In Britsch-Indië.

Van Colombo tot Madras.

2 Februari. Wij gaan over eenige uren Ceylon verlaten, om ons naar het vaste land van Britsch-Indië te begeven.

Vóór ik over dit enorm uitgebreide land, dat even groot is als heel Europa zonder Rusland, waar 404 talen door 300.000.000 menschen gesproken worden, waar dagelijks couranten in 22 talen verschijnen, waar behalve Christenen en Joden, menschen leven, die tot alle oude godsdiensten met honderden sekten behooren, begin te schrijven, moet ik de lezers waarschuwen, dat alle schrijvers over Indië het er over eens zijn, dat zelfs indien men 25 jaren in Indië heeft gewoond met het doel land en volk te bestudeeren, men dan nog ten slotte tot de conclusie komt, dat men er eigenlijk niets van weet. Dit land, dat het oudste land op aarde schijnt geweest te zijn, waar de eerste wetenschap beoefend werd en van waar de beschaving is uitgegaan, schijnt voor vreemdelingen ondoorgrondelijk. Wij zijn van plan in twee maanden tijd dit uitgebreide land van Zuid tot West, van Noord tot Oost te doorkruisen en in alle belangrijke plaatsen een of meer dagen te vertoeven. Vóór wij de reis aanvingen, hebben wij moeten kiezen tusschen al het belangrijke wat dit land te zien en te leeren geeft om onze reisroute te kunnen vaststellen. Wij zullen de plaatsen bezoeken, waar wij belangrijke oude tempels vinden, de steden, waar de hoofdgodsdiensten de omgeving beïnvloeden en eenige mooie bergtoeren maken. Daarvoor gaan wij van Tutticorin naar Madras, en vandaar naar Bombay, onderweg verschillende plaatsen aandoende. Van Bombay gaan wij Noordelijk tot Lahore en dan naar Calcutta. Zooveel mogelijk zal ik van alle plaatsen die wij aandoen het vermeldenswaardige vermelden en de indrukken mededeelen, die ik opdoe. Dat die indrukken vluchtige zijn, spreekt van zelf en dat zij altijd precies zullen wedergeven wat de toestanden in werkelijkheid zijn, wil ik niet belooven. Misschien zijn er onder mijne lezers, die dezelfde reis al eens gemaakt hebben en andere indrukken opdeden, dat is zeer wel mogelijk. Men verwachte van mij dan ook geene beschrijving van Britsch-Indië, geen volledigheid van de onderwerpen, die ik aanroer, maar alleen een beschrijving van wat ik zag, wat ik ondervond, en wat ik van dat alles denk.

3 Februari. Met een uitstekende boot met groote, comfortabele hutten, goede badkamers en zeer goede keuken, de “Bharatta”, staken wij van Colombo naar Tutticorin over. Hadden wij bij aankomst in Colombo gemist de mooie haven te zien, bij ons vertrek van Ceylon hadden wij daartoe alle gelegenheid. Om zeven uur van ochtend bracht de boot ons op vijf mijlen afstand van Tutticorin, van waar wij in een kleine stoombarkas met onze bagage aan land werden gebracht. Spoedig daarna reisden wij af naar Madura, alwaar onze eerste stopplaats voor Indië zou zijn. De treinreis bood niet veel bijzonders, het landschap was vlak en dor, de natives aan den weg van het soort, zooals wij ook op Ceylon hadden gezien, alleen de Sinhaleezen ontbraken. De zon in dit deel van de wereld, waarin het altijd heet en altijd dor en droog is, gloeide door de tralies van onze jalouzieën voor de waggonraampjes. Gelukkig voorzien de spoorwegdirecties de compartimenten van goede electrische waaiers, die ten minste eenige koelte aanbrengen. Als men bedenkt, dat alle gidsboeken, (ongelukkig heeft Baedeker den tijd nog niet gekomen geacht een Baedeker van Indië uit te geven), er voor waarschuwen in Indië—vooral in treinen en stations—water of melk te drinken, dat men niet zelf vooraf gekookt heeft, vruchten aan de stilstaande treinen van inlanders te koopen en die te eten, in de restauratiewagens salade, vruchten zonder schil of met zachte schil te nuttigen, vleesch en visch zooveel mogelijk onaangeroerd te laten, dan blijft er niet veel over, waaraan de verhitte en hongerige toerist dorst en honger kan laven. De lijst van zaken, die in dit land “dangerouszijn, is inderdaad zoo groot, dat het mij niet verwondert, dat men in Engeland dankgebeden in de kerken opzond en een algemeenen feestdag hield, toen koning George en zijne gemalin heelhuids door dit land heengekomen waren. Wij zullen probeeren dat kunststukje na te doen.

Het eenig verschil wat wij aan den weg tusschen de kleurlingen hier en op Ceylon opmerken, is, dat hier bijna elke man, vrouw en kind gemerkt zijn. Op Ceylon waren het slechts weinigen, die wij hier en daar gemerkt zagen. Zij hebben dan midden op het voorhoofd—soms gaande tot over de neus—witte, gele of roode strepen en ronde roode plekken, strepen in horizontale of in verticale richting. Elk merk geeft aan tot welke godsdienst of tot welke kaste de bezitter behoort. Soms zag ik iemand met drie horizontale witte strepen, gaande van ’t eene eind tot het andere einde van het voorhoofd en daaronder, vlak boven de neus, een vermiljoen roode stip, ter grootte van een gulden. Anderen hadden verticale, witte strepen, waarvan de middelste tot over de neus tot aan de punt liep. Een klein, naakt meisje had drie gele strepen over haar voorhoofd en men had getracht hare bruine wangetjes en rondom het kleine mondje een oranje-gele tint te geven. Allerlei variaties op dit thema zijn aangebracht en met mijn gidsboek tot hulp heb ik getracht deze en gene soort te identificeeren. Geen gemakkelijke taak.

Om half drie arriveerden wij in Madura, een stadje van ruim 100.000 inwoners, alleen door inlanders bewoond en vol van historische oudheden. Een hotel is er niet te vinden, doch de spoorwegmaatschappij heeft het den reizigers mogelijk gemaakt om er een dag te vertoeven, door op het dak van het station een groote open veranda te bouwen met zes min of meer afgesloten... laat mij zeggen, kamers, waarin in ieder twee ledikanten staan en die van frissche badgelegenheden zijn voorzien. Als men den dag te voren telegrafeert, zoo’n telegram kost niets, dan is men vrij zeker een onderdak te vinden, want niemand mag langer dan 24 uren zoo’n kamer occupeeren. Wij hadden de voorzorg om te telegrafeeren genomen en vonden dus een kamer voor ons gereserveerd. Wij zullen op onze toer door Indië nog wel meer van zulke stationgelegenheden gebruik moeten maken, als dan alle zoo eenvoudig doch goed als deze zijn, zijn wij tevreden. Alleen zouden wij gaarne, als het voor het vragen was, wat minder bezoek van ratten en muizen hebben, die zich hier al bijzonder thuis gevoelen. Maar in Indië, nog meer dan op Ceylon, waar het leven van alle dieren heilig is, moeten wij niet verwachten, dat zulke beestjes uitgeroeid worden.

Wij zijn lucky toeristen. Juist den dag dat wij aankwamen, was een belangrijke feestdag voor de Hindu’s. Het was de Chitraï, op een na de voornaamste van alle Hindu’sche feestelijkheden. Het feest vindt elk jaar plaats op den eersten dag van volle maan, in de Hindu’sche maand Tai, die valt tusschen Januari en Februari. Wij hadden nu wel heel veel moeite een rijtuig en een gids te vinden, want allen en alles was getogen naar den tempel Teppakulam, waar de heilige processie zou plaats vinden, op ongeveer vier mijlen afstand van hier. Den geheelen dag brachten locaaltreinen Hindu’s uit de omgeving aan om aan de processie en de daarmee gepaard gaande feestelijkheden deel te nemen, zoodat duizenden en duizenden hunner dezen dag in Madura bijeen waren. Met behulp van den stationschef kregen wij ten slotte om ruim vijf uur een jutka, dat is een wagentje in den vorm van een groote rioolpijp op twee wielen, doch van riet gemaakt en met een os bespannen. De inlanders gaan er in liggen, of zitten er in op hunne gekruiste beenen, wij verkozen er achter in te kruipen en onze beenen naar buiten te laten hangen. Wij kregen ten slotte ook in plaats van een os, een paardje, maar een paardje, dat niet grooter was dan een muis. Wij moesten onze hoeden afzetten en achter ons neerleggen, want boven onze hoofden werd het ronde ding natuurlijk steeds nauwer en liet nauwelijks genoeg ruimte om onze hoofden fier op te houden. Bij elke oneffenheid in den weg, of bij elke kromming, caramboleerden onze hoofden tegen elkaar of tegen de wagenwanden. Mijn valsche pruik beschutte mij voor menige buil.

