in zee gebouwd en daardoor aan drie zijden door de zee omgeven. Vooral om zijne vischlunchen is het hotel beroemd. Een dozijn verschillende vischschotels werden ons achter elkaar voorgediend, allen even fijn en de meeste zelden-voorkomend.

Langs een geheel anderen weg keerden wij huiswaarts en waren tegen vijf uur in het Bristolhotel terug.

Nadat wij Maandagochtend al onze boodschappen verricht en ons reisvaardig gemaakt hadden, vertrokken wij naar Kandy. Al spoedig waren wij twee het roerend eens, dat Ceylon ’t hof van Eden moet geweest zijn. Toen wij de stad uit en meer landwaarts gekomen waren, zagen wij niet alleen de natuur, zooals die ons in ’t Paradijs wordt geschilderd, maar zagen wij ook de mannen en vrouwen in Adam’s en Eva’s costuums van uit den tijd, na het eten van de verboden vrucht. De groote bladen die hier in menigte te vinden zijn, zijn er als ’t ware voor aangewezen. Sedert wij Rhodesia verlaten hebben, hebben wij onder de Afrikaansche bevolking niet zoo’n volkomen naaktheid meer gezien. Wij waren er reeds een beetje aan ontwend, daarom trof het ons hier op Ceylon te meer. Het is echter in dit klimaat het meest praktische costuum.

De geheele weg van Colombo naar Kandy is uiterst loonend. Wij zagen dan eens uitgestrekte rijstvelden met de rijsthalmen in de verschillende graden van ontwikkeling, dan weder groote bosschen kokosnootpalmen, bananenpalmen, vijgeboomen en nog zooveel meer. Er zijn op dien weg alleen twintig verschillende palmboomen te zien. De kokosnootboom lijkt mij het nuttigst van al deze boomen voor de inlandsche bevolking. Niet alleen wordt de vrucht op allerlei wijze gebruikt, maar ook de bladeren doen dienst voor allerlei zaken. Hier is nog onze ouderwetsche huifkar heel veel in gebruik, de groote, naar voren en achteren overhangende huif is geheel gemaakt van de gevlochten bladeren van den kokosnootpalm. Men vlecht er ook manden van en zij worden op allerlei wijze dienstbaar gemaakt tot het aanbrengen van schaduw. Wij zagen er geheele tenten van gemaakt, het tehuis van vele inlanders. En nog op allerlei andere wijzen zagen wij deze groote bladeren gebruiken. En van de noot wordt de bast, het vleesch en de melk op honderderlei wijze aangewend. Van kokosnoot en bananen alleen leven hier vele menschen. En daar deze ook voor huisvesting en toiletartikelen niet veel hebben uit te geven, heeft armoede natuurlijk hier al hare verschrikkingen verloren.

Een kort eindje ging de trein langs een oranjeboomhoeve, waarvan de boomen alle in bloei en in vrucht stonden, die de heerlijke geur door de open wagonvensters zonden. Toen wij hooger kwamen, passeerden wij telkens schilderachtige dorpen van inlanders, die hun heele huishouding buitenshuis voerden. Wij zagen nu ook meer dan in Colombo de in oranje-geel gekleede en geheel kaal geschoren Boeddhistische priesters. Hun kleeding bestaat alleen in een grooten gelen doek, die rondom de lenden gaat en daar in een sierlijken zwaai over den rechterschouder geslagen is. Verder loopen zij allen met een bijzonder grooten waaier, die, wanneer hij is opengeslagen, een zeer groote schelp gelijkt, waarachter de mannen zich geheel kunnen verschuilen en zich voor de inwerking van de heete zonnestralen kunnen behoeden. Het Boeddhisme, dat in Engelsch-Indië aan het uitsterven is, vindt hier nog vele aanhangers, alhoewel de vorm in den loop der eeuwen reeds veel gewijzigd is. De Boeddhistische priesters mogen ook hier op Ceylon niet huwen, maar zij behoeven niet in armoede en gebrek te leven, zooals in Burma. Daar mogen zij ’s morgens vóór twaalf uur niets eten of drinken en moeten zij elken morgen eerst hun voedsel langs den weg bedelen; hier bezitten de priesters echter veel grond en gebouwen en behooren zij tot de kapitalisten. Zij bedelen hun voedsel niet, de offeranden worden in de tempels gebracht, maar of de priesters dat in plaats van hun eigen goed toebereid eten gebruiken, wist men ons niet te vertellen.

Van uit den tijd dat Ceylon tot onze koloniale bezittingen behoorde, is niet heel veel overgebleven. Men heeft hier alleen een zeker soort menschen, die ’n Hollandschen voorvader hebben gehad en zich daarom “burghers” noemen en die zich hooger voelen, misschien ook zijn, dan de inboorlingen. Ook het Ceylonsch geld vertoont eene opmerkelijke overeenkomst met het onze, als men een rupee, die maar 80 cents waarde heeft, met onzen gulden vergelijkt. Een halve rupee is precies gelijk aan ons 50 centsstuk, een kwart rupee met ons kwartje en de tien-cents,—zij spreken ook van centen en verdeelen hun rupee in honderd centen,—met ons dubbeltje. Ook de koperen cent is aan de onze gelijk, alleen ’t nikkelen stuiverstukje is hier vierkant met afgeronde hoeken.

Om half zes kwamen wij heden in Kandy aan, waar de temperatuur veel frisscher en deze avond, terwijl wij in den tuin onder een ouden Banyanboom zitten te schrijven, overheerlijk is. Hier in Kandy zijn verscheidene goede groote hotels, de menschen komen hier om eenige maanden te blijven.

De prijzen in de hotels, in aanmerking genomen wat men er voor geeft, zijn hier bespottelijk laag, zij zullen zeker later, als de trek naar Ceylon voor menschen, die er eenigen tijd blijven, grooter is geworden, aanmerkelijk stijgen.

Kandy, dat eens de hoofdstad van Ceylon was en ruim 1600 voet hoog ligt, heeft niet alleen geschiedkundige bekendheid, maar wordt het schilderachtigste plekje van het geheele Britsche keizerrijk genoemd. Om dit echter te genieten moet men ’s morgens vroeg opstaan, want in het midden van den dag is het te heet, alleen ’s morgens en in den laten namiddag maakt men hier uitstapjes, en daarom moet ik voor hedenavond eindigen, anders kan ik morgen vroeg onmogelijk bij tijds gereed zijn.