Op onzen weg passeerden wij de dichte drommen inlanders, die allen naar het feest togen. De vijf olifanten, de heilige, die een voorname plaats bij elk heilig feest van Buddhisten en Hindu’s innemen zagen wij prachtig uitgedost heenvoeren. Een er van boog vriendelijk voor ons en bood toen zijn snuit voor een belooning aan. Wij staken voor deze beleefdheid een paar koperstukjes in den snuit, die onmiddellijk aan den op hem zittenden priester oversnuit werden. Eenige hooge en voorname priesters werden in prachtig versierde baldakijns heen gebracht. De baldakijns werden door 8 mannen gedragen, voor en achter en aan beide zijden door muzikanten omgeven. De muziek werd gegeven door mannen, die op fluiten bliezen, op trommels sloegen, met rinkelbellen en andere bellen rinkelden, of met twee stukjes metaal op elkaar sloegen. De Hindu’sche bediende van den stationschef die ons tot gids diende, en die een beetje Engelsch sprak, vond de muziek prachtig; ik kon er niet veel harmonie in ontdekken.

De geheele weg was met gele bloemen en gele bladen versierd, alle vrouwen en meisjes droegen gele bloemen in de haren en hadden kransen van gele bloemen om den hals. Geel was de heilige kleur. Alle Siwabeelden bij den weg kregen offeranden van gele bloemen. Na ongeveer drie kwartier in onze ongemakkelijke koets gereden te hebben, kwamen wij op de heilige plaats aan. Daar was een reuzengroote tank of vijver, waar midden in op een eilandje een mooie tempel stond, de Teppakulam, voor wie de feestdag gold. Met een bootje moesten wij er heenroeien. Maar die bootjes, van den meest primitieven vorm en constructie (sommige geleken op heele groote, halve kokosnootdoppen) konden niet aan de oevers van de vijver komen. Voor de Hindus, die allen blootvoets en blootbeens zijn, levert dat natuurlijk geen bezwaar op, maar wij konden onze benedenlichamen moeilijk blootstellen aan zulk een koudwaterbad. Onze jonge gids wist echter voor die twee vreemde dames de menigte, die er om vocht om in de bootjes te komen, op een afstand te houden, het bootje zoo dicht mogelijk aan wal te laten komen, en toen met behulp van twee mannen en een koenen, jeugdigen sprong, kwamen wij in een scheepje terecht, waarvan de bestuurder uit diepe eerbied voor de twee blanken onder de zwarten—eerlijk gezegd heeft de zon in Ceylon van mij reeds bijna een kleurling gemaakt en, ik kon best voor een der hunnen doorgaan—niemand meer veroorloofde plaats te nemen. Hij roeide ons naar den tempel, waar een jonge priester ons onmiddellijk met een krans gele bloemen behing, waarvoor wij hem een rupee moesten offeren. Spoedig nadat wij aangekomen waren, werden de duizenden lichtjes ontstoken. Het waren alle aarden olielampen van antieken vorm, waarin olie en een zakje met brandbare stof. Walm gaven zij genoeg. De processie was eenig om aan te zien. Het Siwabeeld, vol behangen met gouden kettingen en edelsteenen, achter hem aan het beeld van zijn vrouw, minder kostbaar versierd, werd rondgedragen. Rondom muzikanten van het reeds beschreven soort. De dragers waren Brahmanen, dat is op een na de hoogste kaste hier. Zij alleen genieten de eer Siwa en zijne gemalin rond te dragen. Vooraan liepen vele priesters maar allereerst een groep dansmeisjes, Nautchgirls, de heilige prostituees. Voor een nuchteren toeschouwer was het meest humoristische van deze groep, de twee mannen te zien, die aan beide zijden van het Siwabeeld liepen met reuzengroote waaiers en daarmede zwaaiden, dat het zweet van hun naakte lichamen droop, met het doel Siwa koelte aan te brengen. Maar de geheele groep, waarin ook een paard van goud werd rondgedragen, was zoo’n mooi stuk bont oriëntalisch geheel, dat het mij onuitsprekelijk boeide.

Voor degenen, die het niet mochten weten, is Siwa een van de drie godheden der Hindu’s, Brahma, Vishnu en Siwa, maar ’t wordt verondersteld dat Siwa in honderden—onze Hindu-gids zegt duizenden—verschillende vormen op aarde kwam en in al die vormen wordt hij door zijne volgelingen vereerd. Madura is de meest Hindusche stad in Indië en de oude tempel, dien wij den volgenden morgen gingen zien, de mooiste en grootste van geheel Indië. Nergens ook leven zooveel dansmeisjes als in Madura, waar haar aantal meer dan 200 is. Zij wonen in een afzonderlijke straat. Men vertelde ons, dat deze, die wij niet anders dan prostituees zouden noemen, toch van deze daarin verschillen, dat zij zich nimmer verlagen om een blanken man te dienen, dat zij alleen met Hindumannen verkeeren. Zij worden dansmeisjes genoemd, omdat zij bij alle heilige feesten in de tempels dansen en zij zijn met een soort heiligheid omgeven, omdat zij de priesters “unentgeltlich” ten dienste staan. Onder de Europeesche schrijvers over Engelsch Indië zijn er echter verscheidene, die beweren, dat deze vrouwen voor geld en lieve woorden ook wel eens een blanken man hare gunsten verkoopen.

4 Februari. Wij gingen den volgenden morgen vroeg den ouden tempel zien, die inderdaad in vele opzichten een wonder is. Het Hindu-knechtje van den stationschef diende ons weder tot gids. Deze tempel is niet zoo heel oud, dateert van het begin der 17e eeuw, hij is echter bijzonder goed bewaard gebleven. Al de beelden en beeldengroepen zijn stucadoorswerk en later geschilderd. Men beweert, dat het inwendig deel van den tempel reeds in de 5e eeuw moet bestaan hebben, want er zijn schrijvers uit dien tijd, die er reeds van gewagen. Nadat wij dezen tempel genoegzaam eer bewezen hadden, zagen wij het oude koninklijke paleis, dat nu tot officieel gebouw dient en waarin de gemeenteraad zitting had en zagen wij de groote bo-boom, die op één na (in Calcutta is een nog grooter) de grootste van de geheele wereld is. Een bo-boom is een heilige banyanboom, een oude Waringin, die door zijne vele luchtwortels tot stammen gegroeid, een groep boomen gelijkt, doch inderdaad slechts één boom is. Deze bo-boom was heilig verklaard, wijl hij in staat bleek, vrouwen, die van den duivel bezeten zijn, als zij er deemoedig voor bidden en er offeranden voor brengen, te verlossen. Er zijn dingen voor minder nuttige diensten heilig verklaard!

Toen wij om 12 uur van onzen rijtoer terugkeerden, stond vlak voor het station, in de brandende zon, een geheel naakte man; alleen zijn lendenen waren met een doek omgord. Zijn geheele bruine body was met heilige asch grijs gekleurd. Zijn oogen leken bloedrood. Hij stond op één been, het andere gestrekt voor zich uit. Het was een fanaticus, die door zelfkastijding zich trachtte te zuiveren van begane zonden. Hoe lang die man daar reeds gestaan had toen wij arriveerden, kan ik niet zeggen, maar toen wij om half drie vertrokken stond hij daar nog op hetzelfde eene been. In elk ander land zou zoo’n grappenmaker met zachte hand naar een krankzinnigengesticht overgebracht worden, hier wekte hij van elken voorbijganger bewondering en een eerbiedig medelijden op.

Vóór ik van Madura vertrek moet ik nog opmerken, dat de voornaamste industrie hier in de stad het weven is, wat nog overal thuis op de ouderwetsche handweeftoestellen geschiedt. Wij zagen er velen buitenshuis dit handwerk beoefenen. Zeer mooie fijne, zijden en katoenen stoffen maakten zij. Het wasschen en het verven der geweven stoffen geschiedt ook hier. Ruim de helft der bevolking is wevers, zij vormen een afzonderlijke kaste, de weverskaste, die ook hun eigen voorhoofdmerk dragen.

De hoogste kaste in Madura en omgeving zijn de Kallars of roovers. Deze menschen leven bijna uitsluitend van roof. Geheele dorpen rondom Madura zijn geheel door Kallars bevolkt. Tegen de niemand en niets ontziende leden van deze kaste hebben de Engelsche regeering en ook de overige bewoners van dit district reeds alles beproefd wat denkbaar is, maar zij kunnen ze niet kwijt worden. In 1896 en ’97 nam de regeering zeer ernstige maatregelen tegen hen, waardoor zij tijdelijk in toom werden gehouden en er reeds eenigen hunne bezittingen te gelde maakten en naar andere oorden vertrokken. Maar in het midden van 1897 ontvoerden de Kallars de vrouw en oudste dochter van een invloedrijk man uit Madura en zeiden, dat deze vrouwen alleen tegen een hoog losgeld weder teruggebracht zouden worden. Indien echter de politie of iemand anders een der Kallars een haar mocht krenken, of indien de politiemaatregelen tegen hen niet mochten opgeheven worden, dan zouden binnen kort alle vrouwen uit het district op even geheimzinnige wijze verdwijnen en niemand harer zou terugkeeren. De bevolking was daardoor zoo beangst geworden, dat zij smeekten de politiemaatregelen weder op te heffen. Zij wilde liever weder onder het oude regime leven. De politie kan nu niet veel anders doen dan elkeen waarschuwen op zijn hoede te zijn.

Nog op een andere bijzonderheid wil ik wijzen, want ik weet niet of ik dat in zoo’n hooge mate wel meer in Indië zal zien. De vrouwen hier schijnen lange oorlellen bijzonder gracieus te vinden. Wij zagen er met oorlellen die op de schouders neerhingen. Om dat schoone resultaat te bereiken, worden de oorlellen van meisjes op den 8en dag na de geboorte doorboord en met steeds zwaarder ringen behangen. Als de kinderen ouder worden dan hangt men stukjes lood aan de ringen om een sneller verloop te verkrijgen.

Dezen eenen dag in Indië kregen wij ieder minstens een dozijn certificaten te teekenen over de braafheid en eerlijkheid en geschiktheid der verschillende menschen, waarmede wij in aanraking kwamen. De gids, hoewel geen gids van professie, de koetsier, de juffrouw van de stationskamers, de restaurateur, de winkelier van wie wij een kleinigheid kochten en al zulke menschen meer, vroegen een getuigschrift, dat wij met hunne handelingen tevreden waren en wilden liefst, dat wij naast onze handteekening een visitekaartje plakten. Elkeen loopt hier met een boek certificaten in zijn zak en duwt je dat direct onder de neus om zijne voortreffelijkheid te bewijzen. Sommige van die certificaten, vooral als zij in de Fransche of Duitsche taal zijn geschreven, want dat verstaan de goede menschen niet, zijn in ’t geheel geen aanbeveling. In een er van vond ik zelfs een Hollandsch getuigenis door een landgenoot gegeven, dat luidde: “Hoedt u voor dezen man die u afzet op honderdlei wijzen!” De man vroeg mij of ik dat lezen kon, of ik het dan voor hem vertalen wilde en ik gaf als vertaling: “Dit is de eerlijkste man in de wereld!” “Ja”, zeide hij, “dien mijnheer heb ik ook zoo goed behandeld”.

5 Febr. Om 8 uur kwamen wij ’s avonds in Trichinopoly aan, waar wij na een schraal diner en na een gids voor den volgenden morgen besproken te hebben, gauw op onze primitieve bedden kropen. Wij moesten weder in de stationsgelegenheid overnachten, die veel primitiever was dan de vorige. Daar wij hier met eigen bedtoebehooren moeten reizen en alleen ijzeren bedden met ijzeren matrassen vinden, behoeven wij voor bewoonde bedden niet te vreezen; daardoor is onze nachtrust een veel kalmere.

Wij reden vanmorgen eerst naar den verst af zijnden tempel, die de grootste in zijn soort in Indië is. Het is een tempel aan Vishnu gewijd, waarin Vishnu voornamelijk gehuldigd wordt als de dans- en vermaak-lievende God. Erg aanschouwelijk wordt dat in de verschillende beelden op en in de enorm grooten tempel voorgesteld; voor de openbare zedelijkheid ware het misschien wenschelijk, dat vele van deze beelden met een sluier van welvoegelijkheid bedekt werden. Als die tempel in ons land stond dan zouden onder onze tegenwoordige Zedelijkheidswet zeer zeker vele van de zinnebeeldige voorstellingen uit de graniet zuilen uitgehakt worden. Zij geven echter een goed beeld van verheerlijking der zinnelijkheid in den Hindu’schen godsdienst. Den geheelen morgen wijdden wij aan het bezichtigen van al de tempels in den omtrek en vanmiddag gingen wij een kijkje nemen van de industrie die in Trichinopoly beoefend wordt. Het is in hoofdzaak goud- en zilverwerk, filigrainwerk, wat ook al weer door elkeen in eigen hut of nog meer vóór de hut, uitgevoerd wordt.

Zuid-Indië, waarin wij nu reizen, is door zijne Hindu-tempels vermaard, daarom bezochten wij de voornaamsten er van. Maar wij hebben er nu genoeg van gezien en zullen niet meer, zooals wij eerst van plan waren, in Tanjore uitstappen om ook daar tempels te zien, maar liever in eens doorreizen naar Madras.

7 Febr. ’n Tocht van 7 uur ’s avonds tot 8 uur den volgenden morgen bracht ons in Madras, alwaar wij na in een hotel een frisch bad en een goed ontbijt genomen te hebben, ons onmiddellijk per rijtuig op weg begaven. Madras is een vrij onbelangrijke stad, bezit eenige onbeduidende Hindu-tempels en eenige mooie officieele nieuwe gebouwen. Alleen voor hen die de occulte godsdiensten grondig bestudeeren willen, is Madras belangrijk. Daar hier de eerste Theosophische school door mad. Blavatsky en haar medewerker Olcott gesticht is, gingen wij daar een kijkje nemen. Even buiten Madras, in Adyar, is een zeer mooi gelegen en smaakvol aangelegd stuk grond, waarop deze school, met haar uitgebreide bibliotheek en verschillende woonhuizen, waarin de studenten en allen die tot de school in betrekking staan, wonen, is gevestigd.

Wij troffen er den vriendelijken secretaris mr. Aria, een Parsee, die ons alle inlichtingen gaf die wij wenschten. Verscheidene Hollandsche heeren en dames zijn op dit oogenblik in en aan deze school werkzaam. In de ruime, frissche hall van het hoofdgebouw stond een levensgroot beeld van de twee stichters van de school, mad. Blavatsky en kolonel Olcott. In Benares, waar wij later komen, is de tweede theosophische school gevestigd. Veel volgelingen hebben de theosophische leerstellingen nog niet gevonden. Als men bedenkt, dat de eerste school reeds in 1875 werd gesticht, dan is het tal actueele leden over de geheele wereld, dat volgens de officieele opgaven niet meer dan 23.000 bedraagt, zeer klein.

Nadat wij alle bezienswaardigheden en het Madrassche borduurwerk, door de vrouwen verricht, tegen ongeveer half twee gezien hadden, keerden wij naar het hotel terug, lunchten en namen eenige uren rust. Om vijf uur gingen wij nog eens een rijtoer maken door de omgeving van de stad, waar de élite op dat uur bijeen komt, en om 9 uur zaten wij weder in den trein, om rechtdoor naar Bombay af te reizen. Wij hadden genoeg van Zuid-Indië.

Terwijl de inboorlingen Van Zuid-Afrika, de groote kind-menschen, met hun kinderlijke begrippen, hun kinderlijke wijze van zich op te sieren, hun kinderlijk geloof, mijn volle sympathie wekten en ik gaarne voor hen zou willen werken, om ze tegen te ruwe handelingen te beschermen, ik mij tot de inboorlingen van Ceylon, met hun zacht-vrouwelijke trekken, hun lieve, vriendelijke oogen, hun gracieuse bewegingen en hun tevreden voorkomen, aangetrokken gevoelde, zoo zelfs, dat ik het voor de hoogste zaligheid houd, in het binnenland van Ceylon een kinderschooltje met deze lieve, mooie kindertjes te hebben, wekten de inboorlingen van Zuid-Indië mijn—en ook die van mijne reisgezellin—grootste afkeer op.