Wij zaten hedenochtend reeds om zeven uur in de Victoria, die ons naar Paradenya, zeven mijlen afstands van Kandy, zou voeren, om daar de Koninklijke Botanische tuinen in oogenschouw te nemen. Wij waren de eerste bezoekers; er was nog slechts één jonge man, die tot de staf van employé’s behoort, die zich direct aanbood, om ons tot gids te dienen. Hij was een Burgher, zijn naam klonk echter niet in het minst Hollandsch. Met dit ontwikkeld jongmensch als geleider, leerden wij spoedig vele van de interessante palmen en boomen en heesters kennen, die wij in de laatste dagen op onzen weg gezien hadden. Wij hadden o.a. een tot hoog in de lucht zich verheffenden palm gezien, die van boven een groote pluim van bloesems vertoonde; het bleek nu, dat dit de Taliputpalm is, die slechts eens in de 100 jaren bloeit en dan daarna meestal sterft. Zelfs hier in de botanische tuinen, waar een geheele avenue van deze prachtige palmen bestaat, komt het hoogst zelden voor, dat er een van gaat bloeien. De roode katoenboom stond er overal in vollen bloei, de cacaoboom stond voor een deel in bloei, voor een ander deel vertoonde hij ons zijn roodbruine rijpe vruchten. Wij zagen er de verschillende soort rubberboomen, waarvan er zijn, die door hunne op een slang gelijkende, boven den grond zich vormende wortels, een zeer fantastisch gezicht opleverden. Een bosch van zich hoog verheffende bamboestammen vertoonde een eigenaardig beeld, doordat zich van boven aan hunne toppen trossen vertoonden, die als vruchten geleken. Toen onze geleider echter met een zware stok tegen de bamboestammen sloeg, vlogen op eens al deze vruchten hoog in de lucht en bleken het honderden groote vleermuizen te zijn, die daar aan hunne pooten met de koppen naar beneden hingen, dikwijls vijf of meer zich aan elkander vastklemmende. Hier worden die beesten vliegende vossen genoemd; zij zijn veel grooter dan onze vleermuizen.

De papaws, die hier veel fijner en geuriger zijn dan in Zuid-Afrika en die, geloof ik, in Java papaya’s genoemd worden, zagen wij in de botanische tuinen in elk stadium van ontwikkeling. Men noemt papaw hier “de arme lui’s vrucht”, maar ik beschouw hem op ’t oogenblik nog als mijn lievelingsvrucht.

De jakvrucht, die wij in Colombo zoo in grooten getale hadden gezien, zagen wij ook hier in verschillende ontwikkelingsstadia; men vertelde ons, dat zij als groente dienst doet bij de rijsttafel.

Maar genoeg over deze prachtige tuinen, die na de Kew-Gardens in Londen, de prachtigste van de geheele wereld genoemd worden. Ik hoop later in Batavia gelegenheid te hebben, onze Koninklijke Botanische tuinen te zien en te kunnen uitmaken of die voor deze in Kandy moeten onderdoen, of dat wij hier met een beetje Engelsche bluf te doen hebben.

De rijtoer, die wij in den namiddag deden, werd door de kennis, die wij in den morgen omtrent de inheemsche boomen, en plantengroei hadden opgedaan, voor ons een veel interessanter en dikwijls moesten wij het rijtuig even laten stilstaan en uitstappen, om een in ’t wild groeiende plant, waarvan wij des morgens de bijzonderheden hadden leeren kennen, nog eens nauwkeurig in oogenschouw te nemen.

Doch wat wij in den namiddag deden en zagen in een volgenden brief.

II.

Vanmiddag gingen wij eerst den voornaamsten rijtoer van hier maken, die vooral om zijn mooie vergezichten, die hij op verschillende punten aanbiedt, een zekere vermaardheid heeft verkregen en daarna lieten wij ons brengen naar de “groote zandrivier”, om een kijkje te nemen naar het voor ons oog nog nieuwe schouwspel “het baden van de olifanten”. Elken middag van drie tot half zes kan men op zekere plek in de rivier twintig heilige olifanten zien spelen en zich amuseeren in het ondiepe water. Heeft men in Egypte heilige kameelen, die slechts eens per jaar een heiligen plicht vervullen en daarvoor het geheele jaar door goed gevoed en verzorgd worden, op Ceylon heeft men heilige olifanten, die maar één dag in het jaar een heiligen plicht vervullen en daarvoor een staf van bedienden hebben, die hen met de grootste zorg en liefde alle andere dagen van het jaar verzorgen en dienen. Een eind verder in de rivier baden ongeveer ter zelfder tijd vele andere olifanten, die echter een verfrisschend bad verdienen, omdat zij een langen en zwaren arbeidsdag achter den rug hebben. Want ook voor het zware werk, waarvoor men zich in Arabië en Egypte bedient van kameelen, gebruikt men hier olifanten. Zelfs als paard doen zij dienst.

Toen wij ons lang genoeg in den aanblik van die badende en spelende olifanten verlustigd hadden, die zich blijkbaar in het water amuseerden, legden wij een bezoek af aan den Tempel van Buddha, den tempel van den Heiligen Tand. Die heilige tand wordt verondersteld een tand van Buddha te zijn. De geschiedenis ervan is, dat toen Buddha 2500 jaar geleden, gecremeerd werd, eene vrouw in zijn asch vier gave tanden vond, die niet mede verbrand waren. Zij verborg die tanden in haar haarwrong en verkocht ze later voor zeer hooge sommen aan Buddhistische vorsten. Een er van kwam in het bezit van den regeerenden monarch van Kandy, die er een tempel voor liet bouwen, den tempel van den Heiligen Tand. Het bezit van dien tand werd den goeden burgers van Kandy echter herhaaldelijk betwist en omdat de Buddhisten geen oorlog mogen voeren, niemand en niets mogen dooden, en ook omdat de latere en verstandiger koning meende dat Buddha, die zich na zijn dood wilde laten verbranden, toch recht had geheel verbrand te worden, dus ook zijne tanden, werd op zijn bevel de tand van Buddha tot poeder gestampt, deze poeder daarna verbrand en de asch aan de vier windstreken prijsgegeven. Met groote praal en plechtigheid werd dat bevel ten uitvoer gebracht. Kort na den dood van dien vorst echter stond er een man op die beweerde de asch van dien tand weder verzameld te hebben en dat die asch opnieuw tot tand was geworden. Door de goê-gemeente werd dit geloofd en deze tand opgekocht en als tand van Buddha weder groote eer bewezen. In den loop der eeuwen is die tand herhaaldelijk door wijze regeerders verpulveriseerd, doch steeds kwam er na langeren of korteren tijd iemand, die de gepulveriseerde tand weder in zijn geheel ten verkoop aanbood. Sedert eenige honderden jaren nu is die tand niet meer verbrand. Hij ligt nu aan een gouden ketting in een zilveren kastje. Dat kastje staat in een ander zilveren kastje en dit gaat zoo negen maal door, totdat de laatste kast een vrij grooten omvang heeft verkregen. Deze laatste kast is geheel ingelegd en ook rondom behangen met de prachtigste robijnen, smaragden, saphieren en wat er meer voor kostbare edelsteenen mogen zijn. Elke opvolgende koning offerde er bij zijn leven of na zijn dood een of meer van zijne kostbaarheden aan. Rondom deze kast staan Buddhabeelden om de heilige schat, die meer op een tijgerklauw dan op een tand gelijkt, te bewaken, en er vóór staat een massief zilveren, fraai bewerkte tafel, die als offertafel dienst doet. Niemand komt in de nabijheid zonder verplicht te zijn te offeren. Is men met bloemenoffers, vooral lotusbloemen, tevreden als het leden van eigen gemeente betreft, van vreemdelingen verwacht men offers in klinkende munt en dat weet men hen duidelijk aan het verstand te brengen. In Kandy zijn 600 in gele doeken rondwandelende Buddhistische priesters en een soort klooster, waar nieuwe collega’s gekweekt worden. De Buddhisten op Ceylon zijn geen zuivere Buddhisten meer. Door allerlei invloeden is hun godsdienst verbasterd. Ze gaan drie keer daags naar den tempel, de Mohammedanen vijf keer, en evenals dezen buigen zij zich herhaaldelijk geheel neder op den grond en zwaaien met hun lichaam als zij hunne gebeden prevelen.