Deze ruwe, zinnelijke, domme, fanatieke bedrieger-gezichten, die drie keer daags in een stilstaand water een bad nemen om zich van hunne zonden te zuiveren—elke onderdompeling in het vieze slootwater neemt een bedreven zonde weg,—en die dikwijls direct daarna zich rondwentelen in een hoop excrementen van een koe, omdat dat dier heilig is, wekten, met alles wat hen omgeeft, hun geheelen godsdienst incluis, mijn grootsten weerzin op. Als het ander deel van Indië en de andere inboorlingen geen beteren indruk weten te wekken, als elke Hindu en andere Indische inboorlingen bedelaars en bedriegers blijken te zijn, als alle merkwaardigheden in Britsch-Indië ons zoo gauw gaan vervelen, neen, erger nog, in vele opzichten verontwaardiging wekken, zooals de Hindusche tempels, dan gaan wij snel door het land en zullen eerder dan ons plan was Calcutta bereiken.

Het is echter te hopen, dat Engeland er in geslaagd is, van het overige deel van dit oude land iets beters terecht te brengen.

9 Febr. Den 5en Februari vertrokken wij ’s avonds om 9 uur van Madras en kwamen den 7en Februari ’s morgens om 6 uur in Bombay aan. Wij waren toen 6 dagen en route geweest, hadden daarvan een nacht in de boot, twee nachten in stationsslaapplaatsen en drie nachten in den trein doorgebracht. Wij namen ons derhalve voor in Bombay eenige dagen zeer rustig door te brengen.

Bombay.

I.

Toen wij ’s morgens om 6 uur arriveerden, lag de stad nog in nachtelijk duister, de straatlantaarns gaven alleen eenig licht. Wij konden nu zien, hoe de stille straten van een Oostersche stad er bij nacht uitzien. Langs den geheelen weg van het station tot het hotel, minstens 20 minuten rijden, lagen de menschen langs den huizenkant buiten te slapen. Soms, waar wij wat nauwere straten hadden te passeeren, ging het rijtuig dwars tusschen de slapende Bombayers door. Het is natuurlijk dat soort menschen, dat ’s morgens “zijn bed opneemt en gaat wandelen”, menschen, die waarschijnlijk geen woning hebben en er ook de behoefte niet aan gevoelen. Want ook wanneer deze menschen een woning hadden, zouden zij tehuis geen zachtere slaapplaats kiezen.

Het hotel, Taj Mahalhotel, waarin wij intrek namen, wordt het grootste hotel van de wereld genoemd. Het is zeer zeker waard even vermeld te worden. Het is een navolging van de Taj Mahal-tempel in Agra, waarover ik later zal spreken, als wij daar geweest zijn. Een rijke Parsee heeft in dit hotel een groot deel van zijn kapitaal gestoken, omdat hij Bombay de eer wilde geven, het beste hotel van de wereld te hebben. Ik geloof niet, dat hij daarin geslaagd is, ook al omdat het Oostersche klimaat niet toelaat de luxe aan te brengen, die men in vele groote Europeesche hotels vindt. Hoe het zij, het is een zeer mooi en comfortabel hotel, met prachtig uitzicht, zoowel op de zee als op de stad.

De stad Bombay is de meest Europeesche stad, die men zich denken kan. Als men de native town, het gedeelte, waar de Oosterlingen wonen en hunne winkels hebben, er buiten laat, dan kon deze stad even goed ergens in Duitschland of Frankrijk of Engeland liggen, als juist hier. Het is een stad met mooie moderne gebouwen, breede, ruime straten, groote pleinen met standbeelden, tuinen en parken; het geheel geeft den indruk een welvarende stad te zijn, die goed en zindelijk beheerd wordt. Wij maakten denzelfden middag van onze aankomst een rijtoer van eenige uren om een indruk van de stad te krijgen en gaven hier en daar ons visitekaartje met een introductiebrief af, bij personen, waarvoor wij eene aanbeveling ontvangen hadden. Reeds denzelfden avond ontvingen wij een bezoek van een Engelsche lady-doctor, die ons velerlei inlichtingen gaf.

Den volgenden morgen brachten wij het allereerst een bezoek aan de native town, waar wij haast verblind werden door de helle kleuren, door mannen en vrouwen beide gedragen. Mannen met blauwe, bruine of witte beenbekleeding (geen broeken) met emerald vesten en roode, groene of goudgele turbans. Vrouwen met kersroode, hardrose of zeegroene zijden doeken, waarin zij van hoofd tot voeten gewikkeld zijn, waarvan de randen rondom met een gouden band zijn afgewerkt. Men beweert, dat er meer dan 40 dialecten alleen in dat stadsdeel gesproken worden.

Des middags gingen wij datgene in Bombay zien, waarvoor de meeste toeristen alleen Bombay bezoeken en er een dag verblijven. Ik wil den lezer waarschuwen, dat ik nu over griezelige dingen ga schrijven, dingen, die griezelig zijn als men er over leest, doch als men ze ziet, dan verdwijnt het afschuwelijke er van voor een groot deel.

Zooals men weet, verbranden de Boeddhisten en Hindoe’s hunne lijken, doch overal, waar wij tot nog toe waren, vertelde men ons, dat daarvoor niet een bepaalde plaats bestond, elke familie verbrandde het lijk van zijn naastbestaande ergens dicht bij een stroom of ergens in een bosch, zoodat wij daarvan niets konden zien. Hier in Bombay hebben de Hindoe’s hun verbrandplaats en daarheen begaven wij ons. Men moet om toegelaten te worden eene aanbeveling medebrengen en die bezaten wij.

Iets somberders dan deze plaats, waar het lichaam voor de laatste maal heengeleid wordt, is niet denkbaar. Het is niet anders dan een groote, langwerpig-vierkante ruimte, omgeven door kale muren. Op verschillende plaatsen stonden vier ijzeren stangen, twee aan twee tegenover elkander. Tusschen deze ijzeren stangen wordt het hout opgestapeld en het lijk gelegd. Verder eenige houten banken, waarop de familieleden kunnen rusten, onderwijl het lijk van hun naastbestaande verbrand wordt. Dat is alles. Wij zagen een vuur branden, doch het lijk was reeds verteerd. Toen wij daarnaar stonden te kijken, kwamen op eens eenige in het wit gekleede mannen de poort binnen, die een nieuw lijk brachten. Het was het lijk van een volwassen mensch, dat geheel in een wit laken gehuld, op twee palen gebonden, door 8 mannen op de schouders naar binnen gedragen werd. Daar werd het van de palen verwijderd, daarna het hout opgestapeld, het lijk er tusschen gelegd..... Wij hadden er genoeg van gezien, ons verbeeldingsvermogen kon het verder wel uitwerken. De man, die ons rondgeleidde, vertelde, dat voor lijken van rijke menschen echt sandelwood gebruikt wordt, zoodat het vuur soms drie- à vierhonderd rupees kost. De asch der verbrande lijken wordt in de meeste gevallen aan de vier windstreken prijsgegeven, door sommige familieleden wordt zij verzameld en naar Benares opgestuurd om in den heiligen Ganges geworpen te worden.

Hier op deze verbrandplaats was zoo duidelijk te kennen gegeven, dat de Hindoe niet de minste waarde hecht aan het omhulsel van den mensch. De ziel is alles en die heeft natuurlijk reeds lang het doode lichaam verlaten en is in een ander levend wezen overgegaan. Dat is hun geloof.

Van deze trieste plaats gingen wij naar de plaats waar de Parsees hunne lijken brengen. Laat mij vooraf mededeelen, wie de Parsees zijn. Het zijn de oorspronkelijke bannelingen uit Perzië, die ruim acht eeuwen geleden in Indië kwamen en eerst toen Indië onder Britsche heerschappij kwam, tot welvaart en ontwikkeling konden komen. In het algemeen gesproken, zijn zij de intelligentste van de rassen hier. Niet alleen de mannen, maar ook de vrouwen en dochters der Parsees zijn hoogst ontwikkelde personen, die de universiteiten alhier bezoeken en in de verschillende vakken promoveeren. Niettegenstaande hun aantal betrekkelijk klein is, in Bombay, waar zij voornamelijk wonen, zijn er nog geen 50.000, wordt toch feitelijk deze stad geheel door hen beheerd. Alle groote financieele en commercieele ondernemingen gaan van hen uit, alle mooie, groote paleizen worden door hen bewoond. Ook in den gemeenteraad vormen zij verreweg de meerderheid en voor alle groote functiën worden zij aangewezen. Geen enkele philantropische of wetenschappelijke instelling kan bestaan, als de Parsee-prinsen er niet hun goedkeuring en hun financieelen steun aan schenken.

Deze Parsees zijn Zoroasters, zij aanbidden zon, maan, aarde, lucht en vuur. In hun tempels, waarin niemand, die geen Parsee is, wordt toegelaten, brandt eeuwig een vuur. Dat vuur aanbidden zij, zooals zij buiten den tempel zon en maan, aarde en lucht aanbidden. Zij zijn van meening, dat zij hunne dooden niet kunnen begraven, omdat zij dan de aarde verontreinigen zullen; door ze te verbranden, ontheiligen zij ’t vuur en zoo hebben zij er wat anders op bedacht. Maar laat mij den lezer langzaam op het komende voorbereiden. Het rijtuig bracht ons langzaam een mooi begroeiden heuvel op, vanwaar wij een prachtig uitzicht op de zee en op de stad onder ons hadden. Voor een poort gekomen, hield de koetsier halt en wees ons naar binnen te gaan. Nadat wij onze introductie vertoond hadden, gingen wij een eind door een prachtige allee met in bloei staande boomen en kwamen toen in een wondervollen bloementuin. Een intelligente man, daarvoor waarschijnlijk aangewezen, ging met ons rond en wees ons op al het schoone, vooral op de zeer mooie vergezichten, die men op menige plek genieten kan. Het eenige wat in dezen tuin hinderde, was het onophoudelijk gekrijsch van de honderden roofvogels boven ons. Wij mochten niet verder gaan dan tot op een zekere plek, “de Vaarwelhoek” genaamd. Niemand mag dien hoek overschrijden, ook de Parsees niet. Alleen de wachters van de torens, “de Torens van Stilzwijgen”, hebben daartoe het recht. Die torens van stilzwijgen waren van die plek geheel te zien. Er zijn er vijf. Het zijn ronde, tien à vijftien meter hooge, van boven open, torens, met slechts ééne opening, de deuropening. De randen van die torens zitten rondom vol groote gieren, wachtende op hun prooi. Als er geen epidemie heerscht komen er dagelijks twee à drie lijken. Tot aan den Vaarwelhoek wordt het lijk door de familieleden gebracht, daar nemen de wachters van de torens van stilzwijgen het in ontvangst, de familieleden verwijderen zich, of gaan bidden in den tempel van den tuin en het lijk wordt in een der torens van stilzwijgen neergelegd. Nauwelijks hebben de gieren de torendeur hooren kraken of met snellen wiekslag zijn allen, die niet reeds tevoren op de randen zaten te wachten, aangevlogen, om den prooi in ontvangst te nemen. In minder dan twee uren, soms niet meer dan in een uur, hebben deze roofdieren het lijk geheel opgegeten, niets dan het zuiver afgekloven skelet is overgebleven. Door de heete zonnestralen worden deze beenderen in een paar dagen geheel gedroogd en daarna tot asch verbrand. Het geheele proces, zooals het daar plaats vindt, werd ons in een klein toestel aanschouwelijk voorgesteld. Op deze wijze meenen de Parsees dat zij voldoen aan het wijze woord: “Uit asch zijt gij opgebouwd en tot asch zult gij wederkeeren.” Het komt mij voor, dat alleen de beenderen op die wijze tot asch wederkeeren, maar op zoo’n kleinigheid moet men niet letten. Het mag vreemd schijnen, dat wij op deze plaats niet zoo somber gestemd werden als op de verbrandplaats der Hindoe’s. De prachtige omgeving nam al het sombere en het griezelige hier weg. Trouwens, als men zijn gevoel een oogenblik het zwijgen oplegt, het verstand alleen laat spreken, dan vraagt men zich af, is er tusschen deze wijze van handelen en het begraven der lijken wel zoo’n groot verschil? Wat hier bijna zichtbaar geschiedt, het opeten der lijken, geschiedt onder den grond op minder snelle wijze toch ook. Wij denken daaraan niet en doordat wij het niet zien, stellen wij ons, hetgeen met de lijken die wij begraven geschiedt, anders voor. Als hier die gieren niet zoo luidruchtig hunne vreugde te kennen gaven als er voedsel voor hen in aantocht is, en niet zoo zichtbaar op hun prooi zaten te wachten, zou het minder wreed lijken.

Maar genoeg over deze griezeligheden, ik ga nu slapen en zal morgen vervolgen.

10 Februari. Gistermorgen vonden wij een invitatie voor een tea, ten huize van een der dames, voor wie wij een introductie hadden en waar wij den eersten dag ons kaartje hadden afgegeven. Ook vond ik een briefje van dr. Benzon, om in het hospitaal, waarvan zij de directrice is, te komen, om eenige belangrijke operaties bij te wonen. Daar toog ik dus alleen op af en vond bij aankomst dr. Benzon met hare drie assistenten met de eerste operatie reeds vrij ver gevorderd.

Het betrof een twaalfjarig meisje, bij wie uit de okselholte eenige zeer groote tuberculeuze klieren werden weggenomen. De tweede operatie gold ’n vrouw bij wie een tumor uit den buik verwijderd werd.

Toen die operaties afgeloopen waren, had dr. Benzon nog lust en tijd mij in haar geheel hospitaal zelf rond te leiden en eenige belangrijke ziektegevallen te wijzen.

Dit Kama-hospitaal voor vrouwen is meer dan een kwart eeuw geleden door den heer Kama gesticht, vandaar zijn naam, doch is later door het gouvernement overgenomen en is nu dan ook een gouvernements-instelling en de daaraan verbonden doktoren en verpleegsters, regeeringsambtenaren. Dr. Benzon, die aan het hoofd staat, is een Engelsche, die in Londen gestudeerd heeft, hare drie assistenten zijn hier geboren, zij hebben ook hier in Bombay gestudeerd en haar doctorstitel gehaald. In Bombay is een zeer goede medische school voor studenten van beiderlei sekse. Tal van Indische meisjes studeeren hier, zoodat langzamerhand de Hindu-, Parsee-, Mohammedaansche en andere vrouwen nergens meer van medische hulp verstoken behoeven te blijven. Het Kama-vrouwenhospitaal is een inrichting met honderd bedden, die altijd alle in gebruik zijn, zoodat spoedig een vergrooting kan worden tegemoet gezien. Het is in alles een up-to-date hospitaal, waarvoor door de regeering geen geld gespaard en dat door de vrouwen-doktoren onberispelijk beheerd wordt. Ik ben benieuwd te zien, wat equivalent ik voor deze inrichting op Java zal vinden; in hoeverre onze regeering aan de zieke Javaansche vrouwen gelegenheid geeft door vrouwelijke doktoren behandeld te worden.

Dr. Benzon had ook eene uitnoodiging voor de tea, waarheen wij ons om vijf uur zouden begeven. Zij sprak met mij af, dat zij ons met haar automobiel zou komen halen, zoodat wij gezamenlijk konden gaan en zij ons aan eenige interessante personen kon voorstellen. En daar kwam nu datzelfde fijne persoontje, dat ’s morgens eenige belangrijke operaties had verricht, ’s middags eenige drukke consult-uren voor private patiënten had gehad, om vijf uur ons halen, gekleed in een geborduurd wit japonnetje met een hoed met lange witte veeren, er uitziende als de meest vrouwelijke vrouw, die men zich denken kan.