Eens per jaar, in Augustus, gaat de zilverkast met heiligen inhoud een ronde door de stad doen. De heiligste van de heilige olifanten mag de kast dragen, terwijl de negentien andere olifanten ieder met een minder heilige kast belast worden. Zoo is er o.a. een gouden kast in den vorm van een graftombe, waarin een stukje hout bewaard wordt van den brandstapel waarop Buddha verbrand is. Dat is na den tand het heiligste stuk.

Rondom den tempel is een vijver, daarin zwemmen groote, vette schildpadden rond, die ook al “heilig” verklaard zijn. Deze beesten worden ook met groote liefde gevoed en verzorgd. En dan is er een boom, de bo-boom, waarvan verhaald wordt, dat het een tak was van den boom, waaronder Buddha in Burma zeven dagen zonder voedsel in gebeden doorbracht, en die bevolkt is met heilige apen. Takken van dien boom zijn overal heengezonden. In den grond gestoken, schieten zij wortel en blijven eeuwig leven. Het was onweersprekelijk een zeer oude boom, waaronder thans een Buddhabeeld zit om zooveel mogelijk de beteekenis van den boom aanschouwelijk voor te stellen en het was een nieuwe gelegenheid om den bezoeker geld af te zetten, want dit beeld nam offeranden in klinkende munt in ontvangst, ter instandhouding van het Buddhisme.

Eén zaak moet ik nog even releveeren, alvorens ik van de Buddhisten voorloopig afstap, omdat het ons een beeld geeft van hetgeen deze eenvoudige zielen onder de zeven hoofdzonden rekenen. Zij hadden ze buiten op de tempelmuren in beeld gebracht en aanschouwelijk voorgesteld, hoe de zondaren daarvoor na hun dood gestraft worden. De voornaamste zonde is het dooden. Die zich daaraan schuldig hebben gemaakt gedurende hun leven, worden na hun dood door duivels, die op de schilderij een heel fantastisch en wreedaardig voorkomen hebben met een lans of ander wapen door het hart gestoken en zoo moeten zij eeuwig blijven bloeden. De volgende zonde was, de burgers te veel belasting te laten opbrengen. Zoo iemand werd met een geldstuk in stukken gesneden. Het was een erg pijnlijk beeld, dat daarvan een afschildering gaf. De derde zonde was het liegen. De vierde, zijn ouders niet gehoorzamen. De vijfde, zich toe-eigenen wat hem niet toebehoort. De zesde, de kerk bestelen en de zevende, kwaadspreken van een kaste, die boven hem staat. Al die zonden worden hiernamaals gestraft met straffen, waarvan het middendoorzagen een van de zachtste is en waarbij duivels in verschillende vormen van wreedheid voorgesteld, de uitvoerders zijn.

Behalve de Sinhaleezen komen hier natuurlijk verschillende andere volksstammen voor, waarvan de laagste kaste mijne grootste belangstelling wekt. Hoewel men hier over het algemeen mooie menschen vindt, vallen toch deze menschen en vooral de vrouwen onder hen, door hare mooie geregelde gelaatstrekken, mooien lichaamsbouw en prachtige oogen op. Zij leven in hoofdzaak op een dagreizen’s afstand van hier, maar verspreide groepen vindt men overal. Het zijn de Rhodiya’s.

Rhodiya’sche schoone.

Rhodiya’sche schoone.

Van dezen volksstam wordt verhaald, dat hij zijn oorsprong dankt aan slechte voorvaders. Eeuwen en eeuwen geleden, lang vóór de Christ. jaartelling, leefde er op Ceylon een vorst, die veel van lekker eten hield, maar overigens een braaf man was. Zijne koks waren wel eens teneinde raad, wat zij hem toch alle middagen voor lekkernij zouden voorzetten. Op een middag hadden zij wat nieuws gevonden en de vorst vond dat zoo heerlijk, dat hij herhaaldelijk opnieuw zoo’n schotel bestelde. Maar op zekeren dag kwam het uit, dat wat de koning zoo lekker vond, versch geslachte kindertjes waren en daarover was hij zoo in heilige verontwaardiging geraakt, dat hij de schuldige koks en allen, die er aan hadden medegewerkt, bij zich liet komen en voor hen de grootste straf bedacht, die hij maar bedenken kon. Hij veroordeelde hen, dat zij als paria’s in de maatschappij moesten voortleven, en dat al hun nazaten die straf deelachtig zouden worden. Zij moesten leven in de bosschen en mannen en vrouwen mochten nooit hun bovenlijf bedekken. Zij mochten niets leeren en nooit met andere menschen in aanraking komen. Als zij ooit iemand op hun weg ontmoetten, dan moesten zij minstens dertig meter boschwaarts gaan. Om die mannen nu in de gelegenheid te stellen zich voort te planten en zoo de straf eeuwigdurend te doen zijn, kregen zij successievelijk tot vrouw alle prinsesjes, die wat te warmbloedig waren en eens een vurigen blik geworpen hadden,—misschien ook wel wat verder waren gegaan—op den een of anderen man van lager afkomst. Zulke prinsesjes werden de ondeugende koks in de armen geworpen, en zoodra die er in geslaagd waren haar den gekauwden siri-pruim—een vieze aardigheid—tusschen de lippen te duwen, waren zij voor goed met haar getrouwd; dat beteekende dus zooveel als bij ons het burgemeestersbriefje. Eerst met de Britsche overheersching is aan die straf een einde gemaakt, maar bij de Ceylonsche bevolking doet het verhaaltje nog dienst, en staan die menschen nog op den laagsten sport van den maatschappelijken ladder. Uit de mooie Rhodiya’sche meisjes worden thans in de steden de dansmeisjes en nog erger en ergerlijker soort gemaakt, terwijl de Rhodiya’sche mannen in de steden meest als slangenbezweerders en goochelaars of toovenaars optreden. Maar ook nu nog durven de mooie Rhodiya’sche vrouwen zich ’t bovenlijf niet bedekken, omdat dit hier tot beteekenis heeft van een hooger stand te zijn.