De dame, die ons had uitgenoodigd voor de tea, is eene der voornaamste Engelsche vrouwen hier. Zij is niet alleen de leidster in de Engelsche society-wereld, zij is tevens de persoon, die tal van goede hervormingen hier tot stand brengt. Zoo heeft zij onder meer eene overbrugging bewerkt tusschen de vrouwen uit de Parsee-, Hindoe- en Mohammedanenwereld en de Engelsche vrouwen. Zij is heel voorzichtig begonnen de vrouwen uit die verschillende groepen bijeen te brengen en thans kan men op hare tea’s de interessantste vrouwen uit die kringen vinden. Voor ons was het een waar oogengenot, die Purdah-partij bij te wonen. Purdah beteekent gordijn. Vroeger vond men op de Purdah-partijen altijd een gordijn, waarachter de Mohammedaansche vrouwen zaten en diegenen onder de andere vrouwen, die niet door andere mannen dan hun eigen familieleden gezien mochten worden. Langzamerhand hebben de vrouwen uit de hooge kringen deze gewoonte afgelegd, zij vertoonen zich nu openlijk en ongesluierd in de kringen, doch de naam Purdah-partij is behouden gebleven en heeft nu alleen de beteekenis, dat er alleen vrouwen uit alle godsdiensten en geen mannen tegenwoordig zijn. Wij maakten er kennis met een paar Indische prinsessen, meisjes naar schatting 15 en 17 jaar oud, klein en teer gebouwd, gekleed in zulke schitterende Indische kleeding en met zulke prachtige edelsteenen, dat het alle beschrijving te boven gaat. Er was een vrouw van een Maharatja, en er waren tal van vrouwen uit de schatrijke Parsee-wereld en van de toonaangevende Hindoe’s en Mohammedanen. En onder al dezen de elite uit de Engelsche ambtenaarskringen. Dan eens warrelden dezen allen in bonte mengeling dooreen, dan weder zetten zij zich op de hoefijzervormig geplaatste stoelenrijen om een oogenblik te luisteren naar de muziek en zang, door eenige Engelsche en een paar Indische dames ten beste gegeven. Een der Indische dames bespeelde een echt Indisch instrument, een cither, en gaf daarop echt Indische muziek te hooren. Ik heb nooit te voren zoovele kostbare gewaden en edelgesteenten bijeen gezien en nooit zoovele vreemde damescostuums als gistermiddag. Er was een Mohammedaansch meisje met rood satijnen broek, de pijpen van onder bijeen gebonden door ’n gouden band, waaruit de kleine voetjes in gouden muiltjes coquet te voorschijn kwamen. Daarover droeg zij van ragfijn rosezijde, geheel met goud doorwerkt, een overkleed, dat, als bij alle andere dames, altijd eindigde in een soort van sluier, die van achter over het hoofd ging en daarop met een groote parel bevestigd was. Zij was een Mohammedaansche. Er waren een paar zusjes, die hun lichaam alleen in een zacht crème zijden, met goud geborduurden langen doek of sarong gewikkeld hadden, die ook al weder op het hoofd in een soort sluier eindigde, waarmede de bleek-bruine gezichtjes met de groote zwarte oogen en lange wimpers prachtig omlijst werden.

Maar meer dan al die mooie vrouwen in hun prachtige gewaden te zien, interesseerde het ons om met velen van hen te spreken. Velen van hen hadden aan een der vijf universiteiten in Indië gestudeerd en een doctorstitel in een der faculteiten behaald met geen ander doel dan hun kennis te verrijken. Enkelen van hen gebruikten de verworven kennis ten behoeve van het algemeen. Onder deze vrouwen vonden wij die volkomen op de hoogte van de vrouwenbeweging in de andere deelen van de wereld waren en daarmede geheel instemden. Ook hier waren alle rechten die deze vrouwen thans genieten, niet zonder strijd verkregen. Een oude voorvechtster in deze hervormingen ontmoetten wij er in de 70-jarige mrs. Sirinbai Maneckji Cursetji, de zuster van den man, die het Kama-hospitaal voor vrouwen tot stand bracht. Toen ik dit door jicht bijna dubbelgevouwen oud moedertje vroeg, hoe lang zij reeds voor de rechten der Indische vrouwen streed, antwoordde zij, “van af het oogenblik dat ik loopen en praten kon, heb ik mij verzet tegen de achterstelling van de vrouw bij den man, en later heb ik voor de gelijkstelling van beide seksen met pen, woord en daad gestreden.” Zij vertelde ons dat haar geheele familie feministen waren en dat alleen om ons te ontmoeten, zij dien middag bij lady Graeves gekomen was. Want zij zat midden in allerlei drukte, omdat vandaag een harer kleindochters ging trouwen, met al de ceremoniën die de Parsees daaraan verbinden. Ik liet mij ontvallen dat ik zoo heel graag zulke ceremoniën eens zou bijwonen en onmiddellijk antwoordde zij: dan zult gij beiden een uitnoodiging om die te komen bijwonen, ontvangen, alhoewel voor de geheele huwelijksplechtigheid overigens geheel alleen de naaste familieleden een invitatie ontvangen. En zoo gaan wij dan hedenmiddag eerst een tea bij dr. Benzon bijwonen, alwaar wij eenige vrouwen zullen spreken, die ons omtrent den stand van het vrouwenvraagstuk in Indië geheel op de hoogte kunnen brengen en vandaar gaan wij naar de Parseebruiloft.

Over dit alles en ’t geen wij van ochtend deden in een volgend schrijven.

II.

11 Februari. Het was gisteren een dag vol indrukken van verschillenden aard. Wij waren reeds vroeg opgestaan om met een van de eerste stoombootjes, dat om acht uur vertrok, naar de Elephanta Caves te gaan. Het is een tocht van anderhalf uur. De Elephanta Caves is ook alweer een groote Hindoetempel, doch deze is niet opgebouwd, maar geheel in de rotsen uitgehouwen. Al de prachtig bewerkte zuilen, alle deelen van den tempel en al het beeldhouwwerk zijn uit de rotsen gehouwen. Dit is inderdaad wonderwerk uit de 7e of 8e eeuw na Christus en grootendeels goed bewaard gebleven. Deze tempel is gewijd aan Siwa, maar vooral in zijne hoedanigheid als bevruchter. Het voorttelingsvermogen wordt hier op al te duidelijke wijze verheerlijkt en ofschoon de Portugeezen, toen zij voor het eerst als machtgevers hier optraden, een groot deel van deze zinnelijke voorstellingen verwoestten, is er toch nog genoeg overgebleven om het doel van dezen tempel te verduidelijken en om nog jaarlijks duizenden mannelijke en vrouwelijke bedevaartgangers hierheen te lokken, die in dezen tempel de vruchtbaarheid afsmeeken, die hun ontbreekt. Kinderlooze mannen en vrouwen brengen soms dagen en nachten in deze rotsholten door, om door ootmoedig bidden gezegend te worden met nakomelingschap. Tegen lunchtijd waren wij in Bombay terug.

Om vijf uur begaven wij ons eerst naar de woning van dr. Benzon, alwaar wij eenige Parsee- en Eurasian-vrouwen-doktoren aantroffen. Eurasians noemt men de inboorlingen in Indië, die geheel of gedeeltelijk van Europeesche voorouders afstammen. Europeeërs, die hier eeuwen gewoond hebben en wier nakomelingen voor een groot deel vereenzelvigd zijn met de Indische bevolking, doch grootendeels Europeeërs gebleven zijn. Met de Parsees zijn zij de vooruitstrevendste menschen hier. Behalve deze dames waren er een paar toonaangevende Hindoe-vrouwen in de vrouwenbeweging alhier. In mrs. Ranadaij ontmoetten wij de presidente van de, het vorige jaar opgerichte en aan de lezers van het Maandblad voor Vrouwenkiesrecht bekende vereeniging, de Sewa Sisterhood, eene vereeniging, die zich ten doel stelt de Mohammedaansche, Hindoesche en Parseesche vrouwen te vereenigen voor zelfontwikkeling. Zij hebben een eigen clubgebouw, waarin elken Woensdagmiddag een bijeenkomst gehouden wordt. Het eerste uur wordt gewijd aan het lezen van een werk van een of ander groot schrijver, daarna wordt door een der leden een korte voordracht gehouden over sociale of hervormende arbeid door vrouwen in andere landen gedaan, en dan volgt vrije discussie in hoever zulk werk ook voor Bombay of Britsch-Indië nut kan stichten. Mrs. Ranadaij noodigde ons uit, indien wij a.s. Woensdag nog hier mochten zijn, die bijeenkomst te komen bijwonen. Zij is eene vrouw van ongeveer 40 jaar, de dochter van een Indischen prins, die een groot hervormer voor Indië is geweest. Zij is nu getrouwd met een Hindoedokter. Zij vertelde ons vele bijzonderheden uit het Hindoeleven. Een wettelijk huwelijk bestaat in Indië niet. Feitelijk worden de echtverbintenissen niet voor het 12e jaar der kinderen gesloten, maar dat verhindert de Hindoes niet, om de kinderen reeds zeer jong aan elkaar te verbinden, zonder daarbij eenige waarde te hechten aan de wenschen van de kinderen zelven. Als het jonge meisje is uitgehuwelijkt, dan behoort zij de familie van haar man toe, bij wie het kind verplicht is na haar 5e jaar minstens de helft van het jaar door te brengen. Onder de welgestelde families loopt het kind daar in ijdel niets-doen rond, onder de armere klasse wordt zij als meid gebruikt Eerst wanneer zij de puberteitsjaren bereikt heeft, wordt zij de feitelijke echtgenoote van den jongen man en heeft hij verder alle macht over haar. Mrs. Ranadaij vertelde mij, dat hare schoonmoeder niet wilde, dat zij iets leerde en ofschoon zij bij hare ouders thuis in de helft van het jaar, die zij daar doorbracht, leerde lezen en schrijven, mocht zij bij hare schoonouders geen boek ter hand nemen of iets doen wat haar geest kon ontwikkelen. Op haar 12e jaar werd zij de feitelijke vrouw van haren 19-jarigen man, die aan de medische school in Bombay studeerde. Toen brak voor haar een betere tijd aan. Na twee jaren ging hij naar Engeland om in Edinburg zijn medische studiën te voltooien en nam haar mede. Hij gaf haar daar eene uitstekende gouvernante. Van dien tijd af heeft zij nooit opgehouden zich verder te ontwikkelen. Zij heeft in Bombay een Hindoeschool gesticht, die wij morgen met haar gaan zien.