Alle Engelsche schrijvers over Ceylon wijden een deel van hun boek aan de theeplantages en aan de onovertreffelijke theefabricatie. Steeds las ik, dat dit hier op zooveel beter wijze geschiedde dan in China of op Java, waar het geheele proces voor degenen, die er in werkzaam zijn, zoo wreed is. Dat prikkelde mij dus, om hier een groote theeplantage te bezoeken en het theemaken van het begin tot het eind na te gaan. Wij waren daarvoor hedenmorgen reeds weder zeer vroeg uit de veeren en reden met zonsopgang naar Gampola, een oud stadje, door inboorlingen bewoond, met vele historische herinneringen. Van hieruit waren gemakkelijk verschillende theeplantages te bereiken. Het theeplukken was in vollen gang toen wij aankwamen, want de vrouwen en kinderen—deze laatsten allen boven tien jaar oud—beginnen den dagtaak direct bij het aanbreken van den morgenstond. Mannen waren bezig met ’t snoeien der boompjes en het schoonhouden der velden. Het leek mij een gezond en gemakkelijk werk wat die vrouwen en kinderen verrichten. Tegen tien uur hebben zij allen ongeveer de mand, die op hun rug gebonden is, volgeplukt en gaan dan naar de fabriek. Daar wordt de inhoud nog eens nagelezen, de groote bladeren eruit verwijderd en een te groot steeltje afgeplukt. Dit doen ook de vrouwen. De bladeren worden dan door mannen op de droogzolders gebracht en uitgespreid om gedroogd te worden en ondergaan dan verder een geheel machinale behandeling. Het krullen der blaadjes, het zuiveren en sorteeren der verschillende soorten, het verpakken, enz. geschiedt alles machinaal en de fabriek, die wij zagen, was in elke afdeeling zoo ruim, zoo zindelijk en zoo goed geventileerd, dat er van wreedheid of van ongezondheid geen sprake kon zijn, als, hetgeen wij natuurlijk niet konden constateeren, de behandeling der zwarte werkers en werksters ook een goede is. Want mij werd verteld door een gast in dit hotel, dat de opzichters soms zeer onmenschelijk met de ondergeschikten omspringen, door hen het volle loon te onthouden als zij niet genoeg geplukt hebben of soms voor een klein misdrijf in ’t geheel geen dagloon uitbetalen en door nu en dan gebruik te maken van de zweep. Het loon wat de theeplukkers als regel ontvangen is 25 cents per dag, d.w.z. 25 Ceylonsche centen, die ongeveer 20 Hollandsche centen vertegenwoordigen. Daarvoor werken ze van ’s morgens 6 tot 11 en ’s middags van 1 tot 5 uur. Dat lijkt een heel kleine belooning, maar in aanmerking genomen de weinige behoeften dezer menschen, is zij niet zoo klein. Tenminste alle vrouwen en meisjes, die wij aan het werk zagen, hadden armen en beenen en vingers rijk bedekt met ringen, de oorlellen van onder tot boven vol versierselen, het middenschot van de neus en beide neusvleugels prachtig geornamenteerd, en vier, vijf of meer verschillende kettingen om de hals. Een groot deel van hetgeen zij verdienen, wordt blijkbaar in lichaamsversierselen omgezet. Ik zal nu later kunnen nagaan hoe de Javaansche theeplanters hun zaken hebben ingericht, of daar inderdaad van wreedheid bij de theefabricage sprake kan zijn.

Haarscheren op Ceylon.

Haarscheren op Ceylon.

Wij wilden Gampola niet verlaten zonder eerst een kijkje in het stadje genomen te hebben. Het loonde de moeite. Niet alleen zagen wij er zeer oud en zeer origineel steenhouwwerk, overblijfselen van oude tempels, maar wij zagen er een koperen plaat, waarop eene heele geschiedenis gegraveerd was. In ’t kort is het verhaal zoo, dat in 1804 koning Wickrama Daja Sinha den tempel van Gampola een groot geschenk in grond en goud aanbood en het eindigt aldus: “Zijne Majesteit heeft het genoegen, dit aan te bieden, zooals bij den mond van de godin Saraswati is geuit, en hij geeft deze gift in een gelukkigen tijd, zittende op een gouden troon, in den vorm van Sakkraya in de stad van Senkanda Sailabidhana Siriwardhanapura, welke overvloeit van rijkdommen; en deze gift is gegeven op Maandag, den tweeden dag van de opkomende maan in de maand Medindina, in het jaar 1726, genaamd Raktaksa. Hij, die plukt, breekt, of snijdt, een blaadje of grasspriet of eenig hout of vrucht, of iets wat thans aan Buddha behoort, zal herboren worden als een pretaya (een vertaling van dat woord ken ik niet, maar ’t zal wel wat verschrikkelijks zijn), doch iedereen, die eenige offeranden brengt, zal voorspoed genieten en in Nirvana treden. Hij, die met geweld iets neemt van hetgeen Buddha toebehoort, met de bedoeling het zich toe te eigenen of het aan anderen te geven, zal in een worm op een mesthoop veranderen voor een tijdsduur van zestigduizend jaren”.

Niettegenstaande deze verschrikkelijke bedreiging is nu 5 jaren geleden het gouden beeld van Buddha gestolen, dat aan goud ongeveer 25.000 gulden waarde bezit. De dief is nooit gevonden; de goe-gemeente is vast overtuigd, dat die ook nooit gevonden zal worden, omdat de politie onder de menschen zoekt en de dief natuurlijk reeds lang in een worm op een mesthoop is veranderd.

Nadat wij na de lunch eerst een paar uren gerust hebben, begaven wij ons op weg naar het museum, wat nog niet veel te beteekenen heeft. In één opzicht vond ik het toch interessant, omdat ik er veel terugvond wat afkomstig moet zijn van onze Hollandsche voorvaders en omdat de oude Kandysche industrie, die in dit museum nog wordt uitgeoefend, in veel opzichten door de onze moet zijn beïnvloed. Er waren o.a. oud-Hollandsche bedplanken, stoven, schoengespen, lepel- en vorkrekken, pannen en potten, etc. Ik kocht er eenige zaken, die ik nu nog zag maken, alle met de oude, primitieve instrumentjes van voorheen en die elkeen voor oud-Hollandsch werk zal aanzien.

Wij hadden nog juist tijd om vóór zonsondergang de winkels van Kandy te bezoeken, waar de echte Ceylonsche edelsteenen verkocht worden en waar men niet, zooals in Colombo, met kooplieden te doen heeft, die zes- of zevenmaal den prijs vragen van dien, waarvoor zij geleverd kunnen worden. Er waren prachtige saphiren, smaragden, robijnen, amethyst, paarlen, enz., en, in aanmerking genomen de prijzen, die men daarvoor in Europa vraagt, bespottelijk goedkoop.

Den derden dag vertrokken wij met den ochtendtrein naar Nuwara Eliya (spreek uit Nurelia), op eene hoogte van 6200 voet gelegen, waar het heerlijk koel en gezond is. Den geheelen weg over, de treinreis duurde vijf uren, gingen wij door theeplantages, waar overal het werkvolk druk aan den arbeid was. Het was een prachtige tocht, met grootsche berggezichten. Ongeveer op het midden van de reis passeert men een plaatsje, dat Hatton heet en dat bekendheid bezit, omdat men van daaruit den berg, genaamd Adam’s berg, bestijgt. Jaarlijks gaan duizenden pelgrims dien berg op, maar ook vele toeristen komen hier om op den top van den berg, van waar men een onbeschrijfelijk mooi uitzicht moet hebben, te beklimmen. Waarom die berg zoo belangwekkend is? Dat is natuurlijk niet alleen een gevolg van het mooi vergezicht, dat men op den top kan genieten, maar omdat die berg een heilig karakter draagt, in de geschiedenis van vele oude godsdiensten een groote rol speelt en het onderwerp is geweest van veel onderzoek en nog grooter godsdiensttwisten. Op den top van den berg is namelijk duidelijk het afdruksel te zien van een voetstap, maar van een voet die een reuzenmensch moet hebben toebehoord. Nu zeggen de Mohammedanen, dat dit de voetstap van Adam is, de Buddhisten beweren, dat Buddha daar gewandeld heeft en de voetstap van hem afkomstig is en de Hindu’s beweren, dat Siwa, een hunner drie godheden, die voetstap toebehoort.

Een der Goden van de Hindu’s.

Een der Goden van de Hindu’s.

Volgens de Mohammedanen is Adam, toen hij uit den hemel gevallen of geworpen is, op den top van dien berg terecht gekomen en heeft hij daar 200 jaren op Eva gewacht. De voetstap moet dus van Adam afkomstig zijn. De Buddhisten weten echter beslist, dat Buddha op zijne zwerftochten ook Ceylon heeft bezocht en daar hij veel van de eenzaamheid hield, heeft hij gewis dien berg beklommen en daar vele van zijne overpeinzingen gehouden.

Doch de Hindu’s weten met even groote zekerheid, dat Siwa, in een zijner menschelijke gedaanten, daar geweest moet zijn; zij hebben de maten van dien voetstap genomen van alle kanten en die alle vormen een volkomen overeenkomst niet de afdruksels van de voeten van Siwa.

Hoe het zij, de Hindu’s, Buddhisten en Mohammedanen maken er nu geen herrie meer over, zooals de Christenen in Palestina, maar elk hunner vereert dien berg en nog meer dien voetstap op zijne wijze, en zij trekken broederlijk gezamenlijk opwaarts.

De weg om er te komen is 24 mijlen lang waarvan de helft per rijtuig of te paard kan worden afgedaan. De andere helft moet te voet worden afgelegd en de drie laatste mijlen zijn zeer steil en gaan over een bijna onbegaanbaren weg. Voor twee oudjes als mijne metgezellin en ik is de top dus onbereikbaar, want wij gaan er niet uit heilige devotie heen, zooals zoovele oude mannen en vrouwen doen, die het voor de hoogste zaligheid houden in het aangezicht van dien voetstap te sterven. Men vertelde mij, dat elk jaar vele oude pelgrims op den weg er heen sterven en dan door de andere pelgrims mede naar boven worden gedragen. Sommige zonen gaan er met hun ouden vader of moeder op den rug heen, keeren echter maar al te dikwijls alleen terug. Daar wij eerst Britsch-Indië, Burma, Java en Sumatra nog moeten zien alvorens wij tot dood gaan bereid zijn, moeten wij ons dus het genot om naar boven te klimmen ontzeggen.

III.

Nuwara Eliya is een plaats, die met St. Moritz in de Engadine in zomertijd kan vergeleken worden. Men leeft er in de zuiverste en prikkelendste atmosfeer, die men zich wenschen kan en de temperatuur komt zoowat met de zomertemperatuur in ons land overeen. Het is nog een paar honderd meter hooger gelegen dan St. Moritz. Met elk jaar neemt de toevloed van Engelsche bezoekers, die hier de wintermaanden doorbrengen, toe. Er zijn tal van goede, groote hotels, pensions en gemeubelde villa’s. Het onderscheidt zich echter van St. Moritz door de weelderiger plantengroei.

Wij waren er heen gegaan, omdat de reis er heen zoo mooi is en omdat wij daardoor een goed beeld kregen van de uitgestrektheid van de theeplantages in Ceylon en toch ook even een kijkje wilden nemen in de plaats, die weldra in Europa de meest bekende van dit eiland zal zijn. Er zijn van daar vele mooie bergtoeren en rijtoeren te maken. De meest gerenommeerde, die leidt naar den voet van den berg Hakgalla en naar den Koninkl. Botanischen tuin—want ook hier is een gouvernementstuin—maakten wij. In dezen tuin worden de boomen en planten gekweekt, die een koeler klimaat behoeven, waaronder vele Europeesche planten. Maar al zag ik er varens zooals ook bij ons voorkomen, diezelfde varens waren hier tienmaal grooter en ik zag er zelfs een, die als boom fungeert. Ook de rhododendron, die hier in zeer groote hoeveelheid in het wild groeit, is een boom, en zelfs zag ik de margharites groeien aan een boom.

Van verschillende punten hadden wij een mooi gezicht op hooge bergtoppen en ook op mooie valleien. Betrekkelijk dichtbij is de plek, waar het kamp was, waarin de Engelschen de Afrikaansche Boeren gevangen hielden. Eén van deze Boeren leeft nog hier; ’t is degene, die niet dien eed van trouw aan Engeland heeft willen zweren. Hij schijnt nu in Kandy een hofstede te hebben en daar te wonen. Als ik tijd heb, zal ik trachten hem een bezoek te brengen.

Den volgenden dag gingen wij naar Kandy terug. Daar trachtten wij uit te vinden, wat er voor het onderwijs der jeugd wordt gedaan. Het was echter Zaterdag, vele scholen waren gesloten of gaven geen geregeld onderwijs. Onze inlichtingen waren dus zeer onvolledig. Het meeste onderricht wordt hier overal op Ceylon nog op zendelingsscholen gegeven, die door de regeering gesubsidieerd worden, maar alle tot hoofddoel hebben van de Boeddhistische en Hindoesche kindertjes Katholieke of Protestantsche Sinhaleezen of Tamils te maken.

“Dat is ons hoofddoel”, zeide mij een juffrouw, aan het hoofd van een meisjesschool staande; “daarvoor zijn wij hier, maar dat neemt niet weg, dat toch het gouvernement toezicht op het onderwijs houdt, zoodat ’t ook goed is”.