Na ons interessant bezoek bij dr. Benzon begaven wij ons om ongeveer half zeven naar de bruiloft der Parsees. Alles was daar reeds in vollen gang toen wij aankwamen. De mannen waren allen, zonder eenige uitzondering, in een smetteloos wit costuum gestoken, alle volgens hetzelfde model gemaakt. Zij zaten in den tuin. De bruidegom was spoedig te herkennen aan den bloemenkrans, die om zijn hals hing en de bouquet rozen, die hij in zijn hand hield. De dames waren allen in een soort zaal gezeten, die aan alle kanten open was. Zij droegen allen de mooie Indische kleeding, schitterend van goud en edelsteenen. De bruid en de bruidsmeisjes hadden allen een wit kleed aan, slechts spaarzaam met goud gegarneerd, doch van eene bijzonder prachtige kwaliteit. Midden in de zaal was een kleine verhooging, waarop de plechtige huwelijksinzegening zou plaats hebben. Zoowel in den tuin als in de zaal waren groote tafels geplaatst met onnoemelijk veel ververschingen en dranken. Het waren bijna alle zoetigheden, vruchten, verschillende ijssoorten, limonades en zulke onschuldige zaken meer, waaraan elke gast zich te goed kon doen. In den tuin maakte een muziekkorps oorverdoovende muziek.

Spoedig na onze aankomst werden op een zilveren blad bloemen aangedragen en kwam de moeder van de bruid ons beiden behangen met een krans tuberozen en rozen. Mrs Sirnibai Maneckji Cursetji, die ons de uitnoodiging bezorgd had en die zich tusschen ons beiden had neergezet om ons alles te verklaren, fluisterde ons toe, dat wij daarvoor onzen bijzonderen dank moesten uitspreken, omdat dit beteekende, dat onze komst op hoogen prijs werd gesteld. Als de Aziaten iemand bijzonder willen eeren, dan behangen zij hem met bloemen. Wij beiden gaven aan de wenk van grootmoeder Cursetji gehoor.

Nu begonnen langzamerhand de ceremoniën. De bruidsmeisjes brachten de geschenken binnen, die de bruid haar aanstaanden echtgenoot aanbood, en deze, op zilveren schalen uitgespreid, werden in optocht door den tuin gebracht en den jongen man aangeboden. Daarop kwamen de bruidsmeisjes terug en brachten het bruidje de geschenken, die de bruidegom haar aanbood. Het waren voornamelijk kostbare gewaden, een paar kostbare oorringen, die haar onmiddellijk in de ooren werden gestoken, eenige braceletten, die zij aandeed, en tal van huishoudelijke zaken. Zij werd toen door de bruidsmeisjes op het huwelijksaltaar, zooals de verhooging werd genoemd, geleid en achter een laag scherm geplaatst. Daarna brachten de bruidsjonkers den bruidegom binnen, die tegenover het bruidje, aan den anderen kant van het scherm, plaats nam. Zij konden elkaar niet zien. Toen werden zij gezamenlijk door een zijden band vijf-en-twintig maal omwonden. (Al wat verder volgt is zuiver symboliek). Nu werd hun door den priester de heiligheid van het huwelijk voor oogen gesteld en de plichten, die het voor man en vrouw beiden meebrengt. Het speet mij zeer, dat ik niet kon verstaan, de priester sprak een onverstaanbare taal, welke die plichten voor beiden zijn. De band, waarmede beiden omwonden waren, beteekent, dat eenmaal saâm verbonden, alleen door geweld een einde aan die verbintenis kan worden gemaakt. Nadat de priester geëindigd had, werd het jonge paar gevraagd, of zij de heiligheid van het huwelijk begrepen, of zij bereid waren, de plichten ervan te aanvaarden, of geen andere drijfveer dan liefde hen tot elkander had gevoerd. Toen op al deze vragen een bevredigend antwoord was gegeven, werd het scherm weggenomen, de band losgemaakt en namen bruid en bruidegom naast elkaar plaats. Het bruidje was 17 jaar, de jongeman 21. Zij waren neef en nicht, zij kenden elkaar van de geboorte af.

Toen zij naast elkaar gezeten waren, werd op een tafel naast hen een soort komfoor met vuur geplaatst, waarop onophoudelijk welriekende—tenminste sterkriekende—kruiden gestrooid werden, die een bedwelmenden geur verspreidden. Dat vuur beteekent: dat in hun beider harten het vuur der liefde eeuwig moge branden. Daarnaast werd op een zilveren blad een bakje met rijst, een ander met amandelen en eenige kokosnoten gebracht. Onderwijl de priester de huwelijksinzegening uitsprak, bestrooiden hij en een andere priester bruid en bruidegom onophoudelijk met de droge rijstkorrels. De beteekenis hiervan is: dat zij in voorspoed mogen leven, zoo zelfs, dat het voedsel overal rondom hen verspreid ligt en zij in staat zijn anderen van hun overvloed mee te deelen. Ik vroeg, of aan dat bestrooien met rijst niet het Engelsch begrip verbonden is, dat meer op de vruchtbaarheid van het huwelijk betrekking heeft, doch dat werd door allen ontkend. De amandelen beteekenen, dat er rust en vrede in het huwelijk moge heerschen, want uit amandelen werd door de Parsees het eerst olie bereid en olie is in staat bewogen golven tot stilstand te brengen. De kokosnoot heeft een huiselijke beteekenis. De kokosnoot geeft voedsel en drank, uit zijn bast worden kleederen zoowel als allerlei huishoudelijke artikelen bereid, de boom geeft schaduw en zijn bladeren kunnen voor honderdlei doeleinden aangewend worden. Zoo veelzijdig nuttig als de kokosnoot moge ook het pasgesloten huwelijk worden. Toen al deze plechtigheden waren afgeloopen, was het jonge paar getrouwd en werden zij van alle kanten gelukgewenscht. Wij mochten het eerst onze wenschen aanbieden. Vele familieleden brachten nu nog kleine geschenken aan, er werd wat heen en weder gewandeld, veel gepraat, onderwijl het diner werd voorbereid. Wij meenden, bij het diner niet te moeten tegenwoordig blijven en gingen de gastvrouw daarom bedanken voor het genotene, maar zij wilde niets hooren van weggaan, wij moesten ten minste iets van het diner nuttigen. Het was een diner, zooals een ander, maar er was geen enkel vleeschgerecht, wel vischsoorten. Toen ik m’n buurman de reden daarvan vroeg, antwoordde hij, dat de Parsees niet bepaald tegen het eten van vleesch zijn, doch bij groote diners het eten van vleesch zooveel mogelijk vermijden, opdat nooit ter wille van een feest een beest geslacht moet worden! Toen ik op de vele vischgerechten wees, zeide hij: “Maar dat is toch geheel iets anders, visschen zijn koudbloedige dieren.” Om half tien gingen wij tweetjes doodvermoeid hotelwaarts, alle bruiloftsgasten in vroolijke, opgeruimde stemming achterlatend.

Nu ik dit bruiloftsverhaal overlees, lijkt mij de beschrijving zoo koud en realistisch, terwijl het geheel toch zoo’n poëtischen, mooien indruk op mij maakte. Zooiets te zien, in je op te nemen, het te overdenken, is zoo geheel iets anders dan het in nuchtere taal, voor anderen, die het Oostersche leven niet kennen, neer te pennen en begrijpelijk te maken. Wij gaan het oude grootmoedertje Maandagmiddag bezoeken, om van haar nog het een en ander van ’t doen en laten der vrouwen hier te vernemen. Het is nu Zondag; wij hebben heden een kalmen dag en gaan alleen vanmiddag een bezoek brengen bij sir en lady Philoysha Meta, een Parsee-familie, voor wie wij in Caïro een introductie ontvingen.