Tot voor betrekkelijk korten tijd werd het onderricht der meisjes hier nog geheel verwaarloosd. Er waren in 1901 nog slechts 6% der meisjes, die lezen en schrijven konden. Door de zendelingsscholen is hierin groote verbetering gebracht. De dochters van alle hoofden op Ceylon ontvangen nu onderwijs; wij waren in de school, waar zij allen vereenigd zijn en reeds van haar 4e jaar af worden opgenomen. Ongeveer 60 van die meisjes waren er intern. Een paar ouderen onder haar waren met drie Engelsche juffrouwen als onderwijzeressen aangesteld.

De leeftijd, waarop de meisjes over geheel Ceylon trouwen, is een veel hoogere dan die in Syrië en Egypte. Vóór haar 16e jaar trouwt er bijna geen enkele en in de laatste jaren is die leeftijd nog stijgende. Dat komt door de hoogere ontwikkeling. De beter onderwezen jonge mannen, waarvan er vele naar Engeland gaan om hunne opvoeding te voltooien, willen goed ontwikkelde vrouwen tot hunne echtgenoote en van deze is de opvoeding dikwijls niet vóór het 18e of 20e jaar voltooid.

Toen ik ’s middags in het hotel informeerde of in Kandy een Zuid-Afrikaansche boer woonde, wist mij elkeen direct te zeggen, dat de prison-boer, zoo wordt hij hier genoemd, even buiten Kandy een farm heeft, dat hij getrouwd is en een dochtertje bezit. Zijn farm schijnt echter niet genoeg op te leveren, daarom werkt hij in Colombo, doch komt dikwijls in Kandy om naar zijn farm om te zien. Het was Zaterdagmiddag en waarschijnlijk zou ik hem wel tehuis vinden. Ik nam een rickshaw en liet mij er brengen. Het was langs een zeer mooien landweg, die naar de woning van James Gibson leidde en zijne kleine hoeve was ook zeer schilderachtig gelegen. De prison-boer was echter niet daar, een vriendelijke oude man met een dochter namen de taak van huisbewaarders waar. Toen deze oude man vernam, dat ik een Hollandsche was, vertelde hij, dat ook hij een “burgher” was. Zijn vader was in het begin der vorige eeuw hier gekomen. Hij heette echter Cooley, maar zijn naam was verbasterd, zijn vader’s naam was Kohle geweest. Het kwam mij voor, dat de vader eerder een Duitscher dan een Hollander kon geweest zijn, maar ik hield die gedachte voor mij, omdat de man er blijkbaar op gesteld was een “burgher” te zijn. Ik moest een kopje thee blijven drinken en met een mooie bouquet rozen uit den tuin keerde ik huiswaarts. Op mijn terugweg passeerde ik een huisje, waar twee oudjes knusjes in de veranda zaten te keuvelen. Met groote letters stond op de deur van het hek “Pieter de Vos”, “Weltevreden”. Dat moeten een paar Hollanders zijn, dacht ik, liet mijn rickshaw halt houden en ik stapte het hek binnen. De oude heer kwam mij tegemoet, doch toen ik hem in ’t Hollandsch begon aan te spreken, bleek het, dat de goede man mij niet verstond. Ik begon dus in het Engelsch te vragen of ik hier niet een Hollandsche familie ontmoette en direct kreeg ik een bevestigend antwoord, maar zij waren “burghers” en hadden het Hollandsch verleerd. Ik moest echter mede naar zijne vrouw en vernam weldra, dat ik hier met een oud-Hollandsche familie te doen had, die er een stamboek op nahielden en trots op hun afkomst waren. In 1642 waren de gebroeders Pieter en Olivier de Vos uit Brugge op Ceylon gekomen, en hadden er zich metterwoon gevestigd. Zij hadden hunne vrouwen ook uit Brugge laten overkomen en deze twee families hebben in den loop der jaren een groote nakomelingschap gekweekt. De jongeren uit die families spreken allen Hollandsch en zijn mede-oprichters van den bond van burghers, die niet lang geleden op Ceylon gevormd is. Het was jammer, dat de zoon en dochters van dit echtpaar niet thuis waren en ik geen tijd had op hun thuiskomst te wachten; ik had gaarne van hen wat meer over de burghers van Ceylon vernomen, dan hetgeen de oudjes mij er van vertellen konden. Volgens hen verkeeren de burghers over het algemeen niet in financieel schitterende omstandigheden, hoogstens behooren zij tot de min of meer gegoede middenklasse.

Zondagmorgen was het weder vroeg opstaan, want wij wilden Ceylon niet verlaten, zonder ten minste één van de “begraven steden” te hebben gezien. Wij gingen naar Anuradhapura. Het was wel zeven uur sporen noordwaarts van het eiland, maar wij hadden het er voor over en het bracht ons ook door een geheel ander deel van het land. Deze tocht heeft ons niet berouwd. Om twee uur kwamen wij ter bestemder plaatse. Hoe geheel anders was het hier dan wij op Ceylon tot dusverre gezien hadden. De plek waar nu weder Anuradhapura is herrezen, was 30 jaar geleden nog een dicht woud, waarin de wilde olifanten, tijgers, luipaarden, apen etc. de lakens uitdeelden en waar geen mensch woonde. Het was een dicht woud, waaronder de oude stad begraven lag. Er zijn nu vele boomen omgehakt, rijstvelden aangelegd, huizen gebouwd en er ligt een garnizoen militairen. Het hotel, een zeer primitief houten gebouw, bestaat nog maar twee jaar. Het kan een beperkt aantal gasten herbergen. Het staat midden in een woud van mooie, hooge boomen, waarin tal van aapjes zich amuseeren, die nu en dan in groote getale naar beneden komen en na een rondedans of ander spelletje gespeeld te hebben, gauw weder naar boven klimmen. Maar dat is natuurlijk niet het eenige aantrekkelijke geweest om deze reis te ondernemen, het zijn de opgravingen, of liever uitgravingen, die hier door het Engelsche gouvernement ondernomen worden en de resultaten, die zij opleveren. Hier zijn Boeddhistische tempels ontdekt, die de oudste en grootste van de wereld zijn en die nog duidelijk de inscripties vertoonen, waaruit men hun oorsprong en bestemming kan nagaan. Enkelen er van vertoonen nog zulk mooi steenhouwwerk, alsof ’t pas kort geleden gemaakt was. De oudste van de thans gevonden tempels is door Koning Tissa gewijd aan den eersten apostel van het Boeddhisme op Ceylon, aan den Indischen koningszoon Mahinda en dateert van 311 vóór Christus. De grootste van de opgegraven tempels heeft zoo’n enormen omvang, dat uitgerekend is, dat uit de bouwsteenen een stad van 20.000 zielen kan worden opgebouwd. Hij is veel hooger en grooter dan de St. Paulskerk in Londen. De mooiste heeft mooi beeldhouwwerk, rust op honderden groote olifanten, die allen ivoren tanden moeten gehad hebben, waarvan echter bijna geen een gevonden is. Er zijn aan al deze gebouwen, want het zijn niet alleen tempels, zoovele en interessante legenden verbonden, dat het een genot is ze te zien onder den indruk der pas gelezen verhaaltjes.

Tal van tanks, watertanks, zijn ook ontdekt, die van nog ouder datum zijn dan de tempels, waarin de krokodillen nu lustig rondzwemmen en zich aan den vroeg opstaanden in vollen omvang vertoonen.

Zulke vroege opstaanders waren wij, want wij wilden vóór de zon te heet zou branden in Mihintale aankomen en de 1840 treden opgeklommen zijn. De weg naar Mihintale is anderhalf uur rijden en voert over een zeer goeden weg dwars door een dicht bosch, waarin ratelslangen in ontelbare menigte voorkomen, waar beeren, tijgers en wilde olifanten vrij rondloopen en waar wij nog meer van zulk soort beestjes hadden kunnen ontmoeten. Elke inlander, die wij op onzen weg ontmoetten, was met een geweer gewapend om zich te verdedigen tegen mogelijke overvallen. Zelfs de vredelievende en niet doodende Boeddhist en de Hindoe gaan toch niet ongewapend door het bosch. Wij ontmoetten echter niets van dat alles, wij hadden zoo graag een avontuurtje gehad, alleen zagen wij prachtig mooie wilde hanen en hennen—het deed mijn hart goed te zien, dat ieder mooi haantje wandelde met één hennetje en toonde in natuurstaat monogaam te zijn,—wij zagen een soort groote bunsings, of hoe die beesten in het Hollandsch mogen heeten en midden op den weg stond een mooi gestreepte jakhals, die toen de koetsier ’t rijtuig liet stilstaan, kalm bleef staan om ons op te nemen. Vogels zagen wij er in menigte, kleine, waarvan het lichaampje niet grooter dan de top van een pink is, mooie bonte en ook zeer groote.

Precies half negen stonden wij aan den voet van den berg, waaraan voor de Boeddhisten zoovele historische herinneringen verbonden zijn. Op dezen berg ontmoette koning Tissa voor het eerst Mahinda, de Indische koningszoon en Boeddhistischen priester, die hem tot het Boeddhisme bekeerde. De legende luidt, dat koning Tissa met groot gevolg op de jacht was en een elk ontmoette van buitengewone schoonheid, die hij niet onder schot kon krijgen. Hij volgde het beest op zijn vlucht, gebood zijne volgelingen achter te blijven, omdat hij alleen dit beest wilde overwinnen, dat op zeer geheimzinnige wijze telkens aan zijn schot ontkwam. Hij volgde het van rots tot rots, tot hij ten slotte op den top van den berg gekomen was, waar het beest op eens onzichtbaar werd, doch waar hij Mahinda in kluizenaarskleeding en in diep gepeins vond zitten. De elk was een priester, die in deze gedaante koning Tissa verschalkte en hem naar boven lokte om Mahinda te ontmoeten en toen plotseling weder in een priester veranderde.

Mahinda vertelde Tissa wie hij was en sprak tot hem over het Boeddhisme. Dit wekte de belangstelling van den koning, die weldra zijn geweer van zich wierp en zich aan de voeten van Mahinda nedervleide. Toen hij wat lang wegbleef, kwamen zijne volgelingen hem zoeken en waren niet weinig verbaasd hun jachtlievenden vorst op die wijze aan de voeten van een kluizenaar te vinden. Zij luisterden nu ook naar hetgeen Mahinda te vertellen had en velen van hen lieten zich daar met hunnen vorst tot het Boeddhisme bekeeren.

Dat deze berg nu tal van historische herinneringen bevat en voor hen, die een indruk van het Boeddhisme willen krijgen, de moeite waard is om te bestijgen, spreekt van zelf. Men moet bedenken, dat het Boeddhisme in Britsch-Indië aan het uitsterven is en nergens nog zoo welig tiert als op Ceylon. De weg naar boven is een gemakkelijke; de 1840 treden zijn voor een deel in de rotsen uitgehouwen, voor een ander deel door groote granietblokken gevormd. Bovendien is er op den weg naar boven telkens zooveel belangrijks te zien, dat dwingt om stil te staan, dat men boven is aangekomen eer men er aan denkt.

Den geheelen weg naar boven voert weder door een dicht woud, dat in den loop der eeuwen op deze steenrots gegroeid is. Hier zagen wij op onzen weg apen, die in rechtopstaande houding met het grootste gemak op mij neerzien en die niet de minste vrees toonden voor hunne menschelijke nazaten. En de boomen zaten vol van de soort, die wij in Artis en in de meeste dierentuinen aantreffen. Het was aardig, die beesten nu eens in hun natuurstaat te bespieden, wanneer wij ons een oogenblik op een rotsblok nederzetten om wat te rusten.

Boven gekomen hadden wij een prachtig uitzicht over een uitgestrekt landschap, dat één groot bosch geleek. Maar ook vonden wij daarboven nog een geheel gave dagaba (d.i. een heilig huisje in den vorm van een immens groote bel, hetwelk een of andere heilige reliquie bevat), waarin de asch van Mahinda bewaard wordt. Er is ook een groote tempel, die gebouwd is over een haar van de wenkbrauwen van Boeddha, later in zijn asch gevonden, en tal van andere zulke belangwekkende oudheden. Alles dateert van eenige eeuwen vóór Christus en alles van hier is ouder dan de Boeddhistische oudheden, in Britsch-Indië ontdekt. Tal van priesters- of kluizenaarswoningen zijn nog in de rotsen te vinden, en wat meer zegt: doen nog als zoodanig dienst. Eenigen van die priesters wonen daar boven in de grootste ontbering. Ik was in een paar hunner zoogenaamde woningen, die niets anders zijn dan een groot hol in de rots, en waarin mij op dien heeten morgen een koude rilling overviel, toen ik er een oogenblik vertoefde. Zij slapen daarin op een gevlochten rieten rustbank en voeden zich met de vruchten uit de bosschen. Hun eenige kleeding is de groote, geel-katoenen doek, waarin zij gewikkeld zijn. Het water drinken zij uit een van de vele vijvers, waarin het stilstaande water in de droge moesson opdroogt en in de natte moesson weder door den regen wordt aangevuld. Tal van beesten zwemmen er in rond. Die vijvers zijn daar in den Boeddhistischen tijd aangelegd, om de wilde beesten van water te voorzien. Die beestjes hebben evenals menschen behoefte aan water; zij zelf zijn niet in staat vijvers te bouwen en daarom hielpen de menschen hen in dit werk.