Wij troffen bij deze familie verschillende heeren en dames, die in de nationale beweging alhier een rol spelen. Sir Meta staat aan het hoofd van deze beweging, eene beweging die ten doel heeft om voor Britsch-Indië home-rule te verkrijgen. Jaarlijks komen zij daarvoor op verschillende plaatsen in Indië bijeen en houden congressen. Om Sir Meta den mond te snoeren, want hij is een geweldig orator, heeft de Engelsche regeering hem kort geleden in den adelstand verheven, en dat heeft op de golven van zijne welsprekendheid een nog kalmeerender effect gehad, dan amandelolie op de golven der zee. Wij hoorden daar over vele belangrijke kwesties spreken, die echter van te ingewikkelden aard zijn, om er hier van te gewagen.


12 Febr. Dezen dag wijdden wij aan het bezoeken van scholen voor meisjes. Het eerst bracht mrs. Ranadaij ons naar een der Hindoesche meisjesscholen. Deze school is uit private fondsen gesticht, doch wordt thans door de regeering gesubsidieerd. Een derde van de uitgaven wordt door de regeering bekostigd. De Hindoesche meisjes komen hier van haar 10de tot en met haar 17de jaar, zeer enkelen zijn ouder. Het is voor ons zeker merkwaardig, dat onder deze leerlingen tal van gehuwde vrouwtjes en ook eenige weduwen waren. Sommige van deze vrouwtjes werden door haar mannen naar school gestuurd. Op al die soort scholen wordt de eigen taal en de Engelsche taal geleerd en in de hoogere klassen tevens het Sanskriet. Of het onderricht er inderdaad goed is, kon ik niet beoordeelen, wel werd mij verzekerd, dat het gelijk stond met het onderricht op Engelsche scholen. Meisjes, die den geheelen cursus hebben doorloopen, zijn klaar voor het ontvangen van middelbaar en gymnasiaal onderwijs in Engeland. Aan het hoofd van deze school staat een Hindoe-echtpaar, beiden leeraren, die theosophen zijn en in Madras hun opleiding hebben genoten.

Na het bezoek van deze school nam mrs. Ranaday ons mede naar haar woning, om een Hindoesche huishouding te zien. Het was een geheel andere huishouding dan wij ooit gezien hadden, waarvan niemand zich een voorstelling kan maken, die het zelf niet aanschouwd heeft. De eetkamer bijv. is een leege, vierkante ruimte, zonder stoelen, tafels of kasten. Alleen stonden er een paar lage, vierkante bankjes, nog niet zoo hoog als onze voetenbankjes. Daarop wordt het eten geplaatst in een bak of schotel. Alle gasten zitten of liggen rondom en eten met de handen uit den bak. De mannen, vader en zonen, eten eerst alleen en worden door de vrouwen bediend; als zij verzadigd zijn, beginnen de vrouwen te eten op dezelfde wijze. Mrs. Ranaday vertelde ons, dat zij altijd gelijk met haar man eet, maar dat dit zoo iets vooruitstrevends is, dat zij het nooit aan haar familieleden mededeelde en ook niet doet als zij gasten heeft. “Het zou mijn man al zijne patiënten kosten, als men dit weet”, zeide zij.

De keuken was een even onmogelijk ding en toen mrs. Catt den drempel wilde overschrijden, om het geheel wat beter te kunnen overzien, werd zij door mrs. Ranaday met een ruk teruggetrokken. Zij vertelde ons, dat niet-Hindoes nooit in de nabijheid van hun eten mochten komen, of zelfs bij iets wat voor hun maaltijden gebruikt wordt, want, wanneer de schaduw van een van ons over het eten of over de keuken-utensiliën valt, dan moet onmiddellijk alles vernietigd worden; het mag dan niet meer door een Hindoe worden aangeraakt. Men moet niet vergeten, dat wij hier bij eene voorname en radicale Hindoesche familie waren, een doctor, die in Engeland zijn studiën voltooid heeft en een zeer radicaal man is, en zij, de dochter van een Indischen prins, die als hervormer bekend stond.

De provisiekamers, de slaapkamers en salon waren ook met de onze niet te vergelijken. Ik weet nu reeds, dat ik nooit een invitatie zal accepteeren om in een Hindoe-familie een nacht door te brengen, maar ik behoef niet bang te zijn, dat zulk een uitnoodiging mij ooit zal bereiken. Niet-Hindoe’s worden nooit in den huiselijken kring van Hindoe’s opgenomen.

Vanmiddag zagen wij een Parsee-school. Ook hier waren ongeveer 200 meisjes-leerlingen met een twaalftal onderwijzeressen en een directrice. Op school worden de meisjes zoo ver gebracht, dat zij de hier bestaande universiteiten kunnen bezoeken. Ook deze scholen worden door de regeering financieel gesteund, doch zijn privaat-instellingen. Er zijn wel openbare scholen hier voor jongens en meisjes, doch daarvan wordt door de meisjes nog weinig gebruik gemaakt. Over het geheel genomen komt er in Britsch-Indië op elke 10 mannen één voor, die lezen en schrijven kan, doch bij de vrouwen is die verhouding slechts één op de 144. Met de algemeene ontwikkeling der vrouwen is het dus nog treurig gesteld, maar wij vinden het gelukkig in Bombay verscheidene vrouwen ontmoet te hebben, die flink en onversaagd voor de betere ontwikkeling der vrouwen in de bres springen en die reeds op gunstige resultaten kunnen bogen. Hoewel deze strijdsters voor de verheffing der vrouw hier eene zware taak hebben te vervullen, vooral door te moeten oproeien tegen den tegenstand van de vrouwen zelve, wordt die taak haar toch vergemakkelijkt, doordat zij op den steun der overheidspersonen kunnen rekenen.

13 Febr. Wij hadden zooveel gelezen en gehoord over het werk der vrouwen in de textielfabrieken alhier, dat wij meenden Bombay niet te mogen verlaten, zonder een kijkje genomen te hebben in een dezer fabrieken. Gemakkelijk was dat niet, maar door de invloedrijke bemiddeling van onzen Hollandschen consul, den heer Bendien, werd ons dit toch mogelijk gemaakt. Als men bedenkt, dat de textielnijverheid in de stad en provincie Bombay groote afmetingen bezit, dat van de 20.000 inwoners in deze provincie 17% uitsluitend door dit bedrijf leven, dan begrijpt men, dat de vele fabrieksschoorsteenen hier reeds lang tot ons gesproken hadden en wij nieuwsgierig waren de fabrieken binnen te treden om te zien hoe de toestanden daar waren. De heer Bendien had de vriendelijkheid ons persoonlijk te geleiden en hier en daar voor ons als tolk te dienen. Het is voor onze Europeesche oogen altijd weder even vreemd, als men de mannen bezig vindt het werk te doen, dat bij ons als “vrouwenwerk” gestempeld is, terwijl de vrouwen “mannenwerk” verrichten. Dat men hier in een winkel mannen wit borduurwerk ziet maken, of om fijne zijden zakdoekjes witte kantjes naaien, valt niemand op, en als men vrouwen bij het bouwen van een huis zware balken op haar hoofd naar boven ziet dragen, ook niet. Ook in deze fabrieken was, naar onze westersche begrippen, de verhouding omgekeerd.

Over het algemeen genomen wordt hier echter door de vrouwen nog slechts weinig gewerkt, alleen bij de heele lage kasten verrichten de vrouwen werk in het openbaar.

De toestanden in de fabrieken schenen nog al goed, de vrouwen werkten van 8 tot 12 en van 1 tot 5 uur. De mannen beginnen vroeger en eindigen later. De loonen kwamen mij zeer laag voor, maar alle arbeid wordt hier heel slecht betaald, misschien is het in verhouding tot anderen arbeid niet laag. Kinderarbeid is uitgesloten, elke arbeider, man of vrouw, moet boven de 14 jaar zijn. Er wordt hier in Bombay machinaal alleen een soort grof katoen geweven en grove garens gefabriceerd, waarvan grof ondergoed machinaal gebreid wordt.

De heer Bendien bracht ons daarna nog bij eene Hindoe-familie, waarvan de vrouw en dochter zich zeer voor de vrouwenbeweging interesseeren en die ons omtrent de toestanden in Indië goede inlichtingen konden geven. Ook deze familie is door de Engelsche regeering in den adelstand verheven. Dat lijkt mij een prachtige maatregel om invloedrijke Indische mannen, die van hervormingen droomen, den mond te snoeren en tot vrienden van Great-Britain te maken.

Wij gaan thans Bombay verlaten. Om 9 uur reizen wij vanavond af, en hopen morgenochtend in Ahmedabad aan te landen.