Een van de priesters vond ik met een brandenden koorts op zijn rieten rustbank in de natkoude spelonk liggen. Ik vertelde hem door middel van onzen gids—anders verstond hij ons niet—dat hij zich door zijne broeders naar buiten moest laten brengen, of nog beter zich in het hospitaal te Anuradhapura laten opnemen, maar glimlachend schudde hij het hoofd, en zeide tot den gids, dat, wanneer hij sterven moest, “dan wilde hij sterven in de nabijheid van de geesten van Boeddha en Mahinda.” Dat zal dan wel gebeuren; zijn groote wensch zal wel vervuld worden. De hooge temperatuur, de lugubere omgeving en de ontbering zullen hem zeker nog wel eerst eenige revelaties geven en dan zal hij misschien in Nirvana sterven. Hoe ver moet het verstand van menschen beneveld zijn, die meenen in zoo’n volslagen nutteloosheid een godgevallig werk te doen? Deze menschen zijn niemand tot nut; zij offeren hun leven voor een waan. Het waren bijna allen nog betrekkelijk jonge mannen, die wij er zagen.

Van hun zachte, niemand en niets kwaad doende natuur getuigt zeker wel, dat ons daar boven een paar vrij in ’t rond vliegende vogeltjes overal op onzen weg volgden, en dan eens op de punt van onzen voet zich neerzetten of tegen onze rokken opliepen en met hunne opgeheven kopjes duidelijk “mother, mother” zeiden en iets, dat wij niet konden verstaan, doch dat de gids verklaarde sanskriet te zijn en beteekende, dat wij ze eenig voedsel moesten geven. Het waren vogeltjes, door de priesters in natuurstaat opgevoed, wien zij allerlei dingen leerden zeggen. Zij noemden ze Myna-birds.

Het is gemakkelijk te begrijpen, dat jaarlijks groote bedevaartgangen naar deze plek gehouden worden. Elk jaar, met opkomende maan, in Juni en Juli, komen er duizenden pelgrims uit Britsch-Indië, Burma en over geheel Ceylon, om hier hun opwachting te maken aan al dat heiligs, dat er te zien is. Zij slapen dan in de open lucht en leven van hetgeen de natuur hun aanbiedt of van hetgeen zij meebrengen. Cocosnooten en bananen zijn er in overvloed en daar kunnen zij best eenige dagen op teren.

De Boeddhisten maken het de Engelsche regeering niet gemakkelijk haar archaeologische onderzoekingen voort te zetten. Zij bespieden de uitgravingen met argusoogen en laten niet toe, dat er ook maar iets aan de heiligdommen beschadigd wordt. Zelfs hebben zij het vorige jaar een verzoekschrift door 5000 Boeddhisten onderteekend, naar de regeering in Engeland gezonden, om te voorkomen, dat er nog meer bosschen worden omgehakt en in vruchtbare rijstvelden herschapen. Zij beweren, dat al die grond, met alles wat er op groeit, door opeenvolgende vorsten aan Boeddha vermaakt is en dat geen menschelijk wezen recht heeft, zich daarvan iets toe te eigenen. Ook hebben zij tot dusver nog verhinderd de een of andere dagaba te openen om te zien wat er zich binnen, in bevindt. Dat is in hun oog groote heiligschennis. Uit de oude archieven, die over geheel Ceylon reeds vele eeuwen vóór Christus met groote duidelijkheid geschreven en bewaard zijn gebleven, moet men de identiteit van de meeste der oudheden vaststellen. De opgravingen zijn eigenlijk nog slechts pas begonnen; wie weet wat zij nog aan den dag zullen brengen, vooral als de regeering op de een of andere wijze de Boeddhisten tevreden kan stellen, hunne gevoelens niet kwetst en toch met krachtige hand de onderzoekingen voortzet.

Voor mijne lezeressen wil ik hieraan nog toevoegen, dat Mahinda eene zuster had, die ook Boeddhiste was, en dat hij die zuster, toen zijn proselietenmakerij zoo succesvol was, liet overkomen om de vrouw van koning Tissa en hare hofdames te bekeeren. Zij kwam en bracht een tak van den bo-boom mede, waaronder Boeddha zeven dagen in heilig afwachten gezeten had; zij plantte dien tak hier, deze schoot weldra wortel en is nu de heilige bo-boom van Anuradhapura. Mahinda’s zuster was even succesvol als haar broeder; de koningin en alle dames uit haar gevolg lieten zich bekeeren en uit deze vormde zij een soort nonnen, die wel op andere wijze dan de priesters of monniken, maar toch ook haar geheele leven aan den dienst van het Boeddhisme wijden, zonder iets anders te doen. De Boeddhistische zusterschap vormt geen nonnen, die, evenals de Katholieke nonnen, zich op de een of andere wijze nuttig trachten te maken voor de menschheid; zij zijn totaal nuttelooze wezens, die haar leven wijden aan den dienst van Boeddha.

Toen wij tegen één uur weder in het hotel aangeland waren, hadden wij nog juist tijd om haastig wat te eten, ons boeltje weder te pakken, om nog met den trein van twee uur weder naar Colombo te vertrekken.

Wij vonden dezen keer opname in het Galle Face Hotel, wat weldra bleek een “betrekkelijk” voorrecht te zijn. Vooreerst is dit hotel tamelijk ver buiten de stad gelegen, zoodat wij minstens een kwartier noodig hebben alvorens wij de stad bereiken en dan is het hoog fashionable. Bijna den geheelen dag is er muziek en niet alleen de gasten van het hotel genieten er van, maar ook de heeren en dames van Colombo’s high life komen hier tea’en, dineeren, dansen en hunne mooie toiletten ten toon spreiden. Achterna bezien was het eenvoudig hotel Bristol, dat toch in zijn soort heel goed was, voor ons veel beter gelegen en doelmatiger geweest. Toen wij ’s avonds in het Galle Face Hotel aankwamen, was een van de vele bals, die hier gegeven worden, in vollen gang. Ik verkeerde door de hitte zoo ongeveer in smeltvorm, maar dat nam niet weg, dat tal van jonge paren—en ook eenige oude—het niet te warm vonden, om in walspas rond te draaien en aan elkanders warmen boezem te rusten. Het was geen frisch schouwspel, dat bal aan te zien.

Ik zou over Ceylon nog wel eenige brieven kunnen vullen, als ik maar tijd had ze neer te pennen. Het land is rijk aan natuurschoon, belangrijk voor den ethnoloog door de verschillende volksstammen, waarvan vele vrijwel nog in natuurstaat verkeeren, en voor den archaeoloog om van te watertanden. De uitgravingen zijn op verschillende plaatsen op Ceylon in vollen gang en leveren overal prachtige resultaten. Voor allen, die naar Indië gaan of van daar huiswaarts keeren, is het zeer loonend een tweeweeksch oponthoud in Colombo te maken en dan die dagen in Kandy door te brengen